<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR230791_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2012 Gemeente Laarbeek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">&lt;a title="Laarbeeker,
                huis-aan-huisblad" href="http://www.laarbeek.nl"&gt;Laarbeeker,
                huis-aan-huisblad&lt;/a&gt;</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-07-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Bouwverordening 2010 gemeente Laarbeek</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2012 Gemeente Laarbeek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                                1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bouwtoezicht: degene die ingevolgde artikel 92, twee3de lid, van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast is met hetbouw- en
                                woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                burgemeester en wethouders is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven norm. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Straatpeil: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></lid><lid><lidnr>15</lidnr><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaarten, met rode contouren, als zodanig
                                is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>De resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>Vervallen.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitg. 2003.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al/></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag steeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet
                                    rechtvaardigen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                bouwvergunningverlening </vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                            verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                            voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                    verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist;
                                    en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al></li><li nr=""><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                    wordt gehandhaafd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kunnen
                            het bevoegdgezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning, in
                            het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                            onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan
                            wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de
                            Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                            eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is
                            voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog
                            geschikt kan worden gemaakt.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                            verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                            bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</vet></al><al><vet>Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                    ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de
                                    evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                    mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                    bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van
                                    de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                    aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte
                                    van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as
                                    van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                    gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                            voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen
                            met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                            niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II
                                    bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                    bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht:</al></li><li nr=""><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr=""><al>2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits de grens van de
                                    weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al><al>e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                    bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met
                                    het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                    aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                    komt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                    nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                    vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld inartikel 2,
                                    onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                    waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                    die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                voorgevelrooilijn.</vet></al><al><vet>Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al></li><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                    afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                    verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                    afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                    bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst><al> 3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                            maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                            voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op
                            onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de
                            bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind,
                            met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet
                            groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al></li><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                    3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                    bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking
                                    is gebaat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al></li><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                    vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                    ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                    grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien
                                    meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                    kan worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                    andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                    voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                    herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der
                                    onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                    gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                    rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd
                                    of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op
                                    een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                    afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                    tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                    afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen,
                                    welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                    geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al/></li></lijst><al>2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen
                            een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in
                            het belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten
                            minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter
                            terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al/><al>3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                            van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                            het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken,
                            voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen
                            met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is
                            niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                    gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw,
                                    voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel
                                    7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                            rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17
                                    van bijlage II bij het bestuit omgevingsrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li></lijst><al> c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><lijst><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                    bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                    handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen
                                    dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                    bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                    onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                    en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                    afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al></li><li nr=""><al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is
                                            aanwezig;</al><al> 2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                            twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen,
                                            aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                                            spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                            terrein slechts aan één van die zijden mag worden
                                            bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot
                                            stand wordt gebracht;</al></li><li nr=""><al>3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                            bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van
                                            het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand
                                            verbeterd.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                            bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen
                            delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de
                            hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                            gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                            nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al/><al>2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                            hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al><al/><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                            achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                            beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke
                            5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de
                            gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een
                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                            dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                            voorgevelrooilijn.</al><al/><lijst><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al><al/></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al>2. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                            verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                            gelegen weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                            derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24
                            is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                    dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                    als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                    voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                    breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                    breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product
                                    van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                    plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                    meter.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                            2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan
                            het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                            voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                    andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                    vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                    indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                    gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                    handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                    bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                    overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking
                                    is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                    andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                    soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                    meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                    1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                    afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                    erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                    verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                    1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                                ge val van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28,
                            kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met
                            overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het
                            verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                    beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                    is;</al></li></lijst><al> c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                            toekomstig ruimtelijk beleid;</al><lijst><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                    ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                    bevat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij
                                of in gebouwen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                    aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                    zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed
                                    bereikbaar is, moet - voor zover de omvang of de bestemming van
                                    het gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het
                                    parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn
                                    aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het
                                    onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="2."><al>Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                    aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                    zijnde een gebied: a waarin de bereikbaarheid per openbaar
                                    vervoer in de toekomst uitstekend of goed zal zijn; en b waarin
                                    tevens, totdat die verbeterde bereikbaarheid is verwezenlijkt,
                                    van gemeentewege voor aanvullende parkeer- of stallingruimte
                                    wordt zorg gedragen; moet - voor zover de omvang of de
                                    bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve
                                    van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte
                                    zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                    het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="3."><al>Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente
                                    dan wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang
                                    of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet
                                    ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende
                                    mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel
                                    op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                    Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of
                                    de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                    gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                    vervoer.</al></li><li nr="4."><al>De - in de voorgaande leden bedoelde - ruimten voor het parkeren
                                    van auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                    gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten:</al></li><li nr=""><al>- ten minste 2,50 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
                                            6,00 m bedragen bij haaks of gestoken parkeren;</al></li><li nr=""><al>- ten minste 2,00 m bij 6,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
                                            6,00 m bedragen bij langs parkeren;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li></lijst><al>6. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                            van het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde en het vijfde lid:
                            a voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                            dan wel laad- of losruimte wordt voorzien; b indien het voldoen aan die
                            bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit,
                            tot welke bijzondere omstandigheden - voor wat betreft de toepassing van
                            het eerste en het tweede lid - in elk geval worden gerekend: een te
                            verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of
                            bezoekers van het gebouw; een te verwachten meer dan gemiddeld aantal
                            klanten of bezoekers, indien het gebouw bestemd is voor de vestiging van
                            één of meer detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of
                            vermakelijkheid; een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan
                            wel garagebedrijf.</al><al/><al/><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                brandmeldinstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                hulpverleningsdiensten</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                erven en terrei- nen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al> Vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr/><al>Vervallen</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1</label><titel>gebruikvergunning</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al><al/><al/><al> Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                                bij brand</al><al/><al><vet>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al/><al>6.<vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                                brandveiligheid</vet></al><al>6. Vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7.</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                gebrek aan hygiëne</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf </vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                            Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op tien.</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al/><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al> Vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8.</nr><titel>Slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al/><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor
                            het slopen</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al> Vervallen. </al><al/><al/><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning
                                voor het slopen</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                asbest</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                tuinbouwkassen</vet></al><al> Vervallen</al><al/><al/><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al> Vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9.</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.1</nr><titel>Benoemingsprocedure</titel></kop><al>De gemeente wijst op voordracht van het college van burgemeester en
                            wethouders de vereniging ‘Welstandszorg Noord Brabant’ aan als de
                            welstandscommissie. Welstandszorg Noord Brabant legt de gemeente een
                            lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de
                            rayonarchitect, de externe deskundigen en hun plaatsvervangers. Indien
                            gewenst, vindt overleg plaats tussen Welstandszorg Noord Brabant en de
                            gemeente. Voor de (eventuele) benoeming van burgerleden en hun
                            plaatsvervangers geldt een afwijkende procedure. De gemeente kan
                            burgerleden voordragen ter benoeming. Alvorens dit te doen, overleggen
                            burgemeester en wethouders met Welstandszorg Noord Brabant over het
                            gewenste profiel van het burgerlid of de burgerleden. Er mogen maximaal
                            twee burgerleden in de welstandscommissie worden benoemd. Burgerleden
                            ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding. Alle leden van de
                            welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een
                            periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens
                            drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de
                            commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De
                            rayonarchitect kan zich door een collega-rayonarchitect laten vervangen.
