<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR232750_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa's 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuidoosthoeker, Gezinsblad, Ter Apeler Courant/Kanaalstreek,Streekblad, Groninger Gezinsbode, HS krant, Veendammer, Eemsbode/Noorderkrant, Harener Weekblad, 12-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa's 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 110, 113, Waterwet, Hoofdstuk 7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1191</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belasting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa’s 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Hunze en Aa’s;</al><al>Op voordracht van het dagelijks bestuur van 8 oktober 2012;</al><al>Gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de
                        Waterwet;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de:</al><al>Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa’s 2013</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1</al><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                        aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de
                        bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien waarvan het
                        waterschap ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet is aangewezen als
                        beheerder, met uitzondering van de gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2
                        van de Waterwet zijn aangewezen als drogere oevergebieden;</al><al>b. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze verordening;</al><al>c. lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer
                        bij het waterschap;</al><al>d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
                        afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
                        blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                        gebruik te worden gegeven;</al><al>e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk
                        geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een
                        zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool</al><al>f. openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                        transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een
                        rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;</al><al>g. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                        afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een
                        rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van
                        stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende
                        werk voor het transport van stedelijk afvalwater;</al><al>h. stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met
                        bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander
                        afvalwater;</al><al>i. Hefpunt: openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip
                        Fryslân. Hefpunt verzorgt voor de deelnemers de heffing en invordering van
                        de waterschapslasten;</al><al>j. de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>k. de ambtenaar belast met de invordering: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel b, van de Waterschapswet;</al><al>l. watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                        van de Waterschapswet;</al><al>m. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet;</al><al>n. ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                        onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al><al>o. drinkwaterbedrijf: een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste
                        lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet;</al><al>p. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al><al/><al>Bijlagen</al><al>Artikel 2</al><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>1. Bijlage I: voorschriften onderzoek afvalwater;</al><al>2. Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel
                        122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al><al/><al>Belastbaar feit en heffingsplicht</al><al>Artikel 3</al><al>1. Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting geheven
                        ter zake van lozen.</al><al>2. Aan de heffing worden onderworpen:</al><al>a. ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte:
                        degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al><al>b. ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                        zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                        zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al><al>c. ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene die
                        loost.</al><al>3. Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><al>a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt
                        als gebruik door het door de ambtenaar belast met de heffing aangewezen lid
                        van dat huishouden;</al><al>b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het deel in gebruik heeft
                        gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing
                        als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                        gegeven;</al><al>c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor
                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de ruimte ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft
                        gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al><al>4. De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                        bekostiging van het beheer van het watersysteem door het waterschap.</al><al/><al>Vrijstellingen</al><al>Artikel 4</al><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><al>1. het lozen met behulp van een vuilwaterriool;</al><al>2. het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap
                        zelf;</al><al>3. het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch werk
                        anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen niet is
                        toegenomen.</al><al/><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</al><al>Artikel 5 </al><al>1. De heffing ter zake van bedrijfsruimten en van woonruimten als bedoeld in
                        de artikelen 14 en 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of,
                        zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>2. Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                        heffingsjaar aanvangt, is de heffing naar tijdsevenredigheid
                        verschuldigd.</al><al>3. Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                        heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op verlaging naar tijdsevenredigheid
                        van de verschuldigde heffing. Hiertoe kan de heffingsplichtige een aanvraag
                        tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al>4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                        heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                        aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt
                        geloosd.</al><al/><al>Heffingsjaar</al><al>Artikel 6</al><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al/><al/><al>Grondslag en heffingsmaatstaf</al><al/><al/><al>Algemeen</al><al>Artikel 7</al><al>1. Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                        en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        geloosd.</al><al>2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt
                        uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>3. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                        stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemische zuurstofverbruik
                        en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals
                        voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                        vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in
                        het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al><al>4. De stoffen zilver, chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen, cadmium,
                        kwik, chloride, fosfor en sulfaat worden niet aan de heffing
                        onderworpen.</al><al/><al>Meting, bemonstering en analyse</al><al>Artikel 8</al><al>1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                        wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen
                        gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                        achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                        ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 9.</al><al>3. De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><al>a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                        werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                        stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al><al>4. De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                        beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van het
                        heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het
                        gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of
                        wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van
                        de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al><al>5. De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a. kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking
                        van één of meer van de in Bijlage I opgenomen voorschriften, indien deze
                        aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                        het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>b. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en bemonstering
                        kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in Bijlage I opgenomen
                        voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken van
                        de in Bijlage I opgenomen analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                        hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>d. kan over de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere
                        voorschriften geven.</al><al>6. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                        vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                        beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. de voorschriften van Bijlage I waarvan wordt afgeweken;</al><al>b. de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>c. de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>7. De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer als gevolg van
                        het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                        bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al><al>8. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
                        veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde,
                        respectievelijk te lozen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het
                        vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in
                        het eerste lid en het derde lid.</al><al/><al/><al>Beperkte meting, bemonstering en analyse </al><al>Artikel 9</al><al>1. Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                        berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                        gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt
                        aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                        dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor
                        bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek
                        dienen te worden betrokken;</al><al>b. de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                        etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                        daarvan;</al><al>c. de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                        herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                        onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>2. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
                        veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde,
                        respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in
                        het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                        berekeningsvoorschrift IV van bijlage I, paragraaf 5 leidt tot een ander
                        aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                        tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al><al/><al/><al>Hoedanigheidscorrectie</al><al>Artikel 10</al><al>1. Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                        zuurstofverbruik bedoeld in artikel 7 in belangrijke mate is beïnvloed door
                        biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van
                        de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al><al>2. De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                        voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, paragraaf 5.</al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                        het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                        in elk geval:</al><al>a. de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b. de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                        van toepassing is;</al><al>c. de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                        bemonstering en analyse;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al/><al/><al>Tabel afvalwatercoëfficiënten</al><al>Artikel 11</al><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, kan het aantal
                        vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                        kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                        vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen
                        tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk
                        is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal
                        aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al><al>2. Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                        berekend volgens de formule a x b, waarbij</al><al>a = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of
                        het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>b = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II
                        opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><al>3. Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden
                        vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het
                        einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de
                        heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                        wijze.</al><al>4. De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                        bedoeld in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.5, vijfde lid, van de
                        Waterwet bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als
                        bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet.</al><al>5. Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                        onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met
                        toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere
                        uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van
                        artikel 8, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                        bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                        vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</al><al>Artikel 12</al><al>1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van
                        een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen
                        te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al><al>2. De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                        vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van
                        een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                        vervuilingseenheden.</al><al>3. Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                        lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van
                        een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat
                        kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel
                        voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                        aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al><al>4. Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                        bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder dan
                        vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                        minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.</al><al/><al/><al>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al>Artikel 13</al><al>1. De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van
                        de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 8
                        tot en met 12, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</al><al>Artikel 14</al><al>1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk
                        voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                        vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                        dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op
                        één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                        gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>2. Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                        vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                        vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                        aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van
                        het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van
                        het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al><al/><al/><al>Vervuilingswaarde van woonruimten</al><al>Artikel 15</al><al>1. De vervuilingswaarde van een woonruimte is drie vervuilingseenheden
                        indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de
                        heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van
                        de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor een
                        woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt, wordt de
                        vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                        bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                        bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                        bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan
                        wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al><al/><al/><al>Schatting</al><al>Artikel 16</al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><al>a. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                        overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>b. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, eerste of vijfde lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, of 15,
                        eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>c. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige
                        gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is
                        gedaan:</al><al>d. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                        artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al><al/><al/><al>Tarief</al><al>Artikel 17</al><al>Het tarief bedraagt € 72,47 per vervuilingseenheid.</al><al/><al/><al>Wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al>Artikel 18</al><al>1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al><al>2. Op één aanslagbiljet kunnen meerdere aanslagen worden verenigd, de
                        zogenaamde integrale aanslag.</al><al>3. De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                        aanslagbiljet.</al><al>4. Het bedrag, vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete is
                        invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al>5. In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt dat als de
                        verschuldigde aanslag bedragen door middel van automatische incasso kunnen
                        worden afgeschreven, de aanslag moet worden betaald in tien gelijke
                        termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het
                        aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>6. Belastingbedragen van € 10,- of minder worden niet geheven. Hierbij wordt
                        het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                        aangemerkt als één belastingbedrag.</al><al/><al>Kwijtschelding voor woonruimten</al><al>Artikel 19</al><al>Er wordt geen kwijtschelding wordt verleend, met uitzondering van de heffing
                        ter zake van woonruimten.</al><al>Bij het verlenen van kwijtschelding worden voor de berekening van de kosten
                        van bestaan de percentages, vermeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling
                        Invorderingswet 1990, gesteld op 100. </al><al/><al/><al>Nadere regels</al><al>Artikel 20</al><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering.</al><al/><al/><al>Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Artikel 21</al><al>1. De Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa’s 2012 vastgesteld bij
                        besluit van 16 november 2011 wordt ingetrokken met ingang van de in het
                        derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat
                        zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum
                        hebben voorgedaan.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                        van de bekendmaking.</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al><al>4. De verordening wordt aangehaald als Verordening verontreinigingsheffing
                        Hunze &amp; Aa’s 2013.</al><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van Hunze en
                        Aa’s, gehouden op 21 november 2012 te Veendam.</ondertekening><ondertekening>Alfred van Hall, dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, secretaris-directeur </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting op de Verordening verontreinigingsheffing Hunze en Aa’s
                    2013</al><al/><al/><al>A. ALGEMEEN.</al><al/><al/><al>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing.</al><al/><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, tweede
                    lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de
                    opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november
                    1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing “oude stijl” diende ter
                    financiering van alle activiteiten in het kader van het waterkwaliteitsbeheer.
