<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR234150_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening West Maas en Waal 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waalkanter, 19-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening West Maas en Waal 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12-08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening West Maas en Waal 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                            geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                            gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen
                                            bedoeld in onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in
                                            artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de
                            aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                            gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="f."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="g."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="h."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="i."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="j."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="k."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="l."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="m."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart behorende bij de archeologische
                                    paragraaf van het bestemmingsplan;</al></li><li nr="n."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente West Maas en Waal;</al></li><li nr="p."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="q."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>1</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                    dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk
                            monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond
                            van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken
                                na de adviesaanvraag. Bij overschrijding van de termijn wordt het
                                college geacht niet tot plaatsing op de gemeentelijke
                                monumentenlijst te hebben besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst><al>2</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan de monumentenverordening van de provincie
                            Gelderland.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een vergunning voor een activiteit als bedoeld in het tweede lid
                                    is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al>gewoon onderhoud, mits daarbij ongewijzigd blijven:
                                    detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort én
                                    kleurstelling; of - in geval van een tuin, park of andere aanleg
                                    - de aanleg niet wijzigt; of</al></li><li nr="b."><al>een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen
                                    van een onderdeel van het monument dat vanuit een oogpunt van
                                    monumentenzorg aantoonbaar geen waarde heeft.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                            monument met een religieuze bestemming, geen vergunning
                                            als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming
                                            met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning
                                            betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                            zijn.</al></li><li nr="5."><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen met
                                            betrekking tot de wijze waarop activiteiten dienen
                                            te worden uitgevoerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag vraagt advies aan de Commissie Welstand en
                                    Monumenten voordat het beslist op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Na de datum van verzending van het afschrift adviseert deze
                                    Commissie het bevoegd gezag schriftelijk over de aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 8 weken, indien voor de aanvraag de uitgebreide
                                            openbare voorbereidingsprocedure moet worden
                                            doorlopen;</al></li><li nr="b."><al>binnen 4 weken, indien voor de aanvraag de reguliere
                                            voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag binnen 8 weken bij een
                                    reguliere voorbereidingsprocedure.</al></li></lijst><al>Dit termijn kan ten hoogste met zes weken worden verlengd. Bij de
                            uitgebreide voorbereidingsprocedure is dit binnen 26 weken.</al><al>3</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beoordeling aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteiten
                                zouden leiden tot een onevenredige aantasting van het monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                                monumentenzorg zich daartegen niet verzet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing op de aanvraag houdt het college rekening met het
                                gebruik van het monument.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden of de aan
                                een vergunning verbonden voorschriften wijzigen in het belang van
                                het monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="c."><al>op verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt
                                    gemaakt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om
                                    vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de Commissie
                                    Welstand en Monumenten.</al></li><li nr="2."><al>Na de datum van verzending van het afschrift adviseert deze
                                    Commissie het bevoegd gezag schriftelijk over de aanvraag:</al><lijst><li nr="c."><al>binnen 8 weken, indien voor de aanvraag de uniforme openbare
                                    voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen;</al></li><li nr="d."><al>binnen 4 weken, indien voor de aanvraag de reguliere
                                    voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college is verplicht de Rijksdienst voor het Cultureel
                                    Erfgoed om advies te vragen wanneer de monumentale waarden van
                                    een rijksmonument in het geding zijn. Het gaat om de volgende
                                    ingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>(gedeeltelijke) afbraak;</al></li><li nr="b."><al>ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke
                                            afbraak;</al></li><li nr="c."><al>reconstructie;</al></li><li nr="d."><al>herbestemming: het wijzigen van de functie.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In de gevallen, bedoeld in het vierde lid, adviseert de
                                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed schriftelijk over de
                                    aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het
                                    afschrift. Indien gedeputeerde staten advies uitbrengen, gebeurt
                                    dat schriftelijk binnen twee maanden na de datum van verzending
                                    van het afschrift.</al></li></lijst><al>4</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch
                                    verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem
                                    dieper dan 30 cm onder de oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                            aangegeven op de gemeentelijke waardenkaart, provinciale
