<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23411_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Uithoorn 2007-1</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwe Meerbode, 07-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Uithoorn 2007-1</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8">Woningwet, art. 8 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV07.24</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Uithoorn 2007-1</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=8">artikel 8 van de woningwet</extref>;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen: de Bouwverordening Uithoorn 2007-1</al><al>(integrale tekst inclusief 12e serie wijzigingen)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=1">artikel 1, letter a, van het
                                                  Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="o"><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit
                                                indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=40a">artikel 40a</extref>, eerste lid en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=57">57, tweede en derde lid van de
                                                Woningwet</extref>;</al></li><li nr="o"><al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije
                                                en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=43">artikel 43, eerste lid onder c</extref> en
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44, tweede lid van de
                                                Woningwet</extref>;</al></li><li nr="o"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=2">artikel 2 van de Woningwet</extref>;</al></li><li nr="o"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=100a">artikel 100a, eerste lid, Woningwet</extref>
                                                belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="o"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                                plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                                met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                plaatse te functioneren;</al></li><li nr="o"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:
                                                hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=6">artikel 6, eerste lid, van het
                                                  Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="o"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het bouwbesluit;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="o"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling
                                        van de gemeente: </al><lijst><li nr="1."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="2."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, waarvan
                                        gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld
                                        overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenwet/article=27">artikel 27, tweede lid van de Wegenwet.</extref></al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 - De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=8">artikel 8, vierde lid, van de
                                            Woningwet</extref>bestaat uit: </al><lijst><li nr="1."><al>de resultaten van een recent verkennend
                                                  onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B,
                                                  uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als
                                                  verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog
                                                  bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                                  volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
                                                  milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober
                                                  1993);</al></li><li nr="2."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht
                                                  volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                                  uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel
                                                  1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de
                                                  resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen
                                                  dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de
                                                  beoordeling van de ernst van deze verontreiniging
                                                  een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol
                                                  Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de
                                                  Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                                  1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="3."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij
                                            het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het
                                            bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                            omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                            Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de
                                            hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of
                                            gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen
                                            van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf
                                            1.2.5, onder e van de Bijlage bij het Besluit
                                            indieningsvereisten, indien voor de toepassing van
                                            artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente
                                            onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk
                                            ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van
                                            een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5,
                                            onder e van de Bijlage van het Besluit
                                            indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                            instandhoudingstermijn als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=45">artikel 45, eerste lid, van de Woningwet</extref>,
                                            indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                                            vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                            bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                            dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                            veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet
                                            rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li><li nr="6."><al>Na een daartoe strekkend en gemotiveerd verzoek vanuit
                                            de aanvrager kunnen burgemeester en wethouders
                                            toestemming verlenen om het bodemonderzoek nog voor de
                                            sloop van de aanwezige bouwwerken te laten
                                            plaatsvinden.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</tussenkop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege
                                    verleende bouwvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=58%20">artikel 58 van de Woningwet</extref> wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="2."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                            bouwwerk;</al></li><li nr="3."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                            wordt;</al></li><li nr="4."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</tussenkop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                            verblijven;</al></li><li nr="2."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                            vereist; en </al><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                                  gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in
                                    artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van
                                    paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen
                                    burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                    bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                    indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij
                                    hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                    overeenkomstig het tweede lid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming/article=39%20">artikel 39 van de Wet bodembescherming</extref>
                                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20bodembescherming/article=39">artikel 39, eerste lid, van die Wet</extref> van oordeel
                                    zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                                    door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden
                                    gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in
                                    aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                    verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in
                                    aanmerking worden genomen.</al><tussenkop> Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf
                                            van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd
                                            van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die
                                            toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                            geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="1."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over
                                                  een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en
                                                  een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben
                                                  van ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="2."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li><li nr="3."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot
                                            bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw
                                            behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                            bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien
                                            de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                            daarvoor lenen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.3A Brandweeringang</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                            alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt,
                                            indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in
                                            overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen
                                            als brandweeringang aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                            brandmelding of te openen zijn met behulp van een
                                            systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="1."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het bouwbesluit;</extref></al></li><li nr="2."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het bouwbesluit;</extref> en
                                                  anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij: </al><lijst><li nr="1."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="2."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan
                                                  0,85 m; en</al></li><li nr="3."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen
                                                  van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van
                                                  een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit/article=2.39">artikelen 2.39</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.40">2.40 van het bouwbesluit</extref>.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="1."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen
                                            lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging
                                            van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="2."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij
                                            een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                            op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                                            geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit
                                            de as van de weg.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van
                                    de voorgevelrooilijn.</al><tussenkop> Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="1."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="2."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                            onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                            het Besluit bouwwerken, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits
                                                  zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                  overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van
                                            het bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van
                                            het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                            voorgevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                  kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                  bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                  straatpeil;</al></li><li nr="2."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan
                                                  bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en
                                                  derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar
                                                  hun aard en bestemming op een voor de
                                                  voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                                  zijn;</al></li><li nr="3."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de
                                                  grens van de weg overschrijden;</al></li><li nr="4."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                                  balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met
                                                  niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="5."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                  hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                  luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                  schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                  draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn
                                                  in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="6."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding
                                                  tussen twee bouwwerken.</al></li><li nr="7."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld
                                                  in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                                  provinciale of gemeentelijke monumentenverordening
                                                  - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog
                                                  op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                                  aansluiting bij het karakter van de bestaande
                                                  omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing
                                            worden verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr="1."><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met
                                                  inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter
                                                  weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="2."><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                  weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                  gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor het bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="1."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                            onder i, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="2."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b
                                            en e, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="3."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="4."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor
                                            reclame;</al></li><li nr="5."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun
                                            aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuiningvan straathoeken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in
                                            de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                            in: </al><lijst><li nr="1."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                                  ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="2."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                                  ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                                  het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn
                                                  is geplaatst;</al></li><li nr="3."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die
                                            een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover
                                            elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen
                                            of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                                            van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de
                                            hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                            afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor
                                            onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                            behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="1."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="2."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="3."><al>vrijstaande enkele of dubbele
                                                  eengezinshuizen;</al></li><li nr="4."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder
                                                  b, van het Besluit bouwwerken bedoelde
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="5."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en
                                                  veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                  daarbijbehorende woningen;</al></li><li nr="6."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="7."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen
                                                  van de ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                            voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst><li nr="1."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                  bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan de helft van de straal van de
                                                  ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                  doch op geen grotere afstand van de
                                                  voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan
                                                  één ingeschreven cirkel binnen de
                                                  voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt
                                                  de grootste;</al></li><li nr="2."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm
                                                  op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                                                  bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                                  herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of
                                                  meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij
                                                  op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het
                                                  bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="3."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                  bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                  zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                  elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                                                  van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van
                                                  de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="4."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                  zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                                  bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand
                                                  van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                                  afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                                                  zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                                  bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="5."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde
                                                  gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                                  inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                                  neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                                  geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                                                  15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                            achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                            toetreding van daglicht - over een afstand van ten
                                            minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten
                                            minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard,
                                            de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                            hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn.</al><tussenkop> Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="1."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken,
                                            geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="2."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="3."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel
                                            2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="4."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3,
                                            eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="5."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                            onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                            het Besluit bouwwerken, te weten: </al><lijst><li nr="o"><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="o"><al>2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                            onder e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="1."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="2."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="3."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="4."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="5."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="6."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel
                                            2, onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="7."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="8."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw
                                            zijnde;</al></li><li nr="9."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="10."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                            bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="11."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="12."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                            provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                            voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                            verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="1."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en</al></li><li nr="2."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                  meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst
                                            achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten
                                            de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                            buiten beschouwing blijven.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="1."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                  betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                  niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="2."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="o"><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="o"><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="o"><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders
                                            dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                            behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2
                                            meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het
                                            gebouw en over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="1."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw
                                                  hiervoor geen beletsel vormen;</al></li><li nr="2."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend
                                                  van het verbod tot overschrijding van de
                                                  achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
                                            opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig
                                            zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                                            aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                                            ontstaan die: </al><lijst><li nr="1."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                                                  daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="2."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                            mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van
                                            de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn
                                            niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het
                                            af te scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                            hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                            andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke
                                            deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen
                                            van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                            uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                            met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of
                                            meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                            ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                            bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van: </al><lijst><li nr="1."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien de elektrische
                                                  spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                                                  bezwaar oplevert;</al></li><li nr="2."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien daartegen met het
                                                  oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                                                  leiding geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                                            van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                            de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                  weg;</al></li><li nr="2."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
                                                  tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                                  desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval
                                            aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan
                                            de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een
                                            lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen
                                            grotere lengte dan 15 meter</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het
                                            midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie
                                            daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                            ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                            hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij
                                            gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                                            tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                            geldt ter plaatse van die onderbreking de verst
                                            verwijderde van de beide ter weerszijden van de
                                            onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                                            van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                            de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                  tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                  bouwblok;</al></li><li nr="2."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
                                                  de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
                                                  hetzelfde bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                            bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen
                                            niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                                            van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de
                                            gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.
                                            Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn
                                            ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                            voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                            hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
                                            dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
                                            hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                                            onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
                                            voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                            bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot
                                            aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien
                                            in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                            onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                            zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg
                                            nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze
                                            zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                            eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                            wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de
                                            bepaling van de afstand tussen twee
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                            niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                            bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                            achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                            die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en
                                            door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                                artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met
                                            het horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr="1."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="2."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                            zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                                            bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak
                                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                            hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en
                                            dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                            graden.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag
                                            niet meer bedragen dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                            wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte
                                            ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt
                                            opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag
                                            niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat
                                            - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                                            daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45
                                            graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de
                                            ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                            beletsel vormen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een
                                            ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten
                                            ten opzichte van straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                            door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld
                                            in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten
                                            - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -
                                            buiten beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</tussenkop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid,artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="1."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="2."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van
                                            bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                            eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="3."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                            voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij
                                            niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                            geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                            gemeten, niet groter is dan het product van de breedte
                                            van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                            plaatse;</al></li><li nr="4."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan
                                            0,60 meter.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    toegelaten bouwhoogte</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken,
                                            schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden
                                            van bijeenkomsten en vergaderingen;</al></li><li nr="2."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen
                                            van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="3."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="4."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="5."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, en indien: </al><lijst><li nr="o"><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                  bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                  verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="o"><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                  hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                  worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="7."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard;</al></li><li nr="8."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter;</al></li><li nr="9."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren;</al></li><li nr="10."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="11."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="12."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                            provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                            voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                            verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders
                                            ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met
                                            overschrijding van de voor- en van de
                                            achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                            overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door
                                            burgemeester en wethouders worden verleend indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=besluit%20ruimtelijke%20ordening">artikel 20 Bro</extref>;</al></li><li nr="2."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het
                                                  beleid van de provincie inzake artikel 19, lid 2
                                                  WRO;</al></li><li nr="3."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming
                                                  is met in voorbereiding zijnd toekomstig
                                                  ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een
                                            ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> geregelde procedure van
                                            toepassing, met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="1."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging
                                                  eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de
                                                  aanvraag kan inbrengen;</al></li><li nr="2."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht
                                                  burgemeester en wethouders de beslissing over de
                                                  aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten
                                                  hoogste zes weken kunnen verdagen.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                            aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                            stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn
                                            aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of
                                            onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                            Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                            gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening
                                            moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                                            openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren
                                            van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                            gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te
                                            zijn voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                  ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m
                                                  bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="2."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover
                                                  die ruimte niet in de lengterichting aan een
                                                  trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                                  bedragen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding
                                                  geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte
                                                  voor het laden of lossen van goederen, moet in
                                                  deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                                  in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het
                                                  onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                                  behoort.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="1."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                  bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                  stuit; of</al></li><li nr="2."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer-
                                                  of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                                  wordt voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                            de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo
                                            snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien
                                            de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie: </al><lijst><li nr="1."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte
                                                  is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                                  van deze verordening aangegeven waarde boven het
                                                  meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="2."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer
                                                  bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                                  deze verordening aangegeven grenswaarden;</al></li><li nr="3."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                                  bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                                  bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                                  grenswaarde;</al></li><li nr="4."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit
                                                  meer bouwlagen dan in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                                  zijn aangegeven;</al></li><li nr=""><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als
                                                  bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                                  uitgave 2002.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of
                                            een woongebouw waar vanaf de toegang van een
                                            verblijfsruimte slechts in één richting kan worden
                                            gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden
                                            gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende
                                            vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                            voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                            ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van
                                            de volgende situaties: </al><lijst><li nr="1."><al>De loopafstand tussen de toegang van een
                                                  verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere
                                                  richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan
                                                  10 meter;</al></li><li nr="2."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de
                                                  ruimte waardoor slechts in één richting kan worden
                                                  gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen
                                                  verblijfsruimten is groter dan 200 m²;</al></li><li nr="3."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op
                                                  de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie
                                            als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                            uitgave 2002, is uitgevoerd als: </al><lijst><li nr="1."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="2."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="3."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel
                                                  2.6.1 van deze verordening, of</al></li><li nr="4."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                                  vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1a, b en c, in een
                                            bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt
                                            rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de
                                            brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie staat
                                            aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                            verordening .</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                            2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd
                                            overeenkomstig een door of namens burgemeester en
                                            wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld in
                                            de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave
                                            2002.</al></li><li nr="3."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2 rechtstreeks is
                                            doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is
                                            voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de
                                            Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                            Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag,
                                            dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en
                                            wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                                            onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring
                                            heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                                            gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                                            vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                                    ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                            alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke
                                            tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van
                                            bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien
                                            de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                                    ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een
                                            brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                            ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                                            uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van toepassing
                                            is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn
                                            voorzien van een automatische
                                            ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                                            uitgave 2004.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.7 Kwaliteit van
                                    ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                            ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in
                                            NEN 2575, uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                            ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                            overeenkomstig een door of namens burgemeester en
                                            wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in
                                            NEN 2575, uitgave 2004.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                            vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het
                                            bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van
                                            bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van
                                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van
                                    deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als
                                    bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al><tussenkop> Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                            vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN
                                            6088, uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                            herkenbaar aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>De in artikel 2.6.9 vermelde
                                            vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de
                                            zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en
                                            met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></li><li nr="4."><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                            gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in
                                            geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3
                                            niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=1.5">artikel 1.5 van het Bouwbesluit</extref> als
                                            gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt
                                            toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=1.5">artikel 1.5 van het Bouwbesluit</extref> als
                                            gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie
                                            wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=1.5">Bouwbesluit 2003, art. 1.5</extref> als
                                            gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig
                                            is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</tussenkop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                                    het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten
                                    bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een
                                    voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een
                                    installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners
                                    binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.119">artikel 3.119 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten
                                    zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.46">artikel 2.46 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.68">artikel 2.68 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                            aardgas: </al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand
                                                  van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                                  distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is
                                                  gelegen van de leiding van het
                                                  aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                                  kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                                  bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                                                  40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                                  lid op woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="1."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van
                                                  meer dan 500 m²;</al></li><li nr="2."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                  verhuurd;</al></li><li nr="3."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                  gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                  verwarming, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.69">artikel 2.69 van het Bouwbesluit</extref>
                                                  (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.3a (facultatief) Eis tot aansluiting aan de
                                    publieke voorziening voor verwarming</tussenkop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                    verwarming van bouwwerken, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.69">artikel 2.69 van het Bouwbesluit</extref>
                                    (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen
                                    bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                            maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                            bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                                            m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.41">artikel 3.41 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                            de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                            openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid: </al><lijst><li nr="1."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li><li nr="2."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="1."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                  binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                  aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                  gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf
                                                  of terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="2."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                  aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                  voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                                  faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te
                                                  laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het
                                                  openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> moet worden bepaald of er
                                            al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de
                                            goede werking of de goede staat van het openbaar riool,
                                            dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                            aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                                            hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of
                                            lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="1."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan
                                                  40 m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="2."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=%603.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.41">artikel 3.41 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                            de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool
                                            worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="1."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="2."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op
                                                  een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="3."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                                  overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                                                  dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                  kan optreden;</al></li><li nr="4."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen
                                                  niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien
                                            afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                            bodem en lucht mogelijk is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                            scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel
                                            mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten
                                            waterdicht zijn aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde
                                            leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet
                                            zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                                            gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of
                                            de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en
                                            de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen
                                            beerputten of rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                            mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en
                                            moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende
                                            lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                            middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht
                                            te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                            in NEN 3215, uitgave 1997.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                            leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                            hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
                                            kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten
                                            minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                            hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op
                                            erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze
                                            eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan
                                            aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in
                                            bijlage 7.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs
                                    de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het
                                    dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                                    moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                    bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 - De melding</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 - Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=59">artikel 59 van de Woningwet</extref> de bouwvergunning geheel
                                of gedeeltelijk intrekken, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                        gemaakt;</al></li><li nr="2."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><structuurtekst><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="2."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="3."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="4."><al>een besluit ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=13">artikel 13 Woningwet</extref>, dan wel een besluit tot
                                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                        dwangsom.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                                (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend
                                mag - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning
                                bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester
                                en wethouders voor zover nodig:</al><lijst><li nr="1."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="2."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein
                                        zijn uitgezet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken
                                        waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het
                                        bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning - ten
                                        minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                        noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                        gesteld: </al><lijst><li nr="1."><al>de aanvang der werkzaamheden,
                                                ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li><li nr="2."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen,
                                                het slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="3."><al>de aanvang van de
                                                grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in
                                        kennis te worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen
                                        moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><structuurtekst><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de
                                naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig
                                acht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                                ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een
                                zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een
                                verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
                                waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast
                                op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in
                                        verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer
                                        zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen
                                        ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de
                                        weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open
                                        erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                        uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -
                                        rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="1."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve
                                                van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun
                                                geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het
                                                weer in gebruik stellen van de installaties door
                                                anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                                meer mogelijk is;</al></li><li nr="2."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                                zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen
                                                daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                                                daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                                                gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                        elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                        elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de
                                        omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg
                                        te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen
                                        zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                        dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                        doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                        open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of
                                        hinder te duchten is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                        geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk
                                        hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en
                                        andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door
                                        wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                        en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of
                                        terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt
                                        gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet
                                        nodig acht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                        transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                        kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van
                                        goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                                        verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk
                                        een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor
                                        gevaar voor de omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een
                                        werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving
                                        veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor
                                        een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="1."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                                en/of</al></li><li nr="2."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="3."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                                niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                        toepassing indien en voor zover het betreft nadelige
                                        gevolgen voor het milieu waarop de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde
                                        milieuwet van toepassing is.</al></li><li nr="6."><al>In het algemeen is het niet wenselijk om geluidsapparaten in
                                        werking te hebben of handelingen te verrichten op een
                                        zodanige wijze dat voor omwonenden geluidshinder wordt
                                        veroorzaakt; </al><lijst><li nr="1."><al>het veroorzaken van geluidshinder op zon- en
                                                feestdagen is niet toegestaan;</al></li><li nr="2."><al>het veroorzaken van geluidshinder buiten de
                                                dagperiode, durend van 07.00 tot 19.00 uur, is
                                                zonder voorafgaande toestemming van burgemeester en
                                                wethouders niet toegestaan. Deze toestemming dient
                                                minimaal veertien dagen voor aanvang van de
                                                werkzaamheden schriftelijk te worden
                                                aangevraagd;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>in daarvoor in aanmerking komende gevallen kan, na een
                                        schriftelijk verzoek gedaan minimaal veertien dagen voor
                                        aanvang van de werkzaamheden, door burgemeester en
                                        wethouders toestemming worden gegeven, waardoor het mogelijk
                                        is om in de avondperiode, durend van 19.00 tot 23.00 uur,
                                        specifieke geluidshinderveroorzakende werkzaamheden in
                                        uitvoering te nemen;</al></li><li nr="4."><al>het veroorzaken van geluidshinder in de nachtperiode, durend
                                        van 23.00 tot 07.00 uur,en op zon- en feestdagen, is slechts
                                        bij hoge uitzondering en uitsluitend in gevallen dat er een
                                        zwaarwegend algemeen belang is, mogelijk na een daartoe
                                        strekkend schriftelijk verzoek, gedaan minimaal vier weken
                                        voor aanvang van de werkzaamheden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden
                                        gescheiden in de volgende fracties: </al><lijst><li nr="1."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="2."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="3."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="4."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en
                                        c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                        bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container
                                        van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                        verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                                        tijdelijke opslag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen </al><lijst><li nr="1."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen
                                                van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en
                                                mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                                straatpeil;</al></li><li nr="2."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                                alsmede van de thermische isolatie in andere
                                                besloten constructies, moet het bouwtoezicht
                                                onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                                gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid
                                        betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het
                                        bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee
                                        dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige
                                        toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in
                                        de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht
                                        tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden,
                                        waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde
                                        van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-,
                                        metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het
                                        bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het
                                        desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te
                                        treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="2."><al>het verkrijgen van een goede binding en
                                                verharding;</al></li><li nr="3."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                                voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog
                                                onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden
                                                2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        plaatsvinden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 - Staat van open erven en terreinen,
                            brandveiligheid-installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                            weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband
                                            met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud
                                            bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen
                                            opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de
                                            gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen,
                                            ten gevolge van:</al></li><li nr="1."><al>drassigheid;</al></li><li nr="2."><al>stank;</al></li><li nr="3."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="4."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="5."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 5 meter is
                                            verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                            tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig
                                            zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                            ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                            verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="1."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over
                                                  een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en
                                                  een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben
                                                  van ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="2."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li><li nr="3."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning
                                            is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                            hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="1."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</extref></al></li><li nr="2."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>; en
                                                  anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij: </al><lijst><li nr="1."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="2."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan
                                                  0,85 m; en</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.39">artikelen 2.39</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.40">2.40 van het Bouwbesluit</extref>.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheids-installaties en luchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties
                                    in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen,
                                    logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in kantoorgebouwen (vervallen)</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.123">artikelen 3.123</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.124">3.124 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                                    aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.52">artikel 2.52 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.72">artikel 2.72 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                    het openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="2."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.</al></li><li nr="Niet"><al>van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="1."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="2."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer
                                                  dan 500 m²;</al></li><li nr="3."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="4."><al>woningen met een aansluiting op het
                                                  stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=3.36">artikel 3.36 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze
                                            zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="1."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li><li nr="2."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40
                                                  m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="4."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                    gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                            een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                            aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="2."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                            zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                            doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                            alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                            toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                            wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="3."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="4."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</tussenkop><tussenkop> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</tussenkop><tussenkop> Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs
                                    de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het
                                    dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                                    moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                    bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte.</titel></kop><structuurtekst><al>Reinheid</al><tussenkop> Artikel 5.4.1 Preventie</tussenkop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 - Brandveilig gebruik</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een
                                            bouwwerk in gebruik te hebben of te houden waarin,: </al><lijst><li nr="1."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig
                                                  zullen zijn, anders dan in een één- of
                                                  meergezinshuis;</al></li><li nr="2."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in
                                                  het kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                  verschaft;</al></li><li nr="3."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf
                                                  jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of
                                                  verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden
                                                  verschaft.</al></li><li nr="4."><al>de grootte van een brandcompartiment c.q. de
                                                  daarin te stellen eisen is bepaald op basis van
                                                  gelijkwaardigheid als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=1.5">artikel 1.5 van het Bouwbesluit</extref>. (zoals
                                                  door toepassing van het brandveiligheidsconcept
                                                  “beheersbaarheid van brand”, uitgegeven door het
                                                  Ministerie van Binnenlandse Zaken en
                                                  Koninkrijkrelaties.)</al></li><li nr="5."><al>vijf of meer personen, geen gezinsleden, wonen
                                                  in onzelfstandige woonruimtes als bedoeld in
                                                  hoofdstuk 7.7 van deze verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de
                                            gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het
                                            belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van
                                            brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en
                                            beperken van ongevallen bij brand.</al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                            vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde
                                            voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                            overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze
                                            verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager
                                            gebruik maken van de door of namens burgemeester en
                                            wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze
                                            aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen
                                            aan de eisen van de in het eerste lid genoemde
                                            bijlage.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            3 voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien
                                            zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein
                                            of op met elkaar samenhangende terreinen.</al></li><li nr="6."><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende
                                            bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde
                                            worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.</al></li><li nr="7."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van
                                            een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                            daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                                            toestand duidelijk blijken.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                            wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                            uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                            vermeld.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel
                                        6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die
                                    gelden ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A2">4:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> stellen
                                    burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de
                                    door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><tussenkop> Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag
                                            voor een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na
                                            ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor
                                            ten hoogste zes weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede
                                            lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                            indien: </al><lijst><li nr="1."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is
                                                  vereist en zij over die vergunning nog niet hebben
                                                  beslist;</al></li><li nr="2."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot
                                                  toepassing van bestuurdwang of opleggen van een
                                                  last onder dwangsom dan wel een besluit ingevolge
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref> is genomen
                                                  wegens strijd met de voorschriften van het
                                                  Bouwbesluit, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=1b">artikel 1b van de Woningwet</extref>, en deze
                                                  binnen de in het eerste lid vermelde termijn is
                                                  verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                                  voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes
                                            weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning
                                            als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel
                                            nadat is voldaan aan het besluit als bedoeld onder
                                            letter b van het derde lid en burgemeester en wethouders
                                            hiervan in kennis zijn gesteld.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</tussenkop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                    volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="1."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                            bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie
                                            niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en
                                            door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende
                                            brandveilig gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="2."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                            intrekken indien: </al><lijst><li nr="1."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van
                                                  onjuiste of onvolledige gegevens hebben
                                                  verleend;</al></li><li nr="2."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet
                                                  heeft voldaan aan een voorwaarde van de
                                                  vergunning;</al></li><li nr="3."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt
                                                  binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van
                                                  de vergunning;</al></li><li nr="4."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26
                                                  weken of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="5."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend
                                                  dit vereist op grond van een verandering van de
                                                  inzichten en/of verandering van de omstandigheden
                                                  gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                                  verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk
                                                  blijkt door het stellen of wijzigen van
                                                  voorwaarden dat belang voldoende te
                                                  beschermen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking
                                            dan nadat zij de houder van de vergunning hebben
                                            gehoord.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                    gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning
                                    aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met
                                    de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden
                                    gegeven.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met
                                            de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage
                                            3 bij deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het
                                            verboden een bouwwerk, met uitzondering van de
                                            niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, te
                                            gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
                                            onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                            verordening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                        brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van
                                                de betreffende stoffen niet wordt overschreden, met
                                                dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid
                                                van de eerste zes rijen honderd kilogram of liter
                                                is,</al></li><li nr="2."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt </al><lijst><li nr="•"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling
                                                  bestand is, en</al></li><li nr="•"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de
                                                  verpakking kan ontsnappen, en</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming
                                                van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding
                                                (R- en S-zinnen).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                        op: </al><lijst><li nr="1."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                                verbandingsmotor;</al></li><li nr="2."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings-
                                                of een ander warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="3."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken,
                                                en</al></li><li nr="4."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in
                                                bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                                betreffende stof voor zover dat bij of krachtens de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieuberheer">Wet Milieubeheer</extref> is toegestaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede
                                        lid onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                        vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                        bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen(vervallen)</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
                                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</tussenkop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te
                                    plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of
                                    de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="1."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij
                                            en bestrijding van brand;</al></li><li nr="2."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding
                                            van personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                                    brandveiligheid</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen
                                        6.1.1 tot en met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk
                                    of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen,
                                    te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten
                                    of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="1."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            rook, roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="2."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="3."><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft hinder, terzake waarvan de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde wet
                                    van toepassing is.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 - Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Overbevolking</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat
                                    een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                    gebruiksoppervlakte.</al><tussenkop> Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                                    woonketen</tussenkop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                    bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk
                                    een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                                    gebruiksoppervlakte.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</tussenkop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                    terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                    burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk
                                    is in verband met:</al><lijst><li nr="1."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="2."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                            bouwwerk.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne</tussenkop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen
                                    het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                    aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën,
                                    het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken
                                    over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over
                                    gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een
                                    onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en
                                    wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al><tussenkop> Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</tussenkop><al>Indien in een besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref> is bepaald dat het
                                    gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet
                                    worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten
                                    dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn
                                    gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                    van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                    voorzieningen niet functioneren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.3.1 (vervallen)</tussenkop><tussenkop> Artikel 7.3.2 Hinder</tussenkop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                    terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                    hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen
                                    te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="1."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                            gebruikers van het bouwwerk, het open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="2."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt
                                            verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en
                                            trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of
                                            door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                            verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="3."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde wet
                                    van toepassing is.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.4.1 Preventie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                            geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                            bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                            worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                            hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester
                                    en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk
                                    wordt geacht, te gebruiken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 6 Installaties</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit
                                    en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten
                                    in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd
                                    gebruik kan worden gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 7 Kamerbewoning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.7.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al>onzelfstandige woonruimte: woonruimte die door één
                                            huishouden wordt bewoond en die afhankelijk is van
                                            gezamenlijke wezenlijke voorzieningen (als keuken,
                                            douche, toilet) buiten die woonruimte;</al></li><li nr="2."><al>kamerbewoningpand: een pand waarin zich meer dan twee
                                            onzelfstandige woonruimtes bevinden;</al></li><li nr="3."><al>exploitant: hij die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                            beheerder of anderszins een pand als omschreven onder b
                                            exploiteert, doet of laat exploiteren.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.2 Vergunning kamerbewoning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een kamerbewoningpand in gebruik te
                                            nemen, geven, hebben of te houden zonder of in afwijking
                                            van een vergunning van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning is persoonsgebonden en niet
                                            overdraagbaar.</al></li><li nr="3."><al>Voor een kamerbewoningpand dat
                                            gebruiksvergunningplichtig is op grond van artikel 6.1.1. van deze verordening, geldt
                                            tevens hoofdstuk 6 van deze verordening. De aanvraag om
                                            gebruiksvergunning is een geïntegreerd onderdeel van de
                                            aanvraag om vergunning kamerbewoning.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen categorieën
                                            kamerbewoningpanden vrijstellen van de vergunningplicht
                                            omdat de belangen tot behartiging waarvan de
                                            vergunningplicht is ingesteld op andere wijze afdoende
                                            worden gediend. Het besluit tot vrijstelling is met
                                            redenen omkleed, wordt algemeen bekendgemaakt en wordt
                                            ter kennisname van de gemeenteraad gebracht.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.3 Gebruikseisen en algemene regels</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een kamerbewoningpand te gebruiken in
                                            strijd met de gebruikseisen die zijn gesteld in bijlage
                                            3 bij deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders stellen algemene regels vast
                                            die voor de veiligheid, de gezondheid, de reinheid en
                                            hygiëne in en rondom kamerbewoningpanden noodzakelijk
                                            zijn.</al></li><li nr="3."><al>Deze algemene regels worden opgenomen in bijlage 14 van
                                            de ze verordening.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan gemotiveerd ontheffing verlenen van de
                                            algemene regels</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.4 Aanvraag vergunning kamerbewoning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag dient te worden gedaan door de
                                            exploitant.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag moeten gegevens en bescheiden worden
                                            overgelegd die zijn opgesomd in bijlage 13 van deze
                                            verordening.</al></li><li nr="3."><al>Voor een kamerbewoningpand dat
                                            gebruiksvergunningplichtig is op grond van artikel 6.1.1. van deze verordening dient
                                            de aanvraag om vergunning kamerbewoning tevens te
                                            voldoen aan het bepaalde bij of krachtens <extref doc="http://uithoorn.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-6-1-2-aanvraag-gebruiksvergunning">artikel 6.1.2</extref>. van deze verordening. Voor
                                            zover de eisen op grond van artikel 6.1.2. van deze verordening niet
                                            overeenstemmen met de bepalingen van de overige leden
                                            van artikel 7.7.4 van deze verordening gelden
                                            de strengste eisen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van
                                            een bestaande situatie moet uit de aanvraag en de
                                            daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                                            toestand duidelijk blijken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.5 Termijn van beslissing</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om
                                            vergunning binnen twaalf weken na de dag van ontvangst
                                            van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen deze beslissing
                                            eenmaal voor ten hoogste twaalf weken verdagen. De
                                            beslissing wordt alleen verdaagd als de complexiteit van
                                            de aanvraag dat noodzakelijk maakt.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid houden
                                            burgemeester en wethouders de beslissing aan indien voor
                                            een kamerbewoningpand: </al><lijst><li nr="1."><al>een bouwvergunning is vereist en op de aanvraag
                                                  nog niet is beslist;</al></li><li nr="2."><al>een vrijstelling van het geldende
                                                  bestemmingsplan is vereist en op die aanvraag nog
                                                  niet is beslist;</al></li><li nr="3."><al>een vergunning tot woonruimte-onttrekking op
                                                  grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=huisvestingswet">Huisvestingswet</extref> is vereist en op die
                                                  aanvraag nog niet is beslist;</al></li><li nr="4."><al>een aanvraag op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=14">artikel 14 e.v. Woningwet</extref> is uitgegaan,
                                                  deze aanschrijving voor het eind van de in lid 1
                                                  vermelde beslistermijn is verzonden en aan die
                                                  aanschrijving nog niet is voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="3a."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> (positieve fictieve
                                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                            toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes
                                            weken nadat is beslist op de onder a tot en met d
                                            bedoelde aanvragen. De aanhouding eindigt eveneens zes
                                            weken nadat is voldaan aan de onder e bedoelde
                                            aanschrijving op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet">Woningwet</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.6 Weigering vergunning kamerbewoning</tussenkop><al>De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als:</al><lijst><li nr="1."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van
                                            kamerbewoningpand niet voldoet aan de geldende
                                            gebruikseisen en algemene regels;</al></li><li nr="2."><al>de benodigde bouwvergunning of vrijstelling van het
                                            geldende bestemmingsplan is geweigerd of het duidelijk
                                            is dat deze vergunning of vrijstelling niet kan worden
                                            verleend;</al></li><li nr="3."><al>de benodigde vergunning tot woonruimte-onttrekking is
                                            geweigerd;</al></li><li nr="4."><al>vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
                                            verlening van de vergunning zou leiden tot een
                                            ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en
                                            leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de
                                            aanvraag betrekking heeft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.7 Geldigheidsduur van de vergunning
                                    kamerbewoning</tussenkop><al>De vergunning vervalt als de persoon van de exploitant, de wijze
                                    van exploiteren, de indeling of de bezettingsgraad van het
                                    kamerbewoningspand zich wijzigt zonder dat hiervoor een
                                    wijzigingsvergunning is verleend.</al><tussenkop> Artikel 7.7.8 Wijziging van de vergunning
                                    kamerbewoning</tussenkop><al>De exploitant kan het college verzoeken de vergunning te
                                    wijzigen (wijzigingsvergunning). De procedure voor het verlenen
                                    van de wijzigingsvergunning is gelijk aan die voor het verlenen
                                    van de vergunning.</al><tussenkop> Artikel 7.7.9 Voorwaarden en voorschriften vergunning
                                    kamerbewoning</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning onder
                                    voorwaarden verlenen en aan de vergunning voorschriften
                                    verbinden. De voorwaarden en voorschriften dienen noodzakelijk
                                    te zijn ter behartiging van de belangen in verband waarmee de
                                    vergunning is vereist.</al><tussenkop> Artikel 7.7.10 Intrekken vergunning kamerbewoning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning
                                            intrekken indien: </al><lijst><li nr="1."><al>blijkt dat zij de vergunning op basis van
                                                  onjuiste of onvolledige gegevens hebben
                                                  verleend;</al></li><li nr="2."><al>blijkt dat niet wordt voldaan een de
                                                  gebruikseisen, algemene regels, voorwaarden en/of
                                                  voorschriften die voor het betrokken
                                                  kamerbewoningpand geldt;</al></li><li nr="3."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt
                                                  binnen 26 weken na het onherroepelijk worden
                                                  daarvan of het gebruik van de vergunning gedurende
                                                  een periode van 26 weken of langer gestaakt
                                                  wordt;</al></li><li nr="4."><al>de belangen in verband waarmee de vergunning is
                                                  vereist dit noodzakelijk maken wegens een
                                                  verandering van de technische inzichten en/of
                                                  verandering van omstandigheden;</al></li><li nr="5."><al>de vergunning tot woonruimte-onttrekking, de
                                                  bouwvergunning of de toestemming tot
                                                  gebruikswijziging inzake het bestemmingsplan is
                                                  ingetrokken;</al></li><li nr="6."><al>de indeling van een gedeelte van het
                                                  kamerbewoningpand wordt veranderd;</al></li><li nr="7."><al>de tot het kamerbewoningpand behorende
                                                  installaties of voorzieningen worden
                                                  veranderd;</al></li><li nr="8."><al>het aantal bewoners van het kamerbewoningpand
                                                  wijzigt;</al></li><li nr="9."><al>burgemeester en wethouders het kamerbewoningpand
                                                  onbewoonbaar hebben verklaard;</al></li><li nr="10."><al>burgemeester en wethouders overgaan tot
                                                  aanschrijving krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet">Woningwet</extref> van het
                                                  kamerbewoningpand;</al></li><li nr="11."><al>vaststaat of redelijkerwijs moet worden
                                                  aangenomen dat handhaving van de vergunning
                                                  kamerbewoning zou leiden tot ernstig verstoring
                                                  van het geordend woon- en leefmilieu in de
                                                  omgeving van het gebouw waarop de vergunning
                                                  kamerbewoning betrekking heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking
                                            dan nadat zij de houder van de vergunning heeft
                                            gehoord.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.7.11 Verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>De exploitant is verplicht om het certificaat van de vergunning
                                    met de daarbij behorende richtlijnen goed zichtbaar op te hangen
                                    in de entreehal van het kamerbewoningpand waarop de vergunning
                                    betrekking heeft.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 - Slopen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Sloopvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                            daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van
                                            een vergunning van burgemeester en wethouders
                                            (sloopvergunning).</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                            indien naar redelijke schatting de hoeveelheid
                                            sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m³, tenzij het
                                            slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts
                                            is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                            besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref>, dan wel een
                                            besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                            van een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders
                                            kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld
                                            in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de
                                            sloopvergunning slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="1."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="2."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="3."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                  houden van het sloopafval, ten minste inhoudende
                                                  een scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                  gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al></li><li nr="4."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                  overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c,
                                                  voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                                  overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                            derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent
                                            het selectief slopen, de fracties waarin wordt
                                            gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en
                                            het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval
                                            op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders
                                            verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot
                                            asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                            daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                            termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt
                                            niet indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een
                                            seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over
                                            het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in
                                            het zesde lid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=45%20">artikel 45 van de Woningwet</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager
                                            gebruikmaken van een door of vanwege burgemeester en
                                            wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag moet inhouden: </al><lijst><li nr="1."><al>correspondentieadres van de aanvrager in
                                                  Nederland;</al></li><li nr="2."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam
                                                  en adres;</al></li><li nr="3."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal
                                                  worden belast;</al></li><li nr="4."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop
                                                  zich het te slopen bouwwerk bevindt en het
                                                  huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                                                  sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering
                                                  van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                                  hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde
                                                  kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                                  desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                                  ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="5."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een
                                                  bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking
                                                  hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                                                  gesloopt;</al></li><li nr="6."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te
                                                  slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is
                                                  gebezigd;</al></li><li nr="7."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal
                                                  worden aangevraagd voor een op het perceel van het
                                                  te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van
                                                  het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit
                                                  te breiden bouwwerk;</al></li><li nr="8."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen
                                                  zal plaatsvinden; en voorts, indien van
                                                  toepassing:</al></li><li nr="9."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te
                                            slopen bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed
                                            aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de
                                            volgende gegevens wordt overgelegd: </al><lijst><li nr="1."><al>een afschrift van een
                                                  asbestinventarisatieonderzoek, uitgevoerd door een
                                                  deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt
                                                  dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk
                                                  bevindt;</al></li><li nr="2."><al>een asbestonderzoeksrapport dat is opgesteld
                                                  vóór de datum van verwerking in de gemeentelijke
                                                  bouwverordening van de vierde serie wijzigingen
                                                  van de Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997
                                                  (*)en dat voldoet aan de eisen in BRL 5052,
                                                  uitgave 1998 waaruit blijkt dat er zich geen
                                                  asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien
                                                  het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                                                  vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke
                                                  verklaring van de aanvrager te worden overgelegd
                                                  dat er geen veranderingen van het te slopen
                                                  bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij
                                                  asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al></li><li nr="(*)"><al>Voor Uithoorn geldt hier als datum 7 november
                                                  1997.</al></li><li nr="3."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen
                                                  bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994;</al></li><li nr="4."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                                  materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot
                                                  bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een
                                                  schriftelijke verklaring van de bouwer van het te
                                                  slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft
                                                  toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring
                                                  van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de
                                                  bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden,
                                                  waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                                  toegepast;</al></li><li nr="5."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een
                                                  schriftelijke verklaring van de fabrikant of de
                                                  leverancier dat het te slopen materiaal geen
                                                  asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring
                                                  van de aanvrager dat het materiaal van deze
                                                  fabrikant of leverancier afkomstig is;</al></li><li nr="6."><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de
                                                  aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat het
                                                  bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in
                                                  vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt
                                                  die dit vermoeden naar het oordeel van
                                                  burgemeester en wethouders voldoende
                                                  weerleggen</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het
                                            bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of
                                            redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest
                                            bevindt wordt met een asbestinventarisatierapport van
                                            een deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo
                                            ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                            asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                                            wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens
                                            worden overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is,
                                            en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan deze eis
                                            wordt geacht te zijn voldaan indien </al><lijst><li nr="1."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend
                                                  betrekking heeft op het verwijderen van asbest op
                                                  in de aanvraag aangeduide plaatsen, of</al></li><li nr="2."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid
                                                  3, onder b bij de aanvraag is gevoegd.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten
                                            valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen
                                            gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als
                                            gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van
                                            de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                            afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.
