<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR233291_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Hondenbelasting 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortstecourant.nl">Zandvoortse Courant dd 29 november 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Hondenbelasting 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=216&amp;g=2012-11-07">Gemeentewet, art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=226&amp;g=2012-11-07">Gemeentewet, art. 226</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2012-003701 B&amp;W voorstel nr. 2012/09/000523</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiele Middelen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Hondenbelasting 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 10
                        september 2012, nummer 2012/09/000492;</al><al>gelet op de overwegingen van de gemeenteraad van 7 november 2012;</al><al>gelet op artikel 216 en 226 van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te stellen</al><al/><al>Verordening Hondenbelasting 2013.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 DE VERORDENING</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort</al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als ambtenaar belast met de
                                    heffing van de gemeentelijke belastingen</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>NORMSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Belastbaar feit</label></kop><al>Onder de naam ‘Hondenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor
                            het houden van een hond binnen de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Belastingplicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Belastingplichtig is de houder van een hond.</al></li><li nr="2."><al>Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook
                                    een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder
                                    is.</al></li><li nr="3."><al>Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt
                                    aangemerkt als het houden van een hond door de ambtenaar belast
                                    met de heffing aan te wijzen lid van dat huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vrijstellingen</label></kop><al>De belasting wordt niet geheven ter zake van honden:</al><lijst><li nr="a."><al>die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in
                                    hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden
                                    gehouden;</al></li><li nr="b."><al>die zijn opgeleid tot en dienen als gehandicaptenhond en in
                                    hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden
                                    gehouden; </al></li><li nr="c."><al>die verblijven in een hondenasiel als bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel c, van het Honden- en kattenbesluit 1999, welk asiel
                                    is opgenomen in het centraal register bedoeld in artikel 5,
                                    tweede lid, van genoemd besluit;</al></li><li nr="d."><al>die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden
                                    gehouden in een bedrijfsinrichting als bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel b, van het Honden- en kattenbesluit 1999, welke
                                    inrichting is opgenomen in het centraal register bedoeld in
                                    artikel 5, tweede lid, van genoemd besluit;</al></li><li nr="e."><al>die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de
                                    moederhond worden gehouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Maatstaf van heffing</label></kop><al>De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt
                            gehouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Belastingtarief </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting bedraagt per belastingjaar voor elke hond in de
                                    gemeente, ongeacht het aantal honden dat men houdt € 76,30</al></li><li nr="2."><al>In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de
                                    belasting voor honden, gehouden in kennels die zijn
                                    geregistreerd bij de Raad van beheer op kynologisch gebied in
                                    Nederland, € 381,50 per kennel, zijnde gebaseerd op het aantal
                                    van vijf honden.</al></li></lijst><al>Het tweede lid blijft buiten toepassing indien belastingplichtige
                            schriftelijk verzoekt de verschuldigde belasting vast te stellen naar
                            het werkelijke aantal honden indien blijkt dat dit bedrag lager is dan
                            het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Belastingjaar</label></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Wijze van heffing</label></kop><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar
                                    of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan
                                    wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt,
                                    is de belasting, respectievelijk de hogere belasting ter zake
                                    van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel
                                    twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting
                                    als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht,
                                    respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle
                                    kalendermaanden overblijven.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar
                                    eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het
                                    belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor
                                    zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde
                                    belasting als er in dat jaar, na het einde van de
                                    belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal
                                    honden, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></li><li nr="4."><al>Als het bedrag van de belasting beneden de € 10,- blijft, wordt
                                    geen belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin
                                    wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde
                                    verschuldigde bedragen aan belastingen of andere heffingen
                                    aangemerkt als één belastingbedrag</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Termijnen van betaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van <onderstreept>artikel 9, eerste lid, van de
                                        Invorderingswet 1990</onderstreept> moet de aanslag worden
                                    betaald uiterlijk 2 maanden na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag
                                    van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan €
                                    70, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                                    automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                                    aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later. </al></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een
                                    belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
                                    bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de
                                    vaststelling van de aanslag.</al></li><li nr="4."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Nadere regels door het college</label></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                            invordering van de Hondenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Kwijtschelding</label></kop><al>Bij de invordering van Hondenbelasting wordt alleen voor het tarief van
                            de eerste hond kwijtschelding verleend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 13 Bevoegdheden</label></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening Hondenbelasting 2012' vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 14 december 2011 wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                    Hondenbelasting 2013'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2012.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.1 ALGEMEEN</titel></kop><al>De verordening Hondenbelasting is gebaseerd op artikel 226 van de Gemeentewet.
