<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23231_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening Vlissingen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-03-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2009, IV.05</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening Vlissingen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1 en art. 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening Vlissingen 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>MARKTVERORDENING VLISSINGEN 2005</vet></al><al>GEMEENTEBLAD VLISSINGEN nr. IV.05</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="72*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>Markt:</al></entry><entry colname="col3"><al>de warenmarkt die het college heeft ingesteld;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>Standplaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>de ruimte die voor de duur van de markt is
                                                aangewezen voor het uitoefenen van de
                                                markthandel;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>Vaste standplaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                                beschikking is gesteld aan een
                                                vergunninghouder;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Dagplaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                                wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze
                                                niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel
                                                ingenomen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>Standwerken:</al></entry><entry colname="col3"><al>de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om
                                                zich heen verzamelt en dat publiek door een
                                                aansprekende uiteenzetting probeert over te halen
                                                tot de aankoop van een artikel;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>Standwerkersplaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                                wordt gesteld om te standwerken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergunninghouder:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene aan wie het college vergunning heeft verleend
                                                voor het innemen van een standplaats;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>Wachtlijst:</al></entry><entry colname="col3"><al>de lijst van gegadigden voor een vaste
                                                standplaats;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>Anciënniteitslijst:</al></entry><entry colname="col3"><al>de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                                standplaats;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>College:</al></entry><entry colname="col3"><al>Het college van burgemeester en wethouders van
                                                Vlissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>Marktmeester:</al></entry><entry colname="col3"><al>de persoon die het college als zodanig heeft
                                                aangewezen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats
                                        en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                                    vergunning van het college.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>(gew. rdbs. 17-12-2009, nr. 8.9)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een
                            vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens
                            aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke
                            verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en
                            bedrijfsorganisatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres
                                        en de woonplaats van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste
                                        standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen
                                        daarvan;</al></li><li nr="c."><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder
                                        bij het innemen van de standplaats mag gebruiken;</al></li><li nr="d."><al>het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen
                                        of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst
                                        vergunning is verleend en zijn volgnummer op de
                                        anciënniteitslijst;</al></li><li nr="f."><al>dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling
                                        en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon
                                        oplevert;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit
                                        betrekt;</al></li><li nr="h."><al>welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan;
                                        en</al></li><li nr="i."><al>welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn
                                        toegestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitslijst</titel></kop><al>Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden ingeschreven op een
                            doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de
                            datum waarop aan hen voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen.
                            Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de
                            vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de
                                wachtlijst, indien hij voldoet aan de in artikel 6 gestelde
                                vereisten, maar aan hem geen vaste standplaats kan worden
                                toegewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres
                                        en de woonplaats van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen;</al></li><li nr="c."><al>de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de
                                        branche waartoe hij behoort;</al></li><li nr="d."><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil
                                        gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van
                                inschrijving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze
                                door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk wordt
                                verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al>De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1
                                    januari heeft verlengd;</al></li><li nr="b."><al>op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;</al></li><li nr="c."><al>bij overlijden van de ingeschrevene;</al></li><li nr="d."><al>wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste
                                    standplaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere
                                    omstandigheden niet aanvaardt;</al></li><li nr="e."><al>indien niet meer aan de vereisten van artikel 6 wordt
                                    voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</titel></kop><al>Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste standplaats meer
                            aanvragers in aanmerking komen, wordt de standplaats achtereenvolgens
                            toegewezen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder van een vaste standplaats die aan het
                                    college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van
                                    standplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op
                                    de anciënniteitslijst;</al></li><li nr="b."><al>degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in
                                    volgorde van inschrijving op deze lijst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overschrijving vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de
                                vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning worden
                                overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde
                                partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam
                                samenwoonde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het
                                eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder de vergunning voor
                                een vaste standplaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in
                                loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft
                                gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit
                                bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de
                                wachtlijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden
                                na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende
                                arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van
                                het bepaalde in dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 12 de vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 6 genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 12 is
                                overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste
                                standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Toewijzing dagplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een
                                vergunning door het college op het moment dat de standplaats niet
                                als vaste standplaats wordt ingenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de
                                wachtlijst van de gegadigden die zich daarvoor op de dag zelf vóór
                                08.30 aanmelden bij de marktmeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van
                                loting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te
                                nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze
                                inschrijving niet definitief is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf
                                aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem
                                zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam
                                deelnemen aan de loting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de standplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder neemt de standplaats die hem is toegewezen
                                persoonlijk in. Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of
                                in gebruik geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet
                                schuldig maken aan wangedrag of bedrog.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aantal keren innemen vaste standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder van een vaste standplaats neemt ten minste eenmaal
                            per twee weken en tienmaal per dertien weken zijn standplaats op de
                            markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 18 en
                            19.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                                omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder van een vaste standplaats die wegens ziekte,
                                vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste
                                standplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college.
                                Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid
                                duurt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende
                                marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of
                                telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een
                                schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Ontheffing en vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het
                                college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste
                                standplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om
                                ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de
                                standplaats op de markt in te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning
                                verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met
                                name genoemde persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen,
                                dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de
                                vergunninghouder is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk zichtbaar
                                zijn naam en eventuele bedrijfsnaam aan te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats / aan- en afvoer goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan
                                twee uur voor aanvang en meer dan een uur na afloop van de markt met
                                een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of goederen
                                aan of af te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de
                                sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan
                                hiervan ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de vergunninghouder zijn vaste standplaats niet uiterlijk om
                                08.30 uur heeft ingenomen, wordt de desbetreffende standplaats voor
                                die dag als dagplaats aangemerkt, tenzij de marktmeester de
                                standplaats op tijdig verzoek van de vergunninghouder voor hem
                                beschikbaar houdt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd artikel 13 kan het college een vergunning voor een vaste
                            standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor
                            ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de
                            vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening 1995, vastgesteld op 30 maart 1995, wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening 1995 gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestaande anciënniteits- en wachtlijsten worden geacht
                                anciënniteits- en wachtlijsten in de zin van deze verordening te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening 1995 is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop
                                deze verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2005. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Marktverordening Vlissingen
                            2005'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 april 2005,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>C.M. Sturm M. Geilenkirchren (loco) </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><tussenkop>De totstandkoming van de Marktverordening</tussenkop><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In het COM werken drie partijen samen: de Nederlandse Vereniging van
                    Marktbeheerders (NVM), de afdeling Markt-, Straat- en Rivierhandel (MSR) van het
                    Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) en de Centrale Vereniging voor de Ambulante
                    Handel (CVAH). De CVAH heeft op één onderdeel een afwijkend standpunt ingenomen,
                    namelijk met betrekking tot de kring van personen op wie de vergunning kan
                    worden overgeschreven. Zij is van mening dat een vergunning ook op een
                    medewerker moet kunnen worden overgeschreven. In de toelichting op artikel 12
                    wordt hierop uitgebreid ingegaan.</al><al>In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering van het
                    gemeentebestuur herzien. Hierbij is de indeling en nummering van de artikelen
                    vereenvoudigd overeenkomstig de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving
                    (Adr./aanwijzing 25 en 26). De verordening is verder inhoudelijk hetzelfde
                    gebleven omdat de raad in het dualistisch stelsel de verordende bevoegdheid
                    heeft gehouden. Uiteraard zijn het model en de toelichting daarop wel aangepast
                    aan de Wet dualisering gemeentebestuur en de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving en verdere wetswijzigingen en jurisprudentie die betrekking hebben
                    op de markt. Er is ook nu contact met het COM gehouden, maar zij hebben zich op
                    het standpunt gesteld dat de dualisering van het gemeentebestuur moet worden
                    aangegrepen om tot een forse afslanking van de modelmarktverordening te komen.