                                            159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld
                                            naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                            rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag
                                            om sloopvergunning worden gevoegd.</al></li><li nr="6."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            2 voud worden ingediend.</al></li><li nr="7."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="8."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien
                                            zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein
                                            of op met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien
                                            zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan
                                            één bouwwerk in het kader van hetzelfde project.</al></li><li nr="9."><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende
                                            bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde
                                            ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al></li><li nr="10."><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een
                                            bouwwerk betreft, moeten uit de aanvraag en de
                                            daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                                            toestand duidelijk blijken.</al></li><li nr="11."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                            wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                            uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                            vermeld.</al></li><li nr="12."><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding
                                            van het voornemen tot slopen voor zover dit slopen
                                            betrekking heeft op asbest.</al></li><li nr="13."><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden
                                            waarvoor geen sloopvergunning is vereist wordt, voor
                                            zover dit slopen betrekking heeft op asbest, aangemerkt
                                            als melding als bedoeld in artikel
                                                8.2.1.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan
                                            de bij of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de
                                            eisen die gelden ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> en 4:2 van de Algemene wet
                                            bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de
                                            aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te geven
                                            ontbrekende gegevens over te leggen.binnen een door hen
                                            te stellen termijn.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de
                                            gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag
                                            om sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van
                                            de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten
                                            hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun
                                            besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan
                                            de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid
                                            beslissen burgemeester en wethouders over een aanvraag
                                            om sloopvergunning binnen vier weken na de dag waarop de
                                            aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het
                                            slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of
                                            asbesthoudende producten uit een bouwwerk te
                                            verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede
                                            lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                            indien een vergunning krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=monumentenwet%201988/article=11">artikel 11</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=monumentenwet%201988/article=37">artikel 37 van de Monumentenwet</extref> 1988, een
                                            provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening,
                                            een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                                            stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor
                                            het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                            niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na
                                            bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen
                                            wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                                            beslissing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                            sloopwerkzaamheden in het kader van het vernieuwen, het
                                            veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor
                                            tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de
                                            aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide
                                            aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden
                                            verlangd - worden verwezen naar die bescheiden en
                                            gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om
                                            bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet
                                            nogmaals te worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel
                                                8.1.4 volgt de beslissing op de aanvraag om
                                            sloopvergunning de procedure van de beslissing op de
                                            aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide
                                            aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</tussenkop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="2."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="3."><al>een vergunning ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> of een provinciale of
                                            een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en
                                            deze niet is verleend;</al></li><li nr="4."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op
                                            grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is
                                            vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="5."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of
                                            op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en
                                            deze niet is verleend.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning
                                            intrekken indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning is verleend tengevolge van
                                                  onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="2."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van
                                                  de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden
                                                  is gemaakt;</al></li><li nr="3."><al>tussen het begin en het einde van de
                                                  sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan
                                                  een aaneengesloten periode van 26 weken
                                                  stilliggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking
                                            dan nadat zij de houder van de vergunning hebben
                                            gehoord.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van <extref doc="http://uithoorn.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-1-sloopvergunning">artikel 8.1.1, eerste lid,</extref> is geen
                                            sloopvergunning vereist voor het anders dan in de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                            slopen van: </al><lijst><li nr="1."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de
                                                  asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                  dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                  die woning staand bijgebouw, voorzover de woning
                                                  of het bijgebouw niet in het kader van de
                                                  uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                  gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                  en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                  asbesthoudende platen maximaal vijfendertig
                                                  vierkante meter per kadastraal perceel
                                                  bedraagt;</al></li><li nr="2."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                  asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                                  uit een op het erf van die woning staand
                                                  bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                                  niet in het kader van de uitoefening van een
                                                  beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn
                                                  voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                                  te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                                  vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter
                                                  per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr=""><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij
                                                  burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                                  wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit
                                                  is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning
                                                  is vereist.</al></li><li nr=""><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een
                                                  woonkeet, woonwagen of logiesverblijf</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid
                                            moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of
                                            namens burgemeester en wethouders vastgesteld
                                            formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            2 voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het
                                            adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of
                                            namens burgemeester en wethouders een bewijs van
                                            ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                            ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                            bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde
                                            termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege
                                            gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                            bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                            betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                            asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste
                                            of het zevende lid is verplicht de voorschriften,
                                            bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die
                                            bij of krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=asbestverwijderingsbesluit%202005/article=7">artikelen 7</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=8%20">8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>
                                            zijn gesteld, in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest
                                            door sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                            eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel
                                            gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders
                                            degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om
                                            binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                            gegevens over te leggen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</tussenkop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                    sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het
                                    kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                    gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="1."><al>Geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="2."><al>Verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                            constructie van kassen;</al></li><li nr="3."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="4."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren</al></li><li nr="5."><al>Pakkingen uit procesinstallaties onderscheidelijk
                                            verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat
                                            lager is dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</tussenkop><al>Het bepaalde in de artikelen
                                        4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                                    toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><tussenkop> Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</tussenkop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                    bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al><tussenkop> Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor
                                            zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                            deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van
                                            de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf
                                            dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                            uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één
                                            week voorafgaande aan de aanvang van het slopen,
                                            burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van
                                            de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                                            betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee
                                            weken na de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester
                                            en wethouders een afschrift van de resultaten van de
                                            eindbeoordeling, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=9">artikel , eerste lid van het
                                                Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is
                                            verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                            slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt
                                            verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw-
                                            en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van
                                            tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                            gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                            sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                                            Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde
                                            meldingen schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in
                                            een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat
                                            het bouwwerk wordt gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste
                                            bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging
                                            van het milieu met asbest te voorkomen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen (Vervallen)</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                            vergunning krachtens artikel
                                                8.1.1, noch een melding krachtens artikel
                                                8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                            worden gescheiden in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="1."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                  hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                  Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr.
                                                  17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="2."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                  gips;</al></li><li nr="3."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="4."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="5."><al>asfalt;</al></li><li nr="6."><al>dakgrind;</al></li><li nr="7."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a
                                            tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden
                                            worden gehouden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 9 - Welstand</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                                        opgedragen aan de Stichting Welstandszorg Noord-Holland die
                                        uit haar midden personen voordraagt als lid van de
                                        welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten
                                        van aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                        licht-vergunningplichtige bouwwerken (voor zover deze niet
                                        vallen onder het derde lid) als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44, eerste lid onder d</extref> respectievelijk
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44, derde lid</extref> juncto eerste lid onder
                                        d van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet">Woningwet</extref>. De welstandscommissie baseert haar
                                        advies op de in de welstandsnota genoemde
                                        welstandscriteria.;</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                                        welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken
                                        waarvoor in de welstandsnota sneltoetscriteria zijn
                                        opgenomen, niet in strijd zijn met redelijke eisen van
                                        welstand. Burgemeester en wethouders baseren hun standpunt
                                        op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria .
                                        Tevens kan van deze mogelijkheid gebruikt worden gemaakt
                                        indien voor identiek bouwwerk in een soortgelijke situatie
                                        eerder een positief welstandsadvies is gegeven (de zogeheten
                                        herhalingsplannen).</al></li><li nr="4."><al>Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in de voorgaande leden, een nadere
                                        taakomschrijving van de welstandscommissie.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat uit ten minste 3 leden,
                                        waaronder een voorzitter en twee architectleden die
                                        deskundig zijn op het gebied van de architectuur.</al></li><li nr="2."><al>Voor de voorzitter en de architectleden worden bij
                                        structurele afwezigheid, plaatsvervangers benoemd die hen
                                        kunnen vervangen. De voorzitter en de architectleden worden
                                        bij incidentele afwezigheid vervangen door een
                                        gekwalificeerde vervanger uit één van de overige onder de
                                        Stichting Welstandszorg Noord-Holland ressorterende
                                        welstandscommissies.</al></li><li nr="3."><al>De welstandcommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                                        ten minste 3 leden of hun vervangers aanwezig zijn en
                                        waarvan ten minste twee leden of hun vervangers beschikken
                                        over deskundigheid op het gebied van de architectuur.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter en de leden van de welstandcommissie zijn
                                        onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een
                                        plantoelichter of diens plaatsvervanger.</al></li><li nr="6."><al>In de welstandscommissie kunnen maximaal twee aanvullende
                                        leden anders als bedoeld in het eerste lid zitting
                                        hebben.</al></li><li nr="7."><al>Het reglement van de orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in de voorgaande leden, nadere profielschetsen
                                        van de commissieleden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De leden van de welstandscommissie en, indien aan de orde,
                                        hun plaatsvervangers bij structurele verhindering, worden op
                                        voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en
                                        ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor
                                        een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                        worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie
                                        jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in de voorgaande leden, nadere
                                        benoemingsprocedures.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><structuurtekst><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                                komt:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><lijst><li nr="•"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                                  welstandscriteria uit de welstandsnota;</al></li><li nr="•"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="•"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de
                                                  openbaarheid van vergaderen;</al></li><li nr="•"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="•"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst></li><li nr="De"><al>welstandscommissie kan in haar jaarverslag
                                                aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk
                                                ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                                                aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                                bijzonder.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om
                                        een lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door
                                        of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door
                                        of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie
                                        weken nadat door of namens burgmeester en wethouders daarom
                                        is verzocht.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies
                                        de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                        bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het
                                        uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan
                                        door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                                        termijn van afdoening van de aanvraag om: </al><lijst><li nr="1."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub a van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van zes
                                                weken;</al></li><li nr="2."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub b van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van twaalf
                                                weken;</al></li><li nr="3."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub c van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van zes
                                                weken.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                        openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                        welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                        overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                                        Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek
                                        van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                        klemmende redenen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                        beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                        indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht,
                                        wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                        gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                        bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                        bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                        behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht.</al></li><li nr="5."><al>Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in het voorgaande lid, nadere bepalingen over
                                        de openbaarheid van vergaderen en de mondelinge
                                        toelichting.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                        advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als
                                        bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44, eerste lid onder d van de
                                            Woningwet</extref> mandateren aan een of meerdere
                                        daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                        en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                        worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan
                                        als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
                                        Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek
                                        van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                        klemmende redenen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een
                                        bouwplan voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in
                                        strijd is met redelijke eisen van welstand mandateren aan
                                        een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien in de
                                        welstandsnota voor de verschillende categorieën licht
                                        vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn
                                        opgenomen. Tevens kan van deze mogelijkheid gebruik worden
                                        gemaakt indien voor een identiek bouwwerk in een
                                        soortgelijke situatie eerder een positief welstandsadvies is
                                        gegeven (de zogeheten herhalingsplannen).</al></li><li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet
                                        voldoet aan de betreffende welstandscriteria, leggen
                                        burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="6."><al>Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in het voorgaande lid, nadere bepalingen over
                                        de afdoening bij mandaat.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                        schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                        bouwvergunning.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde voor de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in het voorgaande lid, nadere bepalingen over
                                        de vorm waarin het advies wordt uitgebracht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=12">artikel 12 van de Woningwet</extref> het voornemen
                                        heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken
                                        of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt
                                        de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst><li nr="1."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="2."><al>het advies van de welstandscommissie is
                                                ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                        wijze voorzien in de krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=150">artike150 Gemeentewet</extref> vastgestelde
                                        verordening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 10 - Overige administratieve bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=60">artikel 60 van de Woningwet</extref> moeten worden vermeld de
                                plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het
                                laatstelijk is gebruikt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><structuurtekst><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning,
                                de woonvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=60">artikel 60 van de Woningwet</extref>, de gebruiksvergunning als
                                bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld
                                in artikel
                                    8.1.1 op aanvraag van degene op wiens naam de
                                vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                                overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de
                                vergunning is gesteld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                                herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                                praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze
                                verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen -
                                wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm,
                                voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of
                                vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 11 - Handhaving</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 12 - Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig
                                bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning
                                indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve
                                bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5
                                bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en
                                wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet
                                meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet
                                van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van
                                een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                                Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                                grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=40">artikel 40 van de Woningwet</extref> eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                                (Vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die
                                        waarop zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr=""><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt
                                        tegelijkertijd de eerder vastgestelde Bouwverordening
                                        Uithoorn 2007</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening
                                        Uithoorn 2007-1”</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van Uithoorn van ?? maart 2007 nr. ?????</ondertekening><ondertekening>De griffier (plv.) De voorzitter.</ondertekening><ondertekening>(Joh.A. Pot) (mevr. H.L. Groen)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 1 - Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn
                    verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting</al><al>Besluit indieningsvereisten</al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning. (Stb. 2002, 409 en
                    gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen
                    meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de
                    opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen
                    gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.</al><al>Besluit bouwwerken</al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                    wetstekst zelf naar dit besluit. (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003, 315
                    en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de
                    mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                    uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                    zijn.</al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al><al>Bouwbesluit</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht aan
                    burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                    Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet
                    bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en handhaving
                    ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en brengt geen
                    verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de
                    gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het
                    takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op grond van het nieuwe
                    artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en wethouders degenen aan die belast
                    zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar
                    NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële
                    regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).</al><al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking,
                    hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de bouwverordening.</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                    Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om
                    bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                    gebruiksoppervlakten.</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                    jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV
                    gehandhaafd.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                    ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de
                    Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de
                    Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.</al><al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                    rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                    meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43
                    van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken
                    als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.</al><al>Deskundig bedrijf</al><al>‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Hechtgebonden asbest (vervallen)</al><al>Wat is bouwvergunningvrij bouwen?</al><al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van
                    de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is
                    opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                    bouwwerken is komen te vervallen.</al><al>De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                    43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht
                    van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de
                    met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit
                    bouwwerken.</al><al>Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?</al><al>De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                    de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien
                    is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen
                    onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Bouwplannen
                    waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden
                    getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de
                    eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voorzover
                    van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.</al><al>Wat betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan
                    de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.</al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke
                    verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald.
                    Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene
                    termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht,
                    die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied buiten de
                    bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer
                    bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied
                    binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de
                    voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige
                    bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid
                    van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens
                    bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van
                    de bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom
                    slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke
                    bestemmingsplannen.</al><al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de
                    gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                    onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de
                    toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch
                    om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening
                    behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde kom', zoals dat
                    voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet
                    gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden
                    afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden
                    gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die
                    zijn vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                    continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften
                    voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximumbouwhoogten. Daarom zijn
                    in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het
                    buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                    bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip 'bebouwde kom'
                    in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip 'bebouwde kom'
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is
                    gewijzigd.</al><al>Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker
                    geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder
                    uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een
                    volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van
                    het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst
                    van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande
                    bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn
                    vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere
                    meldingsplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige
                    voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke
                    afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot
                    eventuele plangrenzen en grenzen van 'welstandsvrije' gebieden van groter
                    gewicht blijken dan in vroeger jaren.</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 2 - De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op
                    de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a
                    opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
                    voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening van
                    een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden.
                    Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit
                    besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen
                    artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten
                    opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2
                    bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt
                    getoetst c.q. moet voldoen.</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                    (Stb. 1994, 1).</al><al>Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid.
                    Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen.
                    Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al><al>Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld door
                    de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van een
                    gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene
                    maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van
                    rechtswege op te gelden.</al><al>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet
                    zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                    wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd
                    gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen
                    gefaseerde vergunningverlening aan te vragen.</al><al>Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en
                    wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de
                    achtste serie wijzigingen in de Model-bouwverordening was opgenomen.</al><al>Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel
                    56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning
                    onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de
                    procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en
                    wethouders verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd
                    te behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd
                    zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op
                    hoofdlijnen.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning</al><al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                    scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het
                    afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter
                    uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.</al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</vet></al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de bouwverordening hebben tot doel te
                    bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                    toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                    beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de
                    voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten.</al><al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen.
                    Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over
                    het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1
                    januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen
                    vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit
                    de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd
                    Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling
                    inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en
                    protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede
                    tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. In een overleg met
                    het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het
                    bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog
                    enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht
                    deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit
                    overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met een
                    nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de
                    bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke
                    regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens
                    noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</al><al>Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG
                    circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel
                    historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid
                    besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend
                    onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de
                    grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond
                    te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                    verkennend onderzoek en nader onderzoek.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal
                    is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan
                    wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                    werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk
                    te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5
                    is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat,
                    hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is
                    aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in
                    het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen
                    van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in
                    deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                    aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                    toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk
                    in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk
                    vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een
                    geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a,
                    eerste lid Woningwet).</al><al>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is
                    vereist geen rol te spelen.</al><al>Lid 3</al><al>Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een
                    onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente
                    kan hiervoor beleid ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij
                    de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt "Dit tijdstip kan in een
                    voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in
                    artikel 56 van de Woningwet."</al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al><vet>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</vet></al><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de
                    bouwverordening opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er
                    werd van uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet
                    voor het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003
                    was in artikel 2.2.1 bouwverordening opgenomen dat de aanvrager door of namens
                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de
                    datum van ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds
                    1 januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale
                    beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007
                    voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat
                    burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en
                    een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden.</al><al>Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op
                    termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                    beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                    lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en
                    twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                    uitzonderingen.</al><al>Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een
                    aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld in de
                    artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is, de
                    termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede
                    fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie
                    artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al><al>Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                    betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de Algemene
                    wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de
                    artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de
                    beslissing daarop.</al><al>Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van
                    belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel
                    41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning.
                    Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief
                    verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de
                    Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn
                    van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn.</al><al>Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van
                    zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                    nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                    aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over
                    een aanvraag om bouwvergunning.</al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                        bouwvergunningverlening</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                    bouwvergunning</vet></al><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                    naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                    verleende bouwvergunning.</al><al>De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld
                    op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te
                    regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke
                    omstandigheden en gebruiken.</al><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al>Algemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan
                    bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan.
                    De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor
                    het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is
                    vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens
                    artikel 44, derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten
                    deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het
                    Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht
                    tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in paragraaf 1.2.5 onder e van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het
                    indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de
                    categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien
                    burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee
                    bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van
                    eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval
                    van een aanvraag om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een
                    bodemonderzoeksrapport verlangen. In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen
                    het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven
                    dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                    regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is aan
                    bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                    hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder
                    burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van
                    de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                    bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari 2003
                    niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit indieningsvereisten
                    geregeld.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>De voorprocedure - voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                            bouwvergunning - waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de
                            milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                            onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een
                            aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                            materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft
                            over de keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de
                            desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen
                            en een vooroverleg te voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde
                            komen de vraag of en zo ja voor welke gegevens ontheffing wordt verleend
                            van het onderzoek naar de bodemgesteldheid.</al></li><li nr="•"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                            reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                            betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus paragraaf 1.2.5
                            onder e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                            indieningsvereisten.</al></li><li nr="•"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5
                            uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens
                            NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave
                            2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt
                            uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden
                            uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en
                            een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek
                            naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                            onverdacht is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het
                            derde lid van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel
                            1.2.5 onder e als hiervoor genoemd.</al></li></lijst><al>Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient
                    daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de
                    Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN
                    90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de
                    algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de aanwezigheid van puntbron(nen)
                    gebonden verontreiniging(en).</al><al>Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                    bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt het
                    Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083) of de
                    Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN 90-12-08232-3).</al><al>Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid van
                    asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld
                    met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse van
                    asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform
                    NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de
                    aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek
                    volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en
                    grond met minder dan 20% puin.</al><al>Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897. uitgave
                    2005 ‘Monsterneming en analyse van asbest in bouw- en sloopafval en
                    puingranulaat) van toepassing</al><al>• Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit kan
                    zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat dit verzoek is
                    ingediend.</al><al>De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de
                    grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in
                    voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het criterium voor het
                    verlenen van een ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het
                    onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het terrein
                    niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven
                    bruikbare informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard geen
                    grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen
                    beheer gebeurd zijn.</al><al>De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en
                    verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de
                    aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om
                    bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd. Voorwaarde
                    bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende informatie actueel genoeg
                    is. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot
                    vijf jaar, afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het
                    bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om,
                    in verband met de krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester
                    en wethouders te mandateren.</al><al>De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de
                    compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5 juncto
                    4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en wellicht niet goed
                    realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing
                    te beoordelen en bij een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de
                    mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                    ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt
                    ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente
                    voor problemen met de fatale termijnen.</al><lijst><li nr="•"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing
                            blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet
                            kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                            vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de
                            Woningwet in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                            vullen.</al></li><li nr="•"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                            burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                            bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                            worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                            hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en
                            bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van artikel 4 van het
                            Besluit indieningsvereisten.</al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging
                    vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de
                    Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en wethouders
                    het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van
                    bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat
                    bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden
                    volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al>Afstemming met Wet bodembescherming</al><al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                    bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet
                    bodembescherming.</al><al>Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting
                    voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek
                    blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat
                    overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en
                    wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop
                    gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan
                    om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd,
                    bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van
                    mensen.</al><al>Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het
                    krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft
                    vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester en
                    wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een
                    ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn
                    van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                    van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de
                    bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal
                    volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van de Model-bouwverordening.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                    burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                    verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en
                    zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.</al><al>In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het
                    terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip.
                    Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="•"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="•"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="•"><al>voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                    belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                    bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe
                    deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Nadat het
                    op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de Woningwet is
                    beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat
                    vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het
                    goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="1."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="2."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="3."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                    bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                    laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                    bouwverordening</al><al>Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                    introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                    minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten
                    onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuïteit
                    van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening sinds 1965.</al><al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn
                    geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                    Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel
                            9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van
                            kracht is, moet worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige
                            voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor zover het
                            bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn kracht beroofd
                            wordt. Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte
                            van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking
                            ondergaan. De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug,
                            als het bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk
                            voorschriften bevat of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt,
                            dat de voorschriften van de bouwverordening terugtreden. Uit
                            jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de conflictregel
                            uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden toegepast dat ook een
                            toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de bouwverordening opzij
                            kan zetten. Indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht
                            geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats
                            treedt van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het
                            verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de
                            voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze
                            hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                            bouwverordening terzijde schuiven. Een eerste vereiste hiervoor is dat
                            er sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een voldoende
                            concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is
                            dat het onherroepelijk zal worden. Een tweede vereiste is dat met de
                            toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op dit
                            plan geanticipeerd wordt. Alvorens de vrijstellingsprocedure als bedoeld
                            in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te kunnen starten
                            dient beoordeeld te worden of het bouwplan past binnen het
                            ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien worden of het
                            toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de bouwverordening, waarbij
                            de conflictregel wederom aan de orde komt. Als onder deze omstandigheden
                            blijkt dat de bouwverordening voorschriften geeft die niet
                            overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze
                            voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan buiten
                            toepassing. Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus
                            een anticipatie op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                            Ordening niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de
                            bouwverordening de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de
                            verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en
                            achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van
                            de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het toekomstige
                            bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit bestemmingsplan
                            het stadium van 'intern praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het
                            betreffende artikel nader is geconcretiseerd.(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR
                            1995, blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18
                            september 1986, AB 1987,135).</al></li><li nr="•"><al>De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                            stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                            bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd
                            worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van
                            rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                            bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                            aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken</al></li><li nr="•"><al>Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                            parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen
                            is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter
                            zake zal bevatten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                    ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden beïnvloed
                    worden. Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel 2.5.1 een
                    begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een
                    onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan. Deze
                    bepaling hield in dat</al><lijst><li nr="1."><al>een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                            krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer
                            voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede
                            werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al></li><li nr="2."><al>bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                            aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd
                            tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of
                            ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening
                            of enige andere verordening.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door
                            een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b moest worden
                            uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</al></li></lijst><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                    bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                    gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                    eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde
                    de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld
                    grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.).</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft
                    de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van
                    artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te
                    stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W) rekening
                    dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende
                    bevoegdheden. Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de
                    artikelenreeks 2.5.2 tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002
                    onverkort aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor
                    bestuursorganen om voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De
                    inhoud van het vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij
                    besluit van burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en
                    bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad
                    bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van
                    burgemeester en wethouders zijn bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n
                    beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen in politieke zin
                    gehandhaafd worden!</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald,
                    dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge het
                    Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan het tuinhek moet
                    worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat
                    van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur,
                    omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de
                    bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden
                    begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet,
                    voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de
                    bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot
                    aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                    achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002)
                    is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer
                    toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                    Boxmeer).</al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d.,
                    zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><lijst><li nr="1."><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al></li><li nr="2."><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al></li><li nr="3."><al>speciaal gegraven blusvijver;</al></li><li nr="4."><al>ander oppervlaktewater;</al></li><li nr="5."><al>waterput of bron.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die
                    aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor
                    materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten
                    e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet de
                    brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is vooral van
                    belang als het gebouw is voorzien van een brandbeveiligingsinstallatie die is
                    voorzien van automatische doormelding naar de alarmcentrale van de regionale
                    brandweer.</al><al>Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer
                    de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van
                    het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels
                    van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten.</al><al>De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                    Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl .</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone
                            waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden
                            genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                            bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter
                            breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het
                            onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al></li><li nr="2."><al>langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><lijst><li nr="•"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op
                                    een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                                    weg;</al></li><li nr="•"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10
                                    meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                    weg;</al></li><li nr="•"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het
                    onderhavige verbod geldt niet voor bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus
                    wel voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het
                    Besluit bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken.</al><al>Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een
                    monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld in
                    een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een beschermd
                    stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan is een
                    dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering licht-bouwvergunningplichtig op
                    grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken.</al><al>Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze
                    'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden
                    geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou
                    zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat
                    daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26
                    734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste lid, onder
                    k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een uitbreiding van het bebouwd
                    oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus bouwvergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                    Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan
                            gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1
                            en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus in het algemeen
                            overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                            bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                            toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen
                            2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan
                            verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                            met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden)
                            onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan
                    in voorbereiding is.</al><al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van
                    het Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het eigen
                    voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Lid 4, onder a</al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                    ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken
                    bij wijze van uitzondering bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5
                    en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken.</vet></al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken
                    van de aanvraag om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.
                    Twee punten zijn van belang:</al><lijst><li nr="•"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3, eerste
                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een uitbreiding
                            van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen van
                            niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van de
                            bebouwde oppervlakte.</al></li><li nr="•"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is het
                            wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking heeft. In
                            dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                            bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de aan- en
                            uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van artikel 19,
                            derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al></li></lijst><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in
                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen
                    in het algemeen worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil
                            mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten en kleine afdaken.</al></li></lijst><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van nieuw
                    ruimtelijk beleid.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is
                    vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term
                    'bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde' onder h.</al><al>Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen
                    de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                    worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan
                    te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al>Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                    1965.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van
                    de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen,
                    waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen
                    en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                    voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing
                    minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien
                    de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel
                    van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een
                    ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden
                    op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, onder e, van
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                    het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van
                    bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat
                    geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk
                    en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer
                    op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel
                    dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                    hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning aanwezig
                    zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een bestemmingsplan,
                    zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een
                    andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet 1991.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                    ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op
                    de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van
                    storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw
                    en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal
                    de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen,
                    indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd. Voor
                    hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis
                    hebben, indien op het betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als
                    bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat
                    geval heeft het recht van opstal niet alleen betrekking op
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op bouwvergunningvrije. Meestal
                    betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x 30 meter, waarin echter onder
                    voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken, machines e.d. is
                    toegestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te defini'ren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is - in afwijking van de Model-bouwverordening
                    1965 - in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij
                    voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                    (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                    figuur 14.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die van
                    het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is onveranderd
                    gebleven. Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al>Ad a</al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                    bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                    artikel 2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                        bouwhoogte</vet></al><al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden besteed
                    aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                    welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                    ontheffing.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                        beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 bouwverordening is, in zijn relatie met de overige
                    stedenbouwkundige ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen
                    enerzijds de buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en
                    anderzijds de binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf)
                    vrijstellingen ex artikel 15 WRO.</al><al>Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5 MBV te beschouwen als een deel van
                    een pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28 te beschouwen
                    als drie 'binnenplanse' ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te beschouwen als de
                    'buitenplanse' ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij paragraaf 2.5.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet
                    meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en het
                    naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekende de
                    invoering van een (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1
                    WRO), de aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                    vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De laatste
                    twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief provinciaal
                    toezicht meer (verklaring van geen bezwaar).</al><al>Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel
                    17 en 19 WRO leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV.</al><al>De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening
                    hebben model gestaan voor de aanpassing van dit artikel.</al><al>Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                    overeenstemming vertoont met artikel 20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                    welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met
                    een eenvoudige vrijstelling van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen
                    worden. Dit betreft met name in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de
                    algemeen toegestane bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder
                    meer de artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het
                    gaat meestal niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe
                    gebouwen die niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte
                    passen).</al><al>Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                    afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV.</al><al>Provinciaal toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers
                    in vele gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                    goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                    wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg.</al><al>Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29
                    MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en
                    in artikel 18 WRO.</al><al>Lid 1</al><al>De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie wijzigingen
                    (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de desbetreffende tekst
                    die van 1983 tot 2001 vigeerde.</al><al>De woorden 'voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt'
                    zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan
                    geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is; zie ook de
                    Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder 'Relatie stedenbouwkundige
                    bepalingen en het bestemmingsplan'.</al><al>Lid 2</al><al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari
                    2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                    zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen de
                    rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het
                    gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw)
                    beleid'.</al><al>Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20
                    Bro.</al><al>Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                    wettekst tot uitdrukking.</al><al>Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR
                    1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984,
                    Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR
                    1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                    bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald, althans
                    bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de ontheffing
                    kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van ontheffing in
                    relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in
                    overeenstemming zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden
                    kenbaar, toekomstig planologisch kader.'</al><al>De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n
                    'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening niet als onverbindend
                    aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                    waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                    verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986,
                    501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996.</al><al>De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat het materiële
                    toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader dat wordt
                    gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO
                    moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder voorbereidingsbesluit slechts
                    mogelijk is indien er een geldend bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar
                    en er bovendien een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven.</al><al>In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen.</al><al>Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid', evenals bij de
                    toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk om de ontheffing op de
                    baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota,
                    beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een
                    sectorale nota.</al><al>Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron
                    genoemd. Immers enkel 'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend
                    werken want het kan lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan
                    overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale
                    Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit
                    laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met
                    de eerste uitspraken van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO
                    (2000).</al><al>Motivering</al><al>De eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                    het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                    derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor een
                    dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van een
                    goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige
                    geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch
                    beleid.</al><al>In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen
                    dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend 'in overeenstemming is met
                    in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al>Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de
                    relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over
                    artikel 2.5.29.'</al><al>Milieuzonering</al><al>Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden met
                    alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                    afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                    'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Lid 3</al><al>Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen twee
                    weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende bouwplan kan
                    worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de MBV.</al><al>Afdeling 3.4 Awb</al><al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                    toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke
                    verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex
                    artikel 2.5.29 MBV.</al><al>Titel 4.1 Awb</al><al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                    specialis) hier niet van afwijkt.</al><al>Horen</al><al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden
                    (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag
                    te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft.</al><al>Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                    aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende
                    niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch
                    wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren
                    voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord
                    moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al><al>Inspraak</al><al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid
                    3 WRO.</al><al>Zienswijzen en fatale termijnen</al><al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn
                    al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het
                    inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem
                    van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure moet immers
                    worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet.
