<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23426_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentepagina Nieuwe Meerbode, 01-10-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=154">Gemeentewet, art. 154</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-10-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-12-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV08.41BI08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2006</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Weg: </al><lijst><li nr="1."><al>de weg als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                                Wegenverkeerswet 1994</extref> alsmede de daaraan
                                            liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
                                        </al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen; </al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, die
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn; </al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Openbaar water:</al></li><li nr=""><al>alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het
                                    publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom:</al></li><li nr=""><al>de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen
                                    hebben vastgesteld overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenwet/article=27">artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet</extref>.</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende:</al></li><li nr=""><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens
                                    een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="e."><al>Voertuigen:</al></li><li nr=""><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a L.
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
                                    uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams; </al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Vaartuigen:</al></li><li nr=""><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen,
                                    alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al></li><li nr="g."><al>Woonschepen:</al></li><li nr=""><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot
                                    woning bestemd.</al></li><li nr="h."><al>Bouwwerk:</al></li><li nr=""><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                                    ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                    of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                    steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="i."><al>Gebouw:</al></li><li nr=""><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                                    geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="j."><al>Vee:</al></li><li nr=""><al>dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II,
                                    behorend bij <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Meststoffenwet/article=55%20">artikel 55 van de Meststoffenwet</extref>.</al></li><li nr="k."><al>Handelsreclame:</al></li><li nr=""><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                                    kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                    vergunning of ontheffing binnen zes weken na de dag waarop de
                                    aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                                    acht weken verdagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                    ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                    aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                    bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                                    behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                    vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                    termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                    ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                    Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                    bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                    vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                    ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7 Termijnen</titel></kop><al>vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                            samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                            gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                            waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                            ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding
                                            gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in
                                            of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                            een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van
                                            politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                                            aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op
                                            terreinen, wegen of weggedeelten, die door of vanwege
                                            het bevoegd gezag in het belang van de openbare
                                            veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn
                                            afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het
                                            derde lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                            betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                            levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbare%20manifestaties">Wet openbare manifestaties</extref>.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Optochten en betoging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2.1 Optochten</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare
                                        plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1)"><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats
                                            een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                            aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze
                                            betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven
                                            aan de burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is
                                            bepaald.</al></li><li nr="2)"><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving
                                            door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                            zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag,
                                            wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de
                                            voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen
                                            erkende feestdag is.</al></li><li nr="3)"><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbare%20manifestaties/article=1">artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de
                                                Wet openbare manifestaties</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van
                                    48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling
                                    nemen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>de kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging
                                                  houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en
                                                  het tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de
                                                  route en de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                  samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                  treffen om een regelmatig verloop te
                                                  bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een
                                            bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is
                                            vermeld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3.1</titel></kop><al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                                    afbeeldingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of
                                            afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel
                                            openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te
                                            maken op of aan door het college aangewezen wegen of
                                            gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                            bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden
                                            of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                            stukken en afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of
                                            aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn
                                            diensten als zodanig aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a"><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b"><al>het voorkomen of beperken van overlast</al></li><li nr="c"><al>de verkeersveiligheid van personen en
                                                  goederen;</al></li><li nr="d"><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als
                                            straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                                            of gids op te treden op of aan door de burgemeester
                                            aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken
                                            tot bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
                                            verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                                        weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg
                                            of een weggedeelte anders te gebruiken anders dan
                                            overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij
                                                  geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor
                                                  personen of goederen en niet voor commerciële
                                                  doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht
                                                  boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van
                                                  de weg en voorzover: </al><lijst><li nr="-"><al>elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven
                                                  dat gedeelte bevindt, en</al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel, in welke stand het scherm ook
                                                  staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor
                                                  het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                                  bevindt, en</al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel, in welke stand het scherm ook
                                                  staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande
                                                  gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die
                                                  noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht
                                                  worden in verband met laden en lossen ervan.
                                                  Degene die de werkzaamheden verricht of doet
                                                  verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na
                                                  het beëindigen daarvan, in elk geval voor
                                                  zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                                  verwijderd zijn en de weg hiervan gereinigd
                                                  is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of
                                                  gevoelens worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel
                                                  2.2.1;</al></li><li nr="g."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2. vijfde lid</al></li><li nr="h."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel
                                                  5.2.3</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen
                                            of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                            geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben,
                                            indien deze </al><lijst><li nr="a."><al>door hun omvang of vormgeving, constructie of
                                                  plaats van bevestiging schade toebrengen aan de
                                                  weg;</al></li><li nr="b."><al>gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de
                                                  weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan;</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormen voor het doelmatig beheer
                                                  en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt
                                            onder weg verstaan wat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                                  de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                                  de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                                  het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                  overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                  gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><lijst><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
                                                  zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                  voorzien door de wegenverordening Noord-Holland.
                                                </al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a,
                                                  geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                                  onderwerp wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5">Wegenverkeerswet 1994, art. 5</extref></al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b,
                                                  geldt niet voor bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                                  geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                                  wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van
                                        een weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken,
                                            in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van
                                            de wegverharding te veranderen of anderszins verandering
                                            te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan hetgeen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                            daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare
                                            ontsluitingswegen van gebouwen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de
                                            gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van
                                            zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin
                                            geregelde onderwerp wordt voorzien door het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht,</extref> de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref>, de
                                            Waterschapskeur, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Telecommunicatiewet%20">Telecommunicatiewet</extref> of de daarop
                                            gebaseerde telecommunicatieverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een
                                        uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van
                                                  een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                                  naar de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan hetgeen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1%20">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                  omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                  gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                            onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20Rijkswaterstaatswerken">Wet beheer Rijkswaterstaatswerken</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5%20">artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>, of
                                            de wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de
                                            weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                            onderwerp wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%20/article=427">artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van
                                                Strafrecht</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5%20">artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                            1994</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                            beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                            winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van
                                            de naam van het bedrijf of</al><al>een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat
                                            bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                            achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of
                                            te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te
                                            bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het
                                            bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het
                                            bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de
                                            onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als de
                                            onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum
                                            wordt aangemerkt de weg of weggedeelte, grenzende aan
                                            dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die
                                            weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de
                                            weg onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een
                                            daartoe aangewezen plaats.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid bepaalde in dit artikel geldt niet
                                            voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer.</extref></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of
                                        voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                            gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen
                                            gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers
                                            opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%20/article=427">artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                                Wetboek van Strafrecht</extref> van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en
                                        natuurterreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide- of
                                            veengronden in of binnen een afstand van dertig meter
                                            daarvan gedurende de het college aangewezen
                                            periode.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden in
                                            of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor
                                            zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                            voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                            liggen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod
                                            geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=429">artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                                Strafrecht</extref>.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                            voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en
                                            aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                            (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei
                                            wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
                                            scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen
                                            lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
                                            puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere
                                            afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg,
                                            op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                                            aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg
                                            verstaan hetgeen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in
                                            het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5">artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                            1994</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk
                                    een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en
                                        verlichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te
                                            laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en
                                            overeenkomstig de aanwijzingen van het college
                                            voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                                            openbaar verkeer of de openbare verlichting worden
                                            aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als
                                            bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te
                                            gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een
                                            voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                                            lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                            het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterstaatswet%201900">Waterstaatswet 1900</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Onteigeningswet">Onteigeningswet</extref>, of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Belemmeringenwet%20Privaatrecht">Belemmeringenwet Privaatrecht</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>(niet overgenomen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a"><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                  beschadigen, te verontreinigen, te versperren of
                                                  het verkeer daarop op enige andere wijze te
                                                  belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b"><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                  veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                  ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                  beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                  daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                            onderwerp wordt voorzien door het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht</extref> of de
                                            Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2 Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                        uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=160">artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                                  Gemeentewet</extref> en artikel
                                                  5.2.4. van deze verordening</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20kansspelen">Wet op de kansspelen</extref>;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20Horecawet%20">Drank- en Horecawet</extref> gelegenheid geven
                                                tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als
                                                bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbare%20manifestaties">Wet openbare manifestaties</extref>;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen
                                                  2.1.4.2, 2.1.4.3. en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a"><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b"><al>een braderie;</al></li><li nr="c"><al>een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                                  artikel 2.1.2.2, op de weg;</al></li><li nr="d"><al>een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen
                                                of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                        de door de burgemeester aangewezen kleine evenementen als
                                        bedoeld in het vijfde lid.</al></li><li nr="4."><al>Bij besluit van de burgemeester kunnen voor daarbij
                                        aangewezen kleine evenementen regels worden gesteld, die
                                        nodig zijn in het belang van de in het derde lid genoemde
                                        gronden.</al></li><li nr="5."><al>Bij het in het vijfde lid bedoelde besluit wordt de
                                        verplichting opgelegd tot het melden van het voorgenomen
                                        kleine evenement aan de burgemeester. Voorts wordt daarbij
                                        aangegeven het tijdstip, voorafgaand aan het evenement,
                                        waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan en de gegevens
                                        die bij de melding moeten worden verstrekt.</al></li><li nr="6."><al>Uiterlijk 48 uur voordat een klein evenement plaatsvindt,
                                        kan de burgemeester besluiten, in het belang van de in lid 3
                                        genoemde criteria, dit evenement te verbieden.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                            voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                            bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                            was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken
                                            of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden
                                            bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in
                                            ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension,
                                            café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of
                                            clubhuis.</al></li><li nr="2."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt
                                            mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de
                                            andere aanhorigheden.</al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                            besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                            horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden
                                            geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                            geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                            worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene
                                            die een horecabedrijf exploiteert op grond van het
                                            bepaalde in artikel 2.3.1.2 of 2.3.1.3.</al></li><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: </al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede diens
                                                  elders wonende bloed- en aanverwanten, in de
                                                  rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de
                                                  derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=438">artikel 438 van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</extref>;</al></li><li nr="c."><al>de personen, alsmede personen bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=438">artikel 438, derde lid van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</extref>, wier aanwezigheid in de
                                                  inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                  is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.2 Vergunning exploitatie
                                        horecabedrijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                            vergunning van de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                            eerste lid, indien de vestiging of exploitatie van het
                                            horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het
                                            eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar
                                            zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                            leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of
                                            de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                            beïnvloed door de aanwezigheid van het
                                            horecabedrijf</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                            weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met het
                                            karakter van de straat en de wijk, waarin het
                                            horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard
                                            van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het
                                            woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal
                                            komen te staan door de exploitatie van het
                                            horecabedrijf.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in
                                            geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking
                                            heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende
                                            terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over
                                            de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                            terras.</al></li><li nr="6."><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan
                                            de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde
                                            ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer
                                            bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:</al></li><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="7."><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet, voor
                                            zover in het daarin gestelde onderwerp wordt voorzien
                                            door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">wet beheer Waterstaatwerken</extref> of de
                                            wegenverordening Noord-Holland;</al></li><li nr="8."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoel in het
                                            eerste lid, indien de houder geen verklaring omtrent
                                            gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum
                                            waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is
                                            afgegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 niet geldt voor een of
                                            meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven
                                            in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin
                                            aangewezen gedeelten van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit
                                            als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet
                                            zodanig geschieden dat daardoor de woon en leefsituatie
                                            in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde
                                            niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                            beïnvloed.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                            bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                            laten of te laten verblijven: op maandag tot en met
                                            zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan door middel van een
                                            vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                            voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe
                                            behorend terras.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                            zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                            door op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> gebaseerde
                                            voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                        sluiting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                            veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                            bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor
                                            een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de
                                            krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden
                                            vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover
                                            geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet/article=13b%20">artikel 13b van de Opiumwet</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten
                                        horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel
                                        2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</titel></kop><al>(niet overgenomen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1.8 College als bevoegd
                                        bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=174%20">artikel 174 Gemeentewet</extref> treedt niet de
                                    burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten
                                    behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                            mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                            kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als
                                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=438%20">artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht</extref>, bij te
                                    houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens
                                        nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor
                                            het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig
                                            of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de
                                            mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                                            waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                            worden gewonnen of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een speelgelegenheid te exploiteren of te doen
                                            exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20Kansspelen/article=30c">artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op
                                                  de Kansspelen</extref> vergunning is
                                                  verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van
                                                  Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
                                                  vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                                  geboden om het kleine kansspel als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20kansspelen/article=7c%20">artikel 7c van de Wet op de kansspelen</extref>
                                                  te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20kansspelen/article=30%20">artikel 30 van de Wet op de kansspelen</extref>,
                                                  of de handeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20kansspelen/article=1">artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                                  kansspelen</extref> te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                                                  dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de
                                                  speelgelegenheid of de openbare orde op
                                                  ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door
                                                  de exploitatie van de speelgelegenheid.</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid
                                                  in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20kansspelen">Wet op de kansspelen</extref></al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=30">artikel 30, onder a, van de Wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=30">artikel 30, onder c, van de Wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=30">artikel 30, onder d, van de Wet</extref>;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=30">artikel 30, onder e, van de Wet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, waarvan maximaal twee
                                            kansspelautomaten.</al></li><li nr="4."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in
                                            het geheel niet zijn toegestaan.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=174a%20">artikel 174a Gemeentewet</extref> gesloten woning, een
                                        niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning
                                        of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet/article=13b%20">artikel 13b Opiumwet</extref> gesloten voor publiek
                                        toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                        betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                        de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                        is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede
                                        lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
                                        zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                        bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                        rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
                                        onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                                aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op
                                                andere wijze aan te brengen of te doen
                                                aanbrengen.</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof
                                                enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te
                                                brengen of te doen aanbrengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
                                        te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking
                                        mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                        bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                        toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                        diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of
                                        openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
                                        of verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien genoemde
                                        materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn
                                        bestemd voor handelingen als verboden in artikel
                                            2.4.2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te
                                        vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels,
                                        touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp
                                        of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang
                                        tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                        sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel
                                        van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                        voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of
                                        middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in
                                        het eerste lid bedoelde handelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich
                                        te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde
                                        parken, wandelplaatsen, plantsoenen of groenstroken of
                                        grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                        rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de
                                        zijkant van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Onder weg wordt verstaan wat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1%20">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                        daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door de
                                        omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref> of de
                                        wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op
                                                een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                                openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of
                                                andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor
                                                niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                                weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg
                                                gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                                veroorzaakt wordt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=424">artikel 424</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=426bis">wetboek van strafrecht, art. 426bis</extref>, 431 van
                                        het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5%20">artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door
                                        het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                        nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                        alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20Horecawet/article=1%20">artikel 1 van de Drank- en
                                                Horecawet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als
                                                bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt
                                                krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20Horecawet/article=35%20">artikel 35 van de Drank- en
                                                Horecawet</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.8a Overlastgevend drugsgebruik.</titel></kop><al>Het is verboden om, in door het college aangewezen gebieden:</al><lijst><li nr="1)"><al>Onverminderd het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet">Opiumwet</extref>, op of aan de weg, al dan niet met
                                        een voertuig, drugs of daarop gelijkende waar, af te
                                        leveren, aan te bieden, te vervoeren, te gebruiken of
                                        daarbij bemiddelen of behulpzaam te zijn.</al></li><li nr="2)"><al>Op een weg of voor het publiek toegankelijke plaats of
                                        gebouw (hard) drugs te gebruiken, toe te dienen of dit voor
                                        te bereiden en/of daarvoor stoffen en/of voorwerpen
                                        voorhanden te hebben en deel uit te maken van een
                                        verzameling van meer dan 4 personen, waarvan redelijkerwijze
                                        kan worden aangenomen dat de verzameling verband houdt met
                                        het gebruik van of handel in drugs dan wel heling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op
                                                te houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van
                                                een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
                                        meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                        toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                        ruimte van zo’n gebouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek
                                    toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek,
                                indien:</al><lijst><li nr="1."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="2."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                        van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                        kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                        gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon,
                                        te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig
                                        ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen
                                        of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of
                                        aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd
                                        te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of
                                        lichtsignaal kan produceren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Particuliere%20beveiligingsorganisaties%20en%20recherchebureaus">Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en
                                            recherchebureaus</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.17 Loslopende honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                                aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                                als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                                speelweide of op een andere door het college
                                                aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband
                                                of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of
                                                houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van
                                        een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                        laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar
                                        gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een
                                        hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                        geleidehond.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet op het door het college nader aan te
                                        wijzen plaatsen;</al></li><li nr="4."><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid onder c geldt niet
                                        voor honden ten aanzien waarvoor geen hondenbelasting
                                        verschuldigd is aan de gemeente Uithoorn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                        zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: </al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is
                                                bestemd voor het verkeer van fietsers en/of
                                                voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                                als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                                speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen
                                                plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
                                        lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of
                                        houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                        onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid is de
                                        eigenaar of houder van een hond verplicht een doeltreffend
                                        hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van eventuele
                                        hondenuitwerpselen bij zich te hebben. Dit geldt niet voor
                                        zover eerdergenoemde personen zich bevinden op een door het
                                        college aangewezen plaats waar niet de verplichting bestaat
                                        uitwerpselen onmiddellijk te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar van een hond is verplicht ervoor zorg te dragen
                                        dat die hond niet urineert op een voor het publiek
                                        toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
                                        kinderspeelplaats, zandbak of speelweide dan wel op een
                                        andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op
                                        het terrein van een ander: </al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                                eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij
                                                die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een
                                                aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                                noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een
                                                muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder
                                                heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                                hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in
                                                verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                                vindt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking op het eerste lid van artikel 2.4.17,
                                            aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in
                                        het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van
                                        een optisch leesbaar, niet verwijderbaar
                                        identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20agressieve%20dieren/article=1">artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve
                                                  dieren</extref>;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn
                                                met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die
                                                niet langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                        dieren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer">Wet Milieubeheer</extref> gedeelten van de gemeente of
                                        bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast of van schade aan de openbare
                                        gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van
                                                de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast
                                                of van schade aan de openbare gezondheid gestelde
                                                regels; dan wel</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                                aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
                                        dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders
                                        dan met inachtneming van de door het college gestelde
                                        regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
                                        door het college is aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                        tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.21 Wilde dieren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.22 Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.23 Duiven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat
                                        die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00
                                        uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen
                                        tussen 1 maart en 1 juni.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gesteld gebod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Provinciale ophokverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.24 Bijen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of
                                                andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op
                                        een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of
                                        kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte
                                        of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en
                                        invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod
                                        geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de
                                        woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
                                        geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland.</al></li><li nr="5."><al>het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.25 Overlast door onkruid</titel></kop><al>De eigenaar, de gebruiker van, de rechthebbende of de toezichthouder
                                op de binnen de gemeente gelegen gronden of wegen mogen geen
                                overlast veroorzaken aan gebruikers van in de nabijheid gelegen
                                percelen door onkruiden, welke hun zaad door middel van de wind
                                verspreiden en zijn gehouden deze onkruiden tijdig te
                                verwijderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                                goederen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=437">artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                            Strafrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                        gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                        andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of
                                        namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
                                        vermeldt hij onverwijld: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot
                                                het goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het
                                                goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                                voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer
                                                van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor
                                                overdracht van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                                verkregen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                        verplichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3</titel></kop><al>Voorschriften als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=437ter">artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek
                                Strafrecht</extref></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=437ter">artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van
                                            Strafrecht</extref>, de burgemeester of de door deze
                                        aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat
                                        hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij
                                        tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van
                                        het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve
                                        van zijn onderneming in gebruik genomen;</al></li><li nr="2."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="4."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a.
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="5."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar.</al></li><li nr="6."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                    goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten
                                        dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                        inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige
                                        andere wijze overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede
                                                lid;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde lid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6 Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.2</titel></kop><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                verkoopdagen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                        nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
                                        dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden,
                                        zonder een vergunning van het college van de gemeente waar
                                        het bedrijf is of zal worden gevestigd.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van de openbare orde en in het
                                        belang van het voorkomen of beperken van overlast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                        het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op
                                        een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien
                                        zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht./article=429">artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                            Strafrecht.</extref></al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 7 Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet%20">Opiumwet</extref> is het verboden op of aan de weg post te
                                vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen
                                in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te
                                rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet/article=2">artikelen 2</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet/article=3%20">3 van de Opiumwet</extref>, of daarop gelijkende waar, al dan
                                niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven,
                                daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8 Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=154a%20">artikel 154a van de Gemeentewet</extref> besluiten tot het
                                tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen
                                op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde
                                in de artikelen artikel
                                    2.1.1.1 (samenscholingsverbod); artikel 2.1.2.1
                                (optochten); artikel 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of
                                boven de weg); artikel 2.1.5.2 (aanleggen, beschadigen en veranderen
                                van een weg); artikel 2.1.6.4 (openen straatkolken en dergelijke);
                                    artikel 2.1.6.7 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);
                                    artikel 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);
                                    artikel
                                    2.4.8 (hinderlijk drankgebruik); artikel
                                    2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen); artikel 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten) artikel 2.6.3 (bezigen van vuurwerk) én artikel 5.5.1 (verbod om vuur te
                                stoken) van de Algemene plaatselijke verordening Uithoorn 2006
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 9 Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=151b%20">artikel 151b van de Gemeentewet</extref> bij verstoring van de
                                openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige
                                vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de
                                daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                                behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 10 Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=151c%20">artikel 151c van de Gemeentewet</extref> besluiten tot
                                plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van
                                het toezicht op een openbare plaats.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                            e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van
                                        die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                        persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een
                                        seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                  artikel
                                                  6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=174%20">artikel 174 van de Gemeentewet</extref>, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3 Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over
                                de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                                vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                        bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het
                                                escortbedrijf.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                                ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=37%20">artikel 37 van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</extref> in een psychiatrisch
                                                ziekenhuis geplaatst of met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=37a%20">artikel 37a van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</extref> ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
                                                van zes maanden of meer door de rechter in
                                                Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                                door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                                naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                                hechtenis ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=67">artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                                  Strafvordering</extref> is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                                rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld
                                                tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of
                                                meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%2C/article=9">artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek
                                                  van Strafrecht,</extref> wegens dan wel mede
                                                wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20Horecawet">Drank- en Horecawet</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet">Opiumwet</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Vreemdelingenwet%20">Vreemdelingenwet</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20arbeid%20vreemdelingen">Wet arbeid vreemdelingen</extref>;</al></li><li nr="2."><al>de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=137c">artikelen 137c tot en met 137g</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=140">140</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=240b">240b</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=242%20">242 tot en met 249</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=252">252</extref>, 250a (oud), 237a, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=300">300 tot en met 303</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=416">416</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=417">417</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=417bis">417bis</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=426">426</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=429quater">429quater</extref> en</al></li><li nr=""><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=453">453 van het Wetboek van Strafrecht</extref>;</al></li><li nr="3."><al>de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet%201994/article=8">artikelen 8</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet%201994/article=162">162, derde lid</extref>, alsmede <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet%201994/article=6">artikel 6</extref> juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet%201994/article=8">artikel 8</extref> of juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet%201994/article=163">artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                                  1994</extref>;</al></li><li nr="4."><al>de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=1">artikelen 1, onder a, b en d</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=13">13</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=14">14</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen">27</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20kansspelen/article=30b">30b van de Wet op de kansspelen</extref>;</al></li><li nr="5."><al>de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20weerkorpsen/article=2">artikelen 2</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20weerkorpsen/article=3">3 van de Wet op de weerkorpsen</extref>;</al></li><li nr="6."><al>de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20wapens%20en%20munitie/article=54">artikelen 54</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20wapens%20en%20munitie/article=55">55 van de Wet wapens en munitie</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wetboek%20van%20strafrecht/article=74">artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek
                                                  van Strafrecht</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20inzake%20rijksbelastingen/article=76">artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet
                                                  inzake rijksbelastingen</extref>, tenzij de
                                                geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                                vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van de intrekking van deze
                                                vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                        geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting
                                        of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het
                                        bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.2.1,
                                            eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk
                                        is dat hem terzake geen verwijt treft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3 Sluitingstijden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                        verblijven: </al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met zondag tussen 00.00 uur en
                                                11.00 uur;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                        bedoeld in <extref doc="http://uithoorn.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-1-4-voorschriften-en-beperkingen">artikel 1.4</extref> voor een afzonderlijke
                                        seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                        krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens
                                            <extref doc="http://uithoorn.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-2-4-tijdelijke-afwijking-sluitingstijden--tijdelijke-sluiting">artikel 3.2.4, eerste lid</extref>, gesloten dient te
                                        zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien
                                        door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> gebaseerde
                                        voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                    (tijdelijke) sluiting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2,
                                            tweede lid, genoemde belangen of in geval van
                                        strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                                        bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3,
                                                  eerste of tweede lid, geldende
                                                sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                                tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                                bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41%20">artikel 3:41 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht</extref>, maakt het bevoegd bestuursorgaan het
                                        in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend
                                        overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A42">artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</extref></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat de ingevolge artikel
                                            3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of
                                        beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te
                                        zien dat in de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                                (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen
                                                de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                                (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van
                                                het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht</extref>, in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Opiumwet%20">Opiumwet</extref> en in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20wapens%20en%20munitie">Wet wapens en munitie</extref>; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                                strijd met het bij of krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20arbeid%20vreemdelingen">Wet arbeid vreemdelingen</extref> of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Vreemdelingenwet%202000">Vreemdelingenwet</extref> bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6 Straatprostitutie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit
                                        te nodigen dan wel aan te lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen
                                                wegen of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                                tijden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2,
                                            tweede lid, genoemde belangen kan door
                                        politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen
                                        en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2,
                                            tweede lid, genoemde belangen personen aan wie
                                        ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het
                                        derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde
                                        termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te
                                        bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het
                                        eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde
                                        verbod indien dat in verband met de persoonlijke
                                        omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                        burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.7 Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al>goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                                rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                                                openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                                                brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                                bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of
                                                de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Grondwet/article=7">artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</extref></al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag
                                        om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1,
                                            eerste lid, binnen twaalf weken na de dag
                                        waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                        twaalf weken verdagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1,
                                            eerste lid, wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                                  artikel 3.2.2 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting
                                                of het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                                bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                                leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                                escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn
                                                in strijd met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht%20/article=273a">artikel 273a van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</extref> of met het bij of krachtens de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20arbeid%20vreemdelingen%20">Wet arbeid vreemdelingen</extref> of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Vreemdelingenwet%202000">Vreemdelingenwet 2000</extref> bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1,
                                            eerste lid, dan wel de aanwijzing of
                                        vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6,
                                            eerste lid, kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                aantasting van de woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of
                                                zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                                prostituee.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel
                                            3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de
                                        exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf
                                        feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1,
                                            tweede lid, onder b, het beheer in de
                                        seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                        feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                        exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                        overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
                                        bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a,
                                        is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder
                                        zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                        lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                        besloten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1 Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Besluit: het Besluit horeca-, sport en
                                        recreatie-inrichtingen milieubeheer;</al></li><li nr="2."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="3."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="4."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.;</al></li><li nr="5."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de
                                        bijlage onder B van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit
                                        geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te
                                        wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                                        wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de gemeente in wijken opdelen waarbij per
                                        wijk verschillende collectieve festiviteiten kunnen worden
                                        aangewezen.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage
                                        onder B van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de
                                        houders van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                        aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                        heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar waarbij het voorschrift 1.5.1
                                        uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing
                                        is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken
                                        voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                        kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                        kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan
                                        wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en
                                        naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op
                                        dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, terstond toestaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op
                                ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer%20">Wet Milieubeheer</extref> toestellen of
                                        geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                        verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of
                                        overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                        veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>het college kan van het in het eerste lid bepaalde
                                        ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel
                                            2.4.16, de op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> gebaseerde voorschriften, de
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Geluidhinder">Wet Geluidhinder</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Zondagswet">Zondagswet</extref>, het Vuurwerkbesluit of de
                                        provinciale milieuverordening.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1 Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en
                                    niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer
                                                bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                                opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het
                                                voortbestaan van de houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                                vastgesteld ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Boswet/article=1">artikel 1, vijfde lid, van de
                                                Boswet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                                Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis
                                                ulmi (Buism.) C. Moreau);</al></li><li nr="f."><al>iepespintkever: het insect in elk
                                                ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten
                                                Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus
                                                (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></li><li nr="g."><al>bomenlijst: de door het college vastgestelde “Lijst
                                                waardevolle bomen gemeente Uithoorn”.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien,
                                        met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
                                        handelingen die de dood of ernstige beschadiging van
                                        houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.2 Kapverbod</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te
                                vellen of te doen vellen, wanneer deze houtopstand voorkomt op de
                                bomenlijst en/of voorkomt op de lijst van Monumentale Bomen van
                                Nederland van de Bomenstichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.3 Waardevolle bomenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor een houtopstand voorkomende op de bomenlijst en/of op
                                        de lijst Monumentale Bomen van Nederland wordt geen
                                        kapvergunning verleend, tenzij er sprake is van grote
                                        gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van
                                        openbare orde of veiligheid.</al></li><li nr="2."><al>Het college is bevoegd de bomenlijst te beheren en
                                        actualiseren. De bomenlijst omvat in ieder geval een voor
                                        ieder goed herkenbare omschrijving met foto, standplaats,
                                        kadastraal perceelnummer, de eigenaar en/of zakelijk
                                        gerechtigde en de reden van registratie van iedere
                                        houtopstand.</al></li><li nr="3."><al>De eigenaar van een houtopstand die op de bomenlijst staat,
                                        is verplicht schriftelijk aan het college mededeling te doen
                                        van : </al><lijst><li nr="a."><al>het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de
                                                houtopstand anders dan door velling op grond van een
                                                verleende vergunning. De mededeling dient te
                                                geschieden binnen vier weken na het geheel of
                                                gedeeltelijk tenietgaan;</al></li><li nr="b."><al>de dreiging dat de houtopstand geheel of
                                                gedeeltelijk teniet kan gaan als gevolg van
                                                voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De
                                                mededeling dient te geschieden onmiddellijk indien
                                                sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of
                                                gedeeltelijk teniet kan gaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.4 Aanvraag vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel
                                        met schriftelijke toestemming van degene die krachtens
                                        zakelijk recht of door degene die krachtens
                                        publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de
                                        houtopstand te beschikken.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer het bureau LASER aan het college een afschrift heeft
                                        toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Boswet/article=2%20">artikel 2 van de Boswet</extref>, beschouwt het college
                                        dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.5 Beslissingstermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 6 weken na de
                                        dag waarop de aanvraag is ingekomen over de aanvraag. Zij
                                        kunnen hun beslissing met ten hoogste 6 weken verdagen.</al></li><li nr="2."><al>Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt zo
                                        spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis van de aanvrager
                                        gebracht.</al></li><li nr="3"><al>De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, indien geen
                                        beslissing is genomen binnen de in het eerste lid bedoelde
                                        termijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.6. Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>De vergunning als bedoeld in artikel 4.3.2 vervalt, indien daarvan niet binnen
                                maximaal één jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.7 Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                        behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                        overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen
                                        moet worden herplant.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
                                        dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn
                                        na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                        beplanting moet worden vervangen;</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde
                                        van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief
                                        worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is
                                                verstreken zonder dat bezwaar of beroep is
                                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                                voorziening;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het bezwaar of het (hoger) beroep van
                                                derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is
                                                gedaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.8 Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van
                                        toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld,
                                        dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college
                                        aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de
                                        houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde
                                        tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                        verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door
                                        hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                        termijn.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid
                                        opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke
                                        termijn na herplant en op welke wijze niet geslaagde
                                        beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                        in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan
                                        ernstig worden bedreigd, kan het college aan de zakelijk
                                        gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt
                                        dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van
                                        voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                        overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
                                        door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen,
                                        waardoor die bedreiging wordt weggenomen;</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als
                                        bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd,
                                        alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te
                                        voldoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.9 Bestrijding iepziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
                                        naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor
                                        verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                        iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe
                                        door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
                                        de aanschrijving vast te stellen termijn: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te
                                                vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te
                                                vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
                                                vernietigen of zodanig te behandelen dat
                                                verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
                                        uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout
                                        met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in
                                        voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan
                                        ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                    afvalstoffen enz.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>, in de openlucht, buiten de
                                        weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van
                                        het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de
                                        openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende
                                        daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan,
                                        te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                        inachtneming van de door hem gestelde regels: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                                onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>snorfietsen, bromfietsen en motorvoertuigen of
                                                onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                                dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                                gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of
                                                aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                                verhuur of anderszins voor een commercieel
                                                doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen
                                                van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of
                                                pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                                                afbraakmaterialen en oude metalen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen
                                        daaronder verstaan wordt in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats
                                        een door hem aangeduide voorwerp of stof: </al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan
                                                wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben
                                                anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                                regels.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de
                                        Ruimtelijke Ordening of de opslagverordening
                                        Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.a Stankoverlast door gebruik van
                                    meststoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>meststoffen: meststoffen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Meststoffenwet/article=1">artikel 1 van de Meststoffenwet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op
                                                de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit
                                                gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien
                                                verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e
                                                gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de
                                                mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt';</al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen
                                        is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te
                                        brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag,
                                        zondag en op officiële feest en gedenkdagen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel,
                                        wordt aangewend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                        gestelde verboden.</al></li><li nr="5."><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                        volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke
                                        staat verkeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.2 Vergunningsplicht handelsreclame</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met
                                        behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                        welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte: </al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                                inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet
                                                kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken, daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en
                                                de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking
                                                hebben op: </al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                  verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                  zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                  hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of
                                                  op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard
                                                van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen
                                                van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van
                                                het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften
                                                zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                                uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang
                                                zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                                zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien
                                                deze zijn aangebracht ten dienste van dat
                                                vervoer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                        aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                        zij feitelijke betekenis hebben, mits: </al><lijst><li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk
                                                kennisgeving is gedaan aan het college;</al></li><li nr="b."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van
                                                die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen
                                                blijken;</al></li><li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan
                                                negen weken op de onroerende zaak aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                        afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de
                                        veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
                                        hinder voor de omgeving te veroorzaken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van een in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><lijst><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover
                                                in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                                door de Provinciale landschapsverordening; </al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a,
                                                geldt niet voor bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                                geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de
                            gemeente</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1 Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet
                                            1994</extref>;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, snorfietsen en bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in of uitstappen van passagiers of voor het
                                        onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                    e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                                toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
                                                cirkel met een straal van 100 meter met als
                                                middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                                gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                                lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
                                                van personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                        gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel of
                                                onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
                                                deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de
                                                in het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 a Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                        weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke
                                        doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in
                                        een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,camper,
                                        magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                        voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
                                        uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                        gebezigd: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te
                                                plaatsen of te hebben op de weg.</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te
                                                parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                                voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de caravan- en
                                        tentenverordening Noord-Holland of de Wegenverordening
                                        Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                        aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                        kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                        van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college
                                        aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                        voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
                                        een door het college aangewezen weg, waar dit naar hun
                                        oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                        beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
                                        werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van
                                        08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                        verboden ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende
                                    voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                        een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer
                                        dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning
                                        of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze
                                        dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                        dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                        gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                        de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
                                        is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen
                                        te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van
                                        nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of
                                        overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door
                                    voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets, snorfiets of
                                        bromfiets te rijden, door dan wel deze te doen of te laten
                                        staan in een park of plantsoen of een in de gemeente
                                        aanwezige beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel
                                                  5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                                overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                                ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend
                                                voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar
                                        het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                                        ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter
                                        voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden
                                        is fietsen, snorfietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                                        daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen, snorfietsen of bromfietsen, die
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een
                                        verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten
                                        staan.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en
                                snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                        daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                        verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                        liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                        kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                        vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde
                                        verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij
                                        aangewezen instellingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Venten e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                        uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een
                                        openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan
                                        niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en
                                        in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te
                                        bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: </al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                                afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                                gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Grondwet/article=7">artikel 7, eerste lid, van de
                                                Grondwet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren
                                                van goederen door - of door huisgenoten of personeel
                                                van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn
                                                winkel, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Winkeltijdenwet/article=1">artikel 1 van de Winkeltijdenwet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen
                                                op de plaats die is aangewezen voor het houden van
                                                een door het college ingestelde markt, zulks
                                                gedurende de tijden waarop die markt gehouden
                                                wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
                                                van goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                                  5.2.3.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel der gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in
                                                gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3 Standplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al
                                        dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en
                                        in de openlucht gelegen plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander
                                                middel een standplaats in te nemen of te hebben
                                                teneinde in de uitoefening van de handel goederen te
                                                koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken,
                                                dan wel diensten aan te bieden;</al></li><li nr="b."><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te
                                                hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of
                                                te verstrekken aan publiek.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te
                                        staan, dat daarop zonder vergunning van het college
                                        standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn
                                        uitgestald als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet
                                        ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of
                                        geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Grondwet/article=7">artikel 7, eerste lid, van de Grondwet</extref>. Alsdan
                                        geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        op de plaats die is aangewezen voor het houden van een
                                        markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt
                                        voor een evenement als bedoeld in artikel
                                            2.2.1, of voor het organiseren van een markt
                                        als bedoeld in artikel
                                            5.2.4.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                                eisen van welstand;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel der gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                                gevaar komt;</al></li><li nr="f."><al>vanwege de strijd met een geldend
                                                bestemmingsplan;</al></li></lijst></li><li nr="6."><lijst><li nr="a."><al>het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover
                                                in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                                door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatwerken</extref> of de
                                                wegenverordening Noord-Holland; </al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgrond van het vijfde lid onder b, geldt
                                                niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                                wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer;</extref></al></li><li nr="c."><al>de weigeringsgrond van het vijfde lid onder c, geldt
                                                niet voor bouwwerken.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                        standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een
                                        activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als
                                        bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer/article=8.1">artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer</extref> is vereist
                                        en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde
                                        lid, tot de dag waarop de beslissing over de
                                        milieubeheervergunningaanvraag is genomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: </al><lijst><li nr="a."><al>in of op een - al dan niet met enige beperking -
                                                voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een
                                                markt te organiseren of toe te laten, waar ter
                                                plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                                geven, dat in of op een - al dan niet met enige
                                                beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of
                                                plaats met een kraam, een tafel of enig ander
                                                dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen
                                                om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen
                                                of te verstrekken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                        voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
                                        gebruik zijn als winkel in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Winkeltijdenwet">Winkeltijdenwet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van een krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20">Gemeentewet</extref> ingestelde markt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3 Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                    water</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                        verboden zonder vergunning van het college een voorwerp,
                                        niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                        voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen
                                        waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar
                                        water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan
                                        wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van het openbaar water.</al></li><li nr="4."><al>De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voor
                                        zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                        het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht,</extref> de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Scheepvaartverkeerswet">Scheepvaartverkeerswet</extref>, het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BinnenvaartpolitieReglement">BinnenvaartpolitieReglement</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken,</extref> de
                                        Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland , de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Telecommunicatiewet%20">Telecommunicatiewet</extref> of de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige
                                    vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen
                                        of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                                        beschikbaar te stellen op door het college aangewezen
                                        gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                        stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op
                                        niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van
                                        openbaar water: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                                orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en
                                                het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>, het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BinnenvaartpolitieReglement">BinnenvaartpolitieReglement</extref>, de<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref>, de
                                        Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland of de Provinciale
                                        Landschapsverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de
                                        rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                                        betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                        ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                        volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien
                                        van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                        vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot
                                        het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                        volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                        zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                        het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BinnenvaartpolitieReglement">BinnenvaartpolitieReglement</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref>, de
                                        Provinciale Vaarwegenverordening of de
                                        Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland of de Provinciale
                                        Landschapsverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                        aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer
                                        zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                        beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                        pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                        bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht">Wetboek van Strafrecht</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref>, het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BinnenvaartpolitieReglement%20">BinnenvaartpolitieReglement</extref>of de
                                        Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                        openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen
                                        dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                        ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=BinnenvaartpolitieReglement">BinnenvaartpolitieReglement</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref> of de
                                        Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                        een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
                                        daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                        maken.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                        motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                        bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een
                                        wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
                                        trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel
                                        daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                        bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het
                                        eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kan
                                        daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                        terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                                aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                                andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers
                                                van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                                ritten en/of van het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan hetgeen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994</extref>
                                        daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of het Besluit
                                        geluidsproductie sportmotoren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                        natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                        gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden
                                        met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z,
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een
                                        bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of
                                        een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het
                                        eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan
                                        daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                        terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                                milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het
                                                publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                        motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders
                                        van paarden: </al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                                hulpverlening en van andere krachtens artikel 29,
                                                eerste lid, Reglement verkeersregels en
                                                verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en
                                                Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
                                                of exploitatie van de door het college aangewezen
                                                plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die
                                                krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                                uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters
                                                van percelen gelegen binnen de door het college
                                                aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                                verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                                  Wegenverkeerswet 1994</extref>;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale
                                                verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen
                                                stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die
                                                bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                                                ‘toestel’.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5 Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.1</titel></kop><al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins
                                vuur te stoken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                        buiten inrichtingen in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of anderszins vuur aan te
                                        leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat
                                                geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                                oplevert.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=429">artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                            van Strafrecht</extref> of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6 Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20lijkbezorging">Wet op de lijkbezorging</extref> op een door de overledene of
                                nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2 Verboden plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                                crematoriumterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                        termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in
                                        het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                        voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden
                                        ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid,
                                        behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                        crematoriumterreinen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.3 Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van enig bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast: de in dienst van de
                                    gemeente zijnde reinigingscontroleurs en milieucontroleurs.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel
                                    de burgemeester aangewezen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4 Inwerkingtreding en intrekken oude
                                verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag nadat zij is
                                    bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de Algemene plaatselijke verordening
                                    Uithoorn 2000 ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend
                                    krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor
                                    zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                    betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor
                                    zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                    gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
                                    van kracht.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening
                                    bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor
                                    zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en
                                    bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en
                                    voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                    gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
                                    van kracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
                                    ook genaamd - op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het
                                    tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op
                                    die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige
                                    bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                    vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                    voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of
                                    na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de
                                    voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                    van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                    vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                    onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens
                                    een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod
                                    vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                                    minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde
                                    termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Gebod- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                                    ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet
                                    voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid zijn niet van toepassing: </al><lijst><li nr=""><al>gedurende zes weken na het in werking treden van deze
                                            verordening;</al></li><li nr=""><al>ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene
                                            die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze
                                            termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat
                                            onherroepelijk op</al></li><li nr=""><al>deze aanvraag is beslist.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor
                                    de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere
                                    regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de
                                    rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook
                                    vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn
                                    vervallen of ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.6 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene plaatselijke
                            verordening Uithoorn 2006.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2006</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Hoofdstuk 1 van de Algemene plaatselijke verordening bevat een aantal
                    procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal
                    procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de
                    behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. De APV bevat
                    slechts formele regels indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht nood
                            zakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Algemene wet
                            bestuursrecht;</al></li><li nr="-"><al>deze regels facultatief zijn.</al></li></lijst><al>In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende
                    soorten besluiten genomen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het
                            bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om
                            nadere regels te stellen (bijv. artikel 4.2.3.4, 4.2.3.10 en 5.3.2
                            tweede lid);</al></li><li nr="-"><al>besluiten van algemene strekking, bij voorbeeld gebiedsaanwijzingen op
                            basis van een APV-bepaling (bijv. artikel 2.4.20, 5.1.5 en 5.1.7);</al></li><li nr="-"><al>beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde
                            beleidsvrijheid (bijv. artikel 5.2.3);</al></li><li nr="-"><al>beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen
                            die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit
                            kan worden ondernomen.</al></li></lijst><al>Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3
                    van de Awb wordt het begrip ‘besluit’ immers als volgt omschreven: een
                    schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
                    publiekrechtelijke rechtshandeling.</al><al><vet>artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Weg: </al><lijst><li nr="1."><al>de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig
                                    aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                    speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                    aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                    gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning
                                    in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar
                                    zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                                    stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                                    afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of
                                    vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is,
                                    zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Openbaar water:</al></li><li nr=""><al>alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom:</al></li><li nr=""><al>de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben
                            vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet.</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende:</al></li><li nr=""><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="e."><al>Voertuigen:</al></li><li nr=""><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a L. van het
                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Vaartuigen:</al></li><li nr=""><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede
                            woonschepen, glijboten en ponten.</al></li><li nr="g."><al>Woonschepen:</al></li><li nr=""><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
                            bestemd.</al></li><li nr="h."><al>Bouwwerk:</al></li><li nr=""><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met
                            de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                            grond.</al></li><li nr="i."><al>Gebouw:</al></li><li nr=""><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="j."><al>Vee:</al></li><li nr=""><al>dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A van de
                            Meststoffenwet.</al></li><li nr="k."><al>Handelsreclame:</al></li><li nr=""><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Ten
                    aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><lijst><li nr="a."><al>Weg</al></li><li nr=""><al>De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben
                            betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De in artikel
                            1.1 gegeven omschrijving van ‘weg’ is ruimer dan die van de Wegenwet en
                            die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de provinciale
                            wegenverordening). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het
                            begrip ‘weg’: </al><lijst><li nr="1."><al>de ‘(openbare) weg’ in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                                    wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Eén
                                    der grondbeginselen van de Wegenwet is, dat het verkeer op wegen
                                    die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar
                                    recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen;
                                    zie hierna);</al></li><li nr="2."><al>de ‘weg’ in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te
                                    weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip
                                    ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de
                                    verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te
                                    grijpen:</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat
                                    - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende
                                    artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene
                                    plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar
                                    ruim: ‘openbare wegen’ zijn ook ‘wegen die voor het openbaar
                                    verkeer open staan’, maar niet alle voor het openbaar verkeer
                                    openstaande wegen zijn openbaar. Tot de ‘voor het publiek
                                    toegankelijke plaatsen’ kunnen de ‘openbare wegen’ en de overige
                                    ‘voor het openbaar verkeer openstaande wegen’ gerekend worden,
                                    maar het begrip is daarmee niet uitgeput.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Openbaar water</al></li><li nr=""><al>Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is
                            ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek.
                            ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek
                            toegankelijk’.</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom</al></li><li nr=""><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan)
                            beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Bij besluit van 28 februari 1989
                            hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Holland de bebouwde kom van
                            Uithoorn aangewezen. Voor de duidelijkheid is deze grens bebouwde kom op
                            een topografische kaart weergegeven en als bijlage bij de APV
                            gevoegd.</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende</al></li><li nr=""><al>Zoals uit de omschrijving duidelijk wordt, hebben wij hier te maken met
                            de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al></li><li nr="e."><al>Voertuigen</al></li><li nr=""><al>De omschrijving van ‘voertuigen’ is ontleend aan artikel 1, onder a en
                            onder a L, van het RVV 1990: aanhangers, fietsen, bromfietsen,
                            invalidenvoertuigen, motorvoertuigen en wagens met uitzondering van
                            trams.</al></li><li nr="f."><al>Vaartuigen</al></li><li nr=""><al>Als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd:
                            baggerwerktuigen, bokken, kranen, elevators, zeilplanken (HR 4 maart
                            1980, NJ 1980, 35).</al></li><li nr="g."><al>Woonschepen</al></li><li nr=""><al>Geen nadere toelichting.</al></li><li nr="h."><al>Bouwwerk</al></li><li nr=""><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de bouwverordening.</al></li><li nr="i."><al>Gebouw</al></li><li nr=""><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de Woningwet.</al></li><li nr="j."><al>Vee</al></li><li nr=""><al>Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de meststoffenwet.
                            In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee,
                            varkens, kippen, kalveren, schapen, vissen, nertsen, geiten, eenden,
                            konijnen en parelhoenders.</al></li><li nr="k."><al>Handelsreclame</al></li><li nr=""><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid
                            van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel
                            woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van
                            belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens
                            constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de
                            verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor
                            handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het
                            begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare
                            aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                            ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering
                            slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime
                            zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is
                            zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Bij
                            handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard
                            zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden
                            niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet
                            dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende
                            handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV
                            moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter
                            niet tegen een vergunningsstelsel.</al></li></lijst><al><vet>artikel 1.2 Beslistermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen zes weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen
                            is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                            weken verdagen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede
                    beslistermijn is. Het merendeel van de aanvragen zal binnen zes weken kunnen
                    worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de
                    adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer
                    tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst, ook wanneer een
                    verzoek om vergunning, gelet op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn
                    merites kan worden beoordeeld, bij voorbeeld wanneer het een activiteit betreft
                    die vele maanden later is gepland.</al><al>artikel 4:13 Awb brengt tot uiting dat bij een nadere termijnstelling op het
                    bestuur steeds de verplichting rust om binnen die termijn een beslissing te
                    nemen. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het laten verstrijken van die
                    termijn, treden dus steeds in na afloop van de vastgestelde termijn. Artikel
                    6:2, onder b, van de Awb stelt namelijk het niet reageren van een bestuursorgaan
                    op een aanvraag voor bezwaar en beroep gelijk met een uitdrukkelijk besluit.
                    Hierdoor kan in bezwaar en beroep ook de inhoud van het te nemen besluit aan de
                    orde komen.</al><al>Los van de mogelijkheid om tegen het niet tijdig reageren van het bestuursorgaan
                    bezwaar te maken of beroep in te stellen blijft het bestuursorgaan in beginsel
                    verplicht alsnog een besluit op de aanvraag te nemen (artikel 6:20 Awb).</al><al><vet>artikel 1.3 Indiening aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan
                            besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                            vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn
                            worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (‘kan’) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet
                    binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid
                    geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Ten
                    einde voor de burger zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen, is tevens
                    bepaald dat de vergunningen waarvoor deze langere aanvraagtermijn geldt, bij
                    openbare kennisgeving worden aangewezen.</al><al><vet>artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                            kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften
                            en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of
                            de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                            vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing
                            is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
                            beperkingen na te komen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd
                    dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is
                    in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning/ontheffing
                    ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een
                    oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze
                    bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan
                    vergunning of ontheffing wordt verleend. Daarbij dient tevens - ten overvloede -
                    te worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter
                    bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van
                    vergunning/ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere administratieve sancties.</al><al>In artikel 1.6 is deze intrekkingbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij
                    niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast,
                    wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van
                    artikel 1.4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting,
                    wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, welke slechts beogen het toezicht op de naleving der
                    vergunning/ontheffing te vergemakkelijken, doch geen verband houden met de
                    bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de
                    vergunning/ontheffing is vereist.</al><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een vergunning/ontheffing
                    verbonden voorschriften met straf bedreigd.</al><al><vet>artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze
                    verordening anders is bepaald.</al><al>Commentaar</al><al>De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een
                    rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die
                    vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de
                    mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon
                    van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van
                    een diploma, bewijs van onbesproken levensgedrag etc.). De persoonlijke
                    vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke
                    de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is
                    de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij
                    betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen
                    rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de
                    persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk
                    gerechtigde tot een ongebouwd of gebouwd onroerend goed. Het kan ook een andere
                    hoedanigheid zijn, bij voorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke
                    vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of
                    bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk
                    gerechtigde, ondernemer etc.</al><al>Persoonlijke werking zal eerder aanwezig moeten worden geacht bij de ontheffing
                    dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is,
                    geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor
                    bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de
                    algemene regel. Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer ‘mee
                    overgaan’ op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid
                    het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden.</al><al>Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld
                    in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Dit hangt samen met de omstandigheid
                    dat ingevolge deze wet voor het verkrijgen van een vergunning de nodige
                    diploma’s moeten zijn gehaald. Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de
                    standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen
                    zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante handel als met de
                    omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen
                    vergunningen veelal verre overtreft, hetgeen het bestuur noodzaakt een
                    restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of
                    ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een
                    groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al>Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van
                    de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager dan wel
                    vergunninghouder onafhankelijk.</al><al>Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning
                    persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de
                    aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar
                    niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook
                    niet licht geweigerd kunnen worden. Zo is aan de exploitatievergunning voor
                    horecabedrijven als bedoeld in artikel 2.3.1.2 een persoonlijk karakter
                    toegekend. Bij het besluit tot weigeren van een dergelijke vergunning i.v.m.
                    aantasting van het woon- en leefklimaat zal niet zonder meer voorbij gegaan
                    kunnen worden aan het feit dat voorheen wel vergunning aan een ander was
                    verleend.</al><al>Een ‘gemengd’ karakter heeft de ontheffing sluitingsuur (taptoeontheffing). De
                    voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven moeten
                    in de eerste plaats gezien worden als bepalingen die ten doel hebben
                    geluidhinder en andere overlast, die ontstaat door het ‘s avonds en ‘s nachts
                    drijven van een ‘inrichting’, te voorkomen of te beperken. In zoverre kan men
                    zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt. Aan de
                    andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant bij de
                    beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is en dat de
                    ontheffingsfiguur gebruikt is.</al><al>In artikel 1.5 is in principe gekozen voor de persoonsgebondenheid van de
                    vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door expliciete
                    vermelding van het zakelijk karakter in de vergunning of ontheffing. Indien de
                    vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende
                    geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen dat de houder ervan
                    in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk
                    mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding van de naam en het
                    adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Aldus blijft het
                    bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de vergunning of
                    ontheffing.</al><al><vet>artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                            opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden
                            aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang
                            of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen
                            een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke
                            termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De in het eerste lid genoemde intrekking- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (‘kan’).</al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel wijziging wordt
                    overgegaan.</al><al>Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot
                    toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met
                    name het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de
                    bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</al><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken
                    of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan artikel 4:8 Awb.</al><al>Ook indien er niet exact sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:8
                    Awb doet het bestuursorgaan gelet op een zorgvuldige besluitvorming er goed aan
                    de vergunninghouder te horen voordat tot intrekking of wijziging van de
                    vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een wijziging of intrekking die het
                    gevolg is van een algemene beleidsbeslissing van het bestuursorgaan, is het
                    echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te horen. Wel is het dan gewenst
                    om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te overleggen.</al><al><vet>artikel 1.7 Termijnen</vet></al><al>Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een
                    tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een
                    zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen
                    geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag
                    of algemeen erkende feestdag is.</al><al>Commentaar</al><al>In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Voor zover de APV termijnen bevat
                    die in uren worden uitgedrukt, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of
                    een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 1.7
                    bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op
                    zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na
                    12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren
                    voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2 Openbare orde</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</vet></al><al>Algemeen</al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de
                    bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden. De diverse functies
                    van de straat, onder andere voor demonstraties, optochten, feesten e.d., vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik. Het gebruik van de weg is
                    geregeld in de paragrafen 1 tot en met 4, terwijl de bruikbaarheid door middel
                    van paragraaf 5 gereguleerd is. In paragraaf 6 ten slotte zijn bepalingen
                    opgenomen aangaande de veiligheid op de weg.</al><al><vet>Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al><vet>artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig
                            op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                            wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                            wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop
                            van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden
                            ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is
                            bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van
                            een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                            aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of
                            weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de
                            openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn
                            afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                            gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                            vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als
                            bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Het begrip samenscholing is ontleend aan artikel 186 WvSr. Onder omstandigheden
                    is het echter denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bij
                    voorbeeld een betoging.</al><al>Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de
                    werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook
                    gebeurd.</al><al>Tweede lid</al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde ‘bevoegdheid’ (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV-bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in beoordeling van het bewezene. Indien de
                    rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de
                    gedraging heeft misgetast, laat hij de desbetreffende strafbepaling buiten
                    toepassing. Het gaat hier om reeds bestaande politiebevoegdheden. Deze
                    bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2
                    draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op,
                    waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is. Deze
                    bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een
                    aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV- bepaling gegeven
                    politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond
                    van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk
                    bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen
                    van artikel 186 WvSr.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Relatie tussen APV-bepaling en de artikelen 184 en 186 WvSr. Aanvulling
                            van de gemeentelijke wetgever erkend. HR 2-6-1903, W. 7938 (APV
                            Amsterdam) en HR 25-6-1963, NJ 1964, 239, m.nt. B.V.A. Röling
                            (samenscholingsarrest).</al></li><li nr="-"><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR
                            12-2-1940, NJ 140, 622, AB 1940, blz. 744, GS 1940, blz. 125 (Haags
                            tippelverbod). Zie ook: HR 2-6- 1903, W. 7938, GS nr. 2715 (APV
                            Amsterdam); HR 20-1-1936, NJ 1936, 343, GS 1936, blz. 90, AB 1936, blz.
                            558 (APV Amsterdam); HR 3-6-1969, NJ 1969, 411, AB 1970, blz. 17, OB
                            1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, blz. 616 m.n. H.R.G. Veldkamp (APV
                            Amsterdam) en HR 17-3-1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG
                            1971, blz. 292 (APV Arnhem).</al></li><li nr="-"><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                            verzameld. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR
                            26-02-1991, n) 1991, 512 en HR 14-01-1992 n) 1992, 380.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2 Optochten en betoging</vet></al><al><vet>artikel 2.1.2.1 Optochten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet
                            zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2, op de weg te doen
                            plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                    goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s e.d., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet of het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
                    de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de
                    vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare
                    manifestaties van toepassing.</al><al>In het belang van de openbare orde, bij voorbeeld de verkeersveiligheid, is het
                    derhalve mogelijk om een regeling krachtens artikel 149 Gemeentewet in de APV op
                    te nemen. Dit kan zowel een vergunningsstelsel als een kennisgevingstelsel
                    betekenen. In artikel 2.1.2.1 is gekozen voor een vergunningsstelsel (zie ook de
                    toelichting bij hfst. 2, afdeling 2, toezicht op evenementen).</al><al><vet>artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te
                            houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste
                            48 uur voordat dez betoging gehouden zal worden, schriftelijk kennis
                            geven aan de burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4,
                            eerste lid hierover is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel
                            1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                            manifestaties.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en moet daarbij enkele
                    procedurebepalingen vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgeving- of vergunningseis voor
                    betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband
                    hiermee hebben ook de artikelen 2.1.2.3 e.v. alleen betrekking op
                    betogingen.</al><al>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Individuele uitingsvormen zijn
                    buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het
                    mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht daartoe geen
                    behoefte aanwezig.</al><al>Overigens genieten deze individuele uitingen wel de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 kent een expliciet verbod van voorafgaand
                    verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen al dan niet godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk geïnspireerd. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag eveneens niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm
                    waarin zij geopenbaard worden wel. Van een collectieve uiting kan ten slotte
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen .</al><al>De wetgever heeft opgedragen de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige
                    grondrechten aan de gemeenten. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van o.a. de
                    betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde; de gemeenten
                    hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen opgedaan. De memorie
                    van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM aan de
                    gemeenteraden en burgemeesters toekent :</al><lijst><li nr="-"><al>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor
                            betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                            godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een
                            zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke
                            activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een
                            kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd
                            worden;</al></li><li nr="-"><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al></li><li nr="-"><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen.</al></li><li nr=""><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de
                            plaatselijke regelgeving onttrokken. Motivering hiervoor is dat
                            enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en
                            anderzijds rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale
                            wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de volgende
                            onderwerpen:</al></li><li nr="-"><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM);</al></li><li nr="-"><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid);</al></li><li nr="-"><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan ‘de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden’ (artikel 9 WOM);</al></li><li nr="-"><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al></li><li nr="-"><al>de bescherming van de zondagsrust, voor zover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan ‘de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM).</al></li></lijst><al>Voor op vooraf bepaalbare tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten tot
                    het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen, uitgaande
                    van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft derhalve twee mogelijkheden; deze
                    ‘processies’ ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><al>Openbare en andere dan openbare plaatsen</al><al>De reden om twee verschillende regimes in de WOM op te nemen voor openbare en
                    andere dan openbare plaatsen is gelegen in de omstandigheid dat, volgens de
                    wetgever, de noodzaak tot regulering van manifestaties op andere dan openbare
                    plaatsen niet zozeer aanwezig is. Een terughoudende meer repressieve opstelling
                    van de overheid is op zijn plaats. Anderzijds noopt de redactie van artikel 6
                    Grondwet tot dit onderscheid. Delegatie van de beperkingbevoegdheid heeft de
                    grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten aanzien van belijdenis van
                    godsdienst of levensovertuiging ‘buiten gebouwen en besloten plaatsen’. De
                    regering geeft de voorkeur aan een functionele omschrijving bij de afbakening
                    van het begrip openbare plaats, niet- openbare plaats of besloten plaats, waarin
                    bestemming dan wel de wijze van gebruik van een plaats bepalend is en niet een
                    enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet afgescheiden zijn van de plaats
                    .</al><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen ‘openbare en andere dan openbare
                    plaatsen’?</al><al>artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen ‘dat in beginsel een ieder vrij is om er te
                    komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet
                    door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats
                    ‘open staat’ betekent voorts dat geen beletsel in de vorm van een
                    meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een
                    toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats’. Op grond hiervan kunnen
                    bij voorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea,
                    ziekenhuizen en kerken niet als ‘openbare plaatsen’ worden aangemerkt. Ook de
                    hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. ‘De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt’,
                    aldus de memorie van toelichting.</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor een ieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van
                    stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ‘besloten
                    plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet.</al><al>Betoging</al><al>Het begrip ‘betoging’ behoeft enige nadere toelichting. Wanneer kan van een
                    betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van
                    een betoging worden gesproken als:</al><lijst><li nr="-"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="-"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied. Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting
                    (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het
                    gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een
                    betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een
                    betoging. Een betoging kan geschieden door middel van een optocht (HR 30 mei
                    1967, NJ 1968, nr. 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging
                    niet een ‘menigte’ nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een
                    betoging te kunnen spreken (HR 11 mei 1976, NJ 1976, nr. 540). In de memorie van
                    antwoord wordt aangegeven dat bij deelneming van twee personen reeds sprake kan
                    zijn van een collectieve uiting.</al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is ‘betoging’ omschreven
                    als ‘het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek
                    gebied’.</al><al>Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Indien onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht. Bij de
                    parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de
                    door haar gegeven karakterisering van het begrip ‘betoging’ meebrengt dat
                    acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de
                    achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de
                    overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde
                    artikel 9 zijn. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
                    waterwegen.</al><al>Ontbreekt aan een optocht primair het karakter van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, dan
                    is er geen sprake van een manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid,
                    onder a WOM. Overigens kan een dergelijke optocht, indien het opiniërende
                    elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet
                    vallen.</al><al>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al>Klokgelui en oproepen tot gebed</al><al>artikel 10 WOM wil buiten twijfel stellen de bevoegdheid zoals voorheen
                    neergelegd in de Wet op de kerkgenootschappen om klokken te luiden en het
                    oproepen tot gebed vanaf moskeeën. Artikel 10 WOM stelt verder dat de
                    gemeenteraad bevoegd is ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en
                    geluidsniveau. De strekking van artikel 10 WOM is niet om een
                    beperkingbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of
                    levensovertuiging te creëren, maar om, de bevoegdheid tot klokluiden en oproepen
                    tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van
                    gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend
                    ten aanzien van deze activiteit te mogen optreden onverlet te laten.