                    De VNG ziet hiertoe echter geen aanleiding gelet op het gegeven dat het
                    merendeel van de gemeenten de modelmarktverordening van 1998 heeft overgenomen
                    en dat deze naar tevredenheid in de praktijk functioneert. </al><tussenkop>Grondslag en belang verordening</tussenkop><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht. Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 zijn in
                    de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader
                    van de ontvlechting van raad en college zijn de bestuursbevoegdheden van de
                    Gemeentewet geconcentreerd bij het college en zijn de kaderstellende en
                    controlerende bevoegdheden van de raad versterkt.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Vanwege de
                    vele vragen van gemeenten over de gevolgen van de dualisering voor de
                    Marktverordening, zijn wij in het voorjaar 2003 met een wijziging van de
                    Marktverordening gekomen. De Marktverordening is grotendeels hetzelfde gebleven
                    omdat de raad in het dualistisch stelsel de verordende bevoegdheid heeft
                    gehouden. Uiteraard zijn het model en de toelichting daarop wel aangepast aan de
                    Wet dualisering gemeentebestuur en de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving en verdere wetswijzigingen en jurisprudentie die betrekking hebben
                    op de markt.</al><al>Naast de nieuwe Marktverordening zijn analoog aan de bevoegdheden van artikel
                    160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet voor het college drie
                    modelbesluiten gemaakt, te weten: Modelbesluit tot het instellen van een
                    warenmarkt, Modelbesluit tot het afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit
                    tot het veranderen van een warenmarkt .</al><al>De Marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente.</al><tussenkop>Inhoud</tussenkop><al>Hoofdstuk 1 van de Marktverordening Vlissingen 2005 bevat een aantal algemene
                    bepalingen die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat
                    de regelingen die van belang zijn voor de vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening, bezien vanuit de gemeente. De procedure voor het verkrijgen
                    van een vaste standplaats, dagplaats en standwerkersplaats wordt beschreven. In
                    hoofdstuk 3 worden de algemene verplichtingen voor de vergunninghouder genoemd
                    die hij met betrekking tot zijn standplaats in acht moet nemen. Hoofdstuk 4
                    bevat de straf-, overgangs- en slotbepalingen.</al><tussenkop>Jurisprudentiebundel Markten</tussenkop><al>Alle in deze modelverordening vermelde uitspraken van vóór 1998 zijn
                    gepubliceerd in de jurisprudentiebundel Markten van maart/april 1998, ISBN 90
                    322 7130 X. De jurisprudentiebundel (jbMarkten) wordt als vindplaats genoemd
                    voor zover de uitspraken niet in andere juridische tijdschriften zijn
                    gepubliceerd. Is dat het geval, dan worden de vindplaatsen in deze tijdschriften
                    vermeld.</al><tussenkop>Overige regelgeving ambulante handel</tussenkop><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in de Algemene
                    plaatselijke verordening voor Vlissingen (APV). Artikel 2.2.2. van de APV bevat
                    een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen bijvoorbeeld
                    braderieën. Verder bevat afdeling 5.2 van de APV bepalingen over collecteren,
                    venten, standplaatsen en snuffelmarkten.</al><tussenkop>Samenloop met de Algemene plaatselijke verordening (APV)</tussenkop><al>In de Marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de
                    marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de ventvergunning (artikel 5.2.2 APV) en de (losse) standplaatsvergunning
                    (artikel 5.2.3 APV). Samenloop met een terrasvergunning was aan de orde in de
                    uitspraak in hoger beroep ABRS 17 juni 1997, GS (1998) 7067, 2 m.nt. H.
                    Hennekens, JG 98.0027.</al><tussenkop>Vrijhouden van het marktterrein</tussenkop><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis). Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en
                    het parkeren van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd. De burgemeester kan op grond van
                    artikel 2.4.12 van de APV het marktterrein aanwijzen als plaats waar het
                    verboden is op de door hem aangewezen uren zich met een fiets of bromfiets te
                    bevinden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met betrekking tot
                    het autovrij maken van het marktterrein.</al><tussenkop>Instellen marktcommissie voor en door het college</tussenkop><al>De gemeente Vlissingen kent een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. Belangrijke vernieuwing in het gedualiseerde bestel is dat
                    elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                    commissies instelt. De marktcommissie is een commissie die het college kan
                    instellen op grond van artikel 84 van de Gemeentewet (zoals die sinds 7 maart
                    2002 luidt). Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83,
                    tweede lid, van de Gemeentewet mogen raadsleden geen deel uitmaken van
                    collegecommissies. In het vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat
                    de instelling van een commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als
                    algemeen verbindende voorschriften. De samenstelling en werkwijze dient het
                    college nader uit te werken. Afhankelijk van de gemeentelijke omstandigheden
                    verdient een marktcommissie meer of minder aanbeveling. Om het draagvlak te
                    vergroten, zou het college commissieleden kunnen laten verkiezen door de
                    markthandelaren.</al><al>Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een marktcommissie. Bij het
                    besluit tot het instellen van een marktcommissie kunnen wij gebruikmaken van de
                    Modelverordening op de raadscommissies, opgenomen in de Handreiking Commissies
                    in het dualistisch stelsel, een uitgave van de Vernieuwingsimpuls Dualisme en
                    lokale democratie.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen.