                    Zowel de kosten voor het actieve beheer (transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en baggeren uit
                    waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer (vergunningverlening,
                    toezicht en controle, handhaving, waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee
                    bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009 worden
                    de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater gedekt
                    uit de opbrengst van de zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt
                    horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem, waar ook de zorg voor de
                    waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend. De zorg voor het
                    watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing. Voor
                    directe lozingen op oppervlaktewater bleef de verontreinigingsheffing wel
                    bestaan. De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. Die praktijk vindt ook na 2009 toepassing, zij het dat de
                    wettelijke basis voor de belasting zoals gezegd in de Waterwet is geregeld. De
                    essentialia van de belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote
                    overeenkomst met de zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide
                    belastingen is dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van
                    stoffen op de riolering of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de
                    verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde stoffen
                    gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader verklaart
                    de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de zuiveringsheffing in de
                    Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor de verontreinigingsheffing.
                    Daarom wordt in deze toelichting ook op een aantal plaatsen verwezen naar
                    bepalingen in de Waterschapswet in plaats van de Waterwet.</al><al/><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                    alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                    zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te doen,
                    heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten van
                    het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het karakter
                    van een bestemmingsheffing behouden. </al><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet overgenomen.
                    Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook achterwege hadden
                    kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen. Een belastingplichtige
                    moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder welke voorwaarden zijn
                    materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de belastingverordening voor het
                    waterschap in feite de functie van belastingwet heeft, is er een aantal jaren
                    geleden al voor gekozen om van verordeningen steeds een “aangeklede” versie
                    maken.</al><al/><al/><al>B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al>Considerans</al><al/><al>Bevoegdheid algemeen bestuur</al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                    ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de Waterschapswet.
                    In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het waterschap de
                    bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te heffen. De Waterwet is
                    een dergelijke bijzondere wet. </al><al><vet>Artikel 1</vet>, begripsbepalingen</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                    Waterwet.</al><al>Onderdeel <vet>a</vet></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                    oppervlaktewaterlichaam. De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel
                    (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr. 3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88
                    staat: “Onder de begripsomschrijving vallen aldus de watereenheden waarop de
                    jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het begrip oppervlaktewater uit de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren – dat in die wet overigens niet is
                    gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt ook aangegeven dat de
                    definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water niet geschikt is om
                    in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip
                    oppervlaktewater de nodige invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf
                    de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al>‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan louter
                    incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende
                    watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten
                    behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende
                    organismen en een niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het
                    een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                    overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft
                    ontwikkeld.’</al><al>Voorbeelden van jurisprudentie zijn: </al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al><al>Onderdeel <vet>b</vet></al><al>Het waterschap Hunze en Aa’s heeft besloten om de stoffen zilver, chroom, koper,
                    lood, nikkel, zink, arseen, cadmium, kwik, chloride, fosfor en sulfaat niet aan
                    de heffing te onderwerpen. Het gaat hier dus alleen om het afvoeren van
                    zuurstofbindende stoffen.</al><al/><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al>Onderdeel <vet>c</vet></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                    gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap. </al><al>Onderdeel <vet>d</vet></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al>Onderdeel <vet>e</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk
                    is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo wordt bijvoorbeeld ook een
                    stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s-Gravenhage 17 maart
                    1993, Belastingblad 1993, blz. 457).</al><al>Onderdeel <vet>f</vet></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust. </al><al>Onderdeel <vet>g</vet></al><al>De definitie van een zuiveringstechnisch werk komt in belangrijke mate overeen
                    met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel
                    een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door
                    exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking
                    heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel
                    3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een
                    waterschap of eventueel een gemeente. Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties
                    vallen ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte
                    afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de
                    definitie. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge
                    Raad dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen
                    (zie onderdeel f, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><al>Onderdeel <vet>h</vet></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid,
                    van de Wet milieubeheer.</al><al>Onderdeel <vet>i</vet></al><al>Hefpunt is het samenwerkingsverband op het gebied van waterschapsbelastingen
                    voor de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân.