                    Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van
                    geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome
                    bepalingen.</al><al>artikel 10 WOM houdt niet meer in dan een erkenning van de oneigenlijke
                    aanvullende bevoegdheid.</al><al>Dit betekent dat de gemeenten, om te voldoen aan het gestelde in artikel 10 WOM,
                    hun strafbepalingen veelal niet zullen behoeven aan te passen. De
                    geluidhinderbepalingen bieden daarvoor reeds voldoende soelaas. Artikel 4.1.7,
                    Overige geluidhinder, is o.a. op excessief klokgelui van toepassing.</al><al>Gemeentelijke bevoegdheden</al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van stoornis van de
                    openbare orde dan wel wanneer er daadwerkelijk sprake is van ernstige stoornis
                    van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175
                    de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening
                    uitvaardigen. De vraag rijst of de burgemeester met behulp van deze
                    noodbevoegdheden grondrechten, zoals in dit geval het betogingsrecht, mag
                    beperken.</al><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                    gesteld dat de clausule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’
                    inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid bevoegd is
                    tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de omvang van de
                    grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is thans expliciet
                    opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan afwijken van
                    andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften.</al><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel
                    176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding
                    tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is ‘dus de wet (in formele
                    zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening
                    van het grondrecht gedoogt’. HR 28-11-1950, NJ 1951, 137, Tilburgse APV.</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt: ‘De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                    worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
                    grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt.</al><al>De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en
                    176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter
                    bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding
                    of voorkoming van wanordelijkheden.’ Verder wordt aangegeven dat ook uit de
                    toepassingshistorie van de artikelen 219 en 220 van de oude gemeentewet volgt
                    dat de noodbevoegdheden passen in het kader van de beperkingregelingen van
                    grondrechten.</al><al><vet>artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</vet></al><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste
                    lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in
                    behandeling nemen.</al><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</vet></al><lijst><li nr="1."><al>de kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                    aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats
                                    van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                    regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                            tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De onder a tot en met f genoemde onderdelen van kennisgeving zijn essentieel
                    voor de beoordeling door de burgemeester.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen
                            van strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht
                            van het COC ook de bisschop als stuitend zou voorkomen beiden geen grond
                            tot beperking van de vrijheid van meningsuiting. Vz ARRS 11-4-1979, Arob
                            editie 1986, nr. 122, m.nt. De M.</al></li><li nr="-"><al>Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor
                            weigering van de vergunning. Wnd. vz. afd. AR, 23-11-1979, NG 1980, blz.
                            S 59, OB 1980, III.2.2.7, nr. 41197 en GS 1980, 6602, m.nt. J.M. Kan
                            (demonstratie Den Haag).</al></li><li nr="-"><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, een zware belasting
                            van het politiekorps en ernstige hindering van het verkeer, zijn
                            onvoldoende zwaarwegende omstandigheden om het betogingrecht te
                            beperken. Vz. ARRS, 27-5-1982, AB 1983, 62, m. nt. JHvV, tB/S XI, nr.
                            55, m. nt. tB/S, (Idem demonstratieverbod Afcent, wnd. vz. ARRS,
                            30-5-1983, AB 1984, 85, P.J. Boon, Arob editie 1986, 78, m. nt.
                            MCB.)</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek
                            irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt is onvoldoende basis de
                            demonstratie op grond van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er
                            gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen
                            worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te
                            treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie te verbieden.
                            Wnd. vz. ARRS, 21-3-1989, KG 1989, nr. 158. Een betoging mag slechts in
                            dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n beperking van het
                            recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen zijn in de
                            overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan
                            een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen
                            hebben. Pres. Rb Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198. In gelijke zin:
                            Voorzieningenrechter Rb Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040, en: de
                            uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een grotere
                            inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een
                            voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een
                            grondrecht.</al></li><li nr="-"><al>De WOM is niet van toepassing op een persconferentie in een woonhuis.
                            ARRS d.d. 30-12-1993, JG 94.0160, GS (1994) 6983,4 m.nt. H.Ph.J.A.M.
                            Hennekens, AB (1994) 242 m.nt. R.M. van Male.</al></li><li nr="-"><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van
                            ballonen door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de
                            gemeenschappelijke meningsuiting. President rechtbank Haarlem, d.d.
                            25-10-1996, GS (1996) 7044,4 m.nt. E. Brederveld, JB (1996) 266 m.nt.
                            R.E. de Winter.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken</vet></al><al><vet>artikel 2.1.3.1</vet></al><al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder
                            publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                            bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                            daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en
                            uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis
                            bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                            verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of
                    aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt het
                    tweede lid de mogelijkheid het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot
                    nader aan te geven dagen en uren, waarbij vierde lid het college de bevoegdheid
                    geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in
                    het eerste lid toegekende bevoegdheid mogen het college niet zodanig gebruik
                    maken dat "geen gebruik van enige betekenis" overblijft. Zie voor de uitleg van
                    deze zinsnede de toelichting op artikel 2.4.2.</al><al>artikel 2.1.3.1. heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke
                    wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting.
                    Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7
                    Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                            gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                            wet.</al></li><li nr="2."><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                            toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.</al></li><li nr="3."><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                            voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
                            nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor
                            personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede
                            zeden.</al></li><li nr="4."><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                            handelsreclame.</al></li></lijst><al>De drukpersvrijheid</al><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat:</al><lijst><li nr="1."><al>Het in artikel 7 beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten
                            en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de
                            inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin
                            gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door
                            verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek
                            bekend te maken. HR 7-11-1892, W. 6259 (ventverbod ‘s-Gravenhage); HR
                            28-11-1950, NJ 1951, 137 en 138, m.nt. W.P.J. Pompe, OB 1951, IX.1, nr.
                            8326, NG 1951, blz. 123, AB 1951, 437 en 443 (APV Tilburg en APV
                            Sittard) en GS 22-1-1981, NG 1981, GS 1982/ 6692.2, m.nt. J.M. Kan, OB
                            1981, III.2.2.7, nr. 42609 (reclameverordening ‘s-Gravenhage).</al></li><li nr="2."><al>Elk middel tot bekendmaking, dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde
                            behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit
                            betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van
                            middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen
                            als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7
                            erkende vrijheid van drukpers. Als "zelfstandige middelen van
                            bekendmaking" zijn in de jurisprudentie onder meer aangemerkt: </al><lijst><li nr="-"><al>het op de weg uitgeven van strooibiljetten, HR 27-2-1951, NJ
                                    1951, 472, m.n. B.V.A. Röling, AB 1951, blz. 716, OB 1951, IX.1,
                                    nr. 8498, NG 1951, blz. 196, GS 1951/5118 (APV Eindhoven);</al></li><li nr="-"><al>het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend
                                    goed, HR 24-1-1967, NJ 1967, 270, m.n. W.F. Prins; AB 1968, blz.
                                    72, m.nt. R. Streng, OB 1967, IX.1, nr. 26092, NG 1967, blz. 187
                                    (Nederland ontwapent); ARRS 23-10-1978, AB 1979, 499, m.nt. F.H.
                                    van der Burg, OB 1979, III.2.2.7, nr. 40010, NG 1979, S 4, BR
                                    1979, blz. 36, GS 1979/6548 (verordening stadsschoon
                                    Leiden);</al></li><li nr="-"><al>het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed, HR
                                    19-9-1977, NJ 1978, 516 (APV Hengelo);</al></li><li nr="-"><al>het staan of lopen met propagandamiddelen, HR 30-5-1967, NJ
                                    1968, m.nt. W.F. Prins, AB 1968, blz. 332, OB 1967, IX.1, nr.
                                    26322, NG 1967, blz. 319 (Vietnam I);</al></li><li nr="-"><al>het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het
                                    houden van een inzameling (niet het houden van de inzameling
                                    zèlf), HR 27-6-1978, NJ 1979, 59, m.nt. M. Scheltema, AB 1979,
                                    195, m.nt. J.R. Stellinga (APV Eindhoven); vz. ARRS 16-8-1979,
                                    AB 1980, 297, m.nt. J.H. van der Veen, OB 1979, III.2.2.7, nr.
                                    40987, NG 1979, S 176, GS 1980, nr. 6604, m.nt. P. van Zanten
                                    (APV Rotterdam) en vz. ARRS 18-10-1979, OB 1980, III.2.2.7, nr.
                                    41340 (APV Katwijk);</al></li><li nr="-"><al>verlichte fotovitrine, ARRS 20-8-1981; GS 1982/6692, m.nt. J.M.
                                    Kan (APV Pijnacker);</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden ten aanzien van de
                            inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149
                            Gemeentewet wèl bevoegd het in het openbaar bekend maken (‘verspreiden’)
                            van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang
                            van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken
                            betreffende de huishouding der gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Daarbij geldt: </al><lijst><li nr="a."><al>een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) met betrekking tot
                                    het gebruik van een bepaald middel van bekendmaking dat naast
                                    andere middelen zelfstandige betekenis heeft, niet is
                                    geoorloofd;</al></li><li nr="b."><al>een algemeen verbod tot zodanig gebruik is evenmin
                                    toegestaan;</al></li><li nr="c."><al>een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod is mogelijk,
                                    mits: </al><lijst><li nr="-"><al>die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de
                                            gedrukte stukken, doch gesteld is in het belang van de
                                            openbare orde e.d.;</al></li><li nr="-"><al>gebruik ‘van enige betekenis’ overblijft; anders komt de
                                            beperking in feite neer op een algemeen verbod, HR
                                            17-3-1953, NJ 1953, 389, m.nt. B.V.A. Röling, OB 1953,
                                            IX.1, nr. 10867, NG 1953, blz. 264, AB 1953, blz. 587
                                            (Wachttorenarrest); ARRS 28 april 1981, GS 1981, nr.
                                            6686, m.nt. J.M. Kan, OB 1982, nr. 43849, III.2.2.7 (APV
                                            Nijmegen).</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg</vet></al><al><vet>artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of aan de weg: </al><lijst><li nr="a."><al>een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een betoging
                                    als bedoeld in artikel 2.1.2.2;</al></li><li nr="b."><al>voor publiek muziek ten gehore te brengen;</al></li><li nr="c."><al>een feest of een wedstrijd te geven of te houden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in artikel 2.1.2.1, tweede lid, bepaalde is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel
                            148 Wegenverkeerswet 1994 of artikel 5.4.1.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Vertoning</al><al>Het derde lid van artikel 7 Grondwet bepaalt onder andere dat voor het openbaren
                    van gedachten of gevoelens niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de
                    inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dit verzet
                    zich tegen een voorafgaand verlof van de overheid wegens de inhoud van de
                    uitingen, maar staat niet in de weg aan een vergunningplicht voor het
                    verspreiden van deze uitingen. Aan de inhoud van de uitingen zal echter geen
                    grond mogen worden ontleend aan deze uitingen bepaalde voorschriften te
                    verbinden. Uitingen kunnen worden verboden ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden. In zodanige gevallen kunnen de inhoud van de voorstelling en
                    de omstandigheden waaronder die plaatsvindt mede van invloed zijn (geweest) op
                    het ontstaan van wanordelijkheden. Soms kan een vertoning ook deel uitmaken van
                    een betoging (Vz. ARRS 30 mei 1983, AB 1984, nr. 85). Een dergelijke vertoning
                    valt onder de regeling van de artikelen 2.1.2.2 e.v.</al><al>Wedstrijden</al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in eerste lid, onder c, van artikel 2.1.4.1. Wedstrijden
                    met voertuigen op wegen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aan het onder b,
                    Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10 juncto artikel 148
                    WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 128 WVW 1994 bepaalt echter dat
                    van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing
                    geschiedt:</al><lijst><li nr="-"><al>voor wegen onder beheer van het rijk, door de minister van Verkeer en
                            Waterstaat,</al></li><li nr="-"><al>voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt
                            de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de
                            ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen één gemeente.</al></li></lijst><al>artikel 1, onder al, Reglement verkeersregels en vereerstekens 1990 geeft aan
                    wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</al><al>Aan de ontheffing kunnen het college voorschriften verbinden om binnen redelijke
                    grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW
                    1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer.
                    In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende
                    motieven genoemd:</al><lijst><li nr="-"><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden;</al></li><li nr="-"><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</al></li></lijst><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze
                    sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator
                    van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen
                    voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De
                    veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig
                    verloop van de wedstrijd in beginsel mogelijk te maken.</al><al>Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk
                    karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Indien
                    geconstateerd wordt dat de organisator deze voorschriften vervolgens niet
                    naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt kan uiteindelijk via een
                    administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden
                    worden.</al><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is artikel 2.1.4.1 niet van toepassing (zie artikel
                    2.1.4.1, derde lid). Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of
                    bromfiets plaats op een terrein niet behorend tot een weg als hier bedoeld, dan
                    moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van
                    artikel 2.1.4.1, eerste lid, onder c. Voor wedstrijden met voertuigen op
                    speciaal daarvoor aangewezen terreinen kan artikel 5.4.1. van toepassing zijn.
                    Ten behoeve van de onderlinge coördinatie van de APV-bepalingen is het wenselijk
                    om artikel 2.1.4.1. buiten toepassing te verklaren als artikel 5.4.1. van
                    toepassing is. Op grond van artikel 2.1.4.1. geldt voor andere wedstrijden op of
                    aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bij
                    voorbeeld ‘vossenjachten’, droppings e.d.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="1."><al>Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van
                            evangelisatieactiviteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan wegens
                            verstoring van de openbare orde en veiligheid. Vz ARRS d.d. 6-08-1991,
                            AB (1992) 53, m.nt. P.J. Boon, AA (1992) 10, m.nt. P.W.C. Akkermans, JG
                            92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</al></li><li nr="2."><al>Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen
                            e.d. maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb. Maastricht 15-2-1977,
                            Verkeersrecht 1977, 91.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.1.4.2 Dienstverlening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te
                            treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te
                            bieden.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 2.1.2.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling, die allerlei straatberoepen omvat, komt niet in strijd met
                    artikel 19, derde lid, Grondwet, waarin het grondrecht vrijheid van arbeidskeuze
                    is neergelegd. Als diensverlener kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt: bewaker,
                    reiniger van voertuigen of containers, glazenwasser f scharensliep.</al><al>Het motief van artikel 2.1.4.2 is het voorkomen van verkeersoverlast, hinder
                    voor anderen etc. Uiteraard betekent dit artikel wel dat het als neveneffect
                    heeft dat het grondrecht vrijheid van arbeidskeuze in zijn algemeenheid in
                    zekere mate beperkt wordt. De beperkingen staan echter in een zo ver verwijderd
                    verband met het desbetreffende grondrecht, dat zij niet als beperking aangemerkt
                    mogen worden.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Het vorenstaande geldt ook voor de volgende
                    APV-artikelen: 2.2.4.2., 2.1.4.3., 2.2.2, 2.3.1.2., 2.3.1.3., 2.3.2.2.,
                    2.3.3.1., 3.2.1., 5.2.1., 5.2.2., 5.2.3. en 5.2.4.</al><al><vet>artikel 2.1.4.3 Straatartiest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                            straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan
                            door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                            dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. De betekenis
                    van het begrip ‘openbaren van gedachten of gevoelens’ moet blijkens
                    jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast
                    grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen,
                    ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7
                    Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365,
                    AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn
                    formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod
                    toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de
                    verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
                    tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een
                    straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud
                    van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de
                    beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het
                    best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid,
                    Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2.1.3.1, Beperking aanbieden e.d. van
                    geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod
                    met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel
                    2.1.4.3 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de
                            openbare orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01
                            10 1993, JG 94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt.
                            RMvM, ABRS 15 07 1994, JG 95.0208.</al></li><li nr="-"><al>Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf.
                            Optreden als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van
                            gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet.
                            Openbare orde verzet zich tegen het optreden van meer dan twee
                            straatfotografen. ABRS 03 09 1997, Gst. 1997, 7064, 3 m.nt. EB.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</vet></al><al><vet>artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                            weggedeelte anders te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke
                            functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of
                                    hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
                                    commerciële doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor
                                    voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: </al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat
                                            gedeelte bevindt; en</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook
                                            staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het
                                            rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande
                                            gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op
                                    de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en
                                    mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten
                                    ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk
                                    geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                    verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="g."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2. vijfde lid</al></li><li nr="h."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                            waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                            brengen of te hebben, indien deze </al><lijst><li nr="a."><al>door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging schade toebrengen aan de weg;</al></li><li nr="b."><al>gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                    van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan
                            wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                                    en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen
                                    voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><lijst><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de wegenverordening
                                    Noord-Holland.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor
                                    bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                    zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al>Eerste lid</al><al>In 2004 is ‘overeenkomstig de bestemming’ gewijzigd in ‘overeenkomstig de
                    publieke functie’. Dit is gedaan, omdat het woord ‘bestemming’ verwarring teweeg
                    bracht. Het gaat er namelijk niet om welk bestemmingsplan ter plaatse geldt,
                    maar om welke functie de weg of het weggedeelte heeft.</al><al>Afbakening</al><al>Aan artikel 2.1.5.1 liggen als motieven ten grondslag: de verkeersveiligheid, de
                    welstand en het gevaar of de hinder die de stoffen of voorwerpen voor personen
                    of goederen kunnen opleveren. Het artikel beperkt zich niet tot het plaatsen,
                    aanbrengen, of hebben van stoffen of voorwerpen op de weg in de zin van de
                    model-APV, maar strekt zich tevens uit tot stoffen of voorwerpen aan of boven de
                    weg.</al><al>Tweede lid, onder e</al><al>Dit artikel is niet van toepassing op handelsreclame, zoals gedefinieerd in
                    artikel 1.1, aanhef en onder k, op een onroerende zaak. Op deze handelsreclame
                    is artikel 4.4.2 van toepassing. Zie voor het toepassingsbereik ervan de
                    toelichting bij dit artikel. Artikel 2.1.5.1 is van toepassing op roerende zaken
                    waarop handelsreclame is aangebracht.</al><al>Tevens is het artikel van toepassing op reclame-uitingen waarbij gedachten en
                    gevoelens worden geopenbaard. Aan een vergunningenstelsel voor reclame voor
                    ideële doeleinden staat echter artikel 7 van de Grondwet, regelende de vrijheid
                    van meningsuiting, in de weg. Zie hierover de toelichting bij artikel 1.1, onder
                    k. In artikel 2.1.5.1, tweede lid, onder e, wordt dan ook een uitzondering
                    gemaakt voor ideële reclame op de verbodsbepaling van het eerste lid. Wel kan
                    het verboden worden om de ideële reclame op bepaalde plaatsen, zoals beschreven
                    in het derde lid, aan te brengen.</al><al>Tweede lid, onder f</al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2.2.2, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2.1.5.1. Het tweede lid, onder f coördineert het voorkomen van een samenloop van
                    beide vergunningen. In het kader van een vergunning voor een evenement kan
                    immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Dit laat echter onverlet
                    dat voor het plaatsen van aankondigingsborden voor het evenement wel een
                    vergunning op basis van artikel 2.1.5.1. is vereist.</al><al>Tweede lid, onder g</al><al>Het in artikel 2.1.5.1 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                    terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                    vergunning is verleend op grond van artikel 2.3.1.2. Zo’n terras maakt blijkens
                    de definitie in artikel 2.3.1.1 deel uit van dat bedrijf. Daarom is in het
                    tweede lid, onder g een afbakeningsbepaling opgenomen. In de model-APV is voor
                    een terras behorend bij een horecabedrijf aansluiting gezocht bij het
                    exploitatievergunningenstelsel, overeenkomstig de vergunning op grond van de
                    Drank- en Horecawet voor het schenken van alcoholische dranken.</al><al>In het geval de gemeente geen exploitatievergunningenstelsel in zijn APV heeft
                    geregeld, zal de toetsing van een vergunningsaanvraag, indien het terras bij een
                    voor het publiek openstaand gebouw betreft, rechtstreeks gebaseerd moeten zijn
                    op art. 174 Gemeentewet. De gemeente die in dat geval toch een vergunning wil
                    geven op grond van art. 2.1.5.1 moet attent zijn op het feit dat het in dit
                    artikel niet gaat om openbare orde-aangelegenheden, maar om hinder, gevaar of
                    ontsiering door voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg of een
                    weggedeelte. Dit houdt in dat op grond van deze bepaling geen voorwaarden kunnen
                    worden gesteld i.v.m. de openbare orde. Dit zal dan moeten gebeuren op grond van
                    artikel 174 Gemeentewet. Op grond van artikel 174 Gemeentewet blijft de
                    burgemeester – ook bij toepassing van artikel 2.1.5.1 – op grond van
                    jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een
                    terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.</al><al>In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    of een in artikel 2.3.1.2 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de
                    weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2.1.5.1 bedoelde eisen worden
                    gesteld en is het college het bevoegd gezag.</al><al>Het doel van artikel 2.1.5.1 houdt in dat aan het gebruik van een terras dat
                    niet op de weg of een weggedeelte is gelegen, geen voorwaarden kunnen worden
                    gesteld op grond van dit artikel.</al><al>Tweede lid, onder h</al><al>Het tweede lid, onder h, maakt tenslotte een uitzondering voor standplaatsen
                    waarop artikel 5.2.3 van toepassing is.</al><al>Derde lid</al><al>Het derde lid is ter verduidelijking bij de herziening van 2004 gesplitst in sub
                    a, b en c. Niet is beoogd om het artikel inhoudelijk te wijzigen.</al><al>Zesde lid</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. Naar aanleiding van uitspraken van de ABRS in
                    2002, Gst. 2003, 7180, 34 en 35 met noten van J.M.H.F. Teunissen betreffende de
                    uitleg van de afbakeningsbepaling van artikel 4.7.2 (oud, nu 4.4.2) van de
                    model-APV is de specifieke hogere regelgeving in artikel 2.1.5.1, zesde lid,
                    onder b en c, gekoppeld aan een van de weigeringsgronden, genoemd in het vijfde
                    lid. Dit betekent bijvoorbeeld bij bouwwerken dat op grond van artikel 2.1.5.1
                    niet aan weigeringsgrond b., maar wel aan a en c, van het vijfde lid, kan worden
                    getoetst. Zie voor de jurisprudentie onder artikel 4.4.2.</al><al>Zesde lid, onder b</al><al>Gedragingen waarop artikel 2.1.5.1 zien, kunnen onder de reikwijdte van artikel
                    5 van de WVW 1994 vallen. Dit artikel bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, zoals
                    omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is dus voor zover artikel
                    2.1.5.1 niet van toepassing. Omdat het hier over gevaar op de weg gaat, is het
                    artikel gekoppeld aan de weigeringsgrond van artikel 5, onder b. Zesde lid,
                    onder c.</al><al>Waarom hier van bouwwerken wordt gesproken?</al><al>Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er
                    zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere
                    bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de
                    vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats.
                    Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als
                    bouwvergunningsvrije bouwwerken. Gemeenten moeten een welstandsnota hebben
                    vastgesteld om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te
                    kunnen (blijven) uitoefenen. Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus
                    onderhevig aan welstandstoetsing. Voor meer informatie over afbakening raadplege
                    men de Algemene toelichting onder het kopje Afbakeningsbepalingen.</al><al>Zesde lid, onder d</al><al>De Wet milieubeheer is van toepassing als een voorwerp op de weg wordt geplaatst
                    dat een inrichting in de zin van deze wet is, zoals een container. De Wet
                    milieubeheer en de daarop gebaseerde voorschriften zijn aan het belang van
                    voorkoming of beperking van overlast, genoemd als weigeringsgrond in artikel 6,
                    onder c, gekoppeld.</al><al>Het plaatsen van zaken op de weg</al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2.1.5.1. In de
                    VNG-ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuurswang
                    ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief optreden tegen
                    dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief
                    1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger
                    beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie ook
                    onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief van
                    20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te treden
                    tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1 van de model-APV op de weg geplaatste
                    zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten
                    van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Uitstallingen</al><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd
                    op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de onder a
                    opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling
                    ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het
                    hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg staat aan het opnemen
                    van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van
                    de bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996, Gst.
                    1997, 7050, 5 m.nt. HH. Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor uitstallingen
                    in het kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede gelet op de hoge
                    voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden enquête. ABRS 11-05-1998, JU
                    982110 (VNG-databank). Hetzelfde geldt voor een beleid dat inhoudt dat objecten
                    niet meer dan 40 cm uit de voorgevel mogen worden geplaatst, welk beleid wordt
                    ondersteund met een welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188
                    (VNG-databank).</al><al>In de notitie Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld: alleen
                    de uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt toegestaan. Daarmee
                    is bij nadere invulling van het begrip openbare orde een onderscheid gemaakt
                    naar de soort van de uitgestalde waren. De Rechtbank is van oordeel dat hiermee
                    een wezenlijk ander onderscheid wordt gehanteerd dan welke volgt uit een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van de uitstalling. Dit onderscheid is
                    niet in het belang van de bescherming van de openbare orde in de zin van artikel
                    2.1.5.1.</al><al>Voor zover de uitstallingen van eisers niet aan de nieuwe maatvoering voldoen,
                    gelet op de straten/plaatsen waar de winkels van eisers gevestigd zijn een
                    wijziging (in plaats van een intrekking) van de verleende vergunning in de rede
                    had gelegen, met name wat betreft de maatvoering en de plaats van de
                    uitstalling, waarbij voorts de uitkomst van een individuele toetsing vanuit een
                    welstandelijk oogpunt mogelijk tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen
                    geven.</al><al>Evenementen</al><al>Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan uit
                    drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een verkooppunt voor
                    frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen bouwwerken, Woningwet niet van
                    toepassing. Indien er een meldingsplicht bestaat op grond van de Wet
                    milieubeheer, is de APV niet van toepassing. Ingeval de APV wel van toepassing
                    is, heeft het college in redelijkheid tot het verlenen van de vergunning kunnen
                    komen. Nu het seizoen al is begonnen, is er groot belang bij continuering. ABRS
                    23-06-2000, JU 001042 (VNG-databank).</al><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden
                    06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond
                    van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt
                    geen grondslag voor weigering vergunning.</al><al>Terrassen</al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.018 m.nt. M. Geertsema . In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269, JG 03.0022 m.nt. A.L. van Esveld.</al><al>Reclame</al><al>Zie voor jurisprudentie over handelsreclame in het commentaar onder artikel
                    4.4.2.</al><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                    reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan worden
                    gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 EVRM
                    (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit kan betekenen dat er in
                    feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van
                    verspreiding en bekendmaking zou overblijven Volgens de President kunnen wel
                    beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal
                    vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur van
                    elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997, 338). Dit
                    beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of
                    welstandsadvies.</al><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show, oordeelde
                    de Pres. Rb ‘s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij elke aanvraag om
                    vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht
                    het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats
                    van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te
                    worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al><al>Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel 2.1.5.1.
                    alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing is, wordt niet
                    gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998, 7069, 3 m.nt. EB, KG 1997,
                    388.</al><al>Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een voetbalwedstrijd,
                    aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de omgeving. Het betreft
                    commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR
                    niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19 IVBPR zijn alleen in het geding als
                    de verspreiding van reclame (en uiteraard andere meningsuitingen) zo zeer aan
                    banden zou worden gelegd dat de vrijheid reclame te maken zelf zou worden
                    aangetast. ABRS 23-12-1994, JG 09.0207, AB 1995, 163.</al><al>APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                    reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden
                    uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen.
                    Artikel 2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de
                    reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb Breda
                    9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en
                    29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak betreft Pres.
                    Rb ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor
                    reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement
                    betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van artikel
                    2.1.5.1.</al><al>Aanschrijving tot het verwijderen van een spandoek in verband met de
                    strijdigheid van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan
                    overeenkomstig de bestemming daarvan. De onderhavige reclameaanduiding is gezien
                    de bevestigingswijze en de constructie aan te merken als een ‘spandoek’. Van een
                    spandoek is niet alleen sprake wanneer een stoffen doek met opschrift dwars over
                    de weg is gespannen, maar ook als het aan een gevel is aangebracht. Vz.ARRS
                    27-08-1993, JG 94.0054.</al><al>Door het verlenen van ontheffingen voor de duur van een jaar heeft het college
                    duidelijk gemaakt dat het beleid ten aanzien van reclameborden en verkooprekken
                    gewijzigd kan worden. Het in het geheel niet bieden van ruimte voor het verlenen
                    van een ontheffing verdraagt zich niet met de APV. Vz.ABRS</al><al>03-01-1994, JG 94.0212.</al><al>Afvalcontainers</al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de
                    bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het
                    geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt. HH.
                    Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn
                    waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang
                    van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel 8.2 APV, welk artikel
                    vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst.
                    1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54 m.nt. H.A.M.G.</al><al>Handhaving</al><al>Naar aanleiding van de vraag of de gemeente veroordeeld kan worden om bij een
                    gerechtelijke ontruiming van een woning aanwezig te zijn om de op de weg
                    geplaatste inboedel terstond af te voeren en op te slaan, overweegt de Pres. Rb
                    Amsterdam 19-08-1999, KG 1999, 242, dat de executerende deurwaarder gerechtigd
                    is de inboedel aan de weg te plaatsen zonder dat hem een overtreding op grond
                    van de APV verweten kan worden. De publieke taak van de gemeente om de openbare
                    weg vrij te houden van obstakels houdt echter nog niet in dat de deurwaarder een
                    rechtens afdwingbare vordering tegen de gemeente heeft om bij gerechtelijke
                    ontruimingen de inboedel af te voeren en op te slaan. Deurwaarder kan wel
                    maatregelen nemen zoals de geëxecuteerde van tevoren waarschuwen of zelf
                    maatregelen nemen voor afvoer en opslag. Ten onrechte merkte de opzichter bij
                    een woningontruiming de inboedel als afval aan en liet de afgevoerde inboedel
                    als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk voor de schade. Pres. Rb Amsterdam
                    15-02-2001, JG 01.0138 m.nt. E.H.J. de Bruin, KG 2001, 87.</al><al>Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de
                    weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van
                    artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Hoewel artikel 5:21 van de Awb
                    niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve
                    bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste
                    jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van
                    een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of
                    krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat
                    niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige
                    criterium voor preventieve bestuursdwang is dus "klaarblijkelijk gevaar van
                    overtreding". Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de
                    woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de
                    inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 van de
                    APV. Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de
                    Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd.
                    ABRS 07-11-2001, JG 02.0006 , LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M. Geertsema, Gst.
                    2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al><al>Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de
                    Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat
                    plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet
                    geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig
                    haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het
                    verbod van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een
                    instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot
                    ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van
                    bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M.
                    Geertsema.</al><al>Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.
                    Vzr. Zutphen 25-08-2004, 04/1199 GEMWT, LJN-nr. AQ8910.</al><al><vet>artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen,
                            de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten,
                            aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins
                            verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle
                            niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het
                            waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                            onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de
                            daarop gebaseerde telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het
                    college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van belang. Op
                    grond van de WRO mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken
                    of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te
                    voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de
                    daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte
                    bestemming. Ingevolge artikel 14 WRO mag een vergunning alleen en moet zij
                    worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een
                    bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.</al><al>Eerste lid</al><al>Aan artikel 2.1.5.2 ligt een ander motief ten grondslag, namelijk de behoefte om
                    de aanleg van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid
                    van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het
                    ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan
                    dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor, door de latere aanleg
                    van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water- en
                    gasvoorziening en verlichting, de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd
                    sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten met zich
                    mee brengt.</al><al>Tweede lid</al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip ‘weg’ uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering etc. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht geldt voor de zogenaamde
                    ‘eigen wegen’. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van
                    de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld
                    kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Die wenselijkheid is
                    ook aanwezig voor wegen die bij voorbeeld aangelegd worden op grote
                    bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging ‘alsmede
                    alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen’ opgenomen.</al><al>Derde lid</al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
                    Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen,
                    bij voorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                    samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                    landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                    Landinrichtingswet, een uitzondering te maken. De plicht om gebouwen door middel
                    van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel
                    37 van de bouwverordening.</al><al>Vierde lid</al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2.1.5.2 een vergunning nodig hebben
                    voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De voorschriften mogen echter slechts slaan op datgene wat op de weg zelf
                    betrekking heeft – zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de
                    wijze van verharding – of wat met die weg ten nauwste verband houdt - zoals
                    beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de)
                    langs of in de weg liggende riolering, Vz. ARRS 10-1-1986, BR 1986, nr. 426,
                    Arob editie 1986, 86, nr.7 (Wegaanleg Gennep).</al><al>Relatie van artikel 2.1.5.2 met artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.
                    APV-bepaling als vorenbedoeld verbiedt het feitelijk beschadigen, zonder op die
                    beschadiging gerichte opzet, onverschillig wie de eigenaar is. Artikel 350 Sr.
                    stelt daarentegen straf op opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van
                    enig goed, geheel of ten dele aan een ander toebehorende, en derhalve op
                    onrechtmatige beschadiging van eens anders eigendom, gepleegd met het doel en de
                    wil om te beschadigen. HR 7-1-1907, WvhR 8485 (APV Tiel)</al><al><vet>artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het
                            belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                            Wegenverkeerswet 1994, of de wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de
                    jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld
                    in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de
                    instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd indien de weigeringgronden
                    zijn opgenomen in de verordening. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te
                    waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de
                    wijze waarop wordt uitgewe(e)gd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in
                    strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de
                    onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de
                    bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een
                    onderhoudsplicht opgelegd worden.</al><al>Een weigeringgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld,
                    strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de
                    weigeringgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente wordt gesteld. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de
                    gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden ter weigering van het maken van een
                    uitweg als daarbij een (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken.
                    Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning
                    voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt
                    aangetast.</al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning
                    is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is,
                    indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het
                    vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de
                    veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 1-9-1977, AB 1977,
                            nr. 366, m.nt. Van der Veen, GS 6472, m.nt. Kan, BR blz. 914, m.nt.
                            Crince le Roy (Maastricht I); ARRS 8-6-1978, AA blz. 574 m.nt. Wessel,
                            GS nr. 6514 (De Bilt); ARRS 8-5-1981, AB 1981, nr. 391, m.nt. Borman
                            (uitwegvergunning Nuth I).</al></li><li nr="-"><al>Ontheffing verleent voor de verbreding in het belang van de veiligheid
                            en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden
                            bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in
                            redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen. ARRS 20-6-1983,
                            AB 1984, 75 m.nt. JHvdV. (Wegverbreding)</al></li><li nr="-"><al>Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningbepaling, die in
                            het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met
                            artikel 14 van de Wegenwet. HR 30-9-1987, BR 1988, 212, m.nt. P.C.F. van
                            Wijmen.</al></li><li nr="-"><al>Weigering uitwegvergunning op grond van het belang van de bescherming
                            van het uiterlijk aanzien van de gemeente is in beginsel mogelijk. ARRS
                            22-12-1989, Bouw en uitvoering 1991, nr. 5.</al></li><li nr="-"><al>Het schrijven van B en W dat grond niet in gebruik werd gegeven, is mede
                            aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen.
                            Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan
                            kunnen een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het
                            hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica ext lex. ARRS
                            11-1-1991, GS 6929, nr. 6. m.nt. HH.</al></li><li nr="-"><al>Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop
                            wordt uitgewe(e)gd worden geregeld. ARRS 28-10-1983, GS 6774, nr. 12
                            (APV Vlijmen); ARRS I-4-1980, tB/S V, blz. 662 (APV Dongen)). Als
                            voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd
                            worden, ARRS 12-7-1982, tB/S III, nr. 356.</al></li><li nr="-"><al>De Wegenwet houdt een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van
                            wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan.
                            ARRS 9 -2-1987, WO RvS 1987, R.J. 127/87, nr. 3.71.</al></li><li nr="-"><al>Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar
                            evenredigheid, kon een financiële voorwaarde worden verbonden aan een
                            uitwegvergunning. ARRS, 20-6-1983, AB 1984, nr. 75, m.nt. JHvdV. Zie ook
                            ABRS 16-6-1995, GS 1996, 7035, 2 m.nt. B.</al></li><li nr="-"><al>Indien uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is
                            uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een
                            privaatrechtelijke eigendomsverhouding aan de eis dat de uitrit moet
                            voldoen aan het bestratingplan ten grondslag ligt. Vz ABRS 20-1-1994, JG
                            94.0176, GS, 1995, 7005,4 m.nt H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van
                            de gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, APV. De voorwaarde tot
                            betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij
                            is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 5-12-1996, GS,
                            1997, 7061,3 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van
                            de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning
                            kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning
                            ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant niet-ontvankelijk. ABRS
                            14-7-1997, AB 1997, 369, m.nt. FM.</al></li><li nr="-"><al>Titel openbare orde staat weigeringsgrond bescherming uiterlijk aanzien
                            wel toe. ABRS 13-07-1999, JB 1999, 224. Zie ook: Weigeringsgrond
                            bescherming uiterlijk aanzien van de omgeving mag. Titel hoofdstuk
                            (openbare orde) kan niet leiden tot oordeel dat deze weigeringsgrond
                            geen onderdeel van artikel is. Expliciete verwijzing naar uitspraak 7
                            oktober 1996, Gst. 1997, 7050, 4 (zie onder jurisprudentie artikel
                            2.1.5.1).ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder
                            uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal
                            worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald,
                            geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar
                            slechts een mededeling van feitelijke aard is.</al></li><li nr="-"><al>Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom
                            zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg
                            is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling
                            naar burgerlijk recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4
                            m.nt. HH.</al></li><li nr="-"><al>De in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV omschreven algemene
                            belangen verzetten zich niet tegen vergunningverlening. Vergunning moest
                            van rechtswege worden verleend. Vergunning werd niet verleend ter
                            behartiging van enig openbaar belang. Beginsel van ‘égalité devant les
                            charges publiques’ dan ook niet van toepassing. Afwijzing
                            nadeelcompensatie. ABRS 10-07-2000, Gst. 2000, 9.</al></li><li nr="-"><al>Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                            maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang
                            bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend
                            voor een garage, namenlijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen
                            gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant
                            van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond
                            van te verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de
                            toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS 19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2
                            m.nt. HH.</al></li><li nr="-"><al>Het college had een onderzoek moeten instellen naar de consequenties van
                            de aanleg van de inrit voor de verkeersveiligheid en voor de resterende
                            parkeerruimte ter plaatse. ABRS 29-05-2001, JB 2001, 180.</al></li><li nr="-"><al>Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten
                            onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en
                            doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag
                            of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college
                            het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij
                            beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in
                            redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen
                            besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 6 Veiligheid op de weg</vet></al><al>Algemeen</al><al>artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het
                    maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp
                    waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met
                    het bepaalde in deze wet (of krachtens deze wet, zoals bij het RVV; aldus HR 16
                    december 1975, NJ 1976, 204, m.nt. W.F. Prins). Blijkens de jurisprudentie kan
                    gezegd worden dat een hogere regeling en een lagere regeling ‘hetzelfde
                    onderwerp’ regelen, wanneer beide regelingen (a) dezelfde materie met hetzelfde
                    motief regelen. De in de wegenverkeerswetgeving geregelde materie is: het
                    verkeer op wegen. Volgens het stelsel en de strekking van de (huidige)
                    wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan, indien dat gebeurt in het belang van de vrijheid van het verkeer of
                    de veiligheid op de weg of in het belang van de instandhouding en de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al>Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel
                    andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke
                    regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander
                    motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling
                    uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.</al><al>Verder geldt hier - evenals bij de eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de
                    gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag
                    maken. In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de
                    veiligheid van het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de
                    wegenverkeerswetgeving aangemerkt kunnen worden.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen - indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. HR 21-6-1966, 417, m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB
                    1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432, Verkeersrecht 1966, blz. 227, m.nt. R.J.
                    Polak (bromfietsverbod Sneek); HR 23-12-1980, NJ 1981, 171, m.nt. T.W. van Veen,
                    AB 1981, 237, NG 1981, blz. S 63, m.nt., VR 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius
                    (rijverbod Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, GS 1981, nr. 6678, m.nt. E.
                    Brederveld (rijverbod Vlieland).</al><al><vet>artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen,
                            uit te storten of te laten lopen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van
                            Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Vele APV’s kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of
                    terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of
                    terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de
                    vraag terug van bevoegdheid tot regeling. Bevoegdheid, omdat het opnemen van een
                    dergelijke plicht in de APV strijd zou opleveren met de in 1930 in Genève door
                    de International labour organisation vastgestelde conventie betreffende de
                    gedwongen of verplichte arbeid, dan wel in strijd zou kunnen zijn met artikel 4
                    van het Verdrag van Rome. Naast deze vraag moet ook geconstateerd worden dat een
                    dergelijke bepaling door de overheid niet gehandhaafd wordt. De heer Verplanke
                    gaat hierop in in zijn artikel in De Nederlandse Gemeente van 1 maart 1985. Hij
                    komt tot de conclusie dat hoewel een dergelijke bepaling zijns inziens niet in
                    strijd komt met beide verdragen, aan de wenselijkheid ervan getwijfeld moet
                    worden vanwege het niet-handhaven. Hij stelt dan ook vast dat het sneeuwruimen
                    op trottoirs meer een voorwerp van zorg van voorlichting is dan van de
                    politieambtenaar behoort te zijn. Om deze redenen is afgezien van opname van een
                    ‘sneeuwruimbepaling’ in de APV. Daarentegen bevat artikel 2.1.6.1 een verbod om
                    tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld
                    valt te noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer,
                    waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.</al><al>Tweede lid</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>In artikel 427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald
                    dat met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets
                    plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat
                    door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel
                    kan ondervinden.</al><al>artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is een ieder verboden zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op
                    de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Bewoners hebben de verplichting ingevolge de APV om gladheid op aangrenzend
                    trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij
                    sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d.
                    20-01-1993, VR 42, 1994, 158.</al><al><vet>artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
                            stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is
                            verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                            herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek
                            op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen
                            of te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten
                            de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid
                            of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de
                            onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als de onmiddellijke
                            omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of
                            weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens
                            een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg onbeheerd
                            daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid bepaalde in dit artikel geldt niet voor zover in
                            het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                            milieubeheer.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen door de
                    winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten
                    winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een
                    herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een
                    statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een
                    wagentje pas gebruiken als hij bij voorbeeld een munt van 50 eurocent heeft
                    gedeponeerd in het muntmechanisme van het wagentje. Die munt krijgt hij terug
                    bij terugbezorging van het wagentje. Invoering van het muntsysteem leidt niet
                    altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden gaan steeds meer gemeenten er
                    toe over om in hun APV-bepaling een verbod jegens de burger op te nemen.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Is het desbetreffende winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de
                    milieuregelgeving, dan kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes
                    worden verbonden aan de milieuvergunning. KB 12-6-1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en
                    GS 6802, nr. 10 (Haarlem).</al><al>De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van winkelwagentjes
                    worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de wagentjes uit te rusten met
                    een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich zelf zodanig onjuist of
                    onredelijk te achten dat reeds daarom een onevenredig nadeel voor verzoekster
                    aanwezig moet worden geacht. De bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe
                    de van rondslingerende winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd vz.
                    ARRS, 1-12-1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, blz. 103 e.v.,
                    ARRS 17-6-1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</al><al><vet>artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                    zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                    daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al><al>Commentaar</al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Indien iemand
                    een dergelijke last krijgt opgelegd, is geen kapvergunning vereist. Artikel
                    4.5.2., tweede lid, onder g, geeft namelijk aan dat het verbod om zonder
                    vergunning van het college een houtopstand te vellen of doen vellen niet geldt
                    in die gevallen dat dit gebeurt in het kader van een opgelegde last.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. het college vond het belang van
                    privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is
                    van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat
                    het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te
                    oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van
                    oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel
                    ontnemen. ARRS 10-12-1993, JG 94.0138.</al><al><vet>artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput,
                    brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare
                    nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                            betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid
                            van de weggebruikers opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef
                            en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>artikel 427, onder 1 en 3, Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar tot het
                    treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en
                    toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van
                    voorbijgangers.</al><al>De onderhavige APV-bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven,
                    ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het
                    publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee
                    tegengegaan worden.</al><al><vet>artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden in of
                            binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de het college
                            aangewezen periode.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden in of binnen een
                            afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft,
                            brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te
                            laten liggen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                            zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429,
                            aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het
                            roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
                            erven.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is.</al><al><vet>artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
                            bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad,
                            puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben
                            hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of
                            andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de
                            uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                            afscheiding zijn aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien
                    van de veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische
                    schrikdraadinstallaties bevat het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden
                    (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen.</al><al><vet>artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</vet></al><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te
                    hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Het college kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de dekzeilen
                    op het pand van appellante, gezien de zeer slechte staat waarin ze verkeerden,
                    de wijze waarop ze aan het dak waren vastgemaakt en het onstuimige weer van die
                    dag, niet deugdelijk beveiligd waren tegen neervallen op de weg en dat aan het
                    gevaar dat de dekzeilen opleverden zo spoedig mogelijk een einde moest komen.
                    Spoedeisendheid bestuursdwang. Telefonische waarschuwing om een eind te maken
                    aan de gevaarzetting. ABRS 09-01-2001, AB 2001, 207.</al><al><vet>artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan
                            dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college
                            voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                            of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                            verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste
                            lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                            van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                            lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                            Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het
                    onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan
                    aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                    openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar
                    niet aantasten.</al><al><vet>artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>(niet overgenomen)</al><al><vet>artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a"><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b"><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                            Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling houdt een aanvulling in op het bepaalde in de artikelen 161bis,
                    161ter, 162, 350, 351, 351bis en 424 Wetboek van Strafrecht.</al><al><vet>Afdeling 2 Toezicht op evenementen</vet></al><al><vet>artikel 2.2.1 Begripsomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                            toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5.2.4. van deze verordening</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2.1, 2.1.4.1,
                                    2.1.4.2, 2.1.4.3. en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In artikel 2.2.1 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten
                    aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen
                    geldend criterium (‘namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak’) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de
                    werking van de bepalingen valt. In de eerste plaats is dit het geval bij
                    bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet meer als evenement
                    aangemerkt. Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten.
                    Indien het college een markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor
                    regels vaststellen in een marktverordening.</al><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime. Betogingen, samenkomsten
                    en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM. Zie voor een toelichting op de WOM
                    onder artikel 2.1.2.3.</al><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd artikel 2.1.2.1
                    (Optochten), 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd, e.d.), 2.1.4.2
                    (Dienstverlening), 2.1.4.3 (Straatartiest) en 2.3.3.1 (Speelgelegenheden).Dit
                    gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.</al><al>Het mag duidelijk zijn dat indien een gemeentebestuur van mening is dat
                    bepaalde, niet in de begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de
                    vergunningplicht behoren te worden vrijgesteld, deze evenementen als
                    uitzondering kunnen worden opgenomen.</al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als enige expliciet als evenement genoemd. Voorbeelden van evenementen die
                    onder de omschrijving vallen, maar niet expliciet in het artikel zijn genoemd
                    omdat ze wel als vermaak kunnen worden beschouwd, zijn circussen,
                    vuurwerkevenementen (groot vuurwerk), houseparty’s, voetbalwedstrijden,
                    enz.</al><al>Ook een vechtevenement, meestal aangeduid als een kooigevecht, is aan te merken
                    als een evenement en niet als een sportwedstrijd; zie Ledenbrief nr.
                    97/192.</al><al>Vergunning- of kennisgevingsstelsel</al><al>Voordat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking was getreden, was in de
                    model APV van de VNG ten aanzien van evenementen een kennisgevingsstelsel
                    opgenomen. Dit gold ook voor het organiseren van optochten, feesten en
                    wedstrijden (2.1.2.1 en 2.1.4.1).</al><al>De inwerkingtreding van de Awb leverde echter de vraag op hoe een
                    kennisgevingsstelsel zich verhoudt tot deze wet. Het kernbegrip in de Awb is het
                    woord ‘besluit’. Het tot dan toe gehanteerde kennisgevingsstelsel verplichtte
                    het bestuursorgaan niet tot het nemen van een schriftelijk besluit. Het
                    bestuursorgaan kan bijvoorbeeld mondeling toestemming verlenen voor het
                    organiseren van de activiteiten waarvan kennisgeving is gedaan.</al><al>Een kennisgevingsstelsel komt op twee manieren niet tegemoet aan eventuele
                    bezwaren van derde belanghebbenden bij de te organiseren activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>in de eerste plaats is het bestuursorgaan op grond van de Awb (artikel
                            4:7 en 4:8) niet verplicht belanghebbenden die naar verwachting
                            bedenkingen hebben te horen bij het geven van een mondeling
                            beslissing;</al></li><li nr="-"><al>in de tweede plaats dient er in beginsel een schriftelijk besluit te
                            zijn voordat daartegen bezwaar of beroepsmogelijkheden aangewend kunnen
                            worden.</al></li></lijst><al>Het risico is derhalve aanwezig dat bij de toepassing van een
                    kennisgevingstelsel de belangen van derden niet meegenomen worden, terwijl deze
                    zeker bij grootschalige evenementen van groot belang kunnen zijn. Geoordeeld is
                    dat een kennisgevingsstelsel om deze reden niet overeenkomt met de Awb en daarom
                    is voor artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1, 2.1.4.2, 2.1.4.3. en 2.2.2 een
                    vergunningenstelsel ingevoerd.</al><al>Rol van de burgemeester</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip "toezicht" is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al><vet>artikel 2.2.2 Evenement</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te
                            organiseren.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                    goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de door de
                            burgemeester aangewezen kleine evenementen als bedoeld in het vijfde
                            lid.</al></li><li nr="4."><al>Bij besluit van de burgemeester kunnen voor daarbij aangewezen kleine
                            evenementen regels worden gesteld, die nodig zijn in het belang van de
                            in het derde lid genoemde gronden.</al></li><li nr="5."><al>Bij het in het vijfde lid bedoelde besluit wordt de verplichting
                            opgelegd tot het melden van het voorgenomen kleine evenement aan de
                            burgemeester. Voorts wordt daarbij aangegeven het tijdstip, voorafgaand
                            aan het evenement, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan en de
                            gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.</al></li><li nr="6."><al>Uiterlijk 48 uur voordat een klein evenement plaatsvindt, kan de
                            burgemeester besluiten, in het belang van de in lid 3 genoemde criteria,
                            dit evenement te verbieden.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De vraag of de burgemeester bevoegd is voorschriften te verbinden aan het houden
                    van een evenement moet bevestigend worden beantwoord. Wij hebben hier immers te
                    maken met een hem toekomende vrije beschikkingsbevoegdheid.</al><al>Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                            regeling;</al></li><li nr="2."><al>de voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                            voorkomen van aantasting van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid
                            of gezondheid;</al></li><li nr="3."><al>de voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van
                            behoorlijk bestuur.</al></li></lijst><al>Gekozen is voor een systeem van soorten evenementen, waarbij de burgemeester
                    kleine evenementen zoals buurtbarbecues kan aanwijzen waarvoor met een melding
                    kan worden volstaan.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Een limitatieve omschrijving van het begrip ‘evenement’ kan in de
                            praktijk tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-8-1985, GS, 1986, 6805,
                            4.</al></li><li nr="-"><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur.
                            Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316
                            m.nt. A.B. Engberts, KG, 1995, 292.</al></li><li nr="-"><al>Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip ‘openbare
                            orde’. Pres. Rb Groningen 11-08-1995, GS, 1996, 7030,3 m.nt H.Ph.J.A.M.
                            Hennkens.</al></li><li nr="-"><al>Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering
                            vergunning op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres.
                            Rb ‘s-Hertogenbosch 14-2-1997, KG, 1997, 106.</al></li><li nr="-"><al>Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                            bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar
                            worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere
                            omstandigheden afzien van handhavend optreden (op verzoek van
                            belanghebbende). ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</al></li><li nr="-"><al>Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet
                            het college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                            evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema,
                            Gst. 2000, 7116, 3 m.nt. HH.</al></li><li nr="-"><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb
                            Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen
                            weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook
                            strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering
                            vergunning.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al>Algemeen</al><al>Op horecabedrijven zijn naast de regels van deze paragraaf nog vele andere
                    regels van toepassing. Zo ook onder andere de Drank- en Horecawet, de Wet
                    milieubeheer en Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al><al>Drank- en Horecawet</al><al>De Drank- en Horecawet regelt de uitoefening van het horecabedrijf bestemd voor
                    het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. De wet
                    regelt dus niet de verstrekking van alcoholvrije drank.</al><al>Wet milieubeheer</al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing.
                    Meer in het bijzonder gelden daarvoor de regels van het Besluit horeca-, sport-
                    en recreatie-inrichtingen milieubeheer, een op artikel 8.40 van de Wet
                    milieubeheer (Wm) gebaseerde amvb. Dit besluit heeft per 1 oktober 1998 het
                    Besluit horecabedrijven milieubeheer vervangen. Zie hiervoor ook de toelichting
                    bij de bepalingen van afdeling 4.1. Zie voorts voor een uitgebreide toelichting
                    over opzet en uitgangspunten van dit Besluit de Nota van toelichting bij het
                    Besluit, welke is gepubliceerd in Staatsblad 1998, 322.</al><al>Om onder de werking van het Besluit te vallen moet er sprake zijn van een
                    horeca-, sport- of recreatie-inrichting die behoort tot een in het Inrichtingen-
                    en vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie (Ivb). Zo zijn op grond
                    van categorie van bijlage I van het Ivb vergunningplichtig: hotels, restaurants,
                    pensions, cafés cafetaria’s, snackbars, discotheken en aanverwante inrichtingen.
                    Dit houdt in dat de inrichting op basis van artikel 1.1., derde lid, van de Wm
                    is aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan
                    veroorzaken en dat de inrichting vergunningplichtig is. Deze vergunningplicht
                    geldt echter niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een besluit op grond
                    van artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft dus onder andere het hiervoor genoemde
                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. De hierin
                    genoemde inrichtingen zijn niet vergunningplichtig, maar dienen te voldoen aan
                    de algemene regels die het Besluit stelt. Het Besluit heeft betrekking op
                    hetgeen plaatsvindt binnen het horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de
                    directe omgeving.</al><al>Gemeentelijke verordening</al><al>artikel 121 van de Gemeentewet biedt gemeenten verordenende bevoegdheid zolang
                    deze niet in strijd is of komt met een hogere wettelijke regeling. Bij de opzet
                    van het Besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders
                    worden gereguleerd. Vanuit dit gezichtspunt wordt in het Besluit expliciet
                    vermeld dat het voor gemeenten ruimte overlaat om overlast betreffende de
                    openbare orde tegen te gaan met behulp van een gemeentelijke verordening.</al><al>In het Besluit wordt aangegeven dat daarbij gedacht wordt aan overlast door
                    bezoekers van horecagelegenheden, de gebruikers en bezoekers van sport- en
                    recreatie-inrichtingen, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen enzovoort.
                    Door de gekozen opzet is de afbakening tussen enerzijds de Wm
                    (vergunningplichtig of vallend onder het Besluit) en anderzijds plaatselijke
                    verordeningen duidelijker geworden. De direct aan de inrichting gerelateerde
                    vormen van verstoring van het milieu vallen onder het toepassingsgebied van de
                    Wm. De voorschriften van het Besluit richten zich in beginsel ook op de
                    indirecte gevolgen, die de inrichting kan veroorzaken, voor zover deze liggen in
                    de macht van de houder van de inrichting. De andere gevolgen die een bedrijf of
                    een collectief van bedrijven direct of indirect met zich mee kan brengen en die
                    een aantasting van de openbare orde en/of het woon- of leefklimaat mogelijk
                    maakt, worden in de APV gereguleerd.</al><al>Op grond van de hierna volgende bepalingen in de APV kan worden afgewogen of
                    voor de exploitatie van een horeca-inrichting vergunning moet worden verleend,
                    rekening houdend met de openbare orde en het woon- en leefklimaat, en of - ter
                    bescherming van diezelfde motieven - aan de vergunning voorschriften moeten
                    worden verbonden. Het verdient aanbeveling dergelijke voorschriften op te nemen
                    in de APV, en niet in een verordening krachtens artikel 23 Drank- en Horecawet
                    of een (leefmilieu)verordening krachtens artikel 7, eerste lid, sub a, Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing.</al><al>Bij een verordening krachtens de Drank- en Horecawet is in de eerste plaats de
                    reikwijdte van het begrip ‘horecabedrijf’ van belang: artikel 1, eerste lid,
                    Drank- en Horecawet ziet bijvoorbeeld niet op bedrijven waarin geen
                    alcoholhoudende drank wordt verstrekt, anders dan artikel 2.3.1.1, eerste
                    lid.</al><al>In de tweede plaats liggen aan de voorschriften Drank- en Horecawet primair
                    sociaalhygiënische en sociaal-economische motieven ten grondslag. Vanuit die
                    motieven kunnen de uit hoofde van de wet geldende inrichtingseisen bij
                    gemeentelijke drank- en horecaverordening van overeenkomstige toepassing worden
                    verklaard op inrichtingen waarin geen alcoholhoudende drank wordt
                    geschonken.</al><al>De vergunningplicht in deze paragraaf is ook van toepassing op coffeeshops. Dat
                    roept de vraag op hoe zich dit verhoudt met de Opiumwet. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt moet echter zijn dat de
                    vergunningverlening geen betrekking heeft op de handel in drugs, maar op het
                    feit dat een alcoholvrije horeca-inrichting wordt geëxploiteerd. In deze
                    paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone horecabedrijven behandeld en
                    zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen. Dat laat overigens
                    onverlet dat ten aanzien van coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze
                    inrichtingen kunnen hebben op het woon- en leefklimaat en de openbare orde - wel
                    degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld. Meer informatie hierover
                    is te vinden in de publicatie ‘De Wet ‘Damocles’, bestuursdwangbevoegdheid in
                    artikel 13b Opiumwet’ van het Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid
                    (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</al><al>Jurisprudentie APV</al><lijst><li nr="-"><al>Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen
                            dat specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met
                            de Opiumwet. Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998,
                            222 en 223 m.nt. FM; Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb
                            Rotterdam 16 juli 1998, JG 98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september
                            1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al></li><li nr="-"><al>Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                            bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr.
