<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR232491_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa's 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuidoosthoeker, Gezinsblad, Ter Apeler Courant/Kanaalstreek, Streekblad, Groninger Gezinsbode, HS krant, Veendammer, Eemsbode/Noorderkrant, Harener Weekblad, 12-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa's 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1191</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belasting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Hunze en Aa’s;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur d.d. 8 oktober 2012;</al><al>gelet op de artikelen 110 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 6.2 van het Waterschapsbesluit;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de:</al><al>Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2013</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Begripsbepalingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze verordening;</al><al>b. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                        afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al><al>c. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het
                        transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al><al>d. afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                        zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al><al>e. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
                        afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
                        blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                        gebruik te worden gegeven;</al><al>f. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk
                        geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een
                        zuiveringtechnisch werk of een riolering;</al><al>g. Hefpunt: openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip
                        Fryslân. Hefpunt verzorgt voor de deelnemers de heffing en invordering van
                        de waterschapslasten;</al><al>h. de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>i. de ambtenaar belast met de invordering: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel b, van de Waterschapswet;</al><al>j. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de
                        Drinkwaterwet;</al><al>k. ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                        onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al><al>l. drinkwaterbedrijf: een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste
                        lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet;</al><al>m. afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet;</al><al>n. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Bijlagen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>1. Bijlage I: voorschriften onderzoek afvalwater;</al><al>2. Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel
                        122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Belastbaar</label><titel>feit en heffingsplicht</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                            taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                            zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                            indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                            waterschap. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><al>a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte:
                            degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al><al>b. ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                            afvoert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al><al>a. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                            huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing is
                            aangewezen;</al><al>b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                            bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik
                            heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik
                            heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van
                            een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking
                            heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter
                            beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen
                            op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                            bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                            beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                            onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><al>a.aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van
                            het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het
                            zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die
                            maatregelen zijn gehouden;</al><al>b. aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot behoud
                            van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van
                            het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vrijstellingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Ontstaan</label><titel>van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van bedrijfsruimten en van woonruimten als bedoeld
                            in de artikelen 14 en 15 is verschuldigd bij het begin van het
                            heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                            heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van
                            het heffingsjaar aanvangt, is de heffing naar tijdsevenredigheid
                            verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van
                            het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op verlaging naar
                            tijdsevenredigheid van de verschuldigde heffing. Hiertoe kan de
                            heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar
                            belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            gebruiker van een woonruimte binnen het gebied van het waterschap
                            verhuist en daarbij weer het gebruik krijgt van een woonruimte van
                            waaruit eveneens wordt geloosd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Heffingsjaar</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Grondslag</label><titel>en heffingsmaatstaf</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Algemeen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De stoffen zilver, chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen, cadmium,
                            kwik, chloride, fosfor en sulfaat worden niet aan heffing
                            onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Meting,</label><titel>bemonstering en analyse</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            9.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><al>a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                            werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                            stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                            bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van
                            het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a. kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                            afwijking van één of meer van de in Bijlage I opgenomen voorschriften
                            indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan
                            het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>b. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                            bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in
                            Bijlage I opgenomen voorschriften, indien de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het
                            derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken
                            van de in Bijlage I opgenomen analysevoorschriften, indien de
                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de
                            uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>d. kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c
                            nadere voorschriften geven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                            Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. de voorschriften van Bijlage I waarvan wordt afgeweken;</al><al>b. de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>c. de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                            vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Beperkte</label><titel>meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen
                            bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                            geval:</al><al>a. een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                            onderzoek dienen te worden betrokken;</al><al>b. de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                            etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                            daarvan;</al><al>c. de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                            worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar
                            bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van paragraaf
                            5 van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Hoedanigheidscorrectie</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 7 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in paragraaf 5 van bijlage I.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                            het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                            bevat in elk geval:</al><al>a. de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b. de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de</al><al>correctie van toepassing is;</al><al>c. de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                            bemonstering en analyse;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Tabel</label><titel>afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, kan het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                            vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening
                            opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                            hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                            berekend volgens de formule a x b, waarbij:</al><al>a. = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                            of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>b. = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                            II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde
                            met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                            bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                            water is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                            worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het begin
                            en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                            belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te
                            stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                            bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene
