<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR231946_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2016, nr.2464</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 6.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2009-001312</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>water, waterschap</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De inwerkingtreding van (deze wijziging van) dit reglement is vastgesteld op 30 april 2016. De terugwerkende kracht van (deze wijziging van) dit reglement is voor artikel 2.3, tweede lid, vastgesteld op 1 januari 2013 in verband met de datum van de fusie van Waterschap Vallei en Eem met Waterschap Veluwe. De terugwerkende kracht van (deze wijziging van) dit reglement is voor artikel 3.3, tweede lid, vastgesteld op 1 september 2014, vanwege de benoemingsprocedure die door de Kamer van Koophandel is gevolgd. De terugwerkende kracht van (deze wijziging van) dit reglement is voor artikel 3.6 en 3.7 vastgesteld op 18 maart 2015 in verband met de waterschapsverkiezingen op 18 maart 2015.</al><al>Bijlage 1 (Grens waterschap Vallei en Veluwe: als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit reglement) is te vinden in het Provinciaal Blad van de provincie Gelderland d.d. 14 november 2012, PB2012/170 Bijlage I: Bijlage.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-40000</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement Waterschap Vallei en Veluwe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Gelderland, Utrecht en
                        Overijssel;28 mei 2013 tot wijziging van de provinciale regelgeving in
                        verband met de troonswisseling op 30 april 2013; Gelet op artikel 6 van de
                        Waterschapswet;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de navolgende gewijzigde regeling: Reglement Waterschap
                        Vallei en Veluwe</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 BEGRIPOMSCHRIJVINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripomschrijvingen</titel></kop><al>Dit reglement verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al> categorie bedrijven: categorie waartoe behoren degenen die
                                    krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
                                    gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als
                                    bedrijfsruimte;</al></li><li nr="b."><al> categorie ingezetenen: categorie waartoe behoren degenen die
                                    hun werkelijke woonplaats in het waterschap hebben als bedoeld
                                    in artikel 11, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="c."><al> categorie natuurterreinen: categorie waartoe behoren degenen
                                    die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                    van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c, van de
                                    wet;</al></li><li nr="d."><al/><al>categorie ongebouwd: categorie waartoe behoren degenen die
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                                    ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;</al></li><li nr="e."><al> Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Gelderland en van
                                    Utrecht, tenzij in het reglement anders is bepaald;</al></li><li nr="f."><al> watersysteem: watersysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Waterwet;</al></li><li nr="g."><al/><al>wet: Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 NAAM, GEBIED, ZETEL EN TAAK VAN HET WATERSCHAP</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Naam en gebied van het waterschap</titel></kop><lijst><li nr="a."><al> Er is een waterschap met de naam Waterschap Vallei en Veluwe,
                                    verder aan te duiden als het waterschap.</al></li><li nr="b."><al> Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit
                                    reglement behorende kaart.</al></li><li nr="c."><al> De grenzen van het in het tweede lid bedoelde gebied worden
                                    nader aangegeven op door gedeputeerde staten vast te stellen
                                    detailkaarten met een schaal van 1:10.000.</al></li><li nr="d."><al> Van elk van de kaarten, bedoeld in het tweede en het derde lid,
                                    berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies
                                    Gelderland, Utrecht en Overijssel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2 Zetel van het waterschap</titel></kop><al>Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente het waterschap zijn zetel
                            heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Taak van het waterschap</titel></kop><lijst><li nr="a."><al> De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging
                                    van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere
                                    publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.</al></li><li nr="b."><al> De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat de zorg voor het
                                    watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater,
                                    bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, hieronder mede
                                    begrepen het zuiveren van stedelijk afvalwater dat afkomstig is
                                    vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterbeheerder en
                                    dat om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een
                                    zuiveringtechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 DE SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN HET
                            WATERSCHAPSBESTUUR</titel></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Benaming bestuursorganen </titel></kop><lijst><li nr="a."><al> Het dagelijks bestuur wordt aangeduid als college van
                                        dijkgraaf en heemraden.</al></li><li nr="b."><al> De voorzitter wordt aangeduid als dijkgraaf.</al></li><li nr="c."><al> De leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de
                                        dijkgraaf, worden aangeduid als heemraden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 1. Het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Omvang en samenstelling algemeen bestuur</titel></kop><al>Het algemeen bestuur bestaat uit 30 leden. Hiervan
                                vertegenwoordigen:</al><lijst><li nr="a."><al> drieëntwintig leden de categorie ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al> drie leden de categorie ongebouwd;</al></li><li nr="c."><al> één lid de categorie natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al> drie leden de categorie bedrijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Benoeming vertegenwoordigers geborgde
                                    zetels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de categorie ongebouwd worden door de Land- en Tuinbouw
                                    Organisatie Noord drie vertegenwoordigers benoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de categorie bedrijven worden drie vertegenwoordigers
                                    benoemd door de Kamer van Koophandel, waarvan twee
                                    vertegenwoordigers op voordracht van de regionale raad van de
                                    Regio Oost en één vertegenwoordiger op voordracht van de
                                    regionale raad van de Regio Noordwest. De betreffende regio’s
                                    zijn aangeduid in het Besluit vaststelling regio’s (Stcrt. 2014,
                                    1215).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 Reglement van orde </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere
                                    werkzaamheden een reglement van orde vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld
                                    ten aanzien van de wijze van oproeping tot de vergadering, de
                                    openbaarheid van de vergaderingen, het vergader- en het
                                    besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de
                                    vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2. Het college van dijkgraaf en heemraden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.5 Omvang college van dijkgraaf en heemraden</titel></kop><al>Het college van dijkgraaf en heemraden bestaat uit de dijkgraaf en
                                een door het algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden dat ten
                                hoogste zes bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.6 Benoeming heemraden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                                    in artikel 41, tweede lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tot heemraad benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te
                                    nemen, indien de dijkgraaf op de tiende dag na kennisgeving van
                                    de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen
                                    mededeling van hem heeft ontvangen dat hij de benoeming
                                    aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig
                                    mogelijk een nieuwe benoeming.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds
                                    openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen
                                    plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen
                                    bestuur besluit het aantal heemraden te verminderen dan wel
                                    indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.7</titel></kop><al> Vervallen per 30 april 2016 met terugwerkende kracht tot 18 maart
                                2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.8 Ontslag op eigen initiatief</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een heemraad kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan
                                    schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na
                                    de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder
                                    als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien degene wiens benoeming tot heemraad is ingegaan, een
                                    functie bekleedt als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de
                                    wet, draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie
                                    wordt ontheven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een heemraad een functie gaat bekleden als bedoeld in
                                    artikel 31, tweede lid, van de wet, neemt hij onmiddellijk
                                    ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan het
                                    algemeen bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.9 Vervanging heemraden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij langdurige afwezigheid van een heemraad, of indien een
                                    heemraad met de waarneming van het ambt van dijkgraaf is belast,
                                    kan hij worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur,
                                    aan te wijzen door het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken een
                                    heemraad heeft waargenomen, geniet een vergoeding ten bedrage
                                    van de voor die heemraad vastgestelde bezoldiging. De vergoeding
                                    wordt verminderd met hetgeen als lid van het algemeen bestuur
                                    als vergoeding wordt ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.10 Reglement van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college van dijkgraaf en heemraden stelt voor zijn
                                    vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde
                                    vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld
                                    ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het
                                    vergader- en besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de
                                    vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.11 Intrekking beroepen of bezwaren</titel></kop><al>Ingestelde beroepen of gemaakte bezwaren als bedoeld in artikel 86,
                                derde lid, van de wet worden slechts ingetrokken als het algemeen
                                bestuur daartoe beslist.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3. De dijkgraaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.12 Benoeming dijkgraaf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als
                                    bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet wordt opgemaakt,
                                    wordt behalve in het geval van een herbenoeming een open
                                    sollicitatieprocedure gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt
                                    over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de
                                    wet wordt onder gedeputeerde staten verstaan: gedeputeerde
                                    staten als bedoeld in artikel 1.1, onder e.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf
                                    wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan
                                    gedeputeerde staten gezonden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in
                                    artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de Commissaris
                                    van de Koning in de provincie Gelderland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.13 Woonplaats dijkgraaf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De dijkgraaf heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van
                                    het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het algemeen bestuur kan ontheffing verlenen van het bepaalde
