<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR229500_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012-A gemeente Etten-Leur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 11 november 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012-A gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8, lid 1">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-11-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012-A gemeente Etten-Leur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 september 2012,
                        met overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op artikel 8 lid 1, onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand (WWB);</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitke-ringen van personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan
                        65 jaar bij verordening te regelen;</al><al>​ B E S L U I T:</al><al>Vast te stellen de Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012-A gemeente
                        Etten-Leur.​</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen:</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Raad: de gemeenteraad van de gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="c."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="d."><al>De gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                                        WWB;</al></li><li nr="e."><al>Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                        Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip,
                                        als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en
                                        bijstand;</al></li><li nr="f."><al>Woonkosten: </al></li><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                        huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op
                                        de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                        maand omgere-kende som van de verschuldigde hypotheekrente
                                        en de in verband met het in ei-gendom hebben van de woning
                                        te betalen zakelijke lasten en een naar omstan-digheden vast
                                        te stellen bedrag voor onderhoud; </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep:</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor personen van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening uitsluitend indien beide echtgenoten 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder):</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt op grond van artikel 25, eerste lid, van de wet
                                verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande
                                ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op het in
                                artikel 25, tweede lid genoemde maximumbedrag voor de alleenstaande
                                of de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op de helft
                                van het in artikel 25, tweede lid genoemde maximumbedrag voor de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder die met één ander die in
                                dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder met twee of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met
                                een inwonend studerend kind.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlagen norm gehuwden:</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm voor gehuwden wordt op grond van artikel 26 van de wet lager
                                vastgesteld indien de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke
                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg
                                van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten met een
                                ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt op de helft van
                                het in artikel 25, tweede lid genoemde maximumbedrag voor gehuwden
                                die met één ander hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt het in artikel
                                25, tweede lid genoemde maximumbedrag voor gehuwden die met twee of
                                meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met
                                een inwonend studerend kind.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlagen wegens ontbreken woonkosten:</titel></kop><al>De verlaging van de norm of toeslag bedoeld in artikel 27 van de wet als
                            gevolg van de woonsi-tuatie bedraagt: </al><lijst><li nr="1."><al>het in artikel 25, tweede lid genoemde maximumbedrag indien een
                                    woning wordt be-woond waaraan voor de belanghebbende geen
                                    woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="2."><al>de helft van het in artikel 25, tweede lid genoemde
                                    maximumbedrag indien geen woning bewoond wordt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlagen alleenstaande 21 of 22 jaar:</titel></kop><al>De verlaging van de toeslag bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:
                            1. het in artikel 25, tweede lid genoemde maximumbedrag indien het een
                            jongere van 21 jaar betreft; 2. de helft van het in artikel 25, tweede
                            lid genoemde maximumbedrag indien het een jongere van 22 jaar betreft;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling:</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke norm tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="1."><al>50% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande; </al></li><li nr="2."><al>70% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="3."><al>80% van de gehuwdennorm voor gehuwden;</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitvoering:</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hardheidsclausule:</titel></kop><al>Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van
                            belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening,
                            indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding:</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt
                                terug tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De “Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012 gemeente
                                Etten-Leur” is tot uiterlijk 1 januari 2013 uitsluitend van
                                toepassing op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De “Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2012 gemeente
                                Etten-Leur” wordt per 1 januari 2013 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel:</titel></kop><al>​Deze verordening wordt aangehaald als Verordening toeslagen en
                            verlagingen WWB 2012-A gemeente Etten-Leur.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering Van</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd. </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten MBA Mw. H. van Rijnbach-de Groot. </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand
                        2012-A gemeente Etten-Leur.</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting:</tussenkop><al/><al>De inkomensvoorziening in de WWB bestaat uit een rijksgeregeld deel (de norm)
                    die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de
                    gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd.</al><al>De rijksnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de belanghebbende. Dat wil
                    zeggen dat daarin geen verdere differentiatie wordt aangebracht dan die tussen
                    gehuwden, alleenstaande ouders en alleenstaanden.</al><al>De rijksnormen voor personen van 21 tot 65 jaar zijn:</al><al> a) voor gehuwden 100 % van het netto minimumloon;</al><al> b) voor alleenstaande ouders 70 % van het netto minimumloon;</al><al> c) voor alleenstaanden 50 % van het netto minimumloon.</al><al>Het uitkeringsniveau voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder berust op
                    de veronderstelling, dat de kosten van het bestaan geheel met een ander kan
                    delen. Als dat niet het geval is, kan de gemeente deze rijksnorm verhogen met
                    een gemeentelijke toeslag, die maximaal 20% van het netto minimumloon bedraagt.
                    Dit is opgenomen in artikel 25 WWB.</al><al>De praktijk heeft inmiddels uitgewezen dat de huidige op grond van de WWB
                    vastgestelde Etten-Leurse verordening goed voldoet. De voorgestelde
                    toeslagenverordening komt inhoudelijk overeen met de huidige verordening. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting: </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van de betreffende definities in de betreffende
                    wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het begrip gehuwdennorm wordt verwezen naar de norm voor gehuwden voor
                    personen van 21 tot en met 64 jaar als bedoeld in artikel 21 onderdeel c WWB. </al><al>Het begrip ‘woning’ wordt omschreven omdat de tekst van de WWB nergens een
                    omschrijving geeft van dit begrip. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. Omdat een woning ook een woonwagen of
                    woonschip kan zijn, is tevens verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin
                    deze woonruimtes met een woning worden gelijkgesteld. </al><tussenkop>Artikel 2 Doelgroep</tussenkop><al>Artikel 30 WWB schrijft voor dat in de verordening moet zijn vastgelegd voor
                    welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd.</al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                    jaar.</al><tussenkop>Artikel 3 Toeslag alleenstaande (ouder)</tussenkop><al>Op grond van artikel 25 WWB is de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat er
                    recht is op de maximale toeslag voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in
                    wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid
                    tot verlaging van norm of toeslag op andere gronden. Dit is vastgelegd in
                    artikel 3 lid 2 van deze verordening.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>In deze verordening is gelet op de uitvoerbaarheid als uitgangspunt gekozen voor
                    de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag.