                            maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                            Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                            zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                            met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen
                            lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de
                            voet van artikel 10, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de
                            heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                            heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met
                            toepassing van de tabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van tuinbouwkassen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                            uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand
                            van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                            lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel
                            van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                            in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                            dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid
                            bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder
                            dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van
                            één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid
                            gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Totale</label><titel>vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel13</label></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 8 tot
                        en met 12, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van kleine bedrijfsruimte</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                            afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                            minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                            vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                            gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast
                            met de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vervuilingswaarde</label><titel>van woonruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte is drie vervuilingseenheden
                            indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de
                            heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang
                            van de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor
                            een woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt,
                            wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Schatting</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><al>1. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                        overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>2. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, eerste of vijfde lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, of 15
                        eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>3. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige
                        gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is
                        gedaan:</al><al>4. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                        artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Tarief</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>Het tarief bedraagt € 72,47 per vervuilingseenheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Wijze</label><titel>van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op één aanslagbiljet kunnen soorten aanslagen worden verenigd, de
                            zogenaamde integrale aanslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                            aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag, vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete is
                            invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt dat als de
                            verschuldigde aanslag bedragen door middel van automatische incasso
                            kunnen worden afgeschreven, de aanslag moet worden betaald in tien
                            gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening
                            van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                            later.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Belastingbedragen van € 10,- of minder worden niet geheven. Hierbij
                            wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde
                            bedragen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Kwijtschelding</label><titel>voor woonruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><lijst><li nr=""><al>1. Er wordt geen kwijtschelding verleend, met uitzondering van de
                                heffing ter zake van woonruimten.</al><al>2. Bij het verlenen van kwijtschelding worden voor de berekening van
                                de kosten van bestaande percentages, vermeld in artikel 16 van de
                                Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, gesteld op 100.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Nadere</label><titel>regels</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering. </al></artikel><artikel><kop><label>Inwerkingtreding</label><titel>en citeertitel</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><lijst><li nr=""><al>1. De Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2012, vastgesteld
                                bij besluit van 16 november 2011 wordt ingetrokken met ingang van de
                                in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                                zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2. De verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al><al>4. De verordening wordt aangehaald als Verordening zuiveringsheffing
                                Hunze en Aa’s 2013.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van Hunze en
                        Aa’s, gehouden op 21 november 2012 te Veendam.</ondertekening><ondertekening>Alfred van Hall, dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, secretaris-directeur</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s
                        2013</titel></kop><al/><divisie><kop><label>A</label><titel>ALGEMEEN</titel></kop><al><vet>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</vet></al><al>De financiering van de behartiging van de taak inzake het zuiveren van
                        afvalwater gebeurt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de
                        bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                        Waterschapswet.</al><al>De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van
                        kosten).</al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                        afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg
                        voor de beheersing van het oppervlaktewater ondergebracht in de zorg voor
                        het watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                        watersysteemheffing. </al><al>Ook het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                        waterkwaliteitsoogpunt horen tot de zorg voor het watersysteem. Voor directe
                        lozingen op oppervlaktewater blijft de verontreinigingsheffing bestaan. De
                        opbrengst komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                        watersysteem. De wettelijke basis voor de belasting is in de Waterwet
                        geregeld. De essentialia van de belasting zijn niet veranderd en zij
                        vertonen grote overeenkomst met de zuiveringsheffing. Het kenmerkende
                        verschil tussen de beide belastingen is dat de zuiveringsheffing wordt
                        geheven voor het afvoeren van stoffen op de riolering of een
                        zuiveringstechnisch werk, terwijl de verontreinigingsheffing is verschuldigd
                        voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. </al></divisie><divisie><kop><label>B</label><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Considerans</vet></al><al><onderstreept>Bevoegdheid algemeen bestuur</onderstreept></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                        belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                        Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de
                        belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al><onderstreept>Wettelijke grondslag</onderstreept></al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de
                        zuiveringsheffing ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn
                        in hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels
                        gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1,</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                        begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                        begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij
                        de begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Waterschap Hunze en Aa’s heeft besloten om de stoffen zilver, chroom, koper,
                        lood, nikkel, zink, arseen, cadmium, kwik, chloride, fosfor en sulfaat niet
                        aan de heffing te onderwerpen. Het gaat hier dus alleen om het lozen van
                        zuurstofbindende stoffen.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig
                        is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van
                        het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijke rioolstelsel zoals dat
                        wordt bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor
                        het zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                        afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                        vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve
                        van het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van
                        afvalwater (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De
                        gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b,
                        waarbij het begrip riolering is gedefinieerd).</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                        zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                        elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte
                        wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                        woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                        ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                        om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan
                        bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                        die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                        gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                        kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in
                        onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan
                        niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie
                        hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                        Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                        1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                        168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit
                        het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                        woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz.