                            De voorzitter, de rayonarchitect, de externe deskundigen, het
                            (eventuele) burgerlid/de burgerleden en hun plaatsvervangers zijn
                            onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke
                            organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het
                            advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is
                            beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie
                            streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                            ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.2</nr><titel>Samenstelling commissie</titel></kop><al>De welstandscommissie bestaat uit, twee rayonarchitecten van
                            Welstandszorg Noord Brabant en tenminste een vertegenwoordiger van de
                            gemeente Laarbeek. De welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht
                            laten bijstaan door extra deskundigen van het bureau van Welstandszorg
                            Noord Brabant of daarbuiten. Dit betreft disciplines als cultuur- en
                            bouwhistorie, en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan
                            dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de
                            vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn
                            benoemd door de gemeente. De welstandscommissie kan slechts adviezen
                            uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn (waaronder de
                            rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en waarvan ten minste twee leden
                            deskundig zijn op het gebied van welstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Taakomschrijving</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.1</nr><titel>Taakomschrijving welstandscommissie</titel></kop><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                            wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de
                            welstandscommissie worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en de
                            gemeentelijke bouwverordening. De commissie is beleidsmatig gebonden aan
                            het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de
                            gemeentelijke welstandsnota. </al><al/><al><vet>1.</vet><vet> Wettelijke taken</vet></al><al>a.Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet.
                            Aanvragen omgevingsvergunning voor bouwen worden in de regel binnen twee
                            weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</al><al>b. Jaarverslag welstandscommissie. De welstandscommissie legt de
                            gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar
                            verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie ten minste
                            uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                            welstandscriteria. Ten minste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van
                            het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de welstandscommissie. </al><al/><al><vet>2.</vet><vet>Niet wettelijk verplichte taken </vet></al><al>De welstandscommissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de
                            volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:</al><lijst><li nr="a."><al>Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke
                                    APV).</al></li><li nr="b."><al>Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie,
                                    de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren
                                    met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen.</al></li><li nr="c."><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                                    ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit
                                    in de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.2</nr><titel>Taakomschrijving commissieleden</titel></kop><al><vet>1. </vet><vet> Taken van de rayonarchitect </vet></al><al>De rayonarohitect van Welstandszorg Noord Brabant is
                            secretarisdeskundige van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd
                            lid van de welstandscommissie de eerste gesprekken - het vooroverleg -
                            met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden,
                            verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen
                            in de welstandscommissie voor. De plannen waarvoor de rayonarchitect een
                            mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder
                            4.2 Gemandateerde behandeling).</al><al>De rayonarchitect stelt de agenda voor de commissievergadering op en
                            geeft die door aan de behandelend ambtenaar vanbouw- en woningtoezicht.
                            Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de
                            bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid
                            voor het betreffende plan en/of gebied. Onder de verantwoordelijkheid
                            van de rayonarchitect wordt de beraadslaging en conclusie over een
                            bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen
                            twee weken na de commissievergadering verzonden wordt. </al><al/><al><vet>2.</vet><vet> Taken voorzitter </vet></al><al>De voorzitter van de welstandscommissie is in principe gekozen uit de
                            kring van gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het
                            functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij
                            let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het
                            gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de
                            voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in
                            het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen
                            bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg
                            is besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte
                            samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. </al><al>De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de
                            gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt
                            ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een
                            voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De
                            voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda. Bij het overleg
                            met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de
                            voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert
                            met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de
                            werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het
                            jaarlijks verslag van de welstandscommissie. </al><al/><al><vet>3.</vet><vet> Taken externe deskundigen </vet></al><al>In de commissies hebben ten minste twee externe deskundigen op het
                            gebied van de architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun
                            ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                            adviesaanvragen. Op het moment dat een extern commissielid op de een of
                            andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat
                            hij/zij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij
                            langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt
                            en waarbij de extern deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze
                            in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Werkwijzebouw- en woningtoezicht</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Werkwijze van de welstandscommissie</titel></kop><al><vet>1.</vet><vet>Vooroverleg over bouwplannen </vet></al><al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                            aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de welstandscommissie toe te
                            lichten en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van
                            het vooroverleg. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats.
                            Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager
                            en de welstandscommissie. </al><al/><al><vet>2.</vet><vet>Gemandateerde behandeling</vet></al><al>De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                            bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                            bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is
                            dat de rayonarchitect alleen de plannen beoordeelt van een relatief
                            geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere
                            vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden
                            verondersteld. Bij twijfel legt de rayonarchitect het bouwplan voor aan
                            de welstandscommissie. De rayonarchitect heeft voor
                            omgevingsvergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve
                            adviezen uit te brengen. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor
                            het welstandsadvies. Ten minste één keer per jaar vindt overleg plaats
                            tussen de rayonarchitect en de welstandscommissie over het mandaat. </al><lijst><li nr="a."><al>Mandaat ‘kleine commissie’.</al><al> De gemandateerde rayonarchitect wordt - op verzoek van de
                                    welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan
                                    door een ander commissielid. Deze ‘kleine commissie’ beschikt
                                    over hetzelfde mandaat als de rayonarchitect. </al></li><li nr="b."><al>Het mandaatadvies.</al><al> De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan burgemeester
                                    en wethouders over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing
                                    van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in
                                    verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                                    daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van welstand’
                                    (art. 12 lid 1 van de Woningwet). </al><al> Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals
                                    opgenomen in de welstandsnota. Een positief mandaatadvies wordt
                                    uitgebracht door een stempel ‘geen bezwaar’ op het
                                    adviesformulier te plaatsen. Een negatief mandaatadvies wordt
                                    schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante
                                    criteria uit de welstandsnota. </al></li><li nr="c."><al>Openbaarheid gemandateerde behandeling. De behandeling van
                                    bouwplannen onder mandaat is besloten. De agenda wordt niet
                                    gepubliceerd.</al></li><li nr="d."><al>Toelichting opdrachtgeverontwerper.</al><al> Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid
                                    gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te
                                    wonen. Indien zij hun plan willen toelichten, vermelden ze dit
                                    op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bijbouw- en
                                    woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. </al></li></lijst><al>e Spreekrecht.</al><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot
                            spreekrecht geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben
                            spreekrecht.</al><al/><al><vet>3.</vet><vet> Openbare commissievergadering </vet></al><al>De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                            rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                            bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken rayonarchitect, voorzitter
                            en externe deskundigen tijdens de commissievergadering). De openbaarheid
                            geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en
                            voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is
                            niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet
                            Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van
                            openbaarheid niet opweegt tegen dein art. 10, tweede lid, van die wet
                            genoemde belangen.</al><lijst><li nr="a."><al>Locatie vergadering</al><al> De welstandscommissie vergadert op een vaste locatie in het
                                    rayon. Bij de behandeling van belangrijke bouwplannen kan - op
                                    verzoek van de gemeente - worden besloten om in de eigen
                                    gemeente te vergaderen. </al></li><li nr="b."><al>Publicatie agenda</al><al> De agenda voor de commissievergadering wordt ter inzage gelegd
                                    in het gemeentehuis. Via het huis-aan-huis blad worden de
                                    burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de
                                    commissievergadering. </al></li><li nr="c."><al>Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al> Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid
                                    gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen. Indien zij
                                    hun plan willen toelichten, vernielden ze dit op het daarvoor
                                    bestemde formulier of rechtstreeks bijbouw- en woningtoezicht.