                    Vestigingsplaats is Groningen. Uitgangspunt is een zo doelmatig mogelijke
                    uitvoering van de heffing en invordering van de waterschapsbelastingen. In
                    (Bijlage 1 van) de gemeenschappelijke regeling Hefpunt is een groot aantal
                    wettelijke bevoegdheden betreffende waterschapsbelastingen overgedragen aan
                    Hefpunt. In dit verband zijn de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    aangewezen heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in de onderdelen j en k
                    als zodanig ook voor het waterschap Hunze en Aa’s van belang.</al><al>Onderdeel <vet>j</vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing</al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap, i.c. van
                    Hefpunt. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    te nemen aanwijzingsbesluit.</al><al>Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften
                    komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het
                    afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 8 en verder).</al><al>Onderdeel <vet>k</vet></al><al>De ambtenaar belast met de invordering. </al><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet
                    1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term ‘de ambtenaar belast met de
                    invordering’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot
                    de invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van
                    belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in
                    artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de ambtenaar belast
                    met de heffing het geval is, kan in geval samenwerking door waterschappen in een
                    gemeenschappelijke regeling en indien hierbij een openbaar lichaam is ingesteld,
                    een ambtenaar van dit openbaar lichaam, i.c. Hefpunt als ambtenaar belast met de
                    invordering worden aangewezen. Dit volgt uit artikel 124, vijfde lid, onder b,
                    van de Waterschapswet. </al><al>Onderdeel <vet>l</vet></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                    watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is
                    voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing
                    blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt ten goede aan de
                    bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel 7.2, vijfde lid, van de
                    Waterwet). </al><al>Onderdeel <vet>m</vet></al><al>Hoewel de Drinkwaterwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet hier
                    in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke consumptie
                    geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van
                    stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van kleding vallen
                    hier onder.</al><al>Onderdeel <vet>n</vet></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al/><al>Onderdeel <vet>o</vet></al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas. </al><al><vet>Artikel 2</vet>, bijlagen</al><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van
                    de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels.
                    Die regels zijn opgenomen in Bijlage I. Zie in dit verband ook de artikelen 8, 9
                    en 10 van de verordening.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                    betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                    toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 11. </al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening (zie hiervoor:
                        www.hunzeenaas.nl/Regelgeving/Verordeningen)(<extref doc="http://www.hunzeenaas.nl" struct="INTERNET"/>).</al><al><vet>Artikel 3</vet>, belastbaar feit en heffingsplicht</al><al>Eerste lid</al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit
                    het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing
                    die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap.
                    De vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het
                    oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                    oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt
                    geloosd op oppervlaktewater (zie Bijlage 1, paragraaf 5). In dat geval wordt
                    voor de berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde
                    vervuiling in aanmerking genomen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart
                    1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                    wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende regeling (zie
                    ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                    is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de ‘richtige
                    heffing’ in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al>Tweede lid</al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam lozen.
                    Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                    omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                    object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als
                    willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag
                    kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor
                    de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    ledenwaterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326).</al><al>Onderdeel <vet>a</vet></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><al>Onderdeel <vet>b</vet></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                    heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                    lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en
                    het transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><al>Onderdeel <vet>c</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen
                    van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of
                    een zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al>Derde lid</al><al>Onderdeel <vet>a</vet></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al>Onderdeel <vet>b</vet></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                    dergelijke.</al><al>Onderdeel <vet>c</vet></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al>Vierde lid</al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                    vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het
                    watersysteem.</al><al><vet>Artikel 4</vet>, vrijstellingen</al><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><al>Lid 1</al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd,
                    blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet
                    is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw
                    geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de tekst verdwenen zonder
                    dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met
                    deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al>Lid 2</al><al>Een lozing vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf op een
                    “eigen” oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing.</al><al>Lid 3</al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan
                    bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde
                    waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale
                    zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al><al><vet>Artikel 5</vet>, ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</al><al>Eerste lid</al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Uit jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                    definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de verordening in
                    een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>1. een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al><al>2. een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 5, derde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet artikel 14,
                    tweede lid);</al><al>3. een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor kleine
                    bedrijfsruimten in artikel 14, tweede lid. Voor woonruimten is dit niet van
                    toepassing omdat ingevolge artikel 15, eerste lid geen rekening wordt gehouden
                    met wijzigingen in de gezinssamenstelling in de loop van het heffingsjaar).</al><al>Indien in de verordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een waterschap in
                    het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene
                    wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid.
