<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23296_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie raadsleden gemeente Uithoorn, 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentepagina, 5-12-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie raadsleden gemeente Uithoorn, 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=95">Gemeentewet, art. 95 t/m 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-03-16</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV07.55</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie raadsleden gemeente Uithoorn, 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=95">artikelen 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet</extref>,</al><al>Gelet op het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden,</al><al>Besluit vast te stellen de:</al><al>‘Verordening rechtspositie raadsleden gemeente Uithoorn, 2007’</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK I Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">hoofdstuk V van de Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="c."><al>verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="d."><al>reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="e."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="f."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="g."><al>griffier: de griffier, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=107%20">artikel 107 van de Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="h."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=102">artikel 102 van de Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="i."><al>fractieassistent: niet gekozen functionaris die een fractie met
                                    diverse werkzaamheden ondersteunt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK II Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden/article=2">artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden</extref>, is gelijk aan het door de minister van
                            Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 8
                            vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                    verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse
                                    24.001-30.000, vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit
                                    raads- en commissieleden.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding als
                                    gevolg van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=4">artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964</extref> voor de toepassing van die wet
                                    als dienstbetrekking wordt aangemerkt, is in afwijking van het
                                    eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor
                                    gemeenteklasse 24.001-30.000, vermeld in tabel III van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                    geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen
                                        2 en 3, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij
                                    in dat jaar raadslid is geweest.</al></li><li nr="2."><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen
                                        2 en 3, geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                    kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de
                                    gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                    gemeentebestuur vergoed.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            in overeenstemming met het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regeling%20rechtspositie%20wethouders/article=4">artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                                rechtspositie wethouders.</extref></al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    vervulling van het raadslidmaatschap en niet
                                    partijgebonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Notebook en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    notebook, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Indien géén notebook, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap voor een
                                    periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voor </al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een notebook, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen notebook, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                    notebook, bijbehorende apparatuur en software welke het college
                                    aan raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="4."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="5."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Kinderopvang</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding als gevolg van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=4">artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964</extref> voor de toepassing van die wet
                                    als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op aanvraag deelnemen
                                    aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                    spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding als gevolg van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=4">artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964</extref> voor de toepassing van die wet
                                    als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                                    levensloopregeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=19g%20">artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                    1964.</extref></al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                    raadslid gebruik maakt van de wettelijke
                                    levensloopregeling.</al></li><li nr="4."><al>Het raadslid ontvangt, gelet op het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=99%20">artikel 99 van de Gemeentewet</extref>, géén
                                    werkgeversbijdrage ten behoeve van levensloop dan wel spaarloon
                                    van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding als gevolg van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=4">artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964</extref> voor de toepassing van die wet
                                    als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                                    fietsregeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Uitvoeringsregeling%20loonbelasting%202001/article=37%20">artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                                        2001</extref>. Naar keuze van het raadslid wordt de
                                    raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd met
                                    de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                    Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid ontvangt, gelet op het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=99%20">artikel 99 van de Gemeentewet</extref>, géén
                                    werkgeversbijdrage ten behoeve van de fietsregeling van de
                                    gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2,
                            kan op verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Werkloosheidswet">Werkloosheidswet</extref> ontvangt en de na toepassing van
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=werkloosheidswet/article=20">artikel 20 van die wet</extref> ontstane korting op deze
                                    uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                    raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                        2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20Werkloosheid%20onderwijs-%20en%20onderzoekpersoneel%20">Besluit Werkloosheid onderwijs- en
                                        onderzoekpersoneel</extref> ontvangt en de na toepassing van
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20Werkloosheid%20onderwijs-%20en%20onderzoekpersoneel%20/article=6">artikel 6, vierde lid, van dat besluit</extref> ontstane
                                    korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                    raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                        2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=77">artikel 77 van de Gemeentewet</extref> meer dan 30 dagen
                                    onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt,
                                    ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                        artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                    werkzaamheden over de tijd van de waarneming.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden/article=11%20">artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                        commissieleden</extref> bedraagt € 175 per jaar.</al></li><li nr="2."><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                    kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                    tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid
                                    van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                    geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                    geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot
                                        en met 12 en 13a blijven van toepassing op het raadslid aan wie
                                    als gevolg van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Kieswet/article=X%2010">artikel X 10 van de Kieswet</extref> tijdelijk ontslag is
                                    verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien
                                    verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op grond
                                    van artikel 3, eerste
                                        of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het
                                    bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7,
                                        8,
                                        eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 11 tot en met 13a van deze
                                        verordening zijn van toepassing op raadsleden die
                                    tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                                    ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=kieswet/article=X%2010">artikel X10 van de Kieswet</extref> tijdelijk ontslag heeft
                                    verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Voorzieningen voor fractieassistenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 Fractieassistent</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De fractieassistent ontvangt een tegemoetkoming in de onkosten
                                    gelijk aan de vaste onkostenvergoeding zoals die volgens de
                                    belastingwetgeving maximaal (belastingvrij) aan vrijwilligers
                                    kan worden verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 8
                                        van deze verordening is evenzeer van toepassing op
                                    de fractieassistent.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK IV De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van kosten wordt gebruik gemaakt van een
                                    declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                    betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid dient het declaratieformulier binnen 2 maanden bij
                                    de griffier in, onder bijvoeging van de originele
                                    bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK V Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De ‘Verordening onkostenvergoeding raadsleden 2002’ (raadsbesluit 12
                            september 2002, nr. 16) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt vijf dagen na bekendmaking in werking en werkt
                            terug tot en met 16 maart 2006.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening rechtspositie
                            raadsleden gemeente Uithoorn, 2007’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de</ondertekening><ondertekening>raad van Uithoorn van 22 november 2007, nr.4.1/3.3</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>(Joh. A. Pot) (mevr. H.L. Groen)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><titel>ALGEMEEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Wettelijke regelingen</titel></kop><al>De regeling van de rechtspositie van raadsleden vindt op drie niveaus
                        plaats, te <vet>wet</vet>en bij <vet>wet</vet>, AMvB en gemeentelijke
                        verordening. In de Gemeente<vet>wet</vet> is aangegeven dat de nadere
                        invulling van de rechtspositie van raadsleden moet worden geregeld bij AMvB.
                        Daartoe zijn tot stand gekomen het <vet>Rechtspositiebesluit</vet> raads- en
                        commissieleden. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                        rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal
                        voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende
                        onkostenvergoedingen, is in de <vet>Rechtspositiebesluit</vet>en overwegend
                        geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals een
                        regeling tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering of een
                        uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft
                        om deze voorzieningen te treffen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</titel></kop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                        raadsleden. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeente<vet>wet</vet>
                        en genoemde <vet>Rechtspositiebesluit</vet>en. In <vet>artikel</vet> 99 van
                        de Gemeente<vet>wet</vet> is bepaald dat bij gemeentelijke verordening aan
                        raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen
                        en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring
                        van Gedeputeerde Staten vereist. De rechtspositionele aanspraken voor
                        raadsleden zijn dan ook uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                            Gemeente<vet>wet</vet>, het <vet>Rechtspositiebesluit</vet> raads- en
                        commissieleden en deze Verordening. Met andere woorden, het is niet
                        toegestaan voorzieningen of tegemoetkomingen buiten deze regeling om te
                        verstrekken.</al></divisie><divisie><kop><titel>De arbeidsverhouding van het raadslid </titel></kop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                        niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft
                        het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                            Werkloosheids<vet>wet</vet>, Ziekte<vet>wet</vet> en WIA. Raadsleden
                        worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                            Zorgverzekerings<vet>wet</vet> en hebben daarom op grond van die
                            <vet>wet</vet> geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de
                        raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van
                        de basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van
                        <vet>artikel</vet></al><al>11 van het <vet>Rechtspositiebesluit</vet> raads- en commissieleden van 6
                        december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij verordening wel een
                        tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden
                        toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan de inhouding van de
                        inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen dienstbetrekking met de
                        gemeente is vallen raadsleden niet onder de <vet>Wet</vet> op de
                        loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de <vet>Wet</vet>
                        inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting
                        door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).</al></divisie><divisie><kop><titel>De loon- en inkomstenbelasting </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Opting in regeling </titel></kop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                        gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                        regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                        wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                        verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst, dat
                        wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor
                        het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af
                        aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin
                        van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet
                        onder de sociale zekerheids<vet>wet</vet>geving. Om die reden worden over de
                        raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten
                        worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                        administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                        afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                        onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen
                        beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en
                        verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn
                        ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze
                        vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van de
                        loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Het meest duidelijke
                        voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan raadsleden die gekozen hebben
                        voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt. Raadsleden die
                        gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen een lager bedrag dat
                        vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto vergoeding. Raadsleden
                        kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de levensloopregeling en de
                        fietsregeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Fiscale standaardpositie </titel></kop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid
                        dat hij voor de <vet>Wet</vet> inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                        werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                        Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                        gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben
                        voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                        onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij
                        aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is
                        besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.</al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling
                        en fietsregeling. Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun
                        werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke
                        beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen
                        (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                        verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                        melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het
                        economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik
                        leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt
                        het verschil uit of het raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de
                        loonbelasting (zie daarvoor hieronder de toelichting op <vet>artikel</vet>
                        3).</al></divisie><divisie><kop><titel>Eenmalige keuze per zittingsperiode </titel></kop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren
                        voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De
                        beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per
                        zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende)
                        zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze
                        beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                        niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                        de zittingsperiode voor de resterende periode.</al></divisie><divisie><kop><titel>De vergoedingssystematiek </titel></kop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                        inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom
                        van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling
                        terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze
                        uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen
                        middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden
                        gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in
                        rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig
                        declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                        vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:</al><al>• welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering
                        en bestuurskosten);</al><al>• welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                        maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al><al>• kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden
                        (indien de loonbelasting geldt);</al><al>• voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                        (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>• Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><al>- bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>- deelname aan cursussen en congressen e.d.</al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door het raadslid
                        maar kunnen direct door de gemeente worden voldaan en de voorzieningen
                        worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen daarom buiten de
                        vergoedingssfeer.</al><al>• Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                        worden vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft
                        het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven het raadslid op basis
                        van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de gestelde
                        voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al>• Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                        kunnen worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                        kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op <vet>artikel</vet> 3 is
                        aangegeven om welke beroepskosten het gaat. Voor raadsleden die niet voor de
                        loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde systematiek maar zijn de
                        fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar
                        de waarde in het economische verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat
                        zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen worden hun
                        vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Controle en verantwoording</titel></kop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                        publieke middelen transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                        inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                        voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                        het daadwerkelijk gebruik.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit raadsleden</extref> is geregeld dat raadsleden
                        voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                        wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit</extref> het maximale bedrag van de vergoeding
                        voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is
                        de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                        jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                        overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat
                        in de verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding
                        gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                        daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen verzoeken hun
                        raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                        lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                        moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 3 vaste onkostenvergoeding</titel></kop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van het
                        raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                        de volgende kostencomponenten:</al><al>• representatie</al><al>• vakliteratuur</al><al>• contributies, lidmaatschappen</al><al>• telefoonkosten</al><al>• bureaukosten, porti</al><al>• zakelijke giften</al><al>• bijdrage aan fractiekosten</al><al>• ontvangsten thuis</al><al>• excursies.</al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                        cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                        voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7
                        en 8). De
                        onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                        bijgesteld. De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                        onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                        gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%.
                        Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben
                        geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                        aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                        onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                        brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                        raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                        belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. De hoogte van de kostenvergoeding
                        wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit</extref> voor raadsleden het maximale bedrag van
                        de kostenvergoeding aangegeven. In artikel 3 is de hoogte van
                        de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van de
                        kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien
                        aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen
                        nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is
                        aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                        bepalen maximum of een percentage daarvan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 en 6 reis- en verblijfkosten raadsleden</titel></kop><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet">Gemeentewet</extref> voorziet niet in een vergoeding voor
                        ‘woon-werkverkeer’ voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=99">artikel 99 van de Gemeentewet</extref> als raadsleden van de gemeente
                        een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het grondgebied van de gemeente.