                        479).</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                        negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                        geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden
                        aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een
                        bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s-Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad
                        1993, blz. 457). </al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>Hefpunt is het samenwerkingsverband op het gebied van waterschapsbelastingen
                        voor de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân.
                        Vestigingsplaats is Groningen. Uitgangspunt is een zo doelmatig mogelijke
                        uitvoering van de heffing en invordering van de waterschapsbelastingen. In
                        (Bijlage 1 van) de gemeenschappelijke regeling Hefpunt is een groot aantal
                        wettelijke bevoegdheden betreffende waterschapsbelastingen overgedragen aan
                        Hefpunt. In dit verband zijn de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                        aangewezen heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in de onderdelen h en
                        i als zodanig ook voor waterschap Hunze en Aa’s van belang.</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                        aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd.
                        In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen
                        door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de
                        inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap,
                        in casu van Hefpunt. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks
                        bestuur van Hefpunt te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van
                        aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze
                        verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van
                        meetbeschikkingen toe (artikel 8 en verder).</al><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de
                        Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening de ambtenaar belast
                        met de invordering genoemd. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                        bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                        kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                        noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten
                        aanzien van de heffingsambtenaar het geval is, kan in geval samenwerking
                        door waterschappen in een gemeenschappelijke regeling en indien hierbij een
                        openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van dit openbaar lichaam, in
                        casu Hefpunt als ambtenaar belast met de invordering worden aangewezen. Dit
                        volgt uit artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. </al><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Hoewel de Drinkwaterwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet
                        hier in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke
                        consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                        afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen
                        van kleding vallen hier onder. </al><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                        wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                        hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het
                        eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                        artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te
                        voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel
                        uitmaken van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische
                        energie, warmte of aardgas.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2,</nr><titel>bijlagen</titel></kop><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en
                        de hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf
                        geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g
                        van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden
                        wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en
                        analyse verkregen gegevens.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting,
                        bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 8,
                        9 en 10 van de verordening.</al><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                        uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                        woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                        een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens
                        in deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder
                        voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden
                        met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van
                        meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k,
                        derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage
                        II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel
                        11. </al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening (zie hiervoor:
                            www.hunzeenaas.nl/Regelgeving/Verordeningen)(<extref doc="http://www.hunzeenaas.nl" struct="INTERNET"/>)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3,</nr><titel>belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten
                        die zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is
                        daarmee primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. </al><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct
                        of indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer
                        bij het waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het
                        niet vereist dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch
                        daadwerkelijk bij het waterschap berust. Dit is vooral van belang in
                        situaties waar sprake is van zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het
                        afvalwater ontstaat in het gebied van het ene waterschap en wordt afgevoerd
                        naar een zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap. In een dergelijk
                        geval is het ontvangende waterschap bevoegd om degene die de stoffen heeft
                        afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan de situatie
                        ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden opgelegd door
                        verschillende waterschappen.</al><al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                        medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen, waarin onder
                        andere de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het
                        waterschap waar het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het
                        ontvangende zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad
                        11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                        noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                        heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op
                        verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de
                        belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object van
                        waaruit wordt afgevoerd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                        gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat
                        de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels
                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan
                        worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze
                        kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van
                        dergelijke beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de
                        gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot
                        vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit
                        onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van
                        de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr.