                                    in het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4. De secretaris</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.14 Benoeming secretaris</titel></kop><al>De benoeming van de secretaris geschiedt op voordracht van het
                                college van dijkgraaf en heemraden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.15 Taken en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over
                                    de taak en de bevoegdheden van de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 33, eerste en tweede lid, van de wet is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Toezichtsbevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het toezicht op het waterschapsbestuur wordt uitgeoefend door
                                gedeputeerde staten, tenzij bij dit reglement of bij de
                                Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten bepalen in onderling overleg op welke wijze de
                                voorbereiding en de besluitvorming zal plaatsvinden over hetgeen ter
                                zake van het gemeenschappelijk toezicht moet worden beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Meldingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college van dijkgraaf en heemraden zendt aan Gedeputeerde
                                Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> besluiten tot oprichting of deelneming in een
                                        rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al> het ontwerp van een besluit tot vaststelling of wijziging
                                        van een keur als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de
                                        Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al> het ontwerp van een besluit en het besluit tot vaststelling
                                        of wijziging van een calamiteitenplan als bedoeld in artikel
                                        5.29, eerste lid, van de Waterwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college van dijkgraaf en heemraden zendt aan gedeputeerde
                                staten van de provincie op wier grondgebied een peilbesluit
                                betrekking heeft het ontwerp van een besluit en het besluit tot
                                vaststelling of wijziging van een peilbesluit als bedoeld in artikel
                                5.2, eerste lid, van de Waterwet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>§ 1. Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al>datum van instelling: datum met ingang waarvan dit reglement
                                        in werking treedt;</al></li><li nr=""><al>op te heffen waterschappen: Waterschap Vallei en Eem en
                                        Waterschap Veluwe;</al></li><li nr=""><al>overgaand gebied: gebied van de op te heffen waterschappen
                                        dat deel gaat uitmaken van het waterschap.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2. Rechtskracht voorschriften en uitoefening
                                bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2 Rechtskracht voorschriften en uitoefening
                                    bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De op de dag, voorafgaande aan de datum van instelling, voor
                                    overgaand gebied geldende waterschapsvoorschriften en
                                    waterschapsbesluiten behouden hun rechtskracht voor dat gebied
                                    totdat deze door het bevoegde gezag van het waterschap zijn
                                    ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum van instelling en zolang de in het
                                    eerste lid bedoelde voorschriften en besluiten gelden, oefenen
                                    de in het waterschap bevoegde bestuursorganen en ambtenaren de
                                    bevoegdheden uit welke bij die voorschriften en besluiten aan
                                    overeenkomstige organen en ambtenaren zijn toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3 Reglementen van orde; regelingen
                                    vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vergaderingen van het algemeen bestuur gelden de
                                    reglementen van orde van Waterschap Veluwe totdat zij door
                                    andere zijn vervangen en voor de vergaderingen van het dagelijks
                                    bestuur gelden de reglementen van orde van Waterschap Vallei en
                                    Eem totdat zij door andere zijn vervangen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de leden van het voorlopig algemeen bestuur gelden de
                                    regelingen inzake een vergoeding van werkzaamheden en een
                                    tegemoetkoming in kosten van Waterschap Veluwe totdat zij door
                                    andere zijn vervangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4 Instructie secretaris</titel></kop><al>Voor de secretaris van het waterschap geldt de instructie van
                                Waterschap Vallei en Eem totdat zij door een andere is
                                vervangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5 Kostentoedelingsverordening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 5.2, eerste lid, is niet van toepassing op de
                                    kostentoedelingsverordening, bedoeld in artikel 120, eerste lid,
                                    van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt binnen een maand na de datum van
                                    instelling een kostentoedelingsverordening als bedoeld in
                                    artikel 120, eerste lid, van de wet vast, die met ingang van de
                                    datum van instelling zal gelden voor het waterschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6 Belastingverordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 5.2, eerste lid, is niet van toepassing op de
                                    belastingverordeningen, genoemd in artikel 113 van de wet. Ten
                                    aanzien van overgaand gebied houden deze verordeningen op te
                                    gelden met ingang van de datum van instelling, doch zij behouden
                                    hun rechtskracht voor de belastingjaren welke vóór die datum
                                    zijn aangevangen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het algemeen bestuur binnen een maand na de datum van
                                    instelling op grond van artikel 110 van de wet besluit tot
                                    vaststelling van een belastingverordening wordt daarbij bepaald
                                    dat die met ingang van de datum van instelling zal gelden voor
                                    het gebied van het waterschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7 Jaarrekening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na de datum van instelling maakt het
                                    dagelijks bestuur de rekening van het laatste dienstjaar van elk
                                    van de op te heffen waterschappen in ontwerp op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde rekeningen worden zo spoedig
                                    mogelijk door het algemeen bestuur vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De controle van de jaarrekening en het daarbij verstrekken van
                                    een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van
                                    bevindingen geschiedt door de accountant die op grond van
                                    artikel 109, tweede lid, van de wet is aangewezen door het
                                    algemeen bestuur van elk van de op te heffen waterschappen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8 Archief</titel></kop><al>Met ingang van de datum van instelling gaan de archiefbescheiden van
                                de op te heffen waterschappen over naar het waterschap.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3. Voorbereidingscommissie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9 Voorbereidingscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tot de datum van instelling vormen de dagelijkse besturen van
                                    de op te heffen waterschappen een voorbereidingscommissie die is
                                    belast met de voorbereiding van de besluitvorming die nodig is
                                    voor het adequaat functioneren van het waterschap vanaf de datum
                                    van instelling. Voorzitter van de voorbereidingscommissie is de
                                    dijkgraaf van het op te heffen Waterschap Vallei en Eem. De
                                    voorbereidingscommissie wijst een secretaris aan die de
                                    commissie ter zijde staat bij de uitoefening van haar taak.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde voorbereiding betreft in ieder
                                    geval de begroting voor 2013, de meerjarenraming, de
                                    kostentoedelingsverordening en de belastingverordeningen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorbereidingscommissie oefent de bevoegdheden uit die een
                                    dagelijks bestuur van een waterschap heeft bij de voorbereiding
                                    van de in het tweede lid genoemde aangelegenheden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorbereidingscommissie betrekt de algemene besturen van de
                                    op te heffen waterschappen in elk geval bij de voorbereiding van
                                    de in het tweede lid genoemde aangelegenheden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4. Overgangsbestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10 Zittingsduur algemeen bestuur op te heffen
                                    waterschappen</titel></kop><al>De leden van het algemeen bestuur van elk van de op te heffen
                                waterschappen treden af met ingang van de datum van instelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.11 Bestuursorganen overgangsbestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een overgangsbestuur dat bestaat uit een voorlopig
                                    algemeen bestuur, een voorlopig dagelijks bestuur en een
                                    dijkgraaf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het overgangsbestuur treedt op met ingang van de datum van
                                    instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.12 Omvang en samenstelling voorlopig algemeen
                                    bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het voorlopig algemeen bestuur bestaat uit dertig leden.
                                    Hiervan vertegenwoordigen: </al><lijst><li nr="a."><al> tweeëntwintig leden de categorie ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al> drie leden de categorie ongebouwd;</al></li><li nr="c."><al> twee leden de categorie natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al> drie leden de categorie bedrijven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de samenstelling van het voorlopig algemeen bestuur worden
                                    geen verkiezingen gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.13 Bezetting zetels categorie ingezetenen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk zes weken voor de datum van instelling bepaalt het
                                    stembureau van elk van de op te heffen waterschappen met
                                    toepassing van de paragrafen 14 en 15 van hoofdstuk 2 van het
                                    Waterschapsbesluit welke leden de categorie ingezetenen
                                    vertegenwoordigen. Hiertoe bepaalt elk van beide stembureaus de
                                    verdeling van de zetels over de onderscheidene groeperingen die
                                    aan de verkiezingen in 2008 in elk van de op te heffen
                                    waterschappen hebben deelgenomen. Artikel 2.74 van het
                                    Waterschapsbesluit is niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verdeling wordt uitgegaan van het overzicht van de
                                    aantallen op de verschillende lijsten uitgebrachte stemmen zoals
                                    is vastgelegd in het proces-verbaal van elk van beide
                                    stembureaus betreffende de uitslag van de verkiezingen in 2008
                                    en van een totaal aantal te verdelen zetels per op te heffen
                                    waterschap van elf.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorzitter van elk van beide stembureaus maakt de
                                    zetelverdeling bekend in een openbare zitting van het
                                    stembureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van de werkzaamheden van elk van beide stembureaus, bedoeld in
                                    dit artikel, wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt. In dit
                                    proces-verbaal wordt de uitslag van de verkiezing vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De voorzitter van elk van beide stembureaus geeft toepassing
                                    aan de artikelen 2.92 en 2.93 van het Waterschapsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.14 Bezetting geborgde zetels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk zes weken voor de datum van instelling worden door de
                                    Land- en Tuinbouw Organisatie Noord uit de vertegenwoordigers
                                    van de categorie ongebouwd in het algemeen bestuur van elk van
                                    de op te heffen waterschappen drie vertegenwoordigers voor de
                                    categorie ongebouwd benoemd, waarvan ten minste één lid