                    De tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is
                    overgenomen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Ad b.</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Voor de omschrijving van het belastbare feit is aansluiting gezocht bij de
                        tekst van artikel 226 van de Gemeentewet. Er wordt een belasting geheven ter
                        zake van het houden van een hond binnen de gemeente. </al><al>De hondenbelasting is aangemerkt als directe belasting. Deze aanwijzing is
                        noodzakelijk om toepassing van artikel 31 e.v. van de AWR betreffende de
                        richtige heffing mogelijk te maken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Belastingplichtig is de houder van een hond. Het begrip 'houder van de hond'
                        wordt als volgt gedefinieerd: 'houder is degene die een hond bezit, verzorgt
                        of onder toezicht heeft'.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 3 wordt als houder aangemerkt, degene
                        die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat
                        een ander de houder is. Het is niet vereist dat de houder tevens eigenaar
                        is. Wel is het noodzakelijk dat de hond duurzaam wordt gehouden. In dit
                        verband is van belang een arrest van de Hoge Raad van 23 december 1998, nr.
                        31.599 (Gemeente Vries, Belastingblad 1999, blz. 53) waarin werd beslist dat
                        er sprake is van houderschap indien iemand een hond onder zich heeft waarbij
                        sprake is van enige duurzaamheid en gezag. In deze casus was de eigenaar van
                        een hondenschool aangeslagen voor de Hondenbelasting. De Hoge Raad oordeelde
                        dat de omstandigheden dat de hond bij belanghebbende in opleiding is en aan
                        een ander in eigendom toebehoort het houderschap niet in de weg staan. In de
                        verwijzingsuitspraak oordeelt Hof Arnhem (Hof Arnhem 18 november 1999, nr.
                        98/04510, Belastingblad 2000, blz. 259) dat de eigenaar van de hondenschool
                        de hond diende op te leiden en daardoor (enig) gezag over de hond had.
                        Voorts verbleef de hond het grootste deel van het jaar bij de hondenschool.
                        De eigenaar was terecht als houder van de hond aangemerkt. Of een hond
                        duurzaam wordt gehouden zal uit de feiten en de omstandigheden moeten
                        blijken. Mede in dit verband is in het tweede lid een mogelijkheid tot het
                        bieden van tegenbewijs opgenomen. De belanghebbende die op overtuigende
                        wijze aantoont dat hij niet degene is die de hond duurzaam onder zich heeft,
                        kan niet als houder van een hond worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het komt regelmatig voor dat honden worden gehouden door leden van een
                        huishouden waarbij niet steeds bij voorbaat duidelijk is wie als houder van
                        de hond moet worden aangemerkt. Met name in dat soort situaties voorziet het
                        derde lid van artikel 2, welk artikel is gebaseerd op artikel 226, derde
                        lid, van de Gemeentewet. Doel hiervan is te voorkomen dat een progressieve
                        tariefstelling wordt ontlopen, door te stellen dat een ander lid van het
                        huishouden houder van de hond is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Uit een oogmerk van billijkheid en/of praktische uitvoerbaarheid van de
                        Hondenbelasting is in de verordening een aantal objectieve vrijstellingen
                        opgenomen. De in dit artikel opgenomen vrijstellingen zijn facultatief. De
                        gemeente is binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel derhalve vrij om
                        naar eigen inzicht de vrijstellingen uit te breiden of in te beperken.</al><al>In de onderdelen a en b zijn vrijstellingen opgenomen voor
                        blindengeleidehonden en geleidehonden voor gehandicapten. Ten opzichte van
                        de verordening hondenbelasting van vóór 2011 is de vrijstelling voor
                        geleidehonden voor gehandicapten niet langer beperkt tot honden die door de
                        stichting Hulphond Nederland ter beschikking zijn gesteld. Dit omdat
                        gebleken is dat er meerdere instanties zijn die honden vergelijkbaar
                        opleiden en ter beschikking stellen. Een beperking van de vrijstelling tot
                        honden van alleen de stichting Hulphond Nederland levert mogelijk strijd op
                        met het gelijkheidsbeginsel.</al><al>De term ‘in hoofdzaak’ betekent in de fiscaliteit: 70% of meer en is aan de
                        desbetreffende vrijstellingsbepalingen toegevoegd om te benadrukken dat het
                        in hoofdzaak moet gaan om hulphonden. Aan de andere kant is het onredelijk
                        te verwachten dat hulphonden niet ook als gezelschapsdier mogen fungeren. Om
                        die reden is de vroeger in de verordening voorkomende term ‘uitsluitend’
                        vervangen door ‘in hoofdzaak’.</al><al>In de onderdelen c en d zijn vrijstellingen opgenomen voor honden in een
                        asiel of voor honden die bedrijfsmatig voor verkoop worden aangehouden.