                            AO7469, JG 04.0105, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                            coffeeshops te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU,
                            JG 04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich
                            mee, zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG
                            04.0079, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van
                            vastgesteld en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af.
                            LJN-nr. AO2883, JG 04.0110, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                            inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten.
                            LJN-nr. AI0787, JG 03.0168, m. nt. T. van der Reijt.</al></li><li nr="-"><al>Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan
                            drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der
                            Reijt.</al></li><li nr="-"><al>Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet
                            openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een
                            situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr.
                            AP0405, JG 04. september, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot
                            ontbinding van het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.
                            oktober, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel
                            in en het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het
                            algemeen belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG
                            04.0132 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij
                            leidt tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, rolnr.
                            C0201144/HE, JG 04. oktober, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is
                            geen besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT
                            VEN, JG. 03.0064, m. nt. T. van der Reijt.</al></li></lijst><al>Jurisprudentie Drank- en Horecawet</al><lijst><li nr="-"><al>BEM! niet ontvankelijk. Sommige horecaondernemers ondervinden
                            economische last van de horeca-activiteiten van verenigingen,
                            buurthuizen e.d. (zogenoemde paracommerciële inrichtingen). Gemeenten
                            moeten op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om
                            e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1 januari 2000 is de Stichting
                            Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten (afgekort: BEM!)
                            gestart met het beteugelen van oneerlijke mededinging vanwege
                            paracommerciële inrichtingen door gemeenten en paracommerciële
                            inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden moeten stellen en
                            dat de inrichtingen deze moeten naleven. De horecaondernemers deden dat
                            liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden. De BEM! was speciaal
                            voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van processen
                            opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19
                            februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging
                            Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf
                            "Horeca Nederland" te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling
                            oordeelde toen dat met artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is
                            beoogd het zogenoemd paracommercialisme te beteugelen ten faveure van
                            reguliere horecaondernemers - een belang dat zich naar zijn aard in
                            beginsel leent voor een collectieve behartiging ervan op plaatselijk of
                            regionaal niveau. De Afdeling achtte dit belang niet zodanig van aard
                            dat Horeca Nederland zich dit als landelijk opererende vereniging -
                            binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan aantrekken. De
                            Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf voldoende
                            specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch
                            plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de
                            horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij
                            eventuele repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht
                            niet-ontvankelijk verklaard.</al></li><li nr="-"><al>Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK
                            2000-2001, 27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over
                            het paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die
                            zijn ingegeven uit economische overwegingen niet in een
                            volksgezondheidwet als de DHW thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1,
                            LJN-nr. AE2813, JG 02.0129 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in
                            tegenstelling tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt.
                            A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>24 Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd
                            met de Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het
                            publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
                            omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                            worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden
                            bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                            verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                            discotheek, buurthuis of clubhuis.</al></li><li nr="2."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
                            een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.</al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte
                            van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of
                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken
                            kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                            worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
                            horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2
                            of 2.3.1.3.</al></li><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: </al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
                                    bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                    zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                    438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid
                                    van het Wetboek van Strafrecht, wier aanwezigheid in de
                                    inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De omschrijving van het begrip ‘horecabedrijf’ sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms
                    uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt (en genuttigde
                    dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou
                    worden bestreken door de begripsomschrijving ‘horecabedrijf’, is in het eerste
                    lid de aanduiding ‘rookwaren’ toegevoegd.</al><al>De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de
                    inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op
                    het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de
                    inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit laatste kan
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van geluidsoverlast van komende en gaande bezoekers (het aan- en afrijden van
                    auto’s, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>Het behoeft geen betoog dat, naast de houder van het horecabedrijf, een aantal
                    categorieën van personen moet worden uitgezonderd van het begrip bezoekers: om
                    te beginnen diens gezinsleden en elders wonende bloed- en aanverwanten, maar ook
                    de personen die in de inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn
                    vermeld in het daartoe bestemde register (zie hiervoor de toelichting bij
                    artikel 2.3.2.1 e.v.) en de personen die wegens dringende redenen in de
                    inrichting aanwezig moeten zijn (zoals in de inrichting werkzame
                    personeelsleden, of personen die de tapinstallatie onderhouden of
                    herstellen).</al><al><vet>artikel 2.3.1.2 Vergunning exploitatie horecabedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van
                            de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid,
                            indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is
                            met een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel
                            of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden
                            aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het
                            horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig
                            wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringgrond houdt
                            de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
                            waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het
                            horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                            blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het
                            horecabedrijf.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester
                            in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of
                            meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op
                            de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                            terras.</al></li><li nr="6."><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester
                            de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve
                            van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel
                                    gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                    doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig
                                    beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet, voor zover in het
                            daarin gestelde onderwerp wordt voorzien door de wet beheer
                            Waterstaatwerken of de wegenverordening Noord-Holland;</al></li><li nr="8."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoel in het eerste lid,
                            indien de houder geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk
                            drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is
                            afgegeven.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Op grond van de APV kan overlast worden tegengegaan die de openbare orde betreft
                    en zich buiten het bedrijf afspeelt. Omdat die overlast groot kan zijn, verdient
                    het aanbeveling een vergunningstelsel te hanteren, zodat de openbare orde en het
                    woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf langs preventieve weg
                    kunnen worden beschermd.</al><al>De vergunningverlening dient ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet te
                    geschieden door de burgemeester. In dit artikel is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen.</al><al>Tweede lid</al><al>In de praktijk komt het regelmatig voor, dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag noch de openbare orde noch het woon- en leefklimaat zich
                    tegen verlening verzetten, terwijl het geldende bestemmingsplan vestiging van
                    een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is dan moeilijk uit te leggen
                    dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik
                    gemaakt kan worden. Daartoe is strijd met het bestemmingsplan als weigeringgrond
                    opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke
                    bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het
                    tweede lid met zich mee de burgemeester treedt in een beoordeling van het
                    geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de
                    toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van
                    de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al>Derde en vierde lid</al><al>Met het oog op de bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving
                    kan ook het aantal horecabedrijven aan een maximum worden gebonden
                    (maximumstelsel). Het is dan geoorloofd een vergunning te weigeren indien het
                    woon- en leefklimaat in de betrokken straat of buurt door de vestiging van een
                    nieuw horecabedrijf zou worden aangetast. Blijkens jurisprudentie acht de
                    Afdeling op zichzelf aannemelijk, dat aantasting van de woon- en leefsituatie
                    wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal
                    inrichtingen (in casu bordelen) in die gemeente. Volgens de Afdeling laat dat
                    echter onverlet, dat het bevoegd orgaan per inrichting dient aan te tonen of
                    aannemelijk te maken, dat en in hoeverre de aanwezigheid dan wel de wijze van
                    exploitatie van de betrokken inrichting de leef- en woonsituatie in de omgeving
                    op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt.</al><al>Een zelfde redenering geldt voor de wijze waarop de rechter oordeelt over de
                    weigering van een vergunning voor een horecabedrijf in het belang van de
                    openbare orde. De Afdeling heeft vaker bepaald, dat het als een openbare
                    ordebelang kan worden beschouwd dat het aantal te verlenen vergunningen kan
                    worden gemaximeerd; te denken valt bijvoorbeeld aan de beoordeling van het
                    gemeentelijk standplaats- en ventvergunningenbeleid. Volgens deze opvatting kan
                    het aantal te verlenen vergunningen worden beperkt tot een vastgesteld
                    maximumaantal, indien door een veelheid van horecabedrijven (in de straat of de
                    wijk) de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wèl dient in ieder afzonderlijk
                    geval te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo’n gevaar in
                    concreto daadwerkelijk sprake is.</al><al>Belangrijk hulpmiddel bij een dergelijk beleid kan een horecanota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk zijn, waarin gemotiveerd het maximum aantal te
                    verlenen vergunningen is vermeld of horecaconcentratie- en/of
                    horecastiltegebieden zijn aangewezen.</al><al>Ook een leefmilieuverordening op basis van de Wet op de stad- en
                    dorpsvernieuwing kan als hulpmiddel dienen, omdat daaruit het karakter van de
                    straat of de wijk blijkt. Uiteraard zal een dergelijk beleid moeten sporen met
                    het voor het betreffende gebied van kracht of in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplan. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een
                    aanvraag om een vergunning, indien verlening niet strookt met het op de
                    verordening gebaseerde beleid. Niettemin zal de burgemeester steeds moeten
                    nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op
                    dit beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met in
                    achtneming van de betrokken belangen te worden beoordeeld.</al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    al dan niet verdraagt met het woon- en leefklimaat en de openbare orde ter
                    plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast te
                    duchten is, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en
                    het karakter van de buurt zullen aantasten.</al><al>In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden
                    algemene regels gesteld voor datgene wat zich afspeelt in het horecabedrijf en
                    de directe omgeving daarvan. Daarnaast kunnen, indien deze algemene regels niet
                    voldoen, gelet op artikel 5 van dat Besluit in verband met voorschrift 4.1.4 uit
                    de bijlage bij dat Besluit nadere eisen worden gesteld voor:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting;</al></li><li nr="-"><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting of een terras;</al></li><li nr="-"><al>de situering van een terras;</al></li><li nr="-"><al>het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht
                            moeten worden genomen, bezoekers waar onder regels ten aanzien van aan-
                            en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers.</al></li></lijst><al>Voor een nadere toelichting op dit besluit wordt verwezen naar de toelichting op
                    artikel 4.1.1.</al><al>Krachtens artikel 1.4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de
                    exploitatievergunning. Denkbaar is dat die betrekking hebben op dezelfde
                    onderwerpen als hiervoor genoemd, indien daarmee wordt beoogd de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving te beschermen.</al><al>Vijfde lid</al><al>Hoewel in een vergunning voor een terras meestal ook de invloed op de openbare
                    ruimte wordt meegewogen, wordt de beslissing op grond van jurisprudentie van
                    eenvoud hier aan de burgemeester overgelaten i.p.v. het college.</al><al>Een aparte terrasvergunning of terrasbeleid voor een terras waar een activiteit
                    bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, plaatsvindt, zonder daarin het
                    horecabedrijf zelf te betrekken, is niet aan de orde gezien het gestelde in
                    artikel 2.3.1.1, tweede lid.</al><al>Zevende lid, Afbakening</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    zevende lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>Achtste lid: verplichte verklaring omtrent gedrag</al><al>Op basis van artikel 1.5 is de vergunning persoonsgebonden. Dat is bij deze
                    exploitatievergunning niet zonder reden. De persoon van de exploitant speelt een
                    belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze
                    exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die
                    reden kan het raadzaam zijn om de verplichting op te nemen voor de
                    vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag over te
                    leggen.</al><al>Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar
                    men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal
                    Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af. In het kader
                    van de Wet BIBOB, (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) is
                    het aan te raden dit artikellid op te nemen. Indien toepassing wordt gegeven aan
                    de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst zelf al het mogelijke
                    moeten doen om de integriteit en achtergrond van de vergunningaanvrager te
                    onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de verklaring omtrent het
                    gedrag zijn.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS
                            24-3-1997, AB 1997, 201, met noot van F.C.M.A. Michiels, GS 1997, 7058,
                            4 met noot van H.Ph.J.A.M. Hennekens, JG 97.0165, met noot van E.M.H.
                            Franssen.</al></li><li nr="-"><al>Aannemelijk dat de aantasting van de woon-en leefsituatie wordt
                            veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal
                            inrichtingen. ARRS 22 mei 1987, AB 1988, 240; ARRS 8-1-1988, AB 1988,
                            417; ABRS 24-1- 1995, GS 1995, 7011,3, JG 95.0200.</al></li><li nr="-"><al>Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het
                            beleid gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van
                            scholen of jongerencentra is terecht. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530,
                            JU 981013 (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015
                            (VNG-databank).</al></li><li nr="-"><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen
                            zijn aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven,
                            dient doelmatig gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG
                            98.0027 98.0027, Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.</al></li><li nr="-"><al>De WRO staat het opnemen van voorwaarden in de vergunning op grond van
                            de APV ter bescherming van het woon- en leefklimaat niet in de weg ABRS
                            24-04-2001, JG 01.0124 m.nt. A.L. Esveld, ABkort 2001, 330, MenR 2001,
                            143K.</al></li><li nr="-"><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend
                            erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste
                            lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het
                            toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                            behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de
                            burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover
                            deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                            college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS
                            05-06-2002, JG 02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS
                            13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269.</al></li><li nr="-"><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie
                            van een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband
                            met het belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van
                            bediening verbonden. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                            terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 niet
                            geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven
                            in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten
                            van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in
                            het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor
                            de woon en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
                            openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Door het opheffen van de vergunningplicht, kunnen in de gemeente gebieden worden
                    aangewezen waar zonder voorafgaande toestemming een horecabedrijf kan worden
                    geëxploiteerd. Bij wijze van ‘ondergrens’ geeft het tweede lid als rechtstreekse
                    norm dat de exploitatie van het horecabedrijf echter ook dan de woon- en
                    leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze
                    nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig met het oog op de naleving van de in het
                    tweede lid opgenomen norm, kan bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom
                    worden opgelegd (afdeling 5.3 resp. 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht).</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Het gevaar van "verboden delegatie" aan de burgemeester bestaat hier niet. De
                    Afdeling bestuursrechtspraak ziet in een besluit gebaseerd op dit artikel geen
                    algemeen verbindend voorschrift ABRS 23-11-1999, JB 2000, 23 m.nt. J.M.E. Derks,
                    Gst. 2000, 7112, 6 m.nt. HH.</al><al><vet>artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers
                            geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten
                            verblijven: op maandag tot en met zondag tussen 01.00 uur en 07.00
                            uur.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere
                            sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een
                            daartoe behorend terras.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer
                            gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                    overlast, het beschermen van het woon- en leefklimaat e.d. Deze bevoegdheid
                    houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de
                    zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad
                    niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te
                    stellen. Volgens HR 22 juli 1960 (AB 1961, blz. 15) belet dit artikel de raad
                    echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor de
                    sluitingsuur van cafés e.d., mits de grond voor de afwijking van de voor de
                    andere dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere karakter van de
                    zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de
                    gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van
                    verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al>Uitvoering?</al><al>Het onderscheid regelgeving-uitvoering heeft in het kader van de sluitingsuren
                    van inrichtingen aanleiding gegeven tot menige jurisprudentie van de afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september 1983, AB
                    1984, 245, m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de vraag
                    centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te verlenen
                    van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de bevoegdheidsafbakening
                    tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de gemeenteraad in het APV-artikel
                    in het geheel geen grenzen stelt aan de ontheffingsbevoegdheid van de
                    burgemeester. Noch uit de tekst van het APV-artikel, noch anderszins, blijkt dat
                    de ontheffing bij voorbeeld slechts in bijzondere omstandigheden c.q. in
                    incidentele gevallen door de burgemeester zou mogen worden verleend.</al><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56, eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling kan
                    daarom niet in zien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het verzoek
                    om ontheffing in te willigen.</al><al>Tweede lid</al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid daartoe een
                    voorschrift te verbinden aan de vergunning die aan de exploitant van de
                    desbetreffende inrichting zal worden verleend. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 van de APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo’n voorschrift is de verplichting een
                    bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te garanderen of het rustiger laten
                    verlopen van het sluitingsuur. Een portier kan in zo’n eis voorzien. Het is niet
                    mogelijk de aanwezigheid van een portier te eisen als invulling van de eis voor
                    een bepaald veiligheidsniveau of een rustig verloop van het sluitingsuur. De
                    wijze waarop aan de eis wordt voldaan, is een keuze van de exploitant. De
                    burgemeester geeft daarna aan of met een bepaalde keuze van de exploitant aan
                    zijn eis wordt voldaan. De eventuele aanwezigheid van een portier moet voldoen
                    aan de Wet beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid, kan de burgemeester desgewenst
                    beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Als beleidsregel kan de burgemeester bepalen dat
                    hij, bij het beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijk horecabedrijf
                    bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld,
                    per categorie horecabedrijven een bepaald beleid hanteert. Dat beleid kan
                    bijvoorbeeld inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria’s, broodjeszaken e.d.
                    als regel op een ander tijdstip (bijvoorbeeld één uur later) wordt vastgesteld
                    dan voor andere horecabedrijven, om cafébezoekers de mogelijkheid te bieden iets
                    te eten na de sluiting van hun café. Nu het hier een beleidsregel betreft, kan
                    de burgemeester daarvan in een concreet geval - gemotiveerd - afwijken (het een
                    cafetaria niet toestaan één uur later te sluiten dan cafés) indien dat volgens
                    hem noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en/of de woon- en
                    leefomgeving.</al><al>Derde lid</al><al>Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het Besluit horeca-,
                    sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer vallen. Aan een krachtens de wet
                    te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel
                    nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de
                    inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de
                    op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                    reikwijdte van de APV-bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven
                    ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het
                    in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad
                    is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt
                    beoogd dezelfde belangen te beschermen.</al><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip ‘bescherming van het milieu’ vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm.
                    Zie hiervoor ook de algemene toelichting bij deze paragraaf.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek
                            toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV.
                            Vz.ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993, 6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</al></li><li nr="-"><al>Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                            horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd
                            met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is
                            geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar
                            gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG
                            98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</al></li><li nr="-"><al>Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor
                            horecabedrijven. ABRS 08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr="-"><al>Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op
                            grond van de verordening en door de burgemeester voor het concrete
                            geval. Vz.ARRS 30-03-1993, JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts.</al></li><li nr="-"><al>Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                            burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245
                            m.nt. JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent
                            karakter hebben en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen
                            betreffen. ARRS 19-01-1984, AB 1984, 491 m.nt. JHvdV.</al></li><li nr="-"><al>De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend)
                            horecabedrijf opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het
                            horecabedrijf is geen besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb.
                            Openingstijden vloeien namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr.
                            AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij
                            ontheffing sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                            horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                            zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden,
                            te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere
                            dan de krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of
                            tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover geldt niet voor
                            zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                            van de Opiumwet.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Net als voor de in artikel 2.3.1.4, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt
                    artikel 174 Gemeentewet ook de grondslag voor de bevoegdheid om één of meer
                    horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te
                    sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in
                    het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die - anders dan bij de bevoegdheid bedoeld in artikel
                    2.3.1.4, tweede lid, die een individueel karakter heeft - zich niet alleen kan
                    uitstrekken tot één maar ook tot meerdere of zelfs tot alle in de gemeente
                    aanwezige horecabedrijven. Anderzijds beperkt de bevoegdheid zich, anders dan
                    bij die bedoeld in artikel 2.3.1.4, tweede lid, tot het tijdelijk vaststellen
                    van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</al><al>Tweede lid</al><al>Afbakening</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting. Hoewel de wetgever
                    er bij de invoering van de Wet ‘Damocles’ (artikel 13b van de Opiumwet dat op 21
                    april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen
                    (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het
                    onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door
                    middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in
                    dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is
                    bedoeld.</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                            sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling
                            op te nemen. ARRS 15-6-1984, AB 1985, 96, m.nt. J.H. van der Veen.</al></li><li nr="-"><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221
                            gemeentewet (oud). Vz ARRS, 26-8-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116, en
                            ABRS, 5 -7-1996, JG 96.0266.</al></li><li nr="-"><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig
                            zwaar. ABRS 23-5-1995, AB 1995, 475, m.nt. L.J.J. Rogier.</al></li><li nr="-"><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221
                            gemeentewet (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en
                            ABRS 05-07-1996, JG 96.0266.</al></li><li nr="-"><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het
                            nuloptiebeleid overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr="-"><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens
                            handel in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd).
                            Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in
                            harddrugs) is niet van belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015
                            (VNG-databank), ABRS 27-06-1997, R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank),
                            en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES.Terechte sluiting van twee
                            horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens
                            smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. Pres. Rb
                            Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al></li><li nr="-"><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                            strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG
                            97.0075. Sluiting is geen ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6
                            EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten
                            is dan ook niet strijdig met het ‘fair trial’-beginsel. ABRS 11-061998,
                            AB 1998, 297 m.nt. FM. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de
                            juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden
                            getoetst. Pres. Rb Breda, 27 januari 1998, JG 98.0096.</al></li><li nr="-"><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de
                            APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van
                            partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen
                            onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem 16 november 2001, LJN-nr.
                            AD5792.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit
                    bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5
                    genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al><al>Commentaar</al><al>De in de vorengenoemde artikelen opgenomen sluitingsbepalingen richten zich tot
                    de houder van de inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden gedurende
                    de tijden, die hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd. Artikel
                    2.3.1.6 richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting.
                    Indien deze zich met goedvinden van de houder in de inrichting bevindt gedurende
                    de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt hij artikel
                    2.3.1.6. Indien echter daarvoor de toestemming van de houder ontbreekt en de
                    bezoeker zich niet op diens eerste vordering verwijdert, overtreedt hij artikel
                    138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Beide artikelen zijn
                    naast elkaar bestaanbaar: artikel 2.3.1.6 strekt tot handhaving van een
                    publiekrechtelijke regeling, terwijl artikel 138 Wetboek van Strafrecht ziet op
                    de bescherming van de rechten die aan de eigendom verbonden zijn.</al><al><vet>artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</vet></al><al>(niet overgenomen)</al><al><vet>artikel 2.3.1.8 College als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de
                    zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op
                    als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met
                    2.3.1.5.</al><al>Commentaar</al><al>Het begrip ‘horecabedrijf’ als omschreven in artikel 2.3.1.1, eerste lid, ziet
                    ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2.3.1.1). Gelet
                    op artikel 174 Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college
                    het bevoegde bestuursorgaan.</al><al><vet>Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                        nachtverblijf</vet></al><al><vet>artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening
                            van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                            gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de
                            feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Inrichting</al><al>Het begrip ‘inrichting’ als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al>Houder</al><al>Houder in de zin van deze bepaling kan ook een rechtspersoon zijn, in welk geval
                    moet worden aangenomen dat de registratieplicht de directeur betreft: HR
                    14-6-1955, NJ 1956,38.</al><al><vet>artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een
                    inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk
                    kennis te geven aan de burgemeester.</al><al>Commentaar</al><al>artikel 2.3.2.2 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</al><al><vet>artikel 2.3.2.3 Nachtregister</vet></al><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel
                    438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het
                    door de burgemeester vastgestelde model.</al><al>Commentaar</al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Artikel 438
                    schrijft voor dat de houder van de inrichting:</al><lijst><li nr="-"><al>bij aankomst van een gast een geldig reisdocument of identiteitsbewijs
                            verlangt en daarvan aantekening maakt (eerste lid, onder 1e), en diens
                            naam, beroep of betrekking, woonplaats en dag van aankomst moet
                            aantekenen (eerste lid, onder 2e);</al></li><li nr="-"><al>bij vertrek van de gast de dag van vertrek aantekent (eerste lid, onder
                            2e);</al></li><li nr="-"><al>het register op aanvraag vertoont aan de burgemeester of een door deze
                            aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Tezamen hebben artikel 438 Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van deze
                    paragraaf primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of
                    aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te
                    vergemakkelijken. De in deze paragraaf opgenomen bepalingen kunnen eveneens een
                    ander oogmerk hebben: bijvoorbeeld, behalve de openbare orde, het vastleggen van
                    kwantitatieve gegevens over het recreatieve bezoek (om daarmee een
                    openluchtrecreatie- en toerismebeleid te kunnen voeren).</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Het nachtregister moet op aanvraag worden vertoond aan de burgemeester
                            of een door deze aangewezen ambtenaar. Tot aanwijzing als hier bedoeld
                            is de gemeenteraad niet bevoegd: HR 13-12-1897 (W. 7056).</al></li><li nr="-"><al>Het college van de gemeente Terschelling had terecht uitgesproken dat
                            het beschikken over gastenstatistieken ‘dienstbaar kan worden gemaakt
                            aan de bevordering van het toerisme binnen de gemeente’ en ‘kunnen die
                            voorschriften worden aangemerkt als betreffend de huishouding der
                            gemeente’. HR 13-12-1966, AB 1967, blz. 429</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is
                    verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid
                    zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking,
                    dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al><al>Commentaar</al><al>artikel 2.3.2.4 komt de houder van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de houder te
                    verstrekken.</al><al>Jurisprudentie</al><al>artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden
                    aangevuld. HR 10-4-1979, NJ 1979,442.</al><al><vet>Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al><vet>artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek
                            toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                            bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                            waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen
                            of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                            speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer
                                    van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en
                                    leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid.</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Het begrip ‘speelgelegenheid’ als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de echte kansspelen, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet
                    bevat echter geen regeling ten aanzien van spelen waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden.</al><al>Tweede en derde lid</al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2.3.3.1 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1.6 van de model APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al>Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester
                    bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder
                    vergunning ex artikel 2.3.3.1 APV, een illegaal casino dus. Er was een
                    vergunning, maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een
                    geconstateerde overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van
                    overtreding van artikel 2.3.3.1 van de APV. Daarna is geconstateerd dat in het
                    pand een illegaal casino werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat zonder
                    vergunning een speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat bestuursdwang kon
                    worden toegepast. Ook werd bepaald dat er geen sprake was van een besloten
                    bijeenkomst in verenigingsverband, omdat een ieder tegen betaling van een
                    betrekkelijk gering bedrag lid kon worden en mee kon spelen. Rb Maastricht
                    07-01-2003, nr 01/1750 en 01/1751 GEMWT I, LJN-nr. AF2782</al><al>Op 17 juli 2002 heeft de president van de rechtbank Arnhem in voorlopige
                    voorziening een uitspraak gedaan over de sluiting van een illegale
                    speelgelegenheid op basis van de APV van de gemeente Groesbeek. De gemeente
                    Groesbeek heeft een uitgebreide paragraaf opgenomen in de APV over
                    speelgelegenheden, waarin het vergunningensysteem veel verder is uitgewerkt dan
                    in de model APV. Er worden onder meer eisen aan de exploitant gesteld en er zijn
                    meer weigeringsgronden opgenomen. Er was tot nu toe nog geen rechterlijke
                    uitspraak over de verbindendheid van deze bepalingen. In deze uitspraak kwam
                    uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake was van een speelgelegenheid met
                    een besloten karakter. Dat er sprake was van een speelgelegenheid was niet in
                    discussie. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake was van een voor
                    het publiek toegankelijke inrichting en dat de burgemeester van de gemeente
                    Groesbeek de bevoegdheid had bestuursdwang toe te passen. Deze
                    voorzieningenrechter is dus kennelijk van mening dat de APV Groesbeek verbindend
                    moet worden geacht, hoewel er niet expliciet aandacht aan wordt besteed in de
                    uitspraak. Pres. Rb. Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840. Er is hoger
                    beroep ingesteld bij de Raad van State.</al><al>Internetgokzuilen</al><al>Inmiddels is er ook een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003 over
                    een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van State gaat
                    ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is van een
                    speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde zonder dat
                    zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is op grond van
                    artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.
                    ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb Arnhem, 11-03-2002, JG
                    02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt. Er zijn ook enkele uitspraken van de
                    strafrechter geweest waarin de exploitant van een internetgokzuil en een
                    exploitant van een inrichting waarin een internetgokzuil is geplaatst zijn
                    veroordeeld tot een boete.</al><al>Speelautomatenhallen</al><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een
                    speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening
                    wordt gehouden met de woon en leefsituatie. De VNG heeft een model
                    speelautomatenhallenverordening opgesteld.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van
                            speelgelegenheid, burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003,
                            200203981/1, LJN-nr AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J.
                            van der Reijt.</al></li><li nr="-"><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                            speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning.
                            Rb Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr.
                            AF2782.</al></li><li nr="-"><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een
                            gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter,
                            burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem
                            17-07-2002, 00/3094 en 00/3095 AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid
                            wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden
                            toegepast ogv APV Groesbeek. Rb Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr.
                            AE5840.</al></li><li nr="-"><al>Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                            bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem
                            17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al></li><li nr="-"><al>Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels
                            internetgokzuilen is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen,
                            17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr. AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer,
                            20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                    de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                    van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder d, van de Wet;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder
                            e, van de Wet.</al></li><li nr="3."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan,
                            waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="4."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met
                            dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                            toegestaan.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de
                    speelautomaten in werking getreden (weer gewijzigd per 1 november 2000). De
                    wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de
                    artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze
                    opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen.</al><al>Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal
                    uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen
                    een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de Kansspelen
                    d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Drank- en
                    Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen "inrichting" en
                    "horecalokaliteit" en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Het
                    CBB overweegt - in tegenstelling tot wat uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot
                    nu toe uit de jurisprudentie is gebleken - “dat er wel sprake is van een
                    materiële wijziging van de Wet” en niet slechts van een technische. Dit kan
                    verstrekkende consequenties hebben voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor
                    de wijze van formulering van besluiten.</al><al>Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een
                    wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van
                    een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze
                    horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige
                    betekenis kan worden toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en
                    Horecawet is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel
                    uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in
                    ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik
                    ter plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                    Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje jurisprudentie.
                    Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen,
                    zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren. Waar
                    precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige
                    activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval moeten
                    worden bekeken, gerelateerd aan de jurisprudentie. In welke omgeving de
                    horecalokaliteit ligt, is, in tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet
                    meer van belang. Ook een horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of
                    dorpshuis kan hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde
                    consequentie dat bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt
                    aangemerkt en een sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</al><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen in
                    een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf maakt
                    geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of de
                    horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café voornamelijk
                    gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus het CBB, los
                    van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht wordt door bezoekers
                    beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in de weg dat de lokaliteit
                    niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op bezoekers van boven de 18
                    jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB 17-07-2002, JG 02.0153 , m.nt. T.J.
                    van der Reijt)</al><al>Samengestelde inrichtingen</al><al>Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
                    een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet
                    bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de
                    openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval
                    is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de
                    horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                    kansspelautomaten te plaatsen.</al><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><lijst><li nr="a."><al>Bij één afgesloten ruimte. </al><lijst><li nr="1."><al>is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al></li><li nr="2."><al>staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al></li><li nr="3."><al>zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen
                                    ouder dan 18?</al></li><li nr="Is"><al>aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een
                                    hoogdrempelige inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn
                                    toegestaan. Is aan een van de eisen niet voldaan, dan is er
                                    sprake van een laagdrempelige inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Bij meerdere ruimten in een gebouw. </al><lijst><li nr="1."><al>is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het
                                    gebouw, dan wel van meerdere lokaliteiten waarin het
                                    horecabedrijf wordt uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte
                                    vormen binnen het gebouw?</al></li><li nr="2."><al>wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het
                                    geheel van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting
                                    vormen, voldaan aan de stappen onder A?</al></li><li nr="Is"><al>aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige
                                    inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                            Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting. </al><lijst><li nr="1."><al>worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al></li><li nr="2."><al>zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige
                                    inrichting.</al></li><li nr="3."><al>zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting
                                    mogelijk door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit?
                                    (artikel 30c lid 4 Wet op de Kansspelen).</al></li><li nr="4."><al>zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de
                                    zin van de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet
                                    toegestaan</al></li><li nr="5."><al>zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin
                                    van de Wet op de Kansspelen.</al></li></lijst></li></lijst><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal
                            op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart
                            is, vormt een laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474,
                            LJN-nr. AF7697.</al></li><li nr="-"><al>Een deur die slechts niet op slot mag vanwege
                            brandveiligheidsvoorschriften, maakt dat het mogelijk is via het eetcafé
                            de snackbar te betreden. Geen kansspelautomaten toegestaan. CBB
                            29-01-2003, AWB 02/697, LJN-nr. AF3782.</al></li><li nr="-"><al>De beslissing in een zogenaamd “feestcafé”-vergunning voor twee
                            kansspelautomaten onvoldoende gemotiveerd, omdat geen aandacht is
                            besteed aan de stelling dat er geen sprake meer was van exploitatie van
                            een disco. De motivering had betrekking dienen te hebben op de
                            feitelijke gang van zaken in de inrichting. Gemeente moet opnieuw
                            besluiten. CBB 29-01-2003, AWB 02/969, LJN-nr. AF3780.</al></li><li nr="-"><al>Een inrichting die zich als lunchcafé afficheert, gelegen is bij een
                            markt en een sterk accent legt op kleine etenswaren, hetgeen ook uit de
                            omzetcijfers blijkt, is laagdrempelig. CBB 22-01-2003, AWB 02/1277,
                            LJN-nr. AF 4096.</al></li><li nr="-"><al>Hotellobby, waarin zich bar, eetgelegenheid en hotelreceptie bevindt, is
                            laagdrempelig, want de hotelreceptie trekt zelfstandige stroom
                            bezoekers. Ook het feit dat hotelgasten door een verbindingsdeur met een
                            pasje naar de kamers kunnen, maakt de ruimte laagdrempelig. Vz. CBB
                            31-12-2002, AWB 02/1501, 02/1702, LJN-nr AF3234.</al></li><li nr="-"><al>Bar/foyer in multifunctioneel vergadercentrum laagdrempelig, omdat het
                            publiek van buitenaf de zalen kan bereiken. Geen samengestelde
                            inrichting. CBB 23-12-2002, AWB 02/838, LJN-nr. AF3251.</al></li><li nr="-"><al>Inrichting met restaurant met snackbar laagdrempelig, en
                            restaurantgedeelte niet als hoogdrempelig aan te merken, omdat er één
                            Drank- en Horecavergunning is, het personeel vanuit dezelfde ruimte
                            beide gedeelten bedient en de toiletten (die ook bestemd zijn voor
                            bezoekers van de snackbar met bijbehorend terras) slechts te bereiken
                            zijn via het restaurantgedeelte. CBB 20-12-2002, AWB 02/1523, LJN-nr.
                            AF3248.</al></li><li nr="-"><al>Eetcafé dat zich hoofdzakelijk richt op het winkelend publiek en
                            openingstijden die gelijklopen met winkelcentrum en waar overdag
                            voornamelijk koffie, thee, fris, kleine gerechten en lunches worden
                            geserveerd is laagdrempelig. CBB 20-12-2002, AWB 02/1493, LJN-nr.
                            AF3245.</al></li><li nr="-"><al>Eetcafé met kleine kaart naast driecomponentenmaaltijden tot 17.00 uur
                            laagdrempelig in zin van de Wet op de Kansspelen, Vz.CBB 23-10-2002,
                            AWB02/1647, LJN-nr. AF1167.</al></li><li nr="-"><al>Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten kan slechts
                            worden verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van
                            een een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan
                            wel inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfsschap Horeca en
                            Catering. CBB 9 oktober 2002 AWB 01/963, 01/964, 01/ 965. LJN-nr.
                            AF0354.</al></li><li nr="-"><al>Gebiedsaanwijzing in speelautomatenhallenverordening toegestaan, ook als
                            eigenlijk al bekend was aan wie de vergunning zou worden verleend. CBB
                            04-10-2002, AWB 02/414, LJN-nr. AF0388.</al></li><li nr="-"><al>Inrichting waar floorshows en stripteaseshows worden gegeven
                            laagdrempelig en seksinrichting laagdrempelig. CBB 18-09-2002, AWB
                            02/559, LJN-nr. AF1844 en CBB 19-06-2002, AWB02/25, LJN-nr. AE6041.</al></li><li nr="-"><al>Omzetpercentage van kleine etenswaren in een eetcafé op zichzelf niet
                            bepalend voor de vraag of er sprake is van een zelfstandige stroom
                            bezoekers. Meer van belang is de combinatie van het aanbod en de
                            ligging, namelijk in een winkelcentrum. CBB 21-08-2002, AWB02/84,
                            LJN-nr. AE7051.</al></li><li nr="-"><al>Weigering van aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in
                            café is in strijd met motiveringsbeginsel. CBB 26-07-2002, AWB01/536,
                            LJN-nr. AE7541.</al></li><li nr="-"><al>Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002,
                            AWB01/822, JG 02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE 7540.</al></li><li nr="-"><al>Bowlingbaan niet gescheiden van bargedeelte. Hoewel de
                            bowlingactiviteiten slechts 20% van de omzet genereert, is er toch
                            sprake van een zelfstandige stroom van bezoekers. CBB 10-07-2002, AWB
                            02/300, LJN-nr. AE6038.</al></li><li nr="-"><al>Café bij supermarkt niet per definitie laagdrempelig. Voor beantwoording
                            van de vraag of van hoog- dan wel laagdrempelige inrichting sprake is,
                            is beslissend de wijze waarop de inrichting feitelijk op basis van de
                            verleende vergunningen functioneert en geëxploiteerd wordt. CBB 19-06-
                            2002, AWB02/236, LJN-nr. AE6040.</al></li><li nr="-"><al>Deur die fungeert als nooduitgang voor het publiek tussen hoogdrempelig
                            (café) en laagdrempelig (kegelbaan) gedeelte van dezelfde inrichting,
                            met ieder hun eigen ingang, maakt dat de kegelbaan door het publiek kán
                            worden bereikt via de ingang van het café. Daarom geen kansspelautomaten
                            toegestaan. CBB 01-03-2002, AWB01/399 29010, JG 02.0070 m.nt. T.J. van
                            der Reijt, LJN-nr. AE0468.</al></li><li nr="-"><al>Geen sprake van afzonderlijke horecalokaliteit in een inrichting met een
                            afhaalgedeelte en een café verbonden via een gemeenschappelijke bar
                            waarachter het personeel beide gedeelten van de inrichting kan bedienen.
                            Eén horecalokaliteit met meerdere activiteiten, kansspelautomaten niet
                            toegestaan. CBB 22-02-2002, AWB01/903 29011, JG 02.0068 , m.nt. T.J. van
                            der Reijt, LJN-nr. AD9635.</al></li><li nr="-"><al>Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en
                            zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke
                            horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB
                            15-02-2002, AWB01/482 29010, JG 02.0069 m.nt. T.J. van der Reijt,
                            LJN-nr. AD9977.</al></li><li nr="-"><al>Dorpshuis is niet in zijn geheel aan te merken als - laagdrempelige -
                            inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. In ieder geval behoren
                            de was- en kleedruimten, gezien de definitie conform de Drank- en
                            Horecawet per 1 november 2000, niet tot de inrichting. CBB 13-02-2002,
                            AWB01/616, JG 02.0065 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9636.</al></li><li nr="-"><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen.
                            Aanwezigheid van een voor het publiek toegankelijke deur tussen snackbar
                            en café. In het geval er slechts één deur is vanaf de openbare weg naar
                            de snackbar, waarna kan worden doorgelopen naar het café, is dat niet
                            voldoende motivering om een vergunning kansspelautomaten te weigeren.
                            CBB 13-02-2002, AWB01/668, JG 02.0066 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr.
                            AD9630.</al></li><li nr="-"><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Van
                            belang is of het publiek gebruik kán maken van de deur aan de openbare
                            weg van het café/restaurant om de overige - laagdrempelige - ruimten in
                            de inrichting te bezoeken. Nabijheid camping niet van doorslaggevende
                            betekenis bij vraag of kansspelautomaten zijn toegestaan. CBB13-02-2002,
                            AWB01/582 29010, JG 02.0067 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr.
                            AD9589.</al></li><li nr="-"><al>Nachtbar/dancing is laagdrempelig. CBB 13-08-2001, AWB 01/537 29010, JG
                            01.0180 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Seksclub niet hoogdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/347 29010, JG
                            01.0156 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Salsaclub is laagdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/378 29010, JG 01.0181
                            , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Het bieden van de mogelijkheid tot het afhalen van eten vormt
                            laagdrempelige activiteiten die een zelfstandige betekenis hebben.
                            Broodjes, broodjes shoarma en soepen zijn niet als volledige maaltijd
                            aan te merken. CBB 15-11-2000, AWB 00/73 29010, JG 01.0125 , m.nt. A. L.
                            Esveld.- Het niet tijdens de gehele openingstijd serveren van maaltijden
                            die voldoen aan de definitie van het begrip maaltijd, maakt een
                            inrichting laagdrempelig. CBB 08-03-2000, AWB 99/715 29010, JG 00.0083 ,
                            m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Exploitant speelautomaten is geen, exploitant horeca-inrichting is wel
                            belanghebbende ex artikel 1:2 Awb. CBB 09-02-2000, AWB 99/550 29010, JG
                            00.0158 , m.nt. A. L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Het koppelen van de openingstijden van een inrichting aan die van een
                            supermarkt is mede een reden om die inrichting als laagdrempelig te
                            beschouwen. CBB 13-01-2000, AWB 99/43 29010, JG 00.0104, m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat coffeeshophouders personen onder de 18 jaar niet
                            tot hun inrichting mogen toelaten maakt de kwalificatie van een
                            coffeeshop als laagdrempelig niet zinledig. CBB 13-01-2000, AWB 98/1162
                            29010, JG 00.0132 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr="-"><al>Niet ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca, derhalve ontbreekt
                            wettelijke grondslag voor vergunning voor de aanwezigheid van
                            kansspelautomaten. CBB 11-03-99, AWB 98/732 29000, JG 00.0045 , m.nt.
                            A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al><vet>artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning,
                            een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat
                            lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek
                            toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning
                            of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde
                            verboden ontheffing te verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken
                    een strafbepaling overeenkomstig het eerste lid van artikel 2.4.1 op te nemen,
                    waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al>Vóór 2002 was het huidige artikel 2.4.1 genummerd als 2.4.1a. Artikel 2.4.1
                    (oud) over kraken van gebouwen is al eerder geschrapt wegens strijd met hogere
                    regelgeving.</al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid van artikel 2.4.1 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang
                    indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een
                    middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd
                    of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zie verder onder toelichting eerste
                    lid.</al><al>Derde lid</al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2.4.1
                    toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al>Vierde lid</al><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke
                    lokalen staat op de website van het Steun- en Informatiepunt Drugs en Veiligheid
                    (SIDV): www.sidv.nl .</al><al><vet>artikel 2.4.2 Plakken en kladden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf
                            de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op
                            de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg
                            zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding,
                                    aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te
                                    brengen of te doen aanbrengen.</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                            gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken
                            voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op
                            de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is
                            verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering
                            terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al>Tweede lid</al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed kan worden aangemerkt als
                    een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen
                    zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde
                    behoefte kan voorzien.</al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2.4.2 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik eens anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat ‘plakken’ slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerend goed
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>artikel 2.4.2 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2.4.2 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al>Vierde lid</al><al>Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet voor het
                    aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden
                    en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels. Uit het arrest van
                    de Hoge Raad van 17 oktober 1989 (NJ 1990, 222) blijkt dat pas wanneer op grond
                    van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden dat rechthebbenden op
                    zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met aanplakking dat in feite geen
                    mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van dit middel tot verspreiding
                    aanwezig is, van de gemeenten een min of meer voorwaardenscheppend beleid
                    gevraagd wordt zodat aan het criterium ‘dat gebruik van enige betekenis moet
                    overblijven’, ook feitelijk inhoud kan worden gegeven. Het hangt af van de
                    bijzondere plaatselijke omstandigheden of er nog gesproken kan worden van
                    gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht moeten worden, aldus
                    de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993, 534.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen
                            ten behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek
                            om toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen.
                            Betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30-12-1993, JG
                            94.0194, m.nt. J.M. van den Bosch-van Os, AB 1994, 578 m.nt R.M. van
                            Male.</al></li><li nr="-"><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een een andere
                            wijze van aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als
                            bedoeld in de APV. Vz ARRS 13-12-1992, JG 93.0261, GS (1993) 6965,3 m.nt
                            E. Brederveld.</al></li></lijst><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al>Er waren geen of niet voldoende ‘wildplakplaatsen’. In APV opgenomen plakverbod
                    is onverbindend wegens strijd met artikel 7, lid 1, Grondwet (vrijheid van
                    meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter zake van ‘wild
                    plakken’. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente
                    is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam 07-10-1993.Ter zake van een
                    bepaling van de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud als artikel
                    2.4.2 oordeelde de Hoge Raad dat ‘niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge
                    van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het
                    onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven’. De
                    bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze
                    ‘prescribed by law’ is en ‘necessary in a democratic society (...) for the
                    prevention of disorder’ en ‘protection of the (...) rights of others’. HR
                    01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                    noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169 m.nt. M.
                    Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer
                    en A.E. Schilder.</al><al>Doen plakken of doen aanbrengen</al><al>Betreft artikel 122, van de APV Utrecht, waarin ook het ‘doen’ plakken was
                    opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd tot
                    voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en tot het
                    verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg om ‘doen’
                    aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van
                    Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van
                    opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr.
                    AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas.</al><al>Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal
                    plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip ‘doen aanbrengen’ als
                    bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene een derde of derden
                    opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten of anderszins
                    actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor
                    het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van
                    aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                    onvoldoende. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen. De
                    vraag is of Loesje als ‘doen’-plakker’ in de zin van de APV verantwoordelijk kan
                    worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft
                    gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts
                    op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen
                    gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan
                    het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een
                    disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op
                    plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb.
                    Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977.</al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische in
                    kennisstelling al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten
                    tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren aan een
                    plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij
                    de door haar ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de
                    betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters moest
                    bewerkstelligen te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624.</al><al>Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde met
                    uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid van
                    artikel 6:171 BW dat voor Podium een risico-aansprakelijkheid vestigt voor
                    onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat maar die
                    ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder
                    dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte
                    de Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te wijten.
                    De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van illegaal
                    geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op Podium. Rb. Zwolle,
                    sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025 m.nt. E.H.J. de Bruin.</al><al><vet>artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar
                            water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet,
                            aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien genoemde materialen of
                            gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen
                            als verboden in artikel 2.4.2.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te
                    worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen
                    en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke ingevolge
                    de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond oplevert. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is zij evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch
                    met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht. Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en
                    het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden en/of verkregen
                    indrukken na te gaan of al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in
                    het eerste lid..</al><al><vet>artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of
                            bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of
                            enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich
                            onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                            onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel
                            van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de
                            in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn
                            gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                            handelingen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR
                    7-6-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989 NJ 1989.687 (Apv
                    Nijmegen)</al><al><vet>artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden
                            in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                            plantsoenen of groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen
                            wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden
                            te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden
                            redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                            onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                            wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Ingevolge het vierde lid moet in deze bepaling onder ‘weg’ worden
                    verstaan: weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Bermen, glooiingen en
                    zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer
                    op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar
                    worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is
                    de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere
                    belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de
                    wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft
                    slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden,
                    terwijl als ‘voertuig’ in de zin van deze verordening de zogenaamde kleine
                    voertuigen niet worden aangemerkt. Zie de in artikel 1.1 opgenomen
                    begripsomschrijving. De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn
                    voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die
                    beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten.
                    Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt
                    betreden. Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met
                    rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel
                    uitmakende groenstroken wordt geregeld in hoofdstuk 5, afdeling 1,
                    Parkeerexcessen, artikel 5.1.10.</al><al><vet>artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                    monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                    voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en
                                    daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                    of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                    overlast of hinder veroorzaakt wordt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht,
                            of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op basis van artikel 2.4.7 (en artikel 2.4.9) kan tegen vormen van onnodige
                    hinder of overlast worden opgetreden. Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt
                    reeds ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van
                    anderen op de openbare weg met straf bedreigt.</al><al>artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men
                    kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan
                    hetgeen men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden is zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 2.4.7. gaat verder dan
                    het begrip weg, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de
                    toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op
                    de weg, als omschreven in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2.4.7.
                    niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis
                    WvSr. HR 26-2-1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven)</al><al><vet>artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college
                            aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                            flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet toestemming
                    is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende
                    drank te verstrekken.</al><al>Omvang gebied</al><al>Er kan slechts een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet
                    mogelijk het grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Dit zou de
                    verordenende bevoegdheid te boven gaan. Er dient namelijk wel een aanleiding te
                    zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Er dient gerechtvaardigde vrees
                    te bestaan voor aantasting van de openbare orde, of reeds sprake te zijn geweest
                    van aantasting van de openbare orde. Dit kan nooit het geval zijn voor het
                    gehele grondgebied van de gemeente. Het kan bijvoorbeeld gaan om het
                    uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast van
                    deze aard veroorzaakt wordt.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de jongelui in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden.</al><al>In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag
                    worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter
                    mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Wanneer echter toch andere plaatsen
                    als pleisterplaatsen worden uitverkoren dan kunnen het college alsnog ook voor
                    die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.</al><al>Verstoring openbare orde</al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, kunnen op grond van de
                    artikelen 2 en 12 Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.
                    Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 Wetboek van
                    Strafrecht.</al><al>Voorts zal in een aantal gevallen (als bij voorbeeld wordt geconstateerd dat
                    flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424
                    van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze
                    wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom
                    behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd dit artikel, waardoor optreden in wat
                    men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen
                    – mogelijk wordt. Het gaat om het verbieden van bij zich hebben van geopende
                    flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van
                    de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes
                    alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</al><al><vet>artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te
                                    zitten of te liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                            appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen,
                            die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel
                            te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van
                            zo’n gebouw.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.7
                    Hinderlijk gedrag op of aan de weg.</al><al><vet>artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                        ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze
                    op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
                    wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of
                    een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                    verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende
                    ruimte is bestemd.</al><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Desgewenst kan deze reeks van
                    voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende element ten slotte
                    wordt door de zinsnede ‘zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke
                    wijze’ in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. In de circulaire van de VNG van
                    4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt ingegaan op deze bepaling.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR
                            12-6-1951, NJ 1951, 618</al></li><li nr="-"><al>Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                            station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1
                            Wetboek van Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor
                            de rechten van de mens (ECRM), HR 2-4-1985, NJ 1985, 796 (Algemeen
                            reglement vervoer NS) De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV
                            Amsterdam is verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd, HR
                            01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV Amsterdam).</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te
                    laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw
                    dan wel in de ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker
                            van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="2."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast. Het neerzetten van fietsen, snorfietsen en bromfietsen tegen panden
                    die niet door de eigenaren van wie voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar
                    deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot
                    klachten. Artikel 2.4.11 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al><vet>artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en
                    plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of
                    de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
                    bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod
                    kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><al>Commentaar</al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. In het eerste lid is een verbod opgenomen om de fiets, snorfiets of de
                    bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als
                    dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen,
                    snorfietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de
                    mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen
                    sneuvelen.</al><al>Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar
                    gemaakt.</al><al><vet>artikel 2.4.13 Bespieden van personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een
                            gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling
                            deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit
                            woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw,
                            woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden; de politie zal in het algemeen pas optreden, indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met de artikelen 139a, 374bis en 441a Wetboek van
                    Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als aanvulling op de
                    sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van Strafrecht inzake
                    stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op eens anders
                    levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden dan
                    wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</al><al><vet>artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>artikel 2.4.16 Alarminstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een
                            onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een
                            voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en
                            recherchebureaus.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op het gebied van inbraaksignaleringssystemen (alarminstallaties) is de Wet
                    particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de Regeling BORG
                    1.1., een regeling voor het kwaliteitstoezicht, tot stand gekomen. De Regeling
                    BORG 1.1. is een van de certificeringsregelingen die wordt uitgevoerd door het
                    Nationaal Centrum voor Preventie. In het kader van de bij de Regeling
                    gehanteerde voorschriften wordt niet meer verlangd dat alarminstallaties worden
                    voorzien van een luidalarminstallatie aan de buitenzijde van het beveiligde
                    gebouw, maar juist dat ze worden voorzien van ‘stil alarm’ dat de alarmmelding
                    doorgeeft aan een Particuliere Alarm Centrale (PAC). De verplichting tot het
                    aanbrengen van een optisch alarm, bijvoorbeeld een flitslicht aan de gevel, is
                    ongewijzigd gebleven. Tevens is het mogelijk om binnen het beveiligde gebouw een
                    luidalarm aan te brengen.</al><al>In de hiervoor genoemde wet is, ter vermindering van het aantal nodeloze
                    alarmeringen, geregeld dat een signaal van een alarminstallatie slechts mag
                    worden doorgemeld aan de politie indien de PAC zich er van heeft overtuigd dat
                    het signaal afkomstig is van een alarminstallatie die is aangelegd door een
                    deskundig installateur, opgebouwd uit kwalitatief goede (gecertificeerde)
                    componenten en door deskundig onderhoud in goede staat wordt gehouden. In dit
                    opzicht zijn de wet en de BORG regeling op elkaar afgestemd; een certificaat of
                    verklaring van een gecertificeerd BORG-beveiligingsbedrijf geeft aan dat aan het
                    vereiste in de wet is voldaan.</al><al>Op grond van de tot standkoming van de BORG regeling en de Wet particuliere
                    beveiligingsorganisaties en recherchebureaus is een regeling in een APV ten
                    behoeve van luidalarminstallaties niet meer nodig. De APV bepaling behoudt
                    echter nog wel haar gelding voor bestaande luidalarminstallaties. Naast de
                    alarminstallaties van (deskundige) gecertificeerde installateurs is er nog een
                    andere categorie alarminstallaties. Dit zijn de installaties die zelf worden
                    vervaardigd uit de componenten die in veel bouwmarkten worden verkocht en die
                    niet aan bepaalde kwaliteitseisen behoeven te voldoen. Volgens voornoemde wet
                    mogen de signalen van dergelijke alarminstallaties niet door een PAC aan de
                    politie worden doorgegeven. Mede om die reden zullen deze installaties over het
                    algemeen minder vaak zijn aangesloten op een PAC. Ze kunnen wel voorzien zijn
                    van een doormelding aan een bepaald adres, bijvoorbeeld de buren. De voornoemde
                    wet en de daarop gebaseerde regelingen en circulaires maken een artikel 2.4.16.
                    niet overbodig. Artikel 2.4.16. blijft vooralsnog nodig voor bestaande
                    luidalarminstallaties en voor zelfaangelegde nieuwe alarminstallaties.</al><al>Model vergunningsvoorschriften met toelichting bij artikel 2.4.16 Model APV
                    inzake de beperking van overlast door luidalarminstallaties.</al><al>artikel 1</al><al>Een alarminstallatie dient te voldoen aan de Voorschriften voor
                    inbraaksignaleringssystemen van het Nationaal Centrum voor Preventie te
                    Bilthoven.</al><al>Toelichting</al><al>Door het Nationaal Centrum voor Preventie wordt kwaliteitstoezicht uitgeoefend
                    door het uitvoeren van de Regeling BORG 1.1. op grond waarvan technische
                    beveiligingsbedrijven worden gecertificeerd. In de Voorschriften wordt een
                    luidalarm installatie niet meer toegestaan, zodat deze alleen nog kan voorkomen
                    bij bestaande installaties. Om overlast zo veel mogelijk te voorkomen wordt
                    aanbevolen om de luidalarminstallaties te vervangen door stil alarm. Dit wil
                    zeggen dat een automatische telefoonkiezer (ATK) conform de Voorschriften wordt
                    aangebracht, die een doormelding kan verzorgen naar een permanent bezette post
                    van waaruit actie kan worden ondernomen. Een lijst van BORG gecertificeerde
                    beveiligingsbedrijven is te verkrijgen bij het Nationaal Centrum voor Preventie
                    te Bilthoven, tel. 030 2296000.</al><al>artikel 2</al><al>De goede werking van de alarminstallatie dient te worden zeker gesteld door
                    tenminste eenmaal per jaar een onderhoudscontrole aan de alarminstallatie te
                    laten plaatsvinden door een BORG gecertificeerd technisch beveiligingsbedrijf.
                    De vergunninghouder moet dit kunnen aantonen door het overleggen van het
                    opgestelde onderhoudsrapport.</al><al>Toelichting</al><al>Nodeloos alarmeren is vaak het gevolg van slecht onderhoud van de apparatuur.
                    Het is daarom van belang regelmatig deskundig onderhoud te laten verrichten.
                    Technische gebreken of slijtage kunnen dan naar verwachting tijdig worden
                    verholpen.</al><al>artikel 3</al><al>Het voorwerp tot het voortbrengen van geluid of lichtsignaal stopt, nadat het
                    maximaal drie minuten heeft gewerkt, automatisch. Het alarm mag geen repeterend
                    karakter hebben.</al><al>Toelichting</al><al>Doel van het luid alarm is vooral het doen afschrikken van de inbreker of
                    overvaller. Het is niet aannemelijk dat een langere tijdsduur van het alarm de
                    effectiviteit daarvan vergroot.</al><al>Het waarschuwen van omwonenden en de politie door middel van het luid alarm
                    wordt vaak van minder betekenis beschouwd. Desondanks kan er bij de
                    gemeentebesturen behoefte bestaan de in het voorschrift genoemde drie
                    minutentermijn te variëren al naar gelang van de situering van het beveiligde
                    pand (bijvoorbeeld binnen of buiten de bebouwde kom). Waar luid alarm minder
                    overlast veroorzaakt, kan een langere alarmeringsduur niet zonder betekenis
                    zijn.</al><al>Verschillende alarminstallaties kunnen zichzelf ‘resetten’. In dat geval geeft
                    de alarminstallatie bijvoorbeeld een inbraak een eenmalig alarm van een bepaalde
                    korte tijdsduur. Daarna schakelt het apparaat zichzelf uit en maakt zichzelf
                    weer gereed voor een nieuw alarm indien er opnieuw wordt ingebroken. Dit
                    voorschrift verhindert niet dat alarminstallaties met een ‘reset’ mogelijkheid
                    worden geïnstalleerd. De vergunningaanvrager dient op zijn aanvraagformulier wel
                    te vermelden dat het om zulk een installatie gaat.</al><al>artikel 4</al><al>Het door de alarminstallatie voortgebrachte alarmsignaal dient voor de omgeving
                    zo weinig mogelijk overlast te veroorzaken. Het door de alarminstallatie
                    voortgebrachte alarmsignaal mag in ieder geval het geluidsniveau van 100 dB(A),
                    gemeten op een afstand van 1 meter van het signaal gevende object, niet
                    overschrijden.</al><al>Toelichting</al><al>Enige overlast door het in werking treden van alarmeringsapparatuur zal niet
                    kunnen worden voorkomen. Deze overlast zal echter binnen aanvaardbare grenzen
                    moeten blijven. De tijdsduur van de alarmering kan hiertoe reeds bijdragen.</al><al>Tevens is het mogelijk het geluidsniveau van alarmeringsapparatuur te beperken.