                                    afkomstig is uit het algemeen bestuur van het op te heffen
                                    Waterschap Veluwe en ten minste één lid uit het algemeen bestuur
                                    van het op te heffen Waterschap Vallei en Eem.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De twee vertegenwoordigers van de categorie natuurterreinen in
                                    de algemene besturen van de op te heffen waterschappen
                                    vertegenwoordigen als lid dezelfde categorie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uiterlijk zes weken voor de datum van instelling worden door de
                                    Kamer van Koophandel Oost-Nederland één vertegenwoordiger, door
                                    de Kamer van Koophandel Gooi-, Eem- en Flevoland één
                                    vertegenwoordiger en door de Kamer van Koophandel Centraal
                                    Gelderland en de Kamer van Koophandel Midden-Nederland
                                    gezamenlijk één vertegenwoordiger benoemd uit de
                                    vertegenwoordigers van de categorie bedrijven in het algemeen
                                    bestuur vanelk van de op te heffen waterschappen, waarvan ten
                                    minste één lid afkomstig is uit het algemeen bestuur van het op
                                    te heffen Waterschap Veluwe en ten minste één lid uit het
                                    algemeen bestuur van het op te heffen Waterschap Vallei en
                                    Eem.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.15 Lidmaatschap</titel></kop><al>Paragraaf 17 van het Waterschapsbesluit is van overeenkomstige
                                toepassing, met dien verstande dat het onderzoek van de
                                geloofsbrieven door het algemeen bestuur van elk van beide op te
                                heffen waterschappen en de beslissing of de benoemde als lid wordt
                                toegelaten door dat bestuur geen betrekking kan hebben
                                onderscheidenlijk niet gebaseerd kan zijn op punten die het verloop
                                van de verkiezing raken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.16 Zittingsduur voorlopig algemeen bestuur</titel></kop><al>De leden van het voorlopig algemeen bestuur treden tegelijk af met
                                ingang van 8 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.17 Eerste vergadering algemeen bestuur</titel></kop><al>Het voorlopig algemeen bestuur vergadert voor de eerste maal in de
                                eerste week na de datum van instelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.18 Omvang voorlopig dagelijks bestuur</titel></kop><al>Het voorlopig dagelijks bestuur bestaat uit de dijkgraaf en een door
                                het voorlopig algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden dat
                                ten hoogste zes bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.19 Benoeming leden voorlopig dagelijks
                                    bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In de vergadering, bedoeld in artikel 5.17, benoemt het
                                    voorlopig algemeen bestuur uit zijn midden de leden van het
                                    voorlopig dagelijks bestuur. Dat geschiedt op zodanige wijze dat
                                    het aantal leden dat afkomstig is uit het ene algemeen bestuur
                                    zoveel mogelijk gelijk is aan het aantal leden dat afkomstig is
                                    uit het andere algemeen bestuur van de op te heffen
                                    waterschappen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De artikelen 3.6, derde tot en met vijfde lid, en 3.7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.20 Interim-dijkgraaf</titel></kop><al>Tot aan het tijdstip waarop de benoeming van de dijkgraaf, bedoeld
                                in artikel 46 van de Waterschapswet, heeft plaatsgevonden, treedt
                                een interim-dijkgraaf op. Deze interim-dijkgraaf wordt door
                                gedeputeerde staten uiterlijk vier weken voor de datum van
                                instelling benoemd op basis van een voordracht van de
                                voorbereidingscommissie, bedoeld in artikel 5.9. De artikelen 3.24
                                tot en met 3.41 van het Waterschapsbesluit en de vijfde afdeling van
                                de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de interimdijkgraaf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.21 Benoeming eerste dijkgraaf</titel></kop><al>De aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf, bedoeld in
                                artikel 46, derde lid, van de Waterschapswet wordt de eerste maal
                                opgemaakt door het voorlopig algemeen bestuur. Artikel 3.12 is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.22 Interim-secretaris</titel></kop><al>Tot het tijdstip waarop de benoeming van de secretaris, bedoeld in
                                artikel 53 van de wet, ingaat, treedt de secretaris van de
                                voorbereidingscommissie, bedoeld in artikel 5.9, op als
                                interimsecretaris.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 5. Rechtspositie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.23 Rechtspositieregeling van de ambtenaren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorafgaand aan de datum van instelling stellen de dagelijkse
                                    besturen van de op te heffen waterschappen na georganiseerd
                                    overleg met vertegenwoordigers van de ambtenarenorganisaties een
                                    sociaal statuut vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum van instelling van het waterschap zijn
                                    de secretarissen van de op te heffen waterschappen eervol uit
                                    hun functie ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Met ingang van de datum van instelling gaan de secretarissen,
                                    de ambtenaren en het overige personeel met een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd dan wel langer dan 1 januari 2013 van de op te
                                    heffen waterschappen over in dienst van het waterschap.</al><al/><al> De plaatsing in functie, met uitzondering van de functie van
                                    secretaris en die van directeur bedrijfsvoering, geschiedt
                                    overeenkomstig de bepalingen van het sociaal statuut.
                                    Voorzieningen, de verdere voorbereiding van de overgang van de
                                    ambtenaren en het overige personeel met een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd dan wel langer dan 1 januari 2013 betreffende,
                                    zijn onderwerp van het in het eerste lid bedoelde georganiseerd
                                    overleg en van overleg met de ondernemingsraden van de op te
                                    heffen waterschappen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 Wijzigingen van beperkte strekking</titel></kop><al>Provinciale Staten van Gelderland en van Utrecht zijn bevoegd tot
                            wijziging van dit reglement, tenzij het desbetreffende besluit een
                            regeling bevat van de in artikel 5, tweede lid, van de wet genoemde
                            onderwerpen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 Intrekking reglementen</titel></kop><al>Het Reglement voor Waterschap Vallei en Eem, het Overgangsrecht voor
                            Waterschap Vallei en Eem, het Reglement voor Waterschap Veluwe en het
                            Overgangsrecht voor Waterschap Veluwe worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit reglement treedt met uitzondering van de artikelen 5.9 en 5.23 in
                            werking met ingang van 1 januari 2013. De artikelen 5.9, en 5.23 treden
                            in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het laatst
                            uitgegeven Provinciaal Blad waarin deze regeling wordt geplaatst. Indien
                            het laatst uitgegeven Provinciaal Blad waarin deze regeling wordt
                            geplaatst, wordt uitgegeven na 1 april 2012, werken de artikelen 5.9 en
                            5.23 terug tot en met 1 april 2012. De artikelen 5.13, 5.14, 5.15 en
                            5.20 werken terug tot en met 1 november 2012.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4 Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement Waterschap Vallei en
                            Veluwe. Goedgekeurd bij besluit van de Staatssecretaris van
                            Infrastructuur en Milieu van 29 oktober 2012; Stct. 2012, nr. 22467</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Provinciale Staten van Gelderland</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage</titel></kop><al>Bijlage 1: kaart van de Grens waterschap Vallei en Veluwe: als bedoeld in
                    artikel 2.1, tweede lid, van het Reglement waterschap Vallei en Veluwe (red. te
                    vinden in Provinciaal Blad van de provincie Gelderland van 14 november 2012,
                    PB2012/170 Bijlage 1: Bijlage).</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Reglement Waterschap Vallei en Veluwe</vet></al><al><vet>Oprichting Waterschap Vallei en Veluwe</vet>De Algemene Besturen van de
                    waterschappen Veluwe en Vallei en Eem hebben op 18 resp. 21 januari 2010
                    ingestemd met een intentiebesluit tot fusie van de beide dagelijkse besturen. Op
                    basis daarvan is de wettelijke procedure gestart die heeft geleid tot een
                    voorstel aan provinciale staten van de provincies Gelderland, Utrecht en
                    Overijssel tot samenvoeging van de beide waterschappen. De inhoudelijke
                    overwegingen voor een fusie van de beide waterschappen volgen uit de
                    bestuurskrachtmetingen die zijn uitgevoerd bij de beide waterschappen en uit het
                    artikel 3-overleg. De in de rapportages voor beide waterschappen opgenomen
                    conclusies zijn vrijwel identiek. Uit de bestuurskrachtmetingen blijkt dat de
                    beide waterschappen op dit moment over voldoende bestuurskracht beschikken. Met
                    het oog op toekomstige opgaven moet de bestuurskracht echter sterk toenemen om
                    een gezaghebbende, slagvaardige en competente waterautoriteit te zijn, om het
                    waterbelang te borgen in het bestuurlijk krachtenveld en om grootschalige
                    complexe projecten tot een goed einde te brengen. Samengevat kunnen de
                    conclusies op basis van feitenonderzoek en kwaliteitsdebatten omtrent de
                        <vet>huidige</vet> bestuurskracht als volgt worden weergegeven. De beide
                    waterschappen beschikken op dit moment over voldoende bestuurskracht. De taken
                    worden over het algemeen naar behoren uitgevoerd en bovendien tegen relatief
                    lage kosten. De waterschappen zijn sterk in het realiseren van doelen op
                    reguliere opgaven. Ze worden ervaren als een betrouwbare organisatie, sterk in
                    de rollen van uitvoerder/beheerder, regelgever/handhaver, dienstverlener en
                    beleidsmaker. De waterschappen zullen hun kwaliteit als uitvoeringsorganisatie
                    op de reguliere opgaven in de aankomende periode moeten handhaven. Het is te
                    verwachten dat de waterschappen in staat zullen zijn om de kwaliteit van de
                    reguliere taken ook in de toekomst te realiseren. Voor de ontwikkelopgaven
                    (implementatie KRW, implementatie adviezen Deltacommissie, implementatie
                    NBW-actueel en systeemintegratie waterketen) geldt dat de bestuurskracht
                    momenteel voldoende is, maar dat er voor de toekomst de nodige risico’s zijn.
                    Met name de rolinvulling van medeoverheid/partner en in het verlengde daarvan
                    die van organisatie/werkgever en bestuurder zal naar verwachting ontoereikend
                    zijn, gelet op de eisen die uit de ontwikkelopgaven voortvloeien.</al><al>De in de rapportages opgenomen conclusies van de geconsulteerde experts omtrent
                        de<vet>toekomstige</vet>bestuurskracht luiden voor zover ze aanvullend zijn
                    als volgt. Met name de implementatie van de adviezen van de Deltacommissie vormt
                    een zeer stevige opgave voor de waterschappen. De bestuurskracht moet sterk
                    toenemen om een gezaghebbende, slagvaardige en competente waterautoriteit te
                    zijn, om het waterbelang te borgen in het bestuurlijk krachtenveld en om
                    grootschalige complexe projecten tot een goed einde te brengen. Dit geldt niet
                    alleen voor beide waterschappen, maar in z’n algemeenheid voor alle kleine en
                    middelgrote waterschappen in Nederland. De experts zien de grootste voordelen in
                    een strategie op drie fronten: investeren in kwaliteit en kwantiteit van bestuur
                    en organisatie, samenwerking op strategisch en planmatig niveau met andere
                    waterschappen in het bijzonder in (deel)stroomgebieden, en fusie van beide
                    waterschappen op korte termijn met open oog voor verdere schaalvergroting in de
                    toekomst.</al><al>Op 29 april 2010 heeft het artikel 3-overleg plaatsgevonden. Het standpunt van
                    beide waterschapsbesturen, zoals kenbaar gemaakt in het artikel 3-overleg, luidt
                    samengevat als volgt: - Beide waterschappen zijn kwetsbaar op het personele
                    vlak. Er werken veel eenpitters en specialisten. Het is moeilijk goede mensen
                    aan te trekken. Dat leidt tot risico’s bij de advisering aan bestuurders.
