<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR229106_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 (2)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ooststellingwerf</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ooststellingwerf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwe Ooststellingwerver, 24-10-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 (2)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art. 8 lid 1 onderdeel d en lid 2 onderdeel b, art. 36 Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raad, 25-09-2012, C.2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 .</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 (2)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Ooststellingwerf;</al><al>nr. C.2</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 augustus
                        2012;</al><al>gelet op gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel d, artikel 8 lid 2 onderdeel b
                        en artikel 36 van de Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende dat, het noodzakelijk is het verlenen van een
                        langdurigheidstoeslag bij verordening te regelen;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG 2012 (2)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de WWB. </al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Ooststellingwerf. </al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Ooststellingwerf. </al></li><li nr="d."><al>de peildatum: de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt
                                        aangevraagd. </al></li><li nr="e."><al>de referteperiode: een aaneengesloten periode van 36 maanden
                                        voorafgaand aan de peildatum. </al></li><li nr="f."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet.
                                        In afwijking hiervan wordt een bijstandsuitkering voor de
                                        beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag gezien
                                        als inkomen. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Aan de voorwaarde van het hebben van een langdurig laag inkomen zoals
                            bedoeld in artikel 36 lid 1 WWB is voldaan indien gedurende de
                            referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100
                            procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor een gehuwde € 530,00,</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een alleenstaande ouder € 480,00 en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor een alleenstaande € 370,00.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een van de gehuwden is uitgesloten van het recht op
                                langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of 13 van de wet, komt de
                                rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                                langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande
                                of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar in de
                                gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande jaar. De bedragen worden
                                naar boven afgrond op een veelvoud van vijf euro.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>Uitzicht op inkomensverbetering wordt verondersteld ten aanzien van de
                            belanghebbende die:</al><lijst><li nr="a."><al>op de peildatum een opleiding volgt die valt onder het bereik
                                    van de WSF of de WTOS, dan wel een opleiding die naar zijn aard
                                    hieraan kan worden gelijkgesteld;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de referteperiode een opleiding als bedoeld in het
                                    eerste lid heeft gevolgd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>Geen uitzicht op inkomensverbetering wordt verondersteld ten aanzien van
                            belanghebbenden die gedurende de referteperiode geen inkomen hebben
                            gehad dat meer bedroeg dan de bijstandsnorm. Deze belanghebbenden hebben
                            recht op de langdurigheidstoeslag, mits zij voldoen aan de overige
                            voorwaarden van artikel 36 van de wet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening
                            Langdurigheidstoeslag 2012 (2).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2012
                                    en werkt terug tot en met 1 januari 2012. </al></li><li nr="2."><al>Tot 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing op
                                    personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.</al></li><li nr="3."><al>De Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 vastgesteld op 24 juni
                                    2012, no. C.20 is, na inwerkingtreding van de Verordening
                                    Langdurigheidstoeslag 2012 (2), tot 1 januari 2013 uitsluitend
                                    nog van toepassing op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1
                                    WWB.</al></li><li nr="4."><al>Per 1 januari 2013 wordt de Verordening Langdurigheidstoeslag
                                    2012 ingetrokken.</al></li><li nr="5."><al>Deze verordening blijft van kracht na invoering van de Wet
                                    werken naar vermogen (WWnV).</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van 25 september 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, griffier. , voorzitter.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de WWB in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen.
                    Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                    langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                    bijzondere bijstand.</al><al/><al>De langdurigheidstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde belanghebbenden die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij geen vooruitzicht hebben op inkomensverbetering
                    (artikel 36 lid 1 WWB). De gemeenteraad moet bij verordening regels vaststellen
                    over het verlenen van een langdurigheidstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 WWB.
                    Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling
                    wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarbij geldt dat
                    in ieder geval geen sprake is van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan
                    100% van de toepasselijke bijstandsnorm. De gemeenteraad dient in de verordening
                    eveneens de hoogte van de langdurigheidstoeslag te bepalen.</al><al/><al>Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake
                    is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8
                    lid 2 onderdeel b WWB hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de
                    verordening. Uit praktische overwegingen is ervoor gekozen om de definitie voor
                    'geen uitzicht op inkomensverbetering' op te nemen in de verordening.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al/><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>Lid 2 onderdeel d: peildatum </al><al>De peildatum is de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt aangevraagd
                    (artikel 1 lid 2 onderdeel d van deze verordening). Het gaat dus uitdrukkelijk
                    niet om de datum waarop is aangevraagd. Het betreft de datum waarop een
                    belanghebbende langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                    vermogen (zoals bedoeld in artikel 34 WWB) en geen uitzicht op
                    inkomensverbetering.</al><al/><al>Lid 2 onderdeel e: referteperiode</al><al>In artikel 1 lid 2 onderdeel e van deze verordening is bepaald wat onder de
                    referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan
                    de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 2 onder ‘Langdurig’.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Recht op langdurigheidstoeslag</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2. Voorwaarden</vet></al><al>Bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, moet de gemeenteraad
                    vastleggen wat onder langdurig wordt verstaan en wat onder laag wordt
                    verstaan.</al><al/><al><vet>Langdurig</vet></al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaande aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 lid 2 onderdeel f van deze verordening. Uit het feit dat de
                    minimumleeftijd voor het recht op langdurigheidstoeslag is verlaagd van 23 naar
                    21 jaar kan echter worden afgeleid dat onder langdurig tenminste 3 jaar moet
                    worden begrepen. Een belanghebbende is immers in beginsel vanaf 18 jaar een
                    zelfstandig rechtssubject. De gemeenteraad sluit aan bij de periode van 3 jaar.
