<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR231921_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Arnhem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Arnhem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arnhemse Koerier, 27 november 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten­­­ 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 221 van de Gemeentewet­</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 24-09-2013, doc nr. 2013.0.089.901; zaak 2013-09-00558</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN BELASTINGEN OP ROERENDE WOON-
                EN BEDRIJFSRUIMTEN 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, die duurzaam aan een
                            plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent
                            gebruik;</al><al>b woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan
                            worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel
                            volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;</al><al>c bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als
                            woonruimte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastingplicht </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>1 Onder de naam “belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten”
                            worden ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe
                            belastingen geheven:</al><al>a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit,
                            beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;</al><al>b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht. </al><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><al> a gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven; </al><al> b het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter
                            beschikking heeft gesteld. </al><al>3 Degene die een in het vorige lid bedoelde bedrijfsruimte in gebruik
                            heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
                            als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in
                            gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastingobject</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>1 Als één ruimte wordt aangemerkt: </al><al> a een binnen de gemeente gelegen ruimte; </al><al> b een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn
                            indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; </al><al> c een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in
                            onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in
                            gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar
                            behoren; </al><al> d het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde
                            ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in
                            onderdeel c bedoeld samenstel. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden
                            toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                            worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze
                            zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
                            nemen.</al><al>2 In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een
                            bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in
                            een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van
                            beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde, indien die leidt
                            tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de
                            berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:</al><al>a de aard en de bestemming van die ruimte;</al><al>b de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en
                            functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in
                            aanmerking wordt genomen.</al><al>3 In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            woonruimte dat deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet
                            1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
                            onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming
                            van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een
                            tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout
                            te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer
                            noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de
                            woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.</al><al>4 Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en
                            onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde
                            die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.</al><al>5 Bij de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden blijft
                            buiten aanmerking de waarde-verhogende invloed van de bouw, daaronder
                            begrepen verbouwing of verbetering van een roerende woon- of
                            bedrijfsruimte, zolang die bouw nog niet is voltooid of geen
                            voltooiingverklaring is afgegeven, dan wel zolang die roerende woon- of
                            bedrijfsruimte nog niet is gereedgekomen voor gebruik overeenkomstig de
                            bestemming die met de bouw wordt beoogd. </al><al>6 Indien een roerende woon- of bedrijfsruimte geheel wordt verbouwd,
                            gepaard gaande met gedeeltelijke afbraak en met herbouw, een en ander
                            van een zodanige omvang dat naar maatschappelijke opvatting met die
                            verbouwing de stichting van een geheel nieuwe of een nagenoeg geheel
                            nieuwe roerende woon- of bedrijfsruimte wordt beoogd, wordt voor de duur
                            van de verbouwing de waarde van die woon- of bedrijfsruimte buiten
                            aanmerking gelaten.</al><al>7 Indien de bouw, verbouwing of verbetering zover is gevorderd dat een
                            gedeelte daarvan is gereedgekomen voor gebruik overeenkomstig de
                            bestemming, is het bepaalde in het vijfde onderscheidenlijk het zesde
                            lid met betrekking tot dat gedeelte niet van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vrijstellingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van:</al><al>a glasopstanden, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit
                            cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de
                            land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond,
                            alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend
                            wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond
                            als voedingsbodem te gebruiken;</al><al>b ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of
                            voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige ruimten die dienen als woning;</al><al>c ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken
                            die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van
                            delen van zodanige ruimten die dienen als woning;</al><al>d ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van
                            delen van zodanige ruimten die dienen als woning;</al><al>e werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat
                            beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                            niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken;</al><al>f bedrijfsruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                            publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                            bedrijfsruimten die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                            onderwijs;</al><al>g ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt ten behoeve van
                            begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                            uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning.</al><al>2 De vrijstelling met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel f,
                            bedoelde ruimte geldt niet voor de </al><al> eigenarenbelasting voor zover de gemeente van die ruimten niet het
                            genot heeft krachtens </al><al>eigendom, bezit of beperkt recht.</al><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de </al><al> gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten
                            van de bedrijfsruimte die in </al><al> hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Waardepeildatum</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1
                                januari 2013 heeft. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2014. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte
                                op de waardepeildatum verkeert. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastingtarieven </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>1 Het belastingbedrag is een percentage van de heffingsmaatstaf
                            (WOZ-waarde). </al><al>Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2499% </al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting </al><al> 1 voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                    0,2101%</al><al> 2 voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                    0,3087%</al></li></lijst><al>2 Belastingbedragen van minder dan € 9,00 worden niet opgelegd.</al><al>3Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het totaal </al><al>van de op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            roerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingaanslag.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wijze van heffing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>1 De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de
                            maand volgende op die waarin de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            gesteld.</al><al>2 In afwijking van het eerste lid kunnen de aanslagen in acht gelijke
                            termijnen worden betaald, indien aan het navolgende wordt voldaan:</al><al>a De aanslagen zijn binnen veertien dagen na de dag tekening van het
                            aanslagbiljet aangemeld voor de automatische betalingsincasso;</al><al>b het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                            belastingen op roerende woon- of bedrijfsruimten of andere heffingen
                            moet niet meer zijn dan € 5.000,00;</al><al>c de verschuldigde bedragen moeten door middel van automatische
                            betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen
                            worden afgeschreven.</al><al>De eerste termijn vervalt dan op de laatste dag van de maand volgende op
                            die waarin de dagtekening van het aanslagbiljet is gesteld en elk van de
                            volgende termijnen telkens een maand later.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen op
                            roerende woon- en bedrijfsruimten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>1 De ‘'Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten
                            2013' van 5 november 2012 wordt ingetrokken met ingang van de in het
                            derde lid genoemde datum van ingang van de heffing met dien verstande
                            dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                            datum hebben voorgedaan.</al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na die
                            van de bekendmaking.</al><al>3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al><al>4 Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening belastingen op
                            roerende woon- en bedrijfsruimten 2014'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>