                        Zowel voor het bedrijfsmatig uitoefenen van een asiel als het bedrijfsmatig
                        verhandelen van honden stelt het Honden- en kattenbesluit 1999 nadere
                        regels. Deze regels komen erop neer dat deze bedrijfsmatige activiteiten
                        alleen kunnen worden verricht indien rekening wordt gehouden met de nadere
                        regels voor het houden en verzorgen van dieren. In dat kader wordt door de
                        minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een centraal register
                        aangehouden waarin de aanmeldingen van dergelijke bedrijven worden vermeld.
                        Tevens verstrekt de minister aan deze bedrijven een aanmeldingsbewijs waarin
                        onder andere de N.A.W.-gegevens van de aanmelder, het tijdstip van
                        aanmelding van de bedrijfsinrichting, het asiel of pension, en het
                        registratienummer van de inrichting zijn vermeld. Een beroep op de
                        vrijstellingen kan derhalve worden getoetst aan de inschrijving in het
                        centraal register. Het Honden- en kattenbesluit 1999 verstaat onder asiel:
                        een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in
                        bewaring houden van honden of katten die zwervend zijn aangetroffen, dan wel
                        waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan Daaronder valt niet een
                        pension. Een pension is een perceelsgebonden ruimte of ruimtes, niet zijnde
                        een asiel, bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden of
                        katten. Het staat gemeenten overigens wel vrij pensions buiten de heffing te
                        laten, maar daar moet dan een aparte vrijstellingsbepaling voor worden
                        opgenomen in de verordening.</al><al>In onderdeel e is een vrijstelling opgenomen voor jonge honden die tezamen
                        met de moederhond worden gehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>Op grond van artikel 226, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de
                        Hondenbelasting geheven naar het aantal honden. Andere heffingsmaatstaven
                        zijn niet mogelijk. Het aantal honden moet blijken uit de door de
                        belastingplichtige gedane aangifte.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De Hondenbelasting kan worden gezien als een algemene belasting waarvan de
                        opbrengst ten goede komt aan de algemene middelen. Voor de hoogte van de
                        tarieven gelden geen beperkingen.</al><al>De Hondenbelasting had oorspronkelijk tot doel het aantal honden te beperken
                        in het belang van de openbare veiligheid en gezondheid. Het aspect 'openbare
                        veiligheid en gezondheid' heeft in de loop van de tijd aan betekenis
                        verloren. Gaandeweg is de Hondenbelasting tot een meer fiscale heffing
                        geworden. Hoewel de belasting juridisch niet als een bestemmingsbelasting,
                        maar als een algemene belasting moet worden gekarakteriseerd, wordt zij
                        beleidsmatig in een aantal gevallen verdedigd als een bijdrage in de kosten,
                        die zijn gemoeid met het schoonhouden van straten, plantsoenen, pleinen e.d.