                    Door gebruik van het woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de
                    begripsomschrijving van marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot
                    marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                    niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                    mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al><al>Een omschrijving van marktterrein wordt niet nodig geacht omdat het woord voor
                    zich spreekt. Branche-indeling is eruit gehaald omdat het alleen in artikel 2
                    wordt gebruikt en eigenlijk ook voor zich spreekt. De omschrijving van college
                    als college van burgemeester en wethouders is geschrapt omdat de aanduiding
                    college mede blijkens artikel 5, aanhef en onder c, van de Gemeentewet voldoende
                    is. Voor levenspartner is een kortere omschrijving gevonden die alleen in
                    artikel 12 wordt gebruikt en dus niet in de begripsomschrijvingen hoeft te
                    worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                    aandachtspunten opgenomen, zodat de gemeente de gewenste uitwerking kan geven
                    aan de bepalingen. De gemeente heeft deze bevoegdheden reeds onder de
                    niet-gedualiseerde Marktverordening 1995 uitgewerkt. Deze uitwerking kan direct
                    worden overgezet in de gedualiseerde verordening. </al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het
                    gaat om een gespecialiseerde markt. In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak
                    van de Raad van State van 10 april 1990, JG 91.0005, AB (1991) 195 m.nt. J.H.
                    van der Veen werd in dit verband geoordeeld dat het branche-indelingsbesluit dat
                    niet voorzag in een standplaats voor bloemen en planten in strijd is met de
                    Vestigingswet Bedrijven 1954. </al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder
                    c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de
                    markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                    verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast
                    de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale Vereniging voor de
                    Ambulante Handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de
                    verkoopwagens.</al><al>De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een
                    beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een beperkt
                    aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de
                    markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt
                    voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor
                    wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Het besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of branche op
                    de markt is een algemeen verbindend voorschrift (avv). Het betreft hier de
                    wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een
                    algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de
                    Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat (ABRS 04-12-2002, nr. 200200350/1/H3,
                    JG 03.00, m.nt. M. Geertsema).</al><al>De Mededingingswet is niet van toepassing op overheidshandelen dat (primair)
                    strekt tot het behartigen van een algemeen (publiek) belang van niet-economische
                    aard en dat kan worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en
                    bevoegdheden van het betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein
                    geen ondernemer (Rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht ‘Bloemenmarkt
                    Amsterdam’ 14 augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh). De Nederlandse
                    Mededingingsautoriteit (NMa) is eveneens van mening dat gelet op de doelstelling
                    van artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet er een overheidstaak
                    wordt uitgevoerd te weten: het verzorgen van markten. Deze uitoefening draagt
                    geen economisch karakter dat de toepassing van de mededingingsregels zou kunnen
                    rechtvaardigen. Besluit tot vaststelling aantal standplaatsen op de markt,
                    opstelling, indeling en afmetingen is als algemeen verbindend voorschrift niet
                    vatbaar voor bezwaar en beroep. Het betreft hier niet een besluit waarin nader
                    naar tijd, plaats of object de toepasselijkheid van in de verordening reeds
                    besloten liggende normen worden bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige
                    normen (ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt.
                    H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.).</al><al>De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde
                    toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen
                    verbindend voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen
                    uitgesloten (ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de
                    wijziging van het aantal standplaatsen per branche). Teneinde de orde op de
                    markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat voor het
                    handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van het marktterrein
                    kunnen worden aangewezen. Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M.
                    de Jong, inzake het weren van een markavan; ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208,
                    inzake de indeling van de markt.</al><tussenkop>Artikel 3 Nadere regels</tussenkop><al>In deze marktverordening is gekozen voor een vrij uitgebreide regeling van de
                    markt. Het college is op grond van dit artikel bevoegd nadere regels te stellen.
                    Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op hoofdlijnen
                    vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat regelen. Het college
                    kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van nadere regels vast te
                    stellen. De raad is door de dualisering van het gemeentebestuur sinds 7 maart
                    2002 niet meer bevoegd om beleidsregels vast te stellen ten aanzien van
                    collegebevoegdheden.</al><tussenkop>Beleidsregels versus nadere regels</tussenkop><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van artikel
                    3 van de Marktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn algemene
                    regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in artikel 1:3,
                    vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene
                    regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                    Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot
                    nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een
                    uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden
                    daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel
                    genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                    verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                    mogelijk.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male.</al><tussenkop>Artikel 4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag en belang verordening. Niet-nakoming van voorschriften die aan
                    een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking
                    van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere bestuursrechtelijke
                    sancties. De strafbepaling van artikel 22 is eveneens van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 5 Standplaatsvergunning</tussenkop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden
                    door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere
                    andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel
                    kan worden gemaakt voor degenen die de kooplieden van koffie, soepen en
                    dergelijke voorzien.</al><al>Tweede lid: lex silencio positivo: Er is reden om af te zien van een lex
                    silencio positivo. Er zijn hier rechtmatige belangen van derden in het geding,
                    zoals bedoeld in artikel 13, vierde lid van de Dienstenrichtlijn. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9).</al><tussenkop>Artikel 6 Vereisten</tussenkop><al>De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de vestigingsvergunning op