                                    De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. </al></li><li nr="d."><al>Spreekrecht</al><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot
                                    spreekrecht geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben
                                    spreekrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>4.</vet><vet> Het welstandsadvies</vet></al><al>De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen
                            uit aan burgemeester en wethouders over de vraag of ‘het uiterlijk en de
                            plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in
                            verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet
                            in strijd is met redelijke eisen van welstand’ (art 12 lid 1 van de
                            Woningwet). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals
                            opgenomen in de welstandsnota. Een welstandsadvies kan de volgende
                            uitkomsten hebben: </al><al>a.Akkoord</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van
                            toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies
                            schriftelijk. </al><al/><al>b. Akkoord mits </al><al>De commissie adviseert aan burgemeester en wethouders het plan te laten
                            aanpassen omdat het volgens de van toepassing zijnde criteria op een
                            aantal punten (nog) niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een
                            akkoord mits wordt gegeven als de commissie van mening is dat de
                            aanvrager kan volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft
                            toegestemd c.q. dit redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente
                            controleert of de definitieve bouwtekening in overeenstemming is met de
                            voorwaarden van de welstandscommissie. </al><al/><lijst><li nr="c."><al>Niet akkoord</al><al>De commissie brengt een negatief advies uit aan burgemeester en
                                    wethouders omdat het plan volgens de van toepassing zijnde
                                    welstandscriteria niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
                                    Een negatief advies wordt gegeven als de commissie van mening is
                                    dat een bouwplan ingrijpend moet worden aangepast. Adviseert de
                                    commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke
                                    motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende
                                    plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                                    welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het
                                    plan op die punten. De gemeente maakt een inschatting of de
                                    gevraagde aanpassingen nog binnen de vereisten van het
                                    bestemmingsplan en de resterende vergunningtermijn te realiseren
                                    zijn. Indien dat niet mogelijk is, betekent het negatief advies
                                    dat de vergunning opnieuw moet worden aangevraagd. </al><al/></li><li nr="d."><al>Aanhouden</al><al>De welstandscommissie kan het advies aanhouden – waar bijbouw-
                                    en woningtoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen
                                    de resterende vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een
                                    toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. </al><al/></li></lijst><al><vet>5.</vet><vet> Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</vet></al><al>Burgemeester en wethouders hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op
                            andere dan welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De
                            redenen voor afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden
                            vermeld. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen, eventueel op advies van de
                            welstandscommissie, gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de
                            welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de
                            vastgelegde criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand.
                            burgemeester en wethouders verwijzen in dat geval naar de algemene
                            criteria in de welstandsnota.</al><al/><al><vet>6.</vet><vet> Second opinion</vet></al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders
                            eerst de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van
                            het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt
                            gevraagd, wordt dit gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second
                            opinion wordt de bouwaanvraag voorgelegd aan een commissie buiten het
                            Gelders Genootschap. Hierover neemt de gemeente contact op met de
                            Federatie Welstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Evaluatie welstandstoezicht</titel></kop><al><vet>1.</vet><vet> Jaarverslag </vet><vet>burgemeester en wethouders</vet></al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad ten minste eenmaal per
                            jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten: </al><al>a. Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                            welstandscommissie.</al><lijst><li nr="b."><al>In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                                    lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben
                                    voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing
                                    hebben gegeven aan de welstandscriteria.</al></li><li nr="c."><al>In welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12
                                    eerste lid Ww, zij zijn overgegaan tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.</vet><vet> Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al>Zie onder punt 9.2.1 ‘wettelijke taken’ </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Bij de aanvraag om de in artikel 61 van de Woningwet bedoelde vergunning
                            moet worden aangegeven voor welk doel de onbewoonbaar verklaarde woning
                            of woonwagen zal worden gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het kenteken met de woorden 'onbewoonbaar verklaard', bedoeld in
                                    artikel 31 van de Woningwet, bestaat uit een bord van ten minste
                                    120 mm lang en 70 mm hoog, waarop de tekst met duidelijke
                                    letters, van ten minste 15 mm hoog, is aangegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het kenteken wordt van gemeentewege aan de toegangsdeur van de
                                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen bevestigd.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het in het tweede lid bedoelde kenteken niet tevens
                                    vanaf de weg zichtbaar is, dient er een tweede kenteken met
                                    daarop de aanduiding van de woning of woonwagen bevestigd dan
                                    wel geplaatst te worden op een van de weg af in het oog vallende
                                    plaats.</al></li></lijst><al> 4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van
                            overeenkomstige toepassing op de onbruikbaar verklaarde
                            standplaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al> vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al> Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een </al><al> aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 januari 2012
                            en </al><al> waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de </al><al> bouwverordening van toepassing, zoals die luidden voor deze wijziging,
                            tenzij </al><al> de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dezelfde dag na die
                                    waarop zij is afgekondigd.</al><al> Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit </al><lijst><li nr="-"><al>van 15 oktober 2010, vaststelling van de gewijzigde
                                            Bouwverordening gemeente Laarbeek;</al></li><li nr="-"><al>van 19 december 2002, vaststelling van de gewijzigde
                                            Bouwverordening gemeente Laarbeek;</al></li><li nr="-"><al>van 17 maart 2005, vaststelling van de gewijzigde
                                            Bouwverordening gemeente Laarbeek;</al></li><li nr="-"><al>van 9 juli 2009, vaststelling van de gewijzigde
