<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR233826_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Rond de Linde, 29-09-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-09-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-10-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-03-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>050922-053</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Inspraakverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Nuenen ca.;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 augustus
                        2005;</al><al/><al>gelet op de desbetreffende bepalingen in de Gemeentewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en
                        belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden
                        betrokken (Inspraakverordening).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al> inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al> inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al> beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al> De inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe
                                verplicht.</al></li><li nr="3."><al> Geen inspraak wordt verleend:</al><al>a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                vastgesteld beleidsvoornemen;</al><al>b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                uitgesloten;</al><al>c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;</al><al>d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                Gemeentewet;</al><al>e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend
                                is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al><al>f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de
                                samenleving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedure vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li><li nr="2."><al> Het eindverslag bevat in elk geval:</al><al>a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al><al>b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling
                                of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al><al>c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                                beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li><li nr="3."><al> Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar;</al></li><li nr="4."><al> De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De verordening "Inspraakverordening" d.d. 24 februari 1994 vastgesteld wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt acht dagen na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 22 september 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING INSPRAAKVERORDENING 2005</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 150 Gemeentewet</cursief></al><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                        verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De huidige
                        vigerende inspraakverordening dateert van 24 februari 1994. Deze
                        inspraakverordening dient aangepast te worden aan diverse wetswijzigingen op
                        nationaal niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dan inmiddels in
                        hoofdstuk 9 van de Awb is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur
                        (Wet dualisering gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in
                        verschillende bijzondere wetten (zoals artikel 118 van de Algemene
                        bijstandswet en artikel 7a van de Wet stedelijke vernieuwing). Tevens is de
                        verordening aangepast aan de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving
                        (Adr).</al><al/><al><cursief>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure</cursief></al><al><cursief>Awb</cursief></al><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen
                        aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb die 1 juli 2005 in
                        werking is getreden. In deze wet wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig
                        herzien en artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd. Tevens is de aanpassing
                        geregeld van een groot aantal wetten aan de nieuwe afdeling 3.4 Awb.</al><al/><al><cursief>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</cursief></al><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten.
                        Deze afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de
                        wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het
                        inwerkingtreden van de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een
                        afdeling 3.5 die een uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de
                        nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee
                        procedures ineen te schuiven en tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de
                        Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe
                        afdeling in verschillende bijzondere wetten van toepassing verklaard. In de
                        wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van toepassing verklaard op de inspraak bij
                        provincies en gemeenten. De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb alsmede de
                        tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet zijn als bijlage bij deze
                        toelichting gevoegd. Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van
                        artikel 150 van de Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb
                        zijn toegestaan (zie ook de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer,
                        2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). </al><al>In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer
                        3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                        gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                        bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een
                        ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te
                        organiseren dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om
                        te werken met andere termijnen, aldus de MvT.</al><al/><al><cursief>Inspraakprocedure/deregulering</cursief></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Er is
                        gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar
                        ondersteunde dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van
                        toepassing verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en
                        het weghalen van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de
                        onnodige paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder
                        gedereguleerd. Nu resteert een bondige en goed leesbare verordening van
                        slechts acht artikelen. Bovendien maakt een globale raamregeling het
                        mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en
                        gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte van het
                        beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een gedetailleerde en daardoor
                        rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen van insprekers.</al><al/><al><cursief>Alternatieven voor inspraak </cursief></al><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                        strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden
                        worden van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het
                        gemeentebestuur te wenden. Te denken valt hierbij aan het inspreekrecht bij
                        raads- en commissievergaderingen (regeling via het reglement van orde of een
                        commissieverordening). Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen
                        zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                        informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een
                        andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling
                        aan te vechten door middel van bezwaar en beroep. </al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                        Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                        beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                        overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers,
                        maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid
                        betrekt om zo in een open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met
                        hen tot de voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te
                        komen. Interactieve beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun
                        van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet
                        weet - of nog niet wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</cursief></al><al>a. Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in
                        dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel
                        150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en
                        uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel.
                        Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening
                        over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan
                        bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de
                        beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is
                        overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet 'eenzijdig' gedefinieerd, dat
                        wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen.
                        Wij adviseren echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo
                        mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde
                        doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                        beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven voor
                        inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al><al/><al>b. Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                        regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de
                        raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de modelverordening
                        afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4, tweede lid, van het
                        model geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het
                        bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                        regeling en organisatie van de inspraak.</al><al/><al>c. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                        voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.