                    De verontreinigingsheffing is echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat
                    wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele heffingstijdvak
                    voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de
                    verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt
                    dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze
                    verordening is gekozen voor de dagnauwkeurige variant.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens naar
                    tijdsevenredigheid verschuldigd. </al><al>Wanneer na het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige voldoende gewaarborgd. Het staat het waterschap ook vrij om,
                    op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te
                    verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al>Vierde lid</al><al>Het vierde lid regelt dat wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere
                    woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd, zowel het tweede als het derde
                    lid niet van toepassing zijn. Dit zou anders resulteren in een vermindering van
                    een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en
                    een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. De aanslag verhuist dan als het ware
                    mee. Bij een dergelijke verhuizing wordt geen rekening gehouden met wijzigingen
                    in de gezinssamenstelling (ook zonder verhuizing wordt daarmee ingevolge artikel
                    15, eerste lid immers geen rekening gehouden).</al><al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is de
                    zuiveringsheffing verschuldigd. </al><al><vet>Artikel 6</vet>, heffingsjaar</al><al>In artikel 6 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><al/><al><vet>Grondslag en heffingsmaatstaf</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7</vet>, algemeen</al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten
                    aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof
                    per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al><vet>Artikel 8</vet>, meting, bemonstering en analyse</al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten of vanuit bedrijfsruimten, maar
                    ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere
                    wijze.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><al>1. algemene onderzoeksvoorschriften en definities;</al><al>2. meting van afvalwater;</al><al>3. bemonstering van afvalwater;</al><al>4. behandeling van monsters (voorheen bijlage 1, onderdeel A en B);</al><al>5. berekeningsvoorschriften (voorheen bijlage 1, onderdeel C);</al><al>6. rapportage;</al><al>7. bijzondere situaties.</al><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige. Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig
                    mogelijk wordt vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te
                    ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding
                    tot de verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626).
                    Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 9.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><al>Vierde lid</al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de heffing.
                    Ook ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het heffingsjaar valt
                    onder de meldingsplicht.</al><al>Vijfde lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>1. ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                    voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>2. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>3. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al>Zesde lid</al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al>Zevende lid</al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al>Achtste lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al><vet>Artikel 9</vet>, beperkte meting, bemonstering en analyse</al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen. In dit kader is tevens van belang
                    de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de
                    vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van
                    augustus 1998. </al><al><vet>Artikel 10</vet>, hoedanigheidscorrectie</al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid. Voor
                    de aanvraagwijze, onderzoeksmethode en frequentie voor aantonen van het
                    percentage T wordt verwezen naar de beleidsregel “Handreiking toepassing
                    hoedanigheidscorrectie afvalwater”.</al><al>Artikel 10, voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtige (zie ook Bijlage
                    I).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al><al><vet>Artikel 11</vet>, tabel afvalwatercoëfficiënten </al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien
                    klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Eerste lid</al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1. de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt
                    tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>2. er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Derde lid </al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke
                    gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het
                    kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het
                    waterschap.</al><al>Vierde lid</al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. </al><al>Vijfde lid</al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al><vet>Artikel 12</vet>, vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</al><al>Op basis van artikel 12 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al><vet>Artikel 13</vet>, totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al>Eerste lid</al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 8 tot en met 12
                    berekend aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><al>1. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>2. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>3. voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is.</al><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt bijvoorbeeld de waarde
                    20,49 v.e. uiteindelijk op het aanslagbiljet 20,4 v.e.</al><al><vet>Artikel 14</vet>, vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</al><al>Eerste lid</al><al/><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al>Tweede lid</al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                    artikel 5, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder is
                    bij beëindiging van de heffingsplicht, kan echter blijken dat de
                    vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet
                    de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of
                    vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                    vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De ontheffing of vermindering kan door de
                    ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al><vet>Artikel 15</vet>, vervuilingswaarde van woonruimten</al><al>Eerste lid</al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Voor het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden wordt uitgegaan van het
                    aantal bewoners bij aanvang van de heffingsplicht (zgn. peildatum). Met een
                    afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in de loop van het
                    heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de aanslag bij een
                    toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de wetsgeschiedenis