                    Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan worden verdaagd,
                    lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het afwikkelen van de
                    ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake hoeft te zijn van
                    fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie (VzARRvS, 25 november
                    1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds dat een fictieve
                    bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling
                    van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de
                    mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling van
                    rechtswege wordt verleend.</al><al>Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure</al><al>De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de aanvraag.
                    Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het bij
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet gaan van de
                    rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen worden afgedaan met
                    behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28.
                    Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er geen knelpunten zijn met de
                    termijn van zes weken.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb is het niet meer mogelijk om de
                    minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging en het naar voren brengen
                    van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent dat het wettelijk gezien
                    niet meer mogelijk is om een lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in
                    combinatie met een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV. Indien een
                    procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV wordt doorlopen in combinatie met een
                    aanvraag om een bouwvergunning eerste fase is het van belang dat in een
                    vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als gevolg van de nieuwe wettelijke
                    termijn voor het indienen van zienswijzen een beslissing op de bouwaanvraag
                    binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is. In een dergelijke situatie
                    zullen burgemeester en wethouders tijdig een verdagingsbesluit moeten nemen om
                    te voorkomen dat er een fictieve bouwvergunning eerste fase ontstaat.</al><al>Monumenten en stads- en dorpsgezichten</al><al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de MBV
                    analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie
                    aangemerkt.</al><al>Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</al><al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de
                    bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen
                    worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de
                    verdagingsmogelijkheid.</al><al>Rechtsbescherming</al><al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                    rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning. De
                    beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A,
                    B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De
                    Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet, decentraal wat
                    kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende
                    en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en
                    voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid
                    zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in
                    het verleden) een zaak van de decentrale overheden.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</al><al>Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de fietsenstallingen
                    die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen moeten worden
                    aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 4.62 van het Bouwbesluit
                    2003 daarin voorziet.</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt
                    verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te
                    geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van
                    een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per
                    bouwvergunning te bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte
                    van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers,
                    c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en
                    de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al>Ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste en in het tweede lid om
                    een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken
                    is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke
                    of openbare parkeergarage aanwezig is. De mogelijkheid tot ontheffing van de eis
                    in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein
                    (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige
                    verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen beide genoemde
                    ontheffingen worden verleend onder financiële voorwaarden.</al><al>Ad b</al><al>De ontheffingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt
                    b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Deze ontheffingsmogelijkheid behoeft
                    niet te worden gebruikt, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is
                    op de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend
                    openbare parkeergarage. De onderhavige ontheffingsmogelijkheid is opgenomen,
                    omdat cijfers in de tabel uit de toelichting op lid 1 niet zijn afgestemd op de
                    enigszins uitzonderlijke categorie bouwwerken waarom het hier gaat.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale
                    verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning
                    worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn.</al><al>Lid2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                    verleend onder financiële voorwaarden.</al><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>Opbouw van de voorschriften</al><al>Vanaf het Bouwbesluit 1992 wordt het stellen van voorschriften inzake
                    brandveiligheidsinstallaties overgelaten aan de gemeentelijke wetgever.
                    Dergelijke voorschriften zijn dan ook sinds 1992 in paragraaf 6 van hoofdstuk 2
                    van de Model-bouwverordening opgenomen en sinds het Bouwbesluit 2003 kennen de
                    desbetreffende voorschriften een vergelijkbare opbouw als het Bouwbesluit. Dit
                    betekent dat er evenals in het Bouwbesluit functionele eisen, prestatie-eisen en
                    waar nodig aanwezigheidseisen worden gesteld.</al><al>In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit lezen we:</al><al>Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling (beoordelingsaspect)
                    geeft het kader aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste
                    lid bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan het eerste lid
                    (de functionele eis) is voldaan indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan
                    die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de
                    aansturingstabellen. In enkele gevallen is er een derde lid waarin bepaald is
                    dat de functionele eis niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel
                    geen voorschrift is aangewezen. Ingeval het eerste artikel geen derde lid heeft,
                    geldt de functionele eis uit het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties
                    waarvoor geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval
                    geldt dat ten genoegen van burgemeester en wethouders moet worden aangetoond,
                    dat voldaan is aan de functionele eis.</al><al>Meer toelichting staat in de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 van de Nota van
                    Toelichting bij het Bouwbesluit.</al><al>Meerdere functies is een gebouw</al><al>Indien een gebouw meerdere functies bevat is voor de beoordeling van de
                    grenswaarden van belang of de functies zowel functioneel als technisch volledig
                    gescheiden zijn dan wel met gemeenschappelijke voorzieningen invloed op elkaar
                    uitoefenen. In het laatste geval moet het totale gebouw (alle functies te zamen)
                    worden beschouwd om te bepalen of een grenswaarde wordt overschreden. Indien in
                    een functie een brandmeldinstallatie is vereist, dient in de andere functie die
                    invloed kan uitoefenen, een beveiliging van hetzelfde niveau aanwezig te zijn.
                    Is echter voor de ene functie volledige bewaking vereist, kan in de andere
                    functie, die invloed kan uitoefenen, volstaan worden met gedeeltelijke bewaking
                    als in die functie geen eis tot een brandmeldinstallatie geldt. Indien functies
                    geheel met elkaar zijn verweven geldt het beveiligingsniveau voor het gehele
                    gebouw.</al><al>Ontheffing</al><al>Het Bouwbesluit bevat in artikel 1.11 een algemene bevoegdheid voor burgemeester
                    en wethouders om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het
                    vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van een bij of krachtens het
                    Bouwbesluit vastgesteld voorschrift. Bij verschillende voorschriften is in het
                    Bouwbesluit expliciet vermeld dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing
                    tot een bepaalde grens is beperkt, of dat van het desbetreffende voorschrift in
                    het geheel geen ontheffing mag worden verleend. Burgemeester en wethouders zijn
                    bevoegd zijn om van een voorschrift van de bouwverordening ontheffing te
                    verlenen, indien dat expliciet bij dat voorschrift is vermeld. In de onderhavige
                    paragraaf zijn burgemeester en wethouders daartoe bevoegd op grond van artikel
                    2.6.1, derde lid (brandmeldinstallaties) en artikel 2.6.5, derde lid
                    (ontruimingsalarminstallaties). Zie verder de toelichting op laatstgenoemd
                    voorschrift.\</al><al>Aanroepen en doormelden</al><al>Een brandmeldinstallatie kan onder andere benodigd zijn als door de grootte of
                    complexiteit van het bouwwerk, of de zelfredzaamheid van de gebruikers, de
                    aanwezige personen niet door aanroepen tijdig op de hoogte kunnen worden gesteld
                    van een brand in het bouwwerk. Zonder brandmeldinstallatie zouden zij te laat
                    geïnformeerd worden en niet snel genoeg een aanvang kunnen maken met de
                    ontvluchting van het bouwwerk. Een belangrijke doelstelling van een
                    brandmeldinstallatie is dan ook de aansturing van de ontruimingsalarminstallatie
                    die zorg draagt voor een ontruimingssignaal. De grenswaarden in bijlage 10 geven
                    onder andere aan wanneer geacht is dat het bouwwerk een zodanig omvang heeft dat
                    door middel van aanroepen de aanwezige personen niet tijdig gewaarschuwd kunnen
                    worden en er een brandmeldinstallatie noodzakelijk is.</al><al>Daarnaast kan de brandmeldinstallatie automatisch een brandmelding doorgeven
                    naar een externe alarmcentrale die voor alarmopvolging kan zorgdragen.
                    Brandmeldinstallaties die volgens artikel 2.6.3 lid 2 verplicht zijn door te
                    melden, doen dat naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de Brandweer. Door
                    een dergelijke automatische alarmering wordt de brandweer sneller gealarmeerd
                    waardoor zij ook sneller ter plaatse kan zijn. Hierdoor wordt de brandweer in
                    staat gesteld om vroegtijdig repressief op te treden en eventueel te assisteren
                    bij de ontruiming van het bouwwerk. De noodzaak van die snelle alarmering is
                    afhankelijk van de grootte of complexiteit van het bouwwerk en de mate waarin de
                    aanwezigen op eigen gelegenheid in staat zijn het bouwwerk te verlaten.</al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>Lid 1</al><al>Onder het in lid 1, onder a, genoemde meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit
                    wordt verstaan de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van
                    de toegang van een gebouw of bouwwerk.</al><al>Onder de in lid 1, onder c, genoemde verblijfsruimten voor bezoekers worden
                    verstaan zalen e.d. in een bijeenkomstfunctie (In de verordeningtekst wordt
                    zoveel mogelijk aangesloten op het woordgebruik van het Bouwbesluit.).</al><al>Het in lid 1d genoemde aantal bouwlagen is bepalend voor de noodzaak van een
                    brandmeldinstallatie. Deze installatie, waarvan de omvang in artikel 2.6.3, lid
                    1a wordt aangegeven, is met name noodzakelijk om een ontruimingsalarminstallatie
                    in werking te stellen, in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.6 lid
                    1. Gezien het gegeven van meerdere bouwlagen wordt geacht dat het
                    ontruimingsgebied niet door middel van het aanroepen van personen gewaarschuwd
                    kan worden.</al><al>In artikel 2.6.2, eerste lid, worden vier criteria genoemd voor de aanwezigheid
                    van een brandmeldinstallatie, namelijk de hoogte van de vloer van een
                    verblijfsruimte ten opzichte van het meetniveau, de totale gebruiksoppervlakte
                    en het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers (zalen) en het aantal
                    bouwlagen. Uit tabel 2.6.1 blijkt dat indien bij sommige gebruiksfuncties wordt
                    voldaan aan één criterium, er reeds de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    is voorgeschreven. Indien bij andere gebruiksfuncties wordt voldaan aan twee
                    criteria, is pas de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie vereist. Soms is
                    geen van de drie criteria van toepassing. Immers wanneer er in de tabel een plat
                    streepje staat is dat desbetreffende onderdeel niet van toepassing en is een
                    brandmeldinstallatie dus niet verplicht.</al><al>Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels
                    worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, dien slechts aan één
                    van de criteria is voldaan. Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen
                    in dezelfde regel worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht,
                    indien aan al deze criteria is voldaan.</al><al>De bezettingsgraden uit het Bouwbesluit zijn thans niet verwerkt in de tabellen.
                    Dit vindt zijn grondslag in de filosofie dat een brandmeldinstallatie niet
                    alleen bedoeld is voor de veiligheid van de aanwezigen, maar ook voor
                    beheersbaarheid van een brand en daarmee een snelle inzet van de brandweer. Bij
                    de in de tabellen genoemde grenswaarden voor gebruiksoppervlakte is uitgegaan
                    van de volgens het Bouwbesluit minimaal vereiste bezettingsgraadklasse.</al><al>Woonfunctie</al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en
                    niet van een woonwagen, met een gebruiksoppervlakte groter dan 500
                    m<sup>2 </sup>, moet zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. Een woonfunctie
                    met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m², werd in het Bouwbesluit 1992
                    megawoning genoemd. De benaming megawoning komt in het Bouwbesluit 2003 niet
                    meer voor, maar het criterium 'groter dan 500 m² gebruiksoppervlakte' speelt bij
                    verschillende voorschriften wel een rol. Het gaat hierbij derhalve om de
                    woonfunctie waarin niet in gezinsverband wordt geleefd. Nadrukkelijk wordt de
                    eengezinswoning met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, niet onder deze
                    omschrijving bedoeld.</al><al>Bijeenkomstfunctie</al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat onder meer een bijeenkomstfunctie, niet zijnde een
                    bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, met een gebruiksoppervlakte
                    groter dan 1000 m² met meer dan 1 zaal, moet zijn voorzien van een
                    brandmeldinstallatie. De achterliggende motivering is dat bij meer dan één zaal
                    er één niet in gebruik kan zijn, waarin een beginnende brand kan ontstaan. Als
                    dat niet tijdig wordt opgemerkt en rook en warmte invloed hebben op de
                    vluchtroutes van de in gebruik zijnde zaal, is detectie nodig voor de veiligheid
                    van de aanwezige personen.</al><al>In een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is een
                    automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk vanwege de verminderde
                    zelfredzaamheid van kinderen. Hierbij kan een vergelijk met bijvoorbeeld
                    gezondheidszorgfuncties worden gemaakt.</al><al>Er wordt een grenswaarde aan het gebruiksoppervlak gesteld van 200 m². Ook
                    wanneer de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 200 m2, maar de vloer van de
                    bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is gelegen op
                    een hoogte van meer dan 2,4 meter boven meetniveau, dan is een automatische
                    brandmeldinstallatie noodzakelijk.</al><al>Wanneer de bijeenkomstfunctie in overeenstemming met het Bouwbesluit voldoende
                    brandwerend is gescheiden van de overige functies in het gebouw, kunnen de
                    installatietechnische voorzieningen beperkt blijven tot de bijeenkomstfunctie.
                    Wanneer dit niet mogelijk is, dient de voorziening voor het totale
                    brandcompartiment waarin de bijeenkomstfunctie gelegen is, te worden
                    doorgevoerd.</al><al>Voor tribunes voor het aanschouwen van sport wordt een brandmeldinstallatie niet
                    voorgeschreven. Dit vanuit de gedachte dat het risico van het ontstaan van brand
                    in zo'n ruimte uiterst klein is en bovendien direct zou worden opgemerkt.</al><al>Overigens wordt onderkend dat het risicobeeld bij de verschillende
                    verschijningsvormen van de bijeenkomstfunctie zeer divers is. Het is te
                    verwachten dat na praktische ervaring met de prestatieeisen een verdere
                    onderverdeling in subfuncties nodig kan zijn.</al><al>Gezondheidszorgfunctie</al><al>In de tabel worden aan de subgebruiksfuncties "gezondheidszorgfunctie voor aan
                    bed gebonden patiënten" en een "andere gezondheidszorgfunctie niet aan bed
                    gebonden patiënten." eisen gesteld. Met deze subgebruiksfuncties worden tevens
                    bedoeld de ruimten voor dagbehandeling, dialyse, operatiekamers, enz.</al><al>Industriefunctie</al><al>Tot en met de 9e serie wijzigingen waren in tabel 2.6.1 geen grenswaarden
                    gegeven met betrekking tot de brandmeldinstallatie voor de industriefunctie. In
                    de praktijk is gebleken dat dergelijke grenswaarden noodzakelijk zijn. Ter
                    bevordering van duidelijkheid op landelijke schaal zijn nu de grenswaarden in de
                    tabel vermeld. Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen
                    (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding.
                    Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe
                    NEN 2575, uitgave 2004 is de type C installatie vervallen. Naar analogie van de
                    grenswaarden van vergelijkbare gebruiksfuncties is gesteld dat wanneer er een
                    vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een hoogte van meer dan 20 meter,
                    een niet-automatische brandmeldinstallatie met doormelding noodzakelijk is.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m² gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk is.</al><al>Winkelfunctie</al><al>Bij deze gebruiksfunctie komt in tabel 2.6.1 het meest duidelijk tot uitdrukking
                    dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat een
                    brandmeldinstallatie nodig is.</al><al>Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen (december 2004)
                    uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding. Deze was
                    voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe NEN
                    2575,uitgave 2004 is de type C installatie vervallen.</al><al>Overige gebruiksfunctie</al><al>De eisen in tabel 10 voor de overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen
                    van motorvoertuigen zijn in overeenstemming gebracht met de meest recente
                    ontwikkelingen terzake. In besloten parkeergarages groter dan 1000 m2 en kleiner
                    dan 2500 m2 is een brandmeldinstallatie zonder doormelding aanwezig om de
                    brandweer te ondersteunen bij de repressieve inzet. Het gaat daarbij om een
                    juiste plaatsbepaling van de brand en de daarbij behorende aanvalsroute. Dit
                    geld met name voor parkeergarages met meerdere bouwlagen. Bij een oppervlakte
                    groter dan 2500 m2 is doormelding naar de brandweer vereist om tijdige inzet ten
                    opzichte van de zich voortschrijdende brand te garanderen.</al><al>Lid 2</al><al>Doodlopende gangen</al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is - kort samengevat - geregeld dat bij
                    doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet
                    zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan binnen
                    het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te voorkomen dat in
                    een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop weinig of kleine
                    ruimten uitkomen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking noodzakelijk zou
                    zijn, zijn er beperkende grenswaarden beschreven.</al><al>Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie
                    verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt
                    voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de
                    bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al>Het artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een andere
                    verblijfsruimte moet worden verlaten.</al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</vet></al><al>Omvang van de bewaking</al><al>In de regel gaat het bij niet-automatische bewaking om handbrandmelders; bij
                    gedeeltelijke bewaking om automatische brandmelders alleen in verkeersruimten en
                    risicoruimten; bij volledige bewaking om automatische brandmelders in alle
                    ruimten, met uitzondering van ruimten waarin geen brand kan ontstaan zoals
                    toiletruimten en badruimten; bij ruimtebewaking gaat het om automatische
                    brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw zoals in geval van doodlopende
                    einden.</al><al>Woonfunctie in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen.</al><al>Het lijkt een tegenstelling dat de woonfunctie, gelegen in een woongebouw
                    bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht,
                    een volledige bewaking nodig maakt en dat bij dezelfde categorie, maar dan
                    zonder permanent toezicht, kan worden volstaan met gedeeltelijke bewaking. In
                    het laatstgenoemde geval gaat het om een categorie bewoners die zonder permanent
                    toezicht kunnen wonen, zoals bijvoorbeeld het geval is in een gezinsvervangend
                    tehuis, een sociowoning of bij begeleid groepswonen.</al><al>Het doormelden van een brandmelding rechtstreeks naar de alarmcentrale van de
                    brandweer is noodzakelijk omdat vanuit deze organisatie op ieder moment de
                    noodzakelijke brandbestrijdings- en beveiligingsmaatregelen in gang kunnen
                    worden gezet. Een tussenkomst van een particuliere alarmcentrale is hierbij
                    ongewenst.</al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een brandmeldinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het systeem
                    beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de instandhouding van
                    de kwaliteit van het systeem.</al><al>De Regeling Brandmeldinstallaties 2002 is een kwaliteitszorg- en
                    certificatiesysteem, opgesteld door de bij de brandbeveiliging betrokken
                    gezaghebbende partijen, zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijkrelaties, deskundigen van de brandweer en van de brancheorganisaties
                    van brandbeveiligingsbedrijven. De regeling geeft aan wat van de
                    brandmeldinstallatie en van de diverse (markt-)partijen wordt verwacht en hoe
                    handhaving en controle plaatsvindt. Het beheer van de regeling en de met name
                    genoemde kwaliteitszorg is opgedragen aan het Centrum voor
                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag.</al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt met zich mee dat certificaten van
                    instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede uit Noorwegen,
                    IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit, de toelichting op artikel 2.6.1.
                    Indien een gebruiksfunctie weinig bouwlagen bevat en de personen in het
                    ontruimingsgebied dus gemakkelijk door middel van aanroepen kunnen worden
                    gewaarschuwd, kan ontheffing worden verleend van de eis tot het aanbrengen van
                    een ontruimingsalarminstallatie en –gezien de samenhang- dan tevens van de eis
                    tot het aanbrengen van een brandmeldinstallatie. Zie voor een toelichting op het
                    begrip ‘aanroepen’ de toelichting op artikel 2.6.1.</al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Lid 1</al><al>Aanwezigheid</al><al>Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel 2.6.2
                    vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie voorgeschreven.</al><al>NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende:</al><al>Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen, namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>installatie</al></li><li nr=""><al>Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een
                            eigen centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het
                            mogelijk een ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een
                            gesproken mededeling. De installatie wordt hierbij aangestuurd door een
                            brandmeldcentrale. De A-installatie beschikt dus over een eigen centrale
                            met eigen energievoorziening.</al></li><li nr="b."><al>installatie</al></li><li nr=""><al>Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow whoop) direct
                            aangesloten op de brandmeldcentrale en beschikt dus niet zoals bij een
                            A-installatie over een eigen centrale. De energievoorziening voor de
                            ontruimingsignaalgevers wordt dus ook door de brandmeldcentrale
                            verzorgd.</al></li><li nr="c."><al>installatie</al></li><li nr=""><al>Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden
                            naar de alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze
                            eis te zwaar. In die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was,
                            bleek toch een vorm van een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding
                            naar de brandweer niet noodzakelijk was, werd deze installatie geen
                            brandmeldinstallatie genoemd maar een
                            C-ontruimingsalarminstallatie.</al></li></lijst><al>De verschillen tussen een B en een C-installatie waren:</al><lijst><li nr="1."><al>Geen doormelding naar de brandweer</al></li><li nr="2."><al>Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders</al></li><li nr="3."><al>Minder eisen aan de uitvoering van de centrale</al></li></lijst><al>Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen.
                    Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van
                    brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot
                    doormelding naar de brandweer werd gesteld.</al><al>Deze zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500 m2.</al></li><li nr="•"><al>Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg</al></li><li nr="•"><al>Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende
                            vluchtroutes.</al></li></lijst><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder.</al><al>Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de installatie wel of
                    geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de oude
                    “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder
                    doormelding te noemen.</al><al>Dit heeft diverse voordelen, te weten:</al><lijst><li nr="•"><al>Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid</al></li><li nr="•"><al>De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd</al></li><li nr="•"><al>Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker</al></li></lijst><al>De toekomstige certificeringregeling voor ontruimingsalarminstallaties wordt
                    overzichtelijker.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn
                    geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen
                    ontruimingsalarminstallatie noodzakelijk is.</al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een
                    brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het
                    onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is
                    gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de
                    alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde
                    doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de
                    signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische
                    brandmelder.</al><al>Lid 2</al><al>Doodlopende gangen</al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen als bedoeld in NEN 2575 'Brandveiligheid van gebouwen -
                    Ontruimingsinstallaties - Systeem- en kwaliteitseisen en
                    projecteringsrichtlijnen' legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                    behulp van een ontruimingsinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het
                    systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de
                    instandhouding van de kwaliteit van het systeem.</al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                    Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit de bevoegdheid voor burgemeester en
                    wethouders tot het verlenen van ontheffing, de toelichting op artikel
                    2.6.1.</al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Teneinde te bewerkstelligen dat personen die in een bouwwerk verblijven en die
                    niet bekend zijn met de inrichting van het bouwwerk, dan wel in geval van brand
                    een ongebruikelijke vluchtroute moeten kiezen, op eenvoudige wijze het
                    aansluitende terrein kunnen vinden, bepaalt artikel 2.6.9 wanneer
                    vluchtrouteaanduidingen aanwezig moeten zijn. Omdat de herkenbaarheid van
                    vluchtroutes voor iedere persoon in gelijke mate van belang is, is de
                    aanwezigheid niet gekoppeld aan een grenswaarde voor gebruiks-oppervlakte of
                    hoogte van een gebouw. De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen geldt in
                    principe voor verkeersruimten. Tevens dienen in alle ruimten waarin op grond van
                    het Bouwbesluit een tweede of meerdere uitgangen nodig zijn, deze uitgangen te
                    worden voorzien van vluchtrouteaanduidingen.</al><al>De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen wordt in tabel 12 voorgeschreven
                    voor een woongebouw, celgebouw en een logiesgebouw. Het gaat om
                    vluchtrouteaanduiding in gemeenschappelijke verkeersroutes als de woning, de cel
                    of het logiesverblijf al verlaten is. Dan is de term 'woonfunctie enz.' niet
                    bruikbaar, want dat zou betekenen dat men signalering in de woning, de cel of
                    het logiesverblijf moet aanbrengen. Dat is niet de bedoeling.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw is geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje
                    op een bungalowpark geen vluchtrouteaanduiding noodzakelijk is.</al><al>Voor de aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen kunnen brandveiligheidseisen
                    krachtens de Arbo- en de milieuwetgeving eveneens van belang zijn.</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing
                    voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                    gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn Burgemeester en Wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al>Lid 1</al><al>De norm NEN 6088 Brandveiligheid van gebouwen - Vluchtwegaanduiding -
                    Eigenschappen en bepalingsmethoden, uitgave 2002, geeft aan dat de
                    vluchtrouteaanduiding gekenmerkt moet zijn door bepaalde symbolen en
                    kleuren.</al><al>Lid 2</al><al>De vluchtrouteaanduiding moet herkenbaar zijn en goed zichtbaar zijn
                    aangebracht. Dit betekent dat de vluchtrouteaanduiding zodanig moet zijn
                    opgehangen dat je het goed ziet. Vluchtrouteaanduiding mag dus niet achter een
                    gordijn hangen of in een hoge ruimte nabij het plafond aangebracht zijn.</al><al>Lid 3</al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 1838 ‘Toegepaste
                    verlichtingskunde – Noodverlichting’ is opgesteld met als doel internationaal
                    eenheid binnen gebouwen te creëren ten aanzien van vluchtrouteaanduiding. In de
                    richtlijn wordt een voorkeur uitgesproken over de te hanteren pictogrammen. De
                    getoonde pictogrammen zijn voorbeelden. In de tekst wordt niet expliciet gesteld
                    dat uitsluitend de getoonde pictogrammen toegestaan zijn. Er is dus enige
                    vrijheid. Het belangrijkste is dat er sprake is van eenduidigheid en
                    duidelijkheid binnen gebouwen.</al><al>Voor de kleuren, luminantie, de luminantieverhoudingen en de maximale
                    kijkafstand gelden de eisen uit NEN-EN 1838.</al><al>De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding
                    moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Dit dient te
                    geschieden door in- of externe verlichting en / of noodverlichting. Dit kan dus
                    gevolgen hebben voor de locatie van normale en / of noodverlichtingsarmaturen
                    indien er geen intern verlichte vluchtrouteaanduiding wordt toegepast. In geval
                    van een energiestoring is het acceptabel dat niet meer aan de luminantie-eis
                    wordt voldaan, indien er geen eisen ten aanzien van noodverlichting zijn
                    gesteld.</al><al>Er wordt op deze wijze uitgegaan van een prestatie-eis in de vorm van een
                    luminantie-eis in NEN-EN 1838. Op welke wijze wordt voldaan kan men zelf
                    invullen en zal leiden tot verschillende oplossingen, bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>Bouwkundige aanduidingen die door de normale en / of noodverlichting
                            worden aangelicht.</al></li><li nr="•"><al>Inwendig verlichte vluchtrouteaanduidingen, die op de normale en / of
                            noodverlichting zijn aangesloten.</al></li><li nr="•"><al>Foto-luminiserende vluchtrouteaanduiding.</al></li></lijst><al>De luminantie-eis in NEN-EN 1838, waarnaar in dit lid wordt verwezen, dient dan
                    ook goed te worden onderscheiden van eisen aan de verlichtingssterkte van de
                    vluchtrouteaanduiding zelf. Artikel 2.6.10 bevat geen eisen over de
                    verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen
                    hoeven dan ook niet per sé inwendig verlichte armaturen te zijn. Veelal kan
                    worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door
                    externe verlichting moeten worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen
                    voldoen. In ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een eis voor
                    noodverlichting geldt en waarin het gebruikelijk is de normale verlichting te
                    reduceren of uit te schakelen (theaters, bioscopen e.d.) zal het, vanwege de
                    gestelde eisen, wel noodzakelijk zijn om de vluchtrouteaanduidingen als intern
                    verlichte aanduidingen uit te voeren.</al><al>Lid 4</al><al>In delen van een gebouw waar op grond van het Bouwbesluit geen noodverlichting
                    vereist is, is het gestelde in lid 3 niet van toepassing aangezien in die
                    gebouwdelen bij spanningsonderbreking immers nimmer aan de luminantie-eisen van
                    het derde lid kan worden voldaan.</al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>Met deze voorschriften wordt beoogd dat ook bij toepassing van de
                    gelijkwaardigheid ingevolge het Bouwbesluit aangebrachte brandmeldinstallaties,
                    ontruimingsalarminstallaties en vluchtrouteaanduidingen dezelfde duurzame
                    kwaliteit en dus veiligheid bezitten als die welke in de bouwverordening zijn
                    voorgeschreven.</al><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                        hulpverleningsdiensten</vet></al><al>C-2000 is het landelijk dekkend digitale radionetwerk ten behoeve van de mobiele
                    communicatie voor de Nederlandse hulpverleningsdiensten. Adequate communicatie
                    tussen hulpverleners is essentieel voor het goed kunnen functioneren van hen bij
                    een calamiteit in een bouwwerk. C2000 garandeert buitenshuis een dekking van
                    95%, naar tijd en plaats gemeten vanaf een op de heup gedragen portofoon. In de
                    praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal
                    buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega’s of met de
                    meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C2000-radionetwerk is
                    ontworpen en gebouwd, zal in veel gevallen ook sprake zijn van
                    binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van
                    het bouwwerk en de situatie ter plaatse.</al><al>In overleg met het ministerie van BZK en VROM wordt een nieuw artikel in de MBV
                    opgenomen dat de mogelijkheid biedt om voorzieningen te eisen ten behoeve van
                    binnenhuisdekking van het C2000-communicatiesysteem. Dit ten behoeve van het
                    goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in een
                    voor publiek toegankelijke bouwwerk.</al><al>In de dagelijkse praktijk kan het ontbreken van binnenhuisdekking soms leiden
                    tot bezwaarlijke situaties vanuit openbare orde en veiligheid . Dit is met name
                    het geval in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals
                    voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en
                    ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- of metrotunnels. Dit soort locaties
                    wordt in C2000-jargon aangeduid als Special Coverage Locations (SCL’s). In dat
                    geval kan soms vanuit de operationele werkwijze van de diensten volstaan worden
                    met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals Direct Mode of
                    Operation (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Mochten deze maatregelen
                    voor de betreffende locatie niet voldoen, moet worden gezocht naar een meer
                    structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking. Uitgangspunt daarbij is
                    dat de eigenaar van de SCL voor die structurele oplossing zorgdraagt en dat de
                    kosten van aanschaf en bouw van de technische installatie en van het testen,
                    aansluiten en beheer ervan voor zijn rekening komen. Artikel 2.6.12 verplicht de
                    SCL-eigenaar tot het aanbrengen van de betreffende technische voorziening indien
                    dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen
                    functioneren van hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk
                    noodzakelijk is. Of die voorziening in een concreet geval noodzakelijk is, is
                    van meerdere factoren afhankelijk. In de eerste plaats dient de vraag beantwoord
                    te worden of er binnenhuisdekking moet zijn. Dit zal het geval zijn indien het
                    bouwwerk voor het grote publiek toegankelijk is en binnenhuisdekking vanuit het
                    oogpunt van openbare orde en veiligheid noodzakelijk is voor het goed kunnen
                    functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk.
                    Vervolgens dient vastgesteld te worden of er automatisch al binnenhuisdekking
                    is. Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), dient te worden
                    bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste
                    niet het geval is, kan toepassing van artikel 2.6.12 aan de orde zijn.</al><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat
                    het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Lid 1</al><al>De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de kans
                    op ongevallen.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                    blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al><vet>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                        verwarming</vet></al><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met
                    de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om
                    de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al
                    is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.</al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>Algemeen</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                    Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte
                    beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting
                    verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak verspreide
                    afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn
                    (losbladig).</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de
                    Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan
                    te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al><al>Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater
                    in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een
                    individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                    zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                    lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de
                    publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele behandeling van afvalwater
                    bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991).</al><al>Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van
                    huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit
                    huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van
                    dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                    bodembescherming.</al><al>Lid 1</al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor
                    hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het
                    is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer
                    grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare
                    riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is
                    echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de
                    aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het
                    hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren,
                    waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de
                    wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige
                    uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig
                    herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S
                    445.</al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al><lijst><li nr="1."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                            wordt aangesloten;</al></li><li nr="2."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                            voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer,
                            indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden
                            gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li></lijst><al>Lid 2, onder b</al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 3</al><al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                    hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                    Uitzonderingen gelden voor:</al><lijst><li nr="1."><al>afvloeiend hemelwater;</al></li><li nr="2."><al>huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                            gebruik;</al></li><li nr="3."><al>bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                            afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.</al></li></lijst><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                    standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste
                    op grond van die wet.</al><al>Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet
                    tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn
                    dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                    zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze
                    wordt geloosd dan op het openbaar riool.</al><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften.
                    In het algemeen zijn dit voor de complexe categorie'n bedrijven niet langer
                    burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de
                    werking van de toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering.</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond
                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>Lid 4, onder b</al><al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot
                    aansluiting aan het openbare riool verlenen.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1, onder c</al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te wijzen
                    dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is ingevolge artikel
                    1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>Lid 1, onder d</al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder faecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al>Lid 2</al><al>Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de inspecteur
                    van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van het
                    milieu.</al><al>Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.</al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                        terreinen</vet></al><al>Lid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er -
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 3 - De melding</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>Vervallen</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 4 - Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op
                    alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig.</al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in
                    de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                    voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het
                    bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein.
                    Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het
                    bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het
                    in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in
                    afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde
                    systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met
                    de 11e serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de
                    Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto
                    artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig
                    het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van
                    niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding
                    waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod
                    van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                    onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al>Structuur van de voorschriften</al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds
                    1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriften</al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b
                    van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast</al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                        tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden.</vet></al><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in
                    artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in
                    de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit indieningsvereisten en het
                    gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken
                    indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de
                    bouwvergunning is verleend. Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden
                    ingetrokken. Indien bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo
                    zijn dat slechts een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar
                    plaats is. Bovendien is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken
                    op verzoek van de vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al
                    gebruikelijk was (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke
                    restitutie van leges).</al><al>Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a van
                    de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen. De termijn van 26
                    weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende
                    plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking
                    van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het
                    intrekken van een begunstigende beschikking zoals een bouwver-gunning dient
                    omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid
                    van de houder der vergunning.</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij
                    de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig
                    zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de
                    bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                    bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen
                    betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van
                    de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                    besluit tot toepassing van bestuurswang of oplegging van een last onder dwangsom
                    is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                    bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de
                    Woningwet.</al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie.</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing.</al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                        van) de bouwwerkzaamheden.</vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen.</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingen</vet></al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de
                    gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten
                    van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                    bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel
                    van de bouwverordening toegepast.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de
                    MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling
                    van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al><al>De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien
                    de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                    artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet
                    in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan
                    worden aan een waterwingebied.</al><al>Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                    zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het
                    aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de
                    vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater
                    staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen.