                    Personele samenhang tussen de beide waterschappen lost dit probleem niet op. -
                    De opgaven waar de waterschappen voor staan eisen juist een steviger positie van
                    bestuur en organisatie. De bestuurskracht moet toenemen om een gezaghebbende,
                    slagvaardige en competente waterautoriteit te zijn en om het waterbelang te
                    borgen in het bestuurlijk krachtenveld. Projecten worden in toenemende mate
                    complexer. Om die op een goede wijze uit te voeren is een
                    professionaliseringsslag en een integratieslag nodig. - De voorgestelde fusie is
                    een proces van onderop en wordt breed gedragen. Beide waterschappen werken reeds
                    op vele terreinen samen. Een fusie zal bovendien een financieel voordeel
                    opleveren van € 11 miljoen per jaar. - Opschaling is nodig. Het zal nog lang
                    duren voordat definitieve beslissingen genomen zullen worden over de inrichting
                    van het openbaar bestuur. Het is niet wenselijk daarop te wachten. De fusie past
                    bovendien in meerdere scenario’s en is derhalve een noregretmaatregel. Bij het
                    niet doorgaan van de fusie is aan de inwoners van het gebied niet uit te leggen
                    dat een kostenbesparing van € 11 miljoen per jaar niet gerealiseerd kan worden.
                    Gedeputeerde staten van Gelderland, Utrecht en Overijssel hebben op 14 december
                    2010 een standpunt ingenomen op het fusievoorstel. (noot: Gewijzigd besluit van
                    gedeputeerde staten van Gelderland van 25 januari 2011) Gedeputeerde staten van
                    de drie provincies hebben in hun besluit aangegeven gronden aanwezig te zien om
                    een fusie tussen de beide waterschappen te realiseren. Dit reglement voorziet in
                    de oprichting van het nieuwe Waterschap Vallei en Veluwe.</al><al><vet>Algemene toelichting</vet>De wettelijke bevoegdheid om waterschappen in te
                    stellen en te reglementeren ligt bij provinciale staten. Artikel 2 van de
                    Waterschapswet bepaalt dat de bevoegdheid tot het opheffen en het instellen van
                    waterschappen, tot regeling van hun taken en inrichting en van de samenstelling
                    van hun besturen en tot de verdere reglementering van waterschappen aan
                    provinciale staten behoort en dat de uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt
                    bij provinciale verordening. Omdat hier sprake is van een interprovinciaal
                    waterschap, worden de bevoegdheden, op grond van artikel 6 van de
                    Waterschapswet, gemeenschappelijk door provinciale staten van Gelderland,
                    Utrecht en Overijssel uitgeoefend. Voor de belangrijkste aanpassingen die
                    voortvloeien uit de middels de Wet modernisering waterschapsbestel herziene
                    Waterschapswet wordt verwezen naar de toelichting bij de reglementen van de op
                    te heffen waterschappen Veluwe en Vallei en Eem. De waterschapsreglementen zijn
                    interprovinciaal geüniformeerd en gemoderniseerd. Bij het opstellen van het
                    onderhavige reglement is dan ook gebruik gemaakt van een modelreglement dat door
                    het IPO, in overleg met de Unie van Waterschappen, is opgesteld. Het onderhavige
                    reglement schept in aansluiting op de Waterschapswet het kader voor het nieuwe
                    waterschap. Het beperkt zich tot de essentiële aspecten betreffende de
                    inrichting en het functioneren van het waterschap. De belangrijkste onderwerpen
                    die worden geregeld, zijn het gebied, de taak, het bestuur, de verdeling van de
                    geborgde zetels over de specifieke belangencategorieën, het aanwijzen van de
                    organisaties die de vertegenwoordigers voor de categorieën bedrijven en
                    ongebouwd mogen benoemen en het toezicht.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</vet></al><al>Op grond van artikel 1, tweede lid van de Waterschapswet kunnen als “hoofdtaken”
                    aan de waterschappen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren
                    van het afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet worden opgedragen.
                    In dit reglement is het begrip watersysteem nader gedefinieerd en is aansluiting
                    gezocht bij de terminologie van de Waterwet. Het zuiveren van het afvalwater is
                    niet nader gedefinieerd omdat de omschrijving afdoende is geregeld in de
                    Waterschapswet en de Waterwet.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2 NAAM, GEBIED, ZETEL EN TAAK VAN HET WATERSCHAP</vet></al><al><vet>Artikel 2.1 Naam en gebied van het waterschap</vet>Bij het bepalen van het
                    gebied van het waterschap is acht geslagen op het uitgangspunt voor de
                    bestuurlijke organisatie van de waterstaatszorg, dat bij de vorming van
                    waterschappen zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de waterstaatkundige
                    eenheden. Een waterstaatkundige eenheid bestaat uit een samenhangend stelsel van
                    oppervlaktewateren en gronden (inclusief mensen en gebouwen), die belang hebben
                    bij de instandhouding van dat stelsel. Het gebied van het waterschap wordt
                    aangegeven op een kaart die deel uitmaakt van het reglement. Op de kaart zijn de
                    grenzen van het waterschapgebied zo eenduidig mogelijk vastgelegd. Er kunnen
                    gebiedsspecifieke situaties zijn waarbij het noodzakelijk is de grens van het
                    waterschapgebied nauwkeuriger vast te stellen (bijvoorbeeld daar waar de grens
                    door bebouwd gebied loopt). In het reglement is de mogelijkheid opgenomen om
                    voor de precieze aanduiding van de grenzen van het waterschapgebied
                    detailkaarten vast te stellen. Het vaststellen van de detailkaarten is
                    opgedragen aan gedeputeerde staten.</al><al><vet>Artikel 2.3 Taak van het waterschap</vet>In artikel 1, eerste lid van de
                    Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun
                    taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Deze taak wordt
                    vervolgens in het tweede lid nader gespecificeerd in de zorg voor het
                    watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet van artikel
                    3.4 van de Waterwet. In de Waterschapswet worden de zorg voor de waterkering en
                    de zorg voor de waterhuishouding dus niet meer als aparte taken onderscheiden.
                    Dit sluit beter aan bij het integraal waterbeheer dat in de waterschappraktijk
                    is ontstaan. In artikel 2.3 van het reglement is aangesloten bij de wet en de
                    huidige situatie door aan het waterschap de zorg voor het watersysteem en de
                    zorg voor het zuiveren van afvalwater op te dragen. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Onder de zorg
                    voor de waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het
                    peilbeheer van het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term
                    “zorg voor het watersysteem” benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde
                    taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten
                    worden uitgevoerd. De toekenning van “de zorg voor het watersysteem” aan het
                    waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg voor het watersysteem of de
                    watersystemen in het waterschapgebied aan het waterschap wordt toegekend. Ook
                    andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van artikel 2.3
                    is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de
                    waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet bij
                    andere publiekrechtelijke lichamen berust. Artikel 2.3, eerste lid kent een
                    duidelijke relatie met artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). In artikel 3:4, eerste lid Awb is namelijk geregeld dat het
                    bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor
                    zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen
                    bevoegdheid een beperking voortvloeit. Wanneer een bestuursorgaan van het
                    waterschap derhalve een besluit of handeling overweegt, dient het over te gaan
                    tot een afweging van alle bij de concrete beslissing of handeling betrokken
                    belangen. Met artikel 2.3, eerste lid wordt aangegeven dat het waterschap zich
                    bij de belangenafweging primair moet laten leiden door de waterhuishoudkundige
                    belangen. Het zijn deze belangen die de doorslag moeten geven bij de
                    besluitvorming. In artikel 2.3, tweede lid is ook de zuivering van afvalwater
                    aan het waterschap opgedragen. Sinds 2002 ligt de zorgplicht voor de zuivering
                    van afvalwater al wettelijk bij het waterschap. Dit is thans in artikel 3.4 van
                    de Waterwet nader geregeld.</al><al>In de reglementen van het voormalige Waterschap Vallei en Eem en het voormalige
                    Waterschap Veluwe staat in de taakomschrijving opgenomen dat bij de zorg voor
                    het zuiveren van afwalwater, onder afvalwater mede wordt begrepen het stedelijk
                    afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende
                    waterkwaliteitsbeheerder en om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een
                    zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap. Bij de fusie van
                    Waterschap Vallei en Eem met Waterschap Veluwe is dit abusievelijk niet in het
                    Reglement Waterschap Vallei en Veluwe opgenomen. De taakomschrijving wordt
                    hierop aangepast. </al><al><vet>HOOFDSTUK 3 DE SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN HET
                    WATERSCHAPSBESTUUR</vet></al><al>Dit hoofdstuk geeft een aanvulling op de bepalingen in de Waterschapswet en het
                    Waterschapsbesluit. De wet regelt onder meer de vereisten voor het lidmaatschap
                    van het bestuur, de verkiezingen, nevenfuncties, onverenigbare betrekkingen en
                    het afleggen van de eed (dan wel verklaring en belofte). Voorts bevat de wet
                    bepalingen over de vergaderingen van het algemeen bestuur en het college van
                    dijkgraaf en heemraden. Het Waterschapsbesluit bevat onder meer regels over
                    rechtspositionele aangelegenheden aangaande de dijkgraaf, zoals benoeming,
                    schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie, ontslag, uitkering bij
                    ontslag en aanspraken ingeval van ziekte.<vet>§ 1. Het algemeen
                    bestuur</vet></al><al><vet>Artikel 3.2 Omvang algemeen bestuur</vet>In de Waterschapswet is, uit
                    oogpunt van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid en slagvaardigheid, de
                    minimale en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd. Het
                    waterschapsbestuur kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden.