                    grond van de Vestigingswet (alleen voor bepaalde branches van toepassing,
                    bijvoorbeeld vis en poeliersproducten), eventuele inschrijving in het
                    handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van het Centraal
                    Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)). Indien
                    de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit reden zijn de
                    vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel 13).</al><al>Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden
                    toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie
                    op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een
                    natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle
                    marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de
                    natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook
                    dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als
                    vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de
                    rechtspersoon te stellen. Een modelaanvraagformulier is als bijlage bij deze
                    verordening gevoegd. Het aanvraagformulier dient als overzicht om een zo
                    volledig mogelijk beeld van de vergunningaanvrager te krijgen. Op het formulier
                    is geen vraag met betrekking tot een WA-marktverzekering opgenomen. Een plicht
                    tot verzekering is niet in de verordening opgenomen, aangezien dit niet tot de
                    belangen van de gemeente behoort. De vergunning kan dus niet worden geweigerd
                    indien de aanvrager niet verzekerd is tegen vorderingen tot schadevergoeding,
                    waartoe hij als vergunninghouder op een markt krachtens wettelijke
                    aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens aan derden
                    toegebrachte schade.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Vz ARRS 8 november 1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake de intrekking op grond
                    van het niet in bezit zijn van de vereiste papieren; en ABRS 15 oktober 1997,
                    jbMarkten bladzijde 41, inzake de inschrijving op de wachtlijst. ABRS 18 april
                    1995, JG (1995) 241, inzake onderscheid natuurlijk persoon/rechtspersoon.</al><tussenkop>Artikel 7 Inhoud vastestandplaatsvergunning, eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is een uitgebreide inhoudsopgave gegeven van een
                    vastestandplaatsvergunning. Uiteraard kunnen gemeenten ervoor kiezen dit minder
                    uitgebreid te doen. In onderdeel a is expliciet opgenomen dat de vergunning naam
                    én voornamen van de vergunninghouder in de vergunning worden opgenomen. Dit
                    vergemakkelijkt de identificatie van de vergunninghouder. Onder een duidelijke
                    omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bij voorkeur gedacht aan
                    een tekening of plattegrond waarop de afmetingen van de standplaatsen en de
                    nummering daarvan zijn aangegeven.</al><al>Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen
                    (kramen, tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het
                    innemen van de standplaats mag gebruiken. Het verdient aanbeveling beleidsregels
                    vast te stellen ten aanzien van het toegestane materiaal, standaardmateriaal dan
                    wel alternatieve materialen. Zie ook de toelichting op artikel 2, eerste lid,
                    onder c. Ter verkrijging van uniformiteit op de markt is het gewenst het
                    plaatsen van marktkramen aan een vergunning te binden. Veelal zal de
                    marktkramenexploitatie in handen van een particulier bedrijf worden gegeven. In
                    dat geval kan men zowel denken aan het stellen van voorwaarden in de vergunning,
                    als aan het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en
                    kramenexploitant, waaraan in de af te geven vergunning wordt gerefereerd. Het
                    verdient aanbeveling hierbij ruimte te laten voor toekomstige ontwikkelingen op
                    het gebied van de verkoopmaterialen. Zie ABRS 10 mei 1995, JG (1995) 308, GS
                    (1995) 7014, 3 m.nt. E. Brederveld; en ABRS 16 juni 1995, JG (1995) 309, GS
                    (1996) 7035, 2 m.nt. E. Brederveld. Zie de toelichting op artikel 8 voor het
                    vermelde onder e. Het vermelde onder f tot en met i zou ook in artikelen
                    uitgewerkt kunnen worden opgenomen of in de nadere regels van het college op
                    grond van artikel 3. Tekstsuggesties hiervoor zijn:</al><tussenkop>Verzorging standplaats</tussenkop><al>De vergunninghouder dient:</al><lijst><li nr="a."><al>ervoor te zorgen dat zijn standplaats steeds een goed verzorgd aanzien
                            biedt; </al></li><li nr="b."><al>tijdens de markt zelf zijn afval, verpakkingsmaterialen en dergelijke in
                            te zamelen; en </al></li><li nr="c."><al>voordat hij het marktterrein verlaat zijn standplaats en de
                            onmiddellijke omgeving daarvan schoon achter te laten en het afval in de
                            daarvoor bestemde afvalbakken te deponeren. </al></li></lijst><tussenkop>Afvalbakken</tussenkop><al>De vergunninghouder aan wie vergunning is verleend geringe eet- en drinkwaren
                    voor consumptie gereed te maken en te verkopen, dient aan de voorzijde van zijn
                    standplaats voldoende afvalbakken te plaatsen. </al><tussenkop>Elektriciteit</tussenkop><al>Het is de standplaatshouder zonder ontheffing van het college verboden op zijn
                    standplaats:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van andere dan elektrische verlichting;</al></li><li nr="b."><al>elektriciteit te betrekken van een ander dan degene die door het college
                            voor het leveren daarvan is aangewezen of om zelf hierin te
                            voorzien.</al></li></lijst><tussenkop>Geluidsapparatuur</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de standplaats gebruik te maken van luidsprekers,
                            versterkers en andere middelen ter versterking van het geluid.</al></li><li nr="2."><al>Het aanwezig hebben van radio’s, cd-spelers en overige geluidsapparatuur
                            op de standplaats, voor een ander doel dan verkoop daarvan, is evenmin
                            toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid
                            gestelde verboden, onder door hem te stellen voorwaarden. </al></li></lijst><tussenkop>Kook-, bak- en verwarmingsapparatuur</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de vergunninghouder verboden verwarmingstoestellen of bak- en
                            kookinstallaties te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                            verlenen onder door hem te stellen voorwaarden. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7, tweede lid</tussenkop><al>Artikel 7, tweede lid, bepaalt dat er een middel ter identificatie aan de
                    vergunning wordt gehecht. In verband hiermee kan de vergunninghouder worden
                    verzocht twee pasfoto’s te overleggen die dienen ter identificatie; de ene op de
                    vergunning en de ander voor het archief. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Eigen materiaal op de markt. Afwijking van vaste gedragslijn of beleid moet
                    worden gemotiveerd aan de hand van bijzondere omstandigheden (ABRS 11 november
                    2001, JG 02.0007 m.nt. M. Geertsema). Het eigen materiaal op de markt vormt vaak
                    onderwerp van procedures tegen gemeenten. Hoofdregel in de meeste gemeenten is
                    immers dat een standplaatshouder op de markt verplicht is gebruik te maken van
                    uniforme kramen die door een professionele kramenzetter worden geplaatst. Zo
                    krijgt de markt een mooi aanzien en, zoals in de uitspraak staat vermeld, kan de
                    markt ook ordelijk worden opgezet en afgebroken. Indien een marktkoopman geen
                    gebruik wil maken van de verplichte kraam, dient hij hiervoor toestemming te
                    krijgen voor het gebruik van eigen materiaal. In Amsterdam heet dat een
                    eigenmateriaalvergunning. In een aantal gevallen moeten B en W of het DB hieraan
                    meewerken, bijvoorbeeld indien artikelen worden verkocht waarvoor een
                    koelinstallatie is vereist of bij medische indicaties. In deze zaak was de