                    Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze
                    in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de
                    enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De meeste
                    gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest efficiënte
                    uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld
                    CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). </al><al>In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van de helft van
                    de maximale toeslag in het geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                    heeft. Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 3 van deze verordening</al><al>Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft kunnen de kosten nog
                    meer gedeeld worden. Daarom is in het vierde lid bepaald dat er geen toeslag
                    wordt verstrekt als er twee of meer medebewoners zijn. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW).</al><al>De feitelijke mogelijkheid tot het kunnen delen van de kosten moet wel aanwezig
                    zijn. Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met thuiswonende
                    kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan is sprake indien dat
                    kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste het normbedrag
                    voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18
                    van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>In deze verordening is ervoor gekozen te bepalen dat in het geheel geen kosten
                    kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Een alleenstaande met een
                    inwonend studerend kind komt daarmee in aanmerking van de maximale toeslag. </al><al>Ten aanzien van zorgbehoevenden, is in deze verordening geen uitzondering
                    geformuleerd. Reden hiervoor is dat het kosten delen met deze personen niet
                    leidt tot een inconsequent systeem.</al><tussenkop>Artikel 4 Verlagen norm gezin</tussenkop><al>Artikel 26 WWB bepaalt dat het college de norm voor gehuwden kan verlagen “voor
                    zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                    kunnen delen van deze kosten met een ander”. </al><al>De schaalvoordelen van woningdeling leiden bij gehuwden dus tot verlaging van de
                    basisnorm. </al><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met de helft van de maximale toeslag als
                    een woning gedeeld wordt met een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwden in
                    dezelfde situatie. Zijn er meerdere personen waarmee de bestaanskosten van de
                    gehuwden kunnen worden gedeeld, dan wordt de verlaging verhoogd. </al><al>Artikel 4 lid 4 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                    opgenomen in artikel 3 lid 5 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar
                    de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5 Verlagen wegens ontbreken woonkosten</tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkostenverbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 WWB opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Artikel 5 leidt ertoe dat de norm of toeslag met het maximumbedrag
                    van artikel 25 wordt verlaagd als de belanghebbende geen woonlasten betaalt. Dat
                    kan zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een
                    derde, bijv. de ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband
                    verstaan de huur of, als de belanghebbende een eigen woning bewoont, de
                    verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten
                    alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6
                    november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de belanghebbende geen woonlasten heeft
                    en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond
                    verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van
                    de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele
                    verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het
                    individualiseringsbeginsel en de anti-cumulatiebepaling van artikel 7 zal de
                    verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als de belanghebbende geen woning bewoont, de
                    norm of toeslag met de helft van het maximumbedrag van artikel 25 wordt
                    verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en
                    thuislozen te verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan
                    belanghebbenden die een woning bewonen.</al><tussenkop>Artikel 6 Verlagen alleenstaande 21 of 22 jaar</tussenkop><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><tussenkop>Artikel 7 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder
                    dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college de
                    inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen,
                    dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende uitkering. In
                    voorkomende gevallen zou het college op grond van het individualiseringsbeginsel
                    van artikel 18 lid 1 en artikel 30 lid 4 WWB de bijstand hoger moeten
                    vaststellen. Daarom is er voor gekozen om in de Toeslagenverordening een
                        <cursief>absoluut </cursief>minimumbedrag vast te leggen, waarop het college
                    de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen.
                    Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar
                    is dat de norm hoger moet worden vastgesteld, gelet op alle omstandigheden van
                    de belanghebbende. </al><tussenkop>Artikel 8 Uitvoering</tussenkop><al>Op grond van artikel 40 lid 1 WWB bestaat het recht op bijstand jegens het
                    college van de gemeente waar de belanghebbende zijn woonplaats heeft als bedoeld
                    in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Indien zich er een situatie zou voordoen, waarin deze verordening niet voorziet,
                    heeft het college de bevoegdheid om individueel een toeslag of verlaging te
                    beoordelen.</al><tussenkop>Artikel 9 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 9 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    belanghebbende kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan
                    alleen ten gunste en nooit ten nadele. Verder is met nadruk gemeld: in
                    bijzondere gevallen. Het gebruik maken van deze hardheidsclausule moet beschouwd
                    worden als een uitzondering en niet als regel. In de rapportage en in de
                    beschikking moet duidelijke aangegeven worden waarom in een bepaalde situatie
                    van de verordening wordt afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 10 6 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij de Wet afschaffing huishoudinkomentoets.</al><al>Voor een beperkte groep blijft de oude Verordening nog van kracht tot uiterlijk
                    1 januari 2013. Het gaat hierbij om mensen voor wie toepassing van de
                    huishoudinkomentoets tot een hogere uitkering leidt. Op grond van artikel 78w
                    WWB blijven de oude gezinsbegrippen nog op hen van toepassing tot uiterlijk 1
                    januari 2013.</al><tussenkop>Artikel 11 Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>