                    De referteperiode bedraagt een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                    peildatum.</al><al/><al><vet>Laag inkomen</vet></al><al>Met betrekking tot de invulling van het begrip ‘laag inkomen’ is de gemeenteraad
                    gebonden aan een ondergrens en aan een bovengrens. De ondergrens van ‘laag’ is
                    100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De bovengrens bedraagt 110
                    procent van de toepasselijke bijstandsnorm (artikel 36 lid 6 WWB).</al><al/><al>De gemeenteraad heeft ervoor gekozen aan te sluiten bij de ondergrensgrens. Dit
                    betekent dat het in aanmerking te nemen inkomen gedurende de referteperiode niet
                    hoger mag zijn dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al/><al><vet>Marginale overschrijding</vet></al><al>De vraag of het inkomen van een belanghebbende gedurende de referteperiode niet
                    hoger is dan het langdurig lage inkomen van 100 procent van de toepasselijke
                    bijstandsnorm, dient niet al te rigide te worden beoordeeld. Een marginale
                    overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd (vergelijk CRvB
                    19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., LJN BE8918, en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141
                    WWB, LJN BP5532).</al><al/><al><vet>Artikel 3. Hoogte van de langdurigheidstoeslag</vet></al><al/><al>In artikel 3 is de hoogte van de langdurigheidstoeslag geregeld. Daarbij wordt
                    onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en een
                    gehuwde.</al><al/><al>Bij gehuwden moet in het oog gehouden worden dat het recht op
                    langdurigheidstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op
                    de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB. Voldoet één van hen niet aan deze
                    voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op langdurigheidstoeslag
                    (vergelijk bijvoorbeeld CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, LJN BN2529).</al><al/><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag,
                    anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB,
                    dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een
                    langdurigheidstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikel
                    11 of 13 lid 1 WWB genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts
                    één partner recht heeft op langdurigheidstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem
                    als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in artikel
                    3 lid 2 van deze verordening. </al><al/><al>In artikel 3 lid 3 is bepaald dat voor de toepassing van de hoogte van de
                    langdurigheidstoeslag moet worden uitgegaan van de situatie op de
                    peildatum.</al><al/><al>In lid 4 is een indexeringsbepaling opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. U</vet><vet>itzicht op inkomensverbetering</vet></al><al/><al>Het uitgangspunt is dat enkel bij studenten uitzicht op inkomensverbetering
                    bestaat. De wetgever heeft deze groep willen uitzonderen, omdat voor studenten
                    er in beginsel wel nog zicht op inkomensverbetering bestaat (zie TK 2008-2009,
                    31 441, nr. 12).</al><al/><al>Door de zinsnede ‘geen uitzicht heeft op inkomensverbetering' in artikel 36 lid
                    1 WWB wordt gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed
                    arbeidsmarktperspectief, zoals studenten, niet in aanmerking komen voor de
                    langdurigheidstoeslag (zie TK 2008-2009, 31 441, nr. 12).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering</vet></al><al/><al>De belanghebbenden die gedurende de referteperiode geen inkomen hebben gehad dat
                    meer bedroeg dan de geldende bijstandsnorm, worden geacht geen uitzicht te
                    hebben op inkomensverbetering, en hebben recht op de langdurigheidstoeslag, mits
                    zij voldoen aan de overige voorwaarden van artikel 36 WWB.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening werk terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband
                    met de herziening van de definities van gezin en middelen" (Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets). Voor een beperkte groep blijft de Verordening
                    Langdurigheidstoeslag 2012 nog van kracht tot uiterlijk 1 januari 2013. Dat is
                    geregeld in lid 2 van dit artikel. Het gaat hierbij om mensen voor wie
                    toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere toeslag kan leiden. Op
                    grond van artikel 78w WