<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR233613_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake monumenten en archeologie</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Goudse Post, 27-11-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inzake monumenten en archeologie</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, artt. 12,14 en 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 9, 9a, 26a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>796512</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>nieuwe archeologische basiskaart per 1 augustus 2011</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is op 11 oktober 2017 ingetrokken overeenkomstig artikel 8 van de Erfgoedverordening 2017.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16088</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16089</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake monumenten en archeologie</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>de raad van de gemeente gouda</vet></al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 maart 1998, nr.
                        4.768--18;</al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 14 en 15 van de
                        Monumentenwet 1988;</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening inzake monumenten en archeologie.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk I - algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>Monument:</al><al>a.zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor
                            de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al><al>b.terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als
                            bedoeld onder a.</al><al>2.Stads- of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen
                            belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of
                            structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of
                            cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer
                            monumenten bevinden.</al><al>3.Beschermd gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in
                            onderdeel 1, onder b, dat overeenkomstig de bepalingen van deze
                            verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen.</al><al>4.Beschermd gemeentelijk monument: monument, dat overeenkomstig de
                            bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is
                            aangewezen. </al><al>5.Beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht,
                            dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                            stads- of dorpsgezicht is aangewezen. </al><al>6.Beschermd gemeentelijk monument van jongere bouwkunst: monument, dat
                            overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                            gemeentelijk monument van jongere bouwkunst is aangewezen.</al><al>7.Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                            overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument (van
                            jongere bouwkunst) aangewezen zaken.</al><al>8.Beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1,
                            eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (rijksmonument).</al><al>9.Kerkelijk monument: monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap,
                            kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat
                            uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de
                            uitoefening van de eredienst.</al><al>10. Jongere bouwkunst: gebouwen en stedenbouwkundige structuren die tot
                            stand zijn gekomen in de periode 1850-1940.</al><al>11.Naoorlogse stedenbouw en architectuur: gebouwen en stedenbouwkundige
                            structuren die tot stand zijn gekomen in de periode 1940-1965.</al><al>12.Commissie cultuurhistorie: de door burgemeester en wethouders
                            ingestelde commissie of aangewezen instantie, met als taak de
                            werkzaamheden die zijn beschreven in het "Reglement commissie
                            cultuurhistorie".</al><al>13.Welstandscommissie: de door de raad ingestelde commissie of
                            aangewezen instantie, met als taak de werkzaamheden die zijn beschreven
                            in de Bouwverordening en het Reglement van orde van de
                            welstandscommissie.</al><al>14.Cultuurhistorische analyse: een conform bijlage 7 van de op 30
                            november 2004 door het college van burgemeester en wethouders
                            vastgestelde Nota Cultuurhistorie opgesteld onderzoek naar de aanwezige
                            cultuurhistorische waarden in het plangebied, waarbij de aanwezige
                            waarden in kaart zijn gebracht, geanalyseerd en met behulp van
                            aanbevelingen wordt aangegeven hoe die in het desbetreffende plan kunnen
                            worden meegenomen.</al><al>15.Bouwhistorisch onderzoek: een conform bijlage 15 van de op 30
                            november 2004 door de college van burgemeester en wethouders
                            vastgestelde Nota Cultuurhistorie opgesteld onderzoek naar de
                            bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument, in de
                            vorm van een bouwhistorische verkenning, een bouwhistorische opname of
                            een bouwhistorische ontleding.</al><al>16.Archeologisch onderzoek: onderzoek naar de archeologische waarde van
                            een locatie, bestaande uit één, meerdere of alle volgende onderzoeken:
                            archeologisch bureauonderzoek, archeologische begeleiding,
                            inventariserend veldonderzoek, archeologische opgraving.</al><al>17.Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij archeologische
                            waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden
                            veiliggesteld.</al><al>18.Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek
                            waarbij de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de gaafheid,
                            de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden
                            worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische
                            waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden
                            verwacht.</al><al>19.Inventariserend veldonderzoek: vorm van onderzoek waarbij het
                            gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch
                            bureauonderzoek is gebaseerd wordt aangevuld en getoetst door middel van
                            waarnemingen in het veld.</al><al>20.Archeologische opgraving: het vlakdekkend onderzoeken van
                            archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats
                            te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is
                            voor kennisvorming over het verleden.</al><al>21.Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en
                            daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door
                            natuurlijke processen.</al><al>22.Hoogwaardige locaties: de door het college van burgemeester en
                            wethouders als zodanig aangegeven locaties, waar archeologische waarden
                            door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn
                            aangetoond.</al><al>23.Hoogwaardige locaties – verstoord tot 1,5 m –mv: de door het college
                            van burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties, waar
                            archeologische waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere
                            bronnen zijn aangetoond, maar de bovenste 1,5 meter beneden het maaiveld
                            reeds is verstoord.</al><al>24.Locaties met een hoge verwachting: de door het college van
                            burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties, waar (zeer)
                            sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn.</al><al>25.Locaties met een hoge verwachting dieper dan 2m –mv: de door het
                            college van burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties
                            waar (zeer) sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig
                            zijn, maar deze waarden zich zeker dieper dan 2 meter beneden het
                            maaiveld bevinden.</al><al>26.Locaties met een lage verwachting: de door het college van
                            burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties waar nog geen
                            aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn.</al><al>27.Werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren: alle
                            werkzaamheden, voor welk doel ook, die de bodem dieper dan 0,5 meter
                            beneden het maaiveld verstoren.</al><al>28.Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>29.Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                            eerste lid of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht.</al><al>30.Archeologievriendelijk bouwen: instrument voor behoud in
                            situ/bouwwijze waarbij de schade aan het bodemarchief tot een minimum
                            wordt beperkt en het bodemarchief onder de nieuwbouw bewaard
                            blijft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 het gebruik van het monument</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk II - beschermde gemeentelijke monumenten</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument en
                                de registratie op de gemeentelijke monumentenlijst. </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3 de aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                                    monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op verzoek van
                                    een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd
                                    gemeentelijk monument. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een
                                    besluit nemen, vragen zij advies aan de commissie
                                    cultuurhistorie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit
                                    advies achterwege blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing
                                    van een monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat
                                    bouwhistorisch onderzoek en/of verkennend archeologisch
                                    onderzoek wordt verricht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument
                                    aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 termijnadvies en aanwijzingsbesluit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie cultuurhistorie adviseert schriftelijk binnen acht
                                    weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en
                                    wethouders. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na
                                    ontvangst van het advies van de commissie cultuurhistorie, maar
                                    in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 mededeling</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 registratie op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde
                                    gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    beschermde gemeentelijke monument. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gehele kadastrale perceel valt onder het aanwijzingsbesluit,
                                    tenzij bepaalde gedeelten zijn uitgezonderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 wijzigen van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve of op
                                    verzoek van een belanghebbende wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing op de wijziging. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders van ondergeschikte betekenis is, blijft
                                    overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede, derde en
                                    vierde lid, achterwege. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 intrekken van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als beschermd
                                    gemeentelijk monument intrekken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de
                                    intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde
                                gemeentelijke monumenten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 verbodsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
                                    beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in
                                    strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><al>a. een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te
                                    verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al><al>b. een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te
                                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt
                                    ontsierd of in gevaar gebracht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a</nr><titel>vergunningvrij</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in artikel 9,
                                    tweede lid, gelden niet, indien de activiteit betrekking heeft
                                    op:</al><al>a. gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van
                                    bijlage II van het BOR, voor zover detaillering, profilering,
                                    vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een
                                    tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of</al><al>b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                    veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het
                                    oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eigenaren kunnen voorafgaande aan de werkzaamheden contact
                                    opnemen met de gemeentelijke monumentenadviseur. De activiteiten
                                    van de monumentenadviseur tijdens dit servicemoment zijn:</al><al>a. Het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de
                                    gemeente aanwezig is.</al><al>b. Het adviseren van de eigenaar of architect over de
                                    beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële
                                    aanpak; </al><al>Het Het servicemoment wordt op een snelle en eenvoudige wijze
                                    vorm gegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 de schriftelijke aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor
                                een vergunning als bedoeld in artikel 9 en de daarbij te overleggen
                                gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 advies over en beslissing op de aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 9, anders dan voor het afbreken van een beschermd
                                    gemeentelijk monument vraagt het bevoegd gezag advies aan de
                                    welstandscommissie of, indien het een archeologisch monument
                                    betreft, aan de commissie cultuurhistorie voordat het beslist op
                                    de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om een vergunning voor het afbreken
                                    van een beschermd gemeentelijk monument vraagt het bevoegd gezag
                                    advies aan de commissie cultuurhistorie voordat het beslist op
                                    de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende
                                    commissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van
                                    de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing
                                    houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het
                                    monument. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 kerkelijk monument</label></kop><al>Het bevoegd gezag geeft met betrekking tot een beschermd kerkelijk
                                monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van artikel 9, lid
                                2, dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het
                                een beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 intrekken van de vergunning</label></kop><al>De vergunning als bedoeld in artikel 9 kan door het bevoegd gezag
                                worden ingetrokken indien: </al><al>a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                onvolledige opgave is verleend;</al><al>b.blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                artikel 9, tweede lid, niet naleeft;</al><al>c.de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                                hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te
                                wegen;</al><al>d.niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                vergunning gebruik wordt gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk III - beschermde gemeentelijke stads- of
                            dorpsgezichten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een stads- of dorpsgezicht
                                aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                                nemen, vragen zij advies aan de commissie cultuurhistorie. In
                                spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                aangwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>termijnadvies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie cultuurhistorie adviseert schriftelijk binnen acht
                                weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na
                                ontvangst van het advies van de commissie cultuurhistorie, maar in
                                ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde gemeentelijke
                            stads- of dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst. De
                            gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum
                            van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het beschermde stads- of
                            dorpsgezicht en een beschrijving van de daarin vervatte
                            cultuurhistorische waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>wijzigen en intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
                            verstande dat aan artikel 8, derde lid nog wordt toegevoegd artikel 35
                            van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>vaststellen beschermend bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de
                                Ruimtelijke ordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht wordt door burgemeester en wethouders bepaald in
                                hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermd plan in de zin
                                van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens burgemeester en wethouders de gemeenteraard ter zake een
                                voorstel doen, wordt de commissie cultuurhistorie gehoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie cultuurhistorie adviseert schriftelijk binnen acht
                                weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en
                                wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>vergunning tot slopen in beschermd gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het verboden
                                een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in
                                afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een
                                aanschrijving van burgemeester en wethouders. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                zijn, totdat een beschermend bestemmingsplan onherroepelijk is
                                geworden, de artikelen 10 en 11 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk IV beschermde gemeentelijke monumenten van jongere
                            bouwkunst</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument van
                                jongere bouwkunst en de registratie op de gemeentelijke
                                monumentenlijst</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 20 de aanwijzing als gemeentelijk monument van
                                    jongere bouwkunst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen al dan niet op verzoek van
                                    belanghebbenden, besluiten gebouwen en stedenbouwkundige
                                    structuren op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing als
                                    monument van jongere bouwkunst een besluit nemen, vragen zij
                                    advies aan de commissie cultuurhistorie. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 termijnadvies en aanwijzingsbesluit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie cultuurhistorie adviseert schriftelijk binnen acht
                                    weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en
                                    wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na
                                    ontvangst van het advies van de commissie cultuurhistorie, maar
                                    in elk geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 mededeling</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 registratie op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde
                                    gemeentelijk monument van jongere bouwkunst op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst geeft voor gemeentelijke
                                    monumenten van jongere bouwkunst de plaatselijke en kadastrale
                                    aanduiding en de karakteristiek van het object aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 wijzigen van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve of op
                                    verzoek van een belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 20, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
                                    toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouder van ondergeschikte betekenis is, blijft
                                    overeenkomstige toepassing van artikel 20, tweede en derde lid
                                    achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijk
                                    monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 intrekken van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als gemeentelijk
                                    monument van jongere bouwkunst intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 20, tweede lid en artikel 21, eerste en tweede lid zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de intrekking. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 vergunningen tot wijziging van gemeentelijke
                                monumenten van jongere bouwkunst</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 26 verbodsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument van jongere bouwkunst
                                    te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag
                                    of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften
                                    gemeentelijke monumenten van jongere bouwkunst uitwendig te
                                    wijzigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26a</nr><titel>vergunningvrij</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in artikel 23,
                                    tweede lid, gelden niet, indien de activiteit betrekking heeft
                                    op:</al><al>a. gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van
                                    bijlage II van het BOR, voor zover het de buitenzijde van het
                                    monument betreft en de detaillering, profilering, vormgeving,
                                    materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of
                                    andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of</al><al>b. en activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                    veranderingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eigenaren kunnen voorafgaande aan de werkzaamheden contact
                                    opnemen met de gemeentelijke monumentenadviseur. De activiteiten
                                    van de monumentenadviseur tijdens dit servicemoment zijn:</al><al>a. Het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de
                                    gemeente aanwezig is.</al><al>b. Het adviseren van de eigenaar of architect over de
                                    beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële
                                    aanpak; </al><al>Het servicemoment wordt op een snelle en eenvoudige wijze vorm
                                    gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 de schriftelijke aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor
                                een vergunning als bedoeld in artikel 26 en de daarbij te overleggen
                                gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 advies over en beslissing op de aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 23, anders dan voor het volledig afbreken van een
                                    gemeentelijk monument van jongere bouwkunst, vraagt het bevoegd
                                    gezag advies aan de welstandscommissie voordat het beslist op de
                                    aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 23 voor het volledig afbreken van een gemeentelijk
                                    monument van jongere bouwkunstvraagt het bevoegd gezag advies
                                    aan de commissie cultuurhistorie voordat het beslist op de
                                    aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende
                                    commissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning kan slechts worden verleend als de aangevraagde
                                    activiteiten niet leiden tot een onevenredige aantasting van het
                                    gemeentelijk monument van jongere bouwkunst. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 intrekken van de vergunning</label></kop><al>De vergunning als bedoeld in artikel 26 kan door het bevoegd gezag
                                worden ingetrokken indien: </al><al>a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                onvolledige opgave is verleend;</al><al>b.blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                artikel 2, lid 2 niet naleeft;</al><al>c.de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                                hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument van
                                jongere bouwkunst zwaarder dient te wegen;</al><al>d.niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                vergunning gebruik wordt gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk V- beschermde monumenten (rijksmonumenten)</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 30 vergunning voor beschermd monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                rijksmonument, anders dan voor het afbreken van het beschermd
                                rijksmonument, zendt het bevoegd gezag een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de welstandscommissie.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van een aanvraag om vergunning voor het afbreken van een
                                beschermd rijksmonument zendt het bevoegd gezag een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de commissie
                                cultuurhistorie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De desbetreffende commissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk VI archeologie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 31 verbodsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de
                                bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten
                                die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het
                                college van burgemeester en wethouders is aanwezen als hoogwaardige
                                locatie, tenzij:</al><al>- het een gemeentelijk archeologisch monument betreft en om die
                                reden voor deze werkzaamheden op grond van artikel 9 reeds een
                                omgevingsvergunning is vereist of</al><al>- de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte
                                van minder dan 50 m2 betreffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de
                                bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten
                                die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het
                                college van burgemeester en wethouders is aangewezen als
                                hoogwaardige locatie, verstoord tot 1,5 m –mv, tenzij:</al><al>- deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 50 m2 betreffen
                                of</al><al>- niet dieper gaan dan 1,5 meter beneden het maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de
                                bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten
                                die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het
                                college van burgemeester en wethouders is aangewezen als locatie met
                                een hoge verwachting, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van
                                minder dan 100 m2 betreffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de
                                bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten
                                die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het
                                college van burgemeester en wethouders is aangewezen als locatie met
                                een hoge verwachting vanaf 2 m -mv, tenzij:</al><al>- deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m2 betreffen
                                of </al><al>- iet dieper gaan dan 2 meter beneden het maaiveld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de
                                bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten
                                die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het
                                college van burgemeester en wethouders is aangewezen als locatie met
                                een lage verwachting, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van
                                minder dan 10.000 m2 betreffen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning baggerwerkzaamheden in
                                waterwegen uit te voeren, de bodems van waterwegen uit te zeven of
                                op andere wijze de archeologische waarde van de bodems van
                                waterwegen aan te tasten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 de aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 31, eerste lid
                                moet de volgende gegevens bevatten: </al><al>- naam en adres van de aanvrager;</al><al>- locatie en omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden;</al><al>- tijdsplanning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan ter beoordeling van de aanvraag nadere
                                gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een archeologische
                                waardering, zoals opgenomen in een cultuurhistorische analyse. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 beslissing op de aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning
                                voorschriften verbinden, waaronder het opleggen van de verplichting
                                archeologisch bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek of een
                                opgraving te doen op basis van een vooraf door het bevoegd gezag
                                goedgekeurd programma van eisen. Bij een archeologievriendelijk
                                bouwplan waarbij aan de criteria die in de bijlage zijn genoemd,
                                wordt geen verplichting tot het doen van een opgraving
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gevraagde vergunning wordt geweigerd, indien de archeologische
                                waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het bevoegd
                                gezag behouden dienen te blijven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 intrekken van de vergunning</label></kop><al>De vergunning kan worden ingetrokken indien:</al><al>a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                            opgave is verleend;</al><al>b.blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de voorschriften
                            van de vergunning als bedoeld in artikel 33, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 wijzigen kwalificatie van een locatie</label></kop><al>Op grond van een melding als bedoeld in artikel 53 van de Monumentenwet
                            1988 en op grond van de resultaten van archeologisch bureauonderzoek of
                            inventariserend veldonderzoek kan het college van burgemeester en
                            wethouders de kwalificatie van een locatie wijzigen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk VII - schadevergoeding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36 schadevergoeding</label></kop><al>Indien en voorzover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot: </al><al>a.de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                            artikel 9 te verlenen; </al><al>b.de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning
                            als bedoeld in artikel 9; </al><al>c.de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 9,
                            derde lid; </al><al>d.de weigering door het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                            artikel 26 te verlenen; </al><al>e.de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning
                            als bedoeld in artikel 26; </al><al>f.de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                            artikel 31 te verlenen; </al><al>g.de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning
                            als bedoeld in artikel 31.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 strafbepaling</label></kop><al>Degene die handelt in strijd met het derde lid van artikel 9 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 toezichthouders</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de bouwinspecteurs en de gemeentelijk
                                archeoloog. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39 binnentreden</label></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                gemeentelijke monumenten treedt zij in werking met ingang van de
                                eerste dag na die van de bekendmaking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentenverordening vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad
                                van 26 maart 1990, voor zover het betreft bepalingen over
                                gemeentelijke monumenten, vervalt met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de
                                gemeenteraad van 26 maart 1990, voor zover het betreft bepalingen
                                over beschermde rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het
                                derde lid toepassing vindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening
                                geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten worden geacht
                                aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De beschermde gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de
                                monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen
                                verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Verzoeken om vergunning als bedoeld in artikel 8 van de in het
                                tweede lid genoemde vervallen verordening die zijn ingediend vóór de
                                inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld
                                overeenkomstig deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening inzake
                            monumenten en archeologie’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Gouda in de openbare
                        vergadering van 23 maart 1998.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente voornoemd,</ondertekening><ondertekening>drs. J.H. Boone , voorzitter</ondertekening><ondertekening>drs. A.W. van der Spek , secretaris</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd in de openbare vergadering van 20 oktober 2003.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis , voorzitter</ondertekening><ondertekening>Lint , griffier</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd in de openbare vergadering van 12 december 2005.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis , voorzitter</ondertekening><ondertekening>Andeweg , griffier</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd in de openbare vergadering van 30 juni 2010.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis , voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr.drs. B. Lubbers , griffier</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd in de openbare vergadering van 22 juni 2011.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis , voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr.drs. B. Lubbers , griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Overgangsrecht </ondertekening><ondertekening>Op een aanvraag om omgevingsvergunning die is ingediend vóór het tijdstip
                        waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd
                        tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de Verordening inzake
                        monumenten en archeologie van toepassing, zoals deze luidden vóór de
                        onderhavige wijziging. </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><cursief>wijzigingen op archeologisch gebied </cursief></al><al>Aanleiding voor deze wijzigingen is het vaststellen van een nieuwe
                    archeologische basiskaart. Op deze kaart zijn gebieden aangewezen met een
                    bepaalde archeologische waarde. Aan de gegeven waarde zijn bepaalde gevolgen
                    verbonden. Die gevolgen zijn vastgelegd in de verordening. </al><al/><al>Ten opzichte van de oude basiskaart is een aantal gebiedsaanduidingen gewijzigd,
                    komen te vervallen of juist toegevoegd. Deze veranderingen zijn doorgevoerd in
                    de verordening. In artikel 28 worden alle op de basiskaart voorkomende gebieden
                    en de daarbij horende regels vermeld. Hier staat ook per gebied vermeld welke
                    vrijstellingsgrenzen er zijn: bij verstoringen die kleiner of ondieper zijn dan
                    de gestelde grenzen is geen vergunning noodzakelijk.</al><al/><al>In het gewijzigde artikel 28 worden enkele nieuwe begrippen geïntroduceerd. Deze
                    begrippen worden verklaard in artikel 1.</al><al/><al>Artikel 30 bevat een nieuw instrument: het archeologievriendelijk bouwen. Als
                    een bouwplan voldoet aan alle gestelde eisen, blijft het archeologisch
                    bodemarchief onder dat bouwplan zo goed bewaard dat archeologisch onderzoek niet
                    noodzakelijk is. Deze vorm van behoud is nieuw. Het was nog niet opgenomen in de
                    verordening en is daarom nu toegevoegd. De gestelde eisen zijn gebaseerd op het
                    archeologievriendelijke bouwplan dat op de Koningshof in Gouda is gerealiseerd.
                    Dit bouwplan geldt, in heel Nederland, als een zeer geslaagd voorbeeld van
                    archeologievriendelijk bouwen.</al><al>De criteria voor het archeologievriendelijk bouwen zijn stuk voor stuk bedoeld
                    om elke onnodige verstoring dieper dan 50 cm beneden het maaiveld te voorkomen.
                    De enige verstoring die in Gouda altijd overblijft, is het slaan van heipalen.