                    Als richtgetal is een maximum dB(A) van bijvoorbeeld 100, gemeten op een afstand
                    van 1 meter van de signaalgever, opgenomen. Wanneer een alarminstallatie ondanks
                    alle daaraan bestede zorgen veelvuldig nodeloos alarm slaat, kan dit op basis
                    van dit voorschrift leiden tot intrekking van de verleende vergunning. Zie ook
                    de toelichting bij voorschrift 8.</al><al>artikel 5</al><al>De houder van de vergunning draagt er zorg voor, dat de politie over ten minste
                    twee adressen beschikt van personen, die bij afwezigheid van de eigenaar of
                    gebruiker van het met een luidalarminstallatie beveiligd pand, ter plaatse
                    kunnen komen, beschikken over de sleutels van het pand en overweg kunnen met de
                    alarminstallatie.</al><al>Toelichting</al><al>Het spreekt vanzelf dat deze mensen zo dicht mogelijk bij het beveiligde pand
                    wonen, steeds bereikbaar zijn en op de hoogte zijn met de werking van de
                    alarminstallatie. Zo snel mogelijk moet vastgesteld kunnen worden of het om een
                    echt of nodeloos alarm gaat.</al><al>Op deze wijze gaat er zo min mogelijk surveillancetijd van de politie verloren.
                    In dit modelvoorschrift is uitgegaan van twee sleuteladressen. Van belang is de
                    actualiteit van de adressen.</al><al>artikel 6</al><al>De houder van de vergunning dient toe te staan dat deskundigen die door of
                    vanwege het college is aangewezen, een onderzoek instellen naar de
                    deugdelijkheid van de installatie. Dit onderzoek geschiedt op kosten van de
                    houder van de vergunning.</al><al>Toelichting</al><al>Bij het herhaald optreden van nodeloos alarm kunnen door het college aangewezen
                    deskundigen van een voor dergelijke werkzaamheden geaccrediteerd
                    inspectie-instelling de alarminstallatie onderzoeken op kosten van de
                    vergunninghouder.</al><al>artikel 7</al><al>Deze vergunning vervalt binnen vijf jaren na de datum van afgifte.</al><al>Toelichting</al><al>Alarminstallaties hebben een gemiddelde levensduur van ongeveer 10 jaar. De
                    beperking van de geldigheidsduur van de vergunning tot vijf jaren lijkt dan ook
                    aanvaardbaar.</al><al>artikel 8</al><al>Indien de houder van de vergunning geen gebruik (meer) maakt van de hem
                    verleende vergunning, dient hij dit onverwijld aan het college mede te
                    delen.</al><al>Toelichting</al><al>Het is uit oogpunt van doelmatige controle op geïnstalleerde alarminstallaties
                    gewenst dat het gemeentebestuur en de politie zo spoedig mogelijk worden
                    geïnformeerd als een vergunninghouder van zijn vergunning geen gebruik (meer)
                    maakt. De vergunning kan dan worden ingetrokken.</al><al><vet>artikel 2.4.17 Loslopende honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                            verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                                    identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                    kennen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich
                            vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond
                            als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                            houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                            geleidehond.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet op het door het college nader aan te wijzen
                            plaatsen;</al></li><li nr="4."><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid onder c geldt niet voor honden
                            ten aanzien waarvoor geen hondenbelasting verschuldigd is aan de
                            gemeente Uithoorn.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>artikel 2.4.17 beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg
                    (door de omschrijving van het begrip ‘weg’ vallen hieronder ook parken en
                    plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen
                    e.d.</al><al>Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="-"><al>het bestrijden van verontreiniging (bij voorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al>artikel 2.4.17 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich
                    echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen
                    een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder
                    andere de eigenaren van blinde geleidehonden. In de lijn van reeds bestaande
                    jurisprudentie is voor deze situatie in het tweede lid een voorziening
                    getroffen.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 Gemeentewet (bestuursdwang) de honden
                    gevangen worden genomen en worden overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is. Men zal daarbij artikel 4 Wet op de dierenbescherming, analoog
                    kunnen toepassen. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van politie de
                    bevoegdheid honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf
                    van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede van
                    artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten
                    van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende 14 dagen na
                    de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende
                    honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming. De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende
                    honden en katten wordt in twee opzichten beperkt:</al><lijst><li nr="-"><al>de hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven
                            of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst
                            is;</al></li><li nr="-"><al>geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste
                            staan;</al></li><li nr="-"><al>de bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie
                            en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren
                            van politie.</al></li></lijst><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de
                    eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier
                    slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een
                    ‘gevonden dier’. Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn
                    uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van
                    loslopende honden in het geheel niet regelen.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-7-1993, JG
                    94.0055, AB 1994. 454.</al><al><vet>artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die
                            hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: </al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd
                                    voor het verkeer van fietsers en/of voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde
                            gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg
                            voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid is de eigenaar of
                            houder van een hond verplicht een doeltreffend hulpmiddel ter
                            onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen bij zich te
                            hebben. Dit geldt niet voor zover eerdergenoemde personen zich bevinden
                            op een door het college aangewezen plaats waar niet de verplichting
                            bestaat uitwerpselen onmiddellijk te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar van een hond is verplicht ervoor zorg te dragen dat die hond
                            niet urineert op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide dan wel op
                            een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine-parvo-virus verspreid. De strafbaarheid
                    wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden verwijderd. in de handel,
                    een speciaal schepje, waarmede in een handomdraai uitwerpselen opgenomen kunnen
                    worden. Het gebruik van zo’n schepje zou gepropageerd kunnen worden. Al zal de
                    handhaving (betrapping op heterdaad) moeilijkheden opleveren, men mag hopen dat
                    er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan ter inperking
                    van het onfatsoen van hondenbezitters. Overtreding van het
                    verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde
                    verontreinigingsdelicten, welke vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><al>Naast de uitwerpselen van een hond levert ook het plassen door honden bij
                    kinderspeelplaatsen problemen op. Hondenbezitters dienen op grond van het vierde
                    lid ervoor te zorgen dat de hond op die plaatsen niet plast.</al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS 13-12-1996, JG
                    97.0050.</al><al><vet>artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                            verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een
                            ander: </al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of
                                    de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of
                                    hinderlijk acht en zij een aanlijngebod in verband met het
                                    gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat
                                    het college de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het
                                    die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en
                                    muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond
                                    noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking op het eerste lid van artikel 2.4.17, aanhef en onder c,
                            geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet
                            zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar
                            identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand.</al></li><li nr="3."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                    Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Regeling agressieve dieren.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Enige jaren geleden ontstond verontrusting over agressief gedrag van bepaalde
                    honden, met name van pitbullterriërs. Er deden zich incidenten voor waarbij
                    honden aanzienlijk letsel toebrachten aan mens of dier. Naar aanleiding hiervan
                    is door de toenmalige minister van landbouw, natuurbeheer en visserij de
                    Commissie van agressief gedrag bij honden ingesteld. De commissie
                    inventariseerde de problematiek en maakte onderscheid tussen drie categorieën
                    van gevaarlijke honden:</al><lijst><li nr="1."><al>Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken
                            (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot
                            deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër.</al></li><li nr="2."><al>Gebruikshonden, dat wil zeggen honden, die geheel of gedeeltelijk zijn
                            opgeleid voor bewakings-, opsporings- of verdedigingswerk.</al></li><li nr="3."><al>Individuele honden, die niet vallen onder de vorige twee categorieën en
                            waarvan in de praktijk – door het toebrengen van letsel of het uiten van
                            een dreiging daartoe – is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of
                            dier.</al></li></lijst><al>Om de drie beschreven groepen gevaarlijke honden onschadelijk te houden, doet de
                    adviescommissie de volgende voorstellen.</al><al>Ad 1</al><al>Aan de eigenaar of de houder van een hond uit categorie 1 moet naar haar mening
                    via raadsverordening worden voorgeschreven die hond op of aan de weg of op het
                    terrein van een ander kort aan te lijnen en te voorzien van een muilkorf. Bij
                    openbare kennisgeving moeten het college bepalen welk ras of type hond dan wel
                    wat voor door kruising daarmee verkregen verwanten onder deze eerste categorie
                    gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling moeten vallen. De commissie had
                    hierbij vooral het oog op het type pitbullterriër. Het college kan echter dit
                    type hond niet meer aanwijzen, omdat daarvoor sinds 1 februari 1993 maatregelen
                    zijn getroffen in de Regeling agressieve dieren. Deze Regeling is gebaseerd op
                    de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en houdt zowel een fok- als een
                    houdverbod in voor dieren van het type pitbullterriër. Voor de reeds bestaande
                    exemplaren geldt een overgangsrecht: wordt aan bepaalde voorwaarden voldaan
                    zoals kort aanlijnen en muilkorven op voor het publiek toegankelijke terreinen
                    en terreinen van een ander, dan mogen deze dieren gehouden worden. (Zie
                    VNG-circulaire van 26 januari 1993, 93/18).</al><al>Ad 2</al><al>Ten aanzien van een hond uit categorie 2 beveelt de commissie alleen een
                    aanlijngebod aan. Invoering van een verplichting tot muilkorven van een
                    gebruikshond stuit naar haar oordeel op het bezwaar dat hierdoor de uitvoering
                    van de taak waarvoor zo’n hond is opgeleid, bijzonder wordt bemoeilijkt. Gelet
                    op het gebruik van de hond voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk is
                    het aanlijngebod beperkt tot de weg: op het terrein van een ander kan de hond
                    zijn functie blijven vervullen.</al><al>Op het voorgestelde aanlijngebod maakt de commissie onder twee voorwaarden een
                    uitzondering: de hond moet met goed gevolg een opleiding tot gebruikshond bij
                    een erkende instantie of een zogenaamde gedrags- en gehoorzaamheidscursus 1
                    hebben doorlopen en hij moet vergezeld gaan van de eigenaar of de houder, die
                    hem heeft opgeleid. Erkende instanties zijn volgens de commissie de
                    onderafdelingen van rasverenigingen van werkhondenrassen, de Nederlandse bond
                    voor gebruikshondensportverenigingen, de Koninklijke Nederlandse
                    politiehondvereniging en de Nederlandse bond voor de diensthond.</al><al>Informatie over een gedrags-of gehoorzaamheidscursus is verkrijgbaar bij een van
                    de honderden plaatselijke kynologenclubs.</al><al>Ad 3</al><al>Ten slotte stelt de commissie voor dat de raad aan het college de bevoegdheid
                    verleent aan de eigenaar of de houder van een hond uit de derde categorie de
                    verplichting op te leggen tot aanlijnen en – indien noodzakelijk – tevens tot
                    muilkorven van deze hond op of aan de weg of op het terrein van een ander. Ter
                    ondersteuning van de beschreven aanlijn- en muilkorfgeboden vindt de commissie
                    identificatie en registratie van de honden uit de drie categorieën wenselijk.
                    Dat moet worden gerealiseerd door het aanbrengen van een optisch leesbaar, niet
                    verwijderbaar identificatiemerk in het oor of in de buikwand van de hond
                    (gemeentelijk voorschrift) en voorts door gegevensverstrekking door de eigenaren
                    aan de Stichting registratie gezelschapsdieren Nederland en - in geval van
                    rashonden - de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland (hogere
                    regeling). De identificatie en registratie is van belang voor de controle op de
                    naleving van de aanlijn- en muilkorfgeboden en voor de opsporing van een
                    overtreder. Via de tatoeage moet nagegaan kunnen worden of een hond behoort tot
                    een gevaarlijke categorie en wie de eigenaar of houder is.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en
                            vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden
                            gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. ARRS 5-2-1991, GS, 1991,
                            6932, 13 m.nt. C.P.J. Goorden.</al></li><li nr="-"><al>Gevecht tussen honden, waarbij een hond is overleden en een omwonende is
                            aangevallen. Art. 74 Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren speciale
                            bevoegdheid t.o.v. art. 172 Gemeentewet. Pres. Rb. Zwolle 3-3-1995, JG
                            95.0307, GS, 1996, 7028 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident
                            met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het
                            opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van
                            beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179,
                            JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting van de Wet Milieubeheer
                            gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het
                            ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare
                            gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen
                                    ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de
                                    openbare gezondheid gestelde regels; dan wel</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                    is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een
                            daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben,
                            dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                            college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter
                            aantal dan door het college is aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen
                            een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente
                            ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie, dat het college bevoegd worden verklaard de plaatsen aan te wijzen,
                    waar naar hun oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Zo’n aanwijzing moet worden beschouwd als een daad
                    van uitvoering op basis van artikel 162 Gemeentewet. Voor zover het college bij
                    een aanwijzing welke betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd zijn
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora- en
                    Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                            gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28-2-1990, JG 91.0031.</al></li><li nr="-"><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan, die
                            geluidsoverlast veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd.
                            ARRS 26-2-1991, GS, 1991, 6962, 3 m.nt. J.M. Kan, JG 91.0382 m.nt.
                            L.J.J. Rogier.</al></li><li nr="-"><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden.
                            Vz. ARRS 2-6-1991, JG 92.0007, AB 1991, 686 m.nt. J.H. van der
                            Veen.</al></li><li nr="-"><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het
                            college gehanteerde methode van geluidsmeting niet onredelijk. ARRS
                            9-4-1992, JG 92.0401, GO 15, 1992, 3, GO 17, 1994, 2 m.nt. L.F.
                            Doorduijn, AB 1992, 583 m.nt R.M. van Male, TMR (1994) 9 m.nt. R.J. den
                            Hartog.</al></li><li nr="-"><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS
                            22-12-1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al></li><li nr="-"><al>Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                            Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31-8-1995, JG 96.0005, MenR 23(1996)
                            60.</al></li><li nr="-"><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden
                            terecht. Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht
                            en proces-verbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing.
                            ABRS 03-07-1999, JG 99.0003 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2.4.20 en 2.4.24 kunnen in sommige situaties beide worden
                            toegepast. Artikel 2.4.24 fungeert niet als lexspecialis ten opzichte
                            van artikel 2.4.20. ABRS 02-06-1997, JG 99.0005 m.nt. W.A.G.
                            Hillenaar.</al></li><li nr="-"><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag
                            bieden voor de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG
                            02.0025, art. 2-4-20-, art. 4-1-7b- m.nt. M. Geertsema.</al></li><li nr="-"><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20) juncto
                            artikel 4.1.5.1. Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4.1.5b
                            model-APV). Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het
                            schoonhouden en wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de
                            aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om
                            te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van artikel
                            2.4.20) en er de zorg voor heeft (op grond van artikel 4.1.5.1). Bij de
                            besluitvorming is terecht rekening gehouden met het feit dat de eiser in
                            het buitengebied woont en het gekwaak van kikkers tot gebiedseigen
                            geluiden moet worden gerekend. Rb. ´s-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873
                            GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.4.21 Wilde dieren</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>artikel 2.4.22 Loslopend vee</vet></al><al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of
                    terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                    verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee
                    die weg niet kan bereiken.</al><al>Commentaar</al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel
                    2.4.17.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet-uitvliegend
                    pluimveegedierte in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is,
                    met straf bedreigd.</al><al><vet>artikel 2.4.23 Duiven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven
                            niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het
                            college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld
                            gebod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                            ophokverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Verwilderde duiven veroorzaken in het voorjaar nogal wat schade aan jonge
                    gewassen doordat zij de desbetreffende akkerbouwgebieden als foerageerplaats
                    gebruiken. Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en
                    1 juni een periode aan te wijzen, welke bij voorbeeld kan variëren van een week
                    tot een dag per week, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht zijn
                    de duiven binnen te houden. Dit geeft de jagers de mogelijkheid om het
                    verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen.</al><al>Wel lijkt het raadzaam om in overleg met de colleges van omliggende gemeenten en
                    de diverse postduivenverenigingen deze periode jaarlijks vast te stellen.</al><al><vet>artikel 2.4.24 Bijen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen
                                    waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand
                            van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is
                            aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om
                            het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet
                            voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen
                            als bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet
                            voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                            Wegenverordening Noord-Holland.</al></li><li nr="5."><al>het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                            verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het vliegen van bijen kon, indien de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de ‘aanvliegbanen’ hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met
                    eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen
                    van een afscheiding, tot geringe omvang worden teruggebracht. Het zal echter
                    vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen
                    overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn
                    te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen
                    het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn; dit geldt overigens ook voor
                    andere huisdieren.</al><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand ‘op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats’ valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    ‘openbare belangen’.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Weigering ontheffing voor het houden van bijenvolken. Begrip ‘overlast’
                            heeft geen betrekking op schade aan verder afgelegen tuinbouwkassen.
                            ARRS 17-7-1993, JG 94.0283, AB 1994,432.</al></li><li nr="-"><al>Weigering toepassing bestuursdwang tot verwijdering van de bijenkasten.
                            Imker is verhuisd. Mogelijkheid toepassing bestuursdwang voor
                            toekomstige gevallen. ABRS 25-7-1994, JG 95.0210.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.4.25 Overlast door onkruid</vet></al><al>De eigenaar, de gebruiker van, de rechthebbende of de toezichthouder op de
                    binnen de gemeente gelegen gronden of wegen mogen geen overlast veroorzaken aan
                    gebruikers van in de nabijheid gelegen percelen door onkruiden, welke hun zaad
                    door middel van de wind verspreiden en zijn gehouden deze onkruiden tijdig te
                    verwijderen.</al><al>Commentaar</al><al>Het is wenselijk om met name voor het landelijk gebied een regeling te treffen
                    voor de overlast die ontstaat doordat onkruid van het ene (niet goed
                    onderhouden) terrein overwaait naar naastgelegen terreinen.</al><al><vet>Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</vet></al><al><vet>artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                            maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
                            Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere
                            wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de
                            handelaar.</al></li></lijst><al>Algemeen</al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. Het WvSr. bevat
                    enkele bepalingen die op de bestrijding van heling het oog hebben. Dat zijn de
                    artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het
                    binnentreden bij handelaren is – ook zonder dat een strafbaar feit vermoed wordt
                    – te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van
                    Strafvordering (WvSv). De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren
                    hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle lokaliteiten en andere
                    plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar
                    worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het
                    bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen. De
                    politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 WvSv kunnen
                    toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden.</al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren. Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten
                    worden toegezien dat ook bekend is, welke handelaren zich in de gemeente
                    gevestigd hebben.</al><al>Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan
                    te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de
                    huidige praktijk door vele handelaren niet voldaan. Voorts zal de burgemeester
                    gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 e.v. WvSr
                    toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren. Door
                    capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle
                    handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich
                    moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    verhandeld worden en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek-,
                    (brom)fiets- en autohandel). Ten behoeve van de andere branches zou het college
                    dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften
                    opgenomen registratieverplichtingen.</al><al>a. handelaar</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘handelaar’ verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr). naar de algemene maatregel van bestuur op
                    grond van dit artikel. (KB 06-01-1992). Artikel 1 van dit besluit noemt als
                    handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen,
                    platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s,
                    motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, en videoapparatuur en
                    apparatuur voor automatische registratie. De handelaren in antiek en curiosa
                    zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, zodat zij niet
                    apart behoeven te worden vermeld.</al><al>b. verkoopregister</al><al>artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar, tot het
                    aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle
                    gebruikte en ongeregelde goederen. In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden
                    regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Omdat de wet en een
                    algemene maatregel van bestuur reeds voorzien in de regeling betreffende een
                    zogenaamd inkoopregister, kan hierover niets meer door de gemeentelijke wetgever
                    worden geregeld. Artikel 437ter WvSr biedt de raad uitdrukkelijk wel de
                    mogelijkheid om in een verordening regels te stellen met betrekking tot het
                    opstellen van een verkoopregister.</al><al>Voor de terminologie voor de bepaling van het verkoopregister wordt aansluiting
                    gezocht bij de formulering bij het inkoopregister. Het verdient zo aanbeveling
                    de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister eveneens
                    algemeen te omschrijven. De formele wet verplicht tot het houden van aantekening
                    van gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt
                    hiervan gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al>Evenals het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het bestemd
                    is achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven met uitsluiting van de
                    mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en gapingen vertonen. Ook degene die wel een register houdt
                    maar de inschrijvingen niet naar tijdsorde (chronologisch) invult, houdt geen
                    doorlopend register. Artikel 2 van de AMvB bepaalt de wijze waarop van de
                    bedoelde handelingen aantekeningen moet worden gehouden.</al><al><vet>artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of
                            ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in
                            een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                            register en daarin vermeldt hij onverwijld: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het
                    inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor
                    het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Artikel 2 AMvB
                    bepaalt dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens
                    de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste
                    gegevens vermeldt.</al><al>In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister
                    bij te houden ("alle" goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde
                    goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een
                    vrijstellingsbepaling toegevoegd. Een andere mogelijkheid tot bepaling dat niet
                    alle goederen hoeven te worden geregistreerd, is om deze expliciet op te sommen
                    in het eerste en dan enige lid óf om te bepalen dat alleen die goederen moeten
                    worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</al><al><vet>artikel 2.5.3</vet></al><al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek
                    Strafrecht</al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid,
                            van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze
                            aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het
                            opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                            te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit
                            door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;</al></li><li nr="2."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s)
                            onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis
                            te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres
                            of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in
                            gebruik zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd
                            een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                            duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="4."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                            redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of
                            voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te
                            geven aan de onder a. bedoelde functionaris;</al></li><li nr="5."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                            burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen
                            ambtenaar.</al></li><li nr="6."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te
                            maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent,
                            de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval
                            binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al>Onder a</al><al>artikel 437ter, tweede lid, legt de handelaar de verplichting op de burgemeester
                    of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als
                    hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van
                    een regeling om de uitoefening van het opkoperbedrijf aan een voorafgaande
                    toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in lid 1,
                    onder a, nader uitgewerkt.</al><al>Onder b</al><al>De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up-to-date houden.</al><al>Onder d</al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, 50, van het WvSr aan. Hier
                    is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan
                    niet in strijd worden geacht met de artikelen 160 en 161 WvSv.</al><al>Onder e</al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV nodig is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen kan deze ambtenaar zowel het inkoop- als het verkoopregister
                    inzien.</al><al><vet>artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</vet></al><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop
                    verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is,
                    over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging
                    van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.</al><al>Commentaar</al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2.5.4
                    voorziet hierin.</al><al>Een dergelijke bepaling sluit nauw aan op het bepaalde in artikel 437, eerste
                    lid, onder d en f.</al><al>Daar is strafbaar gesteld de handelaar etc. die in strijd met een schriftelijke
                    last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen
                    vervreemdt of niet in bewaring geeft of die niet voldoet aan de daarbij gegeven
                    aanwijzingen.</al><al>In artikel 2.5.4 is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van
                    de handelaren niet al te zeer belemmerd wordt.</al><al><vet>artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een
                            handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                            voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1,
                                    eerste en tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                    lid.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed verhandeld
                    wordt.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2.5.6 sluit aan op het in artikel 11 Drank- en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet slechts op
                    verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2.5.6 een verbod bevat voor de houder van een horecabedrijf, kan
                    dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of art. 437, sub 2, Wetboek
                    van Strafrecht. Artikel 2.5.6 is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten
                    grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15-7-1996, AB
                    1996,414 m.nt. F.M., JG 96.0267.</al><al>Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient
                    geen enkel doel. Pres. Rb. Rotterdam 7-4-1995, JG 95.0202.</al><al><vet>Afdeling 6 Vuurwerk</vet></al><al><vet>artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe
                    regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                    (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al>Commentaar</al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur
                    wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren
                    dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                    en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel
                    consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel
                    vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.</al><al>Definitie consumentenvuurwerk</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al></li><li nr="b."><al>het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier;</al></li><li nr="c."><al>het aangetroffen wordt bij een particulier;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of</al></li><li nr="e."><al>het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier
                            gebruik.</al></li><li nr="Het"><al>Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="-"><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit
                                    Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al></li><li nr="-"><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht
                                    van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in
                                    gebruik of beheer is;</al></li><li nr="-"><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per
                                    zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt
                                    gebracht en niet in Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt
                                    overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk
                                    vliegtuig.</al></li></lijst></li></lijst><al>Fop- en schertsvuurwerk</al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al></li><li nr="-"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr="-"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="-"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al>De bepalingen 2.6.2 en 2.6.3 van de model-APV zijn gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en
                    afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al><vet>artikel 2.6.2</vet></al><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                            consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                            beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                            college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                            gevestigd.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het
                            belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of
                            beperken van overlast.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het Vuurwerkbesluit geeft in artikel 2.3.2, lid 2 een wettelijke termijn van
                    drie dagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk ten behoeve van de
                    jaarwisseling. Als verkoopdagen zijn landelijk aangewezen 29, 30 en 31 december,
                    met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens
                    op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te
                    stellen dan niet geldt op 28 december.</al><al>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</al><al>Op basis van artikel 2.6.2 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf jaarlijks een vergunning verlenen voor het verkopen van
                    consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen.
                    Deze zogenaamde verkoopvergunning kan worden geweigerd in het belang van de
                    handhaving van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken
                    van overlast. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De
                    verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten te reguleren. Artikel
                    2.6.2 is gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet. Het verdient de aanbeveling om
                    voor de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels vast te stellen. In belang
                    van de handhaving van de openbare orde en het voorkomen en beperken van overlast
                    kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, bijvoorbeeld de volgende
                    beleidsuitgangspunten worden opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                            bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over
                            kernen;</al></li><li nr="-"><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                            centrum(gebied);</al></li><li nr="-"><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al></li><li nr="-"><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                            bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels,
                            tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz.</al></li></lijst><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst.</al><al>Koopzondag</al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn. Onder het
                    regiem van het oude Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen werden de
                    verkoopdagen aangewezen in artikel 8. Dit artikel bood ruimte voor verschillende
                    interpretaties, indien er sprake was van een koopzondag die viel binnen de
                    wettelijke termijn. De VNG heeft artikel 8 als volgt geïnterpreteerd en dit ook
                    geadviseerd aan gemeenten.</al><al>Blijkens de tekst van artikel 8 alsmede de toelichting hierop was het de
                    bedoeling van de wetgever geweest om de verkoop van consumentenvuurwerk te
                    beperken tot drie dagen, die landelijk hetzelfde zijn, ter voorkoming van
                    intergemeentelijke verschillen.</al><al>Regionaal en zelfs lokaal, indien er sprake is van deelgemeenten, betekent dit
                    landelijk feitelijk een totaal van vier verkoopdagen, hetgeen juist strijdig is
                    met de bedoeling van de wetgever. Verkoop van consumentenvuurwerk op zondag, ook
                    op een aangewezen koopzondag, is naar de mening van de VNG niet toegestaan. Zie
                    ook de uitspraak van de Rb. Amsterdam van 29-12-2001, AWB 98/3145 VEROR 19, JG
                    01.0010 m.nt. van M. Geertsema. In deze uitspraak werd helder uiteengezet dat de
                    Winkeltijdenwet onder meer beoogt eerlijke concurrentieverhoudingen in de
                    detailhandel te bevorderen door het creëren van gelijke uitgangsposities. Het
                    (oude) Vuurwerkbesluit daarentegen beoogt het aantal ongevallen met vuurwerk
                    waarbij particuliere gebruikers zijn betrokken en de ernst van de letsels, terug
                    te dringen. Er is dus sprake van twee verschillende regulerende motieven,
                    waarbij de rechter heeft geoordeeld dat het huidige Vuurwerkbesluit vóór gaat op
                    de Winkeltijdenwet. Met de inwerkingtreding van het huidige Vuurwerkbesluit,
                    waarin de koopzondag uitdrukkelijk wordt uitgesloten als verkoopdag, behoort
                    deze problematiek tot het verleden.</al><al>Mobiele verkooppunten</al><al>In artikel 2.3.4 van het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om
                    consumentenvuurwerk bedrijfsmatig aan een particulier ter beschikking te stellen
                    op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1
                    gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.
                    Aangenomen mag worden dat een mobiel verkooppunt niet kan voldoen aan deze
                    technische en bouwkundige eisen. Verkoop vanuit een mobiel verkooppunt is in dat
                    geval strijdig met het Vuurwerkbesluit. Mitsdien is het verlenen van een
                    verkoopvergunning voor een mobiel verkooppunt, ook strijdig met het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al>Opslag van consumentenvuurwerk</al><al>Voor de opslag van consumentenvuurwerk worden algemene regels gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit. De verkooppunten zijn inrichtingen in de zin van de Wet
                    milieubeheer en worden als zodanig aangewezen in het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer (IVB). Het volgende onderscheid kan worden
                    gemaakt.</al><al>1. Opslag consumentenvuurwerk tot 1000 kg</al><al>Het college van de gemeente is het bevoegde gezag voor inrichtingen waarin ten
                    hoogste 1000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of herverpakt (Bijlage I,
                    IVB, categorie 3.1). Voor deze inrichtingen geldt een meldingsplicht (artikel
                    2.2.4 Vuurwerkbesluit). Degene die de inrichting drijft moet voldoen aan de
                    voorschriften uit bijlage 1, onder A, B en C en aan de veiligheidsafstanden
                    opgenomen in bijlage 3 (zie artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit). Met de
                    inwerkingtreding van het Vuurwerkbesluit is het Besluit opslag vuurwerk
                    milieubeheer ingetrokken. In dit besluit waren eerder regels opgenomen voor de
                    inrichtingen met een opslag van maximaal 1000 kg consumentenvuurwerk. Ook dit
                    besluit kende een meldingsplicht. Het college is eveneens verantwoordelijk voor
                    het toezicht op deze inrichtingen.</al><al>2. Opslag consumentenvuurwerk vanaf 1000 tot 10 000 kg</al><al>Het college van de gemeente is eveneens het bevoegde gezag voor inrichtingen
                    voor consumentenvuurwerk waarin meer dan 1000 en maximaal 10 000 kg wordt
                    opgeslagen of herverpakt, bijlage I, IVB, categorie 3.1). Degene die een
                    inrichting drijft met een opslag van meer dan 1000 kg moet voldoen aan de
                    voorschriften uit bijlage 1, onder A, B en D en aan de veiligheidsafstanden
                    opgenomen in bijlage 3 (artikel 2.2.2 Vuurwerkbesluit). Voor de opslag van meer
                    dan 1000 kg geldt geen meldingsplicht, maar een vergunningsplicht krachtens de
                    Wet milieubeheer. Het college is tevens verantwoordelijk voor het toezicht op
                    deze inrichtingen.</al><al>3. Opslag consumentenvuurwerk vanaf 10 000 kg</al><al>Het college van Gedeputeerde Staten is bevoegd gezag voor inrichtingen waarin
                    meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of consumentenvuurwerk
                    wordt bewerkt (bijlage I, IVB, categorie 3.1 en3.5a). Degene die een inrichting
                    drijft met een opslag van meer dan 1000 kg moet voldoen aan de voorschriften uit
                    bijlage 1, onder A, B en D en aan de veiligheidsafstanden opgenomen in bijlage 3
                    (artikel 2.2.2 Vuurwerkbesluit).</al><al>Ook voor deze inrichtingen geldt een vergunningsplicht krachtens de Wet
                    milieubeheer. Deze bevoegdheid lag eerst bij het college van de gemeente, maar
                    door de inwerkingtreding van het (nieuwe) Vuurwerkbesluit en wijziging van het
                    IVB, is deze bevoegdheid overgegaan naar de provincies. Het college van
                    Gedeputeerde Staten is tevens verantwoordelijk voor het toezicht op deze
                    inrichtingen. Als een verkooppunt voor consumentenvuurwerk voldoet aan de
                    voorschriften van het Vuurwerkbesluit en, indien van toepassing, aan de
                    voorschriften van de Wet milieubeheervergunning, mag geen verkoop plaatsvinden,
                    indien het college de verkoopvergunning weigert in het belang van de openbare
                    orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Opslag van
                    consumentenvuurwerk mag wel plaatsvinden.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Geen beleid voor het toewijzen van de vergunning voor verkoop van
                            vuurwerk bij een gelimiteerd aantal verkoopplaatsen. Vz. ARRvS
                            17-12-1993, JG 94.0330 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 599.</al></li><li nr="-"><al>Intrekking vergunning in verband met verkoop aan personen onder de
                            zestien jaar. Onzorgvuldige besluitvorming want betrokkene is niet
                            gehoord. Pres. Rb. Den Haag 30-12-1994, KG 1995, 119.</al></li><li nr="-"><al>Het beleid om het aantal verkooppunten te relateren aan het aantal
                            inwoners is niet onredelijk. ABRS 28-11-1996, JG 97.0082</al></li><li nr="-"><al>Voorlopige voorziening. Op grond van de desbetreffende APV-bepaling kan
                            de vergunning worden geweigerd indien een persoon verbonden aan de
                            inrichting binnen de laatste drieënhalf jaar een overtreding heeft
                            begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het
                            vervoer, opslag en/of verkoop van vuurwerk. Overtreding van het (oude)
                            Besluit opslag vuurwerk milieubeheer is een weigeringsgrond voor de
                            verlening van de verkoopvergunning. Geen grond voor het oordeel dat de
                            gemeente niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen
                            komen. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Rb. Den Haag
                            19-12-2001, AWB 01/4183 BESLU. Voorlopige voorziening. Weigering van de
                            verkoopvergunning is geen onevenredig zware maatregel. Aantreffen van
                            illegaal vuurwerk bij eerdere controle en schending van daarover
                            gemaakte afspraken door de vergunningaanvrager. Op advies van de politie
                            weigering van de verkoopvergunning in het belang van de openbare orde.
                            Rb. Leeuwarden 09-12-2002, 02/1252 BESLU, LJN-nr. AF2139.</al></li><li nr="-"><al>Voorlopige voorziening. Weigering van de verkoopvergunning. Gemeente had
                            de verkoopvergunning in redelijkheid niet mogen weigeren. De
                            persoonlijke omstandigheden van een derde, die een deel van zijn
                            boerderij heeft verhuurd aan de aanvrager van een verkoopvergunning,,
                            zijn niet zodanig dat van de verkoop van consumentenvuurwerk door
                            aanvrager (en huurder) een gevaar voor de openbare orde dan wel overlast
                            valt te verwachten. Derde (verhuurder) verkocht voorheen zelf vuurwerk
                            vanuit het pand, maar speelt nu geen enkele rol bij de feitelijke
                            verkoop van vuurwerk, heeft geen zeggenschap over het verhuurde deel
                            gedurende de verkoopdagen, buiten de verkooptijden bevindt zich geen
                            vuurwerk in het pand en verhuurde deel is afsluitbaar van het
                            woongedeelte. Rb. Leeuwarden 24-12-2002, 02/1382 BESLU &amp; 02/1383
                            BESLU, 24-12-2002, LJN-nr. AF2563.</al></li></lijst><al><vet>artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college
                            in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast
                            aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor
                            publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                            overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet geldt niet
                            voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                            429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                            verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumenten vuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van vuurwerk wordt op dit
                    tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de
                    feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse
                    volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is
                    toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van vuurwerk te allen tijde niet
                    toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels
                    enz.). Dit artikel geeft het college van het college de bevoegdheid om plaatsen
                    aan te wijzen waar het afsteken van vuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van vuurwerk
                    in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een
                    volksverzameling.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00
                    uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                    bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende werking
                    van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde publiek, directe
                    nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer tussen
                    verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van
                    brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk leidt tot
                    het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt.
                    Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133
                    GEMWT, LJN-nr. AD7648.</al><al><vet>Afdeling 7 Drugsoverlast</vet></al><al><vet>artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post
                    te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op
                    een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                    kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet,
                    of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te
                    bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>Commentaar</al><al>Afbakening met de Opiumwet</al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage ‘onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet’ opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I (‘harddrugs’) en II (‘softdrugs’) die behoren bij deze wet.
                    Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en
                    van strafbare feiten tot doel heeft.</al><al>Straathandel en coffeeshopbeleid</al><al>artikel 2.7.1 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. Grotere
                    steden en grensgemeenten hebben al enige jaren ervaring met een dergelijke
                    bepaling. De (straat)handel in drugs heeft daar geleid tot een verstoring van de
                    openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een
                    bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de
                    openbare orde en van strafbare feiten.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Doel van de Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, JG 94.0005 m.nt. A.B.
                    Engberts.</al><al><vet>Afdeling 8 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al><vet>artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot
                    het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een
                    door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen
                    artikel 2.1.1.1 (samenscholingsverbod); artikel 2.1.2.1 (optochten); artikel
                    2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg); artikel 2.1.5.2
                    (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg); artikel 2.1.6.4 (openen
                    straatkolken en dergelijke); artikel 2.1.6.7 (gevaarlijk of hinderlijk
                    voorwerp); artikel 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg); artikel 2.4.8
                    (hinderlijk drankgebruik); artikel 2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen);
                    artikel 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten) artikel 2.6.3
                    (bezigen van vuurwerk) én artikel 5.5.1 (verbod om vuur te stoken) van de
                    Algemene plaatselijke verordening Uithoorn 2006 groepsgewijs niet naleven.</al><al>Commentaar</al><al>artikel 2.8.1 (vóór hernummering in 2002: 2.9.1) is gebaseerd op - een
                    uitwerking van - artikel 154a Van de Gemeentewet Dit artikel voorziet in de
                    bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen
                    ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester
                    aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder
                    begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties
                    als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties
                    en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument
                    bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad
                    de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van
                    specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2.8.1 voorziet
                    hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede ‘overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet’ impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van ‘door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen’. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering ‘degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...’. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. De huidige model-APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is
                    echter niet noodzakelijk om alle bepalingen uit de model-APV die in aanmerking
                    komen, aan te wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving de
                    mogelijkheid van bestuurlijke ophouding biedt. Welke bepalingen aangewezen
                    zullen moeten worden in artikel 2.8.1, zal afhangen van de lokale situatie
                    waarbij eerdere ervaringen met grootschalige openbare ordeverstoringen als
                    leidraad kunnen dienen. De volgende bepalingen kunnen relevant zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.1.1.1 (samenscholingsverbod);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.2.1 (optochten);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.5.2 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.6.4 (openen straatkolken en dergelijke);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.6.7 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.8 (hinderlijk drankgebruik);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten)</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.6.3 (bezigen van vuurwerk) én</al></li><li nr="-"><al>artikel 5.5.1 (verbod om vuur te stoken).</al></li></lijst><al>Verondersteld mag worden dat bepalingen als artikel 2.2.3 (ordeverstoring bij
                    evenementen) en 2.3.1.7 (ordeverstoring in een horecabedrijf) onvoldoende
                    specifiek zijn om te worden aangewezen. Deze bepalingen zouden hiertoe aangepast
                    moeten worden. Uiteraard kunnen ook andere - nieuw op te nemen - bepalingen
                    worden aangewezen. Uit ervaringsgegevens kan blijken dat hiernaast behoefte
                    bestaat aan andere specifieke voorschriften in de APV of een specifieke
                    verordening. Hierna zijn voorbeeldbepalingen te vinden die opgenomen kunnen
                    worden en in artikel 2.8.1 aangewezen kunnen worden als voorschriften waarvan de
                    groepsgewijze niet-naleving tot bestuurlijke ophouding kan leiden.</al><al><vet>Afdeling 9 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al><vet>artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                    verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                    ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin
                    gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven,
                    aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al>Commentaar</al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="-"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</vet></al><al>Algemene toelichting</al><al>1. Opheffing algemeen bordeelverbod</al><al>Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van
                    Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen
                    bordeelverbod) (Stb. 1999,464) is op 1 oktober 2000 artikel 250bis van het
                    Wetboek van Strafrecht vervallen en is artikel 250ter gewijzigd en vernummerd
                    tot artikel 250a:</al><al>De wetswijziging wordt veelal aangeduid als de opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod. Strikt bezien zou de aanduiding (algemeen) ‘souteneurverbod’
                    daarop beter van toepassing zijn: strafbaar - volgens artikel 250bis als
                    misdrijf, en volgens artikel 432, onder 3o, als overtreding - was namelijk het
                    exploiteren van prostitutie als zodanig, waaronder prostitutie die werd
                    uitgeoefend in een seksinrichting (bordeel). Gelet op de gangbaarheid van de
                    aanduiding, zal de wetswijziging hieronder evenwel worden aangeduid als
                    ‘opheffing algemeen bordeelverbod’.</al><al>Gevolg van de wetswijziging is dat, uit hoofde van het Wetboek van Strafrecht,
                    niet langer het exploiteren van prostitutie in algemene zin strafbaar is maar
                    nog slechts het exploiteren van onvrijwillige prostitutie (door geweld,
                    bedreiging met geweld, misbruik van overwicht, of misleiding) en van prostitutie
                    door minderjarigen. Voor zover dat bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                    (Wav) dan wel bij of krachtens gemeentelijke verordening is bepaald (zie
                    hiervoor de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid, onder c), is verder het
                    exploiteren van prostitutie door personen zonder een voor het verrichten van
                    arbeid geldige verblijfstitel verboden. Anders gezegd, is het exploiteren van
                    prostitutie die vrijwillig wordt uitgeoefend door meerderjarigen met een geldige
                    verblijfstitel voortaan dus een legale wijze van beroepsuitoefening en
                    inkomensverwerving. Gemeenten kunnen daarover echter bij verordening regels
                    stellen.</al><al>2. Verordenende bevoegdheid van gemeenten</al><al>Volgens artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    gemeentelijke bevoegdheid om daarover bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, mag de
                    verordenende bevoegdheid echter uitsluitend worden aangewend ‘ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente’: blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al>Dit hoofdstuk van de APV is echter niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al>Reikwijdte autonome verordeningsbevoegdheid</al><al>De verordenende bevoegdheid - het begrip ‘gemeentelijke huishouding’ - kent
                    zowel een ondergrens als een bovengrens. De ondergrens is, dat de gemeentelijke
                    vergunningsvoorschriften niet zonder meer mogen treden in de particuliere sfeer
                    van de burger. De vergunningsvoorschriften moeten voldoen aan het zogenaamde
                    openbaarheidsvereiste en mogen - anders gezegd - niet zien op handelingen die in
                    geen enkel opzicht een openbaar karakter hebben en in geen enkel opzicht
                    betrekking hebben op de openbare orde. Afgaand op jurisprudentie van de Hoge
                    Raad daarover, kan worden geconcludeerd dat aan het openbaarheidsvereiste is
                    voldaan indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een gedraging of toestand strafbaar wordt gesteld die zich afspeelt op
                            een openbare plaats;</al></li><li nr="-"><al>een gedraging of toestand strafbaar wordt gesteld die zintuiglijk
                            waarneembaar is vanaf een openbare plaats;</al></li><li nr="-"><al>een gedraging of toestand strafbaar wordt gesteld die voornamelijk van
                            een ander erf of vanuit een ander goed zintuiglijk waarneembaar is;
                            en</al></li><li nr="-"><al>van het voorgaande weliswaar geen sprake is maar indien de aard en de
                            omvang van de gevolgen van de handeling of toestand - mede gelet op de
                            plaatselijke omstandigheden - van dien aard zijn dat zij een gevaar
                            betekenen voor de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid (en de
                            verboden gedraging of toestand een terugslag heeft op openbare
                            belangen).</al></li></lijst><al>De bovengrens is, dat de gemeentelijke vergunningsvoorschriften niet zonder meer
                    mogen treden in grondwettelijk gewaarborgde rechten. Zo erkent artikel 19, derde
                    lid, van de Grondwet voor alle Nederlanders het recht op vrije keuze van arbeid
                    - als prostituee of bordeelhoud(st)er - behoudens de beperkingen bij of
                    krachtens de wet gesteld.</al><al>Bij de herziening van de Grondwet in 1983 is aangegeven dat grondrechten slechts
                    bij of krachtens formele wet kunnen worden beperkt. De wetgever heeft daarmee
                    gekozen voor de zogenaamde leer van de bijzondere beperkingen en is afgestapt
                    van de bij de oude Grondwet geldende leer van de algemene beperkingen. Anders
                    dan bijzondere beperkingen, zijn algemene beperkingen niet specifiek gericht op
                    het beperken van een grondrecht maar vloeien zij (dikwijls onvoorzienbaar) voort
                    uit de toepassing van een wettelijke bepaling in een concreet geval. Van een
                    algemene beperking is dus sprake indien een wettelijke bepaling in zijn
                    algemeenheid niet een grondrecht raakt, maar toegepast in een bepaald geval als
                    neveneffect heeft dat een grondrecht wordt beperkt. Voorbeeld hiervan is de
                    vergunningplicht tot het oprichten van een bouwwerk. Wordt het bouwwerk
                    opgericht om ter plaatse een boekdrukkerij te vestigen, dan raakt de
                    vergunningplicht als neveneffect (zonder daarop specifiek gericht te zijn) aan
                    het grondrecht van drukpersvrijheid zoals genoemd in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al>Om te voorkomen dat, steeds indien een formele wet een beperking van een
                    grondrecht als (neven)effect kan hebben, in die wet zou moeten worden aangegeven
                    dat die dat grondrecht mag beperken, is bij deze Grondwetsherziening de
                    ‘redelijke uitleg van het grondrecht’ geïntroduceerd. Die houdt in dat, indien
                    een wettelijk voorschrift een grondrecht strikt genomen beperkt maar de
                    intrekking of vernietiging daarvan in flagrante strijd zou zijn met wat algemeen
                    als redelijk wordt aangemerkt, dat voorschrift niet licht ongrondwettig zal
                    mogen worden geacht. Daarbij moet rekening worden gehouden met de
                    proportionaliteit van de desbetreffende maatregel en de maatschappelijke en
                    persoonlijke belangen die daarbij een rol spelen.</al><al>Overigens kan bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet de vrije keuze van
                    arbeid worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze
                    vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag -
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter ‘regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding’: in het belang van de
                    openbare orde, de voorkoming of beperking van overlast, de bescherming van de
                    woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al><vet>artikel 151a Gemeentewet</vet></al><al>De tekst van artikel 151a Gemeentewet luidt:</al><al>De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met
                    betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van
                    seksuele handelingen met een derde tegen betaling.</al><al>Op basis van artikel 151a Gemeentewet is duidelijk dat een gemeente bevoegd is
                    regels te stellen ten aanzien van escortbedrijven. Dat zou op basis van de
                    autonome bevoegdheid niet mogelijk zijn geweest. De activiteiten van een
                    escortbedrijf onttrekken zich immers doorgaans aan het hiervoor beschreven
                    openbaarheidsvereiste. De Tweede Kamer hechtte hier belang aan omdat van
                    verschillende zijden is opgemerkt dat als gevolg van een (stringent) lokaal
                    prostitutiebeleid de niet-toelaatbare vormen van prostitutie (onder dwang, van
                    minderjarigen of illegalen) zouden uitwijken naar escortbedrijven. Dit heeft de
                    Tweede Kamer willen voorkomen. Overigens dient de mogelijkheid voor gemeenten om
                    regels te stellen ten aanzien van escortbedrijven niet te worden overschat. Ook
                    al valt een escortbedrijf onder de vergunningplicht, het blijft uiteraard een
                    voor bestuurlijke sancties nauwelijks vatbare bedrijfstak. Een escortbedrijf is
                    immers geen inrichting en kan derhalve ook niet worden gesloten of anderszins
                    onderworpen aan bestuursdwang.</al><al>Voor wat betreft de versterking van de wettelijke grondslag dient te worden
                    opgemerkt dat in de tekst van artikel 151a Gemeentewet de onderwerpen waarover
                    regels kunnen worden gesteld, op aandringen van de minister, niet worden
                    genoemd. Hij stelde zich namelijk in een brief aan de Tweede Kamer (TK
                    1998-1999, 25 437, nr. 17) op het standpunt dat gemeenten ook zonder nadere
                    wettelijke regeling bevoegd zijn om regels te stellen met betrekking tot de
                    antecedententoetsing, gedragseisen, arbeidsomstandigheden en bedrijfsvoering,
                    waar volgens hem ook onder kan worden begrepen de eis dat geen minderjarigen of
                    illegalen te werk mogen worden gesteld. De minister achtte voorts de opneming
                    van artikel 151a Gemeentewet hooguit verantwoord als tijdelijke oplossing, in
                    afwachting van eventuele nadere regelgeving in bijvoorbeeld prostitutiewetgeving
                    of wetgeving inzake openbare inrichtingen.</al><al>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing</al><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                    verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de
                    vorm van geboden of verboden. De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede,
                    indien de gemeente wenst te volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte
                    heeft op (exploitatie van) prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In
                    dat geval moeten bij (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften
                    in acht worden genomen die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is
                    daarvoor geen nadere voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist.
                    Gebodsbepalingen hebben onder meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief
                    beperkt zijn: nadat de gemeente de regels ‘eenmalig’ heeft vastgesteld, beperkt
                    zij zich tot het uitoefenen van toezicht op de naleving daarvan.</al><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                    behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                    oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                    vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van)
                    prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande
                    toestemming van de gemeente vereist. Dit toestemmingsvereiste kan gestalte
                    worden gegeven door (in de verbodsbepaling) een vergunning- of een
                    ontheffingplicht op te nemen. Een vergunningplicht is op zijn plaats, indien de
                    te reguleren activiteit op zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar
                    het wenselijk wordt geacht dat daarop voorafgaand toezicht kan worden
                    uitgeoefend. Verboden is in dat geval niet de activiteit zelf, maar het
                    verrichten daarvan zonder toestemming (vergunning). Een ontheffingsplicht is op
                    zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar
                    wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht de mogelijkheid te behouden om
                    die, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten
                    plaatsvinden. Verboden is in dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor
                    bij wijze van uitzondering toestemming (ontheffing) kan worden verleend.</al><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag,
                    dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare
                    activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van
                    onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale
                    prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten op het reguleren
                    van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur.</al><al>3. Doelstellingen van (gemeentelijk) prostitutiebeleid</al><al>Gelet op de memorie van toelichting (MvT) (TK1996-1997, 25437, nr. 3) en de Nota
                    naar aanleiding van het verslag (TK 1997-1998, 25 437, nr. 5), liggen aan de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod de volgende zes hoofddoelstellingen ten
                    grondslag:</al><lijst><li nr="1."><al>beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie;</al></li><li nr="2."><al>verbetering van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige
                            prostitutie;</al></li><li nr="3."><al>bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik;</al></li><li nr="4."><al>bescherming van de positie van prostituees;</al></li><li nr="5."><al>ontvlechting van criminaliteit en seksindustrie;</al></li><li nr="6."><al>terugdringing van (exploitatie van) prostitutie door personen zonder
                            geldige verblijfstitel.</al></li></lijst><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod brengt een onderscheid teweeg tussen
                    wel en niet-strafbare exploitatie van prostitutie. Doel daarvan is onder meer,
                    de exploitatie van vrijwillige prostitutie van overheidswege beter te kunnen
                    sturen en reguleren. De wetgever gaat er daarbij van uit dat het beleid van
                    gemeenten zich zal richten op het beheersen, sturen en saneren van de
                    prostitutiebranche en het verbeteren van daarin bestaande
                    (arbeids)omstandigheden. Daarbij gaat het dus om het beschermen van de openbare
                    orde en de woon- en leefomgeving en het voorkomen en tegengaan van overlast,
                    maar ook om het verbeteren van de positie (veiligheid, gezondheid,
                    arbeidsomstandigheden) van de prostituee. De MvT vermeldt daarover, dat
                    onderwerp van het beleid van gemeenten zou kunnen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de vestiging van prostitutiebedrijven (aard, omvang en aantal);</al></li><li nr="-"><al>de (arbeids)omstandigheden in prostitutiebedrijven (inrichting, hygiëne,
                            (brand)-veiligheid, gezondheidsomstandigheden en dergelijke);</al></li><li nr="-"><al>de bedrijfsvoering in prostitutiebedrijven (lichamelijke en geestelijke
                            integriteit van prostituees, aanwezigheid van minderjarige en illegale
                            prostituees en dergelijke).</al></li></lijst><al>Overigens acht de wetgever het geen taak voor de gemeentelijke of rijksoverheid
                    om de rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee te reguleren: over de
                    aard van hun onderlinge werkverhouding dienen zij zelf te beslissen.</al><al>Op de mogelijkheden om terzake beleid te voeren, zal in de artikelsgewijze
                    toelichting kort worden ingegaan. Voor het overige wordt verwezen naar het
                    handboek Lokaal prostitutiebeleid (VNG uitgeverij, Den Haag, 1999).</al><al>4. Vormen van (exploitatie van) prostitutie</al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een
                    daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen
                    en dergelijke), is de invloed van de exploitant naar verhouding het grootst. In
                    de inrichting bepalen zij de ‘huisregels’ voor de prostituee, die bijvoorbeeld
                    kunnen uiteenlopen van verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de
                    prostituee om onveilig seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van
                    prostitutie wordt de hoogte van de inkomsten van de exploitant rechtstreeks
                    beïnvloed door het aantal klanten.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van ‘ramen’, en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf ‘de regels te bepalen’.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld
                    geen betoog, dat van ‘zichtbare’ vormen (straat- en raamprostitutie) een veel
                    sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of
                    escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer
                    zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook
                    in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot
                    uitdrukking zal komen.</al><al>Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de hier geschetste ‘zelfstandigheid’ van
                    de prostituee niet dient te worden opgevat als het zelfstandig ondernemerschap,
                    zoals dat wordt gedefinieerd door het Ministerie van Economische Zaken en onder
                    meer wordt toegepast bij de beoordeling of ondernemers uit EU-associatielanden
                    zich hier mogen vestigen. Aan dat zelfstandig ondernemerschap worden -
                    vanzelfsprekend - verdergaande eisen gesteld (die betrekking hebben op het
                    oprichten en instandhouden van een onderneming). Meer hierover is te vinden in
                    de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid onder c.</al><al>5. Handhaving</al><al>In algemene zin - en ook in casu - moet, voordat wordt besloten over het
                    vaststellen van vergunningsvoorschriften, worden bezien of handhaving daarvan in
                    voldoende mate mogelijk is. Aanwijzing 13 van de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving (VNG uitgeverij, Den Haag, 1998) hierover: ‘Nieuwe regelingen, die
                    niet verplicht zijn voorgeschreven door een hogere regeling, worden niet tot
                    stand gebracht dan nadat is nagegaan of naleving goed mogelijk is en of
                    uitvoering en handhaving in voldoende mate te realiseren zijn.’</al><al>Blijkens de MvT acht de wetgever het ‘vanzelfsprekend dat voldoende capaciteit
                    bij politie, gemeentelijke autoriteiten en Openbaar Ministerie aanwezig moet
                    zijn om bestuurlijk en strafrechtelijk op te treden tegen vormen van prostitutie
                    die in strijd zijn met de in artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht
                    neergelegde verboden of de gemeentelijke vergunningsvoorschriften. Met het oog
                    daarop is in de MvT aangekondigd dat:</al><lijst><li nr="-"><al>met de betrokken instanties en overheden afspraken zullen worden gemaakt
                            ter verzekering van het inzetten van voldoende
                            handhavingscapaciteit;</al></li><li nr="-"><al>inzet van extra middelen zo nodig zal worden gerealiseerd door
                            herschikking van middelen en een andere prioriteitsstelling; en</al></li><li nr="-"><al>daartoe, overeenkomstig de aanbeveling van het Openbaar Ministerie (OM),
                            een zogenaamd handhavingsarrangement zal worden opgesteld.</al></li></lijst><al>Aan de hand van dit handhavingsarrangement zullen in het driehoeksoverleg tussen
                    burgemeester, politie en OM afspraken moeten worden gemaakt over de handhaving
                    op lokaal niveau. Op de inhoud van het handhavingsarrangement en de daarover op
                    lokaal niveau te maken afspraken, zal nader worden ingegaan in het onderdeel
                    handhavingsarrangement van het handboek Lokaal prostitutiebeleid. Overigens is
                    de wetgever van mening dat de naleving van gemeentelijke voorschriften over
                    (exploitatie van) prostitutie primair - en afdoende - kan worden verzekerd door
                    inzet van bestuurlijke handhavingsinstrumenten en dat het daarom niet nodig is
                    overtredingen daarvan aan te merken als misdrijven in strafrechtelijke zin.</al><al>Mensenhandel</al><al>Op advies van het Openbaar Ministerie en de Raad van State zijn de artikelen
                    250bis (algemeen bordeelverbod), 250ter (verbod op mensenhandel) en 432, aanhef
                    en onder 3° (verbod op soutenage) geïntegreerd in artikel 250a van het Wetboek
                    van Strafrecht. Tot 1 februari 1994, toen artikel 250ter werd gewijzigd, waren
                    vrouwenhandel en handel in minderjarige mannen strafbaar. Met de wijziging van
                    artikel 250ter werd ook handel in meerderjarige mannen onder de strafbepaling
                    gebracht en gold de strafbaarstelling mensenhandel. Overigens komt de term
                    ‘mensenhandel’ in artikel 250a niet letterlijk voor.</al><al>De bestrijding van mensenhandel is een belangrijke doelstelling van de opheffing
                    van het algemeen bordeelverbod. Over het algemeen verkeren illegale prostituees
                    door diverse omstandigheden in een extra kwetsbare positie. In het geval van
                    mensenhandel worden zij veelal onder valse voorwendsels naar Nederland gelokt en
                    op tal van manieren gemanipuleerd, bijvoorbeeld doordat hun paspoort wordt
                    ingenomen of doordat hun angst wordt aangepraat voor de politie. Bovendien zijn
                    zij, anders dan Nederlandse prostituees, meestal volkomen geïsoleerd van de
                    buitenwereld: er is weinig tot geen contact met familie, vrienden en kennissen
                    en voor zover zij al contact kunnen zoeken met de buitenwereld vormt het
                    taalprobleem daarbij vaak een barrière.</al><al>De wetgever acht daarom een extra stringente aanpak van mensenhandel op zijn
                    plaats en heeft mede daarvoor artikel 250a in het Wetboek van Strafrecht
                    opgenomen. Daarvoor evenzeer van belang acht de wetgever het dat gemeenten, via
                    de door hen vast te stellen vergunningsvoorschriften, het exploitanten verbieden
                    in hun bedrijf prostituees zonder geldige verblijfstitel werkzaam te laten zijn
                    (zie hiervoor de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid, onder c).</al><al>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders</al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van deze
                    model-APV en in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb).</al><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                    daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle
                    het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen
                    als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning
                    kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als
                    toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor
                    adequate controle noodzakelijk zijn.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Nulbeleid. "Bescherming openbare zeden" in bestemmingsplan is geen motief.</al><al>Een aantal gemeenten willen een formeel dan wel feitelijk zogenoemd nulbeleid
                    t.a.v. de vestiging van bordelen voeren. Zij willen bordelen weren uit hun
                    gemeente, meestal om te vermijden dat de sociaal-maatschappelijke structuur van
                    de gemeente wordt aangetast. Het motief wordt wel gezocht in ethische
                    opvattingen van de burgers in de gemeente. Deze wens van gemeenten druist in
                    tegen de opvatting van de formele wetgever op dit gebied. Bij de opheffing van
                    het bordeelverbod per 1 oktober 2000 is aangegeven dat vanaf die datum bordelen
                    net zo legaal zijn als bijvoorbeeld een bakker(swinkel). M.a.w. bordelen moeten
                    een (legale) plaats in onze maatschappij krijgen. De vraag nu was of gemeenten
                    ook verplicht konden worden bordelen toe te laten op hun grondgebied. De
                    minister van Justitie gaf een en ander maal in de Tweede Kamer en later in
                    beantwoording van Kamervragen aan dat het gemeenten niet vrij staat een
                    nulbeleid te voeren, omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt.</al><al>Het is zeer de vraag of de opheffing van een (strafrechtelijk) verbod tevens de
                    opheffing van een gemeentelijk (bestuursrechtelijk) verbod inhoudt, zoals de
                    minister beweert in de beantwoording van de Kamervragen (TK 2001-2002, nr 756).