                    Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering
                    op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput,
                    mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                    worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                    vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                    milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de
                    bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                    veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle
                    op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij
                    het elektriciteitsbedrijf.</al><al>Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een
                    aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in
                    artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de
                    bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een
                    bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet
                    zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige
                    artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan
                    afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                    bouwveiligheidsplan voor.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</vet></al><al>tekst artikelT4.10</al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het
                    algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten
                    aanzien van de arbeidsomstandigheden.</al><al>Lid 6</al><lijst><li nr="1."><al>Dag-, avond- en nachtperiode </al><lijst><li nr=""><al>De dagperiode voor beroepsmatig uitgevoerde bouwwerkzaamheden
                                    duurt van 07.00 uur tot 19.00 uur, exclusief zon- en
                                    feestdagen.</al></li><li nr=""><al>De avondperiode duurt van 19.00 uur tot 23.00 uur.</al></li><li nr=""><al>De nachtperiode duurt van 23.00 uur tot 07.00 uur.</al></li><li nr=""><al>Den aanvraag om buiten de dagperiode te mogen werken moet
                                    schriftelijk worden ingediend. In het verzoek dienen de volgende
                                    gegevens te worden vermeld: </al><lijst><li nr="o"><al>het belang (waarom) dat in de avond- of nachtperiode aan
                                            het bouwwerk moet worden gewerkt;</al></li><li nr="o"><al>de locatie van de werkzaamheden en de vermelding of er
                                            woningen in de nabije omgeving aanwezig zijn;</al></li><li nr="o"><al>is er een bouw-, sloop- of aanlegvergunning
                                            verleend?;</al></li><li nr="o"><al>de soort werkzaamheden;</al></li><li nr="o"><al>de (tijds)periode van de werkzaamheden;</al></li><li nr="o"><al>de tijdsduur van de werkzaamheden;</al></li><li nr="o"><al>de te gebruiken lawaaiproducerende apparatuur met type
                                            vermeldingen en geluidsproductiewaarden;</al></li><li nr="o"><al>welke geluidsbeperkende maatregelen worden genomen;</al></li><li nr="o"><al>welke facaliteiten worden de omwonenden geboden?;</al></li><li nr="o"><al>hoe is de omgeving geïnformeerd?</al></li><li nr="o"><al>Wie is de contactpersoon en hoe is hij (telefonisch)
                                            bereikbaar?</al></li><li nr="o"><al>Tot wie kunnen de omwonenden zich richten met
                                            klachten?</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Duur van de hinder </al><lijst><li nr="2.1"><al>Lawaaiduur. </al><lijst><li nr=""><al>Onder lawaaiduur wordt verstaan de tijdsduur dat
                                            hinderlijk geluid door bouwwerkzaamheden wordt
                                            geproduceerd.</al></li><li nr=""><al>Toelichting:</al></li><li nr=""><al>Machines zijn meestal niet continu in bedrijf. Alleen
                                            gedurende de lawaaiduur wordt het (hinderlijk) geluid
                                            geproduceerd en niet tijdens onderbrekingen.</al></li></lijst></li><li nr="2.2"><al>Hinderperiode </al><lijst><li nr=""><al>Onder hinderperiode wordt verstaan een periode
                                            waarbinnen meerdere keren lawaaiduur voorkomt.</al></li><li nr=""><al>Toelichting:</al></li><li nr=""><al>Hiermee wordt een periode van een bepaalde soort
                                            bouwwerkzaamheden bedoeld. Dat hoeft niet de totale
                                            bouwtijd van het bouwwerk te zijn. Voorbeelden van
                                            hinderperioden zijn sloopwerkzaamheden,
                                            graafwerkzaamheden, heien, damwandplaatsingen e.d.</al></li><li nr=""><al>De hinderperiode is van belang voor hoe hoog het
                                            gemiddelde geluidsniveau mag zijn.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Onaanvaardbare hinder </al><lijst><li nr="3."><al>Geluidsuitstraling van bouwplaatsen </al><lijst><li nr="3.1.1"><al>Definitie </al><lijst><li nr=""><al>Geluid geproduceerd door bouw- of
                                                  sloopwerkzaamheden binnen de dagperiode wordt als
                                                  ernstige hinder conform artikel 4.10 van de
                                                  Bouwverordening aangemerkt indien de equivalente
                                                  geluidsbelasting (Leq) op de gevel van de woning
                                                  waar de hinder wordt ondervonden:</al></li><li nr=""><al>Leq &gt; 65 dBA bij een hinderperiode van &lt; 1
                                                  maand en</al></li><li nr=""><al>Leq &gt; 60 dBA bij een hinderperiode van &gt; 1
                                                  maand,</al></li><li nr=""><al>Bedraagt, gemeten van 07.00 tot 19.00 uur
                                                  en</al></li><li nr=""><al>Leq &gt; 85 dBA,</al></li><li nr=""><al>Bedraagt, gemeten gedurende de lawaaiduur.</al></li><li nr=""><al>Bij elkaar opvolgende hinderperioden veroorzaakt
                                                  door verschillende soorten werkzaamheden wordt
                                                  voor de hinderperiode de optelling van die
                                                  verschillende perioden aangehouden.</al></li><li nr=""><al>Toelichting</al></li><li nr=""><al>Leq is een wiskundig berekend gemiddeld
                                                  geluidsniveau dat gedurende een vastgestelde
                                                  tijdsduur optreedt. Dit niveau kan met vrij
                                                  eenvoudige meetapparatuur worden gemeten. De
                                                  waarden komen overeen met de in de Circulaire
                                                  Bouwlawaai genoemde adviezen.</al></li></lijst></li><li nr="3.1.2"><al>Richtwaarden bij avond- en nachtwerkzaamheden </al><lijst><li nr="3.1.2.1Avondperiode"><al>(19.00 – 23.00 uur) </al><lijst><li nr=""><al>In de toestemming om in de avondperiode te
                                                  mogen werken worden de volgende grenswaarden
                                                  gesteld voor de maximaal toegestane
                                                  geluidsbelasting (Leq) op de gevel van de woning
                                                  waar de hinder wordt ondervonden.</al></li><li nr=""><al>Leq is maximaal 15 dBA hoger dan het bestaande
                                                  verkeerslawaai gedurende de avondperiode,</al></li><li nr=""><al>Leq is maximaal 25 dBA hoger dan het bestaande
                                                  verkeerslawaai gedurende de lawaaiduur,</al></li><li nr=""><al>Leq &lt; 85 dBA gedurende de lawaaiduur.</al></li></lijst></li><li nr="3.1.2.2"><al>Nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) </al><lijst><li nr=""><al>In de toestemming om in de nachtperiode te
                                                  mogen werken worden de volgende grenswaarden
                                                  gesteld voor de maximaal toegestane
                                                  geluidbelasting (Leq) op de gevel van de woning
                                                  waar de hinder wordt ondervonden.</al></li><li nr=""><al>Leq is maximaal 10 dBA hoger dan het bestaande
                                                  verkeerslawaai gedurende de lawaaiduur.</al></li><li nr=""><al>Toelichting</al></li><li nr=""><al>Er wordt van uit gegaan dat er voor maximaal
                                                  een week toestemming wordt aangevraagd om buiten
                                                  de dagperiode te mogen werken. In andere gevallen
                                                  moet in overleg een maatwerkoplossing worden
                                                  gevonden. Nachtrust wordt verstoord door het
                                                  geluid dat werkelijk optreedt. De grenswaarden
                                                  zijn afgeleid uit de binnenniveau’s van de Wet
                                                  Geluidshinder, voorkomende verkeerslawaainiveau’s
                                                  en demping van gevels.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>tekst artikelT4.11</al><al>Algemeen</al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval.</al><lijst><li nr="a"><al>Gevaarlijke afvalstoffen</al></li><li nr=""><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart
                            worden gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4
                            van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                            2001, nr. 158, blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met
                            ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook
                            daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en
                            gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De
                            doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval
                            thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de
                            van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van
                            huishoudens.</al></li><li nr="b"><al>en c Glaswol en steenwol</al></li><li nr=""><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                            ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag'
                            (een stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al></li><li nr=""><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                            kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het
                            geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is
                            verleend.</al></li><li nr=""><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de
                            plicht tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief
                            zal zijn.</al></li><li nr="d"><al>Overig afval</al></li><li nr=""><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                            bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt.
                            De onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een
                            inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze
                            stoffen in ontvangst te nemen.</al></li></lijst><al>Wanneer is iets afval?</al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al><al>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin.</al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                    bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april
                    1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die
                    geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                    sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                    zaterdagmorgen.</al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                    waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over
                    bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                    toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht.</al><al>Sorteerinrichting</al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin
                    worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige
                    materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout,
                    papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                    kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij
                    aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting.</al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel
                    zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor
                    zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                    voorkomen.</al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van
                    transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing.</al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis.</al><al>Mee terugnemen naar de werf</al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op
                    grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit
                    afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een
                    sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere
                    stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht
                    tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippen</al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een milieuvergunning
                    bij die wet verplicht is gesteld.</al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                    terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet
                    milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de
                    praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet
                    naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier
                    bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                    augustus 2001, nr. 158, blz. 9) - in werking getreden op 1 mei 2002 - voorziet
                    hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit
                    besluit.</al><al>De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb.
                    1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt
                    inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van
                    het BAGA. Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De
                    Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de publicatie
                    'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het ministerie van
                    Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van september 2001. De in
                    deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers zijn gevaarlijke
                    afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende
                    materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                    uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                    genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze
                    voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                    verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan
                    bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                    gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één
                    bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                    mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de
                    bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de
                    wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken -
                    sommige typen onderverdeeld in compartimenten - zijn vaak eigendom van de
                    inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop
                    afstemmen.</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden die ertoe
                    strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die
                    vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het
                    derde lid van artikel 56 van de Woningwet.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                    voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk ingevolge
                    artikel 7b Woningwet.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.
                    Overigens stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari
                    2007 een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                    samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn
                    bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen. Raadpleeg,
                    voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in onvoldoende
                    exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving of neem contact
                    op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem, gemeenten@senternovem.nl of 030
                    239 35 33.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld, geldt
                    ook hier de termijn van twee dagen.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                    Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 5 - Staat van open erven en terreinen,
                        brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het
                        weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen
                    van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel 13
                    Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden
                    van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde
                    voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht
                    tot het treffen van voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn
                    nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om
                    bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om
                    bouwvergunning. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of
                    toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</vet></al><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.
                    Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965
                    gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Bij het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de Woningwet, juncto het
                    onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden met het
                    bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al><vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen te
                    stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden gesteld aan
                    te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                    ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                    bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw.</al><al>De voorschriften van deze paragraaf vormen de grondslag voor een besluit op
                    grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom indien een brandveiligheidsvoorziening in
                    een gebouw ontbreekt of zich bevindt in een staat die niet in overeenstemming is
                    met de voorschriften van deze paragraaf.</al><al>De bepalingen van deze paragraaf zijn geen gebruiksvoorschriften. In geval van
                    dreigend gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen burgemeester en
                    wethouders vanaf 1 april 2007 op basis van artikel 1a van de Woningwet optreden
                    tegen een overtreding van de voorschriften in deze paragraaf door toepassing van
                    bestuursdwang of door de oplegging van een last onder dwangsom.</al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                        niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in woongebouwen
                        van bijzondere aard</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                        kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet dan wel het toepassing van bestuursdwang of het opleggen
                    van een last onder dwangsom vormen waarin het college van burgemeester en
                    wethouders het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het college de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van
                    het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag worden
                    geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in
                    financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking
                    en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                    13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het
                    bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te
                    gaan.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 6 - Brandveilig gebruik</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet schrijft voor dat de bouwverordening voorwaarden moet bevatten die
                    het brandveilig gebruik van bouwwerken regelen. In dit hoofdstuk wordt het
                    mogelijk gemaakt het brandveilig gebruik te regelen met een zogenoemde
                    gebruiksvergunning. Daarnaast bevat dit hoofdstuk gebruiksbepalingen, waaraan
                    alle bouwwerken moeten voldoen.</al><al>Het merendeel van de voorschriften van dit hoofdstuk en de bijlagen 2 t/m 6
                    behorende bij de verordening, alsmede de bijlagen 2 t/m 4 behorende bij deze
                    toelichting komen uit de Model-brandbeveiligingsverordening 1972. De
                    terminologie en de systematiek zijn slechts aangepast voor zover de Woningwet en
                    de Model-bouwverordening dit vereisen. Materieel is in de voorschriften niet
                    veel veranderd zodat een trendbreuk in het beleid over het brandveilig gebruik
                    is voorkomen. Een belangrijke verandering is wel dat alle voorschriften van
                    bouwkundige aard nu in het Bouwbesluit zijn opgenomen.</al><al>Het brandveilig gebruik regelen is een nieuw onderwerp voor de bouwverordening.
                    Een gebruiksvergunning verschilt in menig opzicht van een bouwvergunning. Nadat
                    het bouwen is beëindigd, zal men een bouwwerk in gebruik nemen. In beginsel zal
                    dat gebruik langdurig zijn. Een gebruiksvergunning zal na verloop van tijd
                    aanpassing behoeven, aangezien omstandigheden en inzichten over brandveiligheid
                    in de loop van de tijd wijzigen. Artikel 6.1.1, derde lid, gaat daar nader op
                    in.</al><al>Het regelen van een vergunningplicht is niet in alle gevallen nodig. Alleen voor
                    die situaties die gevaar op kunnen leveren door een verhoogde kans op brand, dan
                    wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand,
                    wordt een gebruiksvergunning geëist.</al><al>Vooruitlopend op de artikelsgewijze toelichting wordt hier reeds opgemerkt dat
                    het opleggen van een verplichting tot het treffen van aanvullende voorzieningen
                    op grond van artikel 13 van de Woningwet niet afhangt van de vraag of een
                    gebruiksvergunning verplicht is. Ook de gebruiksvoorwaarden die in de
                    (Model-)bouwverordening zijn opgenomen zijn daarvan niet afhankelijk. Anders
                    gezegd: de aanvraag om gebruiksvergunning kan een aanleiding zijn om betrokkenen
                    te verplichten tot het treffen van aanvullende voorzieningen.</al><al>Per 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen en is een verbod opgenomen om te bouwen, een bouwwerk te gebruiken,
                    een open erf of terrein te gebruiken, in een staat te brengen of te houden, te
                    slopen, anders dan overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening. Het niet voldoen aan de voorschriften
                    van Bouwbesluit en bouwverordening vormt een overtreding waartegen burgemeester
                    en wethouders direct handhavend kunnen optreden.</al><al><vet>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</vet></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>tekst artikelT6.1.1</al><al>In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op
                    brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                    uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van burgemeester en
                    wethouders, een zogenoemde gebruiksvergunning.</al><al>Criteria voor vergunningplicht</al><al>Lid 2</al><al>Onder de voorwaarden als genoemd in het tweede lid van artikel 6.1.1 worden
                    onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en versiering;
                    uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen e.d.;
                    verbrandingsmotoren; toepassen van vuurwerk binnen een gebouw; bewaking en
                    controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand
                    gevaar opleverende stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht;
                    brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne
                    organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                    gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van,
                    alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels.</al><al>Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld. Bewust
                    is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de feitelijke
                    situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorie'n van bouwwerken
                    het aantal personen dat in dat bouwwerk of een gedeelte daarvan kan verblijven
                    als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn geweest het aantal vierkante
                    meters van een bouwwerk of een daarin gelegen verblijfsruimte als objectief
                    criterium te nemen, is toch gekozen voor het aantal personen. Immers, niet het
                    aantal vierkante meters, maar het aantal aanwezigen moet in geval van een
                    calamiteit het gebouw tijdig kunnen verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar
                    het aantal personen niet uit het aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid,
                    bij voorbeeld een discotheek, een op ervaring berustende berekening worden
                    gemaakt van het te verwachten aantal mensen op basis van het gegeven aantal
                    vierkante meters.</al><al>De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair
                    gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals
                    voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke.</al><al>Bij de beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoeveel
                    personen in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit hoofdstuk
                    is de feitelijke - niet de theoretische - situatie te beoordelen. Voor het
                    beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom alleen het
                    feitelijke gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor wordt vermeden,
                    dat in concrete situaties te zware of te lichte eisen worden gesteld.</al><al>De getalscriteria in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van meningen
                    van deskundigen gekozen. Elk getal is arbitrair.</al><al>In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven e.d. een getal van vijf personen
                    gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente vrij een ander getal dan door ons
                    aanbevolen in de verordening vast te stellen. Van primair belang is dat
                    eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk worden verbeterd.</al><al>Aantal toe te laten personen</al><al>De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal toe te laten
                    personen, is noodzakelijk, omdat in de gebruiksvergunning geen bouwkundige eisen
                    mogen worden gesteld. Die staan in het Bouwbesluit. Wanneer gelet op het aantal
                    aanwezige personen en de aard van de activiteiten een extra (nood)uitgang en/of
                    een bredere vluchtroute noodzakelijk is, kan dit niet worden geëist in de
                    gebruiksvergunning.</al><al>De vergunning weigeren is wellicht een te zwaar middel. Beter is het aantal
                    personen te limiteren. Hierbij kan als vuistregel de bij deze toelichting
                    behorende tabel worden gebruikt (bijlage 3 bij de toelichting, tabel maximaal
                    toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de
                    brandveiligheid).</al><al>Draagbare blustoestellen</al><al>De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal en het type
                    draagbare blustoestellen en/of minihaspels omvat ook de plaats van deze
                    blustoestellen. Dit is nodig, omdat sommige stoffen, indien zij in brand staan,
                    alleen geblust kunnen worden met een andere blusstof dan water. Die andere
                    blusstof, die uit poeder, schuim of gassen kan bestaan, bevindt zich in het
                    algemeen in draagbare blustoestellen.</al><al>Overdraagbare gebruiksvergunning</al><al>De vergunning is niet persoonsgebonden. Dit betekent dat de vergunning ook op
                    naam van een rechtspersoon kan staan. Het is vaak gewenst voor elk bouwwerk (of
                    combinatie van bouwwerken) een persoon te kennen die verantwoordelijk is voor de
                    brandveiligheid en die daarop aanspreekbaar is. Dit kan worden bereikt door in
                    de vergunningsvoorwaarden een bepaling op te nemen dat de houder van de
                    vergunning (bij voorbeeld aan de brandweer, afdeling preventie) moet opgeven wie
                    (naam en functie) belast is met de zorg voor de brandveiligheid en dat voorts
                    elke mutatie wordt gemeld. De vergunning is overdraagbaar. Bij een vergunning
                    die niet persoonsgebonden is en voor lange duur geldigheid bezit, is
                    overdraagbaarheid wenselijk.</al><al>Werkingssfeer</al><al>Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een
                    gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van
                    risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de zelfredzaamheid
                    van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken waar een clustering
                    van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen, bejaarden, en/of
                    gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden (hotels, pensions).
                    Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie inrichtingen waarin
                    bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen jurisprudentie bekend
                    waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de gebruiksvergunningplicht
                    zouden vallen.</al><al>Zo vallen alle categorieën gebouwen waarin kinderopvang in de zin van de
                    Welzijnswet 1994 en de (Model-)verordening kinderopvang plaatsvindt, onder het
                    vereiste van een vergunning brandveilig gebruik.</al><al>Bouwwerk in plaats van inrichting</al><al>De term 'inrichting' uit de (model-)Brandbeveiligingsverordening is bij de
                    gebruiksbepalingen in de (model-) Bouwverordening vervangen door 'bouwwerk'. Dit
                    past beter in de terminologie van de Woningwet. Het begrip 'bouwwerk' is ruimer
                    dan 'gebouw' (zie begripsomschrijving in artikel 1.1 van de
                    (model-)Bouwverordening.</al><al>De vergunningplichtige situaties zullen zich veelal afspelen in een gebouw.</al><al>Maar er zijn activiteiten waar meer dan vijftig mensen bijeen zijn en waar de
                    activiteit niet onder één dak plaatsvindt. Bij voorbeeld een openluchtzwembad
                    met tribunes, voetbalveld met tribunes. Dit zijn geen gebouwen, maar wel
                    bouwwerken.</al><al>Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat activiteiten die niet
                    plaatsvinden in een bouwwerk, vallen onder de bepalingen van de
                    (model-)Brandbeveiligingsverordening.</al><al>Voorwaarden</al><al>De in artikel 6.1.1 bedoelde vergunningplicht heeft tot doel in die situaties
                    waar dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te beoordelen op
                    brandveiligheid en zo nodig voorwaarden te verbinden aan het verlenen van een
                    gebruiksvergunning. Ingevolge de Awb moet een dergelijke vergunning op schrift
                    zijn gesteld. De onderwerpen waarop deze voorwaarden betrekking kunnen hebben
                    staan limitatief in het tweede lid van dit artikel. Het artikel is van
                    toepassing in die situatie waarbij er sprake is van een bestaand of nog op te
                    richten bouwwerk, waarin een van de onder a tot en met c genoemde activiteiten
                    plaatsvindt.</al><al>Systematisch kunnen de volgende vier situaties worden onderscheiden, waarin een
                    gebruiksvergunning verplicht is</al><lijst><li nr="1."><al>Nieuw bouwwerk</al></li><li nr=""><al>Een bouwwerk wordt nieuw gebouwd, waarna de vergunningplichtige
                            activiteit aanvangt.</al></li><li nr=""><al>De bouwtechnische eisen gelden volgens het gestelde in het Bouwbesluit
                            en de planologische eisen en de eisen voor de aanwezigheid van
                            brandbeveiligingsinstallaties uit hoofdstuk 2 van de (model-)
                            Bouwverordening 1992 moeten worden nageleefd voor het verkrijgen van de
                            bouwvergunning. De algemene gebruikseisen staan in bijlage 3 en 4 bij de
                            (model-) Bouwverordening 1992 en specifieke gebruikseisen kunnen van
                            geval tot geval worden gesteld opgenomen als voorwaarden in de
                            gebruiksvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Veranderend bouwwerk</al></li><li nr=""><al>Een bestaand bouwwerk wordt verbouwd, waarna de vergunningplichtige
                            activiteit aanvangt, wijzigt c.q. uitbreidt.</al></li><li nr=""><al>Hiervoor geldt de procedure voor nieuwbouw.</al></li><li nr="3."><al>Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik</al></li><li nr=""><al>In een bestaand bouwwerk vangt een vergunningplichtige activiteit voor
                            het eerst aan.</al></li><li nr=""><al>Eerst moet worden gecontroleerd of de bouwkundige toestand van het
                            bouwwerk uit een oogpunt van brandveiligheid verbetering behoeft volgens
                            de voorschriften van het Bouwbesluit, de delen over bestaande
                            bouwwerken. De aanvraag om gebruiksvergunning moet nu worden
                            aangehouden, totdat aan het besluit ingevolge artikel 13 van de
                            Woningwet is voldaan (artikel 6.1.4, lid 3). Toetsingsgronden voor dit
                            besluit kunnen zijn de delen over bestaande en nieuwe bouwwerken en
                            hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de (model-)Bouwverordening. Als dit
                            geregeld is kan de gebruiksvergunning worden verleend, anders mag het
                            nieuwe gebruik niet beginnen. De algemene gebruikseisen staan in de
                            bijlagen 3 en 4 bij de (model-)Bouwverordening 1992 en behoeven dus niet
                            apart te worden opgenomen in de hier bedoelde gebruiksvergunning.</al></li><li nr=""><al>Als een bouwwerk wel voldoet aan het Bouwbesluit, de delen over
                            bestaande bouwwerken, kan de aanvraag om gebruiksvergunning niet worden
                            aangehouden. Een besluit als bovenbedoeld kan echter wel worden gedaan.
                            Als hieraan nog niet zou zijn voldaan, voordat de beslistermijn voor de
                            aanvraag om gebruiksvergunning is verlopen, moet de gebruiksvergunning
                            worden verleend met beperkende voorwaarden of worden geweigerd.</al></li><li nr="4."><al>Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik</al></li><li nr=""><al>In een bestaand bouwwerk vindt een vergunningplichtige activiteit plaats
                            waarvoor nog geen vergunning is verleend.</al></li><li nr=""><al>De hiervoor onder punt 3 beschreven procedure moet ook hier worden
                            gevolgd.</al></li><li nr=""><al>Bedrijfsverzamelgebouw</al></li><li nr=""><al>Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. In een
                            bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden een voor algemeen gebruik
                            bedoeld gedeelte en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan
                            afzonderlijke ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke
                            onderdelen wordt getoetst aan de (model-)Bouwverordening. Dit betekent
                            dat sommige onderdelen een gebruiksvergunning nodig zullen hebben en
                            andere onderdelen vallen onder de algemene gebruikseisen van artikel
                            6.2.1. Het voor algemeen gebruik bedoelde gedeelte van het
                            verzamelgebouw zal veelal worden beheerd door een daartoe in het leven
                            geroepen rechtspersoon. Voor zover in dit algemene gedeelte meer dan 50
                            personen aanwezig zullen zijn, is daarvoor ook een gebruiksvergunning
                            vereist.</al></li></lijst><al>Wijziging gebruiksvergunning</al><al>Er kan reden zijn de voorwaarden van een gebruiksvergunning te wijzigen of aan
                    te vullen, ook zonder dat het bouwwerk of het gebruik ervan wijzigt. De reden
                    ligt dan in gewijzigde inzichten omtrent de risico's en/of gewijzigde
                    omstandigheden buiten het bouwwerk waarin de vergunningplichtige activiteiten
                    plaatsvinden.</al><al>Een wijziging van de vergunning wordt afzonderlijk in artikel 6.1.1, lid 3,
                    geregeld. Een gebruiksvergunning heeft een veel langere werkingsduur dan een
                    bouwvergunning. Daarom is de kans dat behoefte bestaat aan wijzigingen veel
                    groter. De behoefte aan wijziging of aanvulling van een vergunning kan van twee
                    kanten komen. Van de vergunninghouder en van de overheid. De vergunninghouder
                    kan een nieuwe gebruiksvergunning aanvragen. De overheid kan dit niet. De stand
                    van de techniek, de inzichten en kennis omtrent brandveilig gebruik kunnen
                    wijzigen. Dan is het goed dat de overheid de bevoegdheid heeft een vergunning te
                    wijzigen of aan te vullen.</al><al>Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem, waarbij niet telkens
                    bij wijziging van het gebruik of wijziging van het bouwwerk een zgn.
                    wijzigingsvergunning nodig is. In geval van een dergelijke verandering moet een
                    nieuwe vergunning worden aangevraagd en wordt de hele situatie beoordeeld. Het
                    werk dat is verbonden aan een wijzigingsvergunning is vrijwel gelijk aan het
                    afgeven van een nieuwe vergunning.</al><al>Het onderhavige vergunningstelsel in de bouwverordening impliceert het onbeperkt
                    geldig zijn van een gebruiksvergunning, zolang althans het gemeentelijk
                    preventiebeleid en de wijze van gebruik van een bouwwerk niet veranderen. Tevens
                    past het in de sys-tematiek van de bouwverordening dat de tenaamstelling van een
                    gebruiksvergunning desgevraagd zonder meer wordt gewijzigd, indien de nieuwe
                    vergunninghouder de wijze van gebruik van het bouwwerk niet verandert. Er
                    bestaan echter gemeentelijke bouwverordeningen waarin de gebruiksvergunning een
                    beperkte geldigheidsduur heeft en/of persoonsgebonden is. In een dergelijke
                    bouwverordening is de beperkte geldigheidsduur in hoofdzaak bedoeld om in te
                    kunnen spelen op het vaak ongemeld, wijzigend gebruik ten gevolge van
                    veranderingen in de bedrijfsvoering. Aldus ontstaat er een redelijk evenwicht
                    tussen de opbrengst van de legesheffing bij een te hernieuwen aanvraag en de
                    kosten voor handhaving, indien wordt afgeweken van de voorwaarden in de eerder
                    verleende gebruiksvergunning. De persoonsgebondenheid van genoemde
                    gebruiksvergunningen is in hoofdzaak bedoeld om van gemeentewege de dynamiek van
                    de wisselingen in de bedrijfsvoering door nieuwe exploitanten in het
                    desbetreffende bouwwerk onmiddellijk te kunnen volgen. In het rapport-Alders
                    (cafébrand Volendam, Nieuwjaar 2001) is een aanbeveling opgenomen om te
                    onderzoeken of het de voorkeur zou verdienen om landelijk op persoonsgebonden
                    gebruiksvergunningen met een beperkte geldigheidsduur over te stappen.</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>Dit artikel is zoveel mogelijk afgestemd op de aanvraag bouwvergunning; zie het
                    Besluit indieningsvereisten. Het al dan niet afgeven van een gebruiksvergunning
                    is een beschikking. Dat betekent dat er ingevolge artikel 4:1 van de Awb een
                    schriftelijke aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Dat
                    is immers ingevolge het eerste lid van artikel 6.1.1 het bevoegde
                    bestuursorgaan. Daarnaast stelt de Awb de eis dat de aanvraag moet worden
                    ondertekend (artikel 4:2 Awb). Dit moet gebeuren door de aanvrager of diens
                    gemachtigde (op grond van artikel 2:1 Awb is dit mogelijk). De bij de aanvraag
                    behorende bescheiden moeten ingevolge het zesde lid van artikel 6.1.2 tevens
                    worden ondertekend of gewaarmerkt.</al><al>Met betrekking tot het vierde lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al>Het vijfde lid is nodig om voor bij elkaar behorende bouwwerken een vergunning
                    te kunnen aanvragen. Er bestaat dan ook aansluiting met de
                    (Model-)Brandbeveiligingsverordening. Meerdere bouwwerken op één terrein kunnen
                    samen één vergunningplichtig object vormen. Bij voorbeeld een gezinsvervangend
                    tehuis bestaande uit meerdere paviljoens. Een inrichting als daar bedoeld kan
                    bestaan uit meerdere bouwwerken op één terrein.</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Incomplete aanvraag</al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                    nemen. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat
                    de aanvrager eerst in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het
                    bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. In artikel 6.1.3 van
                    de (Model-)bouwverordening is deze termijn gesteld op vier weken (zoals dat ook
                    in artikel 47 van de Woningwet is geregeld voor de bouwvergunning).</al><al>Per 1 april 2007 is artikel 47 van de Woningwet vervallen, waardoor de
                    gebruiksvergunningsprocedure evenals de bouwvergunningprocedure op het punt van
                    het niet in behandeling nemen van een onvolledige aanvraag om gebruiksvergunning
                    geheel Awb-conform is gemaakt. De door het bestuursorgaan te stellen termijn
                    begint te lopen op het moment dat het bestuursorgaan de uitnodiging om de
                    aanvraag aan te vullen verzendt. Een dergelijke mededeling is een beschikking in
                    de zin van de Awb. Aangenomen moet worden dat de aanvrager de door het
                    bestuursorgaan gestelde termijn volledig kan benutten. Dit houdt in dat de
                    aanvrager ook zijn aanvulling in delen kan indienen. Van de aanvrager mag in
                    geval van aanvulling in delen worden verlangd dat hij aangeeft of en zo ja welke
                    aanvullingen nog binnen de gestelde termijn zullen volgen. Dit laat onverlet dat
                    burgemeester en wethouders de aanvrager er op kunnen wijzen dat de aanvulling
                    niet voldoende is. Aan het eind van de gestelde termijn moet echter de aanvraag
                    volledig zijn aangevuld. Wordt de aanvraag niet of onvoldoende aangevuld, dan
                    kunnen burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen. Een
                    dergelijk besluit moet ingevolge het vierde lid van artikel 4:5 Awb worden
                    genomen binnen vier weken nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken, dan wel de gemeente aan het eind van de gestelde termijn concludeert
                    dat de aanvrager onvoldoende gegevens heeft ingediend.</al><al>Beslistermijn gebruiksvergunning</al><al>Op grond van artikel 6.1.4, lid 1 bouwverordening dient op een aanvraag om
                    gebruiksvergunning, binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag, te worden
                    beslist (een en ander in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 4:13
                    Awb).</al><al>Indien burgemeester en wethouders verzoeken om aanvulling wordt ingevolge de
                    regeling van artikel 4:15 Awb de beslistermijn voor de aanvraag om
                    gebruiksvergunning opgeschort. De opschorting van de termijn gaat in op de dag
                    waarop het bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te vullen verzendt
                    en eindigt op de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Hierdoor wordt de beslistermijn op de
                    aanvraag dus verlengd.</al><al>Als ezelsbruggetje kan dienen dat de periode gedurende welke de termijn is
                    opgeschort, opgeteld moet worden bij de beslistermijn op de aanvraag. Wordt een
                    aanvraag om gebruiksvergunning (beslistermijn: twaalf weken) opgeschort voor een
                    periode van bijvoorbeeld acht dagen (de tijd die loopt vanaf de verzending van
                    de uitnodiging door burgemeester en wethouders om nadere gegevens in te dienen
                    tot aan de dag van het daadwerkelijk indienen van die gegevens door de
                    aanvrager), dan wordt de beslistermijn twaalf weken plus acht dagen.</al><al>Opvallend is dat artikel 4:5, lid 4 Awb spreekt van 'nadat' en 4:15 spreekt van
                    'tot'. Dit betekent dat de beslistermijn op de aanvraag gaat lopen op de laatste
                    dag van de gestelde termijn of op de dag dat voldoende gegevens zijn ingediend,
                    terwijl de beslistermijn om de aanvraag niet in behandeling te nemen gaat lopen
                    op de dag na het verstrijken van de gestelde termijn.</al><al>Op grond van artikel 3:40 jo 3:41 Awb moet de beslissing op de aanvraag op de
                    laatste dag van de termijn worden verzonden of uitgereikt. Zie ook de uitspraak
                    van de Vz. ARRS van 3 juni 1993, AB 1993, 538, m.nt. PvB, BR 1993, p. 604, m.nt.