                                            Bouwverordening gemeente Laarbeek.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>En alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    'bouwverordening'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 25 oktober 2012.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al><al/><al>Hoogachtend,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>de heer M.H.C.M. van der Aa de heer J.G.M.T. Ubachs</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al/><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening </al><al>Vervallen.</al><al/><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening </al><al>Vervallen.</al><al/><al>Artikel 3 Funderingsplan </al><al>Vervallen.</al><al/><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens </al><al> Vervallen.</al><al/><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan </al><al>Vervallen.</al><al/><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen </al><al>Vervallen.</al><al/><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen </al><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.3</al><al/><tussenkop>Paragraaf 1 Opslag van vloeistoffen met een vlampunt (bij een druk van
                    100 kPa) hoger dan 55° C in ondergrondse tanks</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1.1 Constructievoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De tank moet een cilindrische vorm hebben en voldoen aan de
                            'Voorschriften voor stalen tanks voor ondergrondse opslag van vloeibare
                            brandstof' (K3-producten) volgens NEN 3350, uitg. 1991. Indien in de
                            tank verwarmde olie wordt opgeslagen moet tevens voldaan worden aan de
                            voorschriften volgens NEN 3350, uitg. 1991. Het bewijs waarin vermeld is
                            dat de tank aan bovenstaande bepalingen voldoet, afgegeven door het
                            Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen (KIWA) moet aan
                            burgemeester en wethouders vóór het in gebruik nemen van de tank worden
                            overgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De tank moet tegen corrosie zijn beschermd door een bekleding als
                            omschreven in NEN 3350, uitg. 1991.</al></li><li nr="3."><al>De waterafvoeropening en de ontluchtingsleiding moeten elk op een ander
                            einde van de tank zijn aangebracht.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 Installatievoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De bekleding moet ter plaatse waar de tank wordt ingegraven worden
                            gecontroleerd door afvonken en eventuele beschadigingen moeten worden
                            bijgewerkt. Het onderzoek op dichtheid van de tank en de daarop
                            aangesloten leidingen moet opnieuw geschieden nadat de tank is geplaatst
                            door beproeving met lucht bij een inwendige overdruk van 30 kPa met
                            behulp van een U-vormige open pijp en een waterkolom, of met water bij
                            een inwendige overdruk van 200 kPa. Bij beproeving met lucht mag
                            eventueel product in de tank aanwezig zijn. Bij deze beproeving moet de
                            druk gedurende ten minste 15 minuten constant blijven. Een bewijs
                            hiervan, afgegeven door het KIWA of een door een instituut erkende
                            deskundige, moet vóór het in gebruik nemen van de tank aan burgemeester
                            en wethouders worden overgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De tank moet zover worden ingegraven, dat de dekking boven het
                            mangatdeksel ten minste 300 mm bedraagt. Onder de tank moet een laag
                            ingewaterd zand zijn aangebracht, ten minste 300 mm dik. De ruimte
                            rondom de tank moet zijn opgevuld met een laag schoon zand, welke ten
                            minste 300 mm dik is en waaruit stenen, sintels, grind en andere harde
                            voorwerpen zorgvuldig zijn verwijderd. Het mangat of de mangaten moeten
                            gemakkelijk bereikbaar zijn. De sleuven van ondergrondse pijpleidingen
                            moeten eveneens met schoon zand worden aangevuld. Indien zeker gesteld
                            is, dat de uitgegraven grond geen harde voorwerpen bevat, mag voor het
                            opvullen deze grond in plaats van zand worden gebruikt.</al></li><li nr="3."><al>De tank moet enigszins hellend zijn opgesteld en van een opening zijn
                            voorzien zodat eventueel in de tank aanwezig water op een eenvoudige
                            wijze kan worden verwijderd. Desgewenst kan de peilopening voor dit doel
                            worden gebruikt. De ontluchtingsleiding moet zich aan het hoogst gelegen
                            einde bevinden.</al></li><li nr="4."><al> De tank moet zo nodig tegen opdrijven en verzakken zijn beschermd. De
                            tank mag niet zijn ingegraven op een plaats waar zwaar verkeer
                            plaatsheeft, tenzij bijzondere voorzieningen zijn getroffen tot het
                            tegengaan van gevaar van beschadiging van de tank of de leidingen.</al></li><li nr="5."><al>De tank, de appendages en de leidingen moeten vloeistofdicht zijn.</al></li><li nr="6."><al>Tenzij op grond van een rapport van het Keuringsinstituut voor
                            Waterleidingartikelen (KIWA) kan worden aangetoond, dat de specifieke
                            weerstand van de grond op de plaats waar de tank komt te liggen meer dan
                            500 kΩ/m bedraagt, moet de tank met de daarop aansluitende ondergrondse
                            leiding uitwendig tegen corrosie zijn beschermd door middel van een
                            kathodische bescherming, welke jaarlijks op haar goede werking moet
                            worden gecontroleerd door het KIWA (indien gewenst kan de controle op
                            aanvraag ook door het VEG Gasinstituut of het Metaalinstituut TNO worden
                            uitgevoerd) en welke aan het gehele te beschermen oppervlak te allen
                            tijde een potentiaal geeft van 850 mV of een meer negatieve waarde
                            gemeten t.o.v. een CuCuSO4 referentiecel. Ten behoeve van de kathodische
                            bescherming moeten bovengrondse delen van de installatie elektrisch zijn
                            geïsoleerd van de tank en de ondergrondse leidingen. Deze
                            isolatiestukken moeten tegen beschadiging zijn beschermd. De meting van
                            de weerstand van de grond mag niet geschieden onder extreme
                            omstandigheden van droogte en moet worden bepaald op het diepste punt
                            van de te maken uitgraving.</al></li><li nr="7."><al>De tank moet zijn voorzien van een ontluchtingsleiding met een inwendige
                            middellijn van ten minste 38 mm. Indien meer dan één vulleiding wordt
                            toegepast moet deze maat ten minste 50 mm bedragen. Deze
                            ontluchting-leiding moet bovengronds stevig zijn bevestigd. De
                            uitmonding van de leiding moet zich boven de begane grond bevinden en op
                            een zodanige plaats, dat het uit deze leiding ontwijkende gasmengsel
                            zich niet kan verzamelen in een besloten ruimte, noch uitstromen nabij
                            schoorstenen, ramen of andere openingen van gebouwen. Het boven einde
                            moet zodanig zijn omgeven of T-vormig zijn uitgevoerd of door een kap
                            zijn afgedekt, dat inregenen niet voor komt. De ontluchtingsleiding moet
                            op afschot naar de tank zijn gelegd. De ontluchtingsleiding moet te
                            allen tijde een open verbinding van de tank met de buitenlucht
                            verzekeren.</al></li><li nr="8."><al>De tank mag geen andere inrichtingen voor de toevoer van buitenlucht
                            hebben dan de ontluchtingsleiding.</al></li><li nr="9."><al>De leidingen moeten van metaal zijn en op afschot naar de tank zijn
                            gelegd. Indien in de zuigleiding een terugslagklep is aangebracht, moet
                            deze onmiddellijk vóór de pomp zijn gemonteerd (in heuvelachtig terrein
                            waar de tank hoger is gelegen dan de pomp, moet in de zuigleiding een
                            inrichting aanwezig zijn, welke ongewenste hevelwerking voorkomt; in dit
                            laatste geval moet tevens een afsluiter in de leiding worden
                            geplaatst).</al></li><li nr="10."><al>De uitvoering van de constructie voor het sluiten van de peilopening van
                            de vulleiding en dergelijke moet zodanig zijn dat vastroesten wordt
                            voorkomen.</al></li><li nr="11."><al>Alle leidingen en appendages moeten voldoende sterk zijn en waar nodig
                            doeltreffend tegen beschadiging zijn beveiligd. Alle los neembare
                            pijpaansluitingen aan de tank moeten zijn aangebracht boven het
                            horizontale vlak door de bovenzijde van de mangatstompen gelegd.