                    De provincie Zuid-Holland geeft (wellicht daarom) in de Provinciale
                    Praktijkbrief over ruimtelijke plannen (jaargang 3, nr. 1, maart 2001) aan dat
                    op grond van ruimtelijke overwegingen een gemeentebestuur een nulbeleid d.w.z.
                    een totaalverbod kan voorstaan en weergeven in de ruimtelijke plannen in de
                    gemeente. Het zijn deze ruimtelijke overwegingen waarin sommige gemeenten hun
                    heil zoeken om een totaalverbod op bordelen in hun gemeente te creëren. In
                    Barneveld lag de openbare zedelijkheid ten grondslag aan de
                    bestemmingsplanvoorschriften die een bordeelverbod inhielden. Dat argument vond
                    geen genade in de ogen van de ABRS: het argument van de openbare zedelijkheid is
                    geen ruimtelijk argument, sterker nog het is géén argument. De Afdeling zegt
                    hierover dat het motief dat strekt tot bescherming van de openbare zeden reeds
                    door de wetgever in formele zin volledig is afgewogen. In dezelfde zin Gst.
                    2000, 7124, p. 387: "Ook op het terrein van de openbare zedelijkheid is er voor
                    de lokale wetgever zonder formeel-wettelijke grondslag geen of weinig ruimte,
                    afgezien nog van de vraag naar de wenselijkheid hiervan." ABRS 22-05-2002,
                    200102324/1, LJN-nr. AE2838, JG 02.0108 m.nt. A.L. Esveld.</al><al><vet>Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                            waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                            seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                            erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                            worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                            sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                            begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                            elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                            bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                            hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                            particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                            rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de
                            tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde
                            natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                            feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                            escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                            van: </al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                    6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="-"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al>Deze omschrijving van het begrip ‘prostitutie’ is afgeleid van de definitie in
                    artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen ‘derde’ en ‘betaling’ uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk ‘ander’
                    en ‘vergoeding’.</al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). ‘Seksinrichting’ als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term ‘besloten ruimte’, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip ‘gebouw’. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord ‘besloten’ duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren.</al><al>Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met een of
                    meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich
                    te vestigen. Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen
                    van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele
                    apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke
                    vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van
                    automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel
                    van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden ‘live’ - worden
                    gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het
                    sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                    erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin
                    incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als
                    ‘sekstheater’ te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd
                    als een evenement (een ‘voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak’),
                    waarvoor volgens artikel 2.2.2 vergunning van de burgemeester vereist is.</al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op
                    Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht.
                    Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en
                    andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van
                    een seksinrichting en een escortservice.</al><al>De omschrijving van het begrip ‘sekswinkel’ is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen ‘seksinrichting’ als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.2.1,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3.2.7 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3.2.7 kan onderdeel e
                    in artikel 3.1.1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    ‘Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke’ te luiden.</al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3.2.3 of 3.2.4 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als ‘bezoeker’ moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip ‘bezoeker’ zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><al><vet>artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of,
                    voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                    burgemeester.</al><al>Commentaar</al><al>De artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 162 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met ‘het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven’ (eerste lid) en met ‘de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht’ (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip ‘ruimte’
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip ‘bevoegd bestuursorgaan’ gehanteerd en
                    is dat in artikel 3.1.2 eenmalig gedefinieerd.</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college is
                    bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan
                    af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van
                    de burgemeester zelf of van het college is.</al><al>Bij artikel 221 van de gemeentewet (oud), de ‘voorganger’ van artikel 174, was
                    nog de vraag: is ten aanzien van voor publiek openstaande gebouwen de
                    burgemeester exclusief bevoegd, of kan - bij verordening - ook het college
                    bevoegd worden verklaard? In het derde lid van artikel 174 is deze vraag
                    beantwoord ten gunste van de burgemeester, wat sinds ARRS 02-02-1989,Gst. 1989,
                    4 eensluidende Kroon-, HR- en ARRS-jurisprudentie is.</al><al>Blijkens ARRS 27 augustus 1993, JG 94.0053, moet een raamprostitutiebedrijf
                    worden beschouwd als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                    174, eerste lid, van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de
                    burgemeester exclusief bevoegdheid is.</al><al><vet>artikel 3.1.3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de
                    uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al>Commentaar</al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3.1.3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel ‘tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen’.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen ‘nadere regel’ maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al><vet>Paragraaf 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                        dergelijke</vet></al><al><vet>artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                            wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Zoals uiteengezet in de algemene toelichting onder 2, is er hier voor gekozen de
                    exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van
                    de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente
                    geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt
                    eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging
                    van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering
                    van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de
                    naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning
                    uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen,
                    indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle,
                    of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met
                    vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in
                    daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige
                    verboden. Zo’n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare
                    orde of van de woon- en leefomgeving: het concentreren van seksinrichtingen in
                    bepaalde gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende
                    intensiteit toezicht te kunnen uitoefenen of om deze inrichtingen te weren uit
                    woonwijken of andere gebieden die vanuit een oogpunt van woon- en leefomgeving
                    ‘gevoelig’ zijn. Behalve ten aanzien van seksinrichtingen in het algemeen, kan
                    een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook worden gevoerd ten aanzien van een of
                    meer vormen daarvan.</al><al>Als grondslag voor een (algemeen) concentratiebeleid, zou artikel 3.2.1 als
                    volgt kunnen luiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een
                            seksinrichting te exploiteren of te wijzigen in door het college
                            aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in andere gebieden of
                            delen van de gemeente dan de in het eerste lid bedoelde.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                            escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.</al></li><li nr="4."><al>In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></li></lijst><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang
                    van openbare orde of van de woon- en leefomgeving, ervoor worden gekozen het
                    aantal vergunningen dat kan worden verleend aan een maximum te binden. Zo’n
                    maximumbeleid kan ‘zelfstandig’ worden toegepast, maar kan ook worden gehanteerd
                    ter ondersteuning van genoemd concentratiebeleid: denkbaar is immers dat een
                    maximumbeleid een waardevolle bijdrage kan leveren bij de bescherming van de
                    openbare orde of de woon- en leefomgeving in gebieden die zijn aangewezen voor
                    het exploiteren van seksinrichtingen. Indien de plaatselijke omstandigheden
                    daartoe aanleiding geven, kan een maximum-beleid worden toegesneden op de
                    uiteenlopende vormen van seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op
                    de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat beleid worden
                    gevoerd waarin de vestiging van raamprostitutiebedrijven slechts in zeer
                    beperkte mate, of zelfs in het geheel niet wordt toegestaan.</al><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                    uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor de
                    splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam dit met name voor bij
                    raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS 29-08-1989; Gst. 6901, 6 en JG
                    90.0003. Zie verder de toelichting bij artikel 3.3.2, tweede lid, onder a.</al><al>Vanzelfsprekend is het mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een
                    bepaalde duur, bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van
                    inrichting(en) of het gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. In
                    deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht
                    als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een eenduidige systematiek
                    gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder omvattend (kunnen) zijn, omdat
                    de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting
                    plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal
                    beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en beheerder.
                    Tegen die achtergrond is het denkbaar dat gemeenten voor escortbedrijven geen
                    vergunningplicht, maar een meldingsplicht instellen.</al><al>Voor zover zij betrekking heeft op seksbioscopen, komt de vergunningplicht niet
                    in strijd met de Wet op de filmvertoningen. Dat kan worden afgeleid uit de
                    conclusie van A.G. Remmelink voor HR 18 september 1978, NJ 1979,85 en uit ARRS
                    18-09-1981, Gst. 6718, 2. Blijkens Wnd. Vz.ARRS 08-08-1981, Gst. 6688, 5, is zij
                    evenmin strijdig met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
                    rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en in ontvangstname van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1.4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                    Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                    invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. Denkbaar is dat het
                    bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een prostitutiebedrijf
                    toelaatbaar acht maar, ter bescherming van de woon- en leefomgeving of ter
                    voorkoming van (verkeers)overlast, een raamprostitutiebedrijf niet of slechts in
                    beperkte mate. In dat geval moet het bevoegd bestuursorgaan zich er bij
                    beoordeling van de aanvraag van bewust (kunnen) zijn dat aan een te verlenen
                    vergunning het voorschrift dient te worden verbonden dat het ter plaatse te
                    exploiteren prostitutiebedrijf niet van zogenaamde vitrines of ramen
                    respectievelijk slechts van een bepaald aantal vitrines mag zijn voorzien. Door
                    wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat deze
                    personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan de
                    eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3.2.2. De
                    vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit
                    blijkt uit artikel 1.5.</al><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in
                    het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn
                    om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                    behandelen. Het kan van meer gegevens wenselijk zijn om ze te kunnen hanteren
                    als behandelingsvereiste als hier bedoeld; daartoe kan het tweede lid worden
                    uitgebreid. Bij wijze van voorbeeld van een meer uitgebreid tweede lid, volgt
                    hier de volgende alternatieve tekst:</al><al>2. In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>het aantal werkzame prostituees;</al></li><li nr="d."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="e."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel
                            van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;</al></li><li nr="f."><al>de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met
                            een schaal van tenminste 1:100;</al></li><li nr="g."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van
                            Koophandel; en</al></li><li nr="h."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik
                            van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.</al></li></lijst><al>Ook kan - door het bevoegd bestuursorgaan - een nadere regel (als bedoeld in
                    artikel 3.1.3) worden vastgesteld. Overwogen kan worden om, al dan niet per type
                    seksinrichting, een aanvraagformulier vast te stellen als bedoeld in artikel 4:4
                    van de Awb.</al><al><vet>artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                            beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                    door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                    Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                    artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                    toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                            met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                            417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                            Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                            exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf
                            die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                            gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid,
                            is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt
                            treft.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    ‘decriminaliseren’ van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Daartoe is op 9 augustus 1999 het Besluit inlichtingen justitiële documentatie
                    (Stb. 1999, 353) gewijzigd. Het onderdeel van het gewijzigde besluit dat
                    samenhangt met de opheffing van het algemeen bordeelverbod, treedt op een bij
                    koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. Als gevolg van deze wijziging
                    kunnen aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als
                    bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag.</al><al>In artikel 3.2.2. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en
                    mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de
                    opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de
                    mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding ‘in enig opzicht slecht
                    levensgedrag’ in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van ‘in enig opzicht slecht levensgedrag’. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord ‘naast’ aan het begin van het tweede lid. Bij de beoordeling van deze
                    zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en de
                    toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover reeds
                    bestaande jurisprudentie.</al><al><vet>artikel 3.2.3 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en
                            daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met zondag tussen 00.00 uur en 11.00 uur;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in
                            artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                            vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
                            gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of
                            tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient
                            te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in
                            de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Wet milieubeheer
                            gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde of de woon-
                    en leefomgeving, ter voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet
                    dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende
                    sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet
                    dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te
                    treffen voor het sluitingsuur van openbare inrichtingen als deze, mits de grond
                    voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet is gelegen
                    in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de
                    Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in
                    zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde
                    voorzieningen te treffen.</al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen
                    werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of
                    geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de vorm
                    van een nadere regel als bedoeld in artikel 3.1.3 - voor verschillende typen
                    seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden
                    vastgesteld.</al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    ‘seksinrichting’) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3.1.1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1.4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3.2.3 strekt tot
                    handhaving van een publiekrechtelijke regeling.</al><al>Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3.1.1 kan vergunningplichtig zijn op
                    grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 322).</al><al>Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens
                    voorschriften worden verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de
                    inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voor zover de
                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet
                    milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of
                    beperking van gevaar, schade of hinder die voortvloeit uit het in werking zijn
                    van krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen. De raad is niet
                    bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen indien daarmee wordt beoogd
                    dezelfde belangen te beschermen, en kan dus niet via de APV - aanvullend -
                    gevaar, schade of hinder tegengaan die wordt veroorzaakt door een krachtens de
                    Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting.</al><al>Blijkens Vz.AGRS 24-01-1985, WO RvS 1985, G9, kan aan de Hinderwetvergunning een
                    sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van hinder voor de omgeving,
                    bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers. Hierop is nader ingegaan in AGRS
                    0802-1991, ABkort 1991, 281, waarin is vermeld dat bij verlening van een
                    hinderwetvergunning aan een inrichting waarbij van de bezoekers hinder te
                    duchten is, een voorschrift betreffende het sluitingsuur ter voorkoming of
                    beperking van die (geluid)hinder niet kan worden gemist, en dat een
                    hinderwetvergunning waarin zo’n voorschrift ontbreekt zich niet verdraagt met
                    artikel 17 van de Hinderwet.</al><al>Blijkens de Kroonjurisprudentie mag daarbij slechts rekening worden gehouden met
                    ‘normale’ hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Alleen die overlast is
                    volgens de Kroon te beschouwen als hinder in de zin van de Hinderwet (thans: de
                    Wet milieubeheer), een van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
                    Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast die zich afspeelt een of
                    meer straten van de inrichting vandaan, vallen volgens de Kroon niet onder de
                    wetsterm ‘hinder’. Aan een gemeentelijke verordening die een algemene
                    sluitingsuurregeling bevat ter voorkoming of beperking van excessieve en verder
                    verwijderde overlast, ligt dan een ander motief ten grondslag dan aan de Wet
                    milieubeheer. Dit gaat op voor artikel 3.2.3, dat niet is toegespitst op de
                    specifieke situatie in en rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de
                    nadelige invloed van de aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986,
                    AB 1987, 326).</al><al><vet>artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in
                            geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                            bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of
                                    tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                            bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid
                            bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene
                            wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Ten opzichte van artikel 3.2.3 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het ‘reguliere’ sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3.2.4 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="-"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.2.3
                            gestelde; of</al></li><li nr="-"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.3.2, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3.2.3, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3.2.4 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven
                    sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een
                    opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het
                    aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief)
                    bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een
                    klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                    daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op
                    de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                    toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb. Nu het
                    bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat
                    deze gesloten dient te zijn (artikel 3.2.3, derde lid), is in het tweede lid
                    bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al>Op zichzelf ontleent de burgemeester reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel
                    174 van de Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt
                    duidelijk, waarom het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de APV op
                    te nemen: ‘De beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit artikel 221
                    gemeentewet (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke handhaving van de
                    openbare orde de actuele situatie tot onderwerp heeft en dat hier alleen het
                    nemen van concrete maatregelen op korte tijd aan de orde is. Wil een verder
                    vooruitziend besturen meteen op langere termijn concreet gestalte krijgen, dan
                    dient de burgemeester te beschikken over de bevoegdheid tot uitvoering van
                    gemeentelijke verordeningen of van andere wettelijke voorschriften. Bij het
                    gebruik van zijn sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime
                    beoordelings- en beslissingsvrijheid. Voor rechterlijke toetsing van het gebruik
                    van die bevoegdheid bestaat derhalve slechts een beperkte marge.</al><al>In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet
                    dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Blijkens Vz.ARRS
                    26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116, en ABRS 05071996, JG 96.0266, voldoet een
                    sluitingsbevel zonder tijdsbepaling niet aan de aard en het doel van artikel 221
                    gemeentewet (oud). Indien gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan
                    de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op
                    basis van artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten
                    aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook sluiting
                    voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn als de vestiging
                    van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal zijn - met het lokaal
                    beleid.</al><al>Zie ter vergelijk: ABRS 29-04-1997, R03.93.4839; niet gepubliceerd, waarin de
                    sluiting van een coffeeshop voor onbepaalde tijd in verband met de aanwezigheid
                    van harddrugs geoorloofd wordt geacht, omdat het beleid inhoudt dat coffeeshops
                    die zich daaraan schuldig maken definitief van de gedooglijst worden geschrapt.
                    Een ander en beter voorbeeld is een seksinrichting die het in het lokaal beleid
                    vastgestelde maximum aantal inrichtingen overschrijdt en daarom niet voor
                    vergunningverlening in aanmerking komt. Zo’n inrichting kan voor onbepaalde tijd
                    worden gesloten. Zie ter vergelijk: Vz.ABRS 05-09-1997; Gst. 7069, 4, waarin een
                    coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten wegens strijdigheid met het
                    geldende nulbeleid. Een sluiting voor onbepaalde tijd staat de opheffing ervan
                    op een later tijdstip niet in de weg.</al><al><vet>artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                        beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                            zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde
                            exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in
                            de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid. Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept. Indien zich in de inrichting strafbare
                    feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in
                    bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Afhankelijk van de omstandigheden en
                    het gestelde in het handhavingsbeleid kan tot een tijdelijke beperking van de
                    openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de
                    vergunning worden besloten. Om in deze zin bestuursrechtelijk te kunnen optreden
                    is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging of veroordeling is
                    voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is
                    uitgeoefend.</al><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                    inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                    verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht
                    dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht
                    bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder
                    verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid
                    geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt
                    bijgehouden.</al><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                    expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                    exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                    toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang
                    moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of
                    verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig
                    zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een
                    (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><al>Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige) verstoring van
                    de openbare orde. Als niet de overtreding van dit artikel, maar de
                    ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot sluiting over te gaan,
                    speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant in de beoordeling van
                    de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt, in het geheel
                    geen rol. Ook de omstandigheid dat de exploitant is vrijgesproken door de
                    strafrechter doet dan niet ter zake (ABRS 30-07-1996, AB 1996, 471).</al><al>Tegen de sluiting van een seksclub wegens prostitutie door minderjarigen
                    verweerde de exploitant zich door te wijzen op de inmiddels doorgevoerde
                    gewijzigde bedrijfsvoering om te voorkomen dat minderjarigen in zijn inrichting
                    werkzaam zouden zijn. Op basis van de verplicht over te leggen
                    legitimatiebewijzen van de medewerksters werd door hem sindsdien een volledige
                    lijst bijgehouden. De gemeente gaf ter zitting aan dat de sluiting zou worden
                    opgeheven als er een bevredigende controleregeling werd getroffen. Naar het
                    oordeel van de Afdeling heeft de gemeente het door de exploitant ingevoerde
                    systeem terecht niet als een sluitende en betrouwbare controleregeling
                    aangemerkt (ARRS 28-01-1992, S03.92.0095).</al><al><vet>artikel 3.2.6 Straatprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere
                            wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan
                            te lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                    gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod,
                            kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in
                            een bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan
                            door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                            tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich
                            onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
                            genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
                            gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                            gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                            vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het
                            eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat
                            in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                            noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester
                            opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun ‘huishouding’
                    (genoemd in artikel 3.3.2) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook
                    ten aanzien van straatprostitutie. Volgens het Landelijk Overleg
                    Tippelprostitutie (die zich bezighoudt met de hulpverleningprojecten voor
                    straatprostituees) komt straatprostitutie in acht gemeenten in Nederland voor
                    (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Arnhem, Nijmegen en
                    Heerlen) en gaat het in totaal om vijf procent van de prostituees.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden
                    met de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid. Aan de hand van de
                    omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van
                    een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de
                    woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of
                    juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de
                    openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken).</al><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter worden dat
                    het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening betreft. Vooralsnog
                    dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet
                    wordt getippeld, dit in het belang van de openbare orde en het woon- en
                    leefklimaat ook moeten kunnen voorkomen. In dat geval zou voor dit artikel
                    volstaan kunnen worden met de aanhef van lid 1 en het bepaalde in lid 2. In
                    beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo goed mogelijk te worden
                    onderbouwd.</al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor zover in de
                    aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van
                    de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel
                    12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten
                    (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden
                    opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in
                    verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                    subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend
                    middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                    verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                    toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van de
                    maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod individuele
                    uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De beantwoording van
                    deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft betrekking op de
                    eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in het concrete geval
                    moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of werkadres heeft in het
                    desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het verbod te worden
                    uitgezonderd.</al><al>Uit HR 09-01-1973, NJ 1973, 134, alsmede uit de conclusie van advocaat-generaal
                    Remmelink voor HR 08-05-1979, NJ 1979, 554, kan worden opgemaakt dat artikel
                    3.2.6 niet in strijd komt met artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (dat
                    toeziet op de schennis van de eerbaarheid).</al><al>Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen en
                    tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR
                    23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de gemeente
                    Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
                    die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of zich heen
                    en weer te bewegen op door het college aangewezen wegen of openbare plaatsen,
                    werd door de HR niet in strijd geacht met artikel 12 IVBPR (vrijheid van
                    beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar burgemeester en
                    wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod,
                    werd door de HR 06-11-1990, NJ 1991, 218, Gst. 6918, 8, geoordeeld dat van
                    strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was. Het verbod treft
                    weliswaar uitsluitend prostituees; dit gebeurt echter niet in verband met
                    persoonskenmerken, maar vanwege hun activiteiten.</al><al>Vz.ARRS 27-09-1991, BR 1992, p. 203: met betrekking tot de inrichting van een
                    tippelzone hebben het college van Arnhem terecht besloten dat geen
                    vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist
                    zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming verkeersdoeleinden, de
                    ‘afwerkschotten’, die uitsluitend ‘s avonds worden geplaatst, zijn dat evenmin.
                    Het plaatsen van een zogeheten huiskamerbus is een vorm van parkeren.</al><al>Pres. Rb Maastricht 25-08-1995, KG 1996,46: de aanwijzing van een tippellocatie
                    is een besluit van algemene strekking waartegen beroep bij de rechtbank mogelijk
                    is. De president ziet geen aanleiding het besluit te schorsen.</al><al>Pres. Rb Maastricht 03-07-1997, JB 1997, 206, en later ook de Rechtbank
                    Maastricht 02-06-1999, nrs. 98/387-389; niet gepubliceerd: de intrekking van de
                    aanwijzing van de enige tippellocatie door het college van Heerlen is in strijd
                    met het recht op bewegingsvrijheid (in casu is niet komen vast te staan dat er
                    sprake is van ‘pressing social need’) en in strijd met het recht op vrije
                    arbeidskeuze (artikel 19, derde lid van de Grondwet). Grondwettelijke rechten
                    kunnen - anders dan verdragsrechtelijke - slechts worden beperkt bij of
                    krachtens de wet in formele zin. Daar is in dit geval geen sprake van. Het
                    bestreden besluit mist derhalve een rechtmatige grond. De annotator merkt op dat
                    het tippelverbod slechts bepaalde handelingen verbiedt en dat het recht om te
                    gaan en te staan onverlet laat, zodat van strijdigheid met het recht op vrijheid
                    van beweging geen sprake kan zijn. Voor wat betreft het recht van vrije
                    arbeidskeuze volgt hij de president.</al><al>ARRS 10-02-1981, AB 1981, 446 en HR 07-02-1984, AB 1984, 274 - indirect vervolgd
                    door HR 11-06-1985, NJ 1986, 41, AB 1986,106 - zien op de vraag wat de
                    reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een verblijfsontzegging is.
                    Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee in overeenstemming. Vz.ARRS
                    31-07-1989, AB 1990, 315 maakt duidelijk dat de bevoegdheid van de burgemeester
                    niet te ruim kan worden gedelegeerd. Het toekennen van een beschikkingsmandaat
                    is niet toegestaan.</al><al><vet>artikel 3.2.7 Sekswinkels</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te
                    exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon-
                    en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al>Commentaar</al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3.1.1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het ‘seksinrichting’-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven)
                    echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat geval kan
                    worden overwogen artikel 3.2.7 op te nemen, op grond waarvan gebieden of delen
                    van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de
                    openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te
                    (doen) exploiteren. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3.2.7 kan
                    onderdeel e in artikel 3.1.1 achterwege worden gelaten en komt de titel van
                    afdeling 2 ‘Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke’ te luiden.</al><al><vet>artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische</vet></al><al>goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop
                            goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                            dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon
                            te stellen, aan te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                            aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die
                            dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                            leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al></li><li nr="b."><al>(algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij
                            het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en
                            dergelijke als hier bedoeld.</al></li></lijst><al>Zowel ‘bekendmaking’ als bedoeld onder a, als de vaststelling van ‘regels’ als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo’n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al><vet>Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden</vet></al><al><vet>artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                            vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na
                            de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                            weken verdagen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven
                    binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij
                    gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in
                    casu artikel 1.2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan
                    op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen zes weken na
                    de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden
                    verdaagd (tweede lid).</al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Indien een langere
                    beslissingstermijn dan de in artikel 1.2 genoemde wenselijk wordt geacht, kan
                    daartoe artikel 3.3.1 worden opgenomen (vanzelfsprekend is de daarin genoemde
                    termijn van twaalf weken indicatief). In dat geval dient tevens het derde lid
                    van artikel 1.2 als volgt te worden gewijzigd (!):</al><al>3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op
                    een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.</al><al>De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1.2 of artikel 3.3.1) is een
                    termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te
                    beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve
                    weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel
                    6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel 3.3.1 ligt daarom in de rede
                    indien moet worden aangenomen dat de in artikel 1.2 genoemde beslissingstermijn
                    niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn.</al><al><vet>artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3.2.2 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                            aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, kan
                            worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                    de woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostituee.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de ‘huishouding’, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    ‘weigeringsgronden’ hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><lijst><li nr="-"><al>bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden
                            vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen);</al></li><li nr="-"><al>nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel
                            3.1.3);</al></li><li nr="-"><al>beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van
                            de Awb);</al></li><li nr="-"><al>vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                            beperkingen (als bedoeld in artikel 1.4);</al></li><li nr="-"><al>de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in
                            artikel 1.6) of</al></li><li nr="-"><al>vergunning kan worden geweigerd.</al></li></lijst><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen. Om
                    discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de vergunning te
                    voorkomen, adviseren wij een vergunningsvoorschrift op te nemen dat niet mag
                    worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV. Zie voor
                    toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.2.2.</al><al>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                    leefmilieuverordening</al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan,
                    alsmede met een eventueel stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening als
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165,
                    is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                    planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid met zich mee dat
                    de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar
                    dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende
                    bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al>Het lokale prostitutiebeleid zal behalve op basis van dit APV-hoofdstuk mede in
                    belangrijke mate worden vormgegeven door gebruikmaking van de instrumenten van
                    de Woningwet en de Wet op de ruimtelijke ordening. In dat kader wordt verwezen
                    naar de VNG-ledenbrief d.d. 30 maart 1998 (Lbr. 98/48, AJZ/800989) alsmede het
                    handboek Lokaal prostitutiebeleid (VNGuitgeverij, Den Haag, 1999).</al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 250a
                    is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant
                    prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo
                    dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de
                    exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb
                    Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209: naar het oordeel van de Rechtbank zijn
                    terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen
                    ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een
                    aantasting van de openbare orde.</al><al>De passage over de Wav en de Vreemdelingenwet zal met name prostituees afkomstig
                    uit landen van buiten de Europese Unie betreffen. Onderdanen van de EU-lidstaten
                    kunnen in Nederland op legale wijze arbeid verrichten, ook in de prostitutie,
                    onder de voorwaarde dat de verworven inkomsten niet marginaal en bijkomstig
                    zijn. Voor onderdanen van niet-EU-lidstaten geldt dat niet. Zij dienen als zij
                    in Nederland arbeid in loondienst willen verrichten te beschikken over een
                    vergunning tot verblijf die het verrichten van arbeid in loondienst toestaat.
                    Houders van een vergunning tot vestiging, houders van de vluchtelingenstatus,
                    houders van een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen en houders van
                    een vergunning tot verblijf bij (huwelijks)partner (indien het deze partner is
                    toegestaan zonder nadere voorwaarden te werken) hebben in principe zo’n
                    vergunning. Zij hebben vrije toegang tot de arbeidsmarkt en mogen dus ook in een
                    seksinrichting werkzaam zijn. De werkgever behoeft in die gevallen niet te
                    voldoen aan de verplichting van de Wav om een tewerkstellingsvergunning voor de
                    desbetreffende werknemer aan te vragen. Voor het tewerkstellen van het overgrote
                    deel van vreemdelingen van buiten de EU is een tewerkstellingsvergunning echter
                    wel vereist. De werkgever die vreemdelingen arbeid laat verrichten zonder dat
                    hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning is strafbaar op basis van de
                    Wav. De vreemdeling die arbeid verricht terwijl hij of zij in Nederland illegaal
                    verblijft, kan wanneer hij of zij wordt aangetroffen op grond van de
                    Vreemdelingenwet worden verwijderd.</al><al>Ook na de opheffing van het bordeelverbod dient ingevolge artikel 3 van het
                    Besluit ter uitvoering van de Wav een tewerkstellingsvergunning geweigerd te
                    worden voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verrichten
                    van seksuele handelingen met of voor derden. Deze bepaling hangt samen met het
                    feit dat het tewerkstellen in de prostitutie strafbaar was. Hoewel deze bepaling
                    in verband met de opheffing van die strafbaarheid aan verandering toe is, zal
                    gedurende een ruime overgangsfase - waarin de prostitutiebranche moet groeien
                    naar een gereguleerde en genormaliseerde bedrijfstak - deze bepaling gehandhaafd
                    blijven. Deze categorale weigeringsgrond kan immers niet worden gemist als
                    instrument voor het voeren van een zeer terughoudend beleid. De komende tijd
                    zullen er, met andere woorden, geen vergunningen tot verblijf voor arbeid in
                    loondienst in een seksinrichting worden afgegeven aan personen van buiten de
                    EU.</al><al>Daarnaast bestaat er een, tot nu toe theoretisch gebleken mogelijkheid dat
                    prostituees van buiten de EU zich als zelfstandig ondernemer in Nederland
                    vestigen. Daartoe moet worden aangetoond dat aan alle voorwaarden voor
                    zelfstandig ondernemerschap is voldaan. Die voorwaarden zijn bijvoorbeeld het
                    inbrengen van specifieke geschoolde kennis en expertise, eigen kapitaal en een
                    ondernemingsplan. Wordt er aan de voorwaarden voldaan en is de openbare orde
                    niet in het geding en wordt er met de aanwezigheid van de prostituee een
                    Nederlands belang gediend, dan behoort een verblijfsvergunning voor arbeid als
                    zelfstandige tot de mogelijkheden. Komt de prostituee uit een van de landen
                    waarmee de EU een Associatie-overeenkomst heeft gesloten (Polen, Tsjechië,
                    Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije)dan geldt een iets gunstiger regime.
                    Wil een prostituee uit een van deze landen zich in Nederland vestigen dan gelden
                    de voorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap onverkort, maar zal er niet
                    getoetst worden of er een Nederlands belang is gediend met de vestiging.
                    Aangezien prostitutie ongeschoolde arbeid is, zal het niet vaak voorkomen dat
                    aan de gestelde voorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap wordt voldaan.</al><al>Als in een bordeel illegale prostituees worden aangetroffen en vast komt te
                    staan dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding, dan is er dus niet in
                    strijd gehandeld met de Wav, maar wel met de Vreemdelingenwet. Ook daarvoor kan
                    de exploitant of beheerder verantwoordelijk worden gehouden (vergelijk artikel
                    3.2.5, tweede lid, onder b). De aanwezigheid van illegale prostituees kan
                    aanleiding zijn om tot (tijdelijke) sluiting van de inrichting of tot intrekking
                    van de vergunning over te gaan. De uitspraak van de Rb Amsterdam 19-04-1999,
                    97/11149; niet gepubliceerd, in vervolg op de eerdere uitspraak in voorlopige
                    voorziening (Pres. Rb Amsterdam 28-01-1997, JB 1997,61) geeft op een aantal
                    belangrijke vragen antwoord:</al><lijst><li nr="-"><al>aan het begrip openbare orde moet blijkens de parlementaire geschiedenis
                            een ruime betekenis worden toegekend. Onder openbare orde wordt mede
                            verstaan de algemeen bestuurlijke preventie van criminaliteit.</al></li><li nr="-"><al>gelet op de aan illegale prostitutie inherente misstanden, kan de
                            burgemeester bij het toezicht op de prostitutiebedrijven ter handhaving
                            van de openbare orde de exploitant ertoe verplichten dat de werkzame
                            prostituee beschikt over een geldige verblijfstitel;</al></li><li nr="-"><al>een dergelijke voorwaarde vormt geen doorkruising van de
                            Vreemdelingenwet, aangezien het niet van invloed is op de beslissing
                            omtrent de verblijfsvergunning van de aanwezige prostituees;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde dat de exploitant ervoor dient te zorgen dat de prostituee
                            desgevraagd de toezichthouder inzicht verschaft in haar identiteit en
                            verblijfstitel, acht de Rechtbank echter in strijd met de Wet op de
                            identificatieplicht. Daardoor is de controle op de naleving van dit
                            voorschrift aanzienlijk bemoeilijkt en is voorbehouden aan de
                            vreemdelingendienst, of aan opsporingsambtenaren als sprake is van
                            verdenking.</al></li></lijst><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of
                    het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                    weigeren. De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan
                    onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning
                    kan worden verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal
                    vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden
                    geweigerd om te voorkomen dat de woon- en leefomgeving ter plaatse door de
                    vestiging van een nieuw bedrijf zou worden aangetast.</al><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB
                    1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf
                    aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in
                    de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een
                    ‘boventallige’ vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat
                    de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de woon-
                    en leefomgeving in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Om in
                    dat geval voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden
                    volstaan met het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is
                    bereikt maar moet ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van
                    bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat
                    beleid - toch vergunning te verlenen.</al><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                    horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                    aanvaard. Bij de toepassing van zo’n beleid kan een prostitutienota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                    gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                    welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook een
                    stadsvernieuwingsplan of een leefmilieuverordening kan daarvoor als hulpmiddel
                    dienen, indien daaruit het karakter van een bepaalde straat of wijk blijkt.
                    Vanzelfsprekend zal zo’n beleid zich moeten verhouden met het voor het
                    desbetreffende gebied van kracht of in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplan.</al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                    combinatie toegepast.</al><al>De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de
                    woon- en leefomgeving daardoor op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden
                    beïnvloed. Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in woonbuurten
                    of in de nabije omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (scholen, kerkgebouwen en
                    dergelijke). Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaatsgehad, kan op een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een
                    aangewezen gebied afwijzend worden beslist in het belang van de woon- en
                    leefomgeving ter plaatse.</al><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en
                    leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met de vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs,
                    bordelen en dergelijke. Ook een aspect van bescherming van de woon- en
                    leefomgeving is uiteraard de omvang van de inrichting. In een
                    vergunningvoorschrift, dat overigens tevens betrekking heeft op de hierna te
                    noemen grond veiligheid van personen, kan het maximale aantal werkzame
                    prostituees worden vastgesteld.</al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr="-"><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en</al></li><li nr="-"><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor zover
                            het gaat om het gebruik van de inrichting.</al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening. Het belang van de
                    verkeersvrijheid of -veiligheid zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij
                    straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats
                    op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen
                    voetgangers en motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300)
                    en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid
                    (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op
                    voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel
                    overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de
                    opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee,
                    waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de
                    hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door
                    de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te voeren.</al><al>Doelstelling van zo’n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen van
                    voorlichting over besmettingsrisico’s en seksueel veilig gedrag aan prostituees,
                    prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de belangrijkste
                    verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa. Ook kan het
                    beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten te (doen)
                    verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan toegankelijke
                    gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en prostituanten zich tegen een
                    beperkte vergoeding en op professionele wijze kunnen laten onderzoeken op de
                    aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn weerslag vinden in specifieke
                    vergunningvoorschriften. Daarbij valt te denken aan de verplichting voor de
                    exploitant om een ‘veilig seks beleid’ te voeren (dat wil zeggen dat ze geen
                    onveilige seks mogen aanbieden en veilige seks moeten faciliteren) en
                    prostituees in de gelegenheid moeten stellen zich regelmatig op soa te laten
                    onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden opgenomen dat de exploitant
                    verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot de inrichting ten behoeve van de
                    voorlichting van prostituees. Als GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen
                    als toezichthouders is een dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende
                    zijde is echter opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich
                    moeilijk verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift
                    waar in het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                    worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie.</al><al>Waar het gaat om de preventie van soa’s wordt wel eens gedacht over het
                    verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                    Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle mogelijk
                    is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich uitbreidt en
                    dat een toenemende groep, met name seropositieve of drugsgebruikende,
                    prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en medische zorg.</al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve
                    actueel. Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een
                    sekswinkel aan een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en
                    451bis van het Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend
                    beantwoord.</al><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief
                    zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans
                    niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het
                    zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor
                    bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar. Volgens de MvT betreft
                    de bescherming en verbetering van de positie van de prostituee, die als gezegd
                    één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging is, onder meer de
                    arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op
                    delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een
                    arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><al>Blijkens haar aanhef ziet deze Arbowet op ‘de arbeidsomstandigheden in het
                    algemeen, en op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de
                    arbeid in het bijzonder’. De wet geeft daarover, ten aanzien van zowel
                    werkgevers als werknemers, voorschriften. In artikel 24 van de Arbowet zijn tal
                    van onderwerpen vermeld, waarover bij of krachtens een algemene maatregel van
                    bestuur (AMvB) nadere regels kunnen worden gesteld. Nadat op grond van dit
                    artikel aanvankelijk voor tal van vormen van arbeid, een groot aantal AMvB’s was
                    vastgesteld, is in plaats daarvan op 1 juli 1997 het
                    Arbeidsomstandighedenbesluit (Stb. 1997, 60) in werking getreden.</al><al>Het arbeidsomstandighedenbeleid in de onderneming begint met het in kaart
                    brengen van de risico’s. Een hulpmiddel hiervoor is de risico-inventarisatie en
                    -evaluatie (RIE). Elke werkgever is verplicht de arbeidsrisico’s in zijn of haar
                    bedrijf te inventariseren en op papier te zetten. De werkgever vraagt - in
                    overleg met de ondernemingsraad - advies over deze RIE aan een gecertificeerde
                    Arbodienst. Op basis hiervan wordt een plan van aanpak gemaakt waarin concrete
                    maatregelen worden aangegeven. Uitgangspunt is preventie: het voork-men van
                    risico’s. Een gecertificeerde Arbodienst moet dit plan van aanpak beoordelen en
                    goedkeuren.</al><al>Zoals gezegd is het uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de Arbowet en het
                    Arbobesluit het bestaan van een (gezags)relatie tussen werkgever en
                    werknemer(s). Deze begrippen zijn omschreven in artikel 1, eerste en tweede lid,
                    van de wet. Als werkgever moet onder meer worden beschouwd a) degene jegens wie
                    een ander krachtens arbeidsovereenkomst gehouden is tot het verrichten van
                    arbeid en b) degene die, zonder werkgever of werknemer te zijn als bedoeld onder
                    a, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten. Als werknemer moet worden
                    beschouwd ‘de ander’ als hierboven bedoeld.</al><al>Tussen exploitant en prostituee bestaat een gezagsrelatie indien eerstgenoemde
                    bevoegd is toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden van laatstgenoemde en
                    deze leiding dan wel aanwijzingen of instructies te geven. Of de prostituee
                    arbeid verricht ‘onder gezag’ van de exploitant, zal moeten worden beoordeeld
                    aan de hand van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. In
                    theorie denkbaar maar in de praktijk weinig aannemelijk (vooral waar het de
                    besloten prostitutie betreft), is dat tussen exploitant en prostituee zodanige
                    afspraken zouden bestaan dat iedere verplichting tot het verrichten van arbeid
                    ontbreekt. Dit laat onverlet dat, zoals aangegeven in de algemene toelichting
                    onder 4, er vormen van exploitatie van prostitutie bestaan waarin de prostituee
                    in hoge mate zelfstandig werkzaam is. Bij bijvoorbeeld raamprostitutie zal de
                    relatie tussen exploitant en prostituee zich mogelijk veelal beperken tot een
                    overeenkomst tot (ver)huur van een ruimte waarin de prostituee niet onder gezag
                    van een derde arbeid verricht.</al><al>Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot opheffing van het bordeelverbod
                    is de vraag of de Arbowet ook van toepassing kan zijn op zelfstandige
                    prostituees, de zogeheten freelancers, expliciet aan de orde geweest. In een
                    brief aan de Tweede Kamer (TK 25 437, nr. 19) antwoordt de minister dat de
                    staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid thans geen aanleiding ziet
                    om de werkingssfeer van de Arbowet tot deze groep zelfstandige prostituees uit
                    te breiden. Artikel 27 van de Arbowet biedt weliswaar de mogelijkheid om delen
                    van de wet bij AMVB ook voor zelfstandigen te laten gelden, maar de
                    staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal daartoe pas overgaan
                    als de uitkomsten van het evaluatieonderzoek daartoe aanleiding.</al><al>De Arboregelgeving is met andere woorden - ook in de prostitutiebranche - alleen
                    van toepassing voor zover er sprake is van een gezagsrelatie. Ook gemeenten
                    kunnen inzake arbo-aangelegenheden, zo staat in de brief aan de Tweede Kamer,
                    geen eisen stellen aan de zelfstandige prostituee. Enige nuancering is hier
                    echter op zijn plaats: in het kader van de hiervoor genoemde belangen, zoals
                    gezondheid en veiligheid, kunnen gemeenten uiteraard wel eisen stellen aan de
                    seksinrichting die in meer of mindere mate van invloed zijn op de
                    arbeidsomstandigheden. Bovendien is de vraag gerechtvaardigd of gemeente niet op
                    grond van het nieuwe artikel 151a van de Gemeentewet bevoegd zijn om regels te
                    stellen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. In de (summiere)
                    toelichting van dit bij amendement ingevoerde artikel staat
                    arbeidsomstandigheden immers expliciet vermeld als onderwerp waarover in de
                    gemeentelijke verordening regels kunnen worden gesteld.</al><al>Ondanks het feit dat de Arboregelgeving niet van toepassing is op zelfstandigen,
                    wordt groot belang geacht aan de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Om die
                    reden is dit belang ook in dit artikel opgenomen. Hierdoor kunnen overtredingen
                    van de Arboregelgeving gevolgen hebben voor de vergunningverlening (weigering,
                    wijziging, intrekking van de vergunning of sluiting van de inrichting) en kunnen
                    (overeenkomstig de Arbowet en het Arbobesluit) voorschriften of beperkingen aan
                    de vergunning worden verbonden. Het voordeel hiervan is dat hierdoor de naleving
                    van de Arboregelgeving beter kan worden gehandhaafd.</al><al>artikel 58 van de Arbowet (artikel 45 Arbowet 1998, die per 1 november 1999
                    inwerking treedt) biedt gemeenten de ruimte om, indien bijzondere omstandigheden
                    van plaatselijke aard dit nodig maken, om in de gemeenteraad nadere
                    voorschriften betreffende arbeidsomstandigheden vast te stellen. Deze
                    voorschriften - die geen betrekking kunnen hebben op zelfstandige prostituees -
                    moeten voor goedkeuring eerst aan de minister van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid te worden voorgelegd. Uit het oogpunt van doelmatigheid wordt
                    gemeenten van rijkszijde echter geadviseerd zo min mogelijk gebruik te maken van
                    deze bevoegdheid.</al><al>Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Arbowet vastgestelde
                    voorschriften wordt uitgeoefend door de Arbeidsinspectie. Voor zover de gemeente
                    daarentegen haar regelgevende bevoegdheid echter (autonoom) ontleent aan de
                    Gemeentewet, is niet de Arbeidsinspectie toezichthouder maar de daarmee door de
                    gemeente belaste personen (artikel 6.2). Het verdient vanzelfsprekend
                    aanbeveling om, waar nodig, de werkzaamheden van de Arbeidsinspectie en de
                    ‘eigen’ toezichthouders zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.</al><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                    arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht kwam
                    het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen prostituee en
                    exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke overeenkomst in
                    strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu artikel 250bis zich
                    richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon worden geacht. Met de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze discussie aan belang
                    verloren.</al><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet worden
                    aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de prostituee
                    en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de regelgevende bevoegdheid)
                    van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT stelt ook de wetgever zich op
                    het standpunt dat ‘de centrale noch de lokale overheid het tot haar taak dient
                    te rekenen om binnen de grenzen van vrijheid en zelfbepaling nadere regels te
                    stellen over de rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee.</al><al><vet>Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al><vet>artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                            vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft
                            de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                            bestuursorgaan.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al><vet>artikel 3.4.2 Wijziging beheer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b,
                            het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                            beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
                            beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd
                            bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het
                            bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                            verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te
                            wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a,
                            is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer
                            worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een
                            aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de
                            aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al>Uit het oogpunt van lastenvermindering verkiezen sommige gemeenten bij de
                    wijziging in het beheer een systeem van verplichte kennisgeving in plaats van
                    wijzigingsvergunningen. Een alternatieve tekst van het tweede en derde lid is
                    dan:</al><al>2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder of nieuwe
                    beheerders, indien de exploitant het bevoegd bestuursorgaan hiervan vooraf in
                    kennis heeft gesteld en het bevoegd bestuursorgaan de kennisgeving heeft
                    aanvaard, dan wel na de kennisgeving zes weken zijn verstreken.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                        het</vet></al><al>uiterlijk aanzien van de gemeente</al><al><vet>Afdeling 1 Geluid- en lichthinder</vet></al><al><vet>artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Besluit: het Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen
                            milieubeheer;</al></li><li nr="2."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="3."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                            beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al></li><li nr="4."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een
                            klein aantal inrichtingen is verbonden.;</al></li><li nr="5."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                            één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Inrichtingen</al><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wet milieubeheer (Wm)
                    zijn de categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen
                    veroorzaken voor het milieu. Deze inrichtingen moeten een vergunning aanvragen
                    op grond van de Wm. Onder inrichting verstaat de Wm (in artikel 1.1, eerste lid)
                    ‘elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht’. Ook (tijdelijke) uitbreidingen van de inrichting die onderdeel
                    uitmaken van de inrichting, zoals bijvoorbeeld een feesttent, vallen onder de
                    vergunningplicht.</al><al>Zo zijn vergunningplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>Categorie 18 van bijlage I van het Ivb: hotels, restaurants, pensions,
                            cafés, cafetaria’s, snackbars, discotheken en aanverwante
                            inrichtingen.</al></li><li nr="b."><al>Categorie 19 van bijlage I van het Ivb: inrichtingen voor het gebruik
                            van speelautomaten, dansscholen, sportscholen, muziekscholen.</al></li></lijst><al>De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een
                    besluit op grond van artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft bijvoorbeeld het
                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Dit besluit
                    vervangt per 1 oktober 1998 het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Bij de
                    omschrijving van het begrip ‘inrichting’ in het artikel 4.1.1. is aansluiting
                    gezocht bij de definitie van dit begrip in het nieuwe Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer. Onder het oude besluit viel vooral de
                    ‘stille’ horeca. In artikel 2 van het Besluit horeca-, sport-en recreatie
                    inrichtingen (besluit) is geregeld dat hieronder naast de ‘stille’ horeca zowel
                    de discotheken, als recreatie-inrichtingen: theaters, bioscopen, gokhallen,
                    vakantie- en pretparken, als sportinrichtingen: tennisbanen, voetbalterreinen
                    vallen. In artikel 3 is geregeld voor welke inrichtingen in de horeca-, sport-
                    en recreatiesector het besluit niet van toepassing is. Alleen de grote
                    categorieën met een complex karakter of een verhoogd milieurisico blijven
                    vergunningplichtig. Volgens de toelichting van het besluit vielen onder het
                    Besluit horecabedrijven milieubeheer ongeveer 25.000 inrichtingen en onder het
                    nieuwe besluit ongeveer 66.000 inrichtingen.</al><al>Deze inrichtingen moeten voldoen aan de bij het besluit gestelde voorschriften.
                    De voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder uit de bijlage B
                    van het besluit zijn zo stringent, dat deze zeker overtreden zullen worden
                    wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld
                    levende muziek. Gezien de maatschappelijke functie die onder het besluit
                    vallende inrichtingen vervullen, biedt het besluit de mogelijkheid ontheffing te
                    verlenen van de voorschriften die zien op de geluid- en trillinghinder. Met de
                    verruiming van het aantal bedrijven neemt ook het aantal bedrijven dat gebruik
                    kan maken van de ontheffingsregeling voor geluid en verlichting toe. De
                    bedrijven waarvoor geluid een belangrijk item is en die vooral gebruik zullen
                    willen maken van deze regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele
                    voorzieningen. Op grond van voorschrift 1.1.9 uit de bijlage onder B van het
                    Besluit kan de gemeenteraad in een verordening vaststellen dat gedurende een
                    bepaalde periode de geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden.</al><al>Voorts biedt het Besluit in voorschrift 1.5.2 van de bijlage onder B ook de
                    mogelijkheid om bij of krachtens een verordening vast te stellen dat gedurende
                    een bepaalde periode het voorschrift 1.5.1 over lichthinder niet geldt.</al><al>Bevoegdheidstoedeling in deze paragraaf</al><al>Voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen is het college van de gemeente
                    waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, in de regel
                    het bevoegd gezag. Artikel 4.1.2 en 4.1.3 zijn gegrond op het Besluit horeca-,
                    sport- en recreatie-inrichtingen, welke op zijn beurt weer zijn grondslag kent
                    in de Wm (art. 8.40). In artikel 8.1 en 8.2 van de Wm is bepaald dat het college
                    het bevoegd gezag is. De uitvoering van de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 is daarom
                    neergelegd bij het college</al><al>Het voorgaande is bevestigd in een uitspraak van 17 september 1998 van de
                    voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake
                    Nederweert. De Voorzitter betwijfelt of een bevoegdheidstoekenning aan het
                    college zich verdraagt met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het
                    besluit (oud) in samenhang met de artikelen 8.1. en 8.2, eerste lid van de Wm.
                    (Vz ABRS, 17 september 1998, F03.98.0666, Nederweert).</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 24 december 1998 in hoofdzaak uitspraak
                    gedaan (Gst. (1999), 7093, 3 met noot van Hennekens). In deze uitspraak staat
                    centraal de vraag of artikel 4.1.4. van de model-APV al dan niet verbindend is,
                    nu daarin de burgemeester als het bevoegde orgaan wordt aangewezen. De Afdeling
                    overweegt hierover als volgt. Hoofdstuk 4 van de APV moet worden aangemerkt als
                    een verordening als bedoeld in artikel 174, derde lid, en artikel 149 van de
                    Gemeentewet. De Afdeling verwijst naar een door haar op 2 februari 1989 gedane
                    uitspraak. In deze uitspraak heeft zij bepaald dat (bepalingen van)
                    verordeningen ex. artikel 168 gemeentewet (oud), waarin de uitvoerende
                    bevoegdheid t.a.v. het toezicht op inrichtingen ex artikel 221 gemeentewet (oud)
                    in plaats van aan de burgemeester aan het college is toebedeeld, verbindende
                    kracht missen, ongeacht de motieven die daaraan ten grondslag liggen. Nu de
                    artikelen 149 en 174 van de huidige Gemeentewet niet wezenlijk anders zijn, ziet
                    de Afdeling geen aanleiding op dit punt tot een ander oordeel te komen. Artikel
                    4.1.4. is derhalve verbindend. Over de verbindendheid van de artikelen 4.1.2 en
                    4.1.3 laat de Afdeling zich niet expliciet uit.</al><al>Daarnaast is in artikel 4.1.4. aangegeven dat de burgemeester een incidentele
                    festiviteit kan verbieden indien naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat
                    wordt verstoord. Deze bevoegdheid is niet gebaseerd op de Wm, maar is een
                    autonome aanvulling welke voortvloeit uit artikel 149 jo artikel 174 van de
                    Gemeentewet. Op grond van dit laatste artikel is de burgemeester belast met het
                    toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen.</al><al>Houder van de inrichting</al><al>Het begrip ‘houder van de inrichting’ heeft dezelfde betekenis als in het
                    besluit.</al><al>Voor de omschrijving van collectieve en incidentele festiviteiten wordt verwezen
                    naar de toelichting bij de artikelen 4.1.2. en 4.1.3 van de APV.</al><al><vet>artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage onder B
                            van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan
                            te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                            dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit geldt niet
                            voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                            festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de gemeente in wijken opdelen waarbij per wijk
                            verschillende collectieve festiviteiten kunnen worden aangewezen.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van
                            een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet
                            te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit
                            als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde voorschriften niet
                    gelden vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en onder a van de bijlage
                    onder B van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
                    (Besluit). Dit voorschrift voorziet er overigens in dat op deze dagen overmatige
                    geluidhinder moet worden voorkomen (de voorschriften gelden niet ‘voor zover de
                    naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd’).</al><al>Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis, culturele,
                    sportieve of recreatieve manifestatie. In dit artikel is de uitvoering van de
                    regeling neergelegd bij het college (zie voor wat betreft dit punt ook het
                    commentaar bij artikel 4.1.1 en 4.1.4). Er hoeft dus niet jaarlijks een
                    raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve
                    festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling het college jaarlijks
                    – in samenspraak met de plaatselijke horeca – vast te laten stellen op welke
                    data de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.</al><al>In tegenstelling tot het oude Besluit horecabedrijven milieubeheer waarbij in
                    totaal maximaal 12 collectieve en incidentele festiviteiten konden worden
                    aangewezen, wordt in het Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer geen maximum meer gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten
                    (Bijlage onder B, voorschrift 1.1.9). Gemeenten zijn derhalve vrij om het
                    maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Deze
                    verruiming betekent dat het college beter rekening kunnen houden met de geplande
                    festiviteiten, zoals Koninginnedag, kermis, carnaval enz.</al><al>Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal aan te
                    wijzen festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou kunnen worden vastgelegd
                    in een beleidsregel. Indien de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen dient het
                    maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf. Voor zover in verband met
                    de viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift
                    1.5.1 uit de bijlage B bij het Besluit, dient er tevens een aanwijzing te
                    geschieden krachtens het tweede lid.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat dit voorschrift niet geldt vloeit voort uit
                    artikel 1.5.2 van de bijlage, onder B van het Besluit. Dit voorschrift is met
                    name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en
                    recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
                    lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het licht van
                    het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan
                    mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college jaarlijks - in
                    samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen vast te laten stellen op welke
                    data de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn. In het besluit wordt
                    net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld
                    voor het aantal collectieve festiviteiten (Bijlage onder B, voorschrift 1.5.2).
                    Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar
                    het eerste lid.</al><al>Derde lid</al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. het college kan het gebied van
                    de gemeente verdelen in verschillende dorpskernen of wijken. Bij de vaststelling
                    van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking
                    van de regeling niet ondermijnt. Een paar straten kunnen niet als één gebied
                    worden aangemerkt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele
                    festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het
                    aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Voorschrift
                    1.1.9, onder a, van de bijlage, onder B van het Besluit kent alleen
                    gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al>Vierde lid</al><al>Het college maakt het aantal aangewezen collectieve festiviteiten minstens vier
                    weken voor de aanvang van het nieuwe jaar bekend. Daar een dergelijke aanwijzing
                    een besluit van algemene strekking is, dienen de bekendmakingregels van artikel
                    3:42 Awb in acht te worden genomen.</al><al>Vijfde lid</al><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien, bijvoorbeeld wanneer
                    de plaatselijke voetbalvereniging landskampioen is geworden, hebben het college
                    de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><al><vet>artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                            festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 1.1.1,
                            1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van
                            toepassing zijn, mits de houders van de inrichting ten minste twee weken
                            voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                            gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                            festiviteiten per kalenderjaar waarbij het voorschrift 1.5.1 uit de
                            bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing is mits de houder
                            van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                            festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving
                            als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het
                            derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig
                            is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college
                            op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit,
                            die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>De bevoegdheid uit het eerste lid vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en
                    onder b uit de bijlage onder B van het Besluit. Een incidentele festiviteit is
                    een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is
                    zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een
                    straatfeest. In het besluit is bepaald dat het maximum aantal incidentele
                    festiviteiten waarvoor de voorschriften niet gelden 12 per jaar betreft. Het
                    betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de
                    plaatselijke omstandigheden, het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel
                    dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten er
                    maximaal per inrichting in de gemeente zijn toegestaan.</al><al>Bij een incidentele festiviteit kan gedacht worden aan een veteranentoernooi of
                    een ‘vroege vogels’-toernooi. In dit voorschrift is, evenals het voorschrift als
                    bedoeld in het eerste lid van dit artikel, bepaald dat het maximum aantal
                    incidentele festiviteiten waarvoor het voorschrift niet geldt 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft. Zie voorts de toelichting bij het eerste lid.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid uit het tweede lid vloeit voort uit voorschrift 1.5.2, aanhef en
                    onder b uit de bijlage onder B van het Besluit. Dit voorschrift is gesteld voor
                    sportverenigingen die buiten de reguliere competities en trainingen, gebruik
                    willen maken van hun lichtinstallatie.</al><al>Bij een incidentele festiviteit kan gedacht worden aan een veteranentoernooi of
                    een ‘vroege vogels’-toernooi. In dit voorschrift is, evenals het voorschrift als
                    bedoeld in het eerste lid van dit artikel, bepaald dat het maximum aantal
                    incidentele festiviteiten waarvoor het voorschrift niet geldt 12 per jaar
                    betreft. Zie voorts de toelichting bij het eerste lid.</al><al>Derde en vierde lid</al><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een
                    kennisgevingformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit. Wanneer
                    de termijn van twee weken om de festiviteit te beoordelen te kort is kan het
                    bevoegd gezag overwegen deze termijn in de verordening te verlengen. Uit de
                    formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van de
                    inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit houdt,
                    deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond van het
                    besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit dient
                    voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften.
                    Niet-naleving van die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel
                    18.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel
                    18.18 van de Wm strafrechtelijk wordt opgetreden.</al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen. Voorschrift 1.1.9 onder
                    bijlage B van het Besluit stelt immers dat de geluidsvoorschriften niet gelden
                    voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden
                    gevergd. Voorts bepaalt voorschrift 1.8.1 onder bijlage B van het Besluit dat
                    ‘voor zover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate
                    voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige
                    gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen voorkomen of
                    voor zover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt’. Hiertoe kunnen
                    zij gegevens vragen over:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht;</al></li><li nr="2."><al>gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden
                            genomen;</al></li><li nr="3."><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een
                            parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting.</al></li></lijst><al>Deze gegevens kunnen het stellen van nadere eisen vereenvoudigen. Op grond van
                    artikel 5, eerste lid, onder a kunnen nadere eisen worden gesteld met betrekking
                    tot de ten behoeve van het voorkomen of beperken van hinder door verlichting te
                    treffen maatregelen of voorzieningen. Voorts biedt artikel 5, eerste lid, onder
                    b van het Besluit de mogelijkheid nadere eisen op te leggen voor situaties
                    waarin het besluit niet voorziet. Van deze bevoegdheid zal slechts in
                    uitzonderingsgevallen gebruik mogen worden gemaakt en wel in een situatie dat
                    uit de kennisgeving blijkt dat overmatige geluid- of lichthinder onvoldoende
                    wordt beperkt en dat het bevoegd gezag door het stellen van aanvullende regels
                    deze overmatige geluid- of lichthinder wel kan laten beperken. Wanneer de houder
                    van de inrichting zich niet houdt aan de nadere eis(-en) is sprake van een
                    overtreding op grond van de Wm en kan op basis van de Wm bestuursrechtelijk of
                    strafrechtelijk worden gehandhaafd.</al><al>Indien uit de kennisgeving blijkt dat de houder van de inrichting overmatige
                    geluid- of lichthinder voldoende zal beperken, maar de houder zich vervolgens
                    tijdens de festiviteit niet houdt aan hetgeen in de kennisgeving is vermeldt en
                    er sprake is van overmatige geluid- of lichthinder, kunnen het college hiertegen
                    optreden op grond van voorschrift 1.1.9 en/of voorschrift 1.8.1 van het Besluit
                    optreden. In een dergelijk geval is bestuursrechtelijk handhaven mogelijk op
                    basis van artikel 18.2 van de Wm en strafrechtelijk handhaven op basis van
                    artikel 18.18 van de Wm.</al><al>Vijfde lid</al><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto ‘de honderdduizend’
                    gewonnen heeft, hebben het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te
                    wijzen als incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit,
                    zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</al><al><vet>artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                    feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het
                    organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn
                    oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al><al>Commentaar</al><al>De regeling in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer gaat ervan uit dat wanneer bij of krachtens verordening dagen zijn
                    aangewezen, de houder van de inrichting toestemming heeft om de
                    geluidsvoorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7, 1.1.5 of het voorschrift 1.5.1 over
                    verlichting te overschrijden en daarmee dus enige hinder kan veroorzaken.