                    Weerkamp.</al><al>Voor de berekening van de termijnen is artikel 145 Gemeentewet jo de Algemene
                    termijnenwet (wet van 25 juli 1964, Stb. 314) van belang. Op grond van artikel
                    4, sub a geldt deze wet niet voor termijnen van meer dan 12 weken.</al><al>Voorbeelden</al><al>Om deze ingewikkelde materie te verduidelijken, volgt hieronder een aantal
                    voorbeelden, waarbij is uitgegaan van een niet-schrikkeljaar:</al><al>Voorbeeld 1:</al><al>De aanvraag om gebruiksvergunning wordt ingediend op 3 januari. De termijn
                    begint te lopen op de dag van ontvangst van de aanvraag 3 januari en eindigt op
                    28 maart, waarbij de laatste dag dat de beslissing ter kennis kan worden
                    gebracht van de aanvrager 27 maart is. Op 10 januari constateren burgemeester en
                    wethouders dat de aanvraag niet compleet is. Nog diezelfde dag wordt de
                    aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, en wordt hij in de
                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens in te dienen. De beslistermijn van
                    de gebruiksvergunning van twaalf weken (artikel 6.1.4, lid 1) wordt opgeschort
                    ingevolge artikel 4:15 van de Awb. Stel voor het indienen van de ontbrekende
                    gegevens heeft de aanvrager ingevolge artikel 6.1.3 vier weken. De laatste dag
                    dat de aanvrager de ontbrekende gegevens kan indienen is op 6 februari. Op 20
                    januari worden alle ontbrekende gegevens ingediend. De termijn is dus 10 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 19 januari. De
                    beslistermijn begint op 20 januari weer te lopen. Bij de termijn van twaalf
                    weken worden dus tien dagen opgeteld. De beslissing moet derhalve uiterlijk op 6
                    april worden verzonden of uitgereikt.</al><al>Voorbeeld 2:</al><al>Ook hier wordt op 3 januari een aanvraag ingediend, waarvan op 10 januari wordt
                    geconstateerd dat deze niet compleet is. Wederom wordt op dezelfde dag de
                    aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, met het verzoek de
                    aanvraag aan te vullen. De beslistermijn van de gebruiksvergunning van twaalf
                    weken (artikel 6.1.4, lid 1 (Model)bouwverordening) wordt opgeschort ingevolge
                    artikel 4:15 van de Awb. De gestelde termijn als bedoeld in artikel 6.1.3
                    verstrijkt echter zonder dat er nadere gegevens worden overgelegd. Na het
                    verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 6.1.3 begint de beslistermijn
                    op de aanvraag om gebruiksvergunning weer te lopen. De termijn is dus 27 dagen
                    opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot en met 6 februari. De
                    beslistermijn begint dus weer te lopen op 7 februari.</al><al>Burgemeester en wethouders hebben nu de bevoegdheid om te besluiten de aanvraag
                    niet in behandeling te nemen. Deze bevoegdheid kan worden ontleend aan artikel
                    4:5, lid 1, van de Awb. Het vierde lid van dit artikel eist wel dat burgemeester
                    en wethouders dit besluit aan de aanvrager bekendmaken binnen vier weken nadat
                    de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. In casu begint deze termijn te lopen op 7 februari en moet het
                    besluit tot het niet in behandeling nemen dus uiterlijk op 6 maart worden
                    verzonden of uitgereikt. Gebeurt dat niet, dan moet uiterlijk op 24 april de
                    beslissing op de aanvraag worden verzonden of uitgereikt. Dit is de termijn van
                    twaalf weken, verlengd met 27 dagen.</al><al>De gebruiksvergunning kan niet eerder worden verleend dan de bouwvergunning</al><al>De verschillen in procedure van de behandeling van een aanvraag om
                    bouwvergunning en van een aanvraag om een gebruiksvergunning zouden ertoe kunnen
                    leiden dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de bouwvergunning.
                    Omdat dit ongewenst wordt geacht is in de volgende artikelen een regeling
                    opgenomen die verhindert dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de
                    bouwvergunning, uiteraard voor zover beide vergunningen zijn vereist. Artikel
                    6.1.4, derde lid, bepaalt dat de beslissing over de gebruiksvergunning wordt
                    aangehouden zolang niet is beslist over de bouwvergunning. En artikel 6.1.5
                    noemt onder letter b als weigeringgrond voor de gebruiksvergunning de
                    omstandigheid dat de bouwvergunning is geweigerd.</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 6.1.3 betekent dat, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 6.1.3.</al><al>Het derde lid is gewenst ten einde te voorkomen dat voor een te bouwen bouwwerk
                    eerst een gebruiksvergunning wordt afgegeven en vervolgens de bouwvergunning
                    wordt geweigerd, dan wel dat een gebruiksvergunning wordt afgegeven als nog niet
                    aan de een besluit tot toepassing van bestuursdwang of opleggen van een dwangsom
                    dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is voldaan. Het
                    spreekt vanzelf dat het hier gaat om een handhavingsbesluit dan wel een besluit
                    ingevolge artikel 13 van de Woningwet met betrekking tot de brandveiligheid.
                    Voor de overzichtelijkheid is een splitsing gemaakt in a en b. De duur van de
                    aanhouding is niet aan een maximum gebonden. Met betrekking tot de
                    bouwvergunning kan worden gesteld dat de aanvrager het in zijn eigen macht heeft
                    tijdig een bouwvergunning aan te vragen. Een handhavingsbesluit dan wel een
                    besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet komt evenwel van de zijde van de
                    gemeente. De aanvrager heeft geen invloed op het tijdstip wanneer hij een
                    handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                    krijgt. Daarom is bepaald dat binnen twaalf weken - de termijn vermeld in het
                    eerste lid - een handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van
                    de Woningwet door burgemeester en wethouders moet zijn verzonden.</al><al>Voor zover dit lid kan worden aangemerkt als een coördinatiebepaling, geldt dit
                    alleen voor de termijn van beslissing en niet voor de inhoud van de beide
                    vergunningen. Inhoudelijke afstemming van vergunningen kan wenselijk zijn, doch
                    dient per gemeente te worden geregeld. Het gaat dan om een
                    internorganisatorische afspraak.</al><al>De termijn van zes weken uit het vierde lid is opgenomen in verband met
                    mogelijke bezwaarschriften die kunnen worden ingediend tegen de verleende
                    vergunning. De Awb stelt in artikel 6:7 de termijn voor het indienen van een
                    bezwaarschrift op zes weken.</al><al>Vanaf 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                    vervallen. Het gevolg daarvan is dat het niet naleven van de voorschriften van
                    het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening een overtreding vormt waartegen
                    direct met toepassing van bestuursdwang of plegging van een last onder dwangsom
                    kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog een specifieke aanschrijving
                    vereist is. Voor wat betreft de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 gaat deze
                    systematiek vanaf genoemde datum voor alle gevallen gelden (artikel 1b
                    Woningwet), voor de bouwverordening wordt dezelfde systematiek geïntroduceerd in
                    de vorm van artikel 7b Woningwet. Deze vereenvoudiging houdt in dat burgemeester
                    en wethouders, om de naleving van genoemde regelgeving af te dwingen, niet
                    langer gebruik hoeven te maken van een bijzondere aanschrijfbevoegdheid alvorens
                    tot de toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom
                    over te kunnen gaan. In de nieuwe systematiek zal bij het niet voldoen aan
                    genoemde regelgeving sprake zijn van een overtreding waartegen direct met de
                    generieke handhavingsbevoegdheid van artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang
                    met de artikelen 5:21 en volgende of de artikelen 5:32 en volgende van de Awb
                    kan worden opgetreden. Met deze bevoegdheid kan worden afgedwongen dat het
                    bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats gaat voldoen
                    aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan
                    of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is met
                    de bouwverordening. Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt
                    artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting
                    bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de
                    gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                    handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke
                    voorschriften van het Bouwbesluit 2003 dan wel de bouwverordening, het bouwen of
                    de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke
                    voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die
                    standplaats weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht.
                    Door zelf binnen de gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden
                    dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van
                    bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid van de
                    Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan
                    de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van
                    State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een
                    voorlopige voorziening te vragen.</al><al>In artikel 14a van de Woningwet wordt –evenals dat het geval was in het
                    vervallen artikel 21 Woningwet (oud)- bepaald dat degene tot wie een
                    handhavingsbesluit is gericht of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
                    rechtsopvolger, verplicht is daaraan te voldoen. Artikel 5:24 Awb bepaalt dat in
                    spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij brandgevaar, de uitvoering van het
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang direct ter hand kan worden genomen.
                    Toch kan voor het realiseren van de in het handhavingsbesluit verlangde
                    bouwkundige voorzieningen enige tijd nodig zijn. In het handhavingsbesluit wordt
                    daartoe een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende zelf in staat wordt
                    gesteld de overtreding te beëindigen. Indien het handhavingsbesluit betrekking
                    heeft op een bouwwerk dat reeds in gebruik is, kan het nodig zijn –wegens
                    genoemd gevaar- tijdelijk het gebruik te beëindigen. In artikel 100d van de
                    Woningwet wordt daarin vanaf 1 april 2007 voorzien. Artikel 15 van de Woningwet
                    bepaalt dat een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet gelijktijdig
                    kan worden genomen met een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                    van een last onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde
                    besluit.</al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>Er wordt op gewezen dat de weigeringgronden limitatief en dwingend ('moeten')
                    zijn geformuleerd.</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 59 Woningwet. Niet
                    genoemd is in dit artikel het intrekken van een vergunning op verzoek van degene
                    op wiens naam de vergunning is gesteld. Een dergelijke bepaling is overbodig,
                    omdat op verzoek van de houder een vergunning altijd kan worden
                    ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>De personen belast met de naleving van dit hoofdstuk zijn alle ambtenaren belast
                    met een algemene opsporingsbevoegdheid (politie), personen belast met het
                    toezicht op de hele bouwverordening (zie Woningwet), en personen die speciaal
                    zijn belast met het toezicht op dit hoofdstuk. Deze laatsten zullen veelal
                    brandweermensen zijn.</al><al><vet>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</vet></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>De hier bedoelde gebruikseisen hebben niet het karakter van
                    vergunningvoorschriften. De gebruikseisen hebben een directe werking, zogenoemde
                    directe normstelling. In de bijlage vindt een nadere clausulering plaats naar
                    omstandigheden. Bepaalde eisen gelden derhalve slechts in bepaalde
                    omstandigheden. De voorkeur voor bijlagen in plaats van vermelding direct in de
                    verordening berust hierop dat een bijlage in kopie kan worden verstrekt aan
                    iemand die een bouwwerk exploiteert en daarmee nog eens kan worden gewezen op de
                    voor hem of haar geldende eisen.</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>In beginsel is het verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te
                    hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen
                    gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte
                    voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk
                    gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de
                    ondergrenzen die in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet Milieubeheer</extref> worden gesteld. De aanwezige stoffen moeten
                    volgens de aanwijzingen op de verpakking worden gebruikt en mogen uitsluitend op
                    de in bijlage 5 aangegeven wijze worden opgeslagen.</al><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</vet></al><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>Brandbeveiligingsvoorzieningen en vluchtroutes moeten altijd voor onmiddellijk
                    gebruik beschikbaar zijn. Het is verboden om het gebruik van deze
                    brandbeveiligingsvoorzieningen te belemmeren. De als Nederlandse norm aanvaarde
                    Europese norm NEN-EN 671-1 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen –
                    deel 1: Brandslanghaspels met vormvaste slang’ geeft richtlijnen zodat het
                    efficiënt gebruik van brandslangsystemen is gegarandeerd.</al><al>In hoofdstuk 8 van deze norm worden eisen gesteld aan de kasten waarin
                    brandslanghaspels opgehangen kunnen worden. Volgens NEN-EN 671-1 is het
                    toegestaan brandslanghaspelkasten te voorzien van een deur en een slot. Het
                    toepassen van een slot is uitsluitend toegestaan wanneer er op de kast een
                    breekruitje is aangebracht waarmee de kast kan worden geopend. Wanneer het
                    breekruitje wordt ingedrukt, mogen er geen scherpe randen aanwezig zijn waardoor
                    mensen zich kunnen bezeren. Om in geval van controle en onderhoud de kast te
                    kunnen openen, moet het slot met een sleutel geopend kunnen worden, zodat het
                    breekruitje niet steeds vervangen hoeft te worden. Handbrandmelders en
                    automatische brandmelders mogen niet zodanig afgeschermd worden dat de goede
                    werking wordt belemmerd.</al><al>Alle voorzieningen voor ontvluchting en redding van personen en dieren moeten
                    onmiddellijk beschikbaar zijn.</al><al>De opsomming van genoemde voorbeelden is oneindig.</al><al><vet>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al><vet>Artikel 6.4.1 geeft aan dat de volgende situaties verboden zijn:</vet></al><lijst><li nr="•"><al>Het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in de gemeenschappelijke
                            trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen;</al></li><li nr="•"><al>Veroorzaken van brandgevaar door het opslaan van brandbaar
                            materiaal;</al></li><li nr="•"><al>Veroorzaken van brandgevaar door het toepassen van bekleding, stoffering
                            en versiering. In de toelichting bij artikel 2 van bijlage 4 wordt een
                            handvat gegeven ten aanzien van brandveilig gebruik van bekleding,
                            stoffering en versiering. Deze moet ten minste voldoen aan de eisen ten
                            aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in het Bouwbesluit
                            2003 die op die locatie gelden voor constructieonderdelen. Afhankelijk
                            van de aard en de situatie kunnen aan de bekleding, stoffering en
                            versiering hogere eisen worden gesteld door burgemeester en
                            wethouders.</al></li><li nr="•"><al>Het op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze verspreiden van
                            vonken en roet ten gevolge van zogenaamde allesbranders, open haarden en
                            barbecues;</al></li><li nr="•"><al>Het zodanig verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                            herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als
                            bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden
                            gebruikt, dat het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van
                            brand.</al></li><li nr="•"><al>Het belemmeren van het gebruik van vluchtmogelijkheden. Dit betekent dat
                            de volgende voorzieningen noodzakelijk zijn </al><lijst><li nr="°"><al>wanneer gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en
                                    nooduitgang e.d. zodanig zijn aangebracht, moeten deze met de
                                    deuren meedraaien en nooit het openen van de deuren belemmeren
                                    en/of verhinderen;</al></li><li nr="°"><al>kabels en snoeren die over de vloer lopen, worden met goede
                                    plakstrips vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of
                                    vallen wordt voorkomen;</al></li><li nr="°"><al>indien er sprake is van rookvorming, veroorzaakt door
                                    bijvoorbeeld een rookapparaat of koudijs of op andere wijze
                                    gemaakt, verhindert dit nooit een snelle ontruiming;</al></li><li nr="°"><al>vloer- en trapbedekkingen worden zodanig aangebracht dat zij
                                    niet kunnen verschuiven, omkrullen of oprollen. Vloer- en
                                    trapbedekkingen veroorzaken nooit gevaar voor uitglijden,
                                    struikelen of vallen;</al></li><li nr="°"><al>obstakels in een vluchtroute zijn niet toegestaan;</al></li><li nr="°"><al>vluchtroutes moeten voldoende stroef zijn. Dit wil zeggen dat er
                                    geen kans bestaat dat mensen uitglijden. Gladheid als gevolg van
                                    regenval moet voorkomen worden en de vluchtroute moet
                                    vrijgehouden worden van sneeuw en ijs.</al></li></lijst></li><li nr="Daarnaast"><al>moet de volgende maatregelen genomen worden om brandgevaar te
                            voorkomen:</al></li><li nr="•"><al>In het bouwwerk mogen geen verwarmingstoestellen met afvoergelegenheid
                            voor rookgassen aanwezig zijn zonder dat deze op een rookkanaal zijn
                            aangesloten;</al></li><li nr="•"><al>Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast
                            opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door
                            middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit een KIWA goedgekeurde
                            slang zijn. De slang moet met deugdelijke slangklemmen op de
                            slangpilaren bevestigd zijn; </al><lijst><li nr="•"><al>De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn;</al></li><li nr="°"><al>Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk
                                    ontvlambare, standaards zijn vastgezet;</al></li><li nr="°"><al>Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed
                                    af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal,
                                    voorzover de containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld;</al></li><li nr="°"><al>Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden
                                    geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal.
                                    De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare
                                    vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden
                                    gedeponeerd.</al></li></lijst></li><li nr="•"><al>Voor iedere voorstelling moet de ruimte onder de tribunes van papier en
                            ander afval zijn ontdaan;</al></li><li nr="•"><al>Decorstukken mogen niet onder het brandscherm doorgebouw worden;</al></li><li nr="•"><al>Het brandscherm mag tijdens de aanwezigheid van publiek in de zaal
                            alléén geopend zijn, indien er een door de commandant van de brandweer
                            erkende theaterwacht bij het bedieningsmechanisme aanwezig is;</al></li><li nr="•"><al>Het gebruik van vuurwerk in een gebouw is verboden;</al></li><li nr="•"><al>Het gebruik van open vuur in een gebouw is verboden.</al></li></lijst><al>De lijst met genoemde voorbeelden is niet limitatief. Er zijn meerdere
                    voorbeelden te bedenken.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 7 - Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik,
                    genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6
                    van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</vet></al><al><vet>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                        woonketen</vet></al><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet. Zij
                    zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist,
                    van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al><al>Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel
                    7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien
                    verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste
                    12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen
                    gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van het aantal aanwezige
                    personen worden beschikt over een vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze
                    bouwverordening ('vergunning brandveilig gebruik')</al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in
                    principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten,
                    respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al><vet>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van
                        gebruik</vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                    het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                    artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van
                    burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te
                    beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</al><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al><al>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling.</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352
                    bouwverordening.</al><al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van
                    1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te
                    regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer
                    is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 bouwverordening moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van
                    artikel 8 van de Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352
                    bouwverordening opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de
                    gemeente bij invoering van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en
                    dus ook artikel 352 ingetrokken.</al><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352
                    bouwverordening niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden
                    en herleeft op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of
                    is ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 bouwverordening nog bestaat volgt
                    hierna de toelichting die daarop betrekking heeft.</al><al><vet>Artikel 352 MBV 1965</vet></al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                    complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al><al>Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                    gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaven op grond
                    van de Woningwet dus mogelijk maakt.</al><al>Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                    schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                    plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is
                    geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te worden
                    opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het
                    onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model- APV
                    (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel
                    7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd
                    met bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot
                    een bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de
                    omgeving hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in,
                    op, aan of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening
                    nodig.</al><al>Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in plaats
                    van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer
                    worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of
                    voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde
                    gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het
                    veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere
                    wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op
                    gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare
                    vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen
                    of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                    verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt.</al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen
                    die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein
                    zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels
                    gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen
                    een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                    aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van
                    sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                    overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende
                    aantoonbaar.</al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom’ en ‘artikel 14 e.v.’ door: artikel 13
                    worden gebaseerd op overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13. van de
                    Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                    rechtvaardigen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren
                    een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</al><al>Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                    vergunningplichtige inrichtingen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geldt
                    het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt
                    dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop
                    de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn.
                    Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor
                    het houden van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop
                    horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot geluid- en
                    trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met
                    4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze zogenaamde
                    twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de
                    (Model-)bouwverordening.</al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1Preventie</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en wethouders
                    de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en
                    met 7.2.3.</al><al><vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al><al><vet>Toelichting - 7A - Kamerbewoning</vet></al><al><vet>Artikel 7.7.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Het begrip ‘onzelfstandige woonruimte’ is juridisch geformuleerd wat in
                    spreektaal met ‘kamer’ wordt aangeduid. Onzelfstandige woonruimte dient afgezet
                    te worden tegen het begrip ‘zelfstandige woonruimte’, te definiëren
                    als:‘woonruimte achter één eigen afsluitbare toegang, die door één huishouden
                    wordt bewoond zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen (als
                    keuken, douche of toilet) buiten die woonruimte.’</al><al>De definities roepen de vraag op wat als ‘één huishouden’ moet worden beschouwd.
                    Een huishouden is een sociaal-economische eenheid. Het bestaan van een of meer
                    huishoudens dient afgeleid te worden uit de feitelijke omstandigheden van het
                    geval. Hierbij kan gedacht worden aan de (contractuele) verhoudingen tussen
                    eigenaar en bewoners, hun verklaringen over de woonsituatie, de indeling en
                    aankleding van het pand (bijvoorbeeld de aanwezigheid van meerdere bellen of
                    meerdere zit/slaapkamers) en de aard van de inschrijvingen in het GBA.</al><al>Het begrip ‘kamerbewoningpand’ is gekozen omdat de oorspronkelijk gebruikte term
                    ‘kamerverhuurpand’ ten onrechte de indruk wekt dat de privaatrechtelijke
                    verhouding tussen eigenaar en bewoners doorslaggevend is voor de
                    vergunningplicht. Ook waar deze relatie onduidelijk is kan sprake zijn van
                    vergunningplichtige kamerbewoning. Het begrip is zodanig gedefinieerd dat kleine
                    gevallen van kamerbewoning met maximaal twee onzelfstandige woonruimtes niet
                    onder de vergunningplicht vallen. Deze vorm van kamerbewoning komt weinig voor
                    en de consequenties ervan zijn in het algemeen niet zodanig dat een
                    vergunningplicht gerechtvaardigd is. Ook de klassieke situatie van
                    ‘een-hospita-met-één-huurder’ is dus niet vergunningplichtig.</al><al>Het begrip ‘exploitant’ is ruim geformuleerd om ook onduidelijke
                    (stroman)constructies te kunnen passeren. Op grond van de omstandigheden van het
                    geval zal beslist moeten worden wie als hoofdverantwoordelijke voor de
                    exploitatie van het pand moet worden aangemerkt.</al><al><vet>Artikel 7.7.2 Vergunning kamerbewoning</vet></al><al>Het verbod van lid 1 vormt het aangrijpingspunt van het vergunningenstelsel. Het
                    verbod is ruim geformuleerd om eventuele stromanconstructies te kunnen
                    passeren.</al><al>Om soortgelijke redenen stelt lid 2 dat de vergunning strikt persoonlijk is. Het
                    toezicht is bij een persoonlijke vergunning eenvoudiger en de
                    verantwoordelijkheidstoedeling is duidelijker.</al><al>Op grond van lid 3 kunnen burgemeester en wethouders categorieën vrijstellen.
                    Hierbij is vooral gedacht aan exploitatie door organisaties die zelf over een
                    adequaat systeem voor de waarborging van de kwaliteit beschikken. In de regeling
                    zijn normen opgenomen voor een onderbouwde, open en democratische
                    besluitvorming.</al><al><vet>Artikel 7.7.3 Gebruikseisen en algemene regels</vet></al><al>Artikel 6.2.1 lid 1 van de Bouwverordening bepaalt dat de gebruikseisen uit
                    bijlage 3 van toepassing zijn op alle bouwwerken. Dit geldt dus ook voor
                    kamerbewoningpanden. Ter voorkoming van misverstanden wordt hier in het eerste
                    lid nogmaals op gewezen.</al><al>Daarnaast gelden de algemene regels voor kamerbewoningpanden uit bijlage 14.
                    Deze algemene regels worden vastgesteld door burgemeester en wethouders. Dit
                    maakt het mogelijk om snel in te spelen op de kennisvergroting die ontstaat
                    gedurende de vergunningverlening. Het is niet onwaarschijnlijk dat in de
                    praktijk zal blijken dat voor bepaalde categorieën panden aangepaste regels
                    effectiever zijn.</al><al>Uit de inventarisatie is reeds gebleken dat de kamerbewoningpanden zeer divers
                    van aard zijn en dat moeilijk een gemene deler te vinden is. Daarom maakt het
                    vierde lid het mogelijk gemotiveerd ontheffing te verlenen van de algemene
                    regels. Het kan voorkomen dat door de specifieke eigenschappen van een pand een
                    bepaalde eis niet is na te komen, of dat de kosten van nakoming niet in
                    verhouding staan tot de veiligheidswinst. Er zijn dan geen bezwaren tegen een
                    ontheffing, als op een andere wijze een acceptabel niveau van veiligheid wordt
                    gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 7.7.4 Aanvraag vergunning kamerbewoning</vet></al><al>Lid 1 drukt nogmaals uit dat de exploitant persoonlijk verantwoordelijk is voor
                    de aanvraag. Het vierde lid regelt de extra eisen die aan een aanvraag worden
                    gesteld als het pand tevens gebruiksvergunningplichtig is.</al><al><vet>Artikel 7.7.5 Termijn van beslissing</vet></al><al>De beslissingstermijn sluit aan bij de gebruikelijke termijnen voor bouw- en
                    gebruiksvergunningen. Er is een coördinatieregeling opgenomen in verband met de
                    behandeling van andere vergunningen. Op deze wijze kan de inhoud van de diverse
                    vergunningen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast wordt voorkomen dat een
                    vergunning moet worden verleend, terwijl een andere benodigde vergunning niet
                    kan worden verleend.</al><al>Lid 3a: lex silencio positivo</al><al>De vergunning voor verhuren van kamers valt onder de Dienstenrichtlijn. Er zijn
                    verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde
                    en de openbare veiligheid, die maken dat een lex silencio hier niet gewenst
                    is.</al><al><vet>Artikel 7.7.6 Weigeren vergunning kamerbewoning</vet></al><al>Als sluitstuk is tevens een coördinatieregeling opgenomen voor de weigering van
                    de vergunning. Als andere noodzakelijke vergunningen niet worden verleend, is
                    het mogelijk op deze grond ook de vergunning kamerbewoning te weigeren. Op deze
                    wijze worden (schijnbaar) tegenstrijdige effecten van regelgeving
                    voorkomen.</al><al>De formulering dat de vergunning “in ieder geval” kan worden geweigerd, drukt
                    uit dat de vergunning ook kan worden geweigerd op algemeen bestuursrechtelijke
                    grondslag, bijvoorbeeld als blijkt dat de aanvraag valselijk is.</al><al>De onder e genoemde weigeringsgrond is bedoeld als excessenregeling.</al><al><vet>Artikel 7.7.7 Geldingsduur van de vergunning kamerbewoning</vet></al><al>Aansluitend op wat hierboven is opgemerkt over het persoonlijke karakter van de
                    vergunning én het toezicht dat van gemeentewege op kamerbewoningpanden nodig is,
                    is er voor gekozen om de vergunning van rechtswege te laten vervallen als zich
                    een relevante en niet vergunde wijziging in de kamerbewoningsituatie voordoet.
                    De verantwoordelijkheid voor het tijdig aanvragen van de benodigde toestemming
                    voor wijzigingen wordt bij de exploitant gelaten.</al><al>Op deze wijze wordt ook voorkomen dat er “slapende” vergunningen ontstaan. Bij
                    beëindiging van de kamerbewoning wijzigt de bezettingsgraad en vervalt de
                    vergunning.</al><al><vet>Artikel 7.7.8 Wijziging van de vergunning kamerbewoning</vet></al><al>Het initiatief voor het aanvragen van een wijzigingsvergunning ligt bij de
                    exploitant. De procedure is identiek aan die voor de oorspronkelijke vergunning.
                    Wanneer de wijziging ondergeschikt is wordt een gereduceerd legestarief
                    gehanteerd.</al><al><vet>Artikel 7.7.9 Voorwaarden en voorschriften vergunning
                    kamerbewoning.</vet></al><al>In artikel 7a.3 is een aantal algemene regels van toepassing verklaard op
                    kamerbewoningpanden. Artikel 7a.7b maakt het mogelijk om in specifieke gevallen
                    verder te verfijnen door voorschriften en voorwaarden aan de vergunning te
                    verbinden. Deze voorwaarden en voorschriften dienen uiteraard wel binnen het
                    taakveld en doel van deze verordening te liggen.</al><al><vet>Artikel 7.7.10 Intrekken vergunning kamerbewoning</vet></al><al>De “in ieder geval-formulering” maakt ook intrekking op andere, algemeen
                    bestuursrechtelijke gronden mogelijk. De meeste intrekkingsgronden spreken voor
                    zich. De onder c genoemde zijn bedoeld om slapende vergunningen tegen te gaan.
                    Onder k is een excessenregeling vergelijkbaar met die van artikel 7a.6
                    geformuleerd.</al><al><vet>Artikel 7.7.11 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>De veiligheid en leefbaarheid in een kamerbewoningpand is primair de
                    verantwoordelijkheid van exploitant en bewoners. Deze verplichting maakt dat
                    alle betrokkenen op de hoogte kunnen zijn van de belangrijkste regels die gelden
                    voor het pand.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 8 - Slopen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit. 2005 In
                    dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de
                    vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke
                    sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de
                    bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel
                    mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief
                    gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze
                    toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren
                    van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is
                    in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren
                    afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van
                    zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                    haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest -
                    voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</al><al><vet>Asbest</vet></al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit
                    gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005,
                    Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al>Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. Artikel 8,
                    negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft
                    om dit deel van het besluit - in casu de artikelen 10 en 11 in de
                    bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen
                    zijn.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al><vet>Incident</vet></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                    asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al><vet>Certificering</vet></al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                    Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax:
                    0317-425725, website: www.ascert.nl.</al><al><vet>Risicoklasse</vet></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al><vet>Intensivering van de handhaving</vet></al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de</al><al>sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest
                    van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de
                    voorschriften over asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving
                    asbest. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste
                    helft van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en
                    handhaving”. Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging:
                    www.vereniging-bwt.nl Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de
                    voorschriften over asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie
                    van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil,
                    de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM.</al><al><vet>Paragraaf 1 Sloopvergunning</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld.</al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                    voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de
                    sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</al><al>Lid 1</al><al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                    handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder
                    afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang. Veel van wat
                    behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van
                    ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een
                    sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval.</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel
                    8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende
                    interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te
                    slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een
                    gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de
                    sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om
                    kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens
                    het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking
                    niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan
                    storten op een stortplaats.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering.</al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                    bouwwerken</al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2,
                    tweede lid.</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de
                    gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                    voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                    voorkoming van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van
                    gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer
                    dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en
                    transpor-teurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan
                    bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning
                    ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                    'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar
                    bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder
                    zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al><lijst><li nr="•"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="•"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="•"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="•"><al>asfalt;</al></li><li nr="•"><al>dakgrind;</al></li><li nr="•"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr="•"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="•"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="•"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="•"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li><li nr="•"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                            en inzamelaars.</al></li></lijst><al>Onderzoek</al><al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende
                    onderzoeken plaatsvinden:</al><lijst><li nr="•"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                            daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                            f);</al></li><li nr="•"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                            slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                            gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoeld
                            in het BAGA, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                            vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit
                            onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd (MBV artikel
                            8.1.2, derde lid);</al></li><li nr="•"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                            aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                            daarover bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning gegevens
                            worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                            Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                            aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                            gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                    vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de
                    sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter
                    in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om op de
                    slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande
                    scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn
                    beschouwing betrekken.</al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                    gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en
                    deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en
                    herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend
                    voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden
                    afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemen</al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen.</al><al>In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden
                    is belast worden overgelegd aan burgemeester en wethouders of de directeur van
                    het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening sinds omstreeks
                    1996 een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op
                    slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de
                    gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men de
                    desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke, provinciale
                    voorschriften terzake gelden.</al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                    blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                    zinvol. Zulke voorschriften stonden tot en met de derde serie wijzigingen ook in
                    de Model-bouwverordening 1992. Zij bestonden uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid, luidende: x
                            het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld op de
                            sloopplaats, voorzover de toestemming, als bedoeld in het vijfde lid,
                            van toepassing is;</al></li><li nr="2."><al>een vijfde lid, luidende: 5 Het bewerken van het sloopafval op de plaats
                            waar dit afval vrijkomt, is niet toegestaan.</al></li></lijst><al>Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de vergunning
                    te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton en
                    metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                    puinbreekinrichting.</al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15 januari 2004, Stb. 2004,
                    25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking
                    getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke
                    bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over mobiele brekers van
                    rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de plaats van de lagere
                    regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld. Interessant is de uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208,
                    90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen. Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een
                    bouwvergunningplichtig bouwwerk. De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is
                    hierop van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                    Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                    bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval
                    zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De
                    tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het afzonderlijk gereed
                    maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen
                    dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen. Deze
                    verplichting staat in artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005.</al><al>Lid 5</al><al>Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een tijdelijke
                    bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk, is verleend en daarin
                    voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke bouwwerk –
                    meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan van de onderdelen van het
                    bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd - is daarvoor geen
                    afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke bouwvergunning dient de
                    nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van het bouwwerk. Uit de
                    Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met name gedacht wordt aan
                    strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d.</al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de zin
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de zogeheten
                    Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van toepassing op de
                    behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt niet zinvol, deze UOV
                    van toepassing te verklaren op de sloopvergunning. Aanvullend op de eisen die in
                    dit artikel zijn gesteld gelden de voorschriften van de Awb over het indienen
                    van verzoeken om besluiten, indienen door een gemachtigde enz.</al><al>Leden 1 en 2</al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                    verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coerdinatie tussen
                    bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel 8.1.5,
                    tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen tevens
                    (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De bouwvergunning
                    houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze situatie van samenloop
                    van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid, bedoeld. De aanvrager is
                    niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan te vragen. Doet hij dit wel,
                    dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor de gemeente) enige procedurele
                    voordelen.</al><al>De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te slopen
                    bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist beeld
                    te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke overige
                    bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn.</al><al>Een asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt,
                    opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport
                    behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als
                    bedoeld in het derde of vierde lid.</al><al>Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                    asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten als
                    dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in verscheidene
                    streken van Nederland initiatieven tot projectmatige asbestverwijdering vanaf
                    een reeks agrarische bedrijfsgebouwen in de gemeente. Het verlenen van één
                    enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor het gehele
                    asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan het verlenen
                    van individuele sloopvergunningen voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder
                    agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloopvergunning
                    behoeft niet op juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige
                    plaatsaanduiding van alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                    asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                    vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                    volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                    ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie
                    voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet voor
                    sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige artikel.</al><al>Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                    vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a van
                    de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in enkele
                    risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot de
                    standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                    voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk plan
                    nodig is.</al><al>De zinsnede 'en voorts, indien van toepassing' duidt erop dat slechts indien
                    door of namens burgemeester en wethouders het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan van toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te
                    worden voldaan. Over het tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen
                    naar het eerste lid van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Lid 3</al><al>Algemeen</al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt dat
                    het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt aan hem
                    de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is gebaseerd.
                    Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk zijn dat er geen
                    asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van VROM, de
                    bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de aanvrager van
                    een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van burgemeester en
                    wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn opgesomd in het
                    onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend voorschrift, waarop de indiener
                    van een verzoek om sloopvergunning zich kan beroepen door op het
                    aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen onderzoeksrapport is
                    bijgevoegd.</al><al>De gedachte achter deze inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht tot
                    het doen van een onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappelijke kosten
                    met zich brengt, omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in verhouding
                    tot die kosten staat. In sommige gevallen is het evident dat het te slopen
                    bouwwerk geen asbest bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren
                    dat er vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de
                    gevallen waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen
                    sprake is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het
                    bouwwerk, gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk
                    eenvoudig moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk
                    vergelijkbare gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover
                    eens zijn dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                    voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van burgemeester
                    en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere, vergelijkbare
                    wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door een deskundig
                    bedrijf te overleggen niet van toepassing is.</al><al>Onder b</al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat - voorafgaand aan met name grote
                    sloopprojecten - een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond.</al><al>Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien daarin
                    aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen worden
                    gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe ondersteuning,
                    of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het onderzoeksrapport niet
                    aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek door een deskundig
                    asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden.</al><al>Een dergelijk onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd,
                    indien het aan de volgende criteria voldoet:</al><lijst><li nr="•"><al>De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                            dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn
                            BRL 5052, uitgave 1998.</al></li><li nr="•"><al>De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                            duidelijk omschreven zijn.</al></li><li nr="•"><al>Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met
                            een aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende
                            materialen.</al></li></lijst><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                    woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend uit
                    het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).</al><al>Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                    onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten:</al><lijst><li nr="•"><al>een samenvatting;</al></li><li nr="•"><al>de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met
                            informatie uit desk research;</al></li><li nr="•"><al>de bemonstering;</al></li><li nr="•"><al>de laboratoriumanalyses;</al></li><li nr="•"><al>een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                            bevestiging van het asbestbevattende materiaal;</al></li><li nr="•"><al>een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                            mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al></li></lijst><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                    verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993 heeft
                    plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de aanwezigheid van
                    asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen bij de beoordeling
                    worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring blijkt dat de
                    onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor kan onder andere
                    informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al>Onder c</al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                    opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                    januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken die
                    na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.
                    Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk stuk
                    overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel van het
                    bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd.</al><al>Onder d</al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager bekend
                    zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde verbouwingen kan
                    worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de fabrikant dat het
                    hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze situatie is echter niet
                    beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van tussentijds aangebrachte
                    voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende voorzieningen, dient te worden
                    aangetoond dat deze geen asbest bevatten. Hiervoor kan onder andere informatie
                    ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al><al>Onder e</al><al>Sinds de risico's van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                    fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij is
                    van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers bij
                    gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen van de
                    fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is gebruikt.