                            Pakking- en elektrisch isolatiemateriaal moeten bestand zijn tegen
                            olieproducten en tegen invloed van de bodem. Koperen leidingen moeten
                            steeds elektrisch worden geësoleerd van de tank.</al></li><li nr="12."><al> Het vulpunt (de aansluitkoppeling van de vulleiding) mag zich niet
                            bevinden binnen een gebouw, noch op minder dan 2 meter afstand van de
                            horizontale projectie van een tank. Bij het vulpunt moet duidelijk zijn
                            aangegeven de netto inhoud van de tank alsmede voor welk product de tank
                            bestemd is.</al></li><li nr="13."><al>De peilopening moet zodanig in uitvoering en afmeting verschillen van de
                            vulleiding dat het niet mogelijk is de losslang van de tankauto
                            rechtstreeks aan de peilopening te koppelen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Paragraaf 2 Opslag van vloeistoffen met een vlampunt (bij een druk van
                    100 kPa) hoger dan 55° C in bovengrondse tanks</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2.1 Constructievoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De opslag mag geschieden in tanks, zoals verticaal geplaatste
                            cilindrische tanks of tanks met een rechthoekige doorsnede, opgesteld
                            buiten een gebouw.</al></li><li nr="2."><al>De stijfheid en de sterkte van de tank moeten voldoende zijn om
                            schadelijke vervorming gedurende het vervoer of als gevolg van overdruk
                            bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle
                            omstandigheden moet zijn verzekerd.</al></li><li nr="3."><al>De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar
                            materiaal bestaan. Op plaatsen waar kans op verzakking bestaat dient een
                            doelmatige fundering te worden aangebracht.</al></li><li nr="4."><al>Een tank moet van een goede en veilige constructie zijn; bij een
                            verticaal geplaatste tank mag in geval van een explosie in de dampruimte
                            slechts het dak kunnen wijken; horizontaal geplaatste cilindrische tanks
                            dienen te voldoen aan de constructie-eisen gesteld in NEN 3350, uitg.
                            1991.</al></li><li nr="5."><al>Het uitwendige van tanks en bij verticale tanks het inwendige, voor
                            zover dit niet met olieproducten in aanraking komt, moeten deugdelijk
                            tegen corrosie zijn beschermd, bij voorbeeld door doelmatige
                            oppervlaktebehandeling en het direct daarna aanbrengen van een
                            doelmatige verf. Speciale aandacht moet worden besteed aan de
                            aanrakingsvlakken van de tank met de ondersteuningen resp.
                            fundering.</al></li><li nr="6."><al>Een tank moet van doelmatige afsluitbare openingen zijn voorzien
                            waardoor het inwendige wandoppervlak in voldoende mate kan worden
                            onderzocht. Zijn de afmetingen van de tank zodanig dat dit onderzoek
                            alleen uitvoerbaar is door het inwendige van de tanks te betreden, dan
                            moet de tank zijn voorzien van een mangat. Voor horizontaal geplaatste
                            cilindrische tanks gelden de eisen gesteld in NEN 3350, uitg. 1991; bij
                            een verticaal geplaatste tank moet ten minste één mangat in het dak en
                            indien de inwendige hoogte meer bedraagt dan 2,50 meter ten minste één
                            mangat in de romp zijn aangebracht.</al></li><li nr="7."><al>Een tank moet zijn voorzien van een doelmatige inrichting waardoor over-
                            of onderdruk, die ontstaat als gevolg van vullen, ledigen of
                            temperatuurveranderingen, wordt opgeheven.</al></li><li nr="8."><al>De zich direct tegen de buitenzijde van een tank bevindende
                            verbindingsstukken, afsluiters en appendages beneden het hoogste
                            vloeistofniveau moeten geheel van staal zijn vervaardigd.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.2 Installatievoorschriften</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De tank moet zijn geplaatst op ten minst 1 m afstand van de gevel van
                            een gebouw of van een erfscheiding, tenzij de inhoud meer bedraagt dan
                            100 m3; in welk geval deze afstand ten minste 3 m moet bedragen. Indien
                            echter deze gevel horizontaal en verticaal gemeten tot op ten minste 1 m
                            afstand van de tank van onbrandbaar materiaal is vervaardigd, de inhoud
                            van de tank niet groter is dan 2 m3 en de tank voor controle en
                            onderhoud gemakkelijk kan worden verwijderd, mag van deze afstand van 1
                            m worden afgeweken.</al></li><li nr="2."><al>Bij een totale opslag van niet meer dan 100 m3 moet de afstand tussen 2
                            tanks ten minste 1 m bedragen. Bij opslag groter dan 100 m3 dient deze
                            afstand ten minste 3 m te bedragen.</al></li><li nr="3."><al>Indien uit een tank wegstromende of gemorste olieproducten schade aan
                            derden kunnen toebrengen, moet de tank door een oliedichte omwalling
                            worden omgeven. (Toelichting: Verontreiniging van openbaar water, zoals
                            sloten, kanalen en dergelijke en uitstroming in riolen kunnen worden
                            beschouwd als schade aan derden en moeten worden vermeden; indien door
                            verontreiniging gevaar voor de drinkwatervoorziening zou kunnen
                            ontstaan, mag ook de bodem van de omwalde ruimten geen olieproducten
                            doorlaten en moet derhalve een oliedichte bak worden gemaakt,
                            bijvoorbeeld bestaande uit een betonplaat met opstaande rand.)</al></li><li nr="4."><al>Indien zich binnen de omwalde ruimte slechts één tank bevindt, moet de
                            opnamecapaciteit ten minste gelijk zijn aan de tankinhoud; zijn in een
                            ruimte twee of meer tanks opgesteld, dan moet de opnamecapaciteit ten
                            minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met
                            10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks.</al></li><li nr="5."><al>De omwalling moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan
                            de vloeistofdruk, die bij het leeglopen van de grootste tank kan
                            ontstaan.</al></li><li nr="6."><al>De tank moet zijn gevrijwaard tegen mechanische beschadiging.