                    Er zijn daarom voorschriften opgenomen om de negatieve gevolgen van het slaan
                    van heipalen te verzachten.</al><al/><al><cursief>overige wijzigingen</cursief></al><al>Naast de wijzigingen op archeologisch gebied worden ook technische wijzigingen
                    aangebracht. Het gaat daarbij om:</al><al>· tekstuele correcties en aanpassing van de begripsbepalingen;</al><al>· verbetering van de onderlinge afstemming en opbouw van de artikelen;</al><al>· het verhelderen van het begrip ‘monumenten van jongere bouwkunst’;</al><al>· het correct nummeren van paragrafen en</al><al>· het verwijderen van de verwijzingen naar een inmiddels ingetrokken provinciale
                    verordening.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Gouda/i154578.pdf">archeologische basiskaart 2011</extref></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Gouda/i154577.pdf">tekst bij archeologische basiskaart</extref></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage criteria voor archeologievriendelijk bouwen</titel></kop><al>Indien aan de volgende criteria wordt voldaan, wordt geen verplichting tot het
                    doen van een opgraving opgelegd op grond van artikel 33, eerste lid:</al><al>1.</al><al>De werkzaamheden vinden plaats in de Goudse binnenstad, met uitzondering van de
                    gebieden die zijn gedefinieerd als ‘hoogwaardig gebied met bijzondere
                    waarde’.</al><al>2.</al><al>Op locaties waar op basis van het verplichte bureauonderzoek menselijke
                    begravingen worden verwacht, moet een aanvullend vooronderzoek worden uitgevoerd
                    om de aanwezigheid van die begravingen te onderzoeken. Op locaties waar
                    menselijke graven daadwerkelijk aanwezig zijn, is archeologievriendelijk bouwen
                    niet toegestaan.</al><al>3.</al><al>Aanvrager beschikt over een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch
                    bureauonderzoek dat inzicht biedt in de specifieke archeologische verwachting
                    van het gebied. Bij het verrichten van de bodemverstorende werkzaamheden wordt,
                    waar mogelijk, aantoonbaar rekening gehouden van met die archeologische
                    verwachting. Bijvoorbeeld door op de archeologisch belangrijkste locaties de
                    bodem niet te verstoren.</al><al>4.</al><al>In totaal wordt niet meer dan 5% van het totale oppervlak van het bebouwde deel
                    van het bouwplan dieper dan 50 cm onder het maaiveld verstoord. Voor heipalen
                    wordt hierbij de volgende berekening gehanteerd: de verstoring per heipaal is
                    twee keer de oppervlakte van de paal zelf.</al><al>5.</al><al>Als er een alternatief is, wordt de bodem niet dieper dan 50 cm onder het
                    maaiveld verstoord. Dus geen (parkeer)kelders, ondergrondse kruipruimtes,
                    ondergrondse afvalinzameling, liftputten en/of zwembaden etc.</al><al>6.</al><al>Nieuwe kabels en leidingen, waaronder m.n. rioleringen worden in bestaande
                    kabel- en leidingentracés gelegd.</al><al>7.</al><al>Bestaande bebouwing wordt gesloopt tot het maaiveld. Oude funderingen worden
                    niet verwijderd, ook niet voor het heien. Door funderingen heen heien is wel
                    toegestaan.</al><al>8.</al><al>De afstand tussen twee rijen heipalen is minimaal vijf meter, gemeten tussen de
                    palen.</al><al>9.</al><al>Er worden niet meer heipalen geslagen dan uit constructief oogpunt minimaal is
                    vereist. Daar waar andere mogelijkheden zijn (bouwen op staal of andere
                    fundering) worden die mogelijkheden toegepast. Indien er geen andere
                    mogelijkheden zijn, moet worden onderbouwd waarom uitsluitend heipalen kunnen
                    worden toegepast. Schuurtjes, tuinmuren en andere kleine bouwwerken mogen niet
                    worden onderheid.</al><al>10.</al><al>Er zijn geen onderheide poeren (clusters van palen).</al><al>11.</al><al>Heipalen worden geslagen, tenzij vanwege aantoonbare omgevingsfactoren
                    geschroefde heipalen noodzakelijk zijn.</al><al>12.</al><al>Aanvrager laat door een daartoe gecertificeerd bedrijf ter plaatse van of vlak
                    naast de heipalen een boring tot 4 meter diepte zetten. Deze boring dient om het
                    bodemarchief in kaart te brengen. De boring geldt ook als 0-meting voor de
                    toestand van het bodemarchief, voordat er gebouwd gaat worden.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>toelichting op de verordening inzake monumenten en archeologie</titel></kop><al/><al><vet>algemeen </vet></al><al>De verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Op enkele punten
                    is gelet op de specifieke Goudse situatie afgeweken van de modelverordening.
                    Daarnaast is er een regeling voor enkele extra onderwerpen, met name archeologie
                    en jongere bouwkunst, aan de verordening toegevoegd.</al><al/><al><vet>systeem van de verordening </vet></al><al>De bepalingen van de Monumentenwet en de daarin gekozen systematiek vormen de
                    basis voor de bepalingen van de verordening.</al><al>Zeven hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><al>1.</al><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument. Dit betreft ook
                    archeologische monumenten;</al><al>2.</al><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde monumenten;</al><al>3.</al><al>de aanwijzing van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten;</al><al>4.</al><al>de plaatsing van objecten op de gemeentelijke lijst van jongere bouwkunst;</al><al>5.</al><al>het vergunningenstelsel voor de jongere bouwkunst;</al><al>6.</al><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde rijksmonumenten in de
                    Monumentenwet;</al><al>7.</al><al>een vergunningenstelsel ter bescherming van archeologische waarden.</al><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek, het verkennend archeologisch
                    onderzoek en de cultuurhistorische analyse een nadrukkelijke rol te laten spelen
                    bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid.</al><al/><al><vet>artikelsgewijs</vet></al><al><vet>artikel 1</vet></al><al><vet>onderdeel 1</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip "monument" (onderdeel 1) is aansluiting
                    gezocht bij de omschrijving in de Monumentenwet.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de memorie van toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk
                    op dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate
                    ruim dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige waarde.</al><al>De onder b bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt voordat over een monument kan worden gesproken. Een
                    "zaak" is immers een veel ruimer begrip.De vijftig jaar grens die voor
                    rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten overgenomen.
                    Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet
                    op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op de gemeentelijke
                    monumentenlijst te plaatsen.</al><al><vet>onderdeel 2</vet></al><al>De term "gemeentelijk archeologisch monument" wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening.</al><al>Ten eerste is er verschil in behandeling tussen een rijks- of een gemeentelijk
                    beschermd archeologisch monument bij een vergunningaanvraag. De
                    vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een
                    beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Als echter sprake is van een beschermd archeologisch rijksmonument
                    beslist de minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen is
                    vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan een rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een "normaal" en een
                    "archeologisch" monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikel 42 tot en
                    met 49) het eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze
                    regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij toeval
                    op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er
                    wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><al><vet>onderdeel 3</vet></al><al>Ook roerende zaken kunnen worden aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.