                    Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige situatie onnodig;
                    voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze verklaringen worden volstaan.
                    Onder verwijdering van bepaalde materialen wordt bijvoorbeeld verstaan
                    verwijdering van vinylvloerbedekking of standleidingen uit een serie woningen.
                    Zie ook de toelichting onder f.</al><al>Onder f</al><al>De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie de
                    aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11e serie van wijzigingen
                    vervallen.</al><al>De visuele inspectie aan de hand van de checklist van bijlage 8 van de
                    bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de gemeente en de
                    aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan van
                    asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie voldoende
                    houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede gelet op de
                    strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe
                    te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de
                    visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8
                    vervallen.</al><al>De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                    toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering.</al><al>Het vierde lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is
                    aangescherpt in die zin dat de gevallen waarin een dergelijk
                    inventarisatierapport niet behoeft te worden overgelegd bij de aanvraag om
                    sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de tekst van
                    artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “…
                    beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De
                    combinatie van de herziene leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te
                    geven.</al><al>Lid 4</al><al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                    slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                    criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                    asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria zijn
                    ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt in
                    artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die voornemens
                    is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee situaties genoemd
                    waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport te doen opstellen.
                    Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en het vierde lid
                    voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                    vereist.</al><al>Lid 5</al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                    historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                    historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan te
                    treffen en de daaraan te verbinden conclusie - wel of geen onderzoek instellen -
                    is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al><al>Lid 6</al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                    worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                    plaatselijke organisatie.</al><al>Het opstellen van een sloopveiligheidsplan</al><al>Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                    omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit, de
                    externe veiligheid bijzondere aandacht vergen.</al><al>De maatregelen die de aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten
                    voorafgaand aan de sloop aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden
                    getoetst. Er wordt met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als
                    bedoeld in dit artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen
                    werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                    gebruikers.</al><al>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</al><al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5
                    van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de
                    afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze
                    bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden
                    kan het nodig zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen
                    (bijlage 6 van de toelichting).</al><al>Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                    omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor het
                    bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op voorhand
                    afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van bedreiging(en) van de
                    externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden is hierna één en ander
                    verduidelijkt.</al><al>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</al><al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de locatiespecifieke
                    omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist wordt
                    voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke
                    maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De
                    aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige
                    maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                    toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                    sloopveiligheidsplan.</al><al>Toetsing van het sloopveiligheidsplan</al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde objecten en
                    functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het opstellen en toetsen
                    van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de betreffende situatie en
                    voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met de in de checklist gegeven
                    objecten, functies en maatregelen.</al><al>Vooroverleg</al><al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                    vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen dienen
                    bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de bedreigde
                    objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend te zijn,
                    zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan worden bepaald of
                    er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het sloopveiligheidsplan
                    zich op dient te richten.</al><al>Voorbeelden</al><al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m)
                    drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto's. De weg dient
                    gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven vervullen.
                    De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te slopen gebouw.
                    Voor slopen van het dak is een kraan nodig.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een
                    belangrijke rol speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten
                    worden:</al><lijst><li nr="•"><al>gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit
                            kan inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt);</al></li><li nr="•"><al>de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                            uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels;</al></li><li nr="•"><al>de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al></li><li nr="•"><al>de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al></li><li nr="•"><al>het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er is
                    te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten worden
                    gewerkt.</al><al>In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                    aan:</al><lijst><li nr="•"><al>de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al></li><li nr="•"><al>de draagkracht van het wegdek;</al></li><li nr="•"><al>de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al></li><li nr="•"><al>het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de
                            hijslast of delen daarvan;</al></li><li nr="•"><al>eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft ook
                    de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De gevel van
                    het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is sprake van
                    gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in een matige staat
                    en bezitten een historische waarde.</al><al>In het sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde
                    moeten komen:</al><lijst><li nr="•"><al>stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                            steunconstructie;</al></li><li nr="•"><al>sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al></li><li nr="•"><al>bemaling in verband met grondwaterstand;</al></li><li nr="•"><al>stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al></li><li nr="•"><al>verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                    midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten minste
                    500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is er geen
                    sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand tot de
                    openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk.</al><al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt gesloopt
                    kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop buitenwand
                    (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat deze wand
                    regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan voldoen aan de
                    eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het
                    Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan vooraf worden besproken
                    tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is een privaatrechtelijke
                    aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het stellen van voorschriften tot
                    het voorkomen van schade.</al><al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                    bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                    sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                    voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand.</al><al>Aanbevelingen</al><al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid tijdens
                    het slopen vergroten:</al><lijst><li nr="•"><al>vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al></li><li nr="•"><al>voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment
                            dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                            sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn.
                            Een mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de
                            externe veiligheid op te nemen; (Deze aspecten worden niet als
                            voorschrift aan de sloopvergunning verbonden, omdat zij van
                            privaatrechtelijke aard zijn).</al></li><li nr="•"><al>zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                            momenteel gewerkt door de brancheorganisaties);</al></li><li nr="•"><al>indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het
                            gebied van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden
                            ingeschakeld.</al></li></lijst><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting bevinden
                    worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan.'</al><al>Lid 7</al><al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al><al>Leden 12 en 13</al><al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                    Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een bouwwerk
                    zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel van de
                    sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig, is het
                    geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                    meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning.</al><al>Indien per abuis een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden
                    met een melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als
                    melding.</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Lid 1</al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Dit
                    is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de aanvrager
                    in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een beschikking
                    in de zin van de Awb.</al><al>Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure de toelichting bij
                    artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning geldt
                    mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning.</al><al>Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen
                    onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen
                    inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat
                    burgemeester en wethouders op grond van hun ter beschikking staande gegevens
                    menen dat het te slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien burgemeester en
                    wethouders voldoende zeker zijn van hun zaak stellen zij op grond van de tweede
                    zin van dit lid de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de
                    aanwezigheid van asbest aan te vullen binnen vier weken.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert buiten
                    de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op een later
                    tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden ingediend. Zie
                    daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter d.</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3.</al><al>De termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde.
                    Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn burgemeester en
                    wethouders alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet
                    te wachten. Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na het
                    verstrijken van de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve
                    weigering kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld.</al><al>Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het eerste lid.</al><al>Het derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat
                    een sloopvergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna een
                    andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze
                    verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het
                    slopen van een beschermd monument.</al><al>Lid 2</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                    termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                    sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                    uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend. Dit houdt
                    in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere sloopsituaties
                    waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de asbestverwijdering ook
                    andere materialen worden gesloopt.</al><al>Een mogelijk nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd meer
                    is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de gelegenheid
                    te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren dat een
                    aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de stukken
                    kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                    termijn.</al><al>Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                    Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met een
                    leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, gaan
                    wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de bouwverordening de koppeling die
                    bedoeld is om de beschermende werking te verzekeren, te handhaven ook indien
                    daarmee de termijn van vier weken aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel
                    monumenten zijn opgericht in een tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij
                    een eerdere (meestal inpandige) verandering of restauratie asbest zijn
                    toegepast, dat nu weer wordt verwijderd.</al><al>Lid 3</al><al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij het
                    al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan een
                    aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is, mag die
                    weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te slopen dat
                    staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra
                    weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f. voor
                    het (nog) niet aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of
                    artikel 33 van de Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge de
                    Huisvestingswet ook in de opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te worden
                    opgenomen als aanhoudingsgrondslag.</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                    aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag
                    om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken zal dat
                    praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om sloopvergunning moet
                    worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning.</al><al>Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden de
                    voorkeur verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te
                    overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.
                    Ter zake van de aanvraag om sloopvergunning gelden immers geen fatale termijnen.
                    Zie hierover ook de toelichting bij artikel 8.1.4.</al><al>Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor één activiteit
                    zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een bouwveiligheidsplan
                    wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en bouwveiligheidsplan worden
                    ingediend.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid.</al><al>Een toepassing van de samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend asbest
                    wordt verwijderd en daarop de termijn van vier weken van toepassing is als
                    bedoeld in het tweede lid van artikel 8.1.4.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>Algemeen</al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al><al>Voorheen bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962
                    een regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                    juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                    tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en
                    met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet 1991. De
                    artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de mogelijkheid tot
                    het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                    splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                    huisvestingsverordening.</al><al>Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog wordt verwezen naar de
                    vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet, dienen deze
                    verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van de sloopvergunning
                    hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het niet aanwezig zijn van
                    een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet
                    1962.</al><al>Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu luiden: 'f. een
                    vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de Huisvestingswet (Stb.
                    1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.'</al><al>Ad a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                    bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens
                    het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is
                    gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau
                    van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de sloopvergunning
                    worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak al vóór de
                    indiening van de aanvraag om sloopvergunning - worden gezocht naar een voor de
                    gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende
                    bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a
                    en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van
                    andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen
                    onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een
                    keer wordt gesloopt.</al><al>Ad c, d en e</al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                    aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond voor
                    de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is geweigerd. Op deze
                    wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het sluitstuk van het
                    complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het slopen van een
                    bouwwerk.</al><al>Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning, waarbij
                    het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de tweede
                    vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een duidelijke
                    relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is gevraagd voor die
                    locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de aanleg van een weg een
                    bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een aanlegvergunning is vereist en
                    niet is verleend. Dan bestaat een causaal verband tussen de sloopvergunning en
                    de aanlegvergunning en is het logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd
                    indien de reden voor de aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de
                    weg er niet. Indien er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een
                    sloopvergunning aanwezig is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in
                    hetzelfde gebied nodig zijn, geldt deze weigeringsgrond niet.</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen.</al><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>Algemeen</al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor
                    bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.. Dit betekent
                    onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij het bevoegde
                    bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders. Ingevolge het zesde lid moet
                    worden gebruik gemaakt van de door burgemeester en wethouders vastgestelde
                    formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften
                    kunnen worden verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                    Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een brochure
                    uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een ontvangen
                    mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen over de wijze
                    waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te raden deze brochure
                    aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de mededeling.</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                    open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                    afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                    tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                    grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling
                    dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                    verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                    bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                    woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de
                    woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                    asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is
                    in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een
                    maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of woonkeet wel
                    een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid
                    van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing,
                    omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de
                    Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet en een logiesverblijf zoals is
                    genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf
                    van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in
                    het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                    bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                    perceel bedraagt’.</al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans
                    dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is
                    de burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer
                    toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het
                    verwijderen van:</al><lijst><li nr="•"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                            betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                            zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven.
                            Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                            blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr="•"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                            Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen
                            leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                            verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften'
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op
                    de sloopmelding.</al><al>Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                    termijnoverschrijding groot is.</al><al>Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij artikel
                    3.1, achtste lid.</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                        sloopvergunning</vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                    bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag
                    gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin
                    bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning, ontheffing of melding
                    zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.</al><al>Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het
                    verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen als
                    vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als
                    voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                    waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor
                    zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                    rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                    bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf.
                    Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                    bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                    beheersbaar risico.</al><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De artikelen
                    4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384 van de MBV
                    1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op het
                    slopen.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al><vet>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning,
                        indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                        vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</vet></al><al>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Artikel 8.3.4 geldt
                    voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze
                    situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5
                    geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    sloopvergunning als op grond van een mededeling naar aanleiding van een melding.
                    De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt
                    krachtens het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van
                    een mededeling.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k,
                    l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van de
                    Woningwet.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde
                    geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien
                    tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                    van een sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet></al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.</al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en is
                    thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog
                    te doen.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen(
                        vervallen)</vet></al><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                    sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                    bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al>Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                    relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                    gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                    sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen
                    daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen
                    worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen,
                    omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden
                    verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m3, uitsluitend repressief plaats.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005</al></entry><entry colname="col2"><al>Model-bouwverordening incl. 11e serie wijz.</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Art. 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 3, lid 3</al></entry><entry colname="col2"><al>H 8, Toelichting calamiteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub a</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 1, sub b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 1, sub a en b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 5</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 3 vervallen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 6</al></entry><entry colname="col2"><al>1.1 (Begripsbepaling)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 7</al></entry><entry colname="col2"><al>H. 8, Toelichting Algemeen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>brochure VROM nog niet gereed</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 1</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.5, lid 1 en 2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 8, lid 2</al></entry><entry colname="col2"><al>Min. Besluit is er nog niet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter a</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter b</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 3, sub c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter c</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter d</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter e</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter f</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter g</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter h</al></entry><entry colname="col2"><al>8.2.1, lid 12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter i</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.4, lid 2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letter j</al></entry><entry colname="col2"><al>8.1.2, lid 4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 10, letters k, l, m en n</al></entry><entry colname="col2"><al>8.3.3, lid 1 t/m 4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 11</al></entry><entry colname="col2"><al>12.1, lid 1 en 2</al></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 9 - Het welstandstoezicht</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de Model-bouwverordening niet
                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                    nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien
                    een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                    keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                    welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het
                    aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de gewijzigde
                    wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de hand van
                    criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                    aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook
                    bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen.
                    Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de
                    eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht meer mogelijk.</al><al>Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de samenstelling van en de
                    besluitvorming over de welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18 maanden
                    na 1 januari 2003. Tot het moment dat een gemeentelijke welstandsnota van kracht
                    wordt, blijft de zelfstandige werking van de in de bouwverordening aangeduide
                    'redelijke eisen van welstand' in stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de
                    gemeenteraad aangenomen welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de
                    mogelijkheid om bouwplannen te toetsen aan redelijke eisen van welstand.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                    plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om
                    de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                    als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                    kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                    ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                    beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                    stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                    beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor
                    een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend
                    beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de
                    orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                    terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                    alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit
                    vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                    (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                    buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                    burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd.</al><al>Het werken met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk
                    wordt toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004
                    belangrijke consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een
                    welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van de
                    gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV
                    niet meer gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet van 18 oktober
                    2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV
                    behorende kaart.</al><al>De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij:</al><lijst><li nr="•"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al></li><li nr="•"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij
                            of krachtens de Woningwet is bepaald.</al></li></lijst><al><vet>Relatie bestemmingsplan en welstand</vet></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangsregel
                    uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten
                    naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                    (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het
                    welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als
                    zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel
                    9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit
                    stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april
                    1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                    Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                    Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                    welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het
                    bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg,
                    aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al>Tot het moment dat de gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de
                    zelfstandige werking van de tot de achtste serie wijzigingen van de MBV
                    aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in stand (zie ook artikel VII, tweede
                    lid van de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige bepalingen
                    van hoofdstuk 9 geldt geen overgangstermijn.</al><al><vet>Tabel oude/nieuwe welstandsbepalingen</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Artikelnummer oud</al></entry><entry colname="col2"><al>Titel oud</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikelnummer nieuw</al></entry><entry colname="col4"><al>Titel nieuw</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al> 9.1 Welstandscriteria </al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>–</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Advisering door</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.2</al></entry><entry colname="col2"><al>commissie van onafhankelijke deskundigen</al></entry><entry colname="col3"><al>9.1</al></entry><entry colname="col4"><al>Advisering door welstandscommissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Termijn van advisering</al></entry><entry colname="col3"><al>9.5</al></entry><entry colname="col4"><al>Termijn van advisering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Openbaarheid van vergaderen</al></entry><entry colname="col3"><al>9.6</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Afdoening bij mandaat</al></entry><entry colname="col3"><al>9.7</al></entry><entry colname="col4"><al>Afdoening bij mandaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Mondelinge toelichting</al></entry><entry colname="col3"><al>–</al></entry><entry colname="col4"><al>–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry><entry colname="col3"><al>9.8</al></entry><entry colname="col4"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.8</al></entry><entry colname="col2"><al>gebieden</al></entry><entry colname="col3"><al>9.9</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitsluiting gebieden en categorieën ouwwerken en
                                        standplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>9.2</al></entry><entry colname="col4"><al>Samenstelling van de welstands-commissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>9.3</al></entry><entry colname="col4"><al>Benoeming en zittingsduur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>9.4</al></entry><entry colname="col4"><al>Jaarlijkse verantwoording</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>tekst artikelT9.1</al><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                    welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht indien
                    een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert,
                    burgemeester en wethouders beslissen.</al><al>In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester
                    opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats
                    van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                    de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt in
                    de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                    welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                    welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de stadsbouwmeester
                    niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle collectieve
                    oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties
                    van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan
                    worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen aanknopingspunten hoe de
                    figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed moet worden. Naar verwachting
                    zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen voor een stadsbouwmeester.</al><al>In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de
                    welstandstoets voor de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet
                    door de volledige welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer
                    gemandateerde leden van de commissie als bedoeld in artikel 9.2
                    Model-bouwverordening dan wel door burgemeester en wethouders.</al><al>De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                    wel provinciale welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime van de
                    Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen om voor de welstandsadvisering
                    gebruik te (blijven) maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het
                    resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                    samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale
                    welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de welstandscom-missie
                    eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al><al>Alternatief 1</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Alternatief 2Evenals in alternatief 1 wordt in dit alternatief provinciale
                    welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke
                    regeling, een vereniging of stichting door de gemeenteraad aangewezen voor de
                    advisering over redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders
                    oordelen zonder advies van de welstandscommissie over strijdigheid met redelijke
                    eisen van welstand ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken.</al><al>Alternatief 3In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie,
                    die adviseert over alle bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Alternatief 4Evenals in alternatief 3 is er sprake van een lokale
                    welstandscommissie. Burgemeester en wethouders oordelen zonder advies van deze
                    commissie over strijdigheid met redelijke eisen van welstand ten aanzien van
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al><vet>Artikel 9.2. Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                    afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien
                    de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                    is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te
                    zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college
                    van burgemeester en wethouders aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente
                    is in dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de eis
                    dat in de welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen hebben.
                    Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om
                    zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag
                    worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen
                    oordelen over plannen van collega's. Onder niet-deskundige leden worden
                    vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of
                    anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken
                    zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                    benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er
                    is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                    welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><lijst><li nr="•"><al>Alternatief 1: De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige
                            leden. De secretaris is geen lid van de welstandscommissie.</al></li><li nr="•"><al>Alternatief 2: In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook
                            'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is
                            opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit
                            alternatief denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die
                            gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al></li><li nr=""><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                            welstandscommissie.</al></li><li nr="•"><al>Alternatief 3: De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige
                            leden.</al></li><li nr=""><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                            rayonarchitect.</al></li><li nr="•"><al>Alternatief 4: In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook
                            'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is
                            opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar,
                            maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                            inwoners deelnemen.</al></li><li nr=""><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                            provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit
                            veelal de rayonarchitect.</al></li><li nr="•"><al>Alternatief 5: In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet
                            de mogelijkheid om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is
                            vooralsnog niet uitgewerkt in de MBV. Enerzijds omdat de doelstellingen
                            van het vernieuwde welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere
                            transparantie rondom de welstandsadvisering en openbaarheid met de
                            figuur van de stadsbouwmeester juist niet lijken te worden bereikt. De
                            waardevolle collectieve oordeelsvorming ontbreekt bovendien bij de keuze
                            voor een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties van smaak, zoals
                            deze meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden
                            geacht. Anderzijds omdat naar verwachting een zeer beperkt aantal
                            gemeenten zal kiezen voor een stadsbouwmeester.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3. Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen. De
                    leden en voorzitter van een welstandscommissie die op 1 januari 2003 ten minste
                    drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen nog ten hoogste drie jaar na
                    die datum benoemd blijven in die commissie.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de (Model)-verordening. Een reglement van orde
                    dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                    toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk
                    reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                    regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                    welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen
                    tonen.</al><al><vet>Artikel 9.4. Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                    welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van de
                    welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn doorgaans aan
                    de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de welstandscommissies gedane
                    inspanningen tot verbetering van deze negatieve maatschappelijke beeldvorming,
                    kan er nog steeds gesproken worden van een onvoldoende maatschappelijk draagvlak
                    voor de werkwijze van de welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het
                    aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders
                    voor het functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel
                    om de functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van burgemeester
                    en wethouders, voorzover het betreft hun verantwoordelijkheid voor het
                    welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er de algemene uitgangspunten
                    zoals deze zijn opgenomen in de Wet Dualisering gemeentebestuur om de
                    controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en te verduidelijken.
                    Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te voorzien in het verbeteren van de
                    kwaliteit alsmede het transparanter maken van de welstandsadvisering. Een
                    jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als
                    beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling
                    en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is
                    afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                    welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de
                    Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al><vet>Jaarverslag burgemeester en wethouders</vet></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="•"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen;</al></li><li nr="•"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de aanvraag
                            voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben
                            voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                            gegeven aan de welstandscriteria;</al></li><li nr="•"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al></li><li nr="•"><al>in welke categorieën van gevallenburgemeester en wethouders een besluit
                            hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                            last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke
                            eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat
                            besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet wordt per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                    burgemeester en wethouders. opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al><vet>Artikel 9.5. Termijn van advisering</vet></al><al>Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                    oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit uitgangspunt
                    als procedurevoorschrift uitgewerkt.</al><al>De adviestermijn laat de mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan
                    onverlet, omdat het uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van een
                    aanvraag om bouwvergunning is.</al><al>De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte
                    beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de
                    behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve conclusie, omdat in
                    beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken op de aanvraag om
                    bouwvergunning moet zijn beslist. Indien bij een verlening van een
                    bouwvergunning in twee fasen, de eerstefasetoetsing moet worden herhaald vanwege
                    een wijziging van het bouwplan in de tweede fase, zou in beginsel een relatief
                    korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat volgens de wetgever alleen de
                    wijzigingen van het bouwplan voorzover relevant door de welstandscommissie
                    opnieuw moeten worden beoordeeld.</al><al>Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                    zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het bouwwerk waarop
                    de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota opgenomen
                    welstandscriteria in acht te nemen.</al><al>Indien er een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan
                    een discussie over alternatieven verwacht kan worden, lijkt het raadzaam overleg
                    voorafgaand aan de indiening van een formele bouwaanvraag te stimuleren.</al><al><vet>Artikel 9.6. Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                    bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwaanvraag
                    toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien
                    nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen,
                    waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden
                    verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de vergadering
                    van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de bouwvergunning geen 'recht van spreken' hebben
                    omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiele bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al><vet>Artikel 9.7. Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                    welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                    bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 2
                    en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in alternatief 2 van
                    artikel 9.7 MBV. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan worden gecombineerd
                    met een keuze voor artikel 9.1 MBV, alternatief 1 of 3, waarbij de advisering
                    ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken immers aan de
                    welstandscommissie wordt opgedragen. Dit houdt in dat de welstandstoets van
                    bouwplannen voor licht-vergunningplichtige bouwwerken die voldoen aan de
                    welstandscriteria uit de welstandsnota wordt gemandateerd aan een ambtenaar. Het
                    mandaat kan slechts bestaan uit een positief welstandsoordeel. Indien het
                    bouwplan niet aan de criteria uit de nota voldoet, leggen burgemeester en
                    wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al>Mandaat aan één persoon verdient in dit verband de meeste aandacht. Indien bij
                    artikel 9.2 gekozen is voor alternatief 1 of 2 kan aan een ambtelijk secretaris,
                    die geen lid is van de commissie, geen mandaat worden verleend. Mandaat aan een
                    subcommissie behoort uiteraard wel tot de mogelijkheden.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken)</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de
                    openbaarheid enige aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende kleine
                    bouwplannen zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Voor een beknopte uiteenzetting over mandatering: zie de VNG-uitgave 'WRO 2000
                    in de praktijk', vragen en antwoorden gewijzigde WRO (3 april 2000), bijlage
                    3.</al><al><vet>Artikel 9.8. Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                    ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering
                    achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra
                    bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9. Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                        standplaatsen</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3
                    MBV.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 10 - Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>De aanvraag</al><al>Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                    gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                    niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar
                    maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan
                    wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning.</al><al>Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu
                    in de wet is uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe
                    bouwverordening is alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van
                    indiening en inrichting van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de
                    Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen
                    van de op basis van de oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor
                    een woonvergunning.</al><al>De vergunning</al><al>Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt overigens
                    de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de Woningwet 1962
                    gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er sprake was van
                    strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende nieuwbouweisen. Op
                    grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een woonvergunning alleen
                    worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het bestemmingsplan of de
                    bouwverordening.</al><al>Welk deel van de bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk.</al><al>Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                    weigeringgrond voor de woonvergunning.</al><al>Uit het eerste lid van artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het
                    gebouw in principe geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het
                    gebouw bouw- en/of woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er
                    volgens het Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw
                    alsnog geschikt gemaakt wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                            woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al></li><li nr="2."><al>een besluit in gevolge artikel 13 Woningwet.</al></li></lijst><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord.</al><al>Ad 1</al><al>Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden
                    aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                    maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning noodzakelijk
                    en de wetssystematiek gaat ervan uit, dat er of een woonvergunning of een
                    bouwvergunning noodzakelijk is.</al><al>Ad 2</al><al>Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                    Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande
                    woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                    onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning kan
                    echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit in gevolge
                    artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de noodzakelijkheid van
                    voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een voorzieningenniveau
                    beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor
                    bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit in gevolge artikel 13
                    Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden.</al><al>De praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen.</al><al>Het kiezen voor de tweede oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning
                    wordt toegestaan voordat het gebouw geschikt is tot bewoning.</al><al>De woonvergunning is een beschikking. Dat betekent dat naast de eisen van de
                    bouwverordening, de algemene eisen van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag
                    moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb).</al><al>Ingevolge artikel 60 van de Woningwet zijn burgemeester en wethouders het
                    bevoegde orgaan.</al><al>Worden de in de bouwverordening geëiste gegevens niet ingediend, dan is artikel
                    4:5 Awb van toepassing.</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de
                    overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                    vergunningen.</al><al>De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de
                    overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV
                    overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                    bouwverordening gebaseerde vergunningen.</al><al>Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot
                    overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een
                    niet gewenste en planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende
                    onder bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                    algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen. Met
                    het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is neergelegd in
                    de vergunning.</al><al>De wet van 10 juni 2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb.
                    2004, 320, en krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op 15
                    september 2004, Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59
                    gewijzigd.</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij
                    toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin
                    aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij
                    houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                    voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                    instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                    waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke
                    kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige
                    editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                    voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                    gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                    praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden gewijzigd
                    om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen zijn.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 11 - Handhaving</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                    bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                    toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid van
                    de Woningwet.</al><al>Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van de handhaving
                    integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande bouwwerk vormt
                    niet langer een geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit beter aan op de
                    voorschriften inzake het bouwen van bouwwerken. Qua systematiek is zoveel
                    mogelijk aangesloten bij het generieke instrumentarium van de Awb. Het niet
                    naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de
                    criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding
                    waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                    onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van)
                    een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle
                    bouwwerken gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                    systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                    bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                    handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                    afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                    standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit
                    2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of
                    terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van
                    een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de
                    welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                    standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van
                    dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                    voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn
                    maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24,
                    vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel
                    overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                    toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                    sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                    mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel
                    5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                    illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze
                    werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste
                    vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende
                    aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel
                    5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale
                    bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                    situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk
                    voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden
                    verwezen naar de uitspraken van</al><al>ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (Vervallen)</vet></al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting - 12 - Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet.juncto artikel 1a, onder2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet langer
                    mogelijk.</al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                    vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld in
                    artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in artikel
                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED). Overtreding van
                    voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van (brand)veiligheid en
                    gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft gekozen voor het onder de
                    WED brengen van deze overtredingen, omdat aan overtredingen als bedoeld veelal
                    een financieel-economisch belang ten grondslag ligt. Door de indeling in artikel
                    1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij de strafbaarstelling van een groot
                    aantal milieudelicten, die veelal een vergelijkbare achtergrond hebben en
                    waarmee inmiddels de nodige ervaring is opgedaan door de politie, het Openbaar
                    Ministerie en de rechterlijke macht. Voor deze indeling heeft de wetgever mede
                    gekozen vanwege het (potentiële) gevaar en de (potentieel) zeer ernstige
                    gevolgen die het niet naleven van deze voorschriften met zich mee kan brengen.
                    Indien opzettelijk gepleegd, zijn deze delicten misdrijven; indien niet
                    opzettelijk gepleegd, zijn het overtredingen.</al><al>Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat
                    overtredingen van de oude bouwverordening worden afgedaan volgens de oude
                    Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al><al>1. Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op het
                    bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift gegeven
                    krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over voorschriften in
                    een a.m.v.b. ter nakoming van internationale verplichtingen. Overtreding van de
                    verbodsbepaling is in artikel 110, tweede lid van de Woningwet aangemerkt als
                    een economisch delict in de zin van de Wet op de Economische Delicten
                    (WED).</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese
                    internationale verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1, tweede
                    lid van de MBV legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van de
                    Woningwet. Overtreding van de artikelen genoemd in het tweede lid van artikel
                    12.1, voor zover deze betrekking hebben op het slopen van asbest, is een
                    economisch delict.</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder uitgevoerde
                    indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt.</al><al>Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de
                    toelichting bij artikel 2.4.1 van de Model-bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                        en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties - dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften -
                    lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</vet></al><al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                    krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht te
                    doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan voor de
                    ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter een
                    ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                    inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al><al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al>Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens)</al><al>Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in zijn geheel op
                    dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de bouwverordening
                    opgenomen te worden.</al><al>Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding)De mogelijkheid bestaat om de
                    bouwverordening gefaseerd in werking te laten treden. Aangeraden wordt om hier
                    zo min mogelijk gebruik van te maken. Met betrekking tot een aantal onderwerpen
                    kan het organisatorisch echter wenselijk zijn om de artikelen omtrent deze
                    onderwerpen op een later tijdstip in werking te laten treden.</al><al>In beginsel komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de
                    sloopbepalingen (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het
                    brandveilig gebruik.</al><al>Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding worden
                    uitgesteld.</al><al>De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.</al><al>Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de inwerkingtreding
                    van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven toevoeging plaats te
                    vinden.</al><al>Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor het geval dat de inwerkingtreding
                    van (mede) de bepalingen voor het brandveilig gebruik uitgesteld worden.</al><al>Het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende artikelen dient te zijner
                    tijd bij raadsbesluit vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse
                    artikelen verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden.</al><al>Indien de gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil
                    bepalen waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een
                    bepaling ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen.</al><al>De inwerkingtreding van alle artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden,
                    zo bepaalt de Woningwet 1991.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet
                    de volgende gegevens bevatten.</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al></li><li nr="2."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging;</al></li><li nr="3."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="4."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron;</al></li><li nr="5."><al>voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum
                            aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1,
                    moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000;</al></li><li nr="2."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken
                            op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de
                            bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1,
                                eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de
                            opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;</al></li><li nr="3."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1,
                                eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een
                            schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en
                            looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije
                            vloeroppervlakte;</al></li><li nr="4."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1,
                                eerste lid, onder a, voor zover daarin ten behoeve van de
                            gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een
                            plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de
                            opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en
                            de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20indieningsvereisten%20aanvraag%20bouwvergunning">artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten</extref>.</al><al><vet>Bijlage 3</vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>Algemene toelichting bij bijlage 3</al><al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en
                    woonwagens.</al><al>De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De
                    voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                    gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig
                    gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op
                    een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen
                    (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke
                    gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op
                    het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                    brandveiligheid.</al><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                            moeten voldoende worden vrijgehouden.</al></li><li nr="2."><al>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende
                            opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en
                            ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze
                            verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk
                            kunnen worden geopend.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 1</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                    publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                    openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</al><al><vet>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van
                            brand.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand.</al></li><li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 2</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de
                    verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                    aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook
                       Bijlage 4,
                        artikel 2).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud
                    is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van
                    noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten
                    van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De
                    publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van
                    onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl.</al><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                            opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn
                            opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.</al></li><li nr="2."><al>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond
                            van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie
                            of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het
                            bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht
                            aanwezig te zijn bij het gebruik van: </al><lijst><li nr="o"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de
                                    veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen
                                    in NEN 3028, uitgave 2004;</al></li><li nr="o"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat
                                    wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke
                                    installaties bovendien voldoen aan de
                                    gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave
                                    1999;</al></li><li nr="o"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties
                                    voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in
                                    NEN 1078, uitgave 1999.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of
                            dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                            ontstaan van brand.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren
                            met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening
                            voor de afvoer van rook.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 3</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden
                    opgeslagen of opgesteld.</al><al>De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore
                    verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel
                    waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden
                    vrijgehouden van brandbare materialen.</al><al>Dit artikel ligt in de lijn van artikel
                        6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is brand
                    en/of brandgevaar te veroorzaken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal
                    het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer
                    van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het
                    verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er
                    een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt
                    het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en
                    vormt hiermee een gevaar voor mensen.</al><al>Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te
                    worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt
                    verstoord.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de
                    brandveiligheid.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van
                    brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen
                    getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn
                    vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</al><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat
                            niet doeltreffend is gereinigd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te
                            branden.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                            indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer
                            van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van
                            personen.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                            gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 4</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare
                    brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van
                    het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</al><al>Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een
                    controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening
                    voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico
                    op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook
                    als gevolg van het uitbranden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die
                    niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van
                    een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die
                    niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De
                    voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en
                    daarmee loopt de omgeving gevaar.</al><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de
                            opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit
                            2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                            brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen
                            van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar
                            gas.</al></li><li nr="2."><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                            duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN
                            TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011, uitgave 2004.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 5</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte
                    niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij
                    zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in
                    de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift
                    ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod
                    is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                    pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                    verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet">Woningwet</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985">Brandweerwet</extref> of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Arbeidsomstandighedenwet%20">Arbeidsomstandighedenwet</extref> of de bij deze wetten behorende besluiten
                    en maatregelen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar
                    gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</al><al><vet>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een REOB gecertificeerd bedrijf
                            het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
                            de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel
                            bijbehorende pompinstallaties.</al></li><li nr="2."><al>Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt
                            de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN
                            1594/A1, uitgave 1997.</al></li><li nr="3."><al>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                            worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                            gerepareerd.</al></li><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door REOB gecertificeerd bedrijf het
                            nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de
                            goede werking van de blusleiding en de bijbehorende
                            pompinstallatie.</al></li><li nr="5."><al>De certificaten van de contoles moeten worden opgestuurd naar het
                            college van burgemeester en wethouders van de gemeente.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 6</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar
                    visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De
                    resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien
                    gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een
                    installateur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig
                    gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na
                    geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa
                    gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen
                    gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien
                    meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</al><al>De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen
                    worden in het logboek.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594,
                    uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan
                    gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit
                    houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de
                    brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt.</al><al>Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te
                    worden geïnstalleerd.</al><al>De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf
                    minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding
                    moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de
                    pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte,
                    optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl)</al><al>Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische
                    proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien
                    noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie
                    dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet></al><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en
                    goede werking van brandweerliften;</al><al>Toelichting bij artikel 7</al><al>Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Warenwetbesluit%20Liften">Warenwetbesluit Liften</extref> wordt niet volledig voldaan aan dit
                    artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de volgende zaken
                    gecontroleerd:</al><lijst><li nr="1."><al>Oproep hoofdstopplaats;</al></li><li nr="2."><al>Alle overige oproepen vervallen;</al></li><li nr="3."><al>Alleen kooiopdrachten;</al></li><li nr="4."><al>Parkeren met geopende deuren;</al></li><li nr="5."><al>Fotocellen uitgeschakeld.</al></li></lijst><al>Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="1."><al>De schachtventilatie;</al></li><li nr="2."><al>De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                            laagspanningsruimte;</al></li><li nr="3."><al>De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in
                            de machinekamer.</al></li></lijst><al>Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en
                    vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk
                    herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</al><al>Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud
                    van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</al><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                    burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                    vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al><al>Toelichting bij artikel 8</al><al>Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te
                    voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een
                    opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN
                    2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van
                    brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het
                    logboek.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al><vet>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk
                            gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van
                            de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2,
                            uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een
                            ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige
                            personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen
                            van de NTA 8112.</al></li><li nr="3."><al>Het ontruimingsplan moet worden aangeboden aan de het college van
                            burgemeester en wethouders van de gemeente.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2
                    eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de
                    werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet
                    geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is)
                    gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen
                    op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de
                    verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de
                    opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van
                    ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’
                    wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel
                    gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</al><al>De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen
                    beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl.</al><al>Deel 1: Kantoorgebouwen</al><al>Deel 2: Onderwijsgebouwen</al><al>Deel 3: Kinderopvanggebouwen</al><al>Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie</al><al>Deel 5: Logiesgebouwen</al><al>Deel 6: Gezondheidszorggebouwen</al><al>Deel 7: Industriegebouwen</al><al>Deel 8: Cellen en celgebouwen</al><al>Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                    niet-vergunningsplichtige bouwwerken</al><al>Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken
                    van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands
                    Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het
                    Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS
                    Rotterdam. www.nibhv.nl.</al><al>De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van
                    artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=arbowet/article=15">artikel 15 Arbowet</extref> en afdeling 4 van het Arbobesluit.</al><al><vet>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door
                    burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden
                    altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een
                    certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor
                    Accreditatie.</al><al>Toelichting bij artikel 10</al><al>Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische
                    brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische
                    brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van
                    ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken
                    over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen
                    het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de
                    automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige
                    brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer
                    er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het
                    Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig
                    meter.</al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat
                    certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede
                    Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al>De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een
                    certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische
                    brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen - kwaliteitsverklaring
                    betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het
                    gebruiksgereed zijn en de goede werking.</al><al>Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere
                    twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004,
                    type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor
                    Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin
                    bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door
                    de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.</al><al>Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat)
                    die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de
                    Stichting Raad voor Accreditatie.</al><al><vet>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden
                            gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een REOB gecertificeerd bedrijf
                            het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
                            de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij
                            behorende pompinstallaties. conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.</al></li><li nr="3."><al>Een keer per vijf jaar moeten brandhaspels afgeperst worden door een
                            REOB gecertificeerd bedrijf conform de NEN 671-3.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 11</al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000
                    ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van
                    brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat
                    opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                    brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in
                    overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of
                    geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste
                    interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties
                    door de brandweer worden ingezet.</al><al><vet>Artikel 12 Automatisch werkende deuren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                            niet belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                            getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt
                            gedaan.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 12</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de
                    netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden
                    geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen
                    schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden
                    geopend.</al><al>Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een
                    brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk
                    voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend
                    kunnen worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen
                    dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</al><al>De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al>Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn
                    tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op
                    rooksluizen zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.135">artikel 2.135 van het Bouwbesluit</extref>.</al><al><vet>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</vet></al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte
                    zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een
                    overdruktrappenhuis is.</al><al>Toelichting bij artikel 12A</al><al>Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat
                    de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij
                    het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale
                    deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op
                    overdruk staan’.</al><al><vet>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig
                            gerepareerd door een erkend bedrijf conform de NEN 6088.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 13</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8
                        tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen
                    moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen
                    gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</al><al>Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als
                    grondslag voor een besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=13">artikel 13 Woningwet</extref>, dan wel het toepassen van bestuursdwang of
                    het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor bedoelde voorschrift
                    in artikel
                        2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in
                        artikel 5.2.1 van de bouwverordening.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 14 Gasflessen(vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</al><al>Toelichting bij artikel 15</al><al>Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en
                    warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het
                    gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen
                    tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</al><al>De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl .</al><al><vet>Artikel 16 Overdrukinstallatie(vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste
                            eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                            gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                            voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 17</al><al>Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis
                    en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de
                    bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen
                    kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten,
                    transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden
                    kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis
                    geldt.</al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 18 Brandweeringang</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van
                            de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere
                            toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van de
                            toegangen als brandweeringang aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te
                            openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer
                            is bepaald.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 19 Logboek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en
                            het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening
                            inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de
                            met toezicht belaste personen getoond.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 19</al><al>Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante
                    informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die
                    verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de
                    certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in
                    het logboek vastgelegd te worden.</al><al>Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en
                    toezichthouders het kunnen raadplegen.</al><al><vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                        bedrijfsuitoefening</vet></al><al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</al><al>Toelichting bij artikel 20</al><al>Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van
                    werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier
                    onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen
                    als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt.