                    Om te garanderen dat daadwerkelijk alle belangencategorieën vertegenwoordigd
                    zijn, dient niet alleen de omvang van het bestuur te worden vastgesteld, maar
                    ook het aantal zetels dat daarbinnen toegekend wordt aan ieder van de specifieke
                    categorieën. Op een totale bestuursomvang van minimaal achttien en maximaal
                    dertig zetels zijn zeven tot negen zetels gereserveerd voor de specifieke
                    categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie minimaal één zetel toegewezen
                    krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige zetels zijn voor de
                    categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd ("geborgd") dat bij de
                    taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de
                    algemene én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht
                    aan het functionele karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt
                    van de organen van algemene democratie. Doel van de geborgde zetels is het zeker
                    stellen van de vertegenwoordiging van de onderscheiden belangen in het
                    waterschapsbestuur. Bij de bepaling van de omvang van het bestuur en de
                    aantallen zetels per categorie is rekening gehouden met de mate van het belang
                    van iedere categorie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de omvang van de
                    betaling door een categorie niet meer als zelfstandig criterium wordt gehanteerd
                    omdat dit uit de wet is geschrapt. Daarnaast is de mate van diversiteit van de
                    belangen binnen de categorieën betrokken bij de bepaling van de zetelaantallen.
                    Er zijn de volgende redenen om de ingezetenen een relatief groot aantal zetels
                    in het algemeen bestuur toe te kennen: • De mate van veralgemenisering van de
                    taakuitoefening door de waterschappen (brede taakinvulling en grote verwevenheid
                    met taken algemeen bestuur) rechtvaardigt een maximale zeggenschap van de
                    ingezetenen in het bestuur; • Het democratische gehalte van verkiezingen is het
                    grootst wanneer de bezetting van een zo groot mogelijk aantal zetels wordt
                    bepaald door verkiezingen; • Naarmate er meer zetels te verdelen zijn, is het
                    aantrekkelijker voor belangengroeperingen om een lijst in te dienen. Het door de
                    nieuwe wet geïntroduceerde lijstenstelsel komt dan het meest tot zijn recht. Er
                    zijn 23 zetels beschikbaar voor de categorie ingezetenen en 7 geborgde zetels
                    voor de specifieke belangencategorieën ongebouwd, natuurterreinen en bedrijven.
                    Daarmee is een substantieel aantal zetels beschikbaar voor de verkiezingen
                    (categorie ingezetenen). Dit voorziet voldoende in maximalisatie van het aantal
                    verkiesbare zetels ten behoeve van het democratisch gehalte van het
                    waterschapsbestuur en draagt bij aan de transparantie en de herkenbaarheid van
                    het waterschapsbestuur. De gekozen bestuursomvang biedt tevens voldoende
                    mogelijkheden voor regionale spreiding en representativiteit vanuit de diverse
                    regio’s. In verband met het democratisch gehalte van de verkiezingen zoals in
                    het bovenstaande aangegeven, is gekozen voor het minimum aantal geborgde zetels.
                    Dit betekent 7 geborgde zetels. Immers de specifieke categorieën kunnen ook via
                    de ingezetenenverkiezingen zetels verkrijgen. Een aantal van 7 geborgde zetels
                    voor de specifieke belangencategorieën wordt niet bezwaarlijk geacht, omdat die
                    groeperingen de mogelijkheid hebben een lijst in te dienen. Ze hebben aldus via
                    het democratische proces de mogelijkheid hun positie in het waterschapsbestuur
                    te versterken. Voor de verdeling van de geborgde zetels dient er volgens de wet
                    gekeken te worden naar de aard en omvang van het belang van de categorie.
                    Conform de wet dient elke categorie in ieder geval 1 zetel te hebben. Als
                    grondslag voor het bepalen van het belang is gekozen voor de economische waarde
                    van de onroerende zaak. Dit geeft een indicatie van de aard en omvang van het
                    door het waterschap te beschermen belang en het is een eenvoudige en
                    transparante methode die goed aansluit bij de nieuwe financieringssystematiek.
                    Toepassing van deze methode aangevuld met een bestuurlijke correctie leidt tot
                    de volgende verdeling van de geborgde zetels: ongebouwd 3, natuur 1 en bedrijven
                    3 (zonder bestuurlijke correctie is de verdeling als volgt: ongebouwd 2, natuur
                    1, bedrijven 4). De bestuurlijke correctie wordt gerechtvaardigd geacht vanwege
                    het andersoortige belang van het 'ongebouwd', namelijk de grote mate van
                    inkomensafhankelijkheid van het 'ongebouwd' bij de taakuitoefening door het
                    waterschap. Deze mate van afhankelijkheid is niet in die zin aanwezig bij de
                    categorie bedrijven.</al><al><vet>Artikel 3.3 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels</vet>Voor de
                    categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisaties aan te
                    wijzen die de benoeming doen. Bij de aanwijzing van de organisaties is rekening
                    gehouden met de verschillende te vertegenwoordigen belangen, de
                    organisatiegraad, representativiteit en dekkingsgraad. Uit een oogpunt van
                    transparantie en eenvoud is gekozen voor één organisatie. Hier speelt dat de
                    Land- en Tuinbouw Organisatie Noord een dekkingspercentage kent van circa 50% in
                    het waterschapgebied. Ook zijn vrijwel alle sectoren hierin vertegenwoordigd.
                    Derhalve is de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord aangewezen als benoemende
                    instantie. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de benoemende instantie bij het
                    benoemen andere (kleinere) organisaties met gelijkluidende belangen betrekt. Dit
                    met het oog op een zo goed mogelijke representatieve vertegenwoordiging. De
                    selectie van de vertegenwoordigers is een verantwoordelijkheid van de benoemende
                    organisaties. Voor de categorie natuurterreinen is in gevolge de Waterschapswet
                    het Bosschap belast met de benoeming van kandidaten. Nadere regeling van de
                    benoeming van deze kandidaten in het reglement is niet noodzakelijk.</al><al>(Artikel 3.3, tweede lid) Op 1 januari 2014 is de nieuwe Wet op de Kamer van
                    Koophandel (Wet KvK) in werking getreden (Staatsbladen 2013, 507 en 508). In die
                    wet is tevens een wijziging van de Waterschapswet opgenomen. In de
                    Waterschapswet is bepaald dat de Kamer van Koophandel de vertegenwoordigers van
                    de categorie bedrijven benoemen. Voldoende binding met de desbetreffende regio
                    is voor deze benoemingen van groot belang vanwege het decentraal functioneel
                    waterschapsbestuur en de koppeling tussen belang, betaling en zeggenschap. De
                    vertegenwoordigers van de categorie van bedrijven worden daarom benoemd op
                    voordracht van de regionale raad van de regio van de Kamer van Koophandel die
                    gelegen is in het gebied van het desbetreffende waterschap. Indien binnen het
                    gebied van een waterschap meer dan één regio gelegen is, wordt bij reglement
                    bepaald op welke wijze de betrokken regionale raden tot een voordracht komen. In
                    het Besluit vaststelling regio's (Staatscourant 2014, 1215) heeft de Kamervan
                    Koophandel de volgende regio’s vastgesteld: • Regio Noord: de provincies
                    Groningen, Friesland en Drenthe. • Regio Oost: de provincies Overijssel en
                    Gelderland. • Regio Noordwest: de provincies Noord-Holland, Flevoland en
                    Utrecht. • Regio Zuid: de provincies Limburg en Noord-Brabant. • Regio Zuidwest:
                    de provincies Zuid-Holland en Zeeland.</al><al>Waterschap Vallei en Veluwe is gelegen in regio's Oost en Noordwest. Om deze
                    reden dient bij reglement te worden bepaald op welke wijze de regionale raden
                    tot een voordracht komen.</al><al>Om het systeem zo transparant en eenvoudig mogelijk te houden, hebben wij er in
                    overleg met het waterschap voor gekozen elke regionale raad, naar rato van het
                    aantal leden en het belang van de regionale raad bij de taakbehartiging, een
                    vastgesteld aantal vertegenwoordigers te laten voordragen. De verhouding tussen
                    het aantal leden van de regionale raad en het belang van de regionale raad bij
                    detaakbehartiging door het waterschap is bepalend voor de vastgelegde keuze. Bij
                    de bepaling van de verhouding tussen het aantal leden van de regionale raad en
                    het belang van de regionale raad bij de taakbehartiging door het waterschap is
                    gekeken naar het aantal vervuilingseenheden en de WOZ-waarde per regionale
                    raad.</al><al><vet>Artikel 3.4 Reglement van orde</vet>De Waterschapswet geeft in de artikelen
                    35 tot en met 39 een aantal bepalingen over openbare en besloten vergaderingen
                    en over geheimhouding. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor
                    haar vergaderingen vast. Voor de invulling van dat reglement verdient het
                    aanbeveling zo veel mogelijk aan te sluiten bij de regelingen, die de
                    Gemeentewet en de Provinciewet kennen omtrent onderwerpen van vergaderorde. Met
                    name wordt hierbij gedacht aan het vergaderquorum, het besluitquorum, de wijze
                    van uitschrijven van een nieuwe vergadering en het opstellen van de agenda,
                    stemrecht van de leden, stemprocedures en het bepalen van de stemuitslag. </al><al><vet>§ 2. Het college van dijkgraaf en heemraden</vet></al><al><vet>Artikel 3.5 Omvang college dijkgraaf en heemraden</vet>Ten aanzien van de
                    omvang van het college van dijkgraaf en heemraden kan het reglement alleen
                    bepalen hoeveel leden dit college ten minste en ten hoogste telt. In verhouding
                    tot de omvang van het algemeen bestuur en ter voorkoming van versnippering van
                    bestuurstaken is gekozen voor maximaal 6 bestuursleden naast de dijkgraaf. Meer
                    dan 6 bestuursleden wordt niet doelmatig geacht. In dit reglement is niet
                    gekozen om een minimum aantal leden aan te wijzen. Dit sluit aan bij de huidige
                    situatie.</al><al><vet>Artikel 3.6 Benoeming heemraden </vet> Met de Wet aanpassing
                    waterschapsverkiezingen (Staatsblad 2014, nr. 63) wordt de Kieswet en de
                    Waterschapswet gewijzigd in die zin dat er gecombineerde stembusverkiezingen
                    worden gehouden voor Provinciale Staten en de categorie ingezetenen in het
                    algemeen bestuur van het waterschap. Die gecombineerde verkiezingen vinden voor
                    de eerste keer plaats op 18 maart 2015. Op grond van degewijzigde Kieswet
                    eindigt de zittingsperiode van de huidige algemene besturen op 26 maart 2015.