                    van de wijziging van de (toenmalige) Wet verontreiniging oppervlaktewateren per
                    1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het hanteren van een dergelijke
                    peildatum is toegestaan (wetsontwerp 20 435, Memorie van antwoord, blz. 9). </al><al>Tweede lid</al><al>Voor woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op
                    een voor recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt
                    geëxploiteerd, geldt dat zij samen met de andere voorzieningen op dat terrein
                    worden aangemerkt als één bedrijfsruimte. De exploitant van het terrein is dan
                    de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37
                    361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor
                    de heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel
                    van de onroerende zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al><vet>Artikel 16</vet>, schatting</al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                    onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde
                    kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse
                    of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de
                    in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objecten
                    waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor
                    de hoofdregel van artikel 8 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                    toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al><vet>Artikel 17</vet>, tarief</al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al><vet>Artikel 18</vet>, wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. De opgenomen mogelijkheden zien
                    toe op de betalingswijzen en betalingstermijnen. </al><al>Eerste lid</al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. Dit
                    betekent dat het waterschap eerst zelf een aanslag moet opleggen aan de
                    heffingsplichtige. Voor aanslag kan worden gelezen: de schriftelijke
                    kennisgeving.</al><al>Tweede lid</al><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk meerdere aanslagen op één
                    aanslagbiljet te verenigen. Vooral dient hierbij te worden gedacht aan de
                    combinatie van de verontreinigings- en/of zuiveringsheffing en de
                    watersysteemheffing ingezetenen, gebouwd en/of ongebouwd.</al><al>Derde lid</al><al>Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de AWB in werking getreden. Hierbij is
                    bepaald dat voor bestuurrechtelijke geldschulden in beginsel een betaaltermijn
                    van zes weken geldt (art. 4:87 AWB). Deze regeling is in de plaats gekomen voor
                    de regeling die voorheen in artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                    was opgenomen (betaaltermijn van twee maanden). In beide gevallen mag en mocht
                    bij wettelijk voorschrift van deze regelingen worden afgeweken. In het derde lid
                    van de verordening is geregeld, dat in afwijking van de wettelijke regeling, een
                    belastingaanslag betaald moet worden twee maanden na de dagtekening van het
                    aanslagbiljet. </al><al>Vierde lid</al><al>Het bedrag van een opgelegde bestuurlijke boete is invorderbaar twee maanden na
                    de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al>Vijfde lid</al><al>Het vijfde lid van artikel 18 behelst een aparte regeling voor gevallen waarin
                    de belastingplichtige een machtiging tot automatisch incasso aan het waterschap
                    heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de belastingplichtige een ruimer
                    aantal betaaltermijnen worden gegund. </al><al>Zesde lid</al><al>Deze bepaling is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet is
                    bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de
                    belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt opgelegd.
                    Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat
                    aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden opgelegd. De kosten
                    van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting in deze gevallen
                    immers als snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Indien het waterschap de voor de
                    belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt eerder boven
                    de genoemde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een (integrale)
                    aanslag worden opgelegd. </al><al><vet>Artikel 19</vet>, kwijtschelding</al><al>In bepaalde gevallen kan een heffingsplichtige in aanmerking komen voor gehele
                    of gedeeltelijke kwijtschelding van de woningaanslag verontreinigingsheffing.
                    Het waterschap hanteert hierbij een kwijtscheldingsnorm van 100%.</al><al><vet>Artikel 20</vet>, nadere regels</al><al>Artikel 20 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking
                    tot de heffing en de invordering van de verontreinigingsheffing.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 aan de Minister van Financiën zijn
                    toebedeeld, vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                    waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                    Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen
                    bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten
                    aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>1. de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>2. de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>3. het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Daarnaast heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de Algemene
                    wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen. Artikel
                    10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of in het
                    algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde
                    bevoegdheid. </al><al><vet>Artikel 21</vet>, inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Eerste lid</al><al>De oude verordeningen blijven gelden voor de belastbare feiten die zich voor die
                    datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden
                    opgelegd op basis van een oude verordening.</al><al>Tweede lid</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                    belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73 geschiedt
                    bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                    geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch worden uitgegeven.
                    Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de bekendmaking door
                    terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de secretarie van het
                    waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats en
                    door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel
                    74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van één en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie ook de toelichting op het derde lid van dit artikel.</al><al>Derde lid</al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is één van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar is niet beslist noodzakelijk, omdat bij gebreke daarvan die verordening
                    automatisch in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><al>Vierde lid</al><al>Als gevolg van het vierde lid van artikel 21 wordt de verordening voorzien van
                    een citeertitel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>