                        Op deze wijze wordt</al><al>uitwerking gegeven aan de profijtgedachte.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid is gekozen voor een omschrijving waarbij problemen bij het
                        verlenen van ontheffing zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Het artikel
                        gaat uit van het aantal honden dat wordt gehouden, zonder dat wordt
                        aangegeven welk belastingbedrag voor welke individuele hond geldt. De
                        belasting wordt geheven voor een eerste hond, een tweede hond of voor iedere
                        hond boven het aantal van twee. Op deze wijze wordt voorkomen dat met de
                        belastingplichtige, die meer dan één hond houdt, problemen kunnen ontstaan
                        over de hoogte van de te verlenen ontheffing. Bij vermindering van het
                        aantal zal steeds eerst ontheffing moeten worden verleend voor het hoogste
                        van toepassing zijnde tarief.</al><al>De gemeente hanteert een progressief tarief. Het progressieve tarief leidt
                        er toe dat de te betalen belasting meer dan evenredig zal stijgen naarmate
                        het aantal honden dat door een belastingplichtige wordt gehouden
                        toeneemt.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Voor honden gehouden in een kennel, geregistreerd bij de Raad van beheer op
                        kynologisch gebied in Nederland, is gekozen voor een vast bedrag per kennel,
                        het zogenaamde 'kenneltarief', in plaats van een tarief gekoppeld aan het
                        aantal honden. Deze keuze is ingegeven uit praktische overwegingen, omdat de
                        vaststelling van het juiste aantal honden, in verband met sterke fluctuaties
                        moeilijk is.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het is mogelijk dat in een kennel minder honden worden gehouden dan het
                        aantal waarop het kenneltarief is gebaseerd. Om die reden wordt aan de
                        houder van de kennel in het derde lid de mogelijkheid geboden om te bewijzen
                        dat hij minder honden heeft gehouden waarna het lagere tarief kan worden
                        toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>In artikel 7 is bepaald dat het belastingjaar gelijk is aan het
                        kalenderjaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</titel></kop><al>Indien de gemeentelijke belasting over een tijdvak wordt geheven en de
                        belastingschuld naar de toestand op een bepaald, aan het begin van het
                        belastingtijdvak vastgesteld tijdstip wordt geheven, moet in de
                        verordening:</al><al>• worden geregeld dat de belastingschuld ontstaat bij het begin van het
                        belastingtijdvak of zo dit later is bij de aanvang van de belastingplicht.
                        Daarmee ontstaat bij tijdvakheffingen de materiële belastingschuld niet pas
                        aan het einde van het belastingtijdvak, doch reeds bij het begin ervan. De
                        belastingschuld kan derhalve in de loop van het belastingtijdvak worden
                        geformaliseerd. Aangezien de materiële belastingschuld in beginsel ontstaat
                        bij het begin van het belastingtijdvak, zijn tariefverhogingen in de loop
                        van het belastingtijdvak niet mogelijk;</al><al>• een regeling worden opgenomen voor de gevallen waarin de belastingplicht
                        in de loop van dit tijdvak ontstaat of eindigt. Bij aanvang van de
                        belastingplicht in de loop van het tijdvak dient heffing naar tijdsgelang
                        plaats te vinden. Bij beëindiging van de belastingplicht in de loop van het
                        tijdvak dient ontheffing naar tijdsgelang plaats te vinden. In de
                        verordening is in voorkomend geval gekozen voor een tijdsevenredige
                        herleiding per maand, waarbij gedeelten van een maand niet worden
                        meegerekend. Deze (ont)heffingsregeling is erop gericht dat bij de
                        tijdsevenredige toepassing geen te grove afrondingen plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 10 is deze wettelijke betalingstermijn
                        opgenomen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om de belasting door middel van
                        automatische incasso te voldoen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                        gemaakt gelden andere betaaltermijnen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de
                        ATW van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 10 vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet – de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding
                        van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de
                        raad op belastinggebied overgegaan op het college. In verband hiermee is in
                        elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere
                        regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de
                        betreffende belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen
                        duidelijk dat er nog nadere regels kunnen gelden. In de
                        (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en ander
                        uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                        kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen.</al><al>Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de
                        ministeriële regeling af te wijken. Omdat uitsluitend voor (het tarief van)
                        de eerste hond kwijtschelding bij de invordering van Hondenbelasting wordt
                        verleend is dit expliciet opgenomen in artikel 12.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid
                        wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van
                        de heffing en in het vierde lid de citeertitel.</al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van
                        toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis
                        van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken.</al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot
                        het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632). Deze verordening is bekend gemaakt in de Zandvoortse Courant.</al><al> De belastingverordening treedt in werking op 1 januari van het betreffende
                        belastingjaar waarop de verordening betrekking heeft. Als voorbeeld:</al><al>Op 1 november 2007 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding 1 januari 2008 (tweede lid) en als tijdstip van ingang
                        van de heffing eveneens 1 januari 2008 (derde lid). </al><al>In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal
                        wordt opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening
                        vaststelt. Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welk jaar de
                        verordening bedoeld is.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7
                        maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid,
                        Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>