<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR230199_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012 A</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 24-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening 2012 A</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>19-09-2012, nummer 95</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012 A</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 september 2012,
                        nummer 95;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de Toeslagenverordening Wet werk en
                        bijstand 2012 aan te passen door de wetswijzigingen op 1 januari 2012</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet, en artikel 8 eerste lid 1 sub
                        c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand; overwegende dat de
                        Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012 aanpassing behoeft</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen <vet>“</vet><vet>ToeslagenverordeningWet werk en
                            bijstand2012A</vet><vet>”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de WWB</al></li><li nr="b."><al> het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Dalfsen</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Dalfsen</al></li><li nr="d."><al>de gehuwdennorm:de norm als bedoeld in artikel 21 lid
                                        1WWB.</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                        zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al><al>1. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                        geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d
                                        Wet op de huurtoeslag;</al><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                        per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                        financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en
                                        de in verband met het in eigendom hebben van de woning te
                                        betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te
                                        stellen bedrag voor onderhoud.</al><al/></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van een gehuwden gelden
                            de bepalingen van deze verordening uitsluitend indien beide echtgenoten
                            21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in art 25 WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                        woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één
                                        of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar 10% van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf indezelfde woning heeft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft: </al><lijst><li nr="a."><al>Kinderen tot 21 jaar en</al></li><li nr="b."><al>een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op
                                        studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                                        2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd;</al></li><li nr="d."><al> verzorgenden die de zorgbehoevende belanghebbende
                                        verzorgen;</al></li><li nr="e."><al> medebewoners die op het adres van belanghebbende
                                        zelfstandige woonruimte huren op basis van een commerciële
                                        huurovereenkomst. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van
                                de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met één of meer anderen
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken van
                                woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel
                                27 WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt
                                        bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                                        verbonden; </al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning wordt
                                        bewoond. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><al>De bepalingen in deze verordening laten de toepassing van artikel 18,
                            lid 1, van de wet onverlet indien toepassing van de verordening tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2012 en werkt terug
                                tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                op personen als bedoeld in artikel 78 lid 1 WWB.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De “Toeslagenverordening 2012”, vastgesteld in de openbare
                                vergadering d.d. 20 februari 2012 wordt bij inwerkingtreding van
                                deze verordening ingetrokken met dien verstande dat deze tot
                                uiterlijk 1 januari 2013 van toepassing blijft op personen als
                                bedoeld in artikel 78w lid 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2012-A
                            gemeente Dalfsen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 26november 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten N.A. IJnema Msc </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2012A gemeente
                        Dalfsen.</titel></kop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 WWB. </al><al>Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze drie
                    onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het
                    gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met 64 jaar die niet in
                    een inrichting verblijven. </al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de
                    toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en
                    moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld. </al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen: </al><lijst><li nr=""><al>het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden; </al><al>de woonsituatie; </al><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                            beroepsopleiding.</al></li></lijst><al/><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al><al>De rijksnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de belanghebbende. Dat wil
                    zeggen dat daarin geen verdere differentiatie wordt aangebracht dan die tussen
                    gehuwden, alleenstaande ouders en alleenstaanden.</al><al>De rijksnormen voor personen van 21 tot 65 jaar zijn:</al><lijst><li nr="a)"><al>voor gehuwden 100 % van het netto minimumloon;</al></li><li nr="b)"><al>voor alleenstaande ouders 70 % van het netto minimumloon;</al></li><li nr="c)"><al>voor alleenstaanden 50 % van het netto minimumloon.</al></li></lijst><al>Het uitkeringsniveau voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder berust op
                    de veronderstelling, dat de kosten van het bestaan geheel met een ander kan
                    delen. Als dat niet het geval is, kan de gemeente deze rijksnorm verhogen met
                    een gemeentelijke toeslag, die maximaal 20% van het netto minimumloon
                    bedraagt.</al><al>Middels een gemeentelijke verordening wordt de bevoegdheid tot het maken van
                    keuzes over de verlening van algemene bijstand versterkt. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>begripsomschrijving.</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb
                        of</al><al>de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel d: </onderstreept><onderstreept>gehuwdennorm</onderstreept></al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm” wordt verwezen naar de norm voor gehuwden
                        voor personen van 21 tot en met 64 jaar als bedoeld in artikel 21 onderdeel
                        C WWB..</al><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel e: woning</onderstreept></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip</al><al>verstaan moet worden. Voorts volgt uit de totstandkominggeschiedenis van de
                        WWB dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij
                        de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat onder
                        ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1</al><al>onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals
                        bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</onderstreept></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de Algemene
                        Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen.