                                            archeologische monumentenkaart en de landelijke
                                            indicatieve kaart van archeologische waarden en waarbij
                                            die verstoring plaatsvindt:</al><al>• in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en
                            het te verstoren gebied kleiner is dan 2.000 m², of;</al><al>• in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te
                            verstoren gebied kleiner is dan 100 m²</al><al>• in een gebied op een terrein met een archeologische waarde en het te
                            verstoren gebied kleiner is dan 100 m².</al></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent
                                    archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste
                                    en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                                    hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                    monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering
                                    van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een
                                    archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                    aangegeven op de gemeentelijke waardenkaart, provinciale
                                    archeologische monumentenkaart en de landelijke indicatieve
                                    kaart van archeologische waarden;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het
                                    te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in
                                    voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><al>• het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden
                            geborgd; of</al><al>• de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden
                            geschaad; of</al><al>• in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente West Maas en Waal
                                    onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988,
                                    dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder l, waarbij nadere regels worden gesteld 
                                            ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                    aanpak als bedoel in artikel 1 onder k van deze verordening ter
                                    goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                            betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen
                            aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                            eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                            advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                            Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al><al>5</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn de hiervoor door het college van burgemeester en
                            wethouders aangewezen dan wel nog aan te wijzen ambtenaren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening 1994, vastgesteld op 9 december 1993 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken
                                “Monumentenverordening 1994” aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag nadat deze is
                            gepubliceerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening West Maas en
                            Waal 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 6 december 2012;</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>Mr. G.E.M. Gieling </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.A.M. Steenkamp</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>A. Algemene toelichting</tussenkop><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft
                    een vereenvoudiging van de model Erfgoedverordening in het kader van
                    deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model
                    Erfgoedverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><tussenkop>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</tussenkop><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd.</al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure.</al><al>De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming.</al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><tussenkop>Toestemmingsstelsels</tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><al>7</al><tussenkop>De procedure</tussenkop><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb.</al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de
                        <cursief>onlo</cursief><cursief>s</cursief><cursief>m</cursief><cursief>a</cursief><cursief>k</cursief><cursief>e</cursief><cursief>l</cursief><cursief>i</cursief><cursief>j</cursief><cursief>k</cursief><cursief>h</cursief><cursief>e</cursief><cursief>i</cursief><cursief>d</cursief>is
                    neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de
                    activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die
                    tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als</al><al>een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo.
                    Deze activiteiten overlappen</al><al>elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen
                    twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is</al><al>genomen een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide
                    beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat
                    rechtsbescherming op grond van de Awb open.</al><tussenkop>Informatie over de omgevingsvergunning</tussenkop><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning:
                        <onderstreept>h</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>p</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept><onderstreept>/</onderstreept><onderstreept>/</onderstreept><onderstreept>o</onderstreept><onderstreept>m</onderstreept><onderstreept>g</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>v</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>g</onderstreept><onderstreept>sv</onderstreept><onderstreept>erg</onderstreept><onderstreept>u</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>g</onderstreept><onderstreept>.</onderstreept><onderstreept>v</onderstreept><onderstreept>ro</onderstreept><onderstreept>m</onderstreept><onderstreept>.</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>l</onderstreept>.
                    Hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008;</al></li></lijst><al>een online product).</al><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning.</al><al>8</al><al>Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen
                    op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de
                    omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                    bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de
                    omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden
                    geboden bij de realisatie van een fysiek project.</al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                    De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegd gezag.</al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de</al><al>verordening bepaald.</al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik
                    wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers
                    genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans
                    voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                    nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere
                    onderdelen zelf aan te vullen.</al><tussenkop>B. Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>9</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten</al><al>registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het
                    betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                    de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt.