                    kramenzetter (EAC) in beroep gegaan tegen het in bezwaar alsnog verlenen van
                    eigenmateriaalvergunningen. Volgens de vaste gedragslijn van het DB (de Afd.
                    noemt dit niet beleid, omdat het niet schriftelijk was vastgelegd) werd alleen
                    een eigenmateriaalvergunning verleend bij wettelijke eisen (koeling) danwel
                    medische indicatie. Het geven van een eigenmateriaalvergunning omdat de
                    standplaatsen direct voor de eigen winkel zijn gelegen, is een afwijking van de
                    vaste gedragslijn die deugdelijk moet worden gemotiveerd. Dit is niet gebeurd en
                    leidt tot vernietiging. De vraag is of een deugdelijke motivering in deze
                    gevallen wel mogelijk is nu 56 van de 168 kramen op de markt direct voor de
                    eigen winkel staan. Gelet op deze feitelijke situatie én de dreiging van een
                    schadeclaim door EAC wordt ervan uit gegaan dat de nieuwe beslissing op bezwaar
                    zal inhouden dat de eigenmateriaalvergunningen niet worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 8 Inschrijving op de anciënniteitslijst</tussenkop><al>De gemeenten die nog geen anciënniteitslijst hebben, dienen bij de introductie
                    van deze lijst een overgangsregeling te maken, om te voorkomen dat reeds
                    gevestigde vergunninghouders achter worden gesteld bij nieuwkomers. Voor alle
                    duidelijkheid zouden alle vergunninghouders schriftelijk kunnen worden bericht
                    hoe ze zijn ingeschreven op deze lijst. Dit is van belang in verband met de in
                    artikel 11 opgenomen mogelijkheid om te zijner tijd in aanmerking te komen voor
                    een betere plaats op de markt.</al><tussenkop>Artikel 9 Inschrijving op de wachtlijst</tussenkop><al>Voor het goed functioneren van de markt is een goede registratie van de
                    marktkooplieden noodzakelijk. De wachtlijst is bedoeld voor die personen die
                    graag een vaste standplaats op de markt willen verwerven, maar aan wie op het
                    moment dat zij de aanvraag doen geen standplaats kan worden toegewezen. In de
                    marktverordening is niet gekozen voor een zogenaamd meeloopsysteem. Dit systeem
                    heeft als nadeel dat een gegadigde zich iedere keer moet melden zonder dat hij
                    de zekerheid heeft dat hij op de markt kan staan. Dit kan problemen opleveren
                    bij verse, bederfelijke waren. Om rechtszekerheid aan de aanvrager te
                    verschaffen, is het gewenst dat hij van zijn inschrijving als gegadigde voor een
                    vaste standplaats een schriftelijk bewijs krijgt. ABRS 15 oktober 1997,
                    jbMarkten bladzijde 41, inzake bepalendheid datum van inschrijving; ABRS 27
                    april 1992, AB (1992) 446, inzake verloting van vrijgekomen standplaats bij
                    gering verschil in data van inschrijving.</al><al>Ingevolge het tweede lid dient de aanvrager op eigen initiatief zijn
                    inschrijving te verlengen. Het verzoek dient voor 1 januari van elk jaar te zijn
                    gedaan. Om verlenging te vergemakkelijken kan het college voorzien in een
                    standaardverlengingsformulier. De brancheorganisaties achten het redelijk voor
                    elke verlenging leges te heffen. Zodoende worden de kosten van het instandhouden
                    van de wachtlijst niet door de standplaatshouders gedragen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Financieel belang van een gegadigde voor een vaste standplaats noopt niet tot
                    afwijking van beleid ten aanzien van de wachtlijst (ABRS 25 november 1999, JB
                    2000, 10).</al><tussenkop>Artikel 10 Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</tussenkop><al>In dit artikel worden de dwingende redenen genoemd waarom een gegadigde voor een
                    vaste standplaats van de wachtlijst dient te worden gehaald. Het verdient
                    aanbeveling de invulling van bijzondere omstandigheden als genoemd onder d,
                    duidelijk te omschrijven teneinde onduidelijkheden omtrent de plaats op de
                    wachtlijst te voorkomen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>ABRS 17 augustus 1995, GS (1996) 7037, 5 m.nt. C.P.J. Goorden, inzake onbevoegde
                    doorhaling van de wachtlijst.</al><tussenkop>Artikel 11 Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</tussenkop><al>In dit artikel is de volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt
                    geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is
                    het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste
                    standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere standplaats
                    te verkrijgen. Na hen kunnen de ingeschrevenen op de wachtlijst in de
                    gelegenheid worden gesteld een keuze te doen uit de dan nog beschikbare
                    standplaatsen. De volgorde van inschrijving op de wachtlijst van deze personen
                    is hierbij bepalend. Het is mogelijk te bepalen dat de toewijzing in de regel
                    eenmaal per jaar geschiedt. Indien het college een branche-indeling heeft
                    vastgesteld, zal hiermee bij de toewijzing van vaste standplaatsen rekening
                    dienen te worden gehouden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Een bestuursorgaan mag zonder toestemming van de rechthebbende niet in plaats
                    van vergunningverlening een schadevergoeding toekennen (ABRS 7 juli 2000, JG
                    00.0185 m.nt. M. Geertsema).</al><tussenkop>Artikel 12 Overschrijving vastestandplaatsvergunning</tussenkop><al>Komt een vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend arbeidsongeschikt,
                    dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht dat zijn
                    vergunning voor een vaste standplaats op de achterblijvende echtgenoot, de
                    geregistreerde partner (als bedoeld in artikel 1:80a van het Burgerlijk Wetboek)
                    of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, kan
                    worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de
                    daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste standplaats van de
                    vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouder dat voldoet aan de in het
                    tweede lid gestelde eisen heeft recht op een vaste standplaats op de markt
                    hetgeen niet de oorspronkelijke vaste standplaats van de vergunninghouder hoeft
                    te zijn. Het kind is immers, in vergelijking met de echtgenoot of de daarmee
                    gelijkgestelde partner, minder direct in zijn inkomensvoorziening geschaad door
                    het overlijden van de vergunninghouder. Hierover zijn alle partijen die
                    betrokken waren bij het totstandkomen van de marktverordening het eens.</al><al>In het vierde lid is een hardheidsclausule opgenomen. Het verdient aanbeveling
                    hiervoor beleidsregels op te stellen. De CVAH bepleit in dit verband (opneming
                    in de marktverordening van) de mogelijkheid tot overschrijving van de vergunning
                    op een medewerker van de vergunninghouder. Volgens het voorstel van de CVAH
                    dient ?de medewerker in dat geval minimaal drie jaar onafgebroken in loondienst
                    van het marktbedrijf van de vergunninghouder te hebben gewerkt of gedurende
                    eenzelfde periode als mede-eigenaar (bijvoorbeeld vennoot of aandeelhouder) in
                    dit bedrijf te hebben gefunctioneerd. Voorts dient bij notariële akte te worden
                    aangetoond dat de onderneming in eigendom van de medewerker is overgegaan en dat
                    de marktplaats geen economische factor in de overname is. Tot slot dient de
                    werknemer of de mede-eigenaar ingeschreven te zijn op de wachtlijst.? Gelet op
                    dit standpunt van de brancheorganisatie adviseren wij hem te betrekken bij de
                    totstandkoming van een nieuwe marktverordening of beleid.</al><tussenkop>Artikel 13 Intrekking vastestandplaatsvergunning</tussenkop><al>Tot intrekking van de vastestandplaatsvergunning wordt altijd op de in het
                    eerste lid genoemde gronden overgegaan. In het tweede lid worden
                    intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is niet
                    verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning. Bij dagplaatsen en
                    standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor de hand.