                        Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw
                        dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden
                        uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                        rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Bij “het in eigendom
                        hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan worden gedacht aan het
                        rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de
                        opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de</al><al>waterschapslasten en de erfpachtcanon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>doelgroep.</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is
                        ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van
                        18 tot 21 jaar.</al><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders
                        nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van
                        21 jaar hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                        onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen
                        te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden
                        als ook nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou
                        worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                        belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. </al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                        artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd
                        om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te
                        stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>toeslag alleenstaande (ouder).</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk</al><al>kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening
                        vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen
                        dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande
                        of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                        (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op</al><al>andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                        verordening.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                        noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen
                        sprake is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden
                        uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op
                        zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm (zie artikel 3 lid
                        2 onderdeel b van deze verordening).</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het tweede lid is de toeslag
                        geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het derde lid is de toeslag
                        vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al><al>Lid 4 </al><al>In deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen
                        kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit betekent
                        dat de gemeenteraad geen gebruik maakt van de theoretische mogelijkheid een
                        lagere toeslag te verstrekken aan een alleenstaande ouder met een inwonend
                        studerend kind van 18 jaar of ouder. Een alleenstaande met een inwonend
                        studerend kind komt daarmee in aanmerking voor een toeslag van 20 procent
                        van de gezinsnorm. Met deze keuze wordt een inconsequent systeem voorkomen. </al><al>Tevens is in dit lid geregeld dat zowel zorgbehoevenden (sub a) als
                        verzorgers (sub b) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld
                        kunnen worden. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                        belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere
                        toeslag. Ook als sprake is van een zakelijke relatie (bijv. huurders of
                        kostgangers) wordt geen mogelijkheid tot kostendeling aangenomen. De
                        inkomsten die belanghebbende hiermee verdient, worden namelijk reeds op
                        grond van artikel 33 lid 4 WWB in aanmerking genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>verlaging norm gehuwden</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                        belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. </al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van de gehuwden een ander zijn
                        hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het
                        bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent
                        van de gehuwdennorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening). </al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening verwijst naar het bepaalde in artikel 3
                        lid 4 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar de toelichting zoals
                        opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten.</titel></kop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. </al><al>Hiertoe is een aparte bepaling opgenomen, omdat de artikelen 3 en 4 van de
                        verordening uitsluitend toe zien op het kunnen delen van de kosten met een
                        ander. </al><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij
                        de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden,
                        bijvoorbeeld in het geval van krakers. Hiervan is echter ook sprake ingeval
                        een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten betaalt van
                        de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de
                        bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 5 onderdeel
                        a van deze verordening is bepaald dat de norm of toeslag wordt verlaagd met
                        20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                        belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden.</al><al>In artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet
                        worden verstaan:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                                zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="b)"><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van deten behoeve van de financiering van de woning
                                verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar
                                omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst><al>Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten
                        rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. Doorslaggevend voor de
                        toepassing van dit artikel is, dat bewoner(s) niet jegens een derde
                        woonkosten verschuldigd zijn. Dak- en thuislozen vallen ook onder deze
                        regeling. In de regel hebben zij geen kosten voor het aanhouden van
                        woonruimte.</al><al>In artikel 5 onderdeel b van deze verordening is bepaald dat de verlaging 10
                        procent van de gehuwdennorm bedraagt indien geen woning wordt bewoond. Deze
                        bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te
                        verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een
                        woning bewonen. </al><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden,
                        staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak-
                        en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging van slechts 10
                        procent van de gehuwdennorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>cumulatie van verlagingen.</titel></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                        omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.
                        Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                        college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                        moet vaststellen, dat feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                        uitkering. Het college zou de bijstand vervolgens op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                        vaststellen. Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een
                        absoluut minimumbedrag vast te leggen waarop het college de bijstandsnorm
                        (norm inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                        vaststellen. </al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij
                        samenloop ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel
                        genoemde percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan
                        over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende. </al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig
                        mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>hardheidsclausule.</titel></kop><al>Op grond van artikel 18, lid 1, van de Wet werk en bijstand wordt de
                        bijstand afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                        belanghebbende. </al><al>Door het opnemen van dit artikel wordt het individualiseringsprincipe ook in
                        het toeslagen- en verlagingenbeleid tot uitdrukking gebracht. Te denken valt
                        aan de situatie waarin gehuwden met een kind geen woonkosten hebben. </al><al>Als beide partners in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot 65 jaar vallen,
                        wordt de norm verlaagd met het in artikel 25, lid 2, van de wet genoemde
                        maximumbedrag. Bij een partner in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot 65
                        jaar en de andere partner jonger dan 21 jaar wordt de (jongeren)norm niet
                        verlaagd. Laatstgenoemde gehuwden beschikken dan over een hogere norm. In
                        een dergelijke uitzonderlijke situatie kan dan gebruik worden gemaakt van de
                        bevoegdheid tot individualiseren en de betreffende (jongeren)norm lager vast
                        te stellen. De rechtsgrond hiervoor is artikel 30, lid 4, van de Wet werk en
                        bijstand. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>slotbepalingen.</titel></kop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is
                        aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en
                        bijstand in verband met de herziening van de definities van gezin en
                        middelen" (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets). </al><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden blijft de oude
                        Toeslagenverordening nog van kracht tot uiterlijk 1 januari 2013. Dat is
                        geregeld in lid 2 en 3 van dit artikel. Het gaat hierbij om mensen voor wie
                        toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidt. Op
                        grond van artikel 78w WWB blijven de oude gezinsbegrippen nog op hen van
                        toepassing tot uiterlijk 1 januari 2013.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 1. begripsomschrijving </al><al>Artikel 2 doelgroep </al><al>Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm </al><al>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder) </al><al>Hoofdstuk 3. Criteria voor het verlagen van de norm of de toeslag
                        </al><al>Artikel 4. gehuwden </al><al>Artikel 5. Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken van
                                woonkosten </al><al>Hoofdstuk 4. slotbepalingen </al><al>Artikel 6. Anti cumulatiebepaling </al><al>Artikel 7. hardheidsclausule </al><al>Artikel 8. slotbepaling </al><al>Artikel 9. Citeertitel </al><al/><al>Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2012A gemeente Dalfsen.
                        </al><al>Artikelsgewijze toelichting </al><al>Artikel 1 begripsomschrijving. </al><al>Artikel 2 doelgroep. </al><al>Artikel 3 toeslag alleenstaande (ouder). </al><al>Artikel 4 verlaging norm gehuwden </al><al>Artikel 5 verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten.
                            </al><al>Artikel 6 cumulatie van verlagingen. </al><al>Artikel 7 hardheidsclausule. </al><al>Artikel 8 slotbepalingen. </al><al>Artikel 9. Citeertitel </al></bijlage></regeling></body></cvdr>