<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR232864_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Rond de Linde, 7 januari 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 12 van de Brandweerwet 1985</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>62</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Brandbeveiligingsverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen c.a.;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2010;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Wet op de veiligheidsregio’s (Stb
                        2010, 145 en 146);</al><al/><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt, voor zover daarin niet bij of krachtens de Woningwet of enige
                        andere wet is voorzien;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>vast te stellen de Brandbeveiligingsverordening 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al> bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                verzorging nachtverblijf zal worden verschaft:</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                worden verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de artikelen 3 en 4. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en dit door
                        het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,
                        327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                        vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op
                        vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8 tweede lid, onder
                        b van de Woningwet en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht
                        de voorschriften op te volgen die het college geeft tot het voorkomen van
                        brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1º.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>Brandbeveiligingsverordening, zoals gesteld bij raadsbesluit van 11 december
                        2008, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                brandbeveiligingsverordening van 11 december 2008 en die van kracht
                                zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden
                                aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.</al></li><li nr="2."><al> Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de
                                brandbeveiligingsverordening van 11 december 2008 is ingediend
                                waarop nog niet is beslist, dan wordt daarop deze verordening
                                toegepast.</al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 11 december
                                2008 wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Brandbeveiligingsverordening
                        2010’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van de
                        Wet veiligheidsregio’s.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 25 november 2010</al><al>DE RAAD VOORNOEMD,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, drs. H.A.J.P. Duijmelinck</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, mr. W.R. Ligtvoet</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label><titel>OP DE BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING 2010</titel></kop><al>Algemeen</al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                        artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                        brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                        bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                        brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008 – 2009, 31 968, nr. 8,
                        p.7). Naar verwachting treedt deze AMvB pas medio 2011 in werking. Tot die
                        tijd zal op grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                        brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al/><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidregio’s, het niet
                        beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde AMvB en het ontbreken van relevant
                        overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                        brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen. De bestaande
                        brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                        inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al/><al>De voorliggende verordening is, gezien het tijdelijke karakter (tot de
                        inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. De regeling is
                        aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn. Toegevoegd
                        zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                        krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet
                        bij het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de
                        gemeente zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al
                        voorziet of mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet
                        veiligheidsregio’s als opdracht aan het college is gegeven. In zo’n geval
                        gaat dat wettelijk voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met
                        andere woorden: de brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor
                        brandveiligheidsvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen
                        wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van de
                        brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek
                        plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing
                        zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse
                        praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                        tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al>Onderwerp van regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij
                        regelt de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is
                        geregeld. Dit is weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald
                        onderwerp. Bij het gebruiksvergunningensysteem van de
                        brandbeveiligingsverordening gaat het namelijk om objecten die geen
                        bouwwerken zijn: ‘niet-bouwwerken’. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met
                        de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                        tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen.</al><al>De omschrijving van de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van
                        doel, namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke
                        voorschriften) geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing
                        op de gehele omgeving. Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat
                        niet van tevoren duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels
                        maken. Veel objecten lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig
                        daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk van de specifieke
                        situatie.</al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk
                        geval het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de
                        Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de
                        bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het
                        Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het water meestal geen
                        bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                        de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                        hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch
                        kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig
                        op de zelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing),
                        terwijl diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een ‘niet-bouwwerk’
                        is, waarvoor op rond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden
                        gesteld. Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt
                        hieronder, mede aan de hand van staande jurisprudentie, een
                        toelichting.</al><al/><al>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                        brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                        voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                        standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                        terreinen en de staat waarin deze zich moeten bevinden. De beperking die de
                        Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open
                        erf en terrein.</al><al/><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de woningwet niet, de VNG houdt
                        in de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie
                        aan:</al><al>- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                        ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                        indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                        of op de grond, bedoeld om ter plaats te functioneren. Aan de hand van de
                        vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk:</al><al>1. constructie,</al><al>2. van enige omvang,</al><al>3. met de grond verbonden,</al><al>4. bedoeld om ter plaatse te functioneren wordt bepaald of een object een
                        bouwwerk is of niet. </al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                        zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot
                        de conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is
                        te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide
                        opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                        modelbouwverordening van de ‘Standaardregelingen in de bouw’ (Sdu uitgevers
                        bv, Den Haag).</al><al/><al>Open erf en terrein</al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening,
                        ook sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de
                        verordening. Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b van de Woningwet
                        zijn namelijk in de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en
                        het in gebruik nemen en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor
                        kunnen dus geen eisen worden gesteld op grond van de
                        brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van erf is overgenomen
                        uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is
                        getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15
                        september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het gehele
                        perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt.
                        Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of beheersverordening kan
                        voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van
                        een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in beginsel
                        uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang,
                        veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen
                        geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het perceel
                        onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met
                        bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                        een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                        hoofdgebouw.</al><al/><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                        perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin
                        van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                        voorwaarden zijn voldaan: </al><al>1) het is een perceel grond, </al><al>2) dat onbebouwd is, </al><al>3) dat bij een bouwwerk hoort en </al><al>4) dat geen erf is.</al><al/><al>Gebruiksvergunning voor een inrichting</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor
                        die situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                        aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet
                        gekozen voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die
                        situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan
                        in de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet
                        worden voldaan. Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de
                        directe werking van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de
                        vergunning of eisen van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk
                        begrensde plaats, voor zover die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen
                        voor één begrip: inrichting.</al><al/><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het
                        niet goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het
                        aanvragen van een vergunning vormvrij. Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen
                        voor de te stellen voorwaarden. Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot
                        bijvoorbeeld kunnen dezelfde brandveiligheidseisen worden gesteld als aan
                        een vast met de wal verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de
                        bouwverordening en de Woningwet).</al><al/><al>Wabo</al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden
                        dat er gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al>Dienstenrichtlijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                        Dienstenrichtlijn.</al><al/><al>Toezicht op naleving</al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust
                        krachtens artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en
                        wethouders opgedragen ambtenaren. De minister van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties wijst op grond van artikel 65 van de Wet
                        veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                        feiten.</al><al/><al>Bestuurlijke boete</al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                        indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke
                        boete wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel
                        3, tweede lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene
                        maatregel van bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet.</al><al>Het maximum bedrag van de boete mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd
                        in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid onder 1º. Het bedrag
                        dat daar is genoemd, bedraagt in 2009 € 9.000,--. De Wet veiligheidsregio’s
                        geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van deze sanctie, zodat de
                        gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al/><al>Strafbepaling</al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                        eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten
                        hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier
                        een sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op
                        dit gebied in de verordening zelf.</al><al/><al>Overgangsrecht</al><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat
                        het nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de
                        brandbeveiligingsverordening van voor 2008 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al>Intrekking regeling</al><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkintreding
                        van de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de
                        rechtsgrond: de Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt
                        volgens de in artikel 144 Gemeentewet genoemde wijze.</al><al/><al>Bekendmaking</al><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                        verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s
                        in werking kan treden. Dit kan: </al><al>a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                        gemeenteblad; </al><al>b. bij gebreke van een gemeenteblad, door ter inzage legging voor de tijd
                        van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het college
                        te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk
                        verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.</al><al/><al>Intrekking vergunning</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                        trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                        beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van
                        de verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke
                        gronden voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond
                        kent is er sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de
                        beschikking te geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te
                        trekken of te wijzigen mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af
                        van de omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan onjuistheid van de
                        beschikking.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>