                    Daarom is in 2003 deze bepaling beperkt tot de vastestandplaatsvergunning. Ten
                    aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden
                    overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel
                    25. Het derde lid vormt het sluitstuk van artikel 12.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van de
                    standplaatsvergunning, mag het college deze vergunning intrekken wegens een
                    administratieve fout, mits hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
                    acht worden genomen. In casu was de intrekking niet in strijd met deze
                    beginselen (ABRS 12 december 2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.).</al><tussenkop>Artikel 14 Toewijzing dagplaats</tussenkop><al>De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal mondeling verleend, doch
                    het verdient aanbeveling de marktmeester in mandaat een (standaardvoorbedrukte)
                    schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop hij het nummer van de
                    standplaats invult. Uiteraard dient, indien voor de markt een branche-indeling
                    is vastgesteld, daarmee bij het toewijzen van dagplaatsen rekening te worden
                    gehouden. Het in het tweede lid vermelde uiterste tijdstip van melding bij de
                    marktmeester dient te worden gekoppeld aan het in artikel 21, derde lid,
                    genoemde uiterste tijdstip voor het innemen van een vaste standplaats.</al><tussenkop>Artikel 15 Toewijzing standwerkersplaats</tussenkop><al>Wanneer standwerkersplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo
                    objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers een
                    gelijke kans te geven. Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing
                    geschiedt door loting. Het college dient van tevoren de manier van loting vast
                    te stellen. Het verdient daarbij aanbeveling hierbij voorrang te geven aan de
                    marktkooplieden van wie is gebleken dat zij in de uitoefening van de markthandel
                    uitsluitend en daadwerkelijk als standwerker plegen op te treden. Gebleken is
                    dat een sterke behoefte bestaat aan uniforme en duidelijke richtlijnen voor de
                    toewijzing van standwerkersplaatsen, zowel bij de marktbeheerders als bij de
                    marktgebruikers, in het bijzonder bij de standwerkers zelf. Deze groep
                    kooplieden heeft een eigen wijze van werken. Bij de benadering van het publiek
                    treden zij geheel anders op dan de zogenaamde stille kramers. Zij verhogen de
                    levendigheid van de markt en maken deze daardoor aantrekkelijker voor het
                    publiek. Teneinde verstarring tegen te gaan en om te voorkomen dat de
                    standwerker, die jaar in jaar uit dezelfde plaats bezet, langzamerhand een
                    stille kramer zou worden, wordt het in het algemeen ongewenst geacht aan deze
                    categorie kooplieden vaste standplaatsen toe te wijzen. Dit standpunt wordt door
                    de officiële landelijke organisatie van standwerkers (Stibesta) steeds met klem
                    naar voren gebracht. Vooral ook omdat het werkterrein van de standwerkers zich
                    over het gehele land uitstrekt, is het voorts gewenst dat de regels voor de
                    toewijzing van de standplaatsen aan deze bijzondere categorie kooplieden op alle
                    markten in Nederland zo veel mogelijk gelijkluidend zijn.</al><al>Alhoewel in principe een scherpe scheiding tussen de voor de stille kramers en
                    de voor standwerkers bestemde standplaatsen dient te blijven bestaan, zal het in
                    sommige gevallen ‘ in het belang van de markt dan wel uit
                    billijkheidsoverwegingen tegenover de betrokken kooplieden’ niet van overwegend
                    bezwaar zijn, opengebleven standwerkersplaatsen aan stille kramers toe te
                    wijzen, met dien verstande dat aan laatstbedoelde kooplieden wordt duidelijk
                    gemaakt dat zij hieraan nimmer enig recht op de desbetreffende standplaats
                    zullen kunnen ontlenen. Tot toewijzing van dergelijke standplaatsen aan stille
                    kramers is alleen dan over te gaan, indien op de markt beslist geen voor deze
                    categorie kooplieden bestemde standplaatsen meer beschikbaar zijn.</al><al>Belangrijk is voorts de in het derde lid opgenomen mogelijkheid om als koppel of
                    duo een standwerkersplaats te kunnen betrekken. Uitdrukkelijk is hierbij echter
                    de voorwaarde gesteld dat een duo zich tevoren als zodanig bij de marktmeester
                    moet melden en dat een duo als één loteling wordt aangemerkt.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·ARRS 26 juli 1991, JG 92.0124 m.nt. van L.J.J. Rogier, inzake sanctioneren van
                    een standwerker.</al><tussenkop>Artikel 16 Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</tussenkop><al>In artikel 16 is bepaald dat de vergunninghouder in principe verplicht is zelf
                    op zijn standplaats aanwezig te zijn. Aangezien in artikel 6 is bepaald dat de
                    vergunninghouder een natuurlijk persoon moet zijn, betekent dit dat de
                    standplaats niet door bijvoorbeeld een medevennoot van de vergunninghouder kan
                    worden ingenomen. Vz ARRvS, 2 juli 1993, JG 1994/206, inzake onderscheid
                    natuurlijk persoon/rechtspersoon; Rechtbank Almelo 18 augustus 1995, GS (1995)
                    7022,3 m.nt. van E. Brederveld, inzake aanschrijving om standplaats persoonlijk
                    in te nemen. De vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede
                    lid. De artikelen 18 (‘bijzondere omstandigheden’) en 21 geven aan de
                    vergunninghouder de mogelijkheid om zaken te regelen, bijvoorbeeld om naar de
                    veiling te gaan. In het derde lid van artikel 18 is in verband met de in de
                    artikelen 23 en 24 vervatte verboden, thans een normstelling opgenomen namelijk
                    dat zowel de vergunninghouder als degene die hem bijstaan zich niet schuldig
                    mogen maken aan wangedrag of bedrog.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Eis dat vaste standplaats persoonlijk wordt ingenomen, valt binnen de
                            verordende bevoegdheid van de raad (ABRS 20 juni 2001, JG 01.0199 m.nt.
                            M. Geertsema).</al></li><li nr="·"><al>Bewijslast overtreding. Sanctiebeleid, mondelinge waarschuwing.
                            Vergunning, schorsing voor bepaalde tijd (Marktverordening gemeente Den
                            Haag 2004). Schorsing van de marktvergunning van appellant voor de duur
                            van vier dagen in verband met het feit dat appellant zijn verkoopplaats
                            (bij herhaling) niet persoonlijk heeft ingenomen. Voorzitter ABRS 20
                            juni 2008, LJN BD5369; JB 2008, 192. Het college is ten onrechte
                            overgegaan tot het opleggen van de schorsing van de
                            marktvergunning.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17 Aantal keren innemen vaste standplaats</tussenkop><al>De plicht om de standplaats het minimumaantal vastgestelde keren in te nemen,
                    geldt uiteraard alleen voor de vastestandplaatshouder en niet voor de
                    dagplaatshouder of standwerker. Dit is noodzakelijk om de continuïteit in de
                    bezetting te waarborgen. Het minimumaantal keren kan worden aangepast aan de
                    plaatselijke omstandigheden.</al><tussenkop>Artikel 18 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                    omstandigheden</tussenkop><al>In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de
                    vergunninghouder zelf op de standplaats aanwezig dient te zijn. Het is wel
                    noodzakelijk dat het college of de marktmeester van elke verhindering tot
                    marktbezoek zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan
                    bepalen dat kortstondige afwezigheid (bijvoorbeeld tot maximaal één uur) zonder
                    mededeling of ontheffing is toegestaan. Dit is van belang voor
                    vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan
                    vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen. Een verplichting
                    van de vergunninghouder om een geneeskundige verklaring te overleggen is niet