                    Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 4, lid 1, en artikel
                        8<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente</al><al>(raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd gezag. In de
                    Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een monumentencommissie advies
                    moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de
                    Monumentenwet</al><al>1988.In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een</al><al>commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                    onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval
                    geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                    instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel van een
                    apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                    besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                    VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via
                    de databank van de Sdu Uitgevers,
                        <onderstreept>w</onderstreept><onderstreept>ww</onderstreept><onderstreept>.</onderstreept><onderstreept>m</onderstreept><onderstreept>o</onderstreept><onderstreept>del</onderstreept><onderstreept>v</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>ordening</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>.</onderstreept><onderstreept>nl</onderstreept>
                    .</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening
                    de Monumentenwet 1988</al><al>en de Wabo. Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te
                    verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is
                    voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel</al><al>15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                    beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                    monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie.</al><tussenkop>Sub m</tussenkop><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><tussenkop>Sub n</tussenkop><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                    gedereguleerde verordening geschrapt:</al><al>• het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel
                    uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college
                    ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon
                    laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker
                    echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht.</al><al>10</al><al>De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor
                    slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt
                    binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt binnengetreden in het
                    kader van toezicht op de naleving van de verordening. Het ontbreken van de
                    mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan
                    worden ondervangen nadat een woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden
                    die de gemeente betreffende de afhandeling van aanvragen om een beschikking (in
                    casu de monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen,
                    bieden</al><al>voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische
                    waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een
                    monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een
                    bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een
                    beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                    evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in relatie
                    tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling
                    uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 11 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</tussenkop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken</al><al>belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de
                    rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet
                    uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen</al><al>(de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een</al><al>monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts
                    met een vergunning (zie art. 11, tweede lid) of slechts op grond van de nadere
                    regels (zie art. 11, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van
                    niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige,
                    last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het
                    interieur</al><al>in dat geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar
                    bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>11</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en</al><al>4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 11 tot en met
                    15 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de</al><al>bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure
                    is gebonden aan een</al><al>motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 7
                    van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college</al><al>de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om
                    een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                    overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van
                    de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de
                    aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook
                    tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt</al><al>(afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De</al><al>kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot
                    artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet
                    kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                    voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                    bedoeld in artikel 7 van deze verordening.</al><al>12</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel</al><al>3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 4, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een</al><al>(uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging
                    van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop
                    voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                    zaken</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder b van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 5 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de</al><al>plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de
                    vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en
                    ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom
                    buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>13</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.</al><al>Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><tussenkop>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12. Termijnen advies</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                    project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te</al><al>lichten.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al>14</al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid</al><al>moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om
                    te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een
                    advies staat het nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet
                    binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure
                    vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te
                    nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het
                    bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de
                    kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk
                    bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een
                    advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking</al><al>met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn
                    voor het indienen van een</al><al>bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is
                    beslist.</al><tussenkop>Artikel 13. Beoordeling aanvraag</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de</al><al>volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de
                    vergunning in te trekken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat</al><al>in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin verschilt de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient
                    namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                    de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats.</al><al>15</al><al>Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging
                    kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden
                    zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel</al><al>16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30 cm de bodem te
                    verstoren.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is niet van toepassing, indien de
                    verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als
                    aangegeven op de landelijk of een provinciale archeologische waardenkaart. Een
                    gemeente kan van deze kaarten gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt
                    over een gemeentelijke archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren
                    over het algemeen een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische
                    waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische
                    verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren
                    verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter
                    het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge
                    verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden
                    echter aanzienlijk kleiner zijn.</al><al>16</al><al>Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening gehouden te worden met
                    de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan
                    worden aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte
                    dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het
                    karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen
                    archeologische sporen. Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit
                    onderdeel geen standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie</al><al>hieraan een invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en</al><al>3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te
                    vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld.</al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats</al><al>om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek
                    project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten
                    vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport door het
                    bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                    kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning,</al><al>waarin vereisten betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn
                    opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met
                    Valletta’.</al><tussenkop>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de
                    beoordeling van het plan van aanpak.</al><tussenkop>Artikel 18. Procedure</tussenkop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e en
                    artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11,12, 13 en 14 welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al><al>17</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 20. Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het is de bedoeling dat
                    bij het eerste lid, onder a en b, functies van de ambtenaren die belast zijn met
                    de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het
                    tweede lid kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat
                    los van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de
                    Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene</al><al>regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders
                    worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde</al><al>personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn</al><al>bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te
                    allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling.</al><al>18</al><tussenkop>Artikel 22. Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst</al><al>voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig
                    deze nieuwe verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het
                    van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                    verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures
                    gelden.</al><tussenkop>Artikel 23. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><tussenkop>Artikel 24. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al><al>19</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>