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=97">Artikel 97 van de Gemeentewet</extref> voorziet voor raadsleden wel in
                        een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het
                        grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                        gemeentebestuur. Tot 2004 werd in de Rechtspositiebesluiten verwezen naar,
                        in dit geval, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20buitenland">Reisregeling buitenland</extref> zoals die voor de sector Rijk zijn
                        vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de ‘Regeling
                        rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie
                        burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in
                        principe dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de
                        minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze
                        specifieke regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op
                        het ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen
                        voor burgemeesters en wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de
                        rijksregeling. Omdat in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</extref> geen eigen
                        vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, aansluiting gezocht bij de
                        vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals gezegd, overeenkomt met de
                        vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor wordt het aantal
                        regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De vergoeding van
                        noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is voor raadsleden
                        een lokale aangelegenheid.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed
                        kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                        vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel
                        geldt De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast.
                        De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de
                        kilometervergoeding opgemerkt: Vergoedingen voor reiskosten die u naast de €
                        0,19 per kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld
                        vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en
                        slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem,
                        voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor
                        schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                        overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.
                        Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                        belast.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                        de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                        congressen e.d. waaraan het individuele raadslid in verband met de
                        vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.
                        Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                        gebracht. Om die reden wordt</al><al>in het tweede lid het algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het
                        laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke
                        informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie). De in
                        deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk karakter
                        en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap wordt op aanvraag om niet een
                        computer met bijbehorende apparatuur en software in bruikleen beschikbaar
                        gesteld. Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de
                        computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden
                        hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een digitale fotocamera. De
                        nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het
                        raadslid met de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het
                        college vastgesteld. De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit voor raads- en commissieleden.</extref> Het
                        college is bevoegd orgaan op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=160">artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet</extref>. Het
                        college kan alleen privaatrechtelijke handelingen verrichten en het
                        afsluiten van een bruikleenovereenkomst is privaatrechtelijk.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                        onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien dit
                        geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de Nota naar
                        aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt
                        hierover het volgende opgemerkt: ‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen
                        voor het criterium geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven
                        computers die louter zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het
                        aanvullende criterium 'nagenoeg geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij
                        zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele computer in de heffing
                        hoeft te betrekken. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer
                        geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te
                        kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt
                        de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                        situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer
                        die privé-gebruik als zodanig</al><al>bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang heeft tot het intranet
                        van de werkgever, hij via de computer geen vrije internettoegang heeft, er
                        op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige software op staat, de
                        werknemer ook niet de mogelijkheid heeft er software op te zetten en hij
                        geen eigen randapparatuur kan aansluiten.’</al><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de belastingheffing, wordt
                        er in de respectievelijke Rechtspositiebesluiten en de verordening van
                        uitgegaan dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor
                        zakelijk gebruik bestemmen. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de
                        verstrekking als de terbeschikkingstelling van computerapparatuur</al><al>en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In verband
                        hiermee vindt er gedurende de afschrijvingsperiode van drie jaar voor de
                        door de gemeente beschikbaar gestelde computer een fiscale bijtelling plaats
                        van 30% van de waarde in het economisch verkeer op het moment van eerste
                        ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de waarde op nihil gesteld.
                        Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt
                        gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen van de computer
                        belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast. Indien een
                        computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste en
                        vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                        kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld.</al><al>De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor
                        worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter
                        beschikking stelt.</al><al>Een andere methode die toegepast kan worden is die waarbij wordt uitgegaan
                        van een bruikleen-pc en toebehoren ad € 1.500,-. Deze is voor belanghebbende
                        bij wie loonbelasting wordt ingehouden toepasbaar omdat het
                        inhoudingpercentage bekend is. Voor de fiscaal zelfstandigen zal ofwel het
                        percentage door betrokkene vrijwillig moeten worden aangereikt dan wel dat
                        voor die belanghebbenden één en hetzelfde percentage wordt toegepast zonder
                        rekening te houden met de feitelijke situatie van betrokkene.</al><al>De vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule: L x T/(100-T),
                        waarin:</al><al>L = het ter zake van de voorziening tot het belastbare loon in de zin van de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964">Wet op de loonbelasting 1964</extref> behorende bedrag;</al><al>T = het hoogste van de in de tarieftabel van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964/article=20a">artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964</extref>
                        opgenomen percentages."</al><al>Cijfermatig uitgewerkt ziet dit er als volgt uit:</al><al>Fiscale bijtelling voor een ter beschikking gestelde computer is 500.</al><al>Tarief 52% = € 260. Resulteert netto in (€ 500 – € 260 =) € 240.</al><al>Compensatie:</al><al>L500 x T52% / (100 – T52) = € 541 bruto</al><al>bruto € 541 = netto (€ 541 – 52% =) € 260.</al><al>Recapitulatie :</al><al>Totaal brutoloon € 500 + € 541 = € 1041</al><al>Totaal netto € 240 + € 260 = € 500</al><al>Vergoeding voor aanschaf of eigen gebruik</al><al>Het is ook mogelijk om een vergoeding te geven voor de aanschaf of het
                        gebruik van een eigen computer. Een compensatie voor belastingheffing is dan