                    Omdat de periode tussen de verkiezingsuitslag en de installatie van het nieuwe
                    algemeen bestuur nog maar enkele dagen is, is in het gewijzigde artikel 41
                    Waterschapswet bepaald dat de leden van het dagelijks bestuur aanblijven totdat
                    minstens de helft van hun opvolgers is benoemd en deze benoemingen zijn
                    aanvaard. Als uiterste datum voor het vormen van een nieuw dagelijks bestuur
                    geldt een termijn van drie maanden. Deze bepaling geldt ook voor de leden die
                    niet opnieuw tot lid van het algemeen bestuur zijn gekozen of benoemd. Voorts
                    voorziet het nieuwe zesde lid van artikel 41 in plaatsvervanging door de
                    voorzitter totdat het aantal leden van het dagelijks bestuur dat in functie is
                    de bedoelde helft heeft bereikt. De in het eerste lid van artikel 3.6 en de in
                    artikel 3.7 van het reglement opgenomen regeling betreffende de benoeming van de
                    hoogheemraden, het tijdstip waarop die benoeming ingaat en de plaatsvervanging
                    door de voorzitter is met het gewijzigde artikel 41 van de Waterschapswet
                    overbodig geworden en wordt om die reden geschrapt.</al><al><vet>Artikel 3.8 Ontslag op eigen initiatief</vet> Dit artikel vormt een
                    aanvulling op artikel 41 van de wet, waarin het ontslag van de heemraden summier
                    wordt geregeld. Heemraden die hun ontslag nemen, geven hiervan, om
                    bewijsrechtelijke redenen, schriftelijk kennis aan het algemeen bestuur. Deze
                    bepaling komt overeen met de artikelen 42 en 43 van respectievelijk de
                    Provinciewet en de Gemeentewet. De Waterschapswet bevat terzake geen bepalingen.
                    Uit de aard van de rechtshandeling vloeit voort dat opzegging niet met
                    terugwerkende kracht mogelijk is (vergelijk artikel 43 Gemeentewet en 42
                    Provinciewet).</al><al><vet>Artikel 3.9 Vervanging heemraden</vet> Heemraden kunnen worden vervangen
                    door leden van het algemeen bestuur. De vervanging kan door het algemeen bestuur
                    worden geregeld op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden, het
                    betreffende lid van dat bestuur, of uit eigen beweging. Bepalend is of de
                    vervanging nodig is voor een goed functioneren van het betreffende
                    bestuursorgaan. Het tweede lid regelt de vergoeding bij vervanging van een
                    heemraad.</al><al>Artikel 3.10 Reglement van orde Het college van dijkgraaf en heemraden bestuur
                    stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde
                    vast. Een verschil tussen de vergaderingen van het algemeen bestuur en het
                    college van dijkgraaf en heemraden is, dat de vergaderingen van dit college met
                    gesloten deuren worden gehouden, tenzij dit bestuur anders heeft bepaald. Het
                    reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven over de openbaarheid
                    van de vergaderingen van het college van dijkgraaf en heemraden (artikel 42
                    Waterschapswet). Met de toevoeging van de woorden “en andere werkzaamheden”
                    wordt aangesloten bij wat daaromtrent in de praktijk is gegroeid en hetgeen is
                    bepaald in de Provinciewet en de Gemeentewet. In de reglementen van orde worden
                    meer activiteiten geregeld dan alleen de vergaderingen. Andere werkzaamheden
                    kunnen betrekking hebben op de bekendmaking van besluiten, de schriftelijke
                    afdoening van zaken en de procedurele voorbereiding van de in het college van
                    dijkgraaf en heemraden te bespreken nota’s.</al><al>§ 3. De dijkgraaf</al><al>Artikel 3.12 Benoeming dijkgraaf Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van
                    de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt,
                    wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure
                    gevolgd. Een open sollicitatie omvat in elk geval een bekendmaking in de
                    daarvoor geëigende kranten en of vakbladen.</al><al>Artikel 3.13 Woonplaats dijkgraaf Voor het eerste lid van dit artikel inzake de
                    bepaling van de woonplaats van de dijkgraaf is aansluiting gezocht bij artikel
                    71 uit de Gemeentewet. Op basis van het tweede lid kan het algemeen bestuur
                    ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Het algemeen bestuur kan
                    zelf bepalen of en voor welke periode ontheffing wordt verleend.</al><al>§ 4. De secretarisArtikelen 3.14 en 3.15 Benoeming, taken en bevoegdheden
                    secretaris De vervanging van de secretaris wordt geregeld door het algemeen
                    bestuur. De secretaris zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van
                    het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. In verband met
                    die functie is het verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, dat geldt
                    voor leden van het algemeen bestuur, ook van toepassing verklaard op de
                    secretaris. Het algemeen bestuur stelt nadere regels vast omtrent de taak en de
                    bevoegdheid van de secretaris. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet
                    (artikel 103, lid 2) en de Provinciewet (artikel 100, lid 2).</al><al>HOOFDSTUK 4 TOEZICHT </al><al>Artikel 4.1 Toezichtsbevoegdheid In verband met het interprovinciale karakter
                    moet op grond van artikel 164 van de Waterschapswet in het reglement een
                    regeling over toezicht worden opgenomen. In dit artikel is bepaald dat het
                    toezicht gezamenlijk wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van Gelderland
                    en Utrecht. Het waterschap is voor het grootste gedeelte in de provincie
                    Gelderland gelegen. In de provincie Utrecht is echter een zodanig substantieel
                    gedeelte gelegen met een zodanige economische waarde en een zodanig aantal
                    ingezetenen dat gezamenlijk toezicht met die provincie gerechtvaardigd is. Dat
                    geldt niet voor de provincie Overijssel, omdat het waterschap slechts voor een
                    zeer gering gedeelte in die provincie is gelegen.</al><al>Het toezicht omvat zowel de toepassing van de generieke instrumenten
                    (schorsing/vernietiging, indeplaatstreding) als de toepassing van de specifieke
                    instrumenten (goedkeuring, aanwijzing). In verband hiermee dienen
                    meldingsplichtige besluiten aan zowel gedeputeerde staten van Gelderland als
                    gedeputeerde staten van Utrecht te worden toegezonden.</al><al>Artikel 4.2 Meldingen Voor besluiten die niet aan preventief toezicht zijn
                    onderworpen geeft de Waterschapswet in artikel 156 de mogelijkheid van
                    schorsing, eventueel gevolgd door vernietiging. Gedeputeerde Staten kunnen
                    hiertoe spontaan overgaan, dan wel naar aanleiding van een daartoe ingediend
                    verzoekschrift. Het vernietigingsrecht strekt zich uit over alle
                    waterschapsbesluiten. De regels die gelden voor de toepassing van het
                    schorsings- en vernietigingsinstrument zijn vastgelegd in de Waterschapswet en
                    de Algemene wet bestuursrecht. De gronden voor vernietiging zijn strijd met het
                    recht of het algemeen belang. Daarnaast beschikken Gedeputeerde Staten sedert de
                    inwerkingtreding van de Waterwet eind 2009 over het
                    (proactieve)aanwijzingsinstrument. Dat instrument is opgenomen in artikel 3.12
                    van die wet en houdt in dat gedeputeerde staten een aanwijzing kunnen geven
                    omtrent de uitoefening van taken of bevoegdheden door waterschappen, indien een
                    samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat vordert. Het voordeel van
                    dat instrument is dat zo nodig aan de ‘voorkant’ kan worden ingegrepen. Op grond