                        951476 (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een
                        bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing
                        onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een
                        gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat de
                        belastingen, waar onder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de
                        verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de
                        gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst
                        zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                        bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                        aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel
                        3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge
                        Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8
                        februari 1995, BNB 1995/92). In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge
                        Raad dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening
                        slechts kan worden aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer
                        duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen (BNB 1991/188,
                        Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                        gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                        wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                        verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                        plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al><al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, lid 2 onder b van de
                        Waterschapswet en welke is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel)
                        afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon
                        worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het achterhalen van de
                        identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd mogelijk te zijn,
                        evenals het vaststellen van individuele vervuilingswaarden indien de stoffen
                        van meer dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling
                        soelaas, omdat degene die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto
                        dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                        tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen
                        van afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt
                        ook het afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze
                        bepaling. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                        gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van
                        de aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond
                        waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                        beleidsregels.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                        aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in
                        gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                        dergelijke.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                        perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt
                        gesteld, kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen
                        aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het
                        zuiveringstechnisch werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke
                        riolering. Dit vierde lid voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de
                        gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd in de heffing
                        wordt betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig voor zover het
                        gaat om het afvoeren vanuit objecten waarvan de gemeente als gebruiker kan
                        worden aangemerkt.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing aan wordt
                        besteed.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Het waterschap heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om het
                        afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van
                        de zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet geen specifieke
                        vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan
                        een dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel
                        122l van de Waterschapswet. Dit artikel wordt ingevoerd door middel van de
                        nog in procedure zijnde wijziging van de Waterschapswet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5,</nr><titel>ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten
                        en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in
                        het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als
                        voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                        (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden
                        tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                        zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar
                        op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                        heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                        belastingrechter. Uit jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                        definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de verordening
                        in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>1. een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                        begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al><al>2. een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                        heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                        geregeld in artikel 5, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten
                        voorziet artikel 14, tweede lid, daar in);</al><al>3. een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                        heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor kleine
                        bedrijfsruimten is dit geregeld in artikel 14, tweede lid. Voor woonruimten
                        is dit niet van toepassing omdat ingevolge artikel 15, eerste lid geen
                        rekening wordt gehouden met wijzigingen in de gezinssamenstelling in de loop
                        van het heffingsjaar).</al><al>Indien in de verordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een waterschap
                        in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                        vervuilingseenheid (artikel 15, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter
                        een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet
                        gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de
                        berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122 h, zesde
                        lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop
                        van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen
                        voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden.
                        In de verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel
                        wordt vastgesteld. In deze verordening is gekozen voor de dagnauwkeurige
                        variant.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing
                        op grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor
                        een evenredig deel verschuldigd. Wanneer ná het opleggen van de aanslag de
                        heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, is de ambtenaar belast met
                        de heffing niet in de gelegenheid geweest om daar bij het vaststellen van de
                        aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan
                        op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de
                        aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor
                        bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in
                        voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze
                        procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige
                        voldoende gewaarborgd. Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van
                        eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen
                        zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid regelt dat wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een
                        andere woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd, zowel het tweede als
                        het derde lid niet van toepassing zijn. Dit zou anders resulteren in een
                        vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag
                        voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Dit wordt
                        met het vierde lid voorkomen. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Bij
                        een dergelijke verhuizing wordt geen rekening gehouden met wijzigingen in de
                        gezinssamenstelling (ook zonder verhuizing wordt daarmee ingevolge artikel
                        15, eerste lid immers geen rekening gehouden).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6,</nr><titel>heffingsjaar</titel></kop><al>In artikel 6 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
                        Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de
                        verordening niet meer mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><label>Grondslag</label><titel>en heffingsmaatstaf</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7,</nr><titel>algemeen</titel></kop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor
                        één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus
                        zowel voor de zuurstofbindende stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de
                        stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8
                        kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één
                        vervuilingseenheid.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig
                        is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van
                        het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8,</nr><titel>meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                        vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                        alleen ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake
                        van het afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                        aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                        analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><al>1. algemene onderzoeksvoorschriften en definities;</al><al>2. meting van afvalwater;</al><al>3. bemonstering van afvalwater;</al><al>4. behandeling van monsters (voorheen bijlage 1, onderdeel A en B);</al><al>5. berekeningsvoorschriften (voorheen bijlage 1, onderdeel C);</al><al>6. rapportage;</al><al>7. bijzondere situaties.</al><al>De kosten van een onderzoek zijn voor rekening van de heffingsplichtige. Het
                        spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                        vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                        oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                        verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan
                        is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                        heffing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                        vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                        omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 9.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering
                        aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I
                        zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                        voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                        omstandigheden worden afgeweken. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de
                        te gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                        heffing. Ook ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het
                        heffingsjaar valt onder de meldingsplicht.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                        Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>1. ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                        voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>2. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                        ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>3. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                        de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                        beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                        genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                        open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                        maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in
                        die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer
                        de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking
                        onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                        vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in
                        dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die
                        schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval
                        dient te bevatten.</al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf
                        of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                        geschrift combineren.</al><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                        wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige
                        nodig. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9,</nr><titel>beperkte meting en bemonstering</titel></kop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                        etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen
                        aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een
                        lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.