                        echter niet toegestaan. De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de
                        vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan van de aanschafwaarde van
                        de computer die de gemeente ter beschikking stelt.</al><al>De aanleg en abonnementskosten internet</al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste
                        van de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding
                        niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. In dat geval is de
                        vergoeding onbelast. Zie pag. 153 Handboek loonheffingen 2007.</al><al>Ook hierbij kan de gemeente zelf een normbedrag vaststellen. Uitgegaan wordt
                        van de gemiddelde kosten in het ‘economisch verkeer’. Dit bedrag is in 2007:
                        de werkelijke kosten met een maximum van € 50,00 per maand. De eenmalige
                        aansluitingskosten zijn maximaal € 250,00.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Spaarloon/levensloop</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap kunnen
                        deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een
                        combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin is het mogelijk een
                        ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een
                        rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                        werknemers. Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat
                        raadsleden in hun politieke functie geen verlof kennen. Het saldo valt bij
                        beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                        levensloopregeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Fietsregeling</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap kunnen
                        deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een rechtspositionele
                        aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers. Het is niet
                        mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Afhankelijk van de
                        kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste het bedrag dat
                        in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Uitvoeringsregeling%20loonbelasting%202001/article=37%20">artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001</extref> is
                        vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                            arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                        aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient
                        te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te
                        blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                        indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                        verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
                        Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                        Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het
                        inkomen door een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte
                        van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                        anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding
                        van een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden.
                        Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden/article=12%20">artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden</extref> kunnen gemeenten hiervoor een voorziening
                        treffen. Die is te vinden in artikel
                            11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een
                        raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                        voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de
                        wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Werkloosheidswet/article=20">Artikel 20 van de Werkloosheidswet</extref> (WW) komt erop neer dat op
                        het moment dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet
                        ontvangt, nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met
                        het aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit
                        werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                        bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet
                        relevant. Indien daarom iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                        WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het raads-
                        lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de WW-uitkering
                        groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een negatief
                        inkomenseffect optreden. Het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</extref> biedt gemeenten
                        de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de verordening</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=77%20">artikel 77 van de Gemeentewet</extref> is geregeld dat het
                        voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                        burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De
                        gemeenteraad kan ook een ander raadslid met de waarneming van het
                        voorzitterschap belasten. In overeenstemming met het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</extref> is in artikel
                            13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken
                        waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van
                        waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden en van de vaste onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of
                        de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding
                        een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%. Bij degenen die
                        hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door de gemeente
                        ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na afloop
                        van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum
                        inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten
                        die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te
                        veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de
                        Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen van
                        4,4%. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden/article=11%20">artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden</extref> besluiten dat deze tegemoetkoming wordt
                        vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                            bevalling of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                        bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen
                        in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Kieswet">Kieswet</extref>, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen
                        wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de
                        vervanger. Er is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door
                        zowel het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                        vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt
                        over de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer
                        binnen de termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin
                        is het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw
                        een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat
                        verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=kieswet/article=X%2010">artikelen X10</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=kieswet/article=x%2011">X11</extref>en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=kieswet/article=x%2012">X12 van de Kieswet</extref> zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet
                        worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en beëindiging van
                        de vervanging.</al><al>De verklaring van een verloskundige dan wel behandelend arts is bepalend
                        voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van de vervanger kan later
                        plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van het tijdelijk
                        ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn dan 16
                        weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                        besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van
                        het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                        rechtspositionele aspecten daarvan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21 Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                        bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad.</al><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                        verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De
                        nieuwe verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de
                        bepalingen over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige
                        verordening zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de
                        terugwerkende kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag van
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden/article=7a%20">artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden</extref> (Stb. 2006, 8).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>