                    van de Waterschapswet moeten in ieder geval aan gedeputeerde staten worden
                    toegezonden: a besluiten tot vaststelling of wijziging van de keur (artikel 80
                    van de Waterschapswet); b de begroting en begrotingswijzigingen (artikel 101 van
                    de Waterschapswet); c de rekening (artikel 107 van de Waterschapswet); d de
                    verordeningen met betrekking tot de organisatie van de administratie, het beheer
                    en de controle van de vermogenswaarden alsmede de verordening met regels over
                    periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde
                    bestuur (artikel 109b van de Waterschapswet).</al><al>Ook op grond van andere wetten bestaan voor de waterschappen verplichtingen tot
                    toezending van besluiten aan gedeputeerde staten. Dit artikel vult de wettelijke
                    opsomming aan met een categorie besluiten die van wezenlijk belang is voor de
                    taakuitoefening door het waterschap en waarvan derhalve op provinciaal niveau
                    kennis dient te bestaan. Dat betreft besluiten tot oprichting van of deelneming
                    in een rechtspersoon (lid 1, onderdeel a).</al><al>Daarnaast is mede met het oog op een mogelijke (proactieve) toepassing van het
                    aanwijzingsinstrument een toezendingsplicht opgenomen voor de in artikel 4.2,
                    eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid genoemde besluiten of het ontwerp
                    daarvan. Toezending van de ontwerpkeur (eerste lid, onderdeel b) wordt van
                    belang geacht, omdat de keur een belangrijk instrument is voor de uitvoering van
                    het waterbeleid en de uitvoering van het grondwaterbeleid door provincie en
                    waterschap op elkaar moet zijn afgestemd. In artikel 80, tweede lid, van de
                    Waterschapswet is al geregeld dat de vastgestelde keur of een wijziging daarvan
                    wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Toezending van het calamiteitenplan
                    en het ontwerp ervan (eerste lid, onderdeel c) is voorgeschreven vanwege het
                    belang van dit plan gelet op de grote gevolgen die situaties van gevaar in de
                    sfeer van de waterstaatszorg kunnen hebben en vanwege het belang van afstemming
                    van dit plan op soortgelijke plannen van andere overheden. Tot de
                    inwerkingtreding van de Waterwet was de toezending geregeld in artikel 69 van de
                    Waterstaatswet 1900. Toezending van een peilbesluit en het ontwerp ervan (tweede
                    lid) wordt om de volgende reden van belang geacht. Bij het nemen van een
                    peilbesluit is de in het provinciale waterplan aangegeven functie van de
                    desbetreffende oppervlaktewateren leidend. In het licht van die functie moet een
                    afweging plaatsvinden van alle bij het waterbeheer betrokken belangen. Vanwege
                    die belangenafweging die bij de uitwerking van de functietoekenning aan de orde
                    is en die zeer breed kan zijn, is het wenselijk dat gedeputeerde staten van
                    (ontwerp)peilbesluiten kennis nemen. Vanwege de relatie met het waterplan vindt
                    hierbij toezending plaats aan gedeputeerde staten van die provincie op wier
                    grondgebied het peilbesluit betrekking heeft.</al><al>HOOFDSTUK 5 OVERGANGSBEPALINGEN</al><al>§1. Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5.1 Begripsbepalingen Door de verwijzing in de omschrijving van het
                    begrip "datum van instelling" naar de datum van inwerkingtreding van dit
                    reglement, te weten 1 januari 2013, is vastgelegd dat het nieuwe waterschap
                    wordt ingesteld per die datum.</al><al>§2. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden</al><al>Artikel 5.2 Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden Het eerste
                    lid van dit artikel beoogt een soepele overgang mogelijk te maken van de oude
                    naar de nieuwe situatie door de besluiten van de op te heffen waterschappen van
                    kracht te laten blijven. Hierbij wordt gedoeld op algemeen verbindende
                    voorschriften en besluiten van algemene strekking, zoals peilbesluiten. Zo
                    spreekt het vanzelf dat bijvoorbeeld besluiten tot het verlenen van vergunning
                    door de fusie niet aangetast worden.</al><al>Het tweede lid beoogt buiten twijfel te stellen wie bevoegd is ten aanzien van
                    de uitoefening van bevoegdheden als aangegeven in de in het eerste lid bedoelde
                    voorschriften en besluiten.</al><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de overgang van rechten en verplichtingen
                    van de op te heffen waterschappen naar het nieuw te vormen waterschap is
                    geregeld in artikel 5b van de Waterschapswet.</al><al>Artikel 5.3 Reglementen van orde; regelingen vergoedingen; artikel 5.4
                    Instructie secretaris Het wordt wenselijk geacht dat de bestuursorganen van het
                    waterschap alsmede de secretaris die die organen bij de uitoefening van hun taak
                    ter zijde staat, vanaf de datum van instelling naar behoren functioneren. Met
                    het oog daarop is in artikel 5.3 een tijdelijke voorziening getroffen ten
                    aanzien van de reglementen van orde van het algemeen bestuur en van het
                    dagelijks bestuur en ten aanzien van de vergoedingsregelingen van de leden van
                    het algemeen bestuur en in artikel 5.4 ten aanzien van de instructie voor de
                    secretaris.</al><al>Artikel 5.5 Kostentoedelingsverordening; artikel 5.6 Belastingverordeningen Het
                    eerste lid van artikel 5.2 is niet van toepassing op de
                    kostentoedelingsverordening en de belastingverordeningen. Omdat het
                    belastingjaar ingaat op 1 januari is het wenselijk dat deze verordeningen zo
                    spoedig mogelijk na de datum van instelling van het waterschap worden
                    vastgesteld door het voorlopig algemeen bestuur.</al><al>§3. Voorbereidingscommissie </al><al>Artikel 5.9 Voorbereidingscommissie De instelling van een nieuw waterschap vergt
                    een grondige voorbereiding. Hiertoe is het onder meer noodzakelijk dat
                    reglementair wordt voorzien in de instelling van een voorbereidingscommissie die
                    is belast met de voorbereiding van de besluiten die nodig zijn voor het volledig
                    functioneren van het nieuwe waterschap. Dit is geregeld in dit artikel. In het
                    tweede lid is vastgelegd voor welke zaken de besluitvorming in elk geval moet
                    worden voorbereid. Dat betreft de begroting, de meerjarenraming, de
                    kostentoedelingsverordening en de belastingverordeningen. Om te verzekeren dat
                    de afstemming met de zittende bestuursorganen zo optimaal mogelijk verloopt is
                    bepaald dat de voorbereidingscommissie wordt gevormd door de dagelijkse besturen
                    van de op te heffen waterschappen (lid 1) en dat de algemene besturen van de op
                    te heffen waterschappen bij de voorbereiding van de in het tweede lid genoemde
                    aangelegenheden worden betrokken (lid 4).</al><al>§4. Overgangsbestuur</al><al>Algemeen Ter uitvoering van het Bestuursakkoord Water is het wetsvoorstel
                    Wijziging Waterschapswet tot het invoeren van de verkiezing van de
                    vertegenwoordigers voor de ingezetenen in het algemeen bestuur van het
                    waterschap door de leden van de gemeenteraden (verder: het wetsvoorstel) bij de
                    Tweede Kamer ingediend. (noot: Kamerstukken II, 2011-2012, 33097, nr. 2) Beoogd
                    wordt dat deze wijziging van de Waterschapswet in werking treedt voor de
                    reguliere waterschapsverkiezingen in 2012. Het wetsvoorstel voorziet er in dat
                    de reguliere waterschapsverkiezingen-nieuwe-stijl voor het eerst na de
                    gemeenteraadsverkiezingen in 2014 plaatsvinden, en wel op 14 oktober 2014.