                        Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van
                        concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop
                        deze kunnen worden gebaseerd.</al><al/><al><cursief>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</cursief></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn
                        eigen bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding
                        van gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in
                        artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en
                        burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                        beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023,
                        nummer 3, blz. 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de
                        gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt
                        verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                        inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                        raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de
                        mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                        van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen
                        is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden
                        gemaakt. </al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                        wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij opgesomd welke
                        wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan afgezien om dit op te
                        nemen in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een
                        nieuwe wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast
                        en in de tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de
                        verordening hiermee onoverzichtelijk wordt. </al><al/><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans
                        bij:</al><al>a. de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                        bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening (artikel 6a WRO);</al><al>b. de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet op
                        de stads- en dorpsvernieuwing);</al><al>c. de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                        (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al><al>d. de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                        derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al><al>e. de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                        afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                        tweede lid, WM);</al><al>f. het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel la Wet
                        voorzieningen gehandicapten);</al><al>g. de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                        van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                        (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder d)
                        en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder d);</al><al>h. de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                        bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet (artikel
                        12, vierde lid).</al><al/><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van het
                        ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak onderworpen is
                        geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen ten opzichte van het
                        voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat een geheel ander plan is
                        ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten
                        nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
                        van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS 22
                        januari 2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al><al/><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel 6a
                        WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van een
                        uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in strijd met
                        artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden geen inspraak is
                        verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart 2000, GS, 151
                        (2001)7133,7).</al><al/><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                        noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelfde aanvaardbaarheid van de
                        voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het voorontwerp
                        van het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling heeft laten blijken,
                        alvorens in het kader van de inspraakprocedure de bevolking daarover te
                        raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde inspraakprocedure
                        correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake nummer EO 1.98.0409, LJN-nummer AAS
                        106).</al><al/><al><cursief>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</cursief></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de
                        tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang
                        hebbende natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het
                        begrip 'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie
                        heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                        voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                        betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie
                        is dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is
                        verleend, in strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake
                        nummer 200102132/1, LJN-nummer AE6455).</al><al/><al><cursief>Artikel 4 Inspraakprocedure</cursief></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de
                        Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17
                        Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking
                        van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken
                        schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                        gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan
                        op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Wij
                        kunnen ons voorstellen dat bijvoorbeeld de genoemde zeswekentermijn door het
                        bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze termijn zou in de verordening
                        kunnen worden aangepast of bij besluit van het bestuursorgaan op grond van
                        het tweede lid.In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><al/><al>1. Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                        omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren kan
                        brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten, op
                        beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening dat dit
                        in een afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al><al/><al>2. Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure) te
                        ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een
                        bestemmingsplan wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van
                        appellant tegen de beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond.
                        Appellant had hiertegen een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan,
                        aldus de afdeling (ABRS 10 juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer
                        AE5107).</al><al/><al><cursief>Artikel 5 Eindverslag</cursief></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In
                        artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt
                        gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is
                        gebracht. Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de
                        gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk
                        verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het
                        beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? Onderdeel b betekent dat de
                        eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de
                        mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke
                        inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT bij de Awb
                        wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                        zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van
                        de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Onder c wordt als
                        het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft
                        wat met de zienswijzen wordt gedaan. </al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                        gebruikelijke wijze openbaar maakt. Wij hebben dit niet verder ingevuld,
                        omdat dit per gemeente kan verschillen. Wij willen hier wel benadrukken dat
                        de bekendmaking van de resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is.
                        Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken een exemplaar van
                        het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden
                        gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal
                        insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een
                        algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de inspraakavond al
                        duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.</al><al/><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                        vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                        aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Artikel 6 Intrekking oude verordening</cursief></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De
                        datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening
                        in werking treedt (zie artikel 7).</al><al/><al><cursief>Artikel 7 Inwerkingtreding</cursief></al><al>De verordening treedt conform artikel 142 van de Gemeentewet 8 dagen na de
                        dag van bekendmaking in werking.</al><al/><al><cursief>Artikel 8 Citeertitel</cursief></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. In de
                        citeertitel wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt
                        gewekt dat de verordening slechts voor een jaar geldt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>