                    Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk
                    of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen
                    deze eis van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 21 Rookmelders in woningen</vet></al><al>De op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=2.146">artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003</extref> aanwezige
                    rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</al><al>Toelichting bij artikel 21</al><al>Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003/article=2.146">artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit</extref> vereist zijn, adequaat
                    moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van
                    gebouwen – rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk
                    voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</al><al>Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient
                    te allen tijde gegarandeerd te zijn.</al><al><vet>Artikel 22 Roltrap</vet></al><al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</al><al>Toelichting bij artikel 22</al><al>Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en
                    gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</al><al><vet>Artikel 23 Garantiecertificaat</vet></al><al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek. Het certificaat
                    moet direct zichtbaar zijn.</al><al>Toelichting bij artikel 23</al><al>Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende
                    behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</al><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn.</al><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                    draagconstructie brandwerend zijn.</al><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                    gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                    brandvoortplanting.</al><al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</al><al>Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                    aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</al><al><vet>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</vet></al><al>De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al><lijst><li nr="1."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidszorgfunctie);</al></li><li nr="2."><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 24</al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt.</al><al>In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen
                    hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en
                    de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van
                    goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen,
                    etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die
                    hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt. De bedoelde
                    vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en
                    trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                    gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes
                    (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                    bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het
                    Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van
                    brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of
                    T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten
                    niet toegestaan.</al><al><vet>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</vet></al><al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                    tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al><al>Toelichting bij artikel 25</al><al>Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De
                    eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is,
                    moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er
                    altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</al><al>Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van
                    voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de
                    frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen
                    in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de
                    test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties</al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties. De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige
                    situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een
                    beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht
                    zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te
                    beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door
                    preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en
                    het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven
                    niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</al><al><vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                            bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten
                            behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal
                            vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet
                            worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt
                            niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een
                            vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.</al></li><li nr="2."><al>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
                            worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van
                            personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel
                            van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken,
                            loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of
                            rookwering moeten dienen.</al></li><li nr="3."><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                            personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang
                            bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders
                            gesloten dan door middel van </al><lijst><li nr="o"><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk
                                    tegen de deur, in de vluchtrichting gezien,</al></li><li nr="o"><al>Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op
                                    de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening,
                                    waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze
                                    voorziening (panieksluiting)</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                            uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens
                            NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 1</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een
                    bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel
                    noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en
                    een celfunctie.</al><al>Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel
                    afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie
                    met een sleutel afgesloten kunnen worden.</al><al>In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een
                    woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere
                    woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes
                    voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in
                    rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.</al><al>Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke
                    afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met
                    een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden
                    over de ontruiming.</al><al>In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de
                    rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet
                    verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de
                    brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee
                    alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in
                    overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</al><al>In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een
                    vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties
                    bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten
                    specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere
                    gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden
                    ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende
                    elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk
                    luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering
                    dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al>Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN
                    1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor
                    vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van
                    vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.</al><al>Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a
                    en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de
                    instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt
                    aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan
                    namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van
                    dien.</al><al>De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf
                    de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af
                    te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de
                    brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een
                    lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur
                    aanloopt, moet deze open gaan.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij.
                    Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op
                    maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels geplaatst die de
                    vluchtroute belemmeren.</al><al>Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de
                    werkomgeving en in de openbare ruimte’.</al><al>Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te
                    ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift
                    niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De
                    beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen
                    goed.</al><al><vet>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                            wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is
                            niet hoger dan 90 °C.</al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                            blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                            gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                            plaats.</al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                            aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                            vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                            nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan
                            de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in
                            afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                            voor constructieonderdelen.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 2</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht
                    worden aan tijdelijke versiering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke
                    maat.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’
                    en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie
                    beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van
                    versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als
                    te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</al><al>Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van
                    een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen
                    is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen
                    geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van
                    prestatie-eisen niet mogelijk.</al><al>De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand
                    geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm.
                    De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                    gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                    dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</al><al>Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’.</al><al>Bij de toelichting op artikel 2, zesde lid wordt na de tweede alinea een tekst
                    ingevoegd, luidende: In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling
                    van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft
                    ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007
                    ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen
                    classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een
                    transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</al><al>Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat
                    wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit
                    document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand
                    op genoemde internetsite.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een
                    verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan
                    branduitbreiding.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn
                    volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de
                    ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941,
                    uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de
                    vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor
                    kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bouwbesluit%202003">Bouwbesluit</extref> worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten
                    aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het
                    ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende
                    brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient
                    voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht
                    voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><al>Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen
                    gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15
                    van het Bouwbesluit.</al><al><vet>Artikel 3 Elektrische verlichting</vet></al><al>Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer
                    dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig
                    van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</al><al>Toelichting bij artikel 3</al><al>Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn
                    tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is.
                    Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte
                    aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen
                    beschikken.</al><al><vet>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</vet></al><al>Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is
                    voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.</al><al>Toelichting bij artikel 4</al><al>Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende
                    herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet
                    worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel
                    in de kast aanwezig is. Zie de NEN 3011 voor de pictogrammen.</al><al>Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn
                    of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel
                    onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de
                    omgeving onvoldoende zichtbaar.</al><al>In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving
                    zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</al><al>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al><vet>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</vet></al><al>Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die
                    activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</al><al>Toelichting bij artikel 5</al><al>Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is
                    het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop
                    de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere
                    aandacht.</al><al>Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die
                    activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op
                    grond van artikel 6.4.1. Zie <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Vuurwerkbesluit%20/article=3.3.4a">artikel 3.3.4a van het Vuurwerkbesluit 2004</extref>.</al><al><vet>Artikel 6 Opstelling van inventaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
                            ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de
                            loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
                            Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de
                            genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.</al></li><li nr="2."><al>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van </al><lijst><li nr="o"><al>meer dan 4 stoelen in een rij, en</al></li><li nr="o"><al>meer dan 4 rijen, en</al></li><li nr="o"><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn,
                                    zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten
                                    gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                            uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al></li><li nr="4."><al>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                            uitkomt, mag ten hoogste bevatten: </al><lijst><li nr="o"><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner
                                    is dan 0,45 meter;</al></li><li nr="o"><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter;</al></li><li nr="o"><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per
                                    4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                            stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige
                            oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer -
                            dat ten minste </al><lijst><li nr="o"><al>0,25 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor geen zitplaats aanwezig is,</al></li><li nr="o"><al>0,30 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen,</al></li><li nr="o"><al>0,50 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de
                            vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m² per persoon bedraagt, zodanig
                            aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of
                            omvallen.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 6</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde
                    stoelen gewaarborgd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze
                    als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden.</al><al>Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de
                    stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen
                    voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en
                    beproevingsmethoden’.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een
                    ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden,
                    ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos
                    ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit
                    van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de
                    doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere
                    aandacht.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een
                    ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere
                    aandacht.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel
                    mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of
                    omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de
                    ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.</al><al><vet>Artikel 7 Afval (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</vet></al><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een REOB gecertificeerd bedrijf het
                    nodige onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle
                    gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien
                    nodig worden deze gerepareerd.</al><al>Toelichting bij artikel 8</al><al>De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke
                    voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een
                    gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien
                    het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het
                    gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen
                    gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op
                    vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en
                    een goede werking en indien nodig gerepareerd.</al><al><vet>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</vet></al><al>Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><lijst><li nr="1."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al></li><li nr="2."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                            uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9</al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als
                    gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt
                    wordt.</al><al>Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het
                    brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd.
                    In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in
                    het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065,
                    NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De
                    Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl.</al><al><vet>Artikel 10 Glas</vet></al><al>Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds
                    van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen
                    stands podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat
                    het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van
                    een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.</al><al>Toelichting bij artikel 10</al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan
                    plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van
                    brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar
                    beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende
                    mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al><vet>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</vet></al><al>Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt
                    uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met
                    metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het
                    textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte
                    van ten hoogste 0,70 meter</al><al>Toelichting bij artikel 11</al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale
                    toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient
                    te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht,
                    naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift
                    wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al><vet>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                        crêpepapier of fotopapier</vet></al><al>Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                    podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal,
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het
                    gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening.</al><al>Toelichting bij artikel 12</al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel
                    uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een
                    hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al><vet>Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>ADR-klasse</al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col3"><al>Verpakkinggroep</al></entry><entry colname="col4"><al>Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l*</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas</al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton</al></entry><entry colname="col3"><al>II</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde
                                        inkten</al></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen
                                        en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
                                        zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1, 4.2, 4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit
                                        of geel) en diethylzink</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen
                                        ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en
                                        calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2</al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide</al></entry><entry colname="col3"><al> n.v.t. 1 </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gasflessen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t</al></entry><entry colname="col4"><al>115 liter waterinhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>1.000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage
                    5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden
                    echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze
                    stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer">Wet Milieubeheer</extref> worden gesteld.</al><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al><vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</vet></al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="2."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="3."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="4."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</al></li><li nr="5."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al></li><li nr="6."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="7."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al><vet>Reglement van orde van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>1. Inhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Advisering door de welstandscommissie</al></li><li nr="2."><al>Samenstelling van de welstandscommissie</al></li><li nr="3."><al>Benoeming en zittingsduur</al></li><li nr="4."><al>Jaarlijkse verantwoording</al></li><li nr="5."><al>Termijn van advisering en vooroverleg</al></li><li nr="6."><al>Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting</al></li><li nr="7."><al>Afdoening bij mandaat</al></li><li nr="8."><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></li><li nr="9."><al>Het welstandsoordeel van B&amp;W</al></li><li nr="10."><al>Advisering over bijzondere plannen</al></li><li nr="11."><al>Ondersteuning van de welstandscommissie</al></li><li nr="12."><al>Vergaderorde</al></li><li nr="13."><al>Financiële vergoeding</al></li><li nr="14."><al>Overgangsbepalingen</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 1 Advisering door de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 1 Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde
                            onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies
                            uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van
                            een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is
                            ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie voert haar taken uit in onafhankelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                            welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de
                            welstandsnota genoemde welstandscriteria</al></li><li nr="4."><al>De gemeente Aalsmeer heeft de onafhankelijke Stichting Welstandszorg
                            Noord-Holland aangewezen als organisatie onder wier verantwoordelijkheid
                            de welstandscommissie ressorteert.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Taakomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is belast met wettelijk verplichte en
                            niet-wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden
                            uitgevoerd op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet">Woningwet</extref>.</al></li><li nr=""><al>Wettelijk verplichte taken:</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor regulier vergunningplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44 eerste lid onder d van de Woningwet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag
                            voor van de door haar verrichte werkzaamheden.</al></li><li nr=""><al>Niet-wettelijk verplichte taken:</al></li><li nr="4."><al>De welstandscommissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor licht-vergunningplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44 derde lid juncto eerste lid onder d van de
                                Woningwet</extref>, indien dergelijke aanvragen niet door een
                            gemandateerde ambtenaar, op grond van in de welstandsnota opgenomen
                            ambtelijke toetsingscriteria, van een positief welstandsadvies kunnen
                            worden voorzien.</al></li><li nr="5."><al>De welstandscommissie adviseert burgemeester en wethouders met
                            betrekking tot aanvragen voor een monumentenvergunning in het kader van
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=monumentenwet/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet</extref> en is daartoe in de
                            gemeentelijke monumentenverordening aangewezen als monumentencommissie
                            Aalsmeer</al></li><li nr="6."><al>De welstandscommissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor een reclamevergunning.</al></li><li nr="7."><al>De welstandscommissie voert onder regie van de gemeente overleg met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe
                            principeaanvragen voor bouwplannen.</al></li><li nr="8."><al>De welstandscommissie brengt op verzoek van burgemeester en wethouders
                            advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                            bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken.</al></li><li nr="9."><al>De welstandscommissie overlegt met de betrokken ambtelijke afdelingen,
                            burgemeester en wethouders en de gemeenteraad over het opstellen van
                            welstandscriteria en welstandsbeleid.</al></li><li nr="10."><al>De welstandscommissie levert op verzoek van burgemeester en wethouders
                            een bijdrage aan het bevorderen van de openbaarheid van het
                            welstandstoezicht, het maatschappelijk draagvlak voor welstandstoezicht
                            en het stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente.</al></li><li nr="11."><al>De welstandscommissie draagt zorg voor regelmatig overleg met
                            burgemeester en wethouders en signaleert daarbij gevraagd en ongevraagd
                            stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn
                            voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.</al></li><li nr="12."><al>De welstandscommissie beoordeelt op verzoek van burgemeester en
                            wethouders of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats in ernstige
                            mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de
                            criteria die hiervoor zijn opgenomen in de welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit drie leden: een voorzitter
                            en twee architecten.</al></li><li nr="2."><al>Voor de voorzitter en architectleden worden bij structurele afwezigheid,
                            plaatsvervangers benoemd die hen kunnen vervangen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 Profielschets van alle commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de welstandscommissie moeten geïnteresseerd zijn in
                            Aalsmeer en de gemeente kennen of willen leren kennen.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie zijn bereid zich te verdiepen in het
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in brede zin van de gemeente en baseren zich
                            bij de beoordeling van bouwplannen uitsluitend op de welstandscriteria
                            zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn
                            bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en kennis hebben van de
                            (geschiedenis van de) bouwkunst.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de welstandscommissie zijn onpartijdig, dat betekent dat
                            zij geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door burgemeester en
                            wethouders te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met
                            vooringenomenheid mogen vervullen.</al></li><li nr=""><al>De leden van de welstandscommissie mogen geen professionele
                            betrokkenheid hebben bij de te beoordelen bouwplannen. Op het moment dat
                            een dergelijke betrokkenheid wel bestaat maakt het lid deze tijdig
                            kenbaar en wordt het plan ter advies voorgelegd aan een andere onder de
                            Stichting Welstandszorg Noord-Holland ressorterende
                            welstandscommissie.</al></li><li nr="5."><al>De leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn hun oordeel
                            begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering
                            een rol spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve
                            vaardigheden.</al></li><li nr="6."><al>De leden van de welstandscommissie hebben een geheimhoudingsplicht
                            inzake de aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten, niet zijnde
                            bouwaanvragen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Profielschets van de voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het dagelijks functioneren van de
                            welstandscommissie en bewaakt de deugdelijkheid van de
                            welstandsadvisering in brede zin.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de
                            discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het
                            uit te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter treedt op als gastheer of –vrouw voor de planindieners,
                            ontwerpers en andere bezoekers.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                            evaluatie van de werkzaamheden en heeft hiertoe tenminste eenmaal per
                            jaar een evaluerend overleg met de portefeuillehouder. De uitkomsten van
                            het evaluatiegesprek wordt opgenomen in het jaarverslag van de
                            welstandscommissie.</al></li><li nr="5."><al>De voorzitter onderhoudt de contacten met de pers en andere
                            belangstellenden. Bij een persgesprek is altijd een bij het
                            welstandstoezicht betrokken derde aanwezig.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Profielschets van het architectlid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De architectleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de
                            vakinhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen.</al></li><li nr="2."><al>Eén van de architectleden kan door de welstandsorganisatie worden
                            aangewezen als vakinhoudelijk secretaris van de welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Het architectlid is een geregistreerde architect die zich door opleiding
                            en ervaring kwalificeert om zitting te nemen in de
                            welstandscommissie.</al></li><li nr="4."><al>Het architectlid heeft een eigen, actieve beroepspraktijk en heeft
                            ervaring met het beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in
                            bijvoorbeeld onderwijssituaties of jury’s.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Profielschetsen van de overige commissieleden</vet></al><al>Profielschets commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie</al><al>Het commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie is verantwoordelijk
                    voor de inbreng van kennis over de lokale cultuurhistorie tijdens de
                    welstandsadvisering.</al><al><vet>Paragraaf 3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al><vet>Artikel 8 Benoemingsprocedure</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de architectleden van de welstandscommissie alsmede de
                            plaatsvervanger bij structurele afwezigheid worden, na een openbare
                            sollicitatieprocedure door de welstandscommissie Noordholland-zuid,
                            voorgedragen aan burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De overige leden van de welstandscommissie worden voorgedragen aan
                            burgemeester en wethouders door de plaatselijke
                            belangenorganisaties.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Zittingsduur</vet></al><al>Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid tot
                    herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de
                    continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van de
                    welstandscommissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend
                    systeem.</al><al><vet>Artikel 10 Voortijdige beëindiging van de benoeming van
                        commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de welstandscommissie alsmede de plaatsvervangers bij
                            structurele afwezigheid kunnen ten allen tijde kenbaar maken hun
                            benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk 3 maanden
                            tevoren kennis aan de Stichting Welstandszorg Noord-Holland.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen na overleg met de Stichting
                            Welstandszorg Noord-Holland de benoeming van een lid of van alle leden
                            van de welstandscommissie alsmede van de plaatsvervangers bij
                            structurele afwezigheid voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende
                            commissielid of de betreffende commissieleden of plaatsvervangers naar
                            zijn oordeel of het oordeel van de welstandsorganisatie niet naar
                            behoren functioneert of functioneren.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet>Artikel 11 Jaarverslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 Ww
                            jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden,
                            genoemd het ‘jaarverslag’.</al></li><li nr="2."><al>In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de
                            welstandscommissie toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke
                            welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert
                            waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende
                            houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde
                            beleid.</al></li><li nr="3."><al>Voorts kan de welstandscommissie in haar jaarverslag aandacht besteden
                            aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven
                            aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen
                            en bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar verslag
                            aanbeveling doen ten aanzien van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                            algemeen en het welstandsbeleid in het bijzonder.</al></li><li nr="4."><al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. Het jaarverslag
                            wordt jaarlijks in april aangeboden aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="5."><al>Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad wordt gecombineerd met
                            de jaarlijks op te stellen rapportage over de uitvoering van het
                            welstandstoezicht door burgemeester wethouders.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 5 Termijn van advisering en vooroverleg</vet></al><al><vet>Artikel 12 Termijn van advisering bij de bouwaanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid is bij de
                            beoordeling van lichte, reguliere of gefaseerde bouwaanvragen gebonden
                            aan de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van
                            advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen
                            van advies kan de welstandscommissie dan wel het namens haar
                            gemandateerde lid het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie
                            of een toelichting van de ontwerper wenselijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 13 Overschrijding van de termijn</vet></al><al>1. Indien de welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid niet
                    binnen de in de Bouwverordening gestelde termijn tot een advies komt, beoordelen
                    burgemeester en wethouders zelf of het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking
                    heeft niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarbij nemen zij de
                    in de welstandsnota opgenomen criteria in acht. De welstandscommissie wordt van
                    deze beoordeling in kennis gesteld.</al><al><vet>Artikel 14 Vooroverleg over principeaanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van
                            een bouwaanvraag, door middel van het indienen van een principeaanvraag
                            vooroverleg te plegen met de welstandscommissie dan wel een namens haar
                            gemandateerd lid, over de interpretatie van de welstandscriteria in het
                            concrete geval van het bouwplan.</al></li><li nr="2."><al>Dit vooroverleg kan in principe pas starten nadat duidelijkheid bestaat
                            over de planologische aanvaardbaarheid van het plan.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerd lid draagt
                            uiterste zorg voor consistente beoordelingen in de verschillende
                            planfasen.</al></li><li nr="4."><al>Het vooroverleg vindt in principe niet plaats in het openbaar, tenzij de
                            planindieners, burgemeester en wethouders en de welstandscommissie van
                            mening zijn dat openbare behandeling geen belangen schaadt en de
                            transparantie van het welstandstoezicht ten goede komt.</al></li><li nr="5."><al>Van het vooroverleg wordt altijd verslag gemaakt, dat met de besproken
                            bescheiden wordt opgenomen in het dossier. De welstandscommissie dan wel
                            het namens haar gemandateerde lid geeft aan in welke fase het plan werd
                            beoordeeld en door op welke wijze de bouwaanvraag uiteindelijk zal
                            worden beoordeeld (door de plenaire commissie dan wel door een namens
                            haar gemandateerd lid).</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 Beëindiging van het vooroverleg na drie negatieve
                        beoordelingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als een plan tijdens de vooroverlegfase drie keer negatief wordt
                            beoordeeld door de welstandscommissie dan wel het namens haar
                            gemandateerde lid en er tijdens het proces geen noemenswaardige
                            vooruitgang wordt geconstateerd, zal de welstandscommissie het
                            vooroverleg beëindigen en via de ambtelijk plantoelichter contact
                            opnemen met de portefeuillehouder om de (politieke) consequenties
                            hiervan te bespreken.</al></li><li nr="2."><al>Beëindiging van het vooroverleg vindt niet plaats indien het plan niet
                            tenminste éénmaal (bijvoorbeeld de laatste maal) door de plenaire
                            commissie is beoordeeld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 16 Geldigheidstermijn van een principeaanvraag</vet></al><al>Indien een principeaanvraag niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling
                    door de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid, wordt
                    gevolgd door een bouwaanvraag, wordt de welstandsbehandeling gesloten. Deze
                    termijn geldt niet indien de welstandscommissie en de planindiener schriftelijk
                    een andere termijn overeenkomen.</al><al><vet>Paragraaf 6 Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting</vet></al><al><vet>Artikel 17 Openbare behandeling van bouwaanvragen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwaanvragen door de welstandscommissie dan wel door
                            een gemandateerd lid van de commissie is openbaar tenzij de
                            planindiener, burgemeester en wethouders of de welstandscommissie van
                            mening zijn dat er op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10%20">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref> klemmende
                            redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de
                            beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het
                            welstandsadvies.</al></li><li nr="2."><al>Belangstellenden kunnen de vergadering van de welstandscommissie
                            bijwonen op de publieke tribune.</al></li><li nr="3."><al>Belanghebbenden in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> kunnen voor
                            het begin van de vergadering spreektijd aanvragen bij de voorzitter. De
                            voorzitter stelt, afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van
                            eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van
                            een visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of
                            beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria
                            vindt niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling.</al></li><li nr="4."><al>Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwaanvragen zijn openbaar
                            en kunnen worden ingezien.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 18 Bekendmaking van de agenda</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden
                            door de Gemeente Aalsmeer ter kennis gesteld van de lokale pers.</al></li><li nr="2."><al>Op 4 dagen voorafgaand aan de vergaderingen van de welstandscommissie
                            wordt via ‘De Nieuwe Meerbode’ bekend gemaakt dat de agenda vanaf
                            publicatiedatum in ‘De Nieuwe Meerbode’ op het gemeentehuis Aalsmeer ter
                            inzage ligt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 19 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het
                            plan heeft verzocht, wordt deze door de ambtelijk plantoelichter
                            uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering
                            waarin het plan wordt behandeld.</al></li><li nr="2."><al>Als de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid een
                            nadere toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de
                            ontwerper door de ambtelijk plantoelichter uitgenodigd voor het geven
                            van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt
                            behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de
                            planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria,
                            door planindiener en/of ontwerper.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al><vet>Artikel 20 Mandaat namens de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan, in overleg met burgemeester en wethouders één
                            of meer van haar leden schriftelijk mandateren om bepaalde taken uit te
                            voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en
                            namens de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de
                            ondertekening.</al></li><li nr="2."><al>Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer van haar
                            leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het
                            welstandsadvies voor bouwplannen van relatief geringe ruimtelijke
                            betekenis of van bouwplannen waar de mening van de welstandscommissie
                            als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde heeft hierbij een
                            beperkt mandaat, dat wil zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen
                            worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde commissielid niet
                            akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire commissie behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer van haar
                            leden kunnen worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg met de
                            planindieners en/of ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel
                            door deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg
                            moet altijd minstens eenmaal een welstandsbeoordeling door de plenaire
                            commissie plaatsvinden. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er
                            tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten.
                            De commissie geeft daarna, binnen dit kader haar oordeel.</al></li><li nr="4."><al>Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende
                            bouwplan alsnog voor aan de plenaire commissie.</al></li><li nr="5."><al>Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde
                            reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de plenaire
                            commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Ambtelijk mandaat voor lichtvergunningplichtige
                    bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de ambtelijk plantoelichter mandateren
                            om namens hen het welstandsoordeel te geven voor
                            licht-vergunningplichtige bouwwerken waarvoor in de welstandsnota
                            ambtelijke toetsingscriteria zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>De gemandateerde ambtenaar heeft hierbij een beperkt mandaat, dat wil
                            zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen worden gegeven. Plannen
                            waarmee de gemandateerde ambtenaar niet akkoord kan gaan, worden alsnog
                            aan de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid
                            voorgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Indien er sprake is van een bijzondere situatie of er gerede twijfel
                            bestaat aan de toepasbaarheid van de ambtelijke toetsingscriteria legt
                            de gemandateerde ambtenaar het plan voor advies voor aan de
                            welstandscommissie.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al><vet>Artikel 22 Inhoud van het advies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een
                            bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                            omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd
                            is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de
                            hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr="2."><al>Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben
                            op het welstandstoezicht.</al></li><li nr="3."><al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid
                            of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen
                            zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                            duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.</al></li><li nr="4."><al>Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der
                            betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan
                            voelen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 23 Conclusie van het advies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al><lijst><li nr="1."><al>Akkoord: Het plan voldoet naar mening van de welstandscommissie
                                    volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke
                                    eisen van welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met
                                    suggesties om het plan op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze
                                    suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de
                                    conclusie van het welstandsadvies zelf.</al></li><li nr="2."><al>Niet akkoord tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: Het plan
                                    voldoet naar mening van de welstandscommissie volgens de van
                                    toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van
                                    welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast.
                                    Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd of op de tekening
                                    aangegeven. De ambtelijk plantoelichter nodigt daarna de
                                    planindiener uit om binnen de wettelijke afhandelingstermijn een
                                    aangepast plan in te dienen dat vervolgens door een
                                    gemandateerde ambtenaar (in geval van een lichte bouwvergunning)
                                    dan wel een gemandateerd lid van de welstandscommissie (in geval
                                    van een reguliere bouwvergunning) wordt beoordeeld.</al></li><li nr="3."><al>Niet akkoord: Het plan voldoet naar mening van de
                                    welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde
                                    welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand. Dit
                                    betekent dat ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de
                                    uitwerking van het ontwerp noodzakelijk zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 24 Schriftelijke motivering</vet></al><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al><lijst><li nr="1."><al>Bij positieve advisering kan een expliciete motivering achterwege
                            blijven, tenzij burgemeester en wethouders daarom verzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake
                            is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan, in
                            afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q.