                            (Toelichting: Bij intensief (vracht)autoverkeer nabij de tank wordt in
                            het algemeen aan vorenstaande eis voldaan indien een omwalling op ten
                            minste 1 m afstand van de tank is aangebracht; bovendien kan een
                            bescherming worden aangebracht, bijv. bestaande uit in de grond gedreven
                            stalen buizen, een vangrail of iets dergelijks.)</al></li><li nr="7."><al>In een leiding voor het afvoeren van hemelwater uit de tankput moet zo
                            dicht mogelijk bij en buiten de omwalling een afsluiter zijn
                            aangebracht; deze afsluiter moet normaliter gesloten zijn. Er mag geen
                            olie naar openbaar water of op gemeentelijke riolering worden afgevoerd.
                            Ten einde te voorkomen dat met water olie wordt afgevoerd, moet in de
                            hemelwaterafvoer van een tankput en in de afvoeren van gebouwen of
                            terreingedeelten waar olie kan weglekken of worden gemorst een
                            doeltreffende olieafscheider worden geplaatst van zodanige capaciteit,
                            dat de gehele hoeveelheid aangevoerd water kan worden verwerkt en die
                            ten minste twee oliekeerschotten bevat. Het minimaal noodzakelijke
                            waterniveau in de olieafscheider moet te allen tijde worden
                            gehandhaafd.</al></li><li nr="8."><al> Tanks moeten zijn geaard door middel van aardelektroden, waarvan de
                            verspreidingsweerstand niet meer dan 5 Ohm mag bedragen. Er kan van een
                            centraal aardingssysteem gebruik worden gemaakt. Tanks met een
                            middellijn groter dan 6 m moeten zijn voorzien van meer dan één
                            aardingspunt, die regelmatig verdeeld langs de omtrek op een maximum
                            onderlinge afstand van 20 m moeten zijn aangebracht. De aarding moet
                            overigens voldoen aan het bepaalde in NEN 1014, uitg. 1992, en NEN
                            1014/C2, uitg. 2000, en moet jaarlijks op deugdelijkheid worden
                            beproefd.</al></li><li nr="9."><al>In elke leiding die op de tank is aangesloten beneden het hoogste
                            vloeistofniveau, moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een afsluiter
                            zijn geplaatst; de zich direct tegen de buitenwand van de tank
                            bevindende verbindingsstukken en de appendages beneden het hoogste
                            vloeistofniveau moeten geheel van staal zijn vervaardigd. Een vulleiding
                            moet zodanig zijn aangelegd of ingericht dat terugstromen van olie uit
                            de tank onmogelijk is.</al></li><li nr="10."><al>De doorvoering van pijpleidingen door een tankomwalling of door een
                            andere constructie, bestemd om olieproducten binnen een bepaalde ruimte
                            te houden, moet vloeistofdicht zijn geconstrueerd.</al></li><li nr="11."><al>Alle afsluiters die aan een tank zijn aangebracht, moeten zodanig zijn
                            uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter geopend dan wel
                            gesloten is. Een aftapkraan of afsluiter mag niet door onbevoegden
                            kunnen worden geopend.</al></li><li nr="12."><al>Indien de naaste omgeving meer dan normaal brandgevaar oplevert, moet de
                            tank zijn voorzien van een sproei-installatie waardoor de tank
                            gelijkmatig kan worden gekoeld met een hoeveelheid water van ten minste
                            1 m3 per uur per strekkende meter van de tankomtrek bij een verticaal
                            geplaatste tank en van ten minste 0,5 m3 per uur per m3 van het
                            geprojecteerde oppervlak van de tank bij een horizontaal geplaatste
                            tank.</al></li><li nr="13."><al>Leidingen en de daarbij behorende appendages moeten van staal en van
                            voldoende sterkte zijn om de hoogste te verwachten werkdruk (pompdruk)
                            te kunnen weerstaan. Beproeving vóór het in gebruik nemen moet plaats
                            vinden op 1,5 maal deze werkdruk met een minimum van 1 MPa.</al></li><li nr="14."><al>Boven- en ondergrondse pijpleidingen moeten zoveel mogelijk zodanig zijn
                            gelegd, dat zij te allen tijde gemakkelijk bereikbaar zijn.</al></li><li nr="15."><al>Pijpleidingen moeten afdoende zijn beschermd tegen corrosie.</al></li><li nr="16."><al>Alle afsluiters en hulpstukken in ondergrondse leidingen moeten van
                            staal zijn. Het gebruik van cilindrische schroefdraad is verboden.</al></li><li nr="17."><al>Doelmatige toegangsmiddelen tot het tankdak moeten aanwezig zijn.</al></li><li nr="18."><al>Bij peilplaatsen of andere appendages op het tankdak, welke regelmatig
                            controle vereisen, moeten doelmatige standplaatsen zijn ingericht ten
                            einde bedrijfs- en onderhoudspersoneel voldoende veiligheid te bieden
                            bij de arbeid.</al></li><li nr="19."><al>Vóór het in gebruik nemen van de tank moet deze op dichtheid worden
                            beproefd overeenkomstig het gestelde in NEN 3350, uitg. 1991, de overige
                            tanks door vullen met water.</al></li><li nr="20."><al>Aanvullende voorwaarden voor voorraadtanks bovengronds, buiten een
                            gebouw, voor verwarmde stookolie: Alle verbindingen van de
                            verwarmingsleidingen in de tank moeten zijn gelast, dan wel zijn gevormd
                            door flenzen met metallieke pakking. Het materiaal van de
                            verwarmingsinrichting dat in rechtstreekse aanraking komt met olie, moet
                            staal, monelmetaal of een dergelijk metaal zijn dat niet door olie wordt
                            aangetast. Bij een elektrische verwarming moet de installatie van een
                            automatische uitschakelinrichting zijn voorzien, die waarborgt dat de
                            temperatuur van de olie in de tank niet hoger oploopt dan 20 °C beneden
                            het vlampunt. Bij een elektrische verwarming moet de zuigleiding zodanig
                            zijn uitgevoerd, dat het verwarmingselement te allen tijde in de olie
                            ondergedompeld blijft.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Paragraaf 3 Richtlijnen betreffende het opslaan - voor
                    huishoudelijk gebruik - van brandbare vloeistoffen</tussenkop><al/><al>(Voor een belangrijk deel ontleend aan de bijlage bij de circulaire d.d. 1
                    december 1958 van de minister van binnenlandse zaken, directie OOV, Afdeling
                    brandweer, nr. 11092, met verwerking van de sedertdien op een aantal punten
                    gewijzigde inzichten.)</al><al/><tussenkop>Artikel 3.1 Algemeen</tussenkop><al>De in deze richtlijnen bedoelde brandbare vloeistoffen worden onderscheiden
                    in:</al><lijst><li nr="1."><al>Brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt, bepaald met het
                            toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa lager is dan 21 °C
                            (bij voorbeeld benzine).</al></li><li nr="2."><al>Brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt, bepaald met het
                            toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa, 21 °C of hoger is
                            (bij voorbeeld petroleum en huisbrandolie).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.2 Maximum toelaatbare hoeveelheid brandbare vloeistof per
                    woning met aanhorigheden</tussenkop><al>Hieronder is een aantal mogelijkheden voor de opslag genoemd. De hoeveelheden
                    die opgeslagen mogen zijn, zijn afhankelijk van de situatie per woning met
                    aanhorigheden. In het gunstigste geval mag in totaal maximaal 225 liter van de
                    in artikel 1 van deze paragraaf bedoelde vloeistoffen in voorraad worden
                    gehouden, waarvan maximaal 25 liter van de vloeistoffen onder sub 1 van genoemd
                    artikel. De onder sub 1 en 2 van dat artikel bedoelde vloeistoffen kunnen
                    gezamenlijk in dezelfde ruimte worden opgeslagen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3.3 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het
                    ontvlammingspunt lager dan 21 °C is</tussenkop><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Plaats van berging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Maximum toelaatbare hoeveelheid en toeg</vet><vet>e</vet><vet>stane wijze van berging</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Buiten een woning</al><al>a buiten een woning, op niet nader aan te geven plaats</al><al/><al/><al>2.In een woning</al><al>a.In een bergruimte waarvan de vloer, de wanden, de ramen,