                    Uitgangspunt in de Waterschapswet is dat het bestuur van een nieuw in te stellen
                    waterschap wordt samengesteld op basis van kort voor de datum van instelling te
                    houden verkiezingen. In artikel III van het wetsvoorstel is een
                    overgangsbepaling opgenomen die de mogelijkheid geeft om in geval van een fusie
                    van waterschappen in afwijking van dat uitgangspunt reglementair te bepalen dat
                    wordt afgezien van verkiezingen en dat een bestuur wordt aangesteld. Die
                    mogelijkheid bestaat tot 1 januari 2014. Bij deze fusie die plaatsvindt per 1
                    januari 2013 is van die mogelijkheid gebruikgemaakt. De reden is dat het
                    organiseren van tussentijdse indirecte verkiezingen in het najaar van 2012 te
                    veel risico’s met zich brengt vanwege de benodigde voorbereidingstijd van de
                    verkiezingen in samenhang met de onzekerheid betreffende het tijdstip van
                    inwerkingtreding van de wetswijziging als gevolg van de duur van de
                    parlementaire behandeling. In verband hiermee is in deze paragraaf de omvang en
                    samenstelling van het ‘aan te stellen’ bestuur en de toewijzing van de zetels
                    geregeld met inachtneming van de in genoemde overgangsbepaling opgenomen
                    regels.</al><al>Artikel 5.11 Bestuursorganen overgangsbestuur Het ‘aan te stellen’ bestuur is
                    aangeduid als overgangsbestuur. Het bestaat uit een voorlopig algemeen bestuur,
                    een voorlopig dagelijks bestuur en een dijkgraaf. De kwalificatie ‘voorlopig’
                    houdt verband met de omstandigheid dat het om een reglementair aangesteld
                    bestuur gaat. Het is evenwel een volwaardig bestuur. De bestuursorganen zijn
                    belast met dezelfde bevoegdheden van regeling en bestuur als de bestuursorganen
                    die worden samengesteld op basis van verkiezingen.</al><al>Artikel 5.12 Omvang en samenstelling voorlopig algemeen bestuur De omvang en
                    samenstelling van het voorlopig algemeen bestuur is vrijwel identiek aan die van
                    het algemeen bestuur, zoals vastgelegd in artikel 3.2. De enige afwijking is dat
                    het aantal zetels voor de categorie ingezetenen 22 bedraagt (in plaats van 23)
                    en het aantal zetels voor natuur twee (in plaats van één). De reden hiervan is
                    dat een gelijke verdeling van de ingezetenenzetels over de beide op te heffen
                    waterschappen wenselijk wordt geacht. Dat is alleen mogelijk bij een even aantal
                    zetels.</al><al>Artikel 5.13 Bezetting zetels categorie ingezetenen; artikel 5.14 Bezetting
                    geborgde zetels Voor de bezetting van de zetels van het voorlopig algemeen
                    bestuur is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de wijze waarop het zittende
                    algemeen bestuur van elk van beide op te heffen waterschappen tot stand is
                    gekomen. Dat leidt tot de volgende regeling. Zetels categorieingezetenen(artikel
                    5.13). Het stembureau van elk van beide waterschappen bepaalt op basis van de
                    verkiezingsuitslag van 2008 (het destijds bepaalde overzicht van de aantallen op
                    de verschillende partijen uitgebrachte stemmen, zoals vastgelegd in het
                    proces-verbaal) de zetelverdeling. Hierbij wordt uitgegaan van 11 beschikbare
                    zetels (dat waren er 19 in 2008). Bij de toedeling van zetels moeten de regels
                    van de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit, zoals die ingevolge het
                    wetsvoorstel luidden op 13 november 2008, worden toegepast. Die regels zijn
                    opgenomen in artikel 20, vijfde lid, van de Waterschapswet en de paragrafen 14
                    en 15 van het Waterschapsbesluit. Dat kan leiden tot een andere rangschikking
                    van kandidaten per lijst, omdat de kiesdeler moet worden herberekend op basis
                    van het nieuwe aantal beschikbare zetels. Voor de toewijzing van zetels aan
                    kandidaten met voorkeursstemmen geldt op grond van artikel 20, vijfde lid, van
                    de Waterschapswet en hoofdstuk 2, paragraaf 15 van het Waterschapsbesluit een
                    drempel van 25% van de kiesdeler. Dat is de kiesdeler gebaseerd op het nieuwe
                    aantal beschikbare zetels. Zetels categorieën ongebouwd en bedrijven(artikel
                    5.14, lid 1 en 3). LTO Noord en de betreffende Kamers van Koophandel, de
                    benoemende instanties in 2008, benoemen uit de zittende leden voor elk van die
                    categorieën (zijn er nu in elk algemeen bestuur drie, in totaal dus zes) drie
                    leden. Daarbij is vanwege de gewenste afspiegeling bepaald dat ten minste een
                    lid van elke categorie afkomstig is uit het algemeen bestuur van elk waterschap.
                    LTO Noord en de Kamers van Koophandel bepalen dus welk algemeen bestuur een of
                    twee vertegenwoordigers 'levert'. Zetels categorie natuurterreinen (artikel
                    5.14, lid 2). Reglementair is bepaald dat het zittende lid voor de categorie
                    natuurterreinen in elk van beide algemene besturen ook zitting heeft in het
                    voorlopig algemeen bestuur.</al><al>Artikel 5.15 Lidmaatschap Het zittende algemeen bestuur van elk van de op te
                    heffen waterschappen onderzoekt de geloofsbrieven van de leden van het voorlopig
                    algemeen bestuur. Dat onderzoek betreft zowel de leden die met toepassing van
                    artikel 5.13 als vertegenwoordigers van de categorie ingezetenen zijn aangewezen
                    als de leden die met toepassing van artikel 5.14 als vertegenwoordigers van de
                    categorieën ongebouwd, natuurterreinen en bedrijven zijn benoemd. Wat betreft de
                    benoemde leden onderzoekt elk algemeen bestuur de geloofsbrieven van de leden
                    die uit het desbetreffende bestuur afkomstig zijn.</al><al>Artikel 5.16 Zittingsduur voorlopig algemeen bestuur De leden van het voorlopig
                    algemeen bestuur treden af met ingang van 14 oktober 2014. Dat is het tijdstip
                    waarop ingevolge artikel II van het wetsvoorstel de leden van het algemeen
                    bestuur van elk waterschap aftreden in verband met de in 2014 te houden
                    indirecte verkiezingen.</al><al>Artikel 5.18 Omvang voorlopig dagelijks bestuur De omvang van het voorlopig
                    dagelijks bestuur is gesteld op maximaal zes leden. Hierbij is afgeweken van de
                    omvang van het college van dijkgraaf en heemraden van maximaal vier leden, zoals
                    vastgelegd in artikel 3.5. De reden is dat het wenselijk wordt geacht dat het
                    voorlopig dagelijks bestuur in de overgangssituatie van 1 januari 2013 tot medio
                    2014 een zo goed mogelijke afspiegeling vormt van het voorlopig algemeen
                    bestuur. Dat is met maximaal zes leden beter te realiseren.</al><al>Artikel 5.19 Benoeming leden voorlopig dagelijks bestuur Om te waarborgen dat
                    het gebied van elk de op te heffen waterschappen zo herkenbaar mogelijk is
                    vertegenwoordigd in het voorlopig dagelijks bestuur is in het eerste lid bepaald
                    dat bij de benoeming van de leden van dat bestuursorgaan het aantal leden dat
                    afkomstig is uit het ene algemeen bestuur zoveel mogelijk gelijk is aan het
                    aantal leden dat afkomstig is uit het andere algemeen bestuur. Dat betekent dat
                    bij een omvang van zes leden de verdeling drie om drie is en bij een omvang van
                    vijf leden drie om twee.</al><al>Artikel 5.20 Interim-dijkgraaf; artikel 5.21 Benoeming eerste dijkgraaf Op grond
                    van artikel 3.21, lid 1, van het Waterschapsbesluit kan aan de zittende
                    dijkgraven bij koninklijk besluit ontslag worden verleend wegens opheffing van
                    de beide waterschappen. Daarin behoeft dus niet te worden voorzien in dit
                    reglement.</al><al>Voor de benoeming van de dijkgraaf voor het nieuwe waterschap moet op grond van
                    artikel 46 van de Waterschapswet een aanbeveling worden opgemaakt door het
                    algemeen bestuur. De in artikel 3.12 van dit reglement opgenomen regels zijn
                    daarop van overeenkomstige toepassing.</al><al>Omdat het wenselijk wordt geacht dat de periode waarin de interim-dijkgraaf
                    optreedt zo kort mogelijk is, voorziet artikel 5.21 erin dat de eerste maal de
                    aanbeveling voor de benoeming van een dijkgraaf wordt opgemaakt door het
                    voorlopig algemeen bestuur.</al><al>Artikel 5.20 voorziet erin dat de interim-dijkgraaf die voor de tussenperiode
                    optreedt wordt benoemd door gedeputeerde staten van Gelderland en van Utrecht op
                    basis van een voordracht van de voorbereidingscommissie. Om te verzekeren dat de
                    interim-dijkgraaf dezelfde rechtspositie heeft als een dijkgraaf wat betreft
                    bezoldiging en recht op uitkering zijn de artikelen 3.24 tot en met 3.41 van het
                    Waterschapsbesluit en de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al>§5. Rechtspositie</al><al>Artikel 5.23 Rechtspositieregeling van de ambtenaren Bij reorganisaties als de
                    onderhavige is het gebruikelijk dat de wijze waarop het personeel overgaat en de
                    overige rechtspositionele gevolgen worden vastgelegd in een sociaal statuut. Het
                    is wenselijk dat dit sociaal statuut in een zo vroeg mogelijk stadium wordt
                    vastgesteld, zodat althans een voorlopige inpassing van het personeel op basis
                    van het sociaal statuut heeft plaatsgevonden op het moment dat het nieuwe
                    waterschap gaat functioneren. Het sociaal statuut is op basis van artikel 5.2
                    ook van toepassing op het nieuwe waterschap.</al><al>HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 6.1 Wijzigingen van beperkte strekking Artikel 6 van de Waterschapswet
                    maakt het mogelijk bij een interprovinciaal waterschap bij reglement te bepalen
                    dat reglementswijzigingen van beperkte strekking kunnen worden opgedragen aan
                    een van de provinciale staten. Dit artikel voorziet hierin. Alleen
                    reglementswijzigingen die aan goedkeuring van de minister zijn onderworpen,
                    vergen een gemeenschappelijk besluit van de provinciale staten van de drie
                    provincies. Daarvan is sprake als de taken of het gebied van het waterschap
                    worden gewijzigd.</al><al>Artikel 6.3 Inwerkingtreding Het reglement treedt in werking met ingang van 1
                    januari 2013. De datum van instelling zoals omschreven in artikel 5.1 is
                    dezelfde datum. De artikelen 5.9, en 5.23 treden in werking met ingang van de
                    dag na de datum van uitgifte van het laatst uitgegeven Provinciaal Blad waarin
                    deze regeling wordt geplaatst. Indien het laatst uitgegeven Provinciaal Blad
                    waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 april 2012, werken
                    de artikelen 5.9 en 5.23 terug tot en met 1 april 2012. Deze bepalingen
                    betreffen de zaken die voorafgaand aan de instelling van het nieuwe waterschap
                    moeten worden geregeld, te weten de voorbereidingscommissie en de rechtspositie
                    van het personeel. De artikelen 5.13, 5.14, 5.15 en 5.20 werken terug tot en met
                    1 november 2012.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>