                    Volgens de Voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    bood het oude Besluit horecabedrijven milieubeheer niet de mogelijkheid
                    festiviteiten, die ontoelaatbare hinder veroorzaken te verbieden. Het besluit
                    bevat, volgens de Voorzitter, slechts de mogelijkheid bij of krachtens
                    gemeentelijke verordening dagen of dagdelen aan te wijzen waarop een aantal
                    geluidsvoorschriften van het Besluit niet gelden (VZ ABRS, 17 september 1998,
                    F03.98.0666, Nederweert). Zoals in artikel 4.1.3 is uiteengezet, kan bij
                    overmatige hinder rechtstreeks worden opgetreden op grond van het Besluit.</al><al>Het Besluit biedt nog wel de mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen nadere
                    eisen te stellen aan een toegestane festiviteit ter voorkoming van nadelige
                    gevolgen voor het milieu. Zie hiervoor het commentaar bij artikel 4.1.3 van de
                    APV. Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane
                    festiviteit het woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester de
                    festiviteit verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op
                    grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. Dat de raad de
                    bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan te vullen vloeit
                    voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de toelichting bij het
                    Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende voorschriften kan bevatten
                    vanuit openbare orde motieven. Dit is bevestigd in een uitspraak van de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 1998 (Gst. (1999),
                    7093, 3 met noot van Hennekens).</al><al>Het hoeft geen betoog dat de burgemeester niet ongeclausuleerd gebruik kan maken
                    van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet worden gemotiveerd waarom de
                    festiviteit tot een zo grote verstoring van de openbare orde of het woon- en
                    leefklimaat leidt dat een verbod geboden is. Steeds moet bedacht worden dat het
                    Besluit als uitgangspunt hanteert dat van eenmaal aangewezen dagen in beginsel
                    gebruik moet worden gemaakt.</al><al><vet>artikel 4.1.5 Overige geluidhinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer
                            toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                            verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens
                            voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                            verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 2.4.16, de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                            voorschriften, de Wet Geluidhinder, de Zondagswet, het Vuurwerkbesluit
                            of de provinciale milieuverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al><vet>artikel 4.1.5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de
                        andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</vet></al><lijst><li nr="-"><al>een niet permanente activiteit in een niet-besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="-"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van diverse geluidsproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="-"><al>overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                    door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, straatfeesten, privé-feesten, enz.
                    Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria
                    of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is
                    niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke
                    gedraging betreffen. Tekstvoorstel:</al><al>Het beperken van geluidsoverlast is voornamelijk geregeld in de Wet
                    milieubeheer. Hierbij moet worden gedacht aan het beperken van geluidsoverlast
                    door geluidsnormen op te leggen voor industrie, (spoor)wegen en bijvoorbeeld
                    horeca-inrichtingen. Een groot deel van de geluidsbronnen wordt door deze normen
                    gedekt. Een klein deel echter niet. Hierbij moet gedacht worden aan
                    geluidsoverlast door bijvoorbeeld ventilatoren op daken van woningen,
                    grasmaaiers en andere gebruikelijke huishoudelijke apparaten. Deze overige
                    bronnen van geluidsoverlast worden geregeld in de APV. Er mag namelijk door deze
                    bronnen geen overlast worden veroorzaakt. Maar wat is dan overlast? De gemeente
                    Uithoorn denkt dit grotendeels op te lossen door deze overlast te toetsen aan de
                    voorkeursgrenswaarden uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999.
                    Op basis hiervan kan dan door de gemeente per situatie (klachten) een
                    inschatting worden gemaakt van de mate van overlast.</al><al>De voorkeursgrenswaarden zijn:</al><al>Op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen mag gedurende de dagperiode
                    (07.00-19.00) een geluidsniveau (Laeq) van maximaal 50 dB(A) worden veroorzaakt.
                    Voor de avondperiode (19.00-23.00) geldt een geluidsniveau van 45 dB(A) en voor
                    de nachtperiode (23.00-07.00) geldt een geluidsniveau van 40 dB(A). Voor het
                    piekniveau op de gevel van woningen geldt voor de dagperiode de norm van 70
                    dB(A), voor de avondperiode de norm van 65 dB(A)en de nachtperiode de norm van
                    60 dB(A).</al><al>Bij de bepaling of er sprake is van overlast, kan gemotiveerd van deze normen
                    worden afgeweken. Uitgangspunt bij overlast is dat bij normaal gebruik van de
                    gebruikelijke huishoudelijke apparaten zoals een grasmaaier of een boormachine
                    en dergelijke geen hinderlijke overlast ontstaat. Bij hinderlijke overlast kan
                    men denken aan ventilatoren op daken van woningen. Overlast van
                    buitenevenementen en bouwprojecten zal in ander beleid nader vorm worden
                    gegeven. Overigens moet worden bedacht dat klachten over de hiervoor bedoelde
                    vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren
                    of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als
                    (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende
                    oplossing mede te werken.</al><al>In het derde lid is een uitzondering gemaakt van het verbod voor zover de Wm van
                    toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit artikel niet
                    geldt voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel worden
                    ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Artikel 4.1.5 biedt
                    derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige activiteiten. Deze
                    mogen echter weer niet dusdanige omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder
                    de Wm vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand gelopen
                    hobby.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op
                            dinsdag- of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek
                            af te spelen op eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in
                            stand. Het opnemen van geluidsnormen in de verordening is een zaak van
                            de gemeentelijke wetgever. ABRS 16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr.
                            AE8977.</al></li><li nr="-"><al>Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend
                            voor het houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen.
                            Omvang en karakter van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel -
                            dusdanig te achten dat daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als
                            bedoeld in artikel 4.1.5 van de APV valt te verwachten. Rb Zutphen
                            05-07-2002, 02/972 VEROR 58, LJN-nr. AE5178.</al></li><li nr="-"><al>Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen
                            van carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op
                            woensdag- of zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A)
                            ter plaatse van woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt
                            dat het carillon in het winkelgebied moet worden gehoord geeft geen,
                            althans onvoldoende blijk dat de belangen van de appellant, die tussen
                            de toren en het winkelgebied woont, bij de besluitvorming in voldoende
                            mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1, LJN-nr. AE0239.</al></li><li nr="-"><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20) juncto
                            artikel 4.1.5.1. Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4.1.5b
                            model-APV). Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het
                            schoonhouden en wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de
                            aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om
                            te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van artikel
                            2.4.20) en er de zorg voor heeft (op grond van artikel 4.1.5.1 van de
                            desbetreffende verordening). Rb ´s-Hertogenbosch, AWB 99/6873 GEMWT,
                            LJN-nr. AD4783.</al></li><li nr="-"><al>Weigering ontheffing voor geluidsversterking bij geloofsverkondiging.
                            Grote zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB,
                            1991, 44 m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG
                            91.0144, BF 1991, 4 m.nt.J.M.H. de Vet-Tacken.</al></li><li nr="-"><al>Het aan- of afslaan van een c.v.-installatie is niet aan te merken als
                            het verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS
                            3-6-1996, JG 97.0148. Zie ook Lbr. 97/144.</al></li><li nr="-"><al>Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek
                            in winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206
                            m.nt. A.B. Engberts.</al></li><li nr="-"><al>Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen
                            op trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290.</al></li><li nr="-"><al>Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester
                            alcohol wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning
                            voor horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS,
                            1992, 6945, 4 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS
                            2-11-1990, GS, 1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al><vet>artikel 4.2.1. Straatvegen</vet></al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de
                    gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren
                    of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
                    tijdsperiode.</al><al>Commentaar</al><al>Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk
                    worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994
                    handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende
                    gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet.
                    Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van
                    artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het treffen van regelen die andere
                    belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij deze regels - ondanks het
                    afwijkende motief - zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op
                    wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Zie HR 21
                    juni 1966, NJ 1966, 417, met noot W.F. Prins (bromfietsenverbod Sneek) en HR 23
                    december 1980, NJ 1981, 171, met noot Th.W. van Veen (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al>artikel 4.2.1 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking
                    op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde
                    aangeduide dagen en uren. Het effectueren van de onderhavige maatregel zal
                    plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al naar gelang de
                    beschikbare parkeerruimte schaars is of niet. Het kenbaar maken van het verbod
                    zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een
                    schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via verplaatsbare borden kunnen
                    geschieden. In de gemeente Den Haag wordt gebruik gemaakt van vierkante borden -
                    van geringere afmetingen dan een schoolbord - waarop staat dat op een bepaalde
                    dag respectievelijk uur op dat weggedeelte niet mag worden geparkeerd.</al><al>Hierop zijn tal van varianten denkbaar. Gebruikmaking van verkeersborden in de
                    zin van bijlage II van het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.</al><al><vet>artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke
                    behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.</al><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de APV. Momenteel zijn er veel
                    gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling
                    strikt handhaven.</al><al><vet>artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                        en</vet></al><al>putten buiten gebouwen</al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen
                    zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid,
                    nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor
                    anderen.</al><al>Commentaar</al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de bouwverordening geschrapte
                    artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het
                    bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV
                    besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al><vet>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al>Algemeen</al><al>In deze afdeling zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het bewaren van
                    houtopstanden. Het doel van deze bepalingen is daarmee een ander doel dan de
                    wetgever met de Boswet heeft beoogd. De bepalingen van de Boswet richten zich
                    blijkens de memorie van toelichting voornamelijk op de instandhouding van het
                    Nederlandse bosareaal. De voorschriften in deze APV hebben als doel het behoud
                    van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te definiëren, maar van
                    belang is de waarde uit een oogpunt van natuurwaarde, landschappelijke waarde,
                    stads- en dorpsschoon, en beeldbepalende waarde.</al><al>Centraal in de kapvoorschriften staat het verbod houtopstand (voornamelijk
                    bomen) te vellen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Ter
                    bescherming van de zo-even genoemde belangen kan de vergunning worden geweigerd.
                    Het behoud van waardevolle bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen,
                    zoals het belang van degene die tot velling wil overgaan. Worden waardevolle
                    bomen illegaal gekapt of gaan zij door andere oorzaken te gronde, dan kan een
                    herplantplicht worden opgelegd. Ook is het mogelijk een onderhoudsplicht op te
                    leggen, als waardevolle bomen ernstig in het voortbestaan worden bedreigd. Ook
                    hier moet belangenafweging plaatsvinden.</al><al>De voorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen en buiten de
                    bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is de gemeentelijke
                    regelingsbevoegdheid uitgezonderd voor een aantal categorieën van bomen, o.a.
                    wilgen en populieren langs wegen en landbouwgronden, bomen van
                    bosbouwondernemingen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden. De
                    kapvoorschriften gelden ook niet voor struiken of heesters, al is het mogelijk
                    een lijst van te beschermen struiken op te nemen.</al><al>De Boswet bevat regels met betrekking tot de bewaring van bossen en andere
                    houtopstanden. In de wet is uitdrukkelijk aangegeven dat de aan andere openbare
                    lichamen toekomende bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen slechts
                    beperkt wordt door hetgeen in de wet nadrukkelijk is bepaald.</al><al>Hoewel het bestemmingsplan het geijkte instrument is voor het stellen van
                    voorschriften met betrekking tot gebruik van gronden en opstallen, is er toch
                    aanleiding aparte voorschriften te stellen ter bescherming van houtopstanden.
                    Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt steeds vaker gestreefd naar een
                    globale opzet en dito voorschriften. Hoewel overwogen kan worden in bijzondere
                    gevallen, in het geval van zeer waardevolle bomen, voorschriften in het
                    bestemmingsplan op te nemen ter bescherming van houtopstand, lijken de
                    onderhavige bepalingen in het algemeen daartoe toch beter geschikt te zijn.</al><al>Het burenrecht kent de bepaling dat een nabuur verwijdering kan vorderen van
                    bomen, heesters en heggen die te dicht bij de erfgrens staan (artikel 5:42
                    Burgerlijk Wetboek). Op grond van jurisprudentie is voor tussenkomst van de
                    rechter tot handhaving van deze bepa-ling van het burenrecht slechts plaats
                    indien het kapverbod het gestelde belang niet kan die-nen of indien onder de
                    gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat de gemeen-te bij afweging van
                    het overheidsbelang tegen het particulier belang in redelijkheid niet tot het
                    handhaven van het kapverbod heeft kunnen komen. Het kan immers niet zo zijn dat
                    het kapverbod wel van toepassing is op de eigenaar van een boom, maar niet op de
                    buurman die verwijdering van de boom vordert. De strijdigheid tussen artikel
                    5:42 BW en het kapver-bod wordt voorkomen of beperkt door in artikel 4.3.2
                    model-APV een kleinere afstand voor bomen, heesters en heggen tot de erfgrens
                    toe te laten dan wordt bepaald in artikel 5:42 BW. Dit is volgens artikel 5:42
                    BW toegestaan.</al><al>Hoewel de VNG de model-Bomenverordening van de Bomenstichting te Utrecht en de
                    vakgroep Groen, Natuur en Landschap van de Vereniging Stadswerk Nederland in
                    algemene zin onderschrijft, is gekozen voor integratie van zoveel mogelijk
                    gemeentelijke regelgeving in de APV; de onderhavige bepalingen zijn om die reden
                    in de APV opgenomen. Overigens bestaan er ook inhoudelijke verschillen tussen de
                    voorschriften in dit hoofdstuk van de APV en de model-Bomenverordening. Hier
                    wordt volstaan met de opmerking dat de model-Bomenverordening op een aantal
                    punten uitgebreider en voor de gemeente dwingender is, met name als het gaat om
                    het hanteren van de boomwaarde, een standaardvoorwaarde van niet-gebruik bij
                    bezwaar en beroep en een verplichting tot het opstellen van een lijst met
                    monumentale bomen. De model-Bomenverordening is opgenomen in de publicatie
                    ‘Bomen en wet’, mr B.M. Visser, Bomenstichting, vierde geheel herziene druk,
                    1995.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Voor tussenkomst van de rechter tot handhaving van de bepalingen van het
                            burenrecht is slechts plaats indien het kapverbod het gestelde belang
                            niet kan dienen of indien onder de gegeven omstandigheden moet worden
                            aangenomen dat de gemeente bij afweging van het overheidsbelang tegen
                            het particulier belang in redelijkheid niet tot het handha-ven van het
                            kapverbod heeft kunnen komen. Hof ‘s-Hertogenbosch 16-05-1986, NJ 1987,
                            31.</al></li><li nr="-"><al>Ook de gemeente moet de afstanden uit artikel 5:42 BW in acht nemen.
                            Afwijking van deze afstanden is mogelijk. Indien dit leidt tot schade
                            voor derden, behouden dezen recht op schadevergoeding. Rb. Roermond
                            04-05-1995, JG 96.0239.</al></li><li nr="-"><al>Een natuurlijk persoon behoort in beginsel tot de categorie omwonenden
                            als de werking van de kapvergunning hem - doordat hij bijvoorbeeld woont
                            in de directe omgeving van de te kappen boom - rechtstreeks in zijn
                            belangen raakt. Het zichtcriterium is daarbij een hulpmiddel, maar niet
                            het enige. Dit betekent dat - ook indien niet wordt voldaan aan het
                            zichtcriterium - omwonenden belanghebbenden kunnen zijn in de zin van de
                            Awb, bij-voorbeeld indien het een besluit betreft waarvan het
                            redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat het invloed zal hebben op de
                            woon- of leefomgeving van degene die in de nabij-heid woont of leeft van
                            de te kappen boom (het Kiki-criterium). ABRS 10-06-1999, AB 2000, 19
                            mt.nt. J.L. Boxum.</al></li><li nr="-"><al>Persoon die woonachtig is in de omgeving van de Dam, daarop geen zicht
                            heeft, maar haar buurt altijd via de Dam verlaat, is geen belanghebbende
                            bij een kapvergunning voor 12 iepen op de Dam.Ook Wijkcentrum d’Oude
                            Stadt is, gelet op de statutaire doelstelling, geen belanghebbende. Rb.
                            Amsterdam, 03-11 2000, KG 2001, 167.</al></li><li nr="-"><al>Aanwonenden maken terecht bezwaar tegen het plan van de gemeente om ter
                            vervan-ging van zieke iepen op de Willemskade te Rotterdam een dubbele
                            rij platanen aan te planten. Die zullen onevenredige schade opleveren
                            voor lichtinval en uitzicht op de Maas. Rb. Rotterdam 23-11-2000, KG
                            2001, 42.</al></li><li nr="-"><al>Een natuurlijk persoon behoort in beginsel tot de categorie omwonenden
                            als de werking van de kapvergunning hem - doordat hij bijvoorbeeld woont
                            in de directe omgeving van de te kappen boom - rechtstreeks in zijn
                            belangen raakt. Het zichtcriterium is daarbij een hulpmiddel, maar niet
                            het enige. Dit betekent dat - ook indien niet wordt voldaan aan het
                            zichtcriterium - omwonenden belanghebbenden kunnen zijn in de zin van de
                            Awb, bij-voorbeeld indien het een besluit betreft waarvan het
                            redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat het invloed zal hebben op de
                            woon- of leefomgeving van degene die in de nabij-heid woont of leeft van
                            de te kappen boom (het Kiki-criterium). ABRS 10-06-1999, AB 2000, 19
                            mt.nt. J.L. Boxum.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
                                    stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></li><li nr="f."><al>iepespintkever: het insect in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></li><li nr="g."><al>bomenlijst: de door het college vastgestelde “Lijst van
                                    waardevolle bomen gemeente Uithoorn”.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip
                            van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of
                            ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen
                            hebben.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid, onderdeel a (houtopstand)</al><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert. Gesproken
                    wordt van ‘bossen en andere houtopstanden’; ook de bossen worden dus tot de
                    houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving gegeven van
                    houtopstand en ook niet van hakhout. In artikel 4.3.1, eerste lid, van de APV
                    wordt ook een houtwal als houtopstand aangemerkt. In het algemeen vallen onder
                    houtwal alle lintvormige begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit
                    bomen en/ of struiken. Het begrip omvat onder andere houtsingels, houtkaden en
                    de Limburgse graften, graven of steilranden. Houtwallen zijn duidelijk
                    omvangrijker dan heggen of hagen of de in het tweede lid van artikel 4.5.2
                    bedoelde wegbeplantingen en eenrijïge beplantingen langs landbouwgronden.
                    Solitaire struiken of heesters vallen niet onder de vergunningplicht. Als struik
                    of heester wordt doorgaans beschouwd ieder houtachtig gewas dat zich direct
                    boven de grond vertakt, daardoor in tegenstelling tot een boom geen echte stam
                    heeft, en in de regel maximaal een hoogte van een paar meter (Van Dale:
                    manshoogte) bereikt.</al><al>Bij het opstellen van de bepalingen is allereerst gedacht aan het bewaren van
                    houtopstand van grote omvang, dat wil zeggen een of meer grote bomen. Immers,
                    vooral van een dergelijke houtopstand kan worden gezegd dat deze visuele of
                    natuurwaarde heeft. Indien de gemeente ook (grote) struiken of heesters wil
                    beschermen, dient dit expliciet in dit artikel te worden vastgelegd. De
                    moeilijkheid is echter dat van struiken niet scherp valt aan te geven welke
                    soorten groot kunnen worden en welke niet. Alleen van bomen staat vast dat zij
                    doorgaans fors uitgroeien. Het begrip houtopstand is dan ook in eerste instantie
                    beperkt tot bomen. Daaronder vallen ook bomen van (nog) onbetekenende omvang,
                    omdat anders jonge boompjes, aangeplant in het kader van een herplantplicht,
                    vrijelijk zouden kunnen worden omgehakt. Dit betekent dat een klein boompje wel
                    en een grote, boomachtige struik geen bescherming geniet. Indien dit als
                    ongewenst wordt beschouwd, kan dit worden opgelost door aan de omschrijving van
                    houtopstand een lijst toe te voegen van potentieel omvangrijke struiken, bij
                    voorbeeld: meidoorn, sleedoorn, braam, hulst, hazelaar, vlier e.d. Voorts valt
                    griendhout (Van Dale: (wilge)hakhout dat groeit langs de rivieren, ook genoemd
                    in artikel 1, derde lid, van de Boswet) niet onder de bepalingen. Vermoedelijk
                    zullen maar enkele gemeenten behoefte hebben aan regels daarvoor.</al><al>Een dode boom is in juridische zin soms geen boom. De bepalingen in dit
                    hoofdstuk zijn echter in beginsel ook van toepassing op dode bomen. Een dode
                    boom kan bovendien van grote natuurwetenschappelijke of beeldbepalende waarde
                    zijn. Anderzijds kan een dode boom juist gevaar opleveren, bijvoorbeeld voor het
                    verkeer.</al><al>Eerste lid, onderdeel c (dunning)</al><al>Het begrip ‘vellen’ zelf is niet omschreven. Voor de betekenis ervan kan worden
                    uitgegaan van het normale taalgebruik. Zo zal het omhakken of afzagen van een
                    boom zeker als vellen moeten worden beschouwd. De omschrijving van ‘dunning’
                    houdt in dat vellen waarmee de overblijvende bomen zijn gebaat, krachtens de APV
                    is toegestaan. Opgroeiende beplantingen worden immers na verloop van tijd vaak
                    zo dicht, dat de bomen elkaar in de weg gaan staan en verstikking dreigt. Gaat
                    men echter een bos of een groep bomen zodanig uitdunnen dat het verband of het
                    karakter ervan vergaand en blijvend verloren gaat, dan is er geen sprake van
                    dunnen, maar van verboden vellen. De resterende bomen zullen in zo’n geval
                    immers een grotere kans lopen bij storm om te waaien en voorts kan een
                    aanzienlijke bodemverwildering worden verwacht. Ook van een handeling als
                    snoeien (inkorten of wegnemen van takken) kan in het algemeen worden gezegd dat
                    deze is toegestaan, wanneer de te snoeien boom daarmee gebaat is. Wordt echter -
                    om maar een voorbeeld te noemen - de stam tot op betrekkelijk grote hoogte
                    ontdaan van takken, zodat van de kroon slechts een klein deel overblijft, of
                    wordt de top uit de boom gezaagd, dan kan er sprake zijn van een handeling als
                    bedoeld in het tweede lid.</al><al>Eerste lid, onderdeel d (bebouwde kom)</al><al>Als gedeputeerde staten ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet
                    ontheffing van de verplichting tot het vaststellen van de bebouwde-komgrenzen
                    hebben verleend, kan het onderdeel d van dit lid vervallen.</al><al>Tweede lid (ernstig beschadigen)</al><al>De omschrijving van ‘vellen’ omvat ook ‘het verrichten van handelingen die de
                    dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben’. Deze
                    omschrijving komt overeen met die in de wet (artikel 1, tweede lid). Om
                    misverstanden uit te sluiten zijn toegevoegd ‘verplanten’ of ‘ernstig
                    ontsieren’. De nadere omschrijving heeft alleen betrekking op (actieve)
                    handelingen en niet op het (passieve) nalaten van handelingen. Bij voorbeeld het
                    nalaten van onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde
                    houtopstand veilig te stellen, het lijdelijk toezien dat houtopstand - al dan
                    niet door toedoen van anderen - te gronde gaat. Het lijkt te ver te gaan om ook
                    een dergelijk ‘stilzitten’ onder het actieve begrip ‘vellen’ te brengen. Tegen
                    ernstige verwaarlozing kan echter wel worden opgetreden. In dit verband wordt
                    verwezen naar artikel 4.3.6 van de APV en de toelichting daarop.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Dode boom soms geen boom. Pres. Rb Den Bosch 15-6-1992, NJKort 1992, 59</al><al>Definitie van het begrip ‘dunning’ HR 18-6-1985, MR 1986/1, NJ 1986, 183.</al><al>Dunning is ‘vergunningvrij’, maar in een kapvergunning moet een limiet worden
                    opgenomen om te voorkomen dat meer gekapt wordt dan de bedoeling is Vz. ABRS,
                    13-11-1992, AB 1993, 184.</al><al><vet>Artikel 4.3.2 Kapverbod</vet></al><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of
                    te doen vellen, wanneer deze houtopstand voorkomt op de bomenlijst en/of
                    voorkomt op de lijst van Monumentale Bomen van Nederland van de
                    Bomenstichting.</al><al>Commentaar</al><al>Geen commentaar</al><al><vet>Artikel 4.3.3 Waardevolle bomenlijst</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor een houtopstand voorkomende op de bomenlijst en/of op de lijst
                            Monumentale Bomen van Nederland wordt geen kapvergunning verleend,
                            tenzij er sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend
                            belang van openbare orde of veiligheid.</al></li><li nr="2."><al>Het college is bevoegd de bomenlijst te beheren en actualiseren. De
                            bomenlijst omvat in ieder geval een voor ieder goed herkenbare
                            omschrijving met foto, standplaats, kadastraal perceelnummer, de
                            eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van
                            iedere houtopstand.</al></li><li nr="3."><al>De eigenaar van een houtopstand die op de bomenlijst staat, is verplicht
                            schriftelijk aan het college mededeling te doen van : </al><lijst><li nr="a."><al>het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders
                                    dan door velling op grond van een verleende vergunning. De
                                    mededeling dient te geschieden binnen vier weken na het geheel
                                    of gedeeltelijk tenietgaan;</al></li><li nr="b."><al>de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan
                                    gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan
                                    ook. De mededeling dient te geschieden onmiddellijk indien
                                    sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk
                                    teniet kan gaan.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op basis van artikel 4.3.3 lid 1 heeft het college de bevoegdheid om de
                    bomenlijst te beheren en te actualiseren. Lid 2 is noodzakelijk om de bomenlijst
                    te kunnen beheren en actualiseren.</al><al><vet>Artikel 4.3.4 Aanvraag vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                            toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die
                            krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de
                            houtopstand te beschikken.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer het bureau LASER aan het college een afschrift heeft toegezonden
                            van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                            beschouwt het college dit afschrift mede als een
                            vergunningaanvraag.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Algemeen</al><al>Een besluit op een aanvraag om kapvergunning dient op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht te worden voorbereid volgens afdeling 4.1.2. Tegen een besluit op
                    een aanvraag kan bezwaar worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Tegen
                    de beslissing op bezwaarschrift kan vervolgens beroep ingesteld worden bij de
                    Rechtbank, waarna hoger beroep open staat op de Afdeling bestuursrechtspraak van
                    de Raad van State.</al><al>Eerste lid (aanvrager)</al><al>In dit artikel(-lid) wordt bepaald dat een aanvraag alleen kan worden ingediend
                    door een zakelijk gerechtigde. Een huurder of pachter kan een aanvraag indienen,
                    indien hij daartoe gemachtigd is door de eigenaar. Voor die gemeenten waar zich
                    kroondomeinen bevinden, kan achter ‘zakelijk recht’ worden ingevoegd ‘dan wel
                    krachtens enig duurzaam persoonlijk recht’. De woorden ‘of krachtens
                    publiekrechtelijke bevoegdheid’ zijn in de bepaling opgenomen in verband met
                    gevallen waarin een overheidsorgaan, bijvoorbeeld een provincie of een
                    waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen wil vellen, die in strijd met een
                    verordening of een waterschapskeur geplant zijn. Deze bestuursdwang zal slechts
                    uitgeoefend kunnen worden, indien de gemeente een kapvergunning verleent. het
                    college zouden echter geen kapvergunning kunnen verlenen, wanneer de vergunning
                    slechts door de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden aangevraagd. Eventueel
                    kan ook worden bepaald dat de aanvraag kan worden ingediend door de eigenaar of
                    degene die daartoe uit anderen hoofde bevoegd is.</al><al>Tweede lid (combinatie melding/aanvraag om kapvergunning)</al><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de Boswet als
                    onder de kapbepalingen van de APV vallen. Dit betekent dat in die gevallen een
                    voorgenomen velling moet worden gemeld aan Staatsbosbeheer en dat vergunning
                    moet worden gevraagd aan het gemeentebestuur. Artikel 4.3.3, tweede lid, stelt
                    nu dat de wettelijk voorgeschreven kennisgeving aan Staatsbosbeheer mede wordt
                    beschouwd als een vergunningaanvraag. Deze efficiënte werkwijze is mogelijk
                    geworden, doordat de directeur van Staatsbosbeheer van de bevestiging van de
                    ontvangst van de kennisgeving een afschrift zendt aan het desbetreffende college
                    van burgmeester en wethouders. Aangezien dit afschrift alle gegevens bevat, die
                    het college voor de beoordeling van de aanvraag nodig hebben, is een belangrijke
                    vereenvoudiging verkregen die voor de belanghebbende boseigenaar vele van de
                    bezwaren van het onderworpen zijn aan tweeërlei gezag wegneemt.</al><al><vet>Artikel 4.3.5 Beslissingtermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 6 weken na de dag waarop de
                            aanvraag is ingekomen over de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing met
                            ten hoogste 6 weken verdagen.</al></li><li nr="2."><al>Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk
                            schriftelijk ter kennis van de aanvrager gebracht.</al></li><li nr="3"><al>De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, indien geen beslissing is
                            genomen binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.</al></li></lijst><al>Geen commentaar</al><al><vet>Artikel 4.3.6 Vervaltermijn vergunning</vet></al><al>De vergunning als bedoeld in artikel 4.3.2 vervalt, indien daarvan niet binnen
                    maximaal één jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt.</al><al>Geen commentaar</al><al><vet>Artikel 4.3.7 Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                            voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door
                            het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                            daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting
                            en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen;</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk
                            niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning,
                            oftewel tot het moment dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder
                                    dat bezwaar of beroep is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                    voorlopige voorziening is gedaan.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De algemene bevoegdheid om aan de vergunning voorschriften te verbinden, vloeit
                    reeds voort uit artikel 1.4 van de APV. Ook zonder uitdrukkelijke bepaling kan,
                    blijkens jurisprudentie, een herplantplicht worden opgelegd en kunnen daarbij
                    aanwijzingen worden gegeven of een termijn gesteld. Gezien het feit dat dit
                    voorschrift ingrijpend kan zijn, is het toch wenselijk ter zake een
                    uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze herplantplicht heeft een andere
                    strekking dan de herplantplicht krachtens artikel 3 van de Boswet. Daar is zij
                    gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk
                    is); bij de gemeente geschiedt een eventuele herbeplanting om redenen van behoud
                    van natuur- of landschapswaarden, stads- en dorpsschoon of leefbaarheid, en zal
                    zij vaak zoveel mogelijk ter plaatse moeten gebeuren.</al><al>De wet geeft voor herbeplanten een termijn van drie jaar. De gemeenten behoeven
                    deze termijn in de APV niet aan te houden. Behalve een termijn kunnen het
                    college ook aanwijzingen geven met betrekking tot de herplantplicht. Denkbaar is
                    dat een andere boomsoort wordt voorgeschreven (bij voorbeeld iepen die beter
                    bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een grote boom kan worden
                    gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare grootte of aanplant van
                    meer dan één boompje. Uiteraard dient herplant bosbouwkundig verantwoord te
                    zijn. Betreft het houtopstand buiten de bebouwde kom, behorende bij een “klein”
                    bos van een geregistreerde bosbouwonderneming, dan moet rekening worden gehouden
                    met een eventueel bosbouw- of bosbeheerplan in het kader van de Boswet.</al><al>Ook het tweede lid zou, strikt genomen, kunnen worden gemist. Immers, mislukt
                    een beplanting, aangebracht krachtens het eerste lid, dan is er sprake van het
                    teniet gaan van beplanting. Ingevolge artikel 4.3.6, eerste lid, kan dan een
                    verplichting tot herbeplanting worden opgelegd. Het kan echter gewenst zijn ter
                    versnelling van het herstel de eventuele vervangingsverplichting gelijktijdig
                    met de herplantplicht op te leggen.</al><al>Derde lid (opschortende werking)</al><al>Artikel 6:16 van de Awb geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om af te wijken
                    van de hoofdregel dat bezwaar of beroep de werking van een besluit niet schorst.
                    In het derde lid wordt hiervan gebruik gemaakt door te bepalen dat een
                    vergunning moet worden verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk
                    niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning. Deze
                    bepaling is overgenomen uit de model-bomenverordening van de Bomenstichting
                    1996. Door het opnemen van de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik
                    wordt voorkomen dat de kap al wordt uitgevoerd voordat er een definitieve
                    vergunning is. Aangezien niets zo onomkeerbaar is als de feitelijk kap, is het
                    opnemen van deze bepaling van groot belang en ons inziens noodzakelijk. N.B. De
                    opschortende werking geldt niet voor het hoger beroep.</al><al>Samenloop met bouw- en aanlegvergunning</al><al>Soortgelijke bepalingen zijn ook denkbaar, wanneer een kapvergunning wordt
                    verleend in verband met de realisatie van een bouwplan of in verband met de
                    aanleg van een weg. Zo kan voorkomen worden dat een boom al is gekapt, als de
                    bouw- of aanlegvergunning na bezwaar of beroep alsnog geweigerd wordt. De
                    Afdeling stelt dat een dergelijke voorwaarde, inhoudend dat van de vergunning
                    pas gebruik mag worden gemaakt, indien en zodra de Kroon met de beoogde
                    wegaanleg instemt, in het belang is van natuur- en landschapsschoon, welke
                    belangen de kapbepalingen van de APV beogen te dienen.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Ook zonder uitdrukkelijke bepaling kan een herplantplicht worden
                            opgelegd en kunnen daarbij aanwijzingen worden gegeven of een termijn
                            gesteld. KB 5-2-1971, OB 1972, XVIII.3, nr 32633 (Beilen).</al></li><li nr="-"><al>Verbinden van voorwaarde aan kapvergunning dat per gevelde boom een
                            bepaald bedrag in een Bomenfonds moet worden gestort is aanvaardbaar.
                            ABRS 1-2-1995, BR 1996, 151 en JG 95.0172.</al></li><li nr="-"><al>Toepassen methode-Raad bij berekening waarde gevelde houtopstand en
                            vaststelling omvang en plaats van herplantplicht niet onredelijk. ABRS
                            15-9-1994, AB 1994,692.</al></li><li nr="-"><al>In het kader van de oplegging van een herplantplicht moet de boomsoort
                            expliciet worden omschreven; advies in rechte niet afdwingbaar. ABRS
                            5-2-1996, JG 96.0202.</al></li><li nr="-"><al>Voorwaarde, inhoudend dat van vergunning pas gebruik mocht worden
                            gemaakt, indien en zodra Kroon met beoogde wegaanleg zou instemmen, in
                            belang van natuur- en landschapsschoon, welke belangen kapverordening
                            beoogde te dienen. ARRS 9-12-1980, AB 1981, 169.</al></li><li nr="-"><al>Anders dan hiervoor aangegeven uitspraak: Aan kapvergunning verbonden
                            voorschrift dat van verleende vergunning gebruik mag worden gemaakt
                            wanneer de bouwvergun-ningprocedure onherroepelijk is geworden, leidt
                            tot schorsing en is dus in strijd met artikel 6:16 van de Awb.
                            Schorsende werking moet uitdrukkelijk in een APV-bepaling worden
                            bepaald. Rb. ‘s- Gravenhage 23-07-1998, Gst. 1999, 7079, 4 met noot van
                            CPJG.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3.8 Herplant-/instandhoudingsplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is,
                            zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze
                            teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de
                            grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                            andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                            verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te
                            geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
                            daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op
                            welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig worden bedreigd,
                            kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de
                            houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het
                            treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                            overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te
                            stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                            weggenomen;</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in het
                            eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger,
                            is verplicht daaraan te voldoen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid (zelfstandige herplantplicht)</al><al>Blijkens de jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk
                    optreden nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er meer
                    bomen of zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige
                    toestand kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de
                    vorige toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien niet anders mogelijk
                    zelfs pas na verloop van tijd.</al><al>Wanneer een herplantplicht alleen maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen
                    worden gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                    herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen. De in artikel
                    4.3.6, eerste lid, opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een
                    zelfstandige herplantverplichting te scheppen. Het in het eerste lid opgenomen
                    ‘dan wel op andere wijze teniet is gegaan’ maakt het mogelijk dat het college
                    ook een verplichting tot herplantplicht kunnen opleggen, als de houtopstand
                    teniet is gegaan door verwaarlozing of door een calamiteit.</al><al>Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand
                    teniet is gegaan door een velling ingevolge de Planteziektenwet of een velling
                    in het kader van een instandhoudingplicht krachtens artikel 4.3.8, derde lid,
                    dan wel op grond van (andere) bepalingen van de APV, bij voorbeeld in verband
                    met de verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het uitvoeren van de
                    herplantplicht soms ook de medewerking van anderen dan de zakelijk gerechtigde
                    noodzakelijk is. Daarom is aansluiting gezocht bij de omschrijving van artikel
                    14, eerste lid, van de Woningwet: aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de
                    eigenaar ‘of tot degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                    bevoegd is’. Deze toevoeging is ook van belang voor gemeenten waar zich
                    kroondomeinen bevinden. De herplantplicht kan dan worden opgelegd aan degene die
                    ‘krachtens enig duurzaam persoonlijk recht’ tot het treffen van voorzieningen
                    bevoegd is.</al><al>Ook in de Boswet komt een herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht
                    de eigenaar van grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning
                    is geveld of op andere wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Het Besluit
                    herbeplanting artikel 3 Boswet geeft daarvoor nadere regels. De herplantplicht
                    die in artikel 4.3.8 is neergelegd, verschilt van de herplantplicht van de
                    Boswet. De herplantplicht in deze bepaling geldt niet zonder meer, maar pas
                    wanneer het college daartoe besluiten. De herplantplicht van de Boswet bestaat
                    uit kracht van de Boswet zelf. De herplantplicht heeft in deze bepaling
                    bovendien een andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij gericht op het
                    behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is), terwijl
                    herbeplanting krachtens de bepalingen geschiedt om redenen van behoud van
                    natuur- of landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde en
                    daardoor vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt dat een
                    herplantplicht slechts opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel van de
                    verloren waarden kan voortkomen.</al><al>Derde lid 3 (instandhoudingplicht)</al><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal teniet
                    gaan. De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel
                    teniet is gegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 4.3.8
                    een herplantplicht op te leggen. Het kan echter voorkomen dat de strekking van
                    de verordening beter gediend is met het behoud van bestaande bomen dan met de
                    vervanging daarvan. Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn
                    immers niet of slechts met grote kosten te vervangen, en wat bijvoorbeeld
                    natuur- of landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde
                    betreft, wegen zij op tegen een veelheid van jonge boompjes.</al><al>Krachtens het derde lid van artikel 4.3.8 kan de zakelijk gerechtigde worden
                    verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan
                    inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk van (dreigende)
                    ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge van weersomstandigheden,
                    ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw-
                    en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van
                    afval, enz. Op bouwterreinen is bij voorbeeld het volgende van belang:</al><lijst><li nr="1."><al>Verkeer, machines, (bouw)keten, materiaalopslag en het verbranden van
                            afval onder de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar
                            brengen.</al></li><li nr="2."><al>Een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van
                            beschadiging onder de kroon vandaan. Het hek moet ongeveer even ruim om
                            de boom staan als de kroon breed is.</al></li><li nr="3."><al>Het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen.</al></li><li nr="4."><al>Afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het
                            meeste voed-sel en ook een groot deel van de fijne wortels.</al></li><li nr="5."><al>Ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken.</al></li><li nr="6."><al>Bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en
                            vocht, vooral bij gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden
                            gewerkt met de minder schadelijke ‘groensteen’.</al></li><li nr="7."><al>Een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het vast
                            spijkeren van latten geven grote wonden.</al></li><li nr="8."><al>Beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting
                            wordt voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te
                            bedekken. De verplichting tot instand-houding behoeft niet te betekenen
                            dat van een boomgroep alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met
                            ziekten te voorkomen kan zo nodig de verplichting worden opgelegd
                            bepaalde bomen te kappen en van het terrein te verwijderen. Bij een
                            sterk ver-ouderd bomenbestand kan het aanbeveling verdienen het bestand
                            te kappen onder het opleggen van een herplantplicht.</al></li></lijst><al>De instandhoudingsverplichting krachtens artikel 4.3.8 mag uiteraard niet leiden
                    tot strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bij voorbeeld
                    de Plantenziektenwet.</al><al>Subsidie</al><al>Ter voorkoming van eventuele aanvragen om schadevergoeding verdient het
                    overweging om bij het opleggen van een ‘opknapbeurt’ subsidie te verlenen.
                    Overigens kunnen ook verwaarloosde bomen uit een oogpunt van behoud van natuur-
                    of landschapswaarden, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde van belang
                    zijn. Zo kunnen vermolmde bomen bij voorbeeld nestplaats bieden aan zeldzame
                    soorten vleermuizen. Een ‘opknapbeurt’ in een dergelijk geval zou uiteraard
                    minder gewenst kunnen zijn.</al><al>Tegen het opnemen van de gemeentelijke bevoegdheid tot het opleggen van een
                    instandhoudingsplicht kunnen bezwaren worden aangevoerd. Voor een uitgebreide
                    gelijke zaken geen naar inhoud en strekking vergelijkbare regeling kent. Zulk
                    een regeling werd indertijd in de Monumentenwet zelfs bewust achterwege gelaten.
                    De bepaling kan verstrekkende gevolgen hebben en een zware last leggen op de
                    grondeigenaren. Onderhoudsmaatregelen hoeven zich niet te beperken tot de boom
                    zelf, maar zich ook kunnen uitstrekken tot de omgeving daarvan (weghalen puin of
                    afval bij voorbeeld). De bepaling sluit niet aan bij de Boswet en behoort, zo al
                    nodig, bij de wet in formele zin te worden vastgesteld.</al><al>Naar aanleiding van de bezwaren tegen een mogelijke onderhoudsverplichting
                    merken wij op dat er naar ons oordeel geen formeel-juridische noch inhoudelijke
                    bezwaren zijn tegen het opnemen in een gemeentelijke verordening van een
                    bevoegdheid voor het college tot het opleggen van een instandhoudingplicht, mits
                    er sprake is van houtopstand die uit een oogpunt van bijvoorbeeld natuur- of
                    landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde van grote
                    waarde is.</al><al>Weliswaar kent de Boswet geen onderhoudsverplichting, maar dat is gelegen in het
                    feit dat deze regeling betrekking heeft op situaties die anders zijn dan de
                    situatie waarvoor de onderhavige bepalingen zijn bedoeld. De Boswet heeft
                    namelijk betrekking op bomen die het bedrijfskapitaal van de bosbouw zijn. De
                    instandhoudingplicht is bovendien gericht op bijzondere gevallen: het gaat
                    immers om bomen die als waardevol worden beschouwd en er zal ook rekening moeten
                    worden gehouden met de financiële mogelijkheden van betrokkene. De bepaling
                    wordt pas relevant als er sprake is van (dreigende) ernstige beschadiging of
                    aantasting ten gevolge van bij voorbeeld weersomstandigheden, verwaarlozing,
                    vraat door dieren, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van
                    terreinverhardingen. Helaas komt het voor dat waardevolle bomen verloren gaan
                    door het achterwege blijven van maatregelen die zonder veel moeite en kosten
                    hadden kunnen worden uitgevoerd. Met het opnemen van een mogelijke
                    instandhoudingplicht wordt voorts voorkomen dat aan het opzettelijk - tot de
                    dood toe - verwaarlozen van bomen eigenlijk niets kan worden gedaan. Een
                    herplant van juist zeer waardevolle bomen kan een kostbare aangelegenheid
                    zijn.</al><al>Uiteraard dient een bevoegdheid tot het voorschrijven van een
                    instandhoudingplicht, evenals alle andere overheidsbevoegdheden, te worden
                    uitgeoefend met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
                    zoals deze bij voorbeeld worden aangeduid in de Algemene wet bestuursrecht. Bij
                    de afweging van belangen omtrent het opleggen van een herplantplicht kunnen ook
                    de financiële belangen van betrokkene een rol spelen. De vraag is of bij het
                    opleggen van de herplantplicht ter bepaling van de omvang en plaats van de
                    zelfstandige herplantplicht ook gebruik kan worden gemaakt van de onder de
                    toelichting op artikel 4.3.5 reeds behandelde methode van boomwaardebepaling.
                    Vooral de boomwaardebepaling op grond van de ‘methode-Raad’ is in dat verband
                    bekend, en ook door de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar bevonden.</al><al>De vraag is of dit betekent dat er ook een zelfstandige betalingsverplichting
                    ter uitvoering van de zelfstandige herplantplicht kan worden opgelegd. In de
                    jurisprudentie is deze vraag (nog) niet direct beantwoord. Naar onze inschatting
                    is dit niet mogelijk. Zelfstandige betalingsverplichtingen kunnen slechts worden
                    opgelegd middels een belastingverordening. Voor het tot stand brengen van
                    dergelijke verordeningen gelden bijzondere eisen.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Plaats waar tot herbeplanting moet worden overgegaan moet op een
                            tekening worden aangegeven. ARRS 17-5-1992, JG 92.0458, AB 1992,
                            600.</al></li><li nr="-"><al>Bevel tot strafvervolging tegen gemeente wegens overtreding van
                            kapverbod. Voorbeeldfunctie van gemeente t.a.v. naleven van eigen
                            verordeningen. Herplantplicht. Hof Leeuwarden 6-6-1995, MenR 1996,
                            4.</al></li><li nr="-"><al>Aan bevoegdheid tot opleggen van herplantplicht kan belang van behoud
                            van landschapsschoon ten grondslag liggen. Rb Roermond, 27-9-1996, JB
                            1996, 225.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3.9 Bestrijding iepziekte</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de
                            iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
                            rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven,
                            verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van
                            geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                            cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan
                            ontheffing verlenen van dit verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op 1 januari 1991 verviel de door het ministerie van landbouw, natuurbeheer en
                    visserij gecoördineerde iepziektebestrijding. Het ministerie acht de ziekte
                    beheersbaar, omdat ten gevolge van de aanpak de infectiedruk op een laag niveau
                    is gebracht. De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en
                    de takken verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen de wortels en de boom
                    verstoord en krijgen de bladeren geen voedingsstoffen en water meer. De boom is
                    dan ten dode opgeschreven. Dit proces kan zich binnen enkele weken voltrekken.
                    De schimmel wordt overgebracht door de iepenspintkever. De kevers leggen hun
                    eitjes onder de schors van zieke of dode iepen. De jonge kevers vliegen naar
                    gezonde bomen in de buurt, die zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels
                    zonder tussenkomst van de kever, de schimmel aan elkaar over. Verspreiding van
                    de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood iepenhout in de periode
                    mei t/m augustus binnen één maand te vernietigen. Iepenhout afkomstig van
                    najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn vernietigd. Om de ziekte tegen
                    te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel op particuliere terreinen als op
                    publiekrechtelijk beheerde terreinen tweemaal per groeiseizoen te controleren op
                    de aanwezigheid van de ziekte. In artikel 4.3.2, lid 2, onder g is de opheffing
                    van het kapverbod geregeld indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot
                    het vellen van een boom.</al><al>In 1994 zijn er ca. 20.000 iepen verloren gegaan door de iepziekte
                    (Mogelijkheden voor het behoud van de iep in Nederland, J.L. Guldemond, IBN-DLO,
                    IBN-rapport 158, 1995). De Bomenstichting schat in dat in 1995 ca. 40.000 iepen
                    verloren zijn gegaan door de iepziekte.</al><al>De bij de bestrijding van de iepziekte betrokken organisaties (waaronder de
                    Bomenstichting, het ministerie van LNV, de Vereniging Stadswerk, de Groenraad en
                    enkele gemeenten) plegen overleg in het IepenBeraad. De VNG is geen deelnemer
                    aan het Iepenberaad maar onderschrijft wel de doelstelling van coördinatie van
                    de bestrijding van de iepziekte. De verantwoordelijkheid voor bestrijding van de
                    iepziekte ligt voornamelijk bij gemeenten. Die verantwoordelijkheid krijgt vorm
                    door een consequente uitvoering en handhaving van dit voorschrift.</al><al><vet>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</vet></al><al><vet>artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer,
                            in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                            het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                            opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                            gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader
                            aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig
                            te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>snorfietsen, bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                    daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                    gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen,
                                    indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor
                                    verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan
                            wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem
                            aangeduide voorwerp of stof: </al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door hen gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                            onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                            opslagverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van snorfietsen, bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten en
                    -afval. het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag
                    verboden is dan wel aan bepaalde regels gebonden is. Deze bepaling ziet niet op
                    handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in
                    deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de ‘weg’ daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al>De in de afdeling 5.1 ‘Parkeerexcessen’ opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingruimte voor
                    auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al>Activiteiten waarvan op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een vergunning
                    vereist is of een meldingsplicht, indien het een zogenaamde 8.40 AMvB betreft,
                    kunnen niet onder de bepaling van de APV worden gebracht. Aangezien het motief
                    gelijk is, namelijk het voorkomen van hinder, vervallen op dit punt de
                    gemeentelijke bepalingen.</al><al><vet>artikel 4.4.1.a Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Meststoffenwet;</al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die
                                    is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen
                                    behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3,
                                    punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van
                                    de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt';</al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het
                            verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen
                            uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op officiële feest
                            en gedenkdagen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover
                            de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde
                            verboden.</al></li><li nr="5."><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig
                            gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In artikel 9 van de Wet bodembescherming is bepaald dat bij algemene maatregel
                    van bestuur regels kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de
                    bodem. Hiertoe kunnen regels behoren met betrekking tot het op of in de bodem
                    brengen van meststoffen.</al><al>Met het Besluit gebruik meststoffen is aan dit artikel uitvoering gegeven. In
                    het Besluit zijn maatregelen genomen ten aanzien van het tijdstip en de wijze
                    van uitrijden van meststoffen.</al><al>Het Besluit gebruik meststoffen is gebaseerd op de Wet bodembescherming. De
                    regels in het Besluit zijn gesteld in het belang van de bescherming van de
                    bodem. In artikel 5, eerste lid, van het Besluit wordt bepaald dat het verboden
                    is meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland, braakland of niet beteelde
                    grond, tenzij de meststoffen emissiearm worden aangewend.</al><al>De hoofdregel in het Besluit gebruik meststoffen is dat meststoffen emissiearm
                    worden aangewend. De vraag rijst of er dan nog behoefte is aan een artikel in de
                    APV waarin regels worden gegeven ten aanzien van het emissiearm uitrijden. Gelet
                    op de situaties waarop het tweede en derde lid van artikel 5 van vorengenoemd
                    Besluit betrekking hebben, dient deze vraag bevestigend beantwoord te
                    worden.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat het verbod niet geldt voor gronden die
                    gelegen zijn in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I van
                    het Besluit, waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend alsmede op
                    bouwland, braak land of niet beteelde grond, gelegen op Texel. Het derde lid
                    bepaald dat het niet verbod niet van toepassing is op het gebruik van vaste mest
                    op grasland of op gronden waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend.</al><al>Met artikel 4.4.1a wordt beoogd om de stankoverlast op bepaalde dagen tegen te
                    gaan. Aan dit artikel ligt een ander motief ten grondslag dan aan het Besluit en
                    daarmee is het een aanvulling op het Besluit. De grondslag van de bepaling is
                    artikel 149 van de Gemeentewet: het bestrijden van stankoverlast is aan te
                    merken als een belang dat de huishouding van de gemeente betreft.</al><al>artikel 4.4.1a verbiedt het uitrijden van meststoffen op bepaalde gronden op
                    bepaalde dagen. het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>Er is gekozen voor het verbieden van het uitrijden van meststoffen op zondag en
                    de aangegeven feest- en gedenkdagen. Onder ‘ officiële feest- en gedenkdagen’
                    worden in dit artikel de nationale feestdagen (nieuwjaarsdag, de eerste en
                    tweede Paasdag, de eerste en tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, de eerste en
                    tweede Kerstdag, 5 mei en de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt
                    gevierd) gerekend, maar er kan ook rekening worden gehouden met lokale
                    feestdagen. Het verbod geldt niet indien tijdens het uitrijden de mest direct
                    wordt ondergewerkt, omdat er in dat geval geen sprake is van stankoverlast.</al><al><vet>artikel 4.4.2 Vergunningsplicht handelsreclame</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                            onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een
                            opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf
                            de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte: </al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                    gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht
                                    zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                    daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste
                                    zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop,
                                            verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks
                                            voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de
                                            onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak
                                            is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij
                                    het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn,
                                    mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij
                                    feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                    dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                    aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                            aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke
                            betekenis hebben, mits: </al><lijst><li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is
                                    gedaan aan het college;</al></li><li nr="b."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                    kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;</al></li><li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken
                                    op de onroerende zaak aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als
                            bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in
                            gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te
                            veroorzaken.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                            landschapsverordening; </al><lijst><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                    bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet milieubeheer.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Algemeen</al><al>Het aanbrengen van handelsreclame (commerciële reclame) aan een onroerende zaak
                    wordt in deze bepaling gebonden aan een vergunning van het college. Volgens
                    vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot
                    het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel
                    4.4.2 gaat om reclame, waardoor geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
                    Zie ook de toelichting bij artikel 1.1. onder ‘handelsreclame’. Het in artikel
                    4.4.2 gecreëerde vergunningenstelsel is derhalve niet in strijd met artikel 7
                    van de Grondwet. In artikel 7 van de herziene Grondwet wordt - in aansluiting
                    aan de geldende jurisprudentie - in het vierde lid de handelsreclame met zoveel
                    woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De bedoeling hiervan is
                    uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke bescherming over het
                    openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het ideële,
                    maatschappelijke of politieke aspect ontbreekt.</al><al>De volgende vraag die zich opdringt is of artikel 4.4.2 ook in overeenstemming
                    is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije
                    meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan
                    ons inziens bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel
                    10 EVRM überhaupt wel ziet op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de HR dit
                    in algemene zin gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899),
                    het Europese Hof heeft zich hierover nog niet éénduidig uitgesproken (zie o.a.
                    EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het
                    Europese Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van commerciële
                    reclame minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet
                    op de strekking van het verdrag. Echter ook indien er vanuit wordt gegaan dat
                    alle handelsreclame onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn
                    beperkingen zoals een vergunningstelsel mogelijk zolang deze voorzien zijn bij
                    wet. Hieronder worden ook gemeentelijke verordeningen verstaan naar algemeen
                    wordt aangenomen. Daarnaast dienen de beperkingen noodzakelijk te zijn in een
                    democratische samenleving ter bescherming van de in de artikel 10 EVRM en
                    artikel 19 IVBP genoemde belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen
                    van wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden.</al><al>De rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december
                    1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd
                    dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de
                    verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om
                    reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in
                    een uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van een aanplakverbod zonder
                    schriftelijke toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is
                    met artikel 10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en
                    noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van
                    wanordelijkheden en ter bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ
                    1997, 457). Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te
                    absolute beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke
                    noodzaak voor de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid
                    van enige betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, het
                    vergunningenstelsel op grond van artikel 4.4.2 houdbaar lijkt.</al><al>Uitzonderingen</al><al>Behalve ideële reclame is ook een aantal andere opschriften e.d. die kunnen
                    dienen tot het maken van handelsreclame uitgezonderd van de vergunningsplicht,
                    zie het tweede lid.</al><al>Voor al die uitgezonderde reclames geldt een stelsel van repressief toezicht.
                    Zie artikel 4.4.3. Géén uitzondering is overigens opgenomen voor opschriften
                    e.d. die worden aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting of
                    krachtens een wettelijke bevoegdheid. Zulks is niet nodig omdat dergelijke
                    opschriften e.d. geen betrekking hebben op handelsreclame.</al><al>Melding</al><al>Voor opschriften e.d. met een tijdelijk karakter (maximaal negen weken) is een
                    systeem van melding bij het college in het leven geroepen. Wanneer op die
                    melding niet binnen twee weken door het college wordt gereageerd, mag - in
                    afwijking van het in het eerste lid gestelde plaatsingsverbod - zonder
                    vergunning tot plaatsing worden overgegaan. Voor de praktische toepassing van
                    dit stelsel is het wellicht mogelijk beleidslijnen te ontwikkelen aangaande
                    wijze van plaatsing, materiaalgebruik, termijn verwijdering na afloop van de
                    aangekondigde activiteit etc. Voor regelmatig terugkerende evenementen, zoals
                    sportwedstrijden, culturele activiteiten e.d. zou met een éénmalige melding
                    kunnen worden volstaan.</al><al>Afbakening met andere regelgeving</al><al>In het derde lid van artikel 4.4.2. wordt bepaald dat het in het eerste lid
                    gestelde verbod niet geldt voor zover de Woningwet, de op de Wet Milieubeheer
                    gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de Provinciale
                    Landschapsverordening, de gemeentelijke monumentenverordening of artikel
                    2.1.5.1. van toepassing is. Met de woorden ‘voor zover’ wordt tot uitdrukking
                    gebracht dat een belang dat meegenomen moet worden in het kader van de
                    aangegeven regelgeving niet nogmaals een rol mag spelen bij de besluitvorming
                    omtrent de APV-vergunning. Indien een reclameconstructie bijvoorbeeld is aan te
                    merken als ‘bouwwerk’ in de zin van artikel 40 Woningwet, is voor het plaatsen
                    ervan een bouwvergunning vereist. Het welstandsbelang wordt dan meegewogen bij
                    de beslissing inzake de verlening van de bouwvergunning en niet bij de
                    beslissing inzake de verlening van de APV-vergunning. Artikel 8, zesde lid, van
                    de Woningwet bepaalt verder dat de Bouwverordening voorschriften dient te
                    bevatten omtrent het uiterlijk van bestaande gebouwen zowel op zich zelf als in
                    verband met de omgeving. Indien de reclameconstructie een meldingplichtig
                    bouwwerk is als bedoeld in artikel 42 Woningwet, kan krachtens het tweede lid
                    door de Welstandscommissie worden beoordeeld of de constructie voldoet aan de
                    redelijke eisen van welstand. Een toetsing van de welstandseisen bij de
                    beslissing omtrent de APV-vergunning is ook in dit geval niet meer ter zake. Een
                    reclameconstructie kan ook aangebracht worden op een bestaand gebouw zonder dat
                    daarvoor een afzonderlijke bouwvergunning nodig is. Ingevolge het tweede lid van
                    artikel 12 Woningwet kunnen dergelijke constructies niet worden getoetst aan
                    welstandseisen. Het zou in strijd met het regime van de Woningwet zijn als op
                    basis van de APV dergelijke vergunningvrije bouwwerken wel aan een
                    welstandstoets zouden worden onderworpen.</al><al>Een en ander betekent niet dat naast het regime van de Woningwet geen plaats
                    meer is voor vergunningverlening op basis van de APV. Hinder- of gevaarsaspecten
                    welke verbonden zijn aan reclameconstructies aan gebouwen kunnen immers worden
                    geregeld in een vergunning ex artikel 4.42 APV.</al><al>De Wet milieubeheer geeft een regeling over de directe en indirecte hinder
                    vanuit vergunningplichtige inrichtingen. Inrichtingen in de zin van de Wet
                    milieubeheer zijn bijvoorbeeld horecabedrijven (Bijlage I, categorie 18 van het
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De afbakening ten opzichte
                    van de Wet milieubeheer is alleen noodzakelijk ten aanzien van lichtreclame.