                    meer in de Marktverordening opgenomen omdat KNMG-artsenfederatie
                    (beroepsorganisatie voor artsen) haar leden ontraadt die informatievoorziening
                    over hun patiënten te verstrekken. De artsenfederatie hanteert het standpunt dat
                    van de behandelende arts (die een bijzondere vertrouwensrelatie heeft met zijn
                    patiënt) niet verwacht mag worden dat deze een onbevooroordeeld advies
                    uitbrengt. Voorts is de VNG van mening dat met steeds opnieuw zijnde regelgeving
                    (zoals o.a. de wijziging van de sociale wetgeving, de Wet bescherming
                    persoonsgegevens) het middel hiertoe in het neutrale moet blijven. Overigens is
                    er geen wettelijke basis op grond waarvan het college de vergunninghouder zou
                    kunnen verplichten een geneeskundige keuring te ondergaan. Het college kan de
                    vergunninghouder uiteraard wel aanbieden zich bijvoorbeeld door de GGD of
                    Arbodienst te laten onderzoeken om zijn ziekte aan te tonen.</al><tussenkop>Artikel 19 Ontheffing en vervanging</tussenkop><al>Eerste lid: De ontheffing kan aan een maximum van twee jaar worden gebonden voor
                    wat betreft ziekte. Het bestuur van de NVM beveelt dit ook sterk aan. Indien de
                    ziekte langer dan twee jaar duurt, is veelal sprake van blijvende
                    arbeidsongeschiktheid.</al><al>Tweede lid: In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het
                    college de vergunninghouder van een vaste standplaats toestaan zich op zijn
                    standplaats te laten vervangen. Een maximumtermijn van zes weken is voor
                    vakantie gebruikelijk. Het college kan (bij langdurige vervanging) als
                    voorwaarde stellen dat de vervanger aan de vereisten van artikel 6 voldoet.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Vz ABRS 29 maart 1994, jbMarkten bladzijde 11, inzake weigering vervanging door
                    niet-gezinslid. ABRS 23 september 1991, JG 92.0005 m.nt. L.J.J. Rogier, inzake
                    ongeoorloofde vervanging.</al><tussenkop>Artikel 20 Legitimatie en identiteit vergunninghouder</tussenkop><al>Bij herhaling is gebleken dat de kopers op de markt er behoefte aan hebben te
                    weten bij wie zij hun inkopen hebben gedaan. In de praktijk wordt hier echter
                    weinig de hand aan gehouden. Het moet ook door iedere bonafide marktkoopman of
                    -koopvrouw van belang worden geacht. Het vormen van een vaste klanten kring kan
                    hierdoor tevens worden bevorderd. Vermelding van adres en woonplaats wordt in
                    verband met gevaar van inbraak bij de koopman, die tijdens de markt immers van
                    huis is, niet wenselijk geacht.</al><tussenkop>Artikel 21 Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer
                    goederen</tussenkop><al>Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens
                    de markt vrij te maken van alle verkeer, dient het college een verkeersbesluit
                    te nemen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van
                    bestuursdwang, op kosten van de eigenaars, van het marktterrein worden
                    verwijderd nog vóór de eigenlijke opbouw van de markt. Voorwaarde is wel dat de
                    tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt,
                    duidelijk worden medegedeeld. Het is van belang de in het eerste lid gegeven
                    tijdspanne zo ruim te nemen dat hieraan in de regel kan worden voldaan. Veelal
                    worden de tijden vastgesteld in overleg met de instanties die de belangen van de
                    ambulante handel behartigen.</al><al>Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de
                    orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op
                    willekeurige, vóór de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het college
                    dient invulling te geven aan de bijzondere omstandigheden die ontheffing
                    mogelijk maken.</al><al>Op grond van het derde lid is het mogelijk dat over een vaste standplaats
                    beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de
                    vergunninghouder de markt op een bepaalde dag niet bezoekt. Daartoe is bepaald
                    dat de vaste standplaats vóór een bepaald uur ingenomen moet zijn. Indien bekend
                    is dat de rechthebbende later op de markt verschijnt, zal de standplaats
                    uiteraard open moeten blijven.</al><al>Het vierde lid bevat hiervoor een regeling. Vroegtijdig ‘eventueel vóór de
                    openingstijd van de markt’ toewijzen van de dagplaatsen (zie hiervoor ook
                    artikel 14) biedt het voordeel dat het publiek geen of weinig hinder ondervindt
                    van het aanvoeren van de marktartikelen. Indien de gemeente de houder van een
                    vaste standplaats nog enig voorrecht wil geven boven de pas beginnende
                    kooplieden, die nog niet over een vaste standplaats beschikken, dan zou het
                    toewijzen van dagplaatsen ná de opening van de markt dienen te geschieden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Kantongerecht Maastricht 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met zorgplicht gemeente met betrekking tot het
                    autovrij maken van het marktterrein.</al><tussenkop>Artikel 22 Strafbepaling</tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 22 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening
                    opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op
                    enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de marktkooplieden betreft
                    een administratieve afhandeling de voorkeur. Verwacht mag worden dat van de
                    bepalingen, opgenomen in de artikelen 22 tot en met 24, een sterk preventieve
                    werking zal uitgaan.</al><tussenkop>Artikel 23 Intrekking en schorsing vastestandplaatsvergunning</tussenkop><al>In artikel 23 worden de gronden genoemd waarop een vergunning voor een vaste
                    standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘onverminderd
                    artikel 13’ is toegevoegd om aan te geven dat ook de intrekking op grond van
                    artikel 13 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid
                    vast te stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt
                    geschorst dan wel ingetrokken. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het
                    hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt
                    overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet-betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. Bij het opstellen van de eerste modelmarktverordening in 1998 waren
                    wij er veiligheidshalve nog van uitgegaan dat het niet-betalen van marktgeld
                    geen intrekkingsgrond kan zijn, aangezien hiervoor andere
                    invorderingsmogelijkheden zijn. Gelet op het belang van een dergelijke
                    intrekkings- of schorsingsgrond voor de praktijk zijn wij evenwel alert gebleven
                    op mogelijk gunstige opinies in dezen. De uitspraak van de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M.
                    Geertsema) inzake het hoger beroep van S. Gonesh tegen de uitspraak van de
                    Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt naar ons inzicht voldoende basis
                    om alsnog de gewenste intrekkings- of schorsingsgrond in het model op te nemen.
                    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog in deze zaak dat
                    ingevolge de Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een
                    vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet
                    voldoen aan verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor
                    die markt geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat
                    Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende
                    langere tijd niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende
                    betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                    Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning
                    derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><tussenkop>Jurisprudentie </tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Terechte voorwaardelijke tijdelijke schorsing van een marktstandplaats
                            wegens overtreding van Reglement warenmarkten Den Haag.