                    Roerende zaken zijn bijvoorbeeld schepen, voertuigen, schilderijen,
                    kerkschatten, draaiorgels en gebruiksvoorwerpen.</al><al><vet>onderdeel 4</vet></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. In tegenstelling tot de huidige
                    monumentenverordening heeft het plaatsen op de monumentenlijst geen
                    rechtsgevolg. Dit betreft nu slechts een administratieve handeling. </al><al>Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot beschermd
                    gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                    aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken.</al><al><vet>onderdeel 5</vet></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een "beschermd monument" in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het bevoegd gezag van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde rijksmonumenten te
                    verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde monumenten zijn met name de
                    artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al><vet>onderdeel 6</vet></al><al>In geval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 4). Is
                    er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde
                    kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming
                    betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijk
                    monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechesatieruimte of verblijven
                    van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de
                    regel dan ook niet. Zij vallen onder voorschriften die voor de andere monumenten
                    gelden. </al><al><vet>onderdeel 7</vet></al><al>De term "jongere bouwkunst" wordt apart gedefinieerd vanwege de bijzondere
                    plaats die deze categorie bouwkunst inneemt in het gemeentelijke
                    monumentenbeleid. Het betreft gebouwen en structuren die tot stand zijn gekomen
                    in de periode 1850-1940 en die een zekere cultuurhistorische waarde hebben, die
                    echter niet zo groot is dat dat plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst
                    rechtvaardigt. </al><al>Met het hanteren van een begrenzing qua leeftijd van de gebouwen/structuren is
                    aansluiting gezocht bij het Monumenten Inventarisatie Project van het rijk.</al><al><vet>onderdeel 8</vet></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de jongere bouwkunst plaatst. Op deze
                    lijst staan onder meer de gebouwen en structuren die de monumentencommissie in
                    1990 heeft geselecteerd. Alle tot nu toe geselecteerde objecten zijn gelegen
                    buiten het beschermd stadsgezicht. In de in 1990 vastgestelde nota "Jongere
                    bouwkunst Gouda" zijn criteria aangegeven op grond waarvan een gebouw of
                    structuur wordt geselecteerd.</al><al><vet>onderdeel 9</vet></al><al>Op grond van deze verordening heeft de commissie cultuurhistorie tot taak te
                    adviseren over de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk monument, de aanwijzing
                    van beschermde stads- en dorpsgezichten en de plaatsing van objecten op de
                    gemeentelijke lijst van jongere bouwkunst.</al><al><vet>onderdeel 10</vet></al><al>In het kader van het streven naar integrale advisering over monumenten is enkele
                    jaren geleden besloten de welstandscommissie te laten adviseren over
                    vergunningen op grond van de Monumentenwet 1988 en de monumentenverordening.
                    Tegelijkertijd is de samenstelling en werkwijze van de welstandscommissie
                    gewijzigd. Thans worden twee van de vier leden van de welstandscommissie benoemd
                    op voordracht van de commissie cultuurhistorie. Bij advisering door de commissie
                    over rijks- en gemeentelijke monumenten en jongere bouwkunst geven bij staking
                    van stemmen, de stemmen van de leden, die zijn voorgedragen door de commissie
                    cultuurhistorie de doorslag. Door deze werkwijze is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1 van de Monumentenwet.</al><al><vet>onderdeel 11</vet></al><al>Er kunnen verschillende vormen van bouwhistorisch onderzoek worden
                    onderscheiden, afhankelijk van de diepgang van de werkzaamheden.</al><al>Een bouwhistorische verkenning is de lichtste vorm van bouwhistorisch onderzoek
                    van een object, dat over het algemeen wordt uitgevoerd naar aanleiding van een
                    bouw- of restauratieplan. Het onderzoek bestaat uit een betrekkelijk kort bezoek
                    ter plaatse, waarbij de ruimtelijke opbouw, het exterieur (gevels) en de
                    zichtbare onderdelen van de constructie en de interieurafwerking in hoofdlijnen
                    worden gekarakteriseerd en gedateerd. Archiefonderzoek blijft over het algemeen
                    beperkt tot bestudering van oude kaarten en beschikbare
                    overzichtsliteratuur.</al><al>Een bouwhistorische opname is een onderzoek van een bouwwerk of structuur,
                    waarbij tenminste de zichtbare onderdelen van de ruimtelijke opbouw, het
                    exterieur en de zichtbare onderdelen van de constructie en de interieurafwerking
                    worden beschreven, geanalyseerd en zo mogelijk gedateerd. Daarnaast vinden
                    literatuuronderzoek en een beperkt archiefonderzoek plaats. Bij archiefonderzoek
                    worden in elk geval oude kaarten, bouwtekeningen en foto’s betrokken. Op grond
                    van deze onderzoeksgegevens wordt een waardestelling geformuleerd. Naar de eis
                    van het werk en de wensen van de opdrachtgever is het mogelijk om het onderzoek
                    te verdiepen door uitvoering van specialistische onderzoekingen.Een
                    bouwhistorische ontleding is het meest uitvoerige en gedetailleerde onderzoek
                    naar de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur. Bij een
                    bouwhistorische ontleding worden niet alleen de zichtbare, maar ook de
                    ‘verborgen’ bouwsporen in het muurwerk en de draagconstructie blootgelegd
                    (voorzover dat niet ten koste gaat van waardevolle afwerkingen en pleisterlagen)
                    en gedocumenteerd. Verder vinden bijvoorbeeld een gedetailleerde opmeting, een
                    foto-documentatie en een uitvoerig literatuur- en archiefonderzoek plaats.
                    Vrijwel steeds maakt specialistisch onderzoek deel uit van een bouwhistorische
                    ontleding, waaronder dendrochronologisch onderzoek, materiaaltechnisch onderzoek
                    en kleuronderzoek. Naar bevind van zaken kunnen architectuur- en/of ander
                    kunsthistorisch onderzoek en algemeen historisch onderzoek deel uitmaken van een
                    bouwhistorische ontleding. Ten behoeve van een restauratie of verbouwing kan een
                    bouwhistorische waardestelling op basis van de onderzoeksresultaten worden
                    gegeven. Bij een bouwhistorische ontleding vinden behalve tijdens de planfase
                    van een verbouwing, ook waarnemingen plaats tijdens de uitvoering van
                    verbouwings- of restauratiewerkzaamheden. Als bij sloop historische waarden
                    verloren gaan, vindt gelijktijdig documentatie plaats door middel van opmetingen
                    (gefaseerde plattegronden) en foto’s. Ook moeten in dat geval vrijkomende
                    materialen veilig gesteld worden.</al><al><vet>onderdeel 12</vet></al><al>Het verkennend archeologisch onderzoek is een overkoepelende term voor
                    archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Naar welk
                    onderzoek de voorkeur uitgaat, hangt af van de kennis die reeds over een locatie
                    bestaat, de mogelijkheden die er zijn om onderzoek uit te voeren en andere
                    factoren. Ook een combinatie is mogelijk.</al><al><vet>onderdeel 13</vet></al><al>Bij de aanwijzing als gemeentelijk monument kan (en moet) aandacht besteed
                    worden aan de omgeving rond het monument. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om
                    bijgebouwen, inrichting of beplanting. Het kan zijn dat complexbescherming
                    onvoldoende is, omdat het bijzondere nu juist ook ligt in het totaal van een
                    bepaald gebied. Als het dan gaat om een gebied dat niet nationale, maar wel
                    lokale kwaliteit heeft, kan dit gebied worden beschermd door het aan te wijzen
                    als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al><al><vet>onderdeel 14 </vet></al><al>Archeologische begeleiding kan plaatsvinden tijdens werkzaamheden in de bodem,
                    bijvoorbeeld tijdens de sloop van een gebouw of bij bodemsanering, maar ook bij
                    werkzaamheden aan waterwegen, zoals baggerwerkzaamheden.</al><al><vet>onderdeel 15</vet></al><al>Onder archeologisch bureauonderzoek vallen bijvoorbeeld archiefonderzoek en
                    onderzoek van resultaten van eerdere onderzoeken.</al><al><vet>onderdeel 16 </vet></al><al>Onder inventariserend veldonderzoek vallen verschillende soorten archeologisch
                    onderzoek, zoals veldverkenning, booronderzoek en elektromagnetisch onderzoek
                    (allen non-destructief) en proefsleuvenonderzoek (destructief).</al><al><vet>onderdeel 17 </vet></al><al>Dit is de meest nauwkeurige maar ook de meest destructieve methode van
                    archeologisch onderzoek.</al><al><vet>onderdelen 19 tot en met 21</vet></al><al>Op de door het college vastgestelde archeologische basiskaart is te zien hoe een
                    bepaalde locatie moet worden gekwalificeerd.</al><al><vet>artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand.Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al><vet>artikel 3 </vet></al><al><vet>lid 1 </vet></al><al>In vergelijking tot de huidige monumentenverordening is de aanwijzing tot
                    beschermd gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst uit elkaar
                    getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                    gemeentelijke monumentenlijst is nu slechts een administratieve handeling. Het
                    is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                    besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de
                    te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit
                    naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers niets aan het gebruik van het
                    monument.</al><al><vet>lid 2 </vet></al><al>Burgemeester en wethouders moeten het advies inwinnen van de commissie
                    cultuurhistorie. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften
                    over vorm en inhoud. Het reglement dat de taak en werkwijze van de commissie
                    regelt is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de Monumentenwet 1988
                    dat doet. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan
                    te wijzen monument hebben, bewerkstellingen dat binnen korte tijd de
                    verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat burgemeester en wethouders over een aanwijzing een besluit nemen, omdat
                    dit is geregeld in (artikel 4:8 en 4:9) van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb).</al><al><vet>lid 3 </vet></al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. Het verkennend archeologisch onderzoek geeft meer
                    inzicht in de geschiedenis en mogelijke archeologische waarden van een monument.