                                        deuren en de afdekking een brandwerendheid hebben van ten
                                        minste 30 minuten</al><al>b.Anders dan op de hiervoor omschreven wijze</al></entry><entry colname="col2"><al>25 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof</al><al/><al/><al>25 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof</al><al>5 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 3.4 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het
                    ontvlammingspunt 21° C of hoger is</tussenkop><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Plaats van berging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Maximum toelaatbare hoeveelheid en toeg</vet><vet>e</vet><vet>stane wijze van berging</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Buiten een woning</al><al>a.Op een open erf, binnenplaats of in een tuin op ten minste
                                        2 meter afstand van een woning of een ander gebouw</al><al/><al/><al/><al/><al>b.Op een open erf, binnenplaats of in een tuin binnen een
                                        afstand van 2 meter van een woning of een ander gebouw, mits
                                        de buitenwand daarvan ter plaatse van het vaatwerk uit
                                        onbrandbaar materiaal bestaat en een brandwerendheid van ten
                                        minste 30 minuten heeft</al><al/><al>c.In een schuur die op ten minste 2 meter afstand van een
                                        woning of een ander gebouw is gelegen</al><al/><al>d.In een schuur die op minder dan 2 meter afstand van een
                                        woning of een ander gebouw is gelegen, dan wel daar is
                                        aangebouwd, mits de aan deze gebouwen grenzende wanden van
                                        de schuur uit onbrandbaar materiaal bestaan en deze, alsmede
                                        de daarin aanwezige ramen en deuren, een brandwerendheid
                                        bezitten van ten minste 30 minuten</al><al/><al>e.In een zogenaamde box, deel uitmakend van een woonbouw,
                                        waarvan de wanden - met inbegrip van de daarin aanwezige
                                        deur - een brandwerendheid bezitten van ten minste 30
                                        minuten en de vloer tussen de box en de daarboven gelegen
                                        ruimte een brandwerendheid bezit van ten minste 60 minuten
                                        volledig en 90 minuten op bezwijken</al><al/><al>f.Op een plat of balkon van onbrandbaar materiaal en met
                                        idem een brandwerendheid van ten minste 30 minuten (voor het
                                        balkon alleen voor de vloer) op ten minste 2 meter afstand
                                        van een woning of een ander gebouw</al><al/><al>g.Op een plat of balkon van onbrandbaar materiaal en met
                                        idem een brandwerendheid van ten minste 30 minuten (voor het
                                        balkon alleen voor de vloer) binnen een afstand van 2 meter
                                        van een woning of een ander gebouw, mits de buitenwand
                                        daarvan ter plaatse van het vaatwerk, uit onbrandbaar
                                        materiaal bestaat en een brandwerendheid heeft van ten
                                        minste 30 minuten</al><al/><al>h.Anders dan op een hiervoor omschreven wijze</al></entry><entry colname="col2"><al/><al>200 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 200 liter vloeistof</al><al/><al>idem</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>idem</al><al/><al/><al>idem</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>idem</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>idem</al><al/><al/><al/><al/><al/><al>idem</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>100 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.In een woning</al><al>a.In een bergruimte waarvan de vloer, de wanden, de ramen,
                                        de deuren en de afdekking een brandwerendheid hebben van ten
                                        minste 20 minuten</al><al/><al/><al/><al/><al>b.Anders dan op de hiervoor omschreven wijze</al></entry><entry colname="col2"><al/><al>200 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 200 liter vloeistof</al><al/><al>60 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 3.5 Algemene voorwaarden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Van elk van de in artikel 1 van deze paragraaf genoemde soorten
                            vloeistoffen mag ten hoogste 5 liter worden geborgen in goed gesloten
                            flessen, bestemd tot berging van ten hoogste 1 liter vloeistof.</al></li><li nr="2."><al>Vaatwerk waarin vloeistoffen als bedoeld in artikel 1 van deze paragraaf
                            zijn geborgen, mag niet op elkaar worden geplaatst en moet zodanig
                            worden opgesteld dat het niet kan rollen of vallen.</al></li><li nr="3."><al>Bij opslag van de in artikel 1 van deze paragraaf bedoelde vloeistoffen
                            in vaatwerk, bestemd tot berging van meer dan 20 liter vloeistof, anders
                            dan op een open erf of plaats of in een tuin, moeten maatregelen worden
                            getroffen dat geen vloeistof naar een aangrenzende ruimte of naar een
                            lager gelegen verdieping kan vloeien.</al></li><li nr="4."><al>Het openen van vaatwerk waarin vloeistof als bedoeld in artikel 1 van
                            deze paragraaf aanwezig is of is geweest en het overtappen van een
                            zodanige vloeistof mag slechts geschieden in de buitenlucht en in
                            ruimten die in ruime mate op de buitenlucht zijn geventileerd. Daarbij
                            mag niet worden gerookt en geen open vuur of open kunstlicht aanwezig
                            zijn.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Paragraaf 4 Aan opslag van stoffen te stellen
                    eisen</tussenkop><tussenkop>Stoffen als bedoeld in artikel 6.2.3</tussenkop><table><tgroup cols="15"><colspec colname="col1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colwidth="5*"/><colspec colname="col4" colwidth="5*"/><colspec colname="col5" colwidth="5*"/><colspec colname="col6" colwidth="5*"/><colspec colname="col7" colwidth="5*"/><colspec colname="col8" colwidth="5*"/><colspec colname="col9" colwidth="5*"/><colspec colname="col10" colwidth="5*"/><colspec colname="col11" colwidth="5*"/><colspec colname="col12" colwidth="5*"/><colspec colname="col13" colwidth="5*"/><colspec colname="col14" colwidth="12*"/><colspec colname="col15" colwidth="3*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>EISEN</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>a</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>b</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>c</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>d</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>e</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>f</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>g</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>h</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>i</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>j</vet></al></entry><entry colname="col12"><al><vet>k</vet></al></entry><entry colname="col13"><al><vet>l</vet></al></entry><entry colname="col14"><al><vet>m t/m p</vet></al></entry><entry colname="col15"><al><vet>r</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gesloten verpakking 1</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al>x2</al></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>x</al></entry><entry colname="col11"><al>x</al></entry><entry colname="col12"><al>x</al></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>x</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in geventileerde ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>x</al></entry><entry colname="col9"><al>x</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>niet in kelders</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al>x</al></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al>x</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>x</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>x</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>x</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verbod warmte, open vuur, vonken</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al>x</al></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al>x</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>x</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>nabij toegang vermelding van stof of aanduiding van