                    Voorschriften over hinder veroorzaakt door lichtreclame aan de gevel van een
                    horecabedrijf en voorschriften aan het energieverbruik van de lichtreclame
                    moeten worden opgenomen in de milieuvergunning van het betreffende bedrijf of
                    worden gebaseerd op het Besluit horecabedrijven Wet milieubeheer. Hinder in de
                    zin van de Wet milieubeheer zal veelal samenvallen met het motief genoemd in het
                    vierde lid, onder c, van artikel 4.4.2: het voorkomen of beperken van overlast
                    voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Aan inrichtingen
                    die niet vallen onder de werking van de Wet milieubeheer, bijvoorbeeld
                    woonhuizen, kunnen voorschriften ten aanzien van reclame-uitingen worden
                    opgelegd op basis van artikel 4.4.2 van de APV.</al><al>Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument is ingevolge artikel
                    14 van de Monumentenwet 1988 vergunning nodig van burgemeester en wethouders,
                    dan wel van de minister van welzijn, volksgezondheid en cultuur indien deze op
                    grond van artikel 17 van de Monumentenwet beslist op de vergunningaanvraag. In
                    de meeste provincies geldt een verordening op het landschapsschoon, die het
                    aanbrengen van opschriften e.d. op onroerende zaken in bepaalde gedeelten van de
                    gemeente - doorgaans de landelijke gedeelten - bindt aan een vergunning van
                    gedeputeerde staten. Toetsingscriterium is daarbij het belang van het
                    landschapsschoon. Het plaatsen van reclameborden op de weg, wordt gereguleerd
                    door artikel 2.1.5.1. Verwezen wordt naar de toelichting en jurisprudentie bij
                    dit artikel. Het plaatsen van reclamevoertuigen op de weg wordt gereguleerd door
                    artikel 5.1.6 van de APV.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Reclameverordening onverbindend omdat het begrip ‘reclame’ zodanig ruim
                            is gedefinieerd dat daaronder niet alleen commerciële reclame is te
                            verstaan. ARRS 22-1-1981, NG 1981.</al></li><li nr="-"><al>Onderscheid commerciële reclame en reclame waardoor gedachten en
                            gevoelens worden geopenbaard. ARRS 20-8-1981, GS, 1982, 6692,3.</al></li><li nr="-"><al>Bouwvergunning vereist voor een reclamebord met opschrift Te koop/te
                            huur omdat de duur van de aanwezigheid ongewis is. ABRS 22-5-1997, JG
                            97.0180, m.nt. L.A.J.F. Timmermans.</al></li><li nr="-"><al>Weigeringscriteria voor het plaatsen van een reclamebord in de APV
                            (welstand, verkeer en overlast) zijn limitatief. Indien
                            reclamevergunning wordt geweigerd, dient een weigering te zijn gebaseerd
                            op één of meer van deze criteria. ABRS 24-9-1996, JG 97.0049.</al></li><li nr="-"><al>Definitie van het begrip ‘handelsreclame’. Lichtborden op
                            makelaarskantoor zijn handelsreclame. ABRS 5-10-1995, JG 96.0031, GS,
                            1997, 7045,2 m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Definitie van het begrip ‘handelsreclame’. Lichtborden met
                            naamsaanduiding van een bejaardeninstelling is geen handelsreclame. ABRS
                            20-7-1995, JG 96.0030, GS, 1997, 7045,3 m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Reclamebord op antieke wagens. Door het gebruik van de grond voor
                            permanente plaatsing van deze voertuigen is sprake van het ‘gebruik van
                            een onroerende zaak’. ARRS 10-6-1993, JG 94.0009.</al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de
                        gemeente</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Parkeerexcessen</vet></al><al>Algemeen</al><al>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994).</al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt:</al><al>‘Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze
                    wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich
                    daar niet toe lenen.’</al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al>2. Begrip ‘parkeerexces’</al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    ‘parkeerexces’ precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip ‘parkeerexces’ bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip ‘parkeerexces’ ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><lijst><li nr="1."><al>zowel wanneer het betreft parkeren op de weg dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling). In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de
                            weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar
                            wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of
                            het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte
                            opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van
                            anderen;</al></li><li nr="2."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het
                    ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de
                    beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en
                    25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr
                    Veen.</al><al>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip ‘parkeerexces’ is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    ‘parkeerexcessen’ moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Te minder
                    noodzaak bestaat er thans om deze soorten in aparte verordeningen onder te
                    brengen, een parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening. Het verdient aanbeveling de thans voorgestelde modelbepalingen in
                    haar geheel onder te brengen in de algemene plaatselijke verordening, en wel in
                    een hoofdstuk ‘Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente’.
                    Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander
                    hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag
                    liggen.</al><al>Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de bepalingen
                    blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de
                    tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de
                    bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een van de voordelen
                    van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging verboden, doch op
                    grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden
                    samengebracht.</al><al>In afdeling 5.1 ‘parkeerexcessen’ is ook een aantal onderwerpen opgenomen, welke
                    niet kan worden aangeduid als ‘parkeerexcessen in eigenlijke zin’, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar de hierbedoelde voorschriften door het publiek wel als zodanig
                    (zullen) worden ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in de
                    hierbedoelde paragraaf te regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het
                    ‘aantasten van groenvoorzieningen’.</al><al>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</al><al>Bij parkeerexcessen ‘in eigenlijke zin’ gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. In artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994 wordt het
                    begrip wegen als volgt omschreven ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande
                    wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot
                    die wegen behorende paden en bermen of zijkanten’. Het is duidelijk dat het
                    begrip weg, zoals in artikel 1.1 van deze APV gedefinieerd, aanzienlijk ruimer
                    is dan in de WVW 1994. Daarom is voor de voorgestelde afdeling 5.1
                    ‘Parkeerexcessen’ bepaald dat onder het begrip wegen moet worden verstaan
                    hetgeen daaronder in de WVW 1994 wordt verstaan.</al><al>In de afdeling ‘Parkeerexcessen’ zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen ‘in eigenlijke zin’ kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    de artikelen 5.1.5, eerste lid onder b, 5.1.7, eerste lid, en 5.1.9 óók
                    betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994; artikel
                    5.1.10 ziet zelfs uitsluitend op zulke gedragingen. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot ‘op de weg’ ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5.1.2 en 5.1.7, tweede lid.</al><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg,
                    kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden
                    opgetreden. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de ‘eigenlijke’ als de ‘oneigenlijke’ - zoveel mogelijk
                    in één afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5.1.1. opgenomen definities van
                    ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>5. Vervangende parkeergelegenheid</al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien. Uitgangspunt dient te
                    zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te
                    zorgen.</al><al>De indruk bestaat, dat er (met name buiten de werkuren) in diverse gevallen op
                    de bedrijfsterreinen toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen
                    vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te
                    achten, dat de chauffeurs die op enige afstand van hun bedrijven wonen, hun
                    vrachtwagens ‘s avonds en in het weekeinde niet meer voor de woning, maar bij
                    voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein parkeren en dat zij zich, evenals andere
                    forensen, met ‘normale’ vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de woning
                    en omgekeerd.</al><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen. Om aan de zich hier voordoende
                    praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de overheid het parkeren kunnen
                    blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid kunnen scheppen) op
                    parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren van vrachtwagens op weinig of
                    geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a a-priori van een plicht van de
                    gemeentelijke overheid tot aanleg van vervangende parkeergelegenheid kan worden
                    gesproken, mag er anderzijds van worden uitgegaan dat naleving van de hier
                    bedoelde verbodsbepalingen met des te meer reden gevergd kan worden, wanneer de
                    belanghebbende een andere parkeerplaats als alternatief ter beschikking staat.
                    In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten aanzien van exploitanten van
                    bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een ontheffing kan
                    worden onthouden, wanneer een redelijk te realiseren alternatief voor hen
                    ontbreekt.</al><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden
                    verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden
                    gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke overheid
                    een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen hebben, zo
                    zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ‘s nachts; bovendien is de
                    toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de gestalde
                    voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de zogenaamde
                    exoneratieclausules.</al><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan).</al><al>Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage
                    1 van het RVV 1990. Op een onderbord onder bord model E4 van bijlage 1 kan
                    worden aangegeven ‘de tijdsduur gedurende welke parkeren is toegestaan’, de
                    categorie of categorieën voertuigen waarvoor parkeren is toegestaan en de ‘wijze
                    waarop het parkeren dient te geschieden’.</al><al>In aansluiting hierop houdt artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, thans het
                    verbod in te parkeren ‘op een parkeergelegenheid voor zover een voertuig niet
                    behoort tot de op het onderbord aangegeven categorie voertuigen, op een andere
                    wijze dan op het onderbord is aangegeven dan wel op de dagen of uren waarop dit
                    blijkens het onderbord is verboden’. Indien de parkeerplaatsen zijn (of kunnen
                    worden) aangeduid door bord E4, dan zouden deze plaatsen bij voorbeeld
                    uitsluitend voor het parkeren met vrachtwagens kunnen worden aangewezen.
                    Opgemerkt zij hierbij, dat een met dit bord aangeduide parkeerplaats niet alleen
                    een parkeerterrein kan zijn, maar het kan ook een langs de rijbaan gelegen
                    parkeerhaven of parkeerstrook zijn.</al><al>6. Ontheffingen</al><al>Bij de onderscheidene verbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                    noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                    bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan voorschriften
                    kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd beperkt karakter
                    hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al>7. Overleg met vervoerders(organisaties)</al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een gemeentelijke
                    parkeerexcessenregeling niet strijdig is de Wegenverkeerswet (oud) en haar
                    uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). Zie uitspraak van ARRS 3-12-1992, JG
                    93.0120.</al><al><vet>artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, snorfietsen en bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels
                                    en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                    rolstoelen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de
                            tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                            uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van
                            goederen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Onder a</al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ‘weg’ verstaan hetgeen artikel
                    1 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) daaronder verstaat. . Concreet gaat
                    het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip
                    van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en
                    bermen of zijkanten. De artikelen 5.1.2, 5.1.2a, 5.1.3, 5.1.4, 5.1.5, eerste
                    lid, sub a, 5.1.6, 5.1.7, tweede lid, en 5.1.8 hebben derhalve slechts op
                    ‘echte’ parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling
                    strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.
                    De daar bedoelde plaatsen zullen doorgaans wèl zijn aan te merken als ‘weg’ in
                    de zin van deze APV. Zie voorts de algemene toelichting.</al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van ‘weg’ in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder ‘wegen’ wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen. In een
                    van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV, worden gedragsregels gegeven
                    voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v. en artikel 46
                    RVV.</al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5.1.7.</al><al>Onder b</al><al>Opdat over de inhoud van het begrip ‘voertuigen’ geen onzekerheid zal bestaan,
                    is hier een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de
                    definitie van ‘voertuigen’ die in artikel 1, onder al, van het RVV wordt
                    gegeven. Van dit begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals
                    treinen en trams, tweewielige fietsen, tweewielige snorfietsen en tweewielige
                    bromfietsen, invalidenvoertuigen en andere kleine voertuigen, zoals kruiwagens,
                    kinderwagens, rolstoelen e.d. Deze uitzondering is gemaakt, omdat anders sommige
                    bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Een driewielige (bak)fiets,
                    snorfiets of bromfiets valt wel onder het begrip voertuig, zoals in deze
                    afdeling bedoeld. Het lijkt niet wenselijk dat de uitzondering ook voor deze
                    ‘driewielers’ zou gelden, omdat het parkeren van deze voertuigen ook kan leiden
                    tot parkeerexcessen. Een driewieler van een kleuter wordt gerekend tot de kleine
                    voertuig in onderdeel 4 en wordt daarmee uitgezonderd van het begrip voertuig in
                    deze afdeling.</al><al>Onder c</al><al>De omschrijving van het begrip ‘parkeren’ is dezelfde als die van artikel 1,
                    onder ac, van het RVV. De hier gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele
                    vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten
                    de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in-
                    en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn
                    dan immers activiteiten die door deze bepalingen niet worden bestreken. Evenmin
                    zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die
                    bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen
                    sprake van parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede ‘het laten stilstaan’
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al><vet>artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van
                            maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                            verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100
                                    meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                            verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid, onder a</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingruimte voor auto’s die hen toebehoren en/of
                    zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van
                    parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet
                    toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief).</al><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    ‘zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte’ van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen ‘hem toebehoren of
                    zijn toevertrouwd’, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden ‘drie
                    of meer voertuigen’ zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(‘s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het derde lid, onder b.) Deze
                    bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al>Eerste lid, onder b</al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Met het
                    oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het
                    herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene ‘toebehoren of zijn
                    toevertrouwd’. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2.4.7. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen. Gelet op de strekking van deze
                    bepaling kan zij niet als een ‘parkeerexcesbepaling’ in de strikte betekenis van
                    het woord worden aangemerkt.</al><al>Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen.</al><al>Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluids- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg. Ingevolge de aanhef is slechts
                    degene, die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- en/of
                    sloopdoeleinden gebruikt strafbaar. Ook voor diegenen moet echter de
                    mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto
                    kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al>Tweede lid</al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder ‘verhuren’, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al>Derde lid</al><al>Onder a is het woord ‘vergen’ gebezigd in plaats van ‘duren’ ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het eerste lid
                    gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de
                    voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(‘s) van de exploitant.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1.2 kan niet als een soort ‘escape’ fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel
                    5.1.2 mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere
                    artikelen in de afdeling, in die zin dat de ‘faciliteit’ die in artikel 5.1.2 is
                    besloten - garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan -
                    ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot
                    voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte
                    die hen is aangewezen dezelfde blijft.</al><al>Immers, in artikel 5.1.2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5.1.3 en 5.1.4
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen. Het bepaalde
                    bij artikel 5.1.2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een ‘vrijstelling’
                    om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere verbodsbepalingen in deze
                    afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 1970, nr.
                    65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet gepubliceerd).</al><al>Vierde lid</al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid. Tevens moge hier de aandacht worden
                    gevestigd op hetgeen daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten
                    aanzien van bestaande bedrijven.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De Afdeling Rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989/373.</al><al><vet>artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een
                            voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden
                            of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid hebben
                    gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het
                    oordeel van het college sprake is van overlast kan het het verbod
                    activeren.</al><al><vet>artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</vet></al><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te
                    verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                    achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al>Commentaar</al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al>Deze bepaling ziet slechts op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op
                    het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie achtereenvolgende
                    dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR 1972, nr. 105, OB 1973,
                    XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft, waarin een termijn van twee dagen
                    werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr. 67792 (niet gepubliceerd) over de
                    Parkeerexcessenverordening van Nijmegen, waarin een termijn van zeven dagen werd
                    aangehouden.</al><al><vet>artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in
                            onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                            toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats
                    aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt
                    een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op
                    de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.
                    Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij
                    het uitvaardigen van dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken. De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en
                    hebben van wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de
                    openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in de Avalstoffenverordening
                    en tevens in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat
                    derhalve niet tevens het bestanddeel ‘van de weg af zichtbaar’.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al><vet>artikel 5.1.5 Caravans e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,camper,
                            magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat
                            voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                            verkeersdoeleinden wordt gebezigd: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                    hebben op de weg.</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en
                            onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de caravan- en tentenverordening Noord-Holland of de
                            Wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid, onder a</al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig parkeren van caravans,
                    campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de
                    woorden ‘parkeren’ gewijzigd in ‘te plaatsen of te hebben’ om de handhaving van
                    deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen
                    van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van
                    deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede ‘of een ander
                    dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede
                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd’ is beoogd aan te geven dat
                    alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt
                    als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al>Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in vervangende
                    parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald, overwogen
                    kunnen worden. Verwezen zij naar hetgeen hierover in de algemene toelichting is
                    gesteld.</al><al>Eerste lid, onder b</al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Jurisprudentie</al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk in
                    het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                    kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering
                    hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van
                    parkeerruimte waren in het geding. Zie uitspraak ARRS 11-3-1993, AB
                    1993/553.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college
                    van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een
                    kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder
                    b bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie die
                    geen ‘weg’ is in de zin van de wegenverkeerswetgeving.</al><al>Binnenplein is weg in de zin van de WVW en valt daarmee niet onder ‘aangewezen
                    plaats’ uit de APV-bepaling. Zie uitspraak ABRS 18-4-1997, JG, 97.0210 m.nt.
                    A.B. Engberts.</al><al><vet>artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                            handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                            handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt ‘met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken’, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat het om een
                    ‘eigenlijk’ parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op
                    een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van handelsreclame op of aan
                    onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel
                    4.4.2. van deze APV. Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het
                    maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit
                    artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in
                    ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.</al><al>Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken
                    van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                    Grondwet) en/of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen
                    onderwerpen. Men spreekt wel van ‘ideële reclame’. De wenselijkheid en
                    mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien.</al><al>Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de
                    gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het staat de
                    gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar plaats
                    en/of tijd - afhankelijk te stellen van het oordeel van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van B&amp;W van
                    Zierikzee geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen
                    binnen de bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving
                    aanvaardbaar. De bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht)
                    speelt een belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een
                    dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste
                    riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze
                    bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist.
                    ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1.</al><al><vet>artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te
                            parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn
                            oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college
                            aangewezen weg, waar dit naar hun oordeel buitensporig is met het oog op
                            de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                            maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                            ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Algemeen</al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen – in het bijzonder vrachtwagens – op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.</al><al>Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ondervonden als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5.1.7
                    en 5.1.8 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover
                    dit excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene toelichting
                    onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, vóór
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bij
                    voorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen welke het college hebben aangewezen.
                    Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college
                    in hun besluit verwijzen naar een plattegrond van de gemeenten waarop de
                    plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd. Gezien het motief van
                    deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen
                    buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op
                    ‘eigenlijke’ parkeerexcessen. Wat het motief: bescherming van het uiterlijk
                    aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet
                    noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit
                    een oogpunt van stedenschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben,
                    wil er sprake kunnen zijn van een ‘parkeerexces’.</al><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van zes meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
                    Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling. Niet apart zijn vermeld de
                    oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod zou dan immers zelfs
                    gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier echter te reguleren
                    het parkeren van grote voertuigen.</al><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon. Binnen de verboden zones zullen in
                    ieder geval uitzonderingen moeten worden gemaakt ten behoeve van autobussen in
                    lijndienst. Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod
                    onder de aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst,
                    dat de in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod.</al><al>In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs de naar de gemeente
                    toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden kenbaar wordt gemaakt, dat
                    binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren van grote voertuigen
                    slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.</al><al>Tweede lid</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief: buitensporig
                    gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet
                    noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook
                    het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin
                    opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun. Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote
                    voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing
                    is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks
                    mede in verband met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door
                    middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan
                    bij voorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de
                    plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten
                    grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag
                    liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten
                    grondslag kunnen liggen. Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan
                    worden gemaakt, de toelichting op eerste lid.</al><al>Derde lid</al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Het
                    parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5.1.8.</al><al>Vierde lid</al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><lijst><li nr="-"><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer
                            gebruik dienen te worden gemaakt:</al></li><li nr="-"><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd;</al></li><li nr="-"><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen.</al></li></lijst><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>rijdende winkels;</al></li><li nr="-"><al>wagens van kermisexploitanten;</al></li><li nr="-"><al>wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                            wegverkeer terstond moeten kunnen ‘uitrukken’ (sleepwagens e.d.);</al></li><li nr="-"><al>voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten
                            (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken
                            (electrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de
                            parkeerplaats moeten worden gesteld.</al></li></lijst><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient óf te
                            gebeuren op basis van de APV óf op basis van een verkeersbesluit
                            (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie
                            Vz. AGRS 27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157.</al></li><li nr="-"><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen
                            ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in
                            een woonbuurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk
                            aangemerkt. Vz. ARRS 18-12-1992 (S03.92.4266), JU 931114 en Vz. ARRS
                            16-9-1993 (S03.93.3369), JU 941013.</al></li><li nr="-"><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot
                            voertuig wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge
                            parkeerdruk ter plaatse, zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG
                            93.0353.</al></li><li nr="-"><al>Bij een verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot
                            voertuig, waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is, dient het
                            college van B&amp;W een goede belangenafweging te maken tussen enerzijds
                            de redelijke eisen van welstand en anderzijds de belangen van de
                            eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                            rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al></li><li nr="-"><al>vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                            vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is,
                            waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de
                            geparkeerde vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de
                            weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                            gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                            gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                            wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                            het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5.1.7. Door opneming
                    van de bestanddelen ‘of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan’ zijn
                    ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door
                    het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen
                    berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval,
                    stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten gevolge van het starten en
                    warmdraaien van grote voertuigen. Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is,
                    blijkt uit een reeds oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ
                    1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede
                    verbindend achtte.</al><al>Tweede lid</al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    ‘hoogwerkers’, meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet
                    goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke
                    karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><al><vet>artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren
                            daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen
                            daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto’s van
                    destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d.</al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW
                    1994. Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt
                    niet goed te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al><vet>artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets, snorfiets of bromfiets te
                            rijden, door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of
                            plantsoen of een in de gemeente aanwezige beplanting of
                            groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                    van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                    bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden. Aangezien deze bepaling
                    zich uitsluitend richt tegen een ‘oneigenlijk’ parkeerexces - dat wil zeggen
                    tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van
                    de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen
                    bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare beplantingen
                    enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg.</al><al>Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de WVW
                    1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de
                    desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de
                    berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s,
                    motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder ‘wegen’ ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5.1.10 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De
                    wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in
                    een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de
                    zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2.4.6.</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen. Het moge duidelijk
                    zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing behoren te zijn op
                    een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen.
                    Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen ‘doen of laten staan’ in
                    plaats van ‘parkeren’, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te
                    bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht.
                    De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het
                    algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling
                    uit te vaardigen, ging niet op. Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de
                    Hoge Raad kennelijk ten doel ‘maatregelen te nemen tegen beschadiging van
                    stadsbosch en door de gemeente aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de
                    instandhouding van gemeentelijk terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding
                    van de gemeente betreft’.</al><al>Indien het in artikel 5.1.10 bedoelde voertuig een door een woonwagenbewoner
                    bewoonde woonwagen is, zullen het college deze niet met toepassing van
                    bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen
                    verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is verleend
                    als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het vierde lid
                    van dat artikel is uitgevaardigd. Zie wnd. vz. AR 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al>Tweede lid</al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al><vet>artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                            belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                            opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                            openbare gezondheid, verboden is fietsen, snorfietsen of bromfietsen
                            onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                            staan.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen, snorfietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                            onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                            verkeren, op de weg te laten staan.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen, snorfietsen en
                    bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden
                    geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties
                    van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations,
                    winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende
                    stallingmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kunnen nemen zijn de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al>Tweede lid</al><al>Op grond van het tweede lid is het verboden fiets, snorfiets en bromfietswrakken
                    op de weg te laten staan. Zowel in de stallingruimten voor (brom)fietsen als
                    overigens op de weg kunnen deze wrakken veel overlast, ontsiering van de
                    gemeente of schade aan de openbare gezondheid veroorzaken. Het gaat hierbij om
                    (brom)fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in
                    een verwaarloosde toestand verkeren. Deze wrakken die doorgaans aan niemand meer
                    toebehoren, kunnen op grond van het tweede lid van dit artikel worden opgehaald
                    en als grof vuil worden afgevoerd.</al><al><vet>Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</vet></al><al><vet>artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                            inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst
                            aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij
                            het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken
                            worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van
                            geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                            wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of
                            ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden
                            wordt.</al></li><li nr="4."><al>het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling
                            verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
                            gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Toezicht op inzamelingsacties door middel van een vergunningenstelsel wordt een
                    gemeentelijke taak geacht. De gemeentelijke wetgever dient in zijn regeling van
                    het venten echter wel een uitzondering te maken voor het venten met gedrukte
                    stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7 van de Grondwet. Zie
                    hiervoor artikel 5.2.2. van de APV.</al><al>Eerste lid</al><al>Ingevolge artikel 5.2.1, eerste lid, is het houden van een openbare inzameling
                    gebonden aan een vergunning van burgemeester en wethouders. Voor de
                    toepasselijkheid van de onderhavige bepaling is het niet nodig dat de inzameling
                    zich naar haar aard en opzet richt tot een ieder zonder onderscheid. Een
                    inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de openbare weg of van
                    daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plek
                    plaatsvindt. Ook indien een inzameling beperkt is tot de op intekenlijsten
                    voorkomende namen kan dus van een openbare inzameling sprake zijn.</al><al>Tweede lid</al><al>In het lid 2 van artikel 5.2.1 is met zoveel woorden aangegeven dat, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet
                    meebrengt dat voor het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het
                    komt veelvuldig voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier
                    e.d., waarbij dan een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de
                    opbrengst daarvan. De vraag rijst in welke gevallen deze wijze van collecteren
                    valt onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>De scheiding tussen het inzamelen van geld en goederen en het verspreiden van
                    gedrukte stukken is geaccepteerd in de rechtspraak, HR 26-5-1987, AB 1987/106,
                    Vz. ARRS 16-8-1979, AB 1980, 297 en 18-10-1979, OB 1980, nr. 41340, rubriek
                    III.2.2.7. Ook een beroep op artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming
                    van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van
                    het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, mocht de
                    verbindendheid van een dergelijke APV-bepaling niet aantasten. Blijkens de
                    aangehaalde uitspraken is ook de voorzitter van de afdeling rechtspraak deze
                    opvatting toegedaan, dat door genoemde collectebepalingen wel - op geoorloofde
                    wijze - het inzamelen van gelden, doch niet het daarbij aanbieden van geschreven
                    of gedrukte stukken in het algemeen verboden of van een vergunning afhankelijk
                    gesteld wordt.</al><al>In het tweede lid van artikel 5.2.1 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Het eerste lid onderwerpt een
                    openbare inzameling van geld of goederen aan een vergunning. Volgens het tweede
                    lid wordt onder zodanige inzameling mede verstaan het bij het aanbieden van
                    geschreven of gedrukte stukken aanvaarden van geld of goederen.</al><al>Het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken wordt door de bepaling absoluut
                    onverlet gelaten. Om concreet te worden: wordt een aanvraag om een
                    collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de
                    geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze
                    stukken aan te bieden zonder meer bestaan.</al><al>Strijd met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zou bij voorbeeld wèl ontstaan
                    indien het tweede lid zou bepalen dat onder een inzameling mede wordt verstaan:
                    het bij het aanvaarden van geld of goederen aanbieden van geschreven of gedrukte
                    stukken. Door die redactie wordt namelijk het ‘aanbieden’ van een vergunning
                    afhankelijk. Voorts maakt het bijzondere element ‘... indien daarbij te kennen
                    wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor
                    een liefdadig of een ideëel doel is bestemd’ nog eens duidelijk, dat het gaat om
                    een regeling van het collecteren en niet om een regeling van het venten of
                    colporteren met gedrukte stukken.</al><al>Hoewel het begrip ‘liefdadig doel’ wellicht onder het begrip ‘ideëel doel’
                    gebracht zou kunnen worden, zijn beide termen in artikel 435e Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr) opgenomen. Deze laatste term is ruimer en zou ook bepaalde
                    acties omvatten, waarbij - onder mededeling dat de opbrengst geheel of ten dele
                    voor een goed doel is bestemd - briefkaarten tegen aanzienlijk hogere prijzen
                    dan gebruikelijk te koop worden aangeboden, terwijl de opbrengst van die acties
                    veelal geheel ten goede komt aan de initiatiefnemers tot die briefkaartenacties.
                    In de memorie van antwoord wordt hierover gezegd: ‘Erkend kan worden, dat de
                    term liefdadig in het spraakgebruik vooral wordt gebezigd voor acties die ten
                    doel hebben bepaalde personen stoffelijke steun te verlenen (...). Ten einde er
                    geen twijfel over te laten bestaan dat ook acties gericht op de verwezenlijking
                    van een bepaald ideaal of een bepaalde gedachte onder de onderhavige
                    strafbepaling vallen, is deze (...) aangevuld met de woorden "of ideëel doel".
                    In dit verband merk ik nog op dat, hoewel het begrip liefdadig doel wellicht
                    onder het begrip ideëel kan worden gebracht, het mijns inziens
                    duidelijkheidshalve de voorkeur verdient beide termen in het wetsontwerp op te
                    nemen (TK 1979-80, wow 15678, nr.7). In dit verband zij nog gewezen op (...)
                    artikel 285, derde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat spreekt van
                    uitkeringen met een ideële of sociale strekking. Onder dit laatste moet worden
                    verstaan: verstrekkingen voor noodzakelijk levensonderhoud.’</al><al>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of collecteren (onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken)? Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken moet onderscheiden worden van het venten of colporteren met
                    gedrukte stukken. Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de
                    werking van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren
                    beoogt vooral het dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en
                    redigeren daaronder begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is
                    dus duidelijk dienstbaar aan de verspreiding. Van venten of colporteren met
                    gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een reële contraprestatie
                    in de vorm van een vast bedrag zou worden gevraagd. Omdat het aanbieden van
                    gedrukte stukken en het ontvangen van een geldelijke vergoeding zijn "gekoppeld"
                    en niet te scheiden, is artikel 5.2.2 (de ventbepaling) dan ook met het oog op
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet met zoveel woorden niet van toepassing
                    verklaard op het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van gedrukte stukken
                    (waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard). Bij het collecteren onder
                    gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken is deze koppeling niet aanwezig.
                    Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar
                    vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in
                    een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar
                    liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake van een
                    collecte.</al><al>De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                    uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel. Het inzamelen van bruikbare kleding valt onder de
                    collectebepaling en niet onder de Afvalstoffenverordening. Ook komt het voor dat
                    bedrijven huis aan huis kleding inzamelen en hiervoor een kleine vergoeding
                    betalen.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid van artikel 5.2.1 is voorts een uitzondering opgenomen voor
                    inzamelingen die gehouden worden ‘in besloten kring’. Voor deze uitdrukking is
                    aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch colporteren
                    voor charitatieve doeleinden wordt verboden.</al><al>De uitdrukking ‘in besloten kring’ doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Het begrip ‘besloten kring’ veronderstelt een
                    nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens
                    moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar
                    is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt
                    uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote
                    organisatie als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het
                    behoren tot een zelfde kerkgenootschap.</al><al>Wordt de actie evenwel gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk,
                    of door een plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer
                    wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><al>Vierde lid</al><al>Ten gevolge van het bepaalde in het vierde lid van artikel 5.2.1 zijn het
                    college bevoegd voor bepaalde collecten vrijstelling te verlenen van de
                    vergunningsplicht. Men kan hier met name denken aan de collecten die genoemd
                    worden in het landelijk collecteplan. Blijkens de jurisprudentie zijn de
                    gemeentebesturen immers in beginsel gebonden aan dit plan en hebben zij amper de
                    vrijheid hiervan af te wijken bij het verlenen van vergunningen.</al><al>Het afschaffen van de vergunningsplicht voor collecten die in overeenstemming
                    zijn met het collecteplan zou een vermindering van administratieve rompslomp
                    kunnen betekenen.</al><al>Wèl is dan gewenst bepaalde voorschriften te stellen. Men kan daarbij denken
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>een meldingsplicht;</al></li><li nr="-"><al>de bepaling dat de vrijstelling enkel geldt voor de in het collecte plan
                            voor de betrokken instelling gereserveerde periode;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting om een financiële verantwoording over te leggen van de
                            gevoerde actie;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting dat de collecteurs zich kunnen legitimeren door middel
                            van een vanwege het gemeentebestuur uitgereikte legitimatiekaart;</al></li><li nr="-"><al>eventueel: de verplichting de collecte te houden met gesloten bussen
                            (geen lijstcollecten).</al></li></lijst><al>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</al><al>Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) voor het
                    inzamelingswezen jaarlijks opgestelde collecteplan dient de gemeentebesturen als
                    leidraad voor een plaatselijk collecterooster. Bij het CBF zijn alle Nederlandse
                    gemeenten aangesloten. Het CBF, opgericht in 1925, stelt zich tot taak te
                    bevorderen dat de werving van middelen en de propaganda voor doeleinden te
                    algemenen nutte op aanvaardbare wijze geschiedt, een en ander zowel in het
                    algemeen belang als in het belang van de erbij betrokken instellingen. De
                    stichting tracht haar doel te bereiken door onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevordering van de coördinatie, in samenwerking met de charitatieve
                            instellingen, van alle, voor zover niet uitsluitend als plaatselijk te
                            beschouwen, activiteiten op dit gebied;</al></li><li nr="b."><al>het registreren van informatie over doelstelling, activiteiten e.d. van
                            charitatieve instellingen, onder meer aan de hand van jaar- en
                            financiële verslagen;</al></li><li nr="c."><al>het geven van voorlichting en advies aan de aangeslotenen, met name aan
                            gemeenten;</al></li><li nr="d."><al>het aanwenden van alle gepaste middelen ter bestrijding en voorkoming
                            van misbruiken en misstanden op het inzamelingsterrein. Het CBF heeft
                            normen ontwikkeld waaraan het de activiteiten van charitatieve
                            instellingen toetst (zoals: een goed bestuur, geen doelen in strijd met
                            de wet, efficiënte uitvoering en verantwoording van het financieel
                            beheer). Alleen te goeder naam en faam bekend staande instellingen
                            worden vermeld op het collecteplan. Dit plan wordt jaarlijks door het
                            CBF, in overleg met de Stichting collecteplan, opgesteld en aan de
                            aangesloten gemeenten toegezonden. Het CBF adviseert eveneens inzake
                            verzoeken om vergunningen voor niet op het landelijk collecteplan
                            vermelde collecten, mits de doelstelling van de betrokken instelling
                            zuiver humanitair en niet politiek is. In zijn adviezen geeft het CBF
                            onder meer zijn standpunt weer over de betrouwbaarheid van de
                            organisatie en de daarbij betrokken personen, alsmede over de
                            steunwaardigheid van de doelstelling c.q. het specifieke doel van de
                            voorgenomen actie. Tevens wordt getoetst of de voorgenomen actie geen
                            duplicering is van andere, reeds gevestigde inzamelingen ten bate van
                            een identiek doel, met name dat van instellingen vermeld in het
                            landelijk collecteplan. Over inzamelingen ten behoeve van politieke
                            doelstellingen wordt door het CBF echter niet geadviseerd. Het CBF
                            bewaart en beheert geen gegevens over de justitiële antecedenten van
                            personen die zich met charitatieve acties bezighouden. Dit is reeds
                            daarom niet mogelijk, omdat de Wet op de justitiële documentatie en op
                            de verklaringen omtrent het gedrag zich daartegen verzet. Uiteraard is
                            het mogelijk dat het CBF incidenteel bepaalde informatie heeft; het
                            heeft die dan echter verkregen aan de hand van voor het publiek
                            toegankelijke bronnen, zoals krantenberichten, rechterlijke uitspraken
                            e.d. Hoewel het door het CBF opgestelde landelijk collecteplan geenszins
                            bindend is, doch slechts de betekenis heeft van een advies, dienen de
                            gemeentebesturen zich blijkens de jurisprudentie zoveel mogelijk aan dat
                            plan te houden. Slechts indien hiervoor gewichtige redenen aanwezig
                            zijn, kunnen zij hiervan afwijken. Het feit, dat de ingezetenen van de
                            gemeente rechtstreeks geen belang hebben bij de werkzaamheid van de
                            aanvrager, elders gevestigde instelling, mag niet leiden tot weigering
                            van de toestemming.</al></li></lijst><al>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van
                    collectevergunningen</al><al>De enkele omstandigheid dat een (niet op het landelijk collecteplan voorkomende)
                    organisatie als betrouwbaar is aan te merken, behoeft niet automatisch te
                    betekenen dat een verzoek om collectevergunning dient te worden
                    ingewilligd.</al><al>Dat zou tot overlast voor het publiek en ‘oververzadiging’ van de markt kunnen
                    leiden. Een zekere ordening van het collecteren binnen een gemeente is daarom
                    wel gewenst.</al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van collectevergunningen is er op
                    gericht:</al><lijst><li nr="-"><al>enerzijds dat de inzamelingen geschieden door bonafide te achten in
                            stellingen, en</al></li><li nr="-"><al>anderzijds dat het aantal collecten beperkt wordt gehouden en gelijk
                            matig over het jaar wordt verdeeld.</al></li></lijst><al>Daartoe wordt allereerst plaats ingeruimd voor de collecten van landelijke
                    instellingen, voorkomende op het collecteplan. Instellingen die niet op dit
                    collecteplan voorkomen zijn doorgaans aangewezen op de in dit plan voorkomende
                    vrije perioden. Voor de beoordeling van de vraag of dergelijke instellingen voor
                    een collectevergunning in aanmerking komen, worden in de praktijk onder meer de
                    volgende criteria gehanteerd:</al><lijst><li nr="-"><al>de instelling moet als bonafide zijn aan te merken. Over de
                            betrouwbaarheid van een instelling alsmede over de steunwaardigheid van
                            de voorgenomen inzamelingsactie kan advies worden verkregen van het CBF,
                            mits althans de instelling daar bekend is en de doelstelling van de
                            instelling niet van politieke aard is;</al></li><li nr="-"><al>de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al></li><li nr="-"><al>de voorgenomen actie is geen duplicering van andere reeds ‘gevestigde’
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of</al></li><li nr="-"><al>de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                            van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of</al></li><li nr="-"><al>de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doel
                            einden nastreven.</al></li></lijst><al>Voorts ligt het maken van een onderscheid tussen huis-aan-huis-collecten en
                    straatcollecten voor de hand. Een groot aantal huis-aan-huis-collecten kan
                    eerder dan een groot aantal straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en
                    wrevel onder de bevolking. Met betrekking tot straatcollecten wordt in vele
                    gemeenten het beleid gevoerd, dat deze slechts op bepaalde dagen worden
                    toegelaten. Verder geldt vaak de beperking, dat op een zelfde dag voor niet meer
                    dan één, hoogstens twee doeleinden kan worden gecollecteerd. Overtreft het
                    aantal aanvragen de gestelde mogelijkheden (hetzij omdat er meer aanvragen voor
                    één dag zijn, hetzij omdat het gehele jaar reeds ‘gevuld’ is), dan wordt
                    doorgaans voorrang gegeven aan collecten die door het CBF zijn aanbevolen. Aan
                    de vergunning kan de voorwaarde worden verbonden dat de collecteurs zich kunnen
                    legitimeren door middel van een door het gemeentebestuur uitgereikte
                    legitimatiekaart. Op deze wijze bestaat er een bewijs dat de opbrengst van de
                    inzameling werkelijk ten goede zal komen aan het aangekondigde doel.</al><al>Over de vraag of aan een collectevergunning de voorwaarde moet worden verbonden,
                    dat de collecte moet worden gehouden met gesloten bussen, wordt verschillend
                    gedacht. In vele gemeenten wordt geen vergunning verleend voor zogenaamde
                    lijstcollecten, omdat de daarbij toegepaste inzamelingstechniek vele burgers min
                    of meer tegen hun wil dwingt meer te geven dan zij eigenlijk van plan
                    waren.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Weigering collectevergunning. Dierenbescherming geen instelling van
                            weldadigheid. ABRS 15-9-1994, ARB 1995,160.</al></li><li nr="-"><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                            vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of
                            groot huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van
                            huisvuil. Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan
                            de weg of aan huis. Vz. ARRvS 19-1-1993, JG 93.0355, GS 144(1994) 6983,3
                            m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Het beleid van B en W dat- conform het advies van het Centraal Archief
                            van het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk operende
                            instellingen die in de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde
                            wordt gesteld tot het overleggen van een financiële verantwoording, in
                            de vorm van een jaarverslag met een accountantsverklaring, binnen twee
                            jaar is niet onredelijk. ARRS 28-2-1989, AB 1989, 251.</al></li><li nr="-"><al>Een groot aantal huis-aan-huis-collecten kan eerder dan een groot aantal
                            straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de
                            bevolking. ARRvS 2-12-1983, GS (1984) 6763.3, m.nt. J.M. Kan.</al></li><li nr="-"><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf
                            zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                            plaatsvindt. HR 31-10-1938, NJ 1939, 235</al></li><li nr="-"><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is
                            aangegeven tot welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet
                            aan te merken als het houden van een openbare inzameling. HR 7-11-1932,
                            WvhR 1933, nr. 12584</al></li><li nr="-"><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage,
                            levert het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die
                            verzoeken slechts één gift is ontvangen. HR 21-3-1927, NJ 1927.</al></li><li nr="-"><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                            Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband
                            tussen inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid,
                            JG 00.0187.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.2.2 Venten e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van
                            de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan
                            wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te
                            bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: </al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                    gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet;</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen
                                    door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede
                                    doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van
                                    de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats
                                    die is aangewezen voor het houden van een door het college
                                    ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt
                                    gehouden wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.3.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat
                                    door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar
                                    komt.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Algemeen</al><al>artikel 5.2.2 gaat uit van een algeheel verbod op het venten, behoudens indien
                    met een door het college verstrekte vergunning wordt gehandeld. In het tweede
                    artikellid worden de uitzonderingen op het verbod genoemd; het derde artikellid
                    geeft aan wanneer de aangevraagde vergunning kan worden geweigerd. Uit
                    jurisprudentie volgt dat de venter zijn waren voortdurend moet aanbieden vanaf
                    een andere plaats. Verkoop vanuit een rijdende winkelwagen wordt ook tot het
                    venten gerekend.</al><al>Tweede lid, onder a</al><al>artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Dientengevolge moet het venten met gedrukte of
                    geschreven stukken van de verbodsbepaling uit het eerste lid van het APV-artikel
                    worden uitgezonderd.</al><al>Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie
                    sprake is van de uitoefening van ‘een zelfstandig middel van bekendmaking’ in de
                    zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er sprake is van het te koop aanbieden
                    van drukwerk, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het
                    verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend,
                    zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al>Recentelijk is, in een geval van verkoop van posters met reproducties van
                    aquarellen en afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, bepaald
                    dat deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting
                    van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte
                    stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld
                    in art. 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan:</al><lijst><li nr="-"><al>de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte
                            stukken;</al></li><li nr="-"><al>er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet
                            resulteren in een algeheel verbod.</al></li></lijst><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wèl
                    toelaatbaar (zie ook de toelichting bij art. 2.1.3.1). De beperking van de
                    verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet op artikel 7 van de
                    Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van het drukwerk.
                    Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers "iedere openbaarmaking van een - meer
                    of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of
                    motieven van degene die zich uit" (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop
                    van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid naar tijd en
                    plaats worden ingeperkt. Deze beperking mag echter niet zover gaan dat het
                    gebruik van de vrijheid van drukpers feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.</al><al>Tweede lid, onder b</al><al>De reikwijdte van het geformuleerde ventverbod betreft in beginsel ook het aan
                    de deur afleveren van goederen. In bepaalde gevallen worden echter artikelen die
                    in een winkel zijn aangeschaft door de winkelier of zijn personeel aan huis
                    afgeleverd. Een dergelijk afleveren van goederen betreft niet de verkoop van
                    goederen aan de deur, waardoor de openbare orde wordt aangetast. Hiervoor wordt
                    dan ook een uitzondering gemaakt.</al><al>Tweede lid, onder c</al><al>Krachtens artikel 151 Gemeentewet is het noodzakelijk voor het instellen van een
                    door de gemeente te organiseren markt een raadsbesluit te nemen. De gemeenteraad
                    besluit dan wanneer en waar een markt gehouden mag worden. Veelal stelt de
                    gemeenteraad een verordening vast inzake de vergunning die vereist is om een
                    standplaats op de markt in te mogen nemen. In deze verordening kunnen
                    voorschriften gesteld worden waaraan degene die een standplaats op de markt
                    inneemt zich moet houden. Het te koop aanbieden van goederen op een markt wordt
                    aldus gereguleerd volgens de regels die de gemeenteraad stelt. Of venten met
                    goederen op een gemeentelijke markt is toegestaan, hangt af van de bepalingen
                    van de geldende marktverordening.</al><al>Met betrekking tot particuliere of ‘snuffel’-markten, kan de gemeente in het
                    belang van de openbare orde regels stellen. Van een snuffelmarkt is sprake
                    wanneer een markt wordt gehouden die is georganiseerd door particulieren. Deze
                    markten vallen niet onder de reikwijdte van artikel 151 Gemeentewet. Voor zover
                    de openbare orde geraakt wordt, vallen deze particuliere markten wel onder
                    artikel 5.2.4 APV.</al><al>Tweede lid, onder d</al><al>Voor een goed begrip van de artikelen 5.2.2 en 5.2.3 van de APV is het
                    noodzakelijk het onderscheid tussen venten en verkoop vanaf een standplaats te
                    verduidelijken. Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van
                    kleinhandel, waarbij de goederen aan willekeurige voorbijgangers worden
                    aangeboden, dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen.</al><al>Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van
                    goederen vanaf een zelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                    hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het
                    onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode
                    gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan
                    willekeurige voorbijgangers. Daar tussen het venten met goederen en het
                    aanbieden van goederen vanaf een standplaats een onderscheid wordt gemaakt, is
                    het noodzakelijk dat in de APV-bepaling waarin het venten met goederen wordt
                    geregeld, een uitzondering wordt gemaakt voor het aanbieden van goederen vanaf
                    een standplaats.</al><al>Derde lid</al><al>In het eerste lid is bepaald dat het verboden is te venten zonder vergunning van
                    burgemeester en wethouders. In het belang van de rechtszekerheid moet worden
                    aangegeven wanneer een vergunning kan worden geweigerd. Met het vaststellen van
                    de weigeringsgronden. wordt bepaald in welke gevallen de vereiste vergunning kan
                    worden geweigerd of wanneer de vergunning moet worden verleend. Hiermee wordt
                    ook de grens van de regelingsbevoegdheid van de gemeente aangegeven. De motieven
                    op grond waarvan de gemeente het venten met goederen mag ordenen, zijn gebaseerd
                    op artikel 149 Gemeentewet.</al><al>De onderwerpen die tot de huishouding van de gemeente worden gerekend - en op
                    grond waarvan een vergunning kan worden geweigerd - zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>openbare orde;</al></li><li nr="-"><al>voorkomen of beperken overlast;</al></li><li nr="-"><al>verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere omstandigheden (verzorgingsniveau van de consument).</al></li></lijst><al>In de praktijk zal beoordeeld moeten worden wanneer in een concreet geval een
                    vergunning kan worden geweigerd wegens strijd met een van de aangegeven
                    weigeringsgronden. Het is dan noodzakelijk een duidelijk beleid te formuleren,
                    waarin de in het model-APV-artikel aangegeven weigeringsgronden. nader worden
                    uitgewerkt. In dergelijke beleidsregels, die bekend gemaakt moeten worden,
                    kunnen het college aangeven hoeveel vergunningen verstrekt zullen worden. Voor
                    een uiteenzetting met betrekking tot een vergunningenstelsel voor het toekennen
                    van ventvergunningen, wordt verwezen naar de toelichting bij art. 5.2.3. van de
                    APV.</al><al>Overige wettelijke bepalingen</al><al>Op de straathandel, waaronder naast venten ook de verkoop vanaf een
                    standplaatsen of op de markt wordt verstaan, kan ook andere regelgeving van
                    toepassing zijn, zoals de Grondwet, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer, de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening, de Colportagewet, de Vestigingswet bedrijven, de
                    Warenwet en de Winkeltijdenwet. Deze wetten stellen, ieder vanuit verschillende
                    motieven, grenzen aan het drijven van handel. Voor zover nodig zal ook aan deze
                    wettelijke voorschriften voldaan moeten zijn bij venten van goederen en
                    diensten.</al><al>De reikwijdte van de Colportagewet strekt zich uit tot een aantal, bij algemene
                    maatregel van bestuur vast te stellen goederen en diensten. Samenvattend kan
                    opgemerkt worden dat de Colportagewet ziet op de wijze van optreden in de
                    relatie tussen de koper en de verkoper en niet op verkoop in relatie tot de
                    handhaving van de openbare orde. Dit houdt in dat naast de bepalingen van de
                    Colportagewet artikel 5.2.2 van de APV afzonderlijk van toepassing is. Overigens
                    heeft de gemeente bij de uitvoering van de Colportagewet geen bevoegdheden. Met
                    de uitvoering van de bepalingen van de Colportagewet zijn de ambtenaren van de
                    Economische Controledienst belast. Voor een toelichting op de overige hiervoor
                    genoemde wetgeving wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.2.3 van de
                    APV.</al><al>Ten overvloede wordt opgemerkt dat waar de APV-ventbepaling treedt in wettelijke
                    voorschriften van hogere orde die een regeling treffen met betrekking tot de
                    straathandel, de APV-bepaling buiten toepassing gelaten wordt (art. 122
                    Gemeentewet).</al><al>Uitdrukkelijk is de VNG van mening dat het aanbieden van voordeel- of
                    kortingsbonnen voor bijvoorbeeld restaurants gezien moet worden als het te koop
                    aanbieden van goederen.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van
                            ventvergunning. Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de
                            gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-7-1993, AB
                            1994, 2 m.nt. L.J.J. Rogier. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181.</al></li><li nr="-"><al>Beëindiging ventvergunning na twintig jaar i.v.m. bedreiging plaatselijk
                            voorzieningenniveau; aanzegtermijn van drie maanden niet onzorgvuldig.
                            ARRS 19-2-1993, AB 1993, 540 m.nt. RMvM.</al></li><li nr="-"><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet
                            uitputtend bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258, NJ 1993, 155, GS (1993)
                            6972, 5 m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Verkoop van wenskaarten zonder vergunning. Geen gedrukte stukken waarin
                            gevoelens worden geopenbaard. HR 23-6-1992, GS (1993) 6961, 4 m.nt E.
                            Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Weigeren ventvergunning ter bescherming van verzorgingsniveau ter
                            plaatse. Vz. ARRS 20-2-1990, JG 91.0065.</al></li><li nr="-"><al>Verkoopactiviteiten met SRV-wagen behoeft ventvergunning. Leefbaarheid
                            en voorzieningenniveau. Ingrijpen in concurrentieverhoudingen door
                            gemeenteraad is onverenigbaar met de Vestigingswet detailhandel. ARRS
                            18-6-1985, AB 1986, 543 m.nt. JHvdV.</al></li><li nr="-"><al>Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels
                            worden gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er
                            is sprake van venten. ARRS 15-6-1984, GS 6789, 4 m.nt. J.C.
                            Schroot.</al></li><li nr="-"><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een
                            andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn cliëntèle aan het bedienen is.
                            Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats.</al></li><li nr="-"><al>Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de
                            verleende ventvergunning. HR 26 maart 1974, NJ 1974, 239.</al></li><li nr="-"><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een
                            zelfstandig middel van verspreiding. HR 17-3-1953, NJ 1953, 389,
                            Wachttorenarrest en HR 20-6-1950, NJ 1950, 619.</al></li><li nr="-"><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante
                            handel is een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres.
                            Rb. Assen 31-10-1996, JG 97.0078.</al></li><li nr="-"><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats
                            wordt gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel
                            5.2.3 en niet (mede) op artikel 5.2.2. Gelet op het bepaalde in artikel
                            5.2.2 lid 2 onder d en artikel 5.2.3 sluiten venten en het innemen van
                            een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast elkaar aan
                            de aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS 23-03-1998, AB
                            1998,- 277.</al></li><li nr="-"><al>Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters
                            zijn een bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom
                            niet gezegd worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren.
                            HR 21-03-2000, NJ 2000, 482.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.2.3 Standplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of
                            aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige
                            beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen
                            plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                    standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening
                                    van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;</al></li><li nr="b."><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om
                                    deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan
                                    publiek.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop
                            zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of
                            goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                            van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin
                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                            eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid
                            gestelde verbod niet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de
                            plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende
                            de tijden dat de markt gehouden wordt voor een evenement als bedoeld in
                            artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in
                            artikel 5.2.4.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat
                                    door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                    komt;</al></li><li nr="f."><al>vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>a. het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde </al><lijst><li nr="onderwerp"><al>wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    wegenverordening Noord-Holland;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgrond van het vijfde lid onder b, geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al>de weigeringsgrond van het vijfde lid onder c, geldt niet voor
                                    bouwwerken.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                            standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een activiteit
                            betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de
                            Wet Milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven
                            aan het vijfde lid, tot de dag waarop de beslissing over de
                            milieubeheervergunningaanvraag is genomen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Eerste lid</al><al>artikel 5.2.3 ziet duidelijk op het te koop aanbieden van goederen vanaf een
                    vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een onderscheidend criterium gevormd ten
                    opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er
                    immers vanuit gegaan, dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere
                    plaats in de openbare ruimte moet aanbieden.</al><al>Tweede lid</al><al>artikel 5.2.3, tweede lid, verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten
                    dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is
                    verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen degene die zonder
                    vergunning een standplaats inneemt te vervolgen, maar ook de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 wordt een uitzondering gemaakt op het verbod
                    op de straathandel (artikel 5.2.3., eerste lid, onder b) voor zover het betreft
                    het uitstallen van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                    (artikel 7 Grondwet). Artikel 5.2.3., derde lid, heeft als strekking dat voor
                    het aanbieden van gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist. Dit
                    aanbieden van gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van
                    verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats
                    gedrukte stukken worden aangeboden (artikel 5.2.3, eerste lid sub a). Deze
                    vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden
                    aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.</al><al>Vierde lid</al><al>artikel 5.2.3, vierde lid, bepaalt dat het in artikel 5.2.3, eerste lid,
                    geformuleerde verbod op het innemen van een standplaats behoudens een vergunning
                    van het college niet geldt ten aanzien van het innemen van een standplaats op
                    een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 151 Gemeentewet of op
                    een snuffelmarkt (zie art. 5.2.4). Degene die op een door de gemeente ingestelde
                    markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die in
                    veel gemeenten in een marktverordening zijn neergelegd. Voor het innemen van een
                    standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens artikel 5.2.3
                    nodig. Op het evenement is dan een afzonderlijk regime van toepassing, waarbij
                    de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><al>Vijfde lid</al><al>artikel 5.2.3, vijfde lid, geeft een aantal weigeringsgronden. waarop een
                    vergunning die in het eerste lid van artikel 5.2.3 vereist wordt, kan worden
                    geweigerd. Aan de hand van deze weigeringsgronden. kunnen het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte, criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Aan de hand van deze jurisprudentie is
                    ook na te gaan hoe de weigeringsgronden in de praktijk uitgelegd worden. Hier
                    wordt eerst nader ingegaan op de in artikel 5.2.3, vijfde lid, opgenomen
                    weigeringsgronden. Daarna wordt het beleid dat door het college gevoerd kan
                    worden met betrekking tot de afgifte van vergunningen voor het innemen van een
                    standplaats toegelicht.</al><al>Vijfde lid, onder a. Openbare orde</al><al>De weigeringgrond betreffende de openbare orde sluit nauw aan bij de
                    weigeringgrond</al><al>Het beperken of voorkomen van overlast. Ook wordt deze weigeringgrond dikwijls
                    gehanteerd in combinatie met de weigeringgrond ‘belang van de verkeersvrijheid
                    of -veiligheid’.</al><al>Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een
                    verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan
                    mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar
                    rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto’s
                    kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. In het belang van de
                    verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te
                    nemen. Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken
                    vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is
                    toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats op haar eigen merites beoordeeld dient te worden.</al><al>Vijfde lid, onder b. Overlast</al><al>Bij het hanteren van de weigeringgrond ‘overlast’ kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. Deze weigeringgrond kan ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een ruim aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming
                    ontstaan.</al><al>Vijfde lid, onder c. Uiterlijk aanzien van de omgeving</al><al>De weigeringgrond ‘uiterlijk aanzien van de omgeving’ kan gehanteerd worden
                    indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                    straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringgrond kan niet alleen
                    verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook is het aanzien van monumentale
                    gebouwen of stedenbouwkundige ensembles te waarborgen. het college bepalen
                    zelfstandig de inhoud van deze weigeringgrond. Het is niet noodzakelijk, maar
                    wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al>Vijfde lid, onder d. Verkeersvrijheid en -veiligheid</al><al>Zie de toelichting op de weigeringgrond, het belang van de openbare orde.</al><al>Vijfde lid, onder e. Verzorgingsniveau</al><al>Op een tweetal manieren kan de aanvraag voor het innemen van een standplaats
                    worden geweigerd wanneer het voorzieningenniveau ter plaatse in gevaar komt. De
                    eerste betreft de weigering door het vergunningverlenend orgaan met een beroep
                    op een distributieplanologisch onderzoek (DPO). In een dergelijk onderzoek wordt
                    aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aangegeven wat de minimale
                    voorzieningen moeten zijn in de gemeente of in een bepaalde wijk van de
                    gemeente. Indien uit het onderzoek blijkt dat er voldoende verkooppunten zijn
                    hoeft dit geen weigeringgrond voor de aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats te betekenen. Het bepalende element om tot het niet verstrekken van
                    de vergunning over te gaan is het verzorgingsniveau voor de consument. In
                    beginsel is de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier geen reden om
                    een standplaatsvergunning te weigeren. Op grond van een DPO kunnen wel
                    winkeliers in een nieuw opgezet winkelcentrum beschermd worden tegen
                    concurrentie door standplaatshouders. De Afdeling rechtspraak heeft aanvaard dat
                    winkeliers gedurende een bepaalde periode, waarin de aanloopkosten nog hoog
                    zijn, gevrijwaard dienen te zijn van concurrentie, in het belang van het
                    opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de consument (Vz. ARRS, 17
                    februari 1986, AB 1987, 3).</al><al>Indien blijkt dat binnen het verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog
                    slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een
                    standplaatshouder ten onder dreigt te gaan, kan het verzorgingsniveau ter
                    plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de hand van zijn boekhouding
                    aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel in gedrang is. Op de dagen dat
                    de standplaatshouder zijn goederen niet aanbiedt, is er in dat geval geen aanbod
                    van deze soort goederen binnen het verzorgingsgebied. In een dergelijk geval kan
                    een vergunning tot het innemen van een standplaats worden geweigerd.</al><al>Vijfde lid, onder f. Bestemmingsplan</al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente die zaken te regelen die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit
                    het bestemmingsplan voortvloeien.</al><al>Zesde lid</al><al>artikel 5.2.3, vijfde lid, bepaalt dat het in artikel 5.2.3, eerste lid,
                    vastgestelde verbod niet geldt voor zover de Wet milieubeheer, de Woningwet, de
                    wet beheer Rijkswaterstaatswerken of wegenverordening Noord-Holland van
                    toepassing is. Indien in de hogere regeling dezelfde regeling geldt als het
                    bepaalde in artikel 5.2.3, dan treedt de APV-bepaling, welke is gebaseerd op
                    artikel 149 Gemeentewet, terug. In de Gemeentewet wordt echter ook bepaald dat
                    een gemeente slechts die zaken mag regelen die tot haar huishouding gerekend
                    worden (artikel 121 en 122 Gemeentewet). Slechts indien vanuit een ander motief
                    wordt gehandeld dan het motief dat aan de hogere regeling ten grondslag ligt, is
                    een aanvullende regeling mogelijk. Deze aanvullende regeling mag niet in strijd
                    zijn met de bepalingen van de hogere regeling. In de praktijk kan het voorkomen
                    dat voor het aanbieden van goederen vanaf een standplaats van een bepaald
                    product meer dan één vergunning vereist is. Als voorbeelden zijn te noemen
                    verkopen van vis of frites vanaf een standplaats. Hierop is zowel het regime van
                    de APV van toepassing, als de bepalingen van de Wet milieubeheer.</al><al>Inhoud standplaatsenbeleid</al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze
                    APV-bepalingen overschrijden.</al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kunnen vastleggen
                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen;</al></li><li nr="-"><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche;</al></li><li nr="-"><al>de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                            ingenomen;</al></li><li nr="-"><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen.</al></li></lijst><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 5.2.3, zesde
                    lid, genoemde weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk
                    is bepaald op welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen,
                    valt aan de hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat
                    het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder
                    motief afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats
                    ingenomen kan worden.</al><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kunnen het college een
                    beleid vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze
                    waarop gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven.