                    In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch en verkennend
                    archeologisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van dergelijk onderzoek
                    behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal
                    momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch of verkennend
                    archeologisch onderzoek kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (verzoek tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument.
                    De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw en de archeologische
                    waarde van een terrein of onder een object kan van invloed zijn op de beslissing
                    van burgemeester en wethouders om het object al dan niet als beschermd
                    gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het object in de
                    registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische of archeologische waarde die door een
                    wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van burgemeester en
                    wethouders.</al><al><vet>lid 4 </vet></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar
                    voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><vet>lid 5 </vet></al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>artikel 4</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie
                    cultuurhistorie moet adviseren (lid 1) en burgemeester en wethouders een
                    beslissing moeten nemen (lid 2). </al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waaraan ze toe zijn. De redactie van lid 2 heeft
                    tot gevolg dat, wanneer de commissie cultuurhistorie niet tijdig adviseert,
                    burgemeester en wethouders de volgende keuze kunnen maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in hun
                    overwegingen betrekken. Als burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen, is
                    op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering om een zaak aan te wijzen
                    als beschermd gemeentelijk monument. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de
                    aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open welke
                    ook tegen een reëel besluit open zou staan.Het artikel bevat geen bepalingen
                    over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afd. 3.6
                    Awb).</al><al><vet>artikel 5 </vet></al><al>De mededeling van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de
                    anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat
                    de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de
                    mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich
                    er dan niet op beroepen van niets te weten.</al><al>Dit lid regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de
                    verzoeker, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3:6). Is artikel 4:8 toegepast
                    (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van de daar
                    geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond van het
                    bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen. </al><al><vet>artikel 6</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. </al><al>Ook zaken die zich op het kadastrale perceel van het beschermde monument
                    bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting, bomen, enz. vallen onder de werking
                    van de verordening. Voor elke wijziging van het beschermde monument is dus een
                    vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. </al><al><vet>artikel 7</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    (advies van de commissie cultuurhistorie en/of overleg met de eigenaar van een
                    kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van
                    ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden
                    doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>artikel 8 </vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    commissie cultuurhistorie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen
                    (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teniet zijn gedaan),
                    worden door burgemeester en wethouders van de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip
                    geacht worden niet meer te zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een verzoek tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Deze kan enerzijds
                    voor een goede afweging van het verzoek dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>artikel 9 </vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel toont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumentenwet 1988. De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    rijksmonumenten op basis van de Monumentenwet in handen van burgemeester en
                    wethouders. </al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijksmonumenten door burgemeester en wethouders in de artikelen 11 t/m 21 jo
                    artikel 23 van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen
                    over beschermde gemeentelijke monumenten.Voor het wijzigen van beschermde
                    gemeentelijke monumenten is op grond van dit artikel een vergunning
                    noodzakelijk. In artikel 23 van deze verordening is voor het uitwendig wijzigen
                    van objecten die zijn geplaatst op de gemeentelijke lijst van jongere bouwkunst
                    eveneens een vergunning vereist. Om beide soorten vergunningen te kunnen
                    onderscheiden draagt de eerstgenoemde de naam ‘reguliere monumentenvergunning’
                    en de laatstgenoemde de naam ‘lichte monumentenvergunning’. </al><al><vet>artikel 9a </vet></al><al>Eén van de pijlers van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo), is
                    de vermindering van regeldruk. Op basis daarvan heeft het Rijk vergunningvrije
                    activiteiten vastgesteld voor rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en
                    dorpsgezichten. Dat betekent dat bepaalde activiteiten waaruit een project kan
                    bestaan vergunningvrij zijn geworden. Het ligt in de rede om de regelgeving voor
                    gemeentelijke monumenten op dit punt gelijk te trekken met die voor
                    Rijksmonumenten, door bepaalde activiteiten met inachtneming van hetgeen
                    daarover in de Wabo c.q. het BOR is geregeld vergunningvrij te verklaren. Om
                    onnodige handhavingsacties achteraf te voorkomen is ervoor gekozen om in het
                    tweede lid een zekere vorm van service, zij het op volstrekt facultatieve basis,
                    te introduceren over de wijze waarop de activiteiten kunnen worden uitgevoerd.
                    De service bestaat uit het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de
                    gemeente aanwezig is alsook het adviseren van de eigenaar of de architect over
                    de beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële aanpak. In goed
                    overleg tussen de gemeentelijke monumentenadviseur en de eigenaar van het
                    monument wordt aan het servicemoment vorm gegeven. </al><al><vet>artikel 10</vet></al><al>Tot 1 januari 2003 kon op het aanvraagformulier voor een bouwvergunning worden
                    aangegeven dat de bouwaanvraag mede een aanvraag om monumentenvergunning betrof.
                    Op deze datum is de Woningwet gewijzigd en sindsdien is landelijk vastgesteld
                    welk formulier moet worden gebruikt voor het aanvragen van een bouwvergunning.