                                        brandgevaar en gevaar bij brand</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al>x</al></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al>x</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>x</al></entry><entry colname="col10"><al>x</al></entry><entry colname="col11"><al>x</al></entry><entry colname="col12"><al>x</al></entry><entry colname="col13"><al>x</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>x</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maatregelen tegen elektrostatische ontlading</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>contact met water vermijden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>x</al></entry><entry colname="col5"><al>x3</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>x</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>droog bewaren</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al>x3</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>x</al></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zodanig gescheiden van andere stoffen dat ze elkaar niet
                                        nadelig beïnvloeden</al></entry><entry colname="col2"><al>x</al></entry><entry colname="col3"><al>x</al></entry><entry colname="col4"><al>x</al></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al>x</al></entry><entry colname="col7"><al>x</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al>x</al></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al>x</al></entry><entry colname="col14"><al>x</al></entry><entry colname="col15"><al>x</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>onder vloeistof bewaren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>x</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="1."><al>De eis geldt niet voor bij extreem lage temperaturen vloeibaar gemaakte
                            gassen.</al></li><li nr="2."><al>Geldt alleen voor metaalpoeders.</al></li><li nr="3."><al>Afhankelijk van plaatselijke omstandigheden</al></li></lijst><tussenkop>Opmerking</tussenkop><al>Afhankelijk van de specifieke eigenschappen van een tot een bepaalde groep
                    behorende stof kunnen nadere eisen worden gesteld die voor de groep in haar
                    geheel niet gelden.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                        buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel></kop><al>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2</al><al/><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt </al><al/><al>(NB. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door slijtage
                    kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd afnemen.)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toegepast</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        ‘wafelstructuur'</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats</al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak</al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard)</al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien</al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien</al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast</al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer</al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt.</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toegepast</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord</al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en allesbranders,</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig</al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds</al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks</al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board</al></entry><entry colname="col2"><al>Onder cv-ketels, wanden cv-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton</al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering</al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag</al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983</al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toelichting tabel</tussenkop><tussenkop>Herkennen van asbest</tussenkop><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden
                    gegeven:</al><al/><al>-Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                    asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                    Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en
                    keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                    'gevlamde' decoratie.</al><al/><al>-Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                    gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit
                    asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                    lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al/><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: </al><lijst><li nr="-"><al>vloerbedekking van textiel (tapijt); </al></li><li nr="-"><al>ondertapijt van vilt; </al></li><li nr="-"><al> breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; </al></li><li nr="-"><al>stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met
                            daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum;</al></li><li nr="-"><al>buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; </al></li><li nr="-"><al>soepel zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam
                            (schuim).</al></li></lijst><al/><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden.
                        </al></li><li nr="-"><al>Na 1983 is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. </al></li><li nr="-"><al>Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld
                            golfplaten) op de markt. De in Nederland gefabriceerde asbestvrije
                            cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de onderzijde van de
                            plaat.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                        (brandmeldinstallaties)</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                        (ontruimingsinstallatie)</titel></kop><al>Vervallen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                        (vluchtrouteaanduiding)</titel></kop><al>Vervallen.</al><al/><tussenkop>Kaarten bebouwde kom</tussenkop><al/><al>De rode contouren op de kaarten zijn de bebouwde kom grenzen van elke kern.</al></bijlage><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al/><al><vet>1 Inleidende bepalingen 4</vet></al><al/><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen 5</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden 5</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning 6</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing 6</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem 7</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
                    7</al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen 19</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 20</al><al/><al><vet>3 De melding 20</vet></al><al/><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk 21</vet></al><al/><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                        het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte 22</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen 22</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
                    22</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen 23</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid 24</al><al/><al><vet>6 Brandveilig gebruik 24</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning 24</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
                    25</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
                    25</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid 25</al><al/><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen 25</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Overbevolking 25</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen 26</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid 26</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik 26</al><al/><al><vet>8 Slopen 26</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen 26</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het
                    slopen 27</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen 27</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen 27</al><al/><al><vet>9 Welstand 28</vet></al><al/><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen 34</vet></al><al/><al><vet>11 Handhaving 35</vet></al><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 35</vet></al><al/><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al/><al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al/><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al/><al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</al><al/><al>Bijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</al><al/><al>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al/><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen</al><al/><al>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al/><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al/><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al/><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie) </al><al/><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </al><al/><al>Kaarten bebouwde kom</al></bijlage></regeling></body></cvdr>