                        De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere
                        frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                        ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze
                        aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                        volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet
                        kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                        vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking
                        tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen. In dit kader is tevens
                        van belang de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter
                        vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie
                        Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10,</nr><titel>hoedanigheidscorrectie</titel></kop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst
                        ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk
                        milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie
                        komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%.
                        Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale
                        chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de
                        gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate”
                        voor tenminste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als
                        T-correctie aangeduid. Voor de wijze van aanvraag, onderzoeksmethode en
                        frequentie voor aantonen van het percentage T wordt verwezen naar de
                        beleidsregel “Handreiking toepassing hoedanigheidscorrectie
                        afvalwater”.</al><al>Artikel 10 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende
                        de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook
                        Bijlage I).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing
                        van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de
                        heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent
                        voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale
                        rechtsgang. Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking
                        dient te bevatten. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de
                        rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11,</nr><titel>tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                        achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar
                        wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met
                        behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan
                        artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. Deze tabel is opgenomen in
                        Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1. de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                        leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>2. er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                        vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden
                        berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water
                        te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                        afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                        direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                        drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er
                        sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In
                        dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken
                        over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurd ligt vast in
                        beleidsregels van de ambtenaar belast met de heffing.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel
                        2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12
                        december 2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                        belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel
                        in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                        artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                        vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot
                        een vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt
                        gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12,</nr><titel>belasting van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Op basis van artikel 12 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                        permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt
                        in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een
                        afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de
                        vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                        ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting,
                        bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen
                        thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen
                        (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13,</nr><titel>totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 8 tot en
                        met 12 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen
                        voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van
                        belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al><al>1. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>2. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>3. voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                        geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                        afvalwatercoëfficiënt van toepassing is.</al><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                        decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden
                        opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke
                        totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                        afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt bijvoorbeeld de
                        waarde 20,49 v.e. uiteindelijk 20,4 v.e. op het aanslagbiljet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14,</nr><titel>vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel
                        122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                        bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en
                        op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met
                        een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                        gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na
                        afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één
                        of minder vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet de verordening ook
                        voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering. Indien
                        de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden
                        één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de
                        vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het betreft hier een
                        aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet. Deze
                        moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                        voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                        ambtshalve worden verleend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15,</nr><titel>forfaits voor woonruimten</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door
                        één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Voor het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden wordt uitgegaan van
                        het aantal bewoners bij aanvang van de heffingsplicht (zgn. peildatum). Met
                        een afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in de loop van het
                        heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de aanslag bij
                        een toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de
                        wetsgeschiedenis van de wijziging van de (toenmalige) Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren per 1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het
                        hanteren van een dergelijke peildatum is toegestaan (wetsontwerp 20 435,
                        Memorie van antwoord, blz. 9).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                        recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                        recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
                        Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                        bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                        heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het
                        voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                        particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar
                        houden, of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers
                        gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn arrest van 22 november
                        2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden
                        gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking
                        had op het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelastingen, is zij ook van
                        betekenis voor de zuiveringsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is
                        hij de heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing.