                    Het betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al>Maximumstelsel</al><al>Het maximum aantal vergunningen dat afgegeven kan worden moet voordat tot
                    uitvoering van het beleid wordt overgegaan worden vastgesteld. De locaties waar
                    een standplaats mag worden ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden
                    geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen levert het
                    maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een
                    politierapport met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een
                    standplaats op de verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren
                    van het vastgestelde maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit
                    politierapport kan worden aangegeven welke gevolgen het innemen van
                    standplaatsen zal hebben voor de verkeersveiligheid en de handhaving van de
                    openbare orde.</al><al>Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan
                    te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen
                    van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de
                    gehele gemeente als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht
                    zijn. Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan
                    worden bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen.
                    Per branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald.
                    Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts
                    door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het
                    totaal aantal af te geven vergunningen overtreft.</al><al>Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven,
                    acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig. Bij het
                    vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar
                    plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds
                    afgegeven vergunningen. De houders van deze vergunningen kunnen zich beroepen op
                    verworven rechten, zodat een herverdeling van de vergunningen naar aanleiding
                    van het nieuwe vastgestelde beleid niet zonder meer mogelijk is. Ook moet bij
                    het vaststellen van het beleid rekening worden gehouden met een eventuele
                    uitbreiding van het aantal af te geven standplaatsvergunningen.</al><al>Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                    aantal af te geven vergunningen overtreft kunnen het college een wachtlijst
                    opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst.
                    Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te
                    zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst toegekend
                    worden.</al><al>Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van een
                    standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in de APV
                    vastgestelde weigeringsgronden. en het aan de hand hiervan geformuleerde beleid
                    moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning
                    verstrekt kan worden.</al><al>Vergunningsvoorschriften</al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Gelet op
                    artikel 1.5 is de standplaatsvergunning in beginsel persoonsgebonden.
                    Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                            geen standplaats is ingenomen</al></li><li nr="-"><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden (branchever
                            deling)</al></li><li nr="-"><al>de grootte van de standplaats;</al></li><li nr="-"><al>de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al></li><li nr="-"><al>het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al></li><li nr="-"><al>tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al></li><li nr="-"><al>opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al></li></lijst><al>Overige regelgeving</al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV
                    van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de
                    straathandel. Een straathandelaar moet dan ook niet alleen over een
                    standplaatsvergunning, afgegeven door burgemeester en wethouders, beschikken,
                    maar moet, indien nodig, ook aan andere wettelijke vereisten voldoen.</al><al>Vestigingswet bedrijven</al><al>Het motief van de Vestigingswet bedrijven is het waarborgen van een goede
                    bedrijfsuitoefening. In dit verband stelt de wet eisen omtrent handelskennis,
                    vakbekwaamheid en kredietwaardigheid. Deze eisen staan dan ook los van de
                    vergunningsplicht voor het innemen van een standplaats, zoals die in het belang
                    van de openbare orde gevorderd wordt.</al><al>Wet op de Ruimtelijke ordening</al><al>In artikel 5.2.3, vijfde lid sub f, is aangegeven dat een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend
                    bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals vereist krachtens de APV,
                    wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende bestemmingsplan
                    worden gesteld, van kracht.</al><al>Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten
                    als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het
                    bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee
                    afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in
                    te dienen.</al><al>Winkeltijdenwet</al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De handhaving van de
                    openbare orde is geen motief dat aan deze wet ten grondslag ligt. De bepalingen
                    uit de Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een
                    standplaats. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de
                    Winkeltijdenwet geschiedt door de Economische Controledienst.</al><al>Warenwet</al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden
                    naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van
                    een standplaatsvergunning.</al><al>Wet milieubeheer</al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder voor zover zijn verkoopplek als
                    ‘inrichting’ kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Naast de eisen uit de Wet milieubeheer zijn
                    de overige eisen, die krachtens de APV gesteld worden, van toepassing bij het
                    beoordelen van de aanvraag voor een standplaatsvergunning.</al><al>Gebruik van de openbare weg</al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is krachtens artikel
                    5.2.3 van de APV een standplaatsvergunning vereist. In veel gevallen zal de
                    gemeente de eigenaar of rechthebbende van de openbare weg zijn. Op grond hiervan
                    kan de gemeente van degene die op de openbare weg met vergunning een standplaats
                    inneemt een vergoeding bedingen voor het gebruik van het deel van de openbare
                    weg. De grondslag voor het bedingen van een dergelijke vergoeding kan gegeven
                    worden in een retributieverordening of in een huurovereenkomst.</al><al>In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de locatie van
                    de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld. Voor wat betreft de
                    huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan worden vastgesteld met
                    betrekking tot de plaats en de grootte van de standplaats. Per in te nemen
                    locatie kan een vaste prijs worden berekend. De huurprijs en andere voorwaarden
                    die in een huurovereenkomst worden bedongen mogen geen belemmering vormen voor
                    het innemen van een standplaats. Uit jurisprudentie is gebleken dat het bedingen
                    van een hoge huurprijs voor het gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan
                    dat een feitelijke belemmering ontstaat voor het innemen van een standplaats
                    waarvoor een vergunning is verleend, zie Vz. ARRS, 12-4-1991, JG 91.0369.</al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al>Concurrentie met gevestigde winkeliers</al><al>In een aantal gemeenten is in het verleden het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen als een openbare-ordebelang aangemerkt. Hierbij werd er
                    vanuit gegaan dat de gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten, die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Hierdoor zouden de gevestigde
                    winkeliers in een moeilijke concurrentiepositie geraken. Uit jurisprudentie
                    blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een
                    huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt slechts één
                    uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een vergunning weigeren dan moet wel worden aangetoond, mede aan de hand
                    van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de
                    winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                    worden. Ook aan een distributieplanologisch onderzoek kunnen gegevens worden
                    ontleend met betrekking tot het voorzieningenniveau ter plaatse.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning
                            en geen ventvergunning, HR 26-3-NJ 1974, 239.</al></li><li nr="-"><al>Kerstbomenverkoop op erf waarbij gelet op de afstand van de openbare
                            weg, geen sprake meer is van verkoop aan de openbare weg. Geen
                            standplaatsvergunning vereist, bestuursdwangbesluit onterecht genomen.
                            ARRS, 13-12-1991; GS (1991) 6942, 5 m.nt.E.Brederveld, JG 92.0174.</al></li><li nr="-"><al>Verplaatsing standplaats en financiële gevolgen. Bestuurscompensatie.
                            ARRS 16-11-1990 JG 91.0184, AB 1991, 331 m.nt. P.C.E. van Wijmen.</al></li><li nr="-"><al>Persoonlijk innemen. Alleen vergunninghouder mag van de
                            standplaatsvergunning gebruik maken en niet zijn in loondienst
                            aangestelde werknemer. ABRS 10-10-1996, GS (1997) 7055, 2 m.nt. E.
                            Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Weigering standplaats op grond van religieuze motieven vindt geen
                            grondslag in de APV. ABRS 1-12-1994, JG 95.0081, AB 1995, 211 m.nt. R.M.
                            van Male.</al></li><li nr="-"><al>Onterechte intrekking standplaatsvergunning omdat er - wegens ontbreken
                            van toestemming van de eigenaar van de grond - geen gebruik van kan
                            worden gemaakt. Vz. ARRS 18-10-1993, JG 94.0090, GS(1995) 7002, 4 m.nt.
                            E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Reactie van B en W dat aanvrager op de wachtlijst wordt geplaatst, is
                            tevens als weigering van de vergunning aan te merken. Pres. Rb Zutphen
                            20-4-1995, JB 2(1995) 149 m.nt. R.J.G.H. Seerden.</al></li><li nr="-"><al>Maximumstelsel bij verdeling standplaatsvergunningen niet onredelijk,
                            toch niet altijd toepasbaar Vz. ARRS, 27 juni 1983, AB 1984, 95.</al></li><li nr="-"><al>Maximumstelsel. Publiekrechtelijke weigeringsgronden. in relatie tot de
                            privaatrechtelijke verhuur van de grond. Vz. ARRS 2-7-1990, KG (1990)
                            276, GS (1991) 6920, 3 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens, AB 1991, 278, m.nt.
                            H.J. Simon en H. Gieske, JG 90.0410 m.nt. red.</al></li><li nr="-"><al>Stelsel, waarbij aan de hand van de weigeringsgronden in de APV
                            beoordeeld wordt welke plaatsen wel en welke niet geschikt zijn om een
                            standplaats in te nemen en waarbij, gelet op de belangen die door het
                            artikel worden gediend, wordt vastgelegd hoeveel standplaatsen maximaal
                            per locatie kunnen worden ingenomen is redelijk. Aanhouden van
                            wachtlijst voor vrijkomende standplaatsen is eveneens redelijk. ABRS
                            18-03-1997, JG97.0147.</al></li><li nr="-"><al>Aantrekkingskracht winkelcentrum en profijt van de standplaatshouders.
                            Oneerlijke concurrentie. Niet aannemelijk dat voorzieningenniveau in
                            gevaar komt.Vz. ARRS, 6 april 1989, opgenomen in VNG-LOCI-databank</al></li><li nr="-"><al>Terechte weigering standplaatsvergunning vanwege bedreiging
                            voorzieningenniveau van de consument. Verstoring evenwichtige
                            brancheverdeling. Vz. ARRS, 22-2-1990, opgenomen in
                            VNG-LOCI-databank</al></li><li nr="-"><al>Terughoudend standplaatsenbeleid in verband met ontwikkeling
                            winkelcentrum, ABRS 3-11-1994, JG 95.0047.</al></li><li nr="-"><al>Uiterlijk aanzien, welstand. Terechte bescherming aangezicht van het uit
                            1450 stammende stadhuis. ARRS, 24 april 1987, AB 1987, 399.</al></li><li nr="-"><al>Publiekrechtelijke taak van B en W. Uitgifte van standplaatsen voor
                            Pinkpopfestival door een particulier bureau is in strijd met de
                            gemeentewet. ABRS 21-3-1995, GS (1995) 7011,4 m.nt. E.Brederveld. Zie
                            ook: Standplaatsvergunningen tijdens evenementen. De bevoegdheid tot het
                            toekennen van standplaatsvergunningen ligt bij burgemeester en
                            wethouders, niet bij de stichting die een evenement organiseert. Vz.
                            ARRS, 14-8-1986, AB 1986, 582.</al></li><li nr="-"><al>Bij verlening van een evenement, is afzonderlijke verlening van
                            standplaatsvergunningen niet nodig. Evenementenvergunning is integrale
                            vergunning voor de activiteiten die in de aanvraag zijn vermeld. Pres.
                            Rb. Den Haag 27-4-1994, GS (1994) 6993,6 m.nt. H.Ph.J.A.M.
                            Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Verkapte marktvorming valt onder het belang van de bescherming van de
                            openbare orde. ABRS 4-5-1995, JG 96.0207.</al></li><li nr="-"><al>Een standplaatsvergunningenbeleid dat uitgaat van de vraag of er
                            behoefte is aan de betreffende standplaats is in strijd met de
                            Vestigingswet Bedrijven 1954. ABRS 25-4-1995, JG 95.0242.</al></li><li nr="-"><al>Weigering staanplaatsvergunning i.v.m. ontbreken vereiste
                            vestigingspapieren. ABRS 24-5-1994, JG 95.0048, AB 1994, 580 m.nt. R.M.
                            van Male.</al></li><li nr="-"><al>Bestemmingsplan is terecht buiten beschouwing gelaten, geen sprake van
                            een bouwwerk. ABRS 9-8-1995, JG 96.0061.</al></li><li nr="-"><al>Weigering standplaatsvergunning wegens strijd met bestemmingsplan.
                            Feitelijk gebruik doet hier niets aan af. ARRS 13-10-1993, JG
                            94.0123.</al></li><li nr="-"><al>Beleid dat geen standplaatsen worden vergund op parkeerplaatsen in de
                            directe omgeving van een winkelconcentratie, kan als uitwerking van de
                            weigeringsgrond ‘in het belang van de openbare orde’ gelden als het doel
                            is parkeerhinder voor bezoekers en omwonende te voorkomen. ABRS
                            29-01-1998, JG 98.0071 m.nt. Hillenaar.</al></li><li nr="-"><al>Beleid dat geen standplaatsen worden vergund op een niet aan de gemeente
                            in eigendom toebehorend terrein is niet gebaseerd op de in de APV
                            genoemde weigeringsgronden en derhalve niet juist. ABRS 03-04-2000, JB
                            2000, 139.</al></li><li nr="-"><al>Aanbieden van van tevoren gereserveerde huurfietsen vanaf een aan de weg
                            geplaatste aanhangwagen valt onder het aanbieden van diensten en is dus
                            vergunningplichtig. ABRS 08-02-2000, JG 00.0103 m.nt. M. Geertsema.</al></li><li nr="-"><al>Het college heeft bij de handhaving van de weigering van
                            standplaatsvergunning terecht niet volstaan met enkele verwijzing naar
                            een door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnotitie, maar heeft tevens
                            gewezen op het belang van verkeersvrijheid en -veiligheid en op
                            bepalingen van de APV. ABRS 15-01-2001, JB 2001, 46 m.nt.
                            Schlössels.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: </al><lijst><li nr="a."><al>in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het
                                    publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren
                                    of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden
                                    verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat
                                    in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                    toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig
                                    ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om
                                    goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend
                            dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                            zin van de Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde
                                    markt.</al></li></lijst></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Er zijn verschillende soorten markten, elk met een eigen juridische regime. Te
                    onderscheiden zijn:</al><al>Ia de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f van de
                    Gemeentewet.</al><al>Het begrip ‘markt’ is niet nader omschreven in de Gemeentewet. De omvang van een
                    markt zal mede afhangen van plaatselijke omstandigheden. In de regel worden op
                    een weekmarkt ‘geregelde’ waren verkocht, dat wil zeggen: geen tweedehands
                    goederen. Indien de te verwachten concentratie van een aantal standplaatsen zo
                    hoog is, dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt krijgt, mag niet
                    meer worden volstaan met het verlenen van standplaatsvergunningen door het
                    college maar dient de raad een besluit te nemen over het instellen van een
                    markt. De weekmarkt wordt in de meeste gemeenten gereguleerd door een
                    marktverordening.</al><al>Ib de jaarmarkt in de zin van artikel 160 , eerste lid, aanhef en onder f van de
                    Gemeentewet.</al><al>Ook het begrip ‘jaarmarkt’ wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. De
                    vraag is wat daaronder moet worden verstaan. Naar ons idee moet bij een
                    jaarmarkt gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo wordt in
                    sommige gemeenten al jaar en dag een veemarkt op een vast tijdstip, bijvoorbeeld
                    op tweede Paasdag, gehouden. De raad dient voor dit type markt een
                    instellingsbesluit te nemen. Verder zal de raad voor een dergelijke markt ook
                    een aparte regeling moeten vaststellen, die eventueel geïntegreerd kan worden in
                    de APV of in de marktverordening.</al><al>II ‘vlooienmarkt’, ‘zwarte markt’, ‘vrije markt’, ‘snuffel- of rommelmarkt’</al><al>Deze categorie markten kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn. Voor
                    zover deze markten uitsluitend verkoop door particulieren betreft die hun
                    tweedehands spullen aan de man willen brengen, bestaat daartegen in principe
                    geen bezwaar. De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor, dat
                    particulieren markten organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Er
                    kan in dat geval sprake zijn van verkoop van ‘ongeregelde’ of ‘geregelde’ zaken.
                    Bij ‘ongeregelde’ zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat
                    wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het
                    publiek bereiken, zoals bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit
                    de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming. Is sprake
                    van een meer commerciële markt dan wordt van de zijde van de reguliere handel
                    gesproken over oneerlijke concurrentie, in verband met het overtreden van de
                    vestigingswetgeving en van de Wet op de omzetbelasting.</al><al>De controle op de naleving van deze wetgeving is opgedragen aan de in de
                    desbetreffende wetten genoemde ambtenaren en instanties. Desondanks kan een
                    dergelijke ‘commerciële vrije markt’ een onevenredige verstoring betekenen van
                    het in een gemeente zorgvuldig opgebouwde markt- en standplaatsengebeuren. Dit
                    geldt te meer als deze markten wekelijks of tweewekelijks worden gehouden. Er
                    kan dan sprake zijn van een doorkruising van het marktwezen. Om die reden kan
                    aan een vergunning het voorschrift worden verbonden, dat op de ‘vrije markt’
                    niet door handelaren bedrijfsmatig goederen te koop mogen worden aangeboden.
                    Naast een voorschrift over de aard van de te verhandelen zaken, kunnen ook
                    voorschriften worden verbonden die bepalen dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de frequentie van de te houden markten;</al></li><li nr="-"><al>het maximum aantal standplaatsen (mede in verband met de
                            brandveiligheid);</al></li><li nr="-"><al>parkeervoorzieningen worden getroffen;</al></li><li nr="-"><al>het houden van verlotingen verboden is.</al></li></lijst><al>artikel 5.2.4 richt zich niet tot degene die standplaats wil innemen maar tot de
                    organisator van de markt en de rechthebbende op het gebouw waarin deze markt
                    wordt gehouden. Zou het standplaats innemen zèlf aan een vergunning worden
                    gebonden, dan zouden al degenen die standplaats willen innemen op een ‘vrije
                    markt’ daartoe een vergunning behoeven. Heeft een gebouw een agrarische of
                    industriebestemming, dan kan het gebruik van dat gebouw als ‘zwarte’ of ‘vrije
                    markt’ strijd opleveren met de planologische gebruiksvoorschriften. Dit is het
                    geval indien de markt een min of meer permanent karakter heeft; incidenteel
                    (afwijkend) gebruik is geen planologisch gebruik.</al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een ‘vrije markt’ van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit zal afhankelijk zijn van de aard van
                    de op deze markt ontplooide activiteiten, geregelde of ongeregelde goederen, en
                    de frequentie waarmee deze markt gehouden wordt.</al><al>III Markten niet in een gebouw of op een plaats en niet zijnde een week- of een
                    jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f van de
                    Gemeentewet.</al><al>De markten waarvoor artikel 5.2.4. is geschreven, worden gehouden in een gebouw
                    of plaats. Indien eenmalig vergunning wordt verleend voor het houden van een
                    markt op of aan de openbare weg, bijvoorbeeld een braderie in een winkelstraat,
                    dan is artikel 5.2.4. niet van toepassing maar zou kunnen volstaan met het
                    verlenen van een evenementenvergunning op basis van artikel 2.2.2.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Snuffelmarktbepaling niet van toepassing op een Oranje Vrijmarkt.
                            Vrijmarkt is categorie sui generis. Pres. Rb. Alkmaar, 12-4-1995, GS
                            (1995) 7018, 3 m.nt. E. Brederveld. Zie ook de uitspraak over de Zwarte
                            Markt te Beverwijk Vz. ARRS 30-3-1983, GS 6763, 8 m.nt. E.
                            Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Innemen van een aantal standplaatsen bij elkaar kan leiden tot
                            feitelijke marktvorming. ARRS, 21-9-1989, AB 1989, 175.</al></li><li nr="-"><al>Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-5-1992, JG
                            93.0002.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 3 Openbaar water</vet></al><al>Algemeen</al><al>Inleiding</al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale
                    wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen
                    vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die
                    uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde vaarwateren
                    en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden.</al><al>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ‘s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert slechts voor de
                    overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid voor zover daaraan hetzelfde
                    motief als de Wet beheer rijkswaterstaatswerken aan ten grondslag ligt. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden. Deze provinciale
                    waterstaatsverordeningen bevatten veelal bepalingen inzake het beheer, het
                    onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren. Een aantal
                    heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart.</al><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater. De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de
                    mogelijkheid verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben
                    op de doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde
                    openbare wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds
                    bedacht worden dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In
                    grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid
                    toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij
                    dient echter nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet. Met de Scheepvaartverkeerswet
                    (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken. Artikel 43 SVW bepaalt dat
                    krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels worden geacht te zijn gesteld
                    krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De verkeersreglementering is te vinden in
                    het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van
                    besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het
                    stellen van regels ten aanzien van onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor
                    zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde
                    regels.</al><al>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) zijn het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. De artikelen 5.3.2. en 5.3.3. van de APV kennen
                    dan ook een ander motief dan openbare orde en veiligheid.</al><al><vet>artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                            zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een
                            vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of
                            te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen
                            waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of
                            te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of
                            plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het
                            openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel
                            een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het
                            openbaar water.</al></li><li nr="4."><al>De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voor zover in de
                            daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                            Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement,
                            de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwegenverordening
                            Noord-Holland , de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                            Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Het onderhavige artikel 5.3.1 is bedoeld om de overige openbare wateren te
                    vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden
                    kunnen beïnvloeden.</al><al>De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een
                    aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163
                    en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel
                    1.15 van dit reglement).</al><al><vet>artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben
                            dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door
                            het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                            ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid
                            aangewezen gedeelten van openbaar water: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland of de Provinciale
                            Landschapsverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Algemeen verbod is niet toegestaan</al><al>artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de
                    gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die
                    woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie
                    bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn
                    om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op
                    Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in
                    de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels
                    stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van
                    een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met
                    bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is
                    wel toegestaan.</al><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5.3.2 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    "welstandseisen" aan woonschepen worden gesteld.</al><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5.3.2 hebben het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden. In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water,
                    is het ook mogelijk dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die
                    ligplaatsen huur- of verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wezen het college van
                    Eindhoven vijf ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de
                    exploitatie van die ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten
                    van huur en verhuur. De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat ‘de
                    gemeente Eindhoven als eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan
                    worden ontzegd privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig
                    gebruik van haar eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat
                    overeenstemt met of voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal
                    als vaarweg’. Het innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet
                    aangemerkt als een zodanig gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, afl. 4, nr.
                    17.</al><al>Pleziervaartuigen</al><al>Uit artikel 5.3.2 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    ‘pleziervaartuig’ slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college is aangewezen. Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag
                    innemen op de niet-aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd
                    worden.</al><al>Relatie met overige regelgeving</al><al>- Woonschepenverordening</al><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening een basis
                    gecreëerd wordt. De APV is een geschikt middel om een algemene regeling in op te
                    nemen.</al><al>- Provinciale verordening, Wet milieubeheer</al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele provinciale woonschepenverordening dan wel krachtens de Wet
                    milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige
                    inrichting.</al><al>Hebben het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de provinciale woonschepenverordening of de Wet
                    milieubeheer.</al><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al>Op grond van de Wet Milieubeheer kan een vergunning ook geweigerd worden wegens
                    aantasting van natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en
                    recreatieve waarden.</al><al>a. Huisvestingswet</al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al>b. Binnenvaartpolitiereglement</al><al>In hoofdstuk 7 van het Binnenvaartpolitiereglement is een aantal regels
                    opgenomen voor het ligplaats innemen. Artikel 7.01 bevat enkele algemene
                    beginselen zoals bijvoorbeeld een verbod om zodanig ligplaats in te nemen dat de
                    scheepvaart wordt belemmerd. Artikel 7.02 somt plaatsen op waar het verboden is
                    ligplaats in te nemen. Wanneer deze plaatsen voorkomen op niet door het college
                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water blijft op grond
                    van deze bepaling voor de desbetreffende plaats een aanlegverbod van kracht.
                    Daarnaast worden in de artikelen 7.03 tot en met 7.08 nog andere regels gegeven
                    betreffende het ligplaats innemen. Bij het uitvaardigen van nadere regels door
                    het college krachtens het tweede lid moet hiermee rekening worden gehouden. Dit
                    geldt ook voor de voorschriften die krachtens artikel 5.3.3 opgelegd
                    worden.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een
                            woonwagen of woonschip te verblijven in de gemeente waar men tijdelijk
                            wenst te wonen, met deze beperking dat de gemeenten voor de plaats van
                            verblijf binnen hun grondgebied voorschriften mochten vaststellen.
                            Lagere wetgevers hebben de vrijheid bepalingen vast te stellen welke de
                            vrijheid tot het kiezen van een plaats van verblijf inperken, doch deze
                            bepalingen mogen niet zover gaan dat zij het hierboven bedoelde recht
                            van woonschipbewoners om in een bepaalde gemeente verblijfplaats te
                            kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei ruimte laten voor de
                            toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, nr. 271.</al></li><li nr="-"><al>Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen
                            met een woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van
                            een ontheffing in strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033
                            m.nt. W. Vos.</al></li><li nr="-"><al>Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op
                            door B en W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft
                            huishouding van gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van
                            gemeentebesturen ten opzichte van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994, GS
                            (1994) 6996,3 m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats
                            met een vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale
                            Landschapsverordening, namelijk ook onder andere de orde en veiligheid
                            op het water. ARRS, 7-7-1981, OB 1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV
                            Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB 97/670 VV, APV
                            Loenen.</al></li><li nr="-"><al>Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan andere
                            motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale
                            landschapsverordening. Gemeentelijke regeling geldt als
                            sturingsinstrument ter regulering van hoeveelheid woonschepen, hun
                            afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de provinciale
                            verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                            landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                            276.</al></li><li nr="-"><al>Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder
                            vergunning ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts
                            voor door B en W aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water.
                            Toevoeging van vergunningstelsel aan verbodsbepaling betreft wijziging
                            van algemeen verbindend voorschrift. ABRS 6-6-1994, GS(1995) 7001, 4
                            m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr="-"><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen en weigering vergunning voor hotelboot
                            die enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet in strijd met
                            Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG
                            93.0004</al></li><li nr="-"><al>Sanering liplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het ter
                            zake genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG
                            95.0199.</al></li><li nr="-"><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip
                            op een niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is
                            niet mogelijk en beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS
                            7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W. Vos.</al></li><li nr="-"><al>De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een
                            onbezette ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden
                            aangemerkt als een weigering om feitelijke handelingen te verrichten.
                            Deze weigering is niet op enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar
                            hiertegen is terecht niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft
                            daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een verzoek om aanwijzing van
                            een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college komt ter zake van
                            aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een ruime mate
                            van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr="-"><al>Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                            objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar
                            besluit in de zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB(2001)
                            248.</al></li><li nr="-"><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven
                            is in strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter
                            in een bepaalde gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in
                            openbaar water geschikt zijn om te worden bestemd of aangewezen om door
                            een woonschip te worden ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet
                            is dan ook niet beoogd om iedere gemeente de verplichting op te leggen
                            nieuwe ligplaatsen te creëren, teneinde aan tenminste één woonschip
                            plaatst te kunnen bieden op haar grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr.
                            200100971/1.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan
                            het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                            betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in
                            het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de
                            milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het
                            college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen
                            of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de
                            daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Provinciale Vaarwegenverordening of de Scheepvaartwegenverordening
                            Noord-Holland of de Provinciale Landschapsverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5.3.2, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel
                    5.3.2 van de APV.</al><al><vet>artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen
                    in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3
                    bepaalde.</al><al>Commentaar</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                            brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten,
                            havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                            oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                            gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de
                            Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al>De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al><vet>artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het
                    water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor
                    dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al>Commentaar</al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al><vet>artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water
                            ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer
                            daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of de Scheepvaartwegenverordening
                            Noord-Holland.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>De beide in het tweede lid genoemde regelingen bepalen aan welke verkeersregels
                    de schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Zij zijn dus uitsluitend
                    gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het
                    openbaar water.</al><al>artikel 5.3.7 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee
                    reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al><vet>artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                            vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin
                            te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                            liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></li></lijst><al>Deze verbodsbepaling dient er voor zorg te dragen dat vaartuigen geen overlast
                    ondervinden van andere recreanten op of langs het water en derhalve ongestoord
                    kunnen passeren.</al><al><vet>Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden</vet></al><al><vet>artikel 5.4.1 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig
                            als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in
                            artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een
                            wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan
                            wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets
                            met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                            gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kan daarbij regels stellen
                            ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het
                                    publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                            Besluit geluidsproductie sportmotoren.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke
                    regelingen zo al van toepassing kunnen zijn.</al><al>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers. Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW
                    1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts
                    worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het
                    verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde
                    activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een
                    weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 1.1 van de APV. Zoals daar bleek, gaat
                    het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is.</al><al>- Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de weg in
                    de zin van de WVW 1994</al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. In de toelichting op artikel 2.1.4.1. van de APV
                    inzake het houden van een feest of wedstrijd, wordt nader op het regime van de
                    WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de weg ingegaan.</al><al>- Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op andere
                    wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994</al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5.4.1. van toepassing zijn. Artikel
                    5.4.1. ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in
                    het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van
                    een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door burgemeester en
                    wethouders. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de
                    vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden
                    gesteld. Indien artikel 5.4.1. van toepassing is, is een vergunning op basis van
                    artikel 2.1.4.1. niet meer van toepassing. Zie verder de toelichting op artikel
                    2.1.4.1.</al><al>- Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg</al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 "Toezicht op evenementen" van de APV van
                    toepassing (art. 2.2.1. e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare
                    orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het
                    houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze
                    bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen
                    wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al>2. Wet milieubeheer en APV</al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5.4.1 en
                    5.4.2 van deze APV.</al><al>- Wet milieubeheer</al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer. In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden
                    aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen
                    opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning
                    vereist is. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie
                    19 van het besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of
                    terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het
                    gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of
                    vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                    recreatieve doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    ‘gelegenheid bieden’ is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bij voorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan
                    niet beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich
                    afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van model-vaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laten varen op een grote plas of waterweg).</al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer zijn het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2). Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de
                    motieven van de Wet milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de
                    bescherming van het milieu.</al><al>- APV</al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet behoren tot de
                    terreinen die genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en
                    terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In
                    een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al>De bij het aanwijzingsbesluit te stellen regels dienen aan te sluiten bij de
                    belangen welke het onderhavige voorschrift beoogt te dienen. Behalve het belang
                    van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van
                    het publiek en/of de deelnemers. In de in tweede lid genoemde regels zou bepaald
                    kunnen worden, dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen
                    en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich
                    gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden
                    voldoende verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als
                    gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde
                    leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er - ter voorkoming van ongelukken
                    - zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van
                    dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al>3. Zondagswet</al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van
                    dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan
                    als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare
                    vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al>4. Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming ‘agrarisch gebied’ of
                    ‘natuurgebied’. De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende
                    terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het
                    gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten
                    behoeve van het motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de
                    bestemming van dit terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al>5. privaatrechtelijk optreden</al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken. Indien van gemeentewege een
                    terrein ter beschikking wordt gesteld voor het crossen, rijst de vraag naar de
                    eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gemeente voor ongevallen en
                    andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat het crossterrein niet een weg is
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is daarvan wèl sprake, dan is het -
                    behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en 148 WVW 1994 - eenvoudigweg
                    verboden aldaar te ‘crossen’.</al><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient. In het
                    kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede lid van
                    artikel 5.4.1. kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein en/of -eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen kunnen stellen. Wanneer
                    zodanige eisen niet worden gesteld, zal bij het publiek in versterkte mate het
                    vertrouwen worden gewekt dat de gemeente de zorgvuldigheidsverplichtingen die
                    voor haar uit de feitelijke situatie voortvloeien, in acht neemt.</al><al>Uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente
                    zoveel mogelijk beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang
                    van het terrein waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein
                    gebruik mag worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het
                    terrein dit voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente
                    aansprakelijkheid afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van
                    crossen). Het plaatsen van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de
                    gemeente gevrijwaard is van aansprakelijkheid.</al><al>Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan
                    haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks-
                    of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                    wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                    wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die vereniging.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikel
                            2.2.1 en 2.2.2 van de APV, op een crossterrein, zoals in deze bepaling
                            bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere
                            bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt
                            tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd
                            gezag is om een vergunning te verlenen en anderzijds de
                            motor(sport)activiteiten, waarvoor het college van het college het
                            bevoegd gezag is. ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB
                            1994, 602 m.nt. R.M. van Male, GS (1995) 7006,4 m.nt. E.
                            Brederveld.</al></li><li nr="-"><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In
                            casu geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km
                            buiten de bebouwde kom ligt. Pres. rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316
                            m.nt. A.B. Engberts, KG (1995) 292.</al></li></lijst><al><vet>artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                            parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te
                            rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel
                            1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een
                            bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                            gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen
                            ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                            motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                            paarden: </al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als ‘toestel’.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                            verbod.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>1. Inleiding</al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden,
                    parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het
                    komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen
                    aangewezen ruiter- en/of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en
                    hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna. Bij
                    de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. ‘wilde
                    crossen’ (op wegen en paden en ‘off the road’) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen.</al><al>Op het crossen op motorterreinen is artikel 5.4.1 van de APV van
                    toepassing.</al><al>De redactie van artikel 5.4.2 is aangepast overeenkomstig het systeem van
                    artikel 5.4.1 van de model-APV. Op grond van het eerste lid van deze bepaling
                    geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden
                    in een natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid
                    terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor
                    het gebruik van deze terreinen.</al><al>2. Maatregelen</al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen zouden kunnen worden tegen het ‘wilde
                    crossen’ en/of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een
                    meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter
                    bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer,
                    ruiter- en/of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren? Een mogelijkheid om
                    het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van
                    verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving.</al><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</al><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste, tweede en derde lid WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</al><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een ‘natuurgebied’ als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend.</al><al>2.1. Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting
                    krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</al><lijst><li nr="-"><al>Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot
                            het weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden. In de
                            eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                            draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De
                            eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige
                            maatregelen niet kunnen ontzeggen. Hoe zit dit echter als deze weg is
                            aan te merken als een openbare weg in de zin der Wegenwet? Hiervoor zijn
                            wij ingegaan op de beperkingen in het gebruik van een openbare weg als
                            gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg. penbare
                            wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van
                            de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden
                            gemaakt - een zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben.</al></li></lijst><al>Ook ten aanzien van deze openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk
                    mogen realiseren door het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d. bij de
                    toegangen tot die wegen en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij
                    kunnen passeren. Aan deze handelwijze kleeft een aantal bezwaren. Deze
                    handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van openbare
                    wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het
                    bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en
                    de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Wij
                    tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor
                    gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet
                    mogelijk is (Kb 26 september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk).</al><al>Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                    onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                    voorbeeld voetgangers en fietsers (Kb 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt. J.R.
                    Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit
                    worden genomen, zoals hiervoor is beschreven.</al><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                    gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name
                    landbouwers. Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten van wegen door
                    middel van hekjes en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid van bos- en
                    natuurgebieden voor de brandweer en in verband met onderhoudswerkzaamheden zal
                    verslechteren. Bovendien zullen slagbomen gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten
                    slotte is het plaatsen van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare
                    aangelegenheid.</al><al>- Men zou - in de tweede plaats - kunnen denken aan het plaatsen bij de
                    toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang
                    voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van
                    het Wetboek van Strafrecht wordt verboden: ‘Verboden toegang voor....; art. 461
                    Wetboek van Strafrecht’. Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien
                    het gaat om openbare wegen in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ
                    1966, 416, m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG
                    1966, blz. 432, Verkeersrecht 1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod
                    Sneek), en HR 23 december 1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981,
                    237, NG 1981, blz. S63, m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius
                    (rijverbod Schiermonnikoog).</al><lijst><li nr="-"><al>Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van
                            gemotoriseerd verkeer uit natuurgebieden overwogen: </al><lijst><li nr="a."><al>onttrekking van de openbare wegen (‘openbaar’ in de zin van de
                                    Wegenwet) aan het openbaar verkeer volgens de daartoe in de
                                    artikelen 9 e.v. van de Wegenwet voorgeschreven procedure; en
                                    aansluitend daaraan:</al></li><li nr="b."><al>geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in
                                    dat gebied voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk
                                    door het plaatsen van borden ‘Verboden toegang voor...., art.
                                    461 Wetboek van Strafrecht’.</al></li></lijst></li></lijst><al>Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</al><al>- De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het verkeer
                    openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan verkeersbelangen bij
                    verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten zouden worden. Of deze
                    opvatting juist is, is de vraag.</al><al>- Artikel 461 WvSr. is niet op openbare wegen van toepassing.</al><al>Ook de hier bedoelde aanpak stuit overigens op bezwaren, met name in die
                    gevallen dat de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan
                    immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de
                    geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de
                    toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd,
                    indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken.</al><al>De particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor
                    voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten.</al><al>De overheid bezit dan geen machtsmiddelen daartegen op te treden. Deze
                    machtsmiddelen bezit zij wèl ten aanzien van wegen die - zij het ook beperkt -
                    voor het openbaar verkeer toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet. Zie de
                    uitspraak van de afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S 145,
                    m.nt., AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982,
                    Gemeentestem 1983, nr. 6745.10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze
                    uitspraken kan (en moet!) de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de
                    duldingsplicht van de eigenaar van een openbare weg met toepassing van
                    bestuursdwang afdwingen, indien deze plicht wordt verzaakt.</al><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze
                    verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de
                    oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van
                    de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al>3. Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot artikel 1
                    van de Grondwet</al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod ‘... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten. De officier meende dat de belangen van flora en fauna en
                    de belangen van voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren
                    boven de belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de
                    officier van justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van
                    motorrijders en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan
                    noodzakelijk voor het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt. De
                    Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><al>Jurisprudentie</al><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen
                    gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het
                    verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor
                    personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken
                    van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de
                    Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende
                    alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432
                    m.nt. P.C.E. van Wijmen, GS (1991) 6929, 7 m.nt. J.M.H.F. Teunissen.</al><al><vet>Afdeling 5 Verbod vuur te stoken</vet></al><al><vet>artikel 5.5.1</vet></al><al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te
                    stoken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                            inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te
                            leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                                    overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                            Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Vuren in de openlucht raken de veiligheid van personen en goederen. Voorts
                    levert dit verbrandingsstoffen op die de gezondheid van de mens kunnen
                    beïnvloeden en een bedreiging vormen voor flora en fauna. De meeste vuren worden
                    gevoed met afvalstoffen. Deze stoffen dienen op grond van de milieuwetgeving
                    afgevoerd en opgeruimd te worden (bouw- en sloopafval, verpakkings- en
                    verzendmateriaal, land- en tuinbouwafval). Voor het verbranden daarvan in de
                    openlucht is derhalve geen ruimte. De vuren die onder deze bepaling vallen,
                    zullen in de regel kleine vuren zijn op het eigen erf. Gelet op de bebouwings-
                    en bevolkingsdichtheid en de aanwezige natuurwaarden zal er meestal sprake zijn
                    van verstoring van het woon- en leefklimaat, van overlast voor mens en dier en
                    van aantasting van flora en fauna door rook, roet, stof, walm en stank.</al><al>In het vijfde lid zijn van de werkingssfeer van deze bepaling uitgezonderd die
                    situaties waarop artikel 429 Wetboek van Strafrecht van toepassing is, te weten
                    het aanleggen van vuur of het onderhouden daarvan op zo korte afstand van
                    gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan. Daarnaast geldt het
                    voorschrift niet bij toepasselijkheid van de Wet milieubeheer. Deze wet stelt
                    regels in het belang van het milieu (artikel 8.10).</al><al>Bij de ontheffingsmogelijkheid is te denken aan vreugdevuren, paasvuren,
                    kampvuren en oudejaarsvuren. De ontheffing is aan voorschriften te verbinden
                    betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk toeschouwende
                    publiek, de aanwezigheid van eerste hulpmaterialen en deskundigen, de
                    aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen van en het afvoeren van as en
                    andere verbrandingsresten en het herstel van de ondergrond van de
                    vuurplaats.</al><al>Ook is de ontheffing te gebruiken voor verbranding van landbouwreststoffen op
                    het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig
                    onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken.</al><al>Tenslotte kan ontheffing worden verleend indien dit noodzakelijk is ter
                    vernietiging van met ziekte aangetast hout. Bestaat er een alternatieve methode
                    die minder schade aan het milieu of anderszins toebrengt, dan verdient deze de
                    voorkeur.</al><al><vet>Afdeling 6 Verstrooiing van as</vet></al><al><vet>artikel 5.6.1 Begripsomschrijving</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                    verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de
                    overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd
                    terrein.</al><al>Commentaar</al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er gestrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie
                    verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematie-as.</al><al><vet>artikel 5.6.2 Verboden plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt
                            verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                            asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de
                            asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                            verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                            crematoriumterreinen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet nauwelijks in de bodem kan worden
                    opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op
                    stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor
                    het verstrooien van as op verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke kan leveren voor derden en
                    de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk
                    dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de
                    as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking
                    opleveren voor nabestaanden.</al><al>Als het college een vergunning hebben verleend voor een permanent voor
                    asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder ‘volgende
                    plaatsen’ kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een
                    terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken
                    aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al><vet>artikel 5.6.3 Hinder of overlast</vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt
                    veroorzaakt voor derden.</al><al>Commentaar</al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort: Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in
                    steeds grotere mate het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de
                    achteruitgang van de kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De
                    rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers dienen te worden
                    gewaarborgd. Dit kan door een goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van
                    rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De
                    geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het
                    ambtelijk en maatschappelijk draagvlak vergroten. Handhaving kan zowel
                    strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn.</al><al>Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de
                    aan het bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de
                    toepassing van de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden
                    deze dwangmiddelen en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de
                    strafrechtelijke handhaving opgenomen.</al><al>Toezicht</al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb.
                    In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen worden aangebracht op de in de
                    algemene regels gegeven bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de
                    Wet wapens en munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken over
                    de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak medewerking
                    benodigd van de toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is de
                    verplichting van eenieder opgenomen om aan een toezichthouder alle medewerking
                    te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
                    bevoegdheden. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de medewerkingsplicht. In het
                    tweede lid van artikel 5:20 is opgenomen dat geheimhouders, zoals de arts en de
                    advocaat, niet hoeven mee te werken. Maar ook de verdachte hoeft niet mee te
                    werken. Volgens de regering geldt de plicht namelijk niet na het moment waarop
                    de overheid jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in
                    redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat tegen hem
                    strafvervolging wordt ingesteld. "Vanaf dat moment is er sprake van "criminal
                    charge" in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en
                    kan de betrokkene een beroep doen op het zwijgrecht."</al><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor dat er
                    toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die toezicht staat moet
                    dus goed weten welke ‘pet’ de ambtenaar opheeft. In het geval van toezicht moet
                    een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van opsporing, kan er een beroep
                    op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om aan zijn
                    eigen veroordeling mee te werken.</al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel 100
                    Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als toezichthouders
                    op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten zij niet alleen
                    toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook
                    op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                    bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                    bouwvergunning.</al><al>Strafrechtelijke handhaving</al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang. In artikel 5:21 van de Awb
                    is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door feitelijk handelen door of
                    vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens
                    enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden
                    of nagelaten. Het feitelijk handelen omvat meer: het doen wegnemen, ontruimen,
                    beletten, in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om
                    verdere nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen. Het uitoefenen van
                    bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in overeenstemming brengen
                    met de bestuursrechtelijke voorschriften van een onwettige situatie. Dit heeft
                    dus een herstellende werking en heet daarom ‘reparatoire sanctie’. Onder
                    overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen van
                    voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld
                    geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te leggen. Het
                    opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van
                    een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna
                    vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is om aan
                    de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom niet mag worden opgelegd
                    zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is
                    ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last
                    dwangsom is niet mogelijk.</al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie zocht. Hiervan zal de
                    ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk dat een
                    dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien. Bij de
                    voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet
                    . Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden
                    worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid
                    aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving
                    van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van
                    regels.</al><al>Kabinetsstandpunt toezicht in het publieke domein</al><al>Eind december 2001 heeft het kabinet een notitie aan de Tweede Kamer gezonden
                    met daarin zijn standpunt over het toezicht in het publieke domein. Deze notitie
                    bevat de principiële uitgangspunten van het kabinet ten aanzien van de rollen en
                    taken van de verschillende partijen met betrekking tot het toezicht in het
                    (semi-)pubieke domein. Ook wordt bezien welke plaats het bestuurlijk
                    instrumentarium in dit geheel kan innemen. De zorg voor veiligheid is een
                    kerntaak van de overheid, maar is niet de zorg van de overheid alleen. De
                    laatste jaren heeft het inzicht veld gewonnen dat samenwerking en afstemming
                    tussen de verschillende actoren op het terrein van veiligheid (politie,
                    gemeente, bedrijven, burgers, instellingen, enz.) cruciale voorwaarden zijn voor
                    het welslagen van het veiligheidsbeleid. Een toenemend aantal publieke en
                    private actoren zal en dient een rol te (gaan en blijven) spelen bij de zorg
                    voor veiligheid. In de notitie wordt eerst ingegaan op de discussie op
                    hoofdlijnen. Daarna worden de beleidskeuzes weergegeven ten aanzien van:</al><lijst><li nr="-"><al>de regierol van de gemeenten bij het lokale veiligheidsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>lokaal integraal veiligheidsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>het inkopen van (extra) politiecapaciteit;</al></li><li nr="-"><al>doorberekening politiekosten;</al></li><li nr="-"><al>taakontwikkeling politie;</al></li><li nr="-"><al>het toezicht in het publieke domein;</al></li><li nr="-"><al>de operationele regie door de politie bij de organisatie en uitvoering
                            van het toezicht;</al></li><li nr="-"><al>de inzet van stadswachten;</al></li><li nr="-"><al>de inzet van particuliere beveiligingsorganisaties voor toezicht in het
                            publieke domein door de gemeente in haar overheidsrol;</al></li><li nr="-"><al>de inzet van particuliere beveiligingsorganisaties bij
                            objectbeveiliging;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding bestuurlijk instrumentarium.</al></li></lijst><al>Voor wat betreft de uitbreiding van het bestuurlijk instrumentarium richt de
                    notitie zich op het instrument van de bestuurlijke boete. De conclusie is dat
                    voor een effectieve aanpak van de bestrijding van kleine ergernissen de
                    introductie van een bestuurlijke boete geen uitkomst biedt.</al><al><vet>artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van enig bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften en
                    beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                    geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al><al>Commentaar</al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 225,- en
                    van de tweede categorie € 2.250,-. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 2,-
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuzemogelijkheid gelaten op
                    overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede
                    categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening
                    onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de
                    eerste dan wel van de tweede categorie op staat. Het is niet mogelijk om van
                    deze indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door een
                    maximumboete van € 1.000,- te stellen.</al><al>Strafbaarheid rechtspersonen</al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie ‘indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat’ (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€
                    4.500,-).</al><al>Medebewindsvoorschriften</al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De in de afdeling ‘bestrijding van heling’
                    opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6. Overtreding van deze
                    voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het WvSr
                    (boete van tweede, respectievelijk derde categorie).</al><al>Een voorbeeld hiervan is Hechtenis</al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen ‘ten gunste’ van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzondering)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf. Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel
                    genoemde - in de eerste geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter
                    geen hechtenis gesteld, omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften</al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    van het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de
                    overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de
                    overtreding van krachtens artikel 1.4 van de APV gegeven beperkingen en
                    voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit laatste
                    een overtreding van artikel 1.4, tweede lid op. Hierin is de verplichting
                    opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een vergunning of ontheffing is
                    verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                    komen.</al><al><vet>artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast: de in dienst van de gemeente zijnde
                            reinigingscontroleurs en milieucontroleurs.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de
                            burgemeester aangewezen personen.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze
                    bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht.</al><al>Aanwijzen toezichthouders</al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften
                    (artikel 5:11 van de Awb). De aanwijzing van toezichthouders kan derhalve in de
                    APV plaatsvinden. Een deel van de toezichthouders wordt in de APV zelf
                    aangewezen (dit is noodzakelijk indien een toezichthouder tevens
                    opsporingsbevoegdheden dient te krijgen, voor de toelichting zie hieronder bij
                    opsporing). Hiernaast kunnen toezichthouders door het college van het college
                    dan wel de burgemeester worden aangewezen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de
                    artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet waarin het college van burgmeester en
                    wethouders respectievelijk de burgemeester belast zijn met de uitvoering van
                    gemeentelijke verordeningen.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren. Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te
                    kunnen legitimeren (artikel 5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven
                    door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder
                    werkzaam is.</al><al>Het evenredigheidsbeginsel</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al>Bevoegdheden toezichthouder</al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig. Op basis van artikel 5:15 Awb is een
                    toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoner. ‘Plaatsen’ is daarbij een ruim begrip en
                    omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen en woningen. Dat
                    de Awb een uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder
                    toestemming van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet
                    vastgelegde ‘huisrecht’. Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen
                    zonder toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet
                    vereist.</al><al>Voor de handhaving van gemeentelijke verordeningen is de basis voor het
                    binnentreden zonder toestemming van de bewoner gelegd in artikel 149a van de
                    Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid
                    worden toegekend, indien het gaat om het toezicht op de naleving van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend.
                    In de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven
                    die bij het binnentreden van een woning in acht genomen moeten worden. In de
                    toelichting op artikel 6.3 van de APV zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al>artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en
                    bescheiden, om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al>Bijzondere wetten</al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt. Zo
                    heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van deze wet - het binnentreden in een woning zonder toestemming
                    van de bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen - verkrijgt.</al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                    toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners. In
                    bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo hebben
                    toezichthouders in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op grond van
                    artikel 69 van deze wet slechts toegang tot terreinen tussen zonsopgang en
                    zonsondergang. ‘Terreinen’ is daarbij een beperkter begrip dan ‘plaatsen’ van
                    artikel 5:15 Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook bedrijfsgebouwen - hier
                    buiten.</al><al>Toezicht en opsporing</al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het toepassen
                    van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en strafrechtelijk.
                    Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    respectievelijk toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr="-"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in
                            het WvSv.</al></li></lijst><al>Opsporingsambtenaren</al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid). Op basis van artikel 142, lid 1, sub c WvSv
                    hebben de volgende -voor de APV relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr="-"><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voor zover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd</al></li></lijst><al>.</al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht
                    waarvoor de grondslag van de opsporingsbevoegdheid is gelegd in de Woningwet. De
                    tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Daartoe behoren bijvoorbeeld milieu- en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet nodig. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><lijst><li nr="-"><al>zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                            betrouwbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>zij dienen te zijn beëdigd door het college van de procureur-generaal
                            (volgens artikel 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsamtenaar)</al></li></lijst><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt.</al><al>De akte wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij mits de ambtenaar nog
                    voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid, worden
                    verlengd.</al><al>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                    medebewindvoorschriften Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen 437
                    en 437 ter van het WvSr gebaseerde in de afdeling 2.5 ‘bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen’ opgenomen bepalingen: de in de artikelen
                    551 en 552 van het WvSv geregelde opsporing- en toezichtbevoegdheden komen reeds
                    toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien
                    de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    Indien namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al><vet>artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een
                    overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke
                    strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van
                    het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in
                    een woning zonder toestemming van de bewoner.</al><al>Commentaar</al><al>Algemeen</al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften. In de toelichting bij artikel 6.1a is reeds
                    ingegaan op de bevoegdheid om binnen te treden in alle plaatsen met uitzondering
                    van woningen zonder toestemming van de bewoners. De bevoegdheid voor het
                    binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                            verleend;</al></li><li nr="-"><al>de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens
                            de wet te worden aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al></li></lijst><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                    personen die belast zijn met een opsporing- of toezichthoudende taak in het
                    kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor
                    de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van
                    bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de
                    volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al>artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.</al><al>Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft de volgende artikelen.</al><lijst><li nr="a."><al>Artikel 2.1.2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet
                            openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de
                            bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen
                            geregeld.</al></li><li nr="b."><al>De artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.6, de op de artikelen 437 en 437ter
                            van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingvoorschriften. Artikel 552
                            van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren
                            (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats
                            hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de
                            daar genoemde ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht
                            als opsporing.</al></li></lijst><al>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</al><al>Vormvoorschriften</al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil binnentreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><lijst><li nr="-"><al>zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al></li><li nr="-"><al>mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1
                            Awbi);</al></li><li nr="-"><al>te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al></li><li nr="-"><al>verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al></li></lijst><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te
                    beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning
                    binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een
                    machtiging voor één woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal
                    drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De minister van
                    Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de
                    circulaire van het ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294).</al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafverordening (bijvoorbeeld
                    woningontruimingen).</al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar - met uitsluiting van de
                    in de Awbi genoemde functionarissen - bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat bijvoorbeeld een college van het college
                    dat bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet
                    afgeven. Van het binnentreden dient na verloop een verslag opgemaakt te worden
                    (artikel 10 Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het
                    ministerie van Justitie van 15 augustus 1994 (452425/294).</al><al>Bevoegdheden</al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voor zover dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                    werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                    uitgevoerd.</al><al>artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit
                    geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil
                    verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke
                    arm inroepen.</al><al>Het begrip ‘woning’</al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent, keet etc. kan hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen woning van een kamerbewoner.</al><al>Spoedeisende situaties</al><al>artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming én zonder machtiging
                    gerechtvaardigd.</al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                    spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op
                    het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan
                    worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal dus een verslag moeten worden gemaakt.</al><al>Mandaat is niet geoorloofd</al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan in beginsel
                    niet worden gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning
                    zonder toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de
                    grondwettelijke vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste lid,
                    van de Awb is mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zicht daartegen verzet. Gezien
                    de zwaarte van deze inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard
                    zich tegen mandaatverlening verzet (zie de parlementaire behandeling van de
                    Awbi).</al><al>De strafrechtelijke sanctie</al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvSr op.</al><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname
                    in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning
                    verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al><al>Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                    bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden -
                    bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet de bescherming van
                    het huisrecht. de bescherming van de woning vallen voorts niet de trappen en
                    portalen die tot een woning en andere lokaliteiten toegang geven (HR 16 december
                    1907, W 8633), dus ook - zo mag worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke
                    trappen en portalen in een flatgebouw.</al><al><vet>artikel 6.4 Inwerkingtreding en intrekking oude verordening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag nadat zij is
                            bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de Algemene plaatselijke verordening Uithoorn 2000
                            ingetrokken.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld,
                    wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het
                    gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (vergelijk
                    artikel 139 Gemeentewet).</al><al>Na de bekendmaking wordt dit besluit meegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (vergelijk artikel 143
                    Gemeentewet).</al><lijst><li nr="-"><al>Ingevolge artikel 142 van de Gemeentewet treden (straf)verordeningen in
                            werking op de achtste dag na die, waarop zij zijn afgekondigd, tenzij
                            zij een ander tijdstip daartoe aanwijzen. Dat andere tijdstip kan in de
                            verordening zelf worden aangewezen, maar het is ook geoorloofd in de
                            verordening te bepalen dat de dag van inwerkingtreding door het college
                            van het college (college) zal worden vastgesteld.</al></li><li nr="-"><al>In verband met het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht
                            is het uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een
                            strafverordening terugwerkende kracht toe te kennen.</al></li><li nr="-"><al>Indien de vorige APV een citeertitel heeft, kan volstaan worden met het
                            gestelde in het tweede lid.</al></li></lijst><al><vet>artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de
                            verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor
                            zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking
                            heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder
                            zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de
                            inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld
                            in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen
                            in gevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook
                            zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de inwerkingtreding
                            van deze verordening van kracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond
                            van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en
                            voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op
                            die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
                            onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of
                            ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of
                            beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld
                            in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende
                            beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld
                            in artikel 6.4, tweede lid.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning
                            of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is
                            beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening
                            overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of
                            ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van
                            de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is
                            ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Gebod- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                            vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de
                            verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid zijn niet van
                            toepassing: </al><lijst><li nr=""><al>gedurende zes weken na het in werking treden van deze
                                    verordening;</al></li><li nr=""><al>ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                    vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een
                                    aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag
                                    is beslist.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de
                            rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is
                            in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                            ingetrokken.</al></li></lijst><al>Commentaar</al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen etc. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. Dit geldt ook voor de vraag of het oude
                    dan wel het nieuwe recht van toepassing is bij beroepszaken, aanhangig gemaakt
                    voor de inwerkingtreding van het nieuwe recht, maar behandeld na de
                    inwerkingtreding.</al><al>Eerste lid</al><al>In het eerste lid wordt ervan uitgegaan dat alle bestaande vergunningen,
                    ontheffingen etc. na een bepaalde termijn aangepast moeten worden aan het nieuwe
                    recht. Dit betekent in feite een sanering van alle vergunningen, ontheffingen
                    etc. die voor onbepaalde tijd is afgegeven. In de praktijk zal het voor de
                    gemeente niet veel extra werk betekenen, aangezien het merendeel van de
                    vergunningen, ontheffingen etc. nu reeds voor een bepaalde tijd zijn afgegeven.
                    Wanneer dan ook de termijn in het eerste lid op bijvoorbeeld twee jaar zou
                    worden gesteld, zouden deze vergunningen, ontheffingen etc. veelal toch reeds
                    eerder vervallen zijn, aangezien de werkingsduur van deze vergunningen,
                    ontheffingen etc. korter zal zijn dan twee jaar.</al><al>Tweede lid</al><al>Met betrekking tot op basis van het oude recht opgelegde voorschriften en
                    beperkingen wordt eveneens een sanering doorgevoerd. Ook hier moet weer een
                    redelijke termijn gekozen worden. Het ligt voor de hand dezelfde termijn als in
                    het eerste lid te kiezen.</al><al>Bij de hier bedoelde voorschriften en beperkingen moet gedacht worden aan de
                    bevoegdheid van de burgemeester of het college om in sommige gevallen aan de
                    uitoefening van bepaalde activiteiten voorschriften en beperkingen op te leggen
                    zonder dat overigens voor die activiteit een vergunning, ontheffing of
                    kennisgeving is vereist. Zie bijvoorbeeld artikel 5.3.3, eerste lid. Vergunning-
                    en ontheffingsvoorschriften vallen onder het in het eerste lid bepaalde.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid wordt het nieuwe recht van toepassing verklaard op aanvragen
                    voor een vergunning en ontheffing, die voor de inwerkingtreding van deze
                    verordening zijn ingediend maar waar daarna op wordt beslist. Voorwaarde is wel
                    dat de nieuwe verordening een overeenkomstig gebod of verbod kent.</al><al>Vierde lid</al><al>Het oude recht is van toepassing op tijdig ingediende beroep- of
                    bezwaarschriften betreffende vergunningen, ontheffingen, voorschriften of
                    beperkingen, die gebaseerd zijn op het oude recht.</al><al>Vijfde lid</al><al>In het vijfde lid is bepaald dat de oude vergunning of ontheffing van kracht
                    blijft totdat onherroepelijk op de nieuwe aanvraag is beslist. De termijn die in
                    het eerste lid is genoemd kan hierdoor verlengd worden. Met deze bepaling kan
                    worden voorkomen dat gedurende een bepaalde periode de aanvrager niet in het
                    bezit is van de benodigde vergunning of ontheffing en daardoor, formeel
                    geredeneerd, in overtreding is.</al><al>Zesde lid</al><al>Het zesde lid heeft betrekking op activiteiten waarvoor voor de inwerkingtreding
                    van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig was, maar waarvoor dat op grond
                    van de nieuwe APV wel het geval is. Zonder een overgangsregeling zouden deze
                    activiteiten een overtreding van de APV inhouden totdat onherroepelijk positief
                    beslist is op de desbetreffende aanvraag.</al><al>Zevende lid</al><al>In het zevende lid is een regeling opgenomen voor de door het college genomen
                    nadere regels en aanwijzingsbesluiten die op grond van de oude APV reeds
                    bestonden. Vereist is uiteraard wel dat de rechtsgrond voor de betreffende
                    nadere regel en het aanwijzingsbesluit ook in de nieuwe verordening terugkomt.
                    Nadere regels en aanwijzingsbesluiten waarvan de grondslag niet in de nieuwe APV
                    terugkomt, vallen niet onder de overgangsbepaling.</al><al>Een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit in de huidige model-APV is onder de
                    aanwijzing van gedeelten van gemeenten en bepaalde plaatsen waar het verboden is
                    de daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben (artikel 2.4.20).</al><al><vet>artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene plaatselijke verordening
                    Uithoorn 2006.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>