                            Standplaatshouder is tevoren diverse malen gewaarschuwd. Opgelegde
                            sanctie is niet onevenredig zwaar. Schorsingsregime is niet onverbindend
                            wegens strijd met artikel 156 Gemeentewet (ABRS 15 augustus 2001, JU
                            021011).</al></li><li nr="·"><al>De intrekking van een standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in
                            Amsterdam voor een week is een maatregel met een punitief karakter die
                            door de rechter op zijn evenredigheid dient te worden getoetst, doch de
                            enkele omstandigheid dat de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft
                            opgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom
                            niet tot het opleggen van een maatregel mocht overgaan. De opgelegde
                            maatregel moet zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De
                            Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt voor dat
                            oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak heeft
                            bij het handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden
                            gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het
                            wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet
                            in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de
                            handhaving van de verordening illusoir (ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189
                            m.nt. L.D.).</al></li><li nr="·"><al>Vz ABRS 8 november 1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake intrekking
                            vergunning, omdat vergunninghouder niet meer in het bezit is van de
                            vereiste papieren, waaronder diploma Handelskennis (sinds 1993: diploma
                            Algemene ondernemingsvaardigheden).</al></li><li nr="·"><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                            schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994,
                            JB (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 24 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</tussenkop><al>In artikel 23 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 25) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 24 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. Bij de herziening van
                    2003 is niet meer de beperking van een periode van twee jaar opgenomen, omdat
                    deze beperking niet zo zinvol is. In de beschikking tot uitsluiting moet immers
                    worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete
                    dagen. Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 23, onderdeel c.</al><tussenkop>Artikel 25 Onmiddellijke verwijdering</tussenkop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 25 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                    Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                    bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke
                    handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 25 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties. Onderdeel c is gewijd aan de
                    niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM de wens naar voren om
                    dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen pakken.</al><tussenkop>Artikel 26 Toezichthouders</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt.</al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                    toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                    opsporingsambtenaar kan fungeren. Een bepaling over buitengewone
                    opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd met aanwijzing 92 van de
                    Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in artikel 142, eerste lid,
                    aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, is onder meer bepaald dat
                    met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
                    belast de personen die bij verordeningen zijn belast met het toezicht op de
                    naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen
                    zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het
                    Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling niet nodig. De
                    opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot
                    die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit
                    buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid
                    te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><tussenkop>Artikel 27 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening in
                    werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 28 Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen is noodzakelijk voor de rechtszekerheid
                    van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te eerbiedigen. Onder de
                    ruime formulering ‘besluiten’ van het eerste lid vallen vergunningen,
                    ontheffingen, voorschriften en beperkingen. In het tweede lid is overgangsrecht
                    opgenomen voor bestaande wachtlijsten en anciënniteitslijsten. In het derde lid
                    is bepaald dat aanvragen om vergunning die nog niet definitief zijn afgehandeld
                    direct onder de nieuwe verordening komen te vallen. Hiermee wordt voorkomen dat
                    nog lange tijd met de oude verordening moet worden gewerkt. Voor lopende
                    aanvragen en in behandeling zijnde bezwaarschriften geldt dus de nieuwe
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 29 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De Marktverordening is een besluit van de raad op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang dat de gemeente gehouden
                    is dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>·Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                    aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge artikel
                    8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar
                    openstaat (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.).</al><tussenkop>Artikel 30 Citeertitel</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al><tussenkop>Toelichting op het Besluit tot het instellen van een
                    warenmarkt</tussenkop><tussenkop>Karakter instellingsbesluit</tussenkop><al>Het instellingsbesluit is te karakteriseren als een besluit van algemene
                    strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Hiertegen kan dus
                    bezwaar of beroep worden ingediend op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><tussenkop>Dag, tijd en plaats van de markt</tussenkop><al>Deze bepaling is ontleend aan het oude artikel 1.2 van de Modelmarktverordening
                    1998 van de VNG. Tot de dualisering van het gemeentebestuur in 2002 kon de raad
                    een markt instellen. Nu is het college bevoegd. Het eerste lid houdt de
                    instelling van de markt in als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
                    onder h, van de Gemeentewet. Het college bepaalt op welke dag, tijd en plaats de
                    markt plaatsvindt. Indien nodig kan ook worden bepaald dat het college de
                    grenzen van de markt en het karakter daarvan (algemene warenmarkt dan wel
                    gespecialiseerde markt) bepaalt. Bij meer dan één markt kan worden volstaan met
                    één besluit, waarbij wordt aangegeven welke markten (met aanduiding van dag,
                    tijd en plaats) er zijn.</al><tussenkop>Instellen marktcommissie voor en door het college</tussenkop><al>Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. Per 7 maart 2002 is het gemeentebestuur gedualiseerd en
                    sindsdien is het instellen van een dergelijke commissie een bevoegdheid van het
                    college. Belangrijke vernieuwing in het gedualiseerde bestel is dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. De marktcommissie is een commissie die het college kan instellen op
                    grond van artikel 84 van de Gemeentewet (zoals die sinds 7 maart 2002 luidt). Op
                    grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83, tweede lid, van
                    de Gemeentewet mogen raadsleden geen deel uitmaken van collegecommissies. In het
                    vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat de instelling van een
                    commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen verbindende
                    voorschriften.</al><al>De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Afhankelijk
                    van de gemeentelijke omstandigheden verdient een marktcommissie meer of minder
                    aanbeveling. Om het draagvlak te vergroten, zou het college commissieleden
                    kunnen laten verkiezen door de markthandelaren. Er bestaat geen modelbesluit
                    voor het instellen van een marktcommissie. Wij adviseren het college bij het
                    instellingsbesluit voor een marktcommissie gebruik te maken van de
                    Modelverordening op de raadscommissies opgenomen in de Handreiking Commissies in
                    het dualistische stelsel, een uitgave van de Vernieuwingsimpuls dualisme en
                    lokale democratie.</al><tussenkop>Toelichting Besluit tot het veranderen van een warenmarkt</tussenkop><tussenkop>Karakter veranderingsbesluit</tussenkop><al>Het besluit tot het veranderen van de markt (andere dag, tijd of plaats van de
                    markt) is te karakteriseren als een besluit van algemene strekking, niet zijnde
                    een algemeen verbindend voorschrift. Hiertegen kan dus bezwaar of beroep worden
                    ingediend op grond van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Dag, tijd en plaats van de markt</tussenkop><al>Indien de markt gedurende een langere tijd of permanent moet worden verplaatst
                    naar een andere dag, tijd of plaats, dient het college hierover te besluiten
                    overeenkomstig artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.
                    Tijdelijk opheffen van de markt in plaats van verplaatsing van de markt is
                    uiteraard ook een mogelijkheid. Dit kan alleen overwogen worden als er sprake is
                    van dringende redenen waardoor verplaatsing absoluut niet mogelijk blijkt. Te
                    denken valt bijvoorbeeld aan het verrichten van bestrating- en
                    rioleringswerkzaamheden op het marktterrein.</al><al>Het is niet de bedoeling dat de markt veelvuldig wordt verplaatst. De ervaring
                    leert dat marktverplaatsingen de kooplieden sterk in hun omzet benadelen. Het is
                    uiteraard van belang om de belanghebbenden in een zo vroeg stadium op de hoogte
                    te stellen van de voorgenomen besluiten tot verplaatsen of tijdelijk opheffen
                    van de markt. Zowel het besluit tot verplaatsen als tot tijdelijk opheffen zijn
                    besluiten in de zin van de Awb en zijn voor bezwaar en beroep vatbaar. Het oude
                    artikel 1.2 van de Modelmarktverordening 1998 kende ook nog een derde lid dat
                    het college de bevoegdheid gaf om de markt tijdelijk op een andere dag te laten
                    plaatsvinden indien er sprake was van een feestdag waarop ingevolge de
                    Winkeltijdenwet verboden is om markthandel te drijven. Deze bepaling is
                    overbodig omdat artikel 2, tweede lid en artikel 3 van de Winkeltijdenwet dit al
                    afdoende regelen.</al><tussenkop>Toelichting Besluit tot het afschaffen van een warenmarkt</tussenkop><tussenkop>Karakter van het besluit tot afschaffen van de markt</tussenkop><al>Het besluit tot het afschaffen van de markt is te karakteriseren als een besluit
                    van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift.
                    Hiertegen kan dus bezwaar of beroep worden ingediend op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De gemeenteraad, lees thans: het college, beschikt over de discretionaire
                    bevoegdheid tot opheffing van een markt. Het besluit tot opheffing van een markt
                    is in essentie een politieke keuze. In casu was opheffing van de (Bloemen)markt
                    ten behoeve van privatisering niet onredelijk (ABRS 13 januari 2000, JG 00.0041
                    met noot M. Geertsema, JB 2000, 27 met noot J.M.E.D).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>