                            objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren.</al></li><li nr="3."><al>Elk welstandsadvies bestaat uit: </al><lijst><li nr="o"><al>Een beknopte karakteristiek van het bouwplan en zijn
                                    omgeving</al></li><li nr="o"><al>Indien van toepassing: kort chronologisch overzicht van eerdere
                                    planbeoordelingen</al></li><li nr="o"><al>Indien van toepassing: een beknopt verslag van een
                                    plantoelichting door de planindieners en/of de ontwerper</al></li><li nr="o"><al>Een verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste
                                    welstandscriteria</al></li><li nr="o"><al>Het welstandsadvies</al></li><li nr="o"><al>Bij een negatief advies de motivering daarvan</al></li><li nr="o"><al>Indien van toepassing: aanbevelingen of suggesties van de
                                    welstandscommissie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Toelichting op het welstandsadvies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De planindiener en/of ontwerper kan verzoeken om een mondelinge
                            toelichting op het welstandsadvies.</al></li><li nr="2."><al>Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven door ambtelijk
                            plantoelichter.</al></li><li nr="3."><al>Indien de planindiener en/of ontwerper vervolgens een nadere toelichting
                            wenst wordt een afspraak gemaakt met de welstandscommissie dan wel een
                            namens haar gemandateerd lid.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 9 Welstandsoordeel van burgemeester en wethouders</vet></al><al><vet>Artikel 26 Welstandsoordeel van burgemeester en wethouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de
                            bouwvergunning ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen
                            verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de
                            hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders vragen bij elke reguliere bouwaanvraag met
                            uitzondering van de plannen die op grond van de welstandsnota als
                            welstandsvrij zijn aan te merken advies aan de welstandscommissie,
                            tenzij bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning reeds op een andere
                            grond moet worden geweigerd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders vergewissen zich er van dat het
                            welstandsadvies waarop zij hun welstandsoordeel baseren, naar inhoud en
                            wijze van totstandkoming deugdelijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 27 Afwijken op inhoudelijke grond</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het
                            welstandsadvies indien zij tot het oordeel komen dat de
                            welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                            geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste
                            criteria heeft toegepast.</al></li><li nr="2."><al>Indien burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond tot een ander
                            oordeel komen dan de welstandscommissie, dan kunnen zij voordat het
                            besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor
                            geldige afhandelingstermijn, een second opinion vragen aan de speciaal
                            daarvoor bestaande welstandscommissie van de Stichting Welstandszorg
                            Noord-Holland.</al></li><li nr="3."><al>Indien burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het
                            welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de
                            bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de
                            hoogte gesteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 28 Afwijken van de welstandscriteria</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A48%20">artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> en op
                            advies van de welstandscommissie afwijken van de in de gemeentelijke
                            welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte
                            welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan
                            deze welstandscriteria maar wél aan redelijke eisen van welstand, dit te
                            beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria.</al></li><li nr="2."><al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            bouwvergunning gemotiveerd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 29 Afwijken om andere redenen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">artikel 44, lid 1d van de Woningwet</extref> de bouwvergunning
                            verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van
                            welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn,
                            bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.</al></li><li nr="2."><al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de
                            hoogte gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders zullen uiterst terughoudend zijn met het
                            gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel
                            ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke
                            belangen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 30 Bezwaar en beroep</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> kunnen
                            binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester
                            en wethouders op de aanvraag voor een bouwvergunning.</al></li><li nr="2."><al>In de bezwaarschriftenprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders
                            het besluit nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun
                            standpunten nader hebben kunnen toelichten.</al></li><li nr="3."><al>In de bezwaarschriftenprocedure kunnen burgemeester en wethouders een
                            second opinion vragen aan de speciaal daarvoor bestaande
                            welstandscommissie van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden die het met de heroverweging van burgemeester en
                            wethouders niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 31 Jaarlijkse rapportage door burgemeester en wethouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders stellen, ter uitvoering van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=12c">artikel 12c van de Woningwet</extref> jaarlijks een rapportage op
                            voor de gemeenteraad over de wijze waarop zij met hun
                            verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn
                            omgegaan.</al></li><li nr="2."><al>In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: de
                            wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag
                            voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben
                            voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                            gegeven aan de welstandscriteria; in welke categorieën van gevallen zij
                            tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke
                            eisen van welstand‘ (op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=19">artikel 19 van de Woningwet</extref>) zijn overgegaan en of zij na
                            die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang.</al></li><li nr="3."><al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. De rapportage
                            wordt jaarlijks in april aangeboden aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="4."><al>Bespreking van de rapportage in de gemeenteraad wordt gecombineerd met
                            het jaarverslag van de welstandscommissie.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 10 Advisering over bijzondere plannen</vet></al><al><vet>Artikel 32 Advisering over plannen betreffende een beschermd
                    monument</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien voor een bouwactiviteit zowel een monumentenvergunning als een
                            bouwvergunning benodigd is, vindt advisering op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=monumentenwet/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet</extref> plaats gescheiden van de
                            advisering op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=12">artikel 12 van de Woningwet.</extref></al></li><li nr="2."><al>De gemeente heeft een afzonderlijke monumentencommissie ingesteld voor
                            de advisering in het kader van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet</extref>. Deze commissie brengt
                            haar advies uit voordat het plan aan de welstandscommissie wordt
                            voorgelegd. Het advies van de monumentencommissie wordt daarbij ter
                            kennis gebracht van de welstandscommissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 33 Advisering bij plannen onder supervisie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een
                            supervisor aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te
                            stimuleren en planindieners en ontwerpers in de vroege fasen van de
                            planvorming reeds te informeren en te begeleiden.</al></li><li nr="2."><al>Bij het aanstellen van een supervisor zullen burgemeester en wethouders
                            zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming
                            tussen supervisie en welstandsbeoordeling. Daarbij gelden de volgende
                            uitgangspunten: de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het
                            gebied; de welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad
                            als leidraad voor de planbegeleiding door de supervisor én als kader
                            voor de welstandsbeoordeling; tijdens het planvormingsproces is de
                            supervisor verantwoordelijk voor tijdige rapportage aan de
                            welstandscommissie. Controversiële kwesties kunnen leiden tot
                            vooroverleg van de welstandscommissie met de ontwerper, de planindiener
                            en/of de supervisor.</al></li><li nr="3."><al>Bij de bouwaanvraag vindt de definitieve welstandsbeoordeling door de
                            welstandscommissie plaats waarbij de commissie rekening houdt met wat er
                            tijdens het begeleidingsproces is besproken en besloten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 34 Advisering bij plannen na een ontwerpwedstrijd</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie worden de
                            inzendingen beoordeeld door een speciaal aangewezen jury of
                            beoordelingscommissie. Dit kan nooit de welstandscommissie als zodanig
                            zijn. Een lid van de welstandscommissie kan wel op persoonlijke titel
                            worden aangewezen als lid van een jury of beoordelingscommissie</al></li><li nr="2."><al>De inzendingen van een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie
                            kunnen als principeaanvraag voor advies worden voorgelegd aan de
                            welstandscommissie. Hierbij geldt de werkwijze zoals beschreven in dit
                            reglement van orde.</al></li><li nr="3."><al>De gemeente zal stimuleren dat in het wedstrijdprogramma in samenhang
                            met de stedenbouwkundige randvoorwaarden ook expliciete
                            welstandscriteria worden opgenomen, meestal als uitwerking van de
                            welstandscriteria uit de welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 35 Advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota’s</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt op verzoek van burgemeester en wethouders
                            advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                            bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken. Voor bestemmingsplannen gebeurt dit in het kader van het
                            overleg ex artikel 10 BRO.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt binnen drie maanden schriftelijk advies uit
                            aan burgemeester en wethouders over de aan haar voorgelegde ruimtelijke
                            plannen en beleidsnota’s.</al></li><li nr="3."><al>In haar advies beperkt de welstandscommissie zich tot de raakvlakken van
                            het betreffende plan of de nota met het welstandstoezicht. De
                            welstandscommissie onderzoekt de consequenties van het plan of de nota
                            voor het welstandstoezicht, signaleert eventuele tegenstrijdigheden of
                            hiaten in relatie tot het welstandsbeleid.</al></li><li nr="4."><al>Na de vaststelling van het plan of de nota ontvangt de
                            welstandscommissie een definitief exemplaar en een reactie op haar
                            eerder uitgebrachte advies.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 11 Ondersteuning van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 36 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders wijzen een ambtelijk plantoelichter aan.</al></li><li nr="2."><al>De ambtelijk plantoelichter ondersteunt de welstandscommissie op zodanig
                            wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar
                            taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="3."><al>De ambtelijk plantoelichter is op geen enkele wijze betrokken bij of
                            verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering
                            door de welstandscommissie.</al></li><li nr="4."><al>De ambtelijk plantoelichter legt wat betreft de organisatorische en
                            budgettaire aspecten verantwoording af aan burgemeester en
                            wethouders.</al></li><li nr="5."><al>De ambtelijk plantoelichter is aanwezig bij alle vergaderingen van de
                            welstandscommissie en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de
                            commissie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtelijk plantoelichter onderhoudt de contacten met de ambtelijke
                            diensten (met name het bouwtoezicht en stedenbouw), neemt de
                            adviesaanvragen voor bouwplannen in en bereidt de behandeling van de
                            bouwplannen in de welstandscommissie voor. Hij of zij controleert of de
                            bouwplannen (inclusief de bouwplannen die worden aangeboden voor
                            vooroverleg) zijn voorzien van de voor de welstandstoets benodigde
                            bescheiden, zoals omschreven in het ‘Besluit indieningsvereisten’ als
                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=40a">artikel 40 a van de Woningwet</extref>.</al></li><li nr="7."><al>De ambtelijk plantoelichter draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen
                            waarvan de planologische aanvaardbaarheid in principe vaststaat en die
                            niet om andere redenen moeten worden geweigerd, voor advies aan de
                            welstandscommissie worden voorgelegd.</al></li><li nr="8."><al>De ambtelijk plantoelichter verzorgt (in overleg met de voorzitter) de
                            agendering en draagt er zorg voor dat de welstandscommissie kan
                            adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn.</al></li><li nr="9."><al>Tijdens de vergadering introduceert de ambtelijk plantoelichter de
                            bouwplannen. Hij of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar
                            informeert de commissie over alle relevante aspecten van het
                            bouwplan.</al></li><li nr="10."><al>De ambtelijk plantoelichter maakt de afspraken tussen planindieners
                            en/of ontwerpers en de welstandscommissie.</al></li><li nr="11."><al>De ambtelijk plantoelichter geeft planindieners en/of ontwerpers de
                            eerste mondelinge toelichting op het welstandsadvies.</al></li><li nr="12."><al>De ambtelijk plantoelichter verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de
                            rapportage van burgemeester en wethouders en neemt deel aan het
                            evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de
                            welstandscommissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 38 Ondersteuning vanuit de welstandsorganisatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De Stichting Welstandszorg Noord-Holland wijst een commissieassistent
                            aan.</al></li><li nr="2."><al>De commissieassistent ondersteunt de welstandscommissie op zodanig wijze
                            dat deze optimaal kan functioneren bij uitoefening van haar taken als
                            onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="3."><al>De commissieassistent is op geen enkele wijze betrokken bij of
                            verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering
                            door de welstandscommissie.</al></li><li nr="4."><al>De commissieassistent legt wat betreft de organisatorische en
                            budgettaire aspecten verantwoording af aan (de directeur van) de
                            Stichting Welstandszorg Noord-Holland.</al></li><li nr="5."><al>De commissieassistent is aanwezig bij alle vergaderingen van de
                            welstandscommissie en organiseert het verloop van de vergadering.</al></li><li nr="6."><al>De commissieassistent stelt de vergadernotulen op en zorgt voor de
                            administratieve verwerking van de welstandsadviezen.</al></li><li nr="7."><al>De commissieassistent stelt het vergaderrooster op.</al></li><li nr="8."><al>De commissieassistent zorgt bij incidentele afwezigheid van de
                            voorzitter of één van de architectleden voor een gekwalificeerde
                            vervanger conform artikel
                                43 van dit reglement van orde.</al></li><li nr="9."><al>De commissieassistent verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het
                            jaarverslag van de welstandscommissie en neemt deel aan het
                            evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de
                            welstandscommissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 39 Adviseur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe
                            aanleiding geeft kunnen burgemeester en wethouders en de
                            welstandscommissie in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc
                            of permanente basis specifieke deskundigen als adviseur van de commissie
                            te raadplegen.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de
                            beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan
                            te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen
                            stem in de eindbeoordeling.</al></li><li nr="3."><al>De adviseur is op geen enkele wijze betrokken bij of verantwoordelijk
                            voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de
                            welstandscommissie</al></li><li nr="4."><al>De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de
                            vergadernotulen.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 12 Vergaderorde</vet></al><al><vet>Artikel 40 Vergadering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie vergadert tenminste tweemaal per maand volgens een
                            jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie
                            wordt vastgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn, waarvan tenminste twee
                            architectleden.</al></li><li nr="3."><al>De vergadering van de welstandscommissie verloopt volgens een vast
                            protocol: </al><lijst><li nr="o"><al>Opening door de voorzitter</al></li><li nr="o"><al>Welkom en uitleg aan bezoekers op de publieke tribune</al></li><li nr="o"><al>Inventarisatie van bezoekers die gebruik wensen te maken van
                                    spreekrecht en vaststelling van de spreektijd</al></li><li nr="o"><al>Verslag van de gemandateerde werkzaamheden die onder de
                                    openbaarheid vallen</al></li><li nr="o"><al>Behandeling van bouwaanvragen</al></li><li nr="o"><al>Sluiting</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voorafgaand of na afloop van de vergadering vinden besloten besprekingen
                            plaats met de volgende agendapunten: </al><lijst><li nr="o"><al>Verslag van gemandateerde werkzaamheden die niet onder de
                                    openbaarheid vallen</al></li><li nr="o"><al>Behandeling van principeaanvragen</al></li><li nr="o"><al>Behandeling van ruimtelijke plannen en andere beleidsnota’s</al></li><li nr="o"><al>Overige taken en activiteiten van de welstandscommissie</al></li><li nr="o"><al>Evaluatie van de vergadering en punten voor het jaarverslag</al></li><li nr="o"><al>Vaststelling van de notulen</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 41 Behandeling van een bouwplan</vet></al><al>De behandeling van een bouwplan verloopt volgens een vast protocol:</al><al>Indien aanwezig: ontvangst van planindiener en/of ontwerper en uitleg van de
                    gang van zaken door de voorzitter</al><al>Introductie van het plan door de ambtelijk plantoelichter</al><al>Gelegenheid voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte keuzes
                    in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener en/of ontwerper</al><al>Gelegenheid voor korte toelichting door eventuele adviseurs van de
                    welstandscommissie</al><al>Gelegenheid voor vragen door de commissieleden</al><al>Start van de beraadslaging, waarbij de voorzitter vaststelt welke
                    welstandscriteria van toepassing zijn en op welke manier deze worden
                    behandeld</al><al>Beraadslaging door de commissieleden, waarbij de voorzitter elk commissielid in
                    de gelegenheid stelt zijn of haar mening voldoende te uiten</al><al>Conclusies, eventueel formele stemming</al><al>Samenvatting van het uit te brengen advies door de voorzitter, als basis voor de
                    schriftelijke uitwerking door de commissieassistent.</al><al><vet>Artikel 42 Stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Alle aanwezige commissieleden dan wel hun plaatsvervangers, brengen één
                            stem uit omtrent het uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid
                            van stemmen.</al></li><li nr="3."><al>Bij staking van de stemmen vraagt de welstandscommissie een second
                            opinion aan de speciaal daarvoor bestaande welstandscommissie van de
                            Stichting Welstandszorg Noord-Holland.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 43 Vervanging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder incidentele verhindering wordt verstaan een maximaal drie keer per
                            jaar voorkomende afwezigheid wegens andere verplichtingen, en
                            onvoorziene afwezigheid wegens overmacht.</al></li><li nr="2."><al>Bij incidentele verhindering van de voorzitter zorgt de
                            commissieassistent voor een gekwalificeerde vervanger uit één van de
                            overige onder de Stichting Welstandszorg Noord-Holland ressorterende
                            welstandscommissies.</al></li><li nr="3."><al>Bij incidentele verhindering van één van de architectleden zorgt de
                            commissieassistent voor een gekwalificeerde vervanger uit één van de
                            overige onder de Stichting Welstandszorg Noord-Holland ressorterende
                            welstandscommissies.</al></li><li nr="4."><al>Indien één van de leden van de welstandscommissie professioneel
                            betrokken is bij een te beoordelen bouwplan wordt het plan ter
                            beoordeling voorgelegd aan één van de overige onder de Stichting
                            Welstandszorg Noord-Holland ressorterende welstandscommissies.</al></li><li nr="5."><al>Bij verhindering van de ambtelijk plantoelichter wordt deze vervangen
                            door een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                            plaatsvervanger.</al></li><li nr="6."><al>Bij verhindering van de commissieassistent wordt deze vervangen door een
                            door de Stichting Welstandszorg Noord-Holland aan te wijzen
                            plaatsvervanger.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 44 Onderzoek ter plaatse</vet></al><al>De welstandscommissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij de
                    beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs
                    voor de vervulling van haar taak nodig is.</al><al><vet>Artikel 45 Notulen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissieassistent maakt de notulen van de vergadering van de
                            plenaire commissie. In deze notulen worden opgenomen de besluiten van
                            het gemandateerde commissielid ter zake van de goedgekeurde
                            bouwplannen.</al></li><li nr="2."><al>De notulen bevatten de samengevatte welstandsadviezen over aan de
                            commissie voorgelegde bouwplannen (zowel de bouwaanvragen als de
                            principeaanvragen).</al></li><li nr="3."><al>De notulen bevatten tevens een verslag van alle andere
                            gespreksonderwerpen van de welstandscommissie.</al></li><li nr="4."><al>De notulen worden gesplitst in het gedeelte betreffende de behandeling
                            van bouwaanvragen en het gedeelte betreffende de overige behandelingen
                            en gespreksonderwerpen.</al></li><li nr="5."><al>De commissieassistent zendt de goedgekeurde notulen binnen 5 werkdagen
                            na de vergadering ter kennisname aan burgemeester en wethouders.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 13 Financiële vergoeding</vet></al><al><vet>Artikel 46 Vergoeding</vet></al><al>De commissieleden genieten een door Stichting Welstandszorg Noord-Holland te
                    bepalen en te betalen uurtarief en een vergoeding van de reiskosten.</al><al><vet>Artikel 47 Overgangsbepaling</vet></al><al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement van orde vervallen
                    eerdere besluiten van de gemeenteraad tot vaststelling van de werkwijze van de
                    welstandscommissie.</al><al><vet>Bijlage 10</vet></al><al><vet>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</vet></al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="7*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="7*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="7*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="7*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="7*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="7*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="7*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="7*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="7*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="7*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="7*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Leden van Toepassing</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>Omvang van bewaking</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a</al></entry><entry colname="col7"><al>1b</al></entry><entry colname="col8"><al>1c</al></entry><entry colname="col9"><al>1d</al></entry><entry colname="col10"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                        combinatie met permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder
                                        permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4
                                        jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>200</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>2,4</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>5≤13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Celfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>Industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lichte industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>Sportfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col7"><al>10000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13≤50</al></entry><entry colname="col7"><al>10000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50≤70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorv; Indaver Gevaarlijk Afval BVoertuigen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>2500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>2500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.1
                        tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in de artikelen 2.6.1
                        tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in
                    tabel 2.6.1 verstaan onder:</al><al>- : dit lid is niet van toepassing</al><al>* : het hele artikel is van toepassing</al><al>&gt; : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde</al><al>=&lt; : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven
                    waarde</al><al>F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.1,
                        eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria</al><al>a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale</al><al>1: indien in combinatie met een grenswaarde in m²: deze voorziening dient altijd
                    aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak</al><al>Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de
                    tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot
                    uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat
                    een brandmeldinstallatie nodig is.</al><al>Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van
                    sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m² en er meer dan 1
                    verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en
                    doormelding noodzakelijk.</al><al>Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van
                    de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het
                    gebruiksoppervlak groter is dan 200 m² of er een vloer op een hoogte ligt van
                    meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en
                    doormelding vereist.</al><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al><vet>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Industriefunctie industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col2"><al>F</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen
                        2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de artikelen
                        2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                    wordt in tabel 2.6.5 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al><vet>Bijlage 12</vet></al><al><vet>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</vet></al><table><tgroup cols="3"><thead><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woongebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col2"><al>F</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen
                        2.6.9 en 2.6.10.
                    Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.8
                        tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in
                    tabel 2.6.8 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al>F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.8,
                        eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria.</al><al><vet>Bijlage 13</vet></al><al><vet>Bijlage als bedoeld in artikel 7.7.4 (gegevens en bescheiden aanvraag
                        vergunning kamerbewoning)</vet></al><al><vet>Artikel 1 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>De aanvraag om een vergunning kamerbewoning als bedoeld in artikel 7.7.2 moet de
                    volgende gegevens bevatten:</al><lijst><li nr="1."><al>de naam en het correspondentieadres in Nederland van de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres
                            in Nederland;</al></li><li nr="3."><al>de naam en adres waarop de vergunning gesteld moet worden;</al></li><li nr="4."><al>het adres van het pand;</al></li><li nr="5."><al>de kadastrale aanduiding van het pand;</al></li><li nr="6."><al>het aantal personen waarvoor het pand is of zal worden ingericht;</al></li><li nr="7."><al>het aantal kamers dat in het pand aanwezig is of zal zijn;</al></li><li nr="8."><al>de wijze van verwarming van het pand;</al></li><li nr="9."><al>de vermelding of in het pand het volgende aanwezig is: </al><lijst><li nr="o"><al>noodverlichtingsinstallatie;</al></li><li nr="o"><al>vluchtwegaanduiding;</al></li><li nr="o"><al>ontruimingsinstallatie, handbediening;</al></li><li nr="o"><al>ontruimingsinstallatie, automatisch.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag dienen afschriften van de huurovereenkomsten van de op
                            dat moment hurende bewoners te worden overlegd.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag om vergunning kamerbewoning als bedoeld in artikel 7.7.2
                            moet voorzien zijn van de volgende tekeningen: </al><lijst><li nr="1."><al>een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het pand op
                                    een schaal van maximaal 1:100 aangevende: </al><lijst><li nr="°"><al>de afmetingen van het pand en de daarbinnen gelegen
                                            ruimten;</al></li><li nr="°"><al>de aanduiding van de functie van elke ruimte of elke
                                            groep van bij elkaar behorende ruimten;</al></li><li nr="°"><al>de hoogteligging van de verschillende vloeren van het
                                            pand;</al></li><li nr="°"><al>de trappen en de vloerafscheidingen;</al></li><li nr="°"><al>de deuren en daglichtopeningen in de uitwendige
                                            scheidingsconstructies en, voor zover van belang voor
                                            het vluchten bij brand, tevens de uitwendige
                                            scheidingscontructies;</al></li><li nr="°"><al>het aanrecht, de wastafel, de opstelplaats van het
                                            kooktoestel, wasapparatuur, warmwatertoestel en de
                                            opstelplaats van stooktoestel of stookruimte;</al></li><li nr="°"><al>de meterkast of meterruimte;</al></li><li nr="°"><al>de voorzieningen voor het verversen van binnenlucht, de
                                            voorzieningen voor de toevoer van lucht of
                                            verbrandingstoestellen en de leidingkokers;</al></li><li nr="°"><al>de fietsenstalling;</al></li><li nr="°"><al>de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen zoals de
                                            plaats van de brandslanghaspel, draagbare
                                            brandblustoestellen, noodverlichtingarmaturen,
                                            vluchtwegaanduidingen, ontruimingsalarminstallatie,
                                            nooduitgangen en zelfsluitende deuren;</al></li><li nr="°"><al>de toe te passen brandwerende materialen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een situatietekening op schaal van 1:500 of 1:1000 van het pand,
                                    vermeldende de kadastrale aanduiding, de straat en het
                                    huisnummer.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Tekeningen bij een gelijktijdige aanvraag om
                    bouwvergunning</vet></al><al>Indien voor hetzelfde plan een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend, zijn
                    de in artikel
                        2 genoemde tekeningen niet vereist.</al><al>Het genoemde in artikel 2 leden a en b moet dan op de tekeningen, behorende bij de
                    aanvraag om een bouwvergunning, worden vermeld.</al><al><vet>Artikel 4 Eisen ten aanzien van tekeningen</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in het Besluit indieningsvereisten aanvraag
                    bouwvergunning.</al><al><vet>Bijlage 14</vet></al><al><vet>Bijlage als bedoeld in artikel 7.7.3 (algemene regels
                    kamerbewoning)</vet></al><al><vet>Artikel 1 Constructieve veiligheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Trappen en vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert, hebben een
                            brandwerendheid van 30 minuten met betrekking tot bezwijken. Niveau
                            Bouwbesluit 2003.</al></li><li nr="2."><al>Hoofddraagconstructies hebben een brandwerendheid m.b.t. bezwijken: </al><lijst><li nr="o"><al>van 30 minuten indien geen vloer van een verblijfsgebied hoger
                                    is gelegen dan 7 meter boven meetniveau;</al></li><li nr="o"><al>van 60 minuten indien een vloer van een verblijfsgebied hoger
                                    dan 7 meter maar lager dan 13 meter boven meetniveau is
                                    gelegen;</al></li><li nr="o"><al>van 90 minuten indien een vloer van een verblijfsgebied hoger is
                                    gelegen dan 13 meter boven meetniveau.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Beperking van de ontwikkeling van brand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de vluchtwegen voldoet de bijdrage tot de brandvoortplanting: </al><lijst><li nr="o"><al>van wanden en plafonds tenminste aan klasse 2;</al></li><li nr="o"><al>van de bovenzijde van vloeren, hellingbanen, trappen of daken
                                    tenminste aan klasse T1, 5% van deze oppervlakten hoeft niet te
                                    voldoen aan deze eisen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de overige ruimten voldoet de bijdrage tot brandvoortplanting: </al><lijst><li nr="o"><al>van wanden en plafonds tenminste aan klasse 4;</al></li><li nr="o"><al>van de bovenzijde van vloeren, hellingbanen, trappen of daken
                                    tenminste aan klasse T3, 5% van deze oppervlakten hoeft niet
                                    voldoen aan deze eisen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Beperking van uitbreiding van brand</vet></al><al>Omvang</al><lijst><li nr="1."><al>Een brandcompartiment heeft geen groter gebruiksoppervlak dan 500 m² en
                            bestaat uit: </al><lijst><li nr="o"><al>het gehele gebouw of;</al></li><li nr="o"><al>uit een of meer met elkaar in verbinding staande besloten
                                    ruimtes waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute
                                    voert.</al></li></lijst></li></lijst><al>WBDBO</al><lijst><li nr="2."><al>De weerstand tegen de branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen
                            brandcompartimenten is 60 minuten. De WBDBO tussen brandcompartimenten
                            kan beperkt blijven tot 30 minuten als geen vloer van een
                            verblijfsgebied hoger is gelegen dan 7 meter boven meetniveau.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 Verdere beperking uitbreiding brand</vet></al><al>Omvang</al><lijst><li nr="1."><al>Een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte groter dan 40 m² is een
                            subbrandcompartiment;</al></li><li nr=""><al>een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte kleiner dan 40 m² is een
                            subbrandcompartiment, eventueel samen met andere ruimtes mits: </al><lijst><li nr="o"><al>alle ruimtes met elkaar in verbinding staan, en;</al></li><li nr="o"><al>door de ruimtes geen brand- en rookvrije vluchtroute voert,
                                    en;</al></li><li nr="o"><al>de totale gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment niet
                                    groter is dan 40 m².</al></li></lijst></li></lijst><al>WBDBO</al><lijst><li nr="2."><al>De WBDBO tussen subbrandcompartimenten is 30 minuten.</al></li><li nr="3."><al>De WBDBO tussen subbrandcompartiment en de rookvrije vluchtroute is 30
                            minuten.</al></li><li nr="4."><al>Deuren van gemeenschappelijke verblijfsruimtes zijn zelfsluitend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Vluchten en vluchtroutes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een toegang van een subbrandcompartiment beginnen tenminste twee
                            rookvrije vluchtroutes die behalve bij die toegang nergens
                            samenvallen.</al></li><li nr="2."><al>Er kan worden volstaan met een rookvrije vluchtroute indien: </al><lijst><li nr="o"><al>geen vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 7 meter
                                    boven het meetniveau, en;</al></li><li nr="o"><al>maximaal 250 m² aan gebruiksoppervlakte is aangewezen op die ene
                                    rookvrije vluchtroute.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De rookproductie van wanden en plafonds in brand- en rookvrije
                            vluchtroutes is; </al><lijst><li nr="o"><al>bij een bijdrage tot brandvoortplanting van het materiaal
                                    conform klasse 1, maximaal 5,4 m-1.</al></li><li nr="o"><al>bij een bijdrage van tot brandvoortplanting van het materiaal
                                    conform klasse 2, maximaal 2,2 m-1.</al></li><li nr=""><al>5% van de oppervlakten hoeft niet te voldoen aan deze
                                    eisen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een rookvrije vluchtroute leidt naar aansluitend terrein en van daar
                            naar de openbare weg zonder dat deuren worden gepasseerd die met een
                            sleutel moeten worden geopend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Bestrijden van brand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een pand met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² is voorzien van
                            brandslanghaspels.</al></li><li nr="2."><al>Een pand met een gebruiksoppervlakte van minder dan 150 m² is voorzien
                            van minimaal twee draagbare brandblustoestellen (poeder-,
                            koolzuursneeuw- of schuimblusser) met elke een inhoud van minimaal 6 kg.
                            Op iedere bouwlaag dient minimaal een blusser aanwezig te zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een pand met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² is voorzien van
                            noodverlichting in de gemeenschappelijke verkeersruimten conform <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit/article=2.60">artikel 2.60 Bouwbesluit;</extref></al></li><li nr="2."><al>Een pand is voorzien van vluchtrouteaanduiding die voldoet aan het
                            gestelde in artikel
                                2.6.10 van de Bouwverordening als: </al><lijst><li nr="o"><al>de gebruiksoppervlakte meer dan 150 m² is, of;</al></li><li nr="o"><al>het pand twee of meer onafhankelijke vluchtroutes heeft.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een pand met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m² en
                            samenvallende vluchtroutes of slechts één vluchtroute is voorzien van
                            een brandmeldinstallatie met volledige bewaking conform NEN 2535.</al></li><li nr="1."><al>Een pand met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² is voorzien van
                            eenzelfde installatie met directe doormelding naar de regionale
                            brandweeralarmcentrale.</al></li><li nr="2."><al>Alle overige panden zijn voorzien van een (huis) brandmeldinstallatie
                            conform de NEN 2555 in de verkeersruimten.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al><vet>Toelichting verordening</vet></al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al><vet>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</vet></al><al>Bijlage bij toelichting op hoofdstuk 6 van de Model-bouwverordeningVoor zover in
                    een gebruiksvergunning niet anders is bepaald, gelden de algemene voorschriften
                    inzake brandveilig gebruik uit de bijlagen 3 en 4 van de bouwverordening.</al><al>Gebruikseisen afhankelijk van de bestemming</al><al>Burgemeester en wethouders beoordelen of voor specifieke bouwwerken in de
                    gemeente bijzondere eisen dienen te worden gesteld inzake brandveilig gebruik in
                    aanvulling op de algemeen geldende voorschriften uit bijlage 3 en 4 van deze
                    verordening. Deze bijzondere eisen en voorwaarden worden in dat geval
                    gemotiveerd opgenomen in de gebruiksvergunning.</al><al>Voorbeelden van bijzondere situaties waarvoor aanvullende eisen geformuleerd
                    kunnen worden, zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>Een gebouw waar een beurs wordt gehouden: de breedte van gangpaden
                            binnen de opstellingsruimte waarlangs de stands, kramen e.d. zijn
                            opgesteld;</al></li><li nr="•"><al>Theaters waarin brandschermen zijn gemaakt boven het podium als
                            gelijkwaardige oplossing voor bepaalde prestatie-eisen: aanvullende
                            eisen in het kader van een brandveilig gebruik;</al></li><li nr="•"><al>Gebouwen zoals politiebureau’s, gevangenissen, huizen van bewaring,
                            psychiatrische inrichtingen, etc.: aanvullende eisen in het kader van de
                            interne organisatie;</al></li><li nr="•"><al>Bij bijzondere evenementen zoals concerten, festivals,
                            tentoonstellingen, kermis, circus, markten etc.: aanvullende eisen zoals
                            de aanwezigheid van doorlopend toezicht;</al></li><li nr="•"><al>Grote gebouwen waarin veel mensen samen komen: aanvullende eisen in het
                            kader van een gefaseerde ontruiming;</al></li><li nr="•"><al>In gebouwen waarin zitplaatsen in rijen opgesteld zijn, kan de eis
                            gesteld worden dat bij de aanvraag van een gebruiksvergunning een
                            opstellingsplan wordt ingediend.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 3 bij de toelichting op de bouwverordening</vet></al><al>Maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op
                    de brandveiligheidDe rekenmethodiek met betrekking tot het maximaal toelaatbaar
                    aantal personen in een gebouw met het oog op brandveiligheid is opgenomen in de
                    brochure ‘Vluchten bij brand – Handreiking voor gebruiksvergunningen’ van het
                    Ministerie van VROM en BZK. Voor meer informatie kunt u terecht bij de afdeling
                    Publieksvoorlichting van VROM telefoonnummer 070 339 50 50. Via de internetsite
                    www.vrom.nl kunt u de tekst van de brochure downloaden.</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van
                                        bal)</al></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afstand tot gebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overmatige trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting
                                        met als gevolg breuk)</al></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– wegspatten dommekracht (hefboom)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                        stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a.
                                        explosieven.)</al></entry><entry colname="col2"><al>– rondvliegend puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stofproductie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry colname="col2"><al>– vallend materiaal/onvoldoende afstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan/maximum hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry colname="col2"><al>– kantelen trekapparatuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden:</al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                                        niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het
                                        bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d. Buiten
                                        het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>– aan- en afvoer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– op- en afbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast of delen daarvan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al></entry><entry colname="col2"><al>–omvallende bouwdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–wegspattend/vallend puin en gereedschap</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>– afkalven, instorten bouwputten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag van materialen en materieel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>– instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie
                                        en APV’s.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                    opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object- gericht)</al></entry><entry colname="col3"><al>Aanbevelingen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Belendingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>– constructief scheiden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen belending (in extremo: met de
                                        hand)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten/stempelen bouwputten- en sleuven</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– gecontroleerd bemalen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                        funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen</al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stofarm slopen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals
                                        asbest</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                                        gebouwen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                        betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat
                                        belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met betrekking
                                        tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie
                                        ’belendingen’</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft
                                        veiligheid en gezondheid. Zie ook gebruikers
                                        belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school, ziekenhuis,
                                        e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft
                                        bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (afdekken)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– omleggen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                        e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeerssituatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan Regelen in
                                        vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers (valschermen)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voetgangerstunnels</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden en waarborgen veiligheid boven leidingen trams
                                        en trolleys</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg verkeerscirculatieplan</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met NS</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                                        waterschap, gemeente)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>– aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen</al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– ontruimen belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry colname="col3"><al>– extra afscheiding</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplanVoorbeeld inhoudsopgave
                    sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                            hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                            externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="a."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven: </al><lijst><li nr="o"><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="o"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="o"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="o"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende
                                    wegen, bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="o"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle
                                    sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                                    plaatsvinden;</al></li><li nr="o"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige
                                    leidingen;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening
                                    mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij
                                    detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>niveau I minimumscheiding</al></entry><entry colname="col2"><al>niveau I-plus minimumscheiding</al></entry><entry colname="col3"><al>niveau II</al></entry><entry colname="col4"><al>niveau III maximumscheiding</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col3"><al>olieproducten overig gevaarlijk afval</al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>accu’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overig chemisch belast puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>oliehoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>coatings, kitten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bitumineuze materialen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>asbestproducten golfplaat</al></entry><entry colname="col4"><al>spouwbladen brandwerende platen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>isolatiemateriaal producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen</al></entry><entry colname="col2"><al>metalen</al></entry><entry colname="col3"><al>ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metalen trappen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schroot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tanks, silo’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis, slabben)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels</al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col3"><al>beton</al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hoge sterkte beton betonproducten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gebroken dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek</al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plavuizen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>asfaltpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct
                                        herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout(zonder verduurzamings-middelen, direct
                                        herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>regels/tengels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>pallets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd /gelakt hout</al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kozijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deuren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>multiplex</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>houtwolcementplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bekistingmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bielzen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geïmpregneerd hout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen(riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>draadglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>spiegelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dubbelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col4"><al>papier</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE / HDPE</al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS / EPS</al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR</al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>PUR-producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties</al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel</al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil
                                        textiel met aanhangend vuil glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>composiet-materialen</al></entry><entry colname="col2"><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met
                                        stucwerk</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabelIn de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en
                    niveau I-plus staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel
                    8.4.1. Dit minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden.</al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><lijst><li nr="•"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                            afvalstromen:</al></li><li nr=""><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                            afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare
                            componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze
                            gescheiden worden op niveau III.</al></li><li nr="•"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></li><li nr=""><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol.
                            Volstaan kan worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende
                            producten in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden
                            gestort.</al></li><li nr="•"><al>Overige afvalstromen</al></li><li nr=""><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee
                            een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik
                            en waarvoor inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit
                            bestaan.</al></li><li nr=""><al>class="Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te
                            worden tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten,
                            steenachtige isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas,
                            schoon hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan met
                            scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en
                            gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel, kabels).</al></li><li nr="•"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                            afvalstromen</al></li></lijst><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze categorie
                    worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                    sorteerinrichting.</al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                    voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en locaties
                    van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de volgende
                    publicaties worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr="•"><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan
                            den Rijn, 1993)</al></li><li nr="•"><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</vet></al><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen.)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Product</al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijk toegepast in</al></entry><entry colname="col3"><al>Mate waarin het is toegepast</al></entry><entry colname="col4"><al>Uiterlijk</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        ‘wafelstructuur'</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats</al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak</al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard)</al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien</al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien</al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast</al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer</al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord</al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en allesbranders</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig</al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds</al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks</al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board</al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton</al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering</al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag</al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983</al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al></entry></row><row><entry colname="col1" thscope="row"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel</al><al>Herkennen van asbest</al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden
                    gegeven:</al><al>- Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                    asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                    Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en
                    keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                    'gevlamde' decoratie.</al><al>- Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                    gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit
                    asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                    lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van
                    textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe,
                    zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een
                    harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum;
                    buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een
                    onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim).</al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop van
                    asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                    losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                    cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat.</al></bijlage><bijlage><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>JG 02.0008</al><al>JG 02.0026</al><al>JG 02.0048</al><al>JG 02.0112, art. 7-3-2-aanhef, art. 7-3-2-b-</al><al>JG 02.0113</al><al>JG 02.0161</al><al>JG 03.0009</al><al>JG 03.0011</al><al>JG 03.0029</al><al>JG 03.0046</al><al>JG 03.0065</al><al>JG 03.0066</al><al>JG 03.0134</al><al>JG 04.0033</al><al>JG 04.0045</al><al>JG 04.0059, art. 8-1-1-3, art.8-1-6</al><al>JG 04.0060, art.2-5-30-1</al><al>JG 04.0098</al><al>JG 04.0135</al><al>JG 04.0140</al><al>JG 05.0073</al><al>JG 05.0075</al><al>JG 05.0090</al><al>JG 05.0092</al><al>JG 05.0102</al><al>JG 05.0112</al><al>JG 06.0036</al><al>JG 06.0042</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="http://uithoorn.regelingenbank.nl/files/Bijlage%201%20Figuren%20behorende%20bij%20de%20stedenbouwkundige%20bepal.pdf">Bijlage 1 Figuren behorende bij de stedenbouwkundige bepal.pdf (versie
                        geldig sinds: 19-10-2011; PDF-bestand; grootte: 141.50 kB)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>