                        Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de
                        woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook
                        via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk
                        van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een
                        vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de
                        woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant
                        van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar
                        krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                        exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                        woonruimteforfait verschuldigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16,</nr><titel>schatting</titel></kop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder
                        bepaalde, in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden
                        de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting.
                        Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot
                        meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze
                        die niet in overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking
                        opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van
                        stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere
                        regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 8 (meting,
                        bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                        zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17,</nr><titel>tarief</titel></kop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18,</nr><titel>wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In
                        dit artikel is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. De opgenomen
                        mogelijkheden zien toe op de betalingswijzen en betalingstermijnen. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. Dit
                        betekent dat het waterschap eerst zelf een aanslag moet opleggen aan de
                        heffingsplichtige. Voor aanslag kan worden gelezen: de schriftelijke
                        kennisgeving.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk meerdere aanslagen op één
                        aanslagbiljet te verenigen. Vooral dient hierbij te worden gedacht aan de
                        combinatie van de ingezetenenheffing, de zuiveringsheffing en de omslag
                        gebouwd voor woonruimten.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de AWB in werking getreden. Hierbij
                        is bepaald dat voor bestuurrechtelijke geldschulden in beginsel een
                        betaaltermijn van zes weken geldt (art. 4:87 AWB). Deze regeling is in de
                        plaats gekomen voor de regeling die voorheen in artikel 9, eerste lid, van
                        de Invorderingswet 1990 was opgenomen (betaaltermijn van twee maanden). In
                        beide gevallen mag en mocht bij wettelijk voorschrift van deze regelingen
                        worden afgeweken. In het derde lid van de verordening is geregeld, dat in
                        afwijking van de wettelijke regeling, een belastingaanslag betaald moet
                        worden twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete is als gevolg van de verordening
                        invorderbaar twee maanden na de dagtekening van de aanslag.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Het vijfde lid van artikel 18 behelst een aparte regeling voor gevallen
                        waarin de belastingplichtige een machtiging tot automatisch incasso aan het
                        waterschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de
                        belastingplichtige een ruimer aantal betaaltermijnen worden gegund.</al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Deze bepaling is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet
                        is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een
                        bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt
                        opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                        voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                        opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de
                        belasting in deze gevallen immers als snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslag. Indien het waterschap de voor de
                        belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt eerder
                        boven de genoemde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een
                        (integrale) aanslag worden opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19,</nr><titel>kwijtschelding</titel></kop><al>In bepaalde gevallen kan een heffingsplichtige in aanmerking komen voor
                        gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de woningaanslag
                        zuiveringsheffing. Het waterschap hanteert hierbij een kwijtscheldingsnorm
                        van 100%.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20,</nr><titel>nadere regels</titel></kop><al>Artikel 20 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                        belastingplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan
                        stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        verontreinigingsheffing.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                        (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                        Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                        waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                        Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het
                        algemeen bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere
                        regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>1. de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>2. de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>3. het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Daarnaast heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                        Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te
                        stellen. Artikel 10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om
                        per geval of in het algemeen instructies te geven ter zake van de
                        uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21,</nr><titel>inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De oude verordeningen blijven gelden voor de belastbare feiten die zich voor
                        die datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden
                        opgelegd op basis van de oude verordening.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekend gemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                        belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73
                        geschiedt bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke
                        wijze uit te geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch
                        worden uitgegeven. Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de
                        bekendmaking door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de
                        secretarie van het waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur
                        te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk
                        verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. De bekendgemaakte besluiten
                        treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de
                        achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor
                        een ander tijdstip is aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van één en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. Zie ook de toelichting op het derde lid van dit
                        artikel.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is één van de onderwerpen
                        die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang
                        van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van
                        inwerkingtreding, maar is niet beslist noodzakelijk, omdat bij gebreke
                        daarvan die verordening automatisch in werking treedt acht dagen na haar
                        bekendmaking.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als gevolg van het vierde lid van artikel 21 wordt de verordening voorzien
                        van een citeertitel.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>