                    Als gevolg hiervan moet er thans voor een monumentenvergunning een aparte
                    aanvraag worden ingediend. </al><al>Afhankelijk van de aard van de aanvraag bestaat de mogelijkheid extra gegevens
                    te verlangen, zoals een bouwhistorisch onderzoek, een verkennend archeologisch
                    onderzoek en een cultuurhistorische analyse. </al><al><vet>artikel 11 </vet></al><al>Als burgemeester en wethouders de aanvraag in behandeling nemen, moet door hen
                    op grond van de verordening advies gevraagd worden aan de welstandscommissie dan
                    wel de commissie cultuurhistorie. De desbetreffende commissie adviseert
                    burgemeester en wethouders binnen vier weken na de adviesaanvraag (lid 3). </al><al><vet>artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, onderdeel
                    6.</al><al><vet>artikel 13</vet></al><al>Dit artikel bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c, heeft de
                    volgende achtergrond: Als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. Daartoe moet de vergunningverlener (burgemeester en wethouders) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Bij de bepaling onder d is aansluiting gezocht bij de bepalingen in de
                    Bouwverordening omtrent het intrekken van bouw- en sloopvergunningen. </al><al>De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat de Awb dit regelt.</al><al><vet>artikel 14 </vet></al><al>Bescherming van een individueel pand is soms niet afdoende, omdat het
                    waardevolle nu juist is gelegen in het geheel van met elkaar samenhangende
                    delen. </al><al>Dergelijke gebieden kunnen worden aangewezen als beschermde gemeentelijke stads-
                    of dorpsgezichten. Voordat hiertoe wordt besloten, moet het advies van de
                    commissie cultuurhistorie worden ingewonnen, tenzij het een spoedeisend geval
                    betreft.</al><al>Gebieden die op grond van de Monumentenwet 1988 dan wel de provinciale
                    monumentenverordening zijn aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht
                    kunnen niet door burgemeester en wethouders als zodanig worden aangewezen.</al><al><vet>artikel 15 </vet></al><al>De termijn voor het inwinnen van advies en het plaatsingsbesluit komt overeen
                    met die voor het besluit tot het aanwijzen tot beschermd gemeentelijk
                    monument.</al><al><vet>artikel 16 </vet></al><al>Beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten worden eveneens geregistreerd
                    op de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al><vet>artikel 17 </vet></al><al>De bepalingen omtrent het wijzigen en intrekken van het besluit tot aanwijzing
                    tot beschermd gemeentelijk monument zijn van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het besluit tot wijzigen en intrekken van de aanwijzing tot
                    beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al><al><vet>artikel 18 </vet></al><al>Het rechtsgevolg van het aanwijzen van een beschermd gemeentelijk stads- of
                    dorpsgezicht is dat er door de gemeenteraad een ter bescherming van dat gebied
                    strekkend bestemmingsplan moet worden vastgesteld. </al><al>Dit (gedetailleerde) bestemmingsplan moet dan de basis bieden voor het
                    beschermen van de structuurbepalende delen van het gebied. Deze delen worden
                    benoemd in de beschrijving van het stads- of dorpsgezicht. </al><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht wordt
                    bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan
                    kunnen worden aangemerkt.</al><al>Voordat een beschermend bestemmingsplan aan de gemeenteraad wordt voorgelegd,
                    moet het advies van de commissie cultuurhistorie worden ingewonnen.</al><al><vet>artikel 19 </vet></al><al>De VNG heeft in haar publicatie drie varianten opgenomen ter bescherming van
                    gemeentelijke stads- of dorpsgezichten. De varianten gaan van licht naar zwaar.
                    Er is in dit geval gekozen voor de middenvariant. Die houdt in dat het naast de
                    verplichting om een beschermend bestemmingsplan vast te stellen verboden is om
                    zonder vergunning gebouwen die in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht liggen
                    te slopen. </al><al><vet>artikel 20</vet></al><al>In de praktijk is de behoefte gegroeid om een (lichte) bescherming mogelijk te
                    maken van de jongere bouwkunst. Dit heeft te maken met de tendens om in
                    toenemende mate bouwactiviteiten vergunningsvrij te maken. Hierdoor kunnen
                    bijvoorbeeld dakkapellen en uitbouwen worden gerealiseerd zonder enige vorm van
                    esthetische toetsing. </al><al>Om aan de geconstateerde behoefte tegemoet te komen voorziet dit artikel in de
                    mogelijkheid om jongere bouwkunst op een gemeentelijke lijst te plaatsen.
                    Voordat over de plaatsing op deze lijst een besluit wordt genomen, wordt het
                    advies van de commissie cultuurhistorie ingewonnen, tenzij het een spoedeisend
                    geval betreft. Het rechtsgevolg van plaatsing is geregeld in artikel 23 van deze
                    verordening. </al><al><vet>artikel 21</vet></al><al>De termijn voor het inwinnen van advies en het plaatsingsbesluit komt overeen
                    met die voor het besluit tot het aanwijzen tot beschermd gemeentelijk
                    monument.</al><al><vet>artikel 22 </vet></al><al>Ook voor het intrekken van de plaatsing op de gemeentelijke lijst van jongere
                    bouwkunst moet in beginsel het advies van de commissie cultuurhistorie worden
                    ingewonnen. </al><al>Objecten die al op een rijks- of provinciale monumentenlijst staan, komen niet
                    voor plaatsing op de gemeentelijke lijst van jongere bouwkunst in
                    aanmerking.</al><al><vet>artikel 23 </vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel toont gelijkenis met artikel 9 van deze
                    verordening. Op grond van artikel 23 is voor het uitwendig wijzigen van een
                    object dat is geplaatst op de lijst van jongere bouwkunst een vergunning
                    vereist. Om deze vergunning te onderscheiden van de vergunning die op grond van
                    artikel 9 voor beschermde gemeentelijke monumenten is vereist, wordt de
                    vergunning die voor de jongere bouwkunst is vereist lichte monumentenvergunning
                    genoemd. Die voor de beschermde gemeentelijke monumenten heet reguliere
                    monumentenvergunning.</al><al><vet>artikel 24 </vet></al><al>Artikel 4:4 Awb biedt de mogelijkheid voor het indienen van aanvragen een
                    formulier vast te stellen. Het is wenselijk om in dit geval van deze
                    mogelijkheid gebruik te maken teneinde voor betrokkenen zo helder mogelijk te
                    zijn omtrent de aan te leveren gegevens.</al><al><vet>artikel 25</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel zijn vergelijkbaar met artikel 11, waarin de
                    procedure voor de reguliere monumentenvergunning is geregeld. Een verschil is
                    dat voor de lichte monumentenvergunning niet is voorgeschreven dat de aanvraag
                    wordt gepubliceerd en ter inzage gelegd, opdat belanghebbenden hun zienswijzen
                    kenbaar kunnen maken. Dat neemt niet weg dat in bepaalde gevallen ook voor de
                    lichte monumentenvergunning het volgen van deze procedure raadzaam kan zijn. Een
                    ander verschil betreft de termijn waarbinnen op de aanvraag moet zijn beslist.
                    Die is bij de lichte monumentenvergunning korter dan bij de reguliere
                    monumentenvergunning. Voor de lichte monumentenvergunning geldt een termijn van
                    zes weken, met een mogelijkheid van zes weken verlenging. Deze termijnen komen
                    overeen met die voor een lichte bouwvergunning. </al><al><vet>artikel 26</vet></al><al>Aangezien dit artikel inhoudelijk overeenkomt met artikel 13 wordt verwezen naar
                    de toelichting op dit artikel.</al><al><vet>artikel 26a</vet></al><al>Eén van de pijlers van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo), is
                    de vermindering van regeldruk. Op basis daarvan heeft het Rijk vergunningvrije
                    activiteiten vastgesteld voor rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en
                    dorpsgezichten. Dat betekent dat bepaalde activiteiten waaruit een project kan
                    bestaan vergunningvrij zijn geworden. Het ligt in de rede om de regelgeving voor
                    gemeentelijke monumenten op dit punt gelijk te trekken met die voor
                    Rijksmonumenten, door bepaalde activiteiten met inachtneming van hetgeen
                    daarover in de Wabo c.q. het BOR is geregeld vergunningvrij te verklaren. Om
                    onnodige handhavingsacties achteraf te voorkomen is ervoor gekozen om in het
                    tweede lid een zekere vorm van service, zij het op volstrekt facultatieve basis,
                    te introduceren over de wijze waarop de activiteiten kunnen worden uitgevoerd.
                    De service bestaat uit het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de
                    gemeente aanwezig is alsook het adviseren van de eigenaar of de architect over
                    de beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële aanpak. In goed
                    overleg tussen de gemeentelijke monumentenadviseur en de eigenaar van het
                    monument wordt aan het servicemoment vorm gegeven. </al><al><vet>artikel 27 </vet></al><al>Dit artikel vloeit voort uit artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet. De
                    Monumentenwet schrijft voor dat een commissie op het gebied van de
                    monumentenzorg bij de aanvragen om vergunning voor beschermde rijksmonumenten
                    wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het
                    ontbreken van het advies van de welstandscommissie of de commissie
                    cultuurhistorie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    bepaald dat de desbetreffende commissie geacht wordt te hebben geadviseerd na
                    het verstrijken van de adviestermijn.</al><al>Alhoewel de Awb termijnen doorgaans in aantallen weken uitdrukt, is in lid 1 de
                    dagentermijn uit de Monumentenwet gevolgd.</al><al>De procedure voor de afgifte door burgemeester en wethouders van de vergunning
                    voor beschermde rijksmonumenten staat in de artikelen 11 t/m 21 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><al><vet>artikel 28</vet></al><al>Op de archeologische basiskaart is aangegeven in welke gebieden archeologische
                    waarden zijn te verwachten. In de gebieden waar archeologische waarden zijn
                    aangetoond en waar (zeer) sterke aanwijzingen voor archeologische waarden zijn
                    (respectievelijk hoogwaardige locaties en locaties met een hoge verwachting),
                    mogen diepere graafwerkzaamheden pas worden uitgevoerd als hiervoor een
                    zogenaamde archeologievergunning is verleend. Betreft het een gemeentelijk
                    archeologisch monument, dan is geen archeologievergunning nodig. In dat geval is
                    reeds op grond van artikel 9 van deze verordening een reguliere
                    monumentenvergunning vereist. </al><al>Voor gebieden waar aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn,
                    geldt een lichtere bescherming. Diepere graafwerkzaamheden mogen daar slechts
                    plaatsvinden na archeologisch bureauonderzoek. De resultaten van dit onderzoek
                    kunnen aanleiding vormen een inventariserend veldonderzoek te verlangen en/of de
                    locatie aan te merken als een locatie met een hoge verwachting of een
                    hoogwaardige locatie. In het laatste geval wordt artikel 28 van toepassing,
                    hetgeen inhoudt dat diepere graafwerkzaamheden slechts mogen worden uitgevoerd
                    na het verkrijgen van een archeologievergunning.</al><al>Onder de in lid 3 genoemde archeologische begeleiding wordt in de praktijk
                    verstaan dat periodiek baggerdepots op vondsten worden nagelopen. Hieronder valt
                    ook dat wordt zeker gesteld dat bijzondere vondsten die op andere wijze tijdens
                    het baggeren worden gedaan (bagger passeert bijvoorbeeld op baggerschepen vaak
                    een grove zeef) worden geborgen.</al><al><vet>artikel 29 </vet></al><al>In dit artikel is vastgelegd hoe een archeologievergunning moet worden
                    aangevraagd en welke gegevens moeten worden overgelegd. Afhankelijk van het type
                    aanvraag kunnen burgemeester en wethouders nadere gegevens eisen. </al><al><vet>artikel 30</vet></al><al>Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften
                    kunnen op verschillende zaken betrekking hebben, zoals het melden van de start
                    van de werkzaamheden, het verrichten van archeologisch onderzoek of het doen van
                    een opgraving.</al><al>De in het tweede lid bedoelde archeologische waarden zijn sporen uit het
                    verleden die bijzonder gaaf, uniek, van groot wetenschappelijk belang, van
                    landelijk belang of in ander opzicht behoudenswaardig zijn. Het gaat dus om zeer
                    hoogwaardige sporen.</al><al><vet>artikel 31 </vet></al><al>In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden
                    ingetrokken. Intrekking van de vergunning houdt in dat op de betreffende locatie
                    geen vergunningplichtige activiteiten meer mogen worden uitgevoerd. </al><al><vet>artikel 32 </vet></al><al>Niet altijd is vooraf goed in te schatten welke waarden aanwezig zijn. Daarom is
                    in dit artikel het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven
                    om op grond van nieuwe gegevens die uit onderzoek voortkomen een bepaalde
                    locatie als vergunningplichtig gebied aan te wijzen. </al><al><vet>artikel 33 </vet></al><al>De afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86, 604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad (Bk 6, art. 126 BW).</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen:</al><al>-</al><al>biedt een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                    (administratie voorprocedure);</al><al>-</al><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO).</al><al>Vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de verzoeken de bepalingen van de
                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de
                    WRO van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de volgende nadelen:</al><al>-</al><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al><al>-</al><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al><al>-</al><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><al>Overwogen is of het wenselijk is ook een recht op schadevergoeding toe te kennen
                    in geval schade ontstaat door de weigering van een lichte monumentenvergunning
                    of door de voorschriften waaronder zo’n vergunning wordt verleend. Besloten is
                    hiervan af te zien, aangezien er alleen een lichte monumentenvergunning nodig is
                    voor uitwendige veranderingen van jongere bouwkunst-objecten. Voor beschermde
                    gemeentelijke monumenten daarentegen is ook voor inpandige verbouwingen een
                    vergunning vereist. De invloed van het vergunningenstelsel voor de jongere
                    bouwkunst gaat dus een stuk minder ver. </al><al><vet>artikel 34 </vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op de overtreding van verordeningen een geldboete te
                    stellen van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten (stand van zaken per 1 januari 2010) in de eerste categorie is
                    maximaal € 380,--; voor de tweede categorie maximaal € 3.800,--. Het is de
                    gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën.</al><al>In de Monumentenwet is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    beschermd monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken, gekoppeld aan
                    een geldboete van de vijfde categorie (€ 76.000,--).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor beschermde rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                    werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de
                    hand liggend.</al><al><vet>artikel 35 </vet></al><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren
                    aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast.</al><al>Artikel 141 noemt de ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals
                    politie-agenten. Uit de bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke
                    wetgever bevoegd is om in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren
                    aan te wijzen.</al><al>Op basis van deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders medewerkers van de
                    afdeling Bouw- en woningtoezicht en de afdeling Planuitwerking aanwijzen als
                    buitengewoon opsporingsambtenaar. </al><al><vet>artikel 36 </vet></al><al>Dit artikel is de grondslag voor de betreding van open ruimten en de
                    binnentreding van beschermde gemeentelijke monumenten, die geen woning zijn,
                    tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker. Beschermde
                    gemeentelijke monumenten die als woning in gebruik zijn mogen niet worden
                    betreden tegen de wil van de rechthebbende. De reden hiervan is dat de Grondwet
                    bepaalt dat binnentreding slechts geoorloofd is in gevallen die zijn aangewezen
                    bij of krachtens wet in formele zin. Ten aanzien van beschermde gemeentelijke
                    monumenten ontbreekt een dergelijke wettelijke grondslag. Rijksmonumenten kunnen
                    wel tegen de wil van de bewoner worden betreden, aangezien artikel 58 van de
                    Monumentenwet 1988 hiervoor een wettelijke grondslag biedt. </al><al><vet>artikel 37 </vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor beschermde rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat
                    de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst
                    voorkomende monumenten, geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd
                    overeenkomstig deze nieuwe verordening. Ten slotte is in lid 7 geregeld dat
                    verzoeken om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór
                    het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de
                    nieuwe verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al>Overigens wijkt de inwerkingtreding van de verordening tot wijziging van deze
                    verordening, die in 2003 is vastgesteld, af van dit artikel. In verband met de
                    Tijdelijke Referendumwet en het bepaalde in artikel 15, lid 2 van de
                    Monumentenwet treedt de wijzigingsverordening twee maanden na de bekendmaking in
                    werking, tenzij op dat moment een inleidend verzoek tot het houden van een
                    referendum over deze verordening onherroepelijk is toegelaten of de minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vóór die datum de verordening tot schorsing
                    heeft voorgedragen. </al><al><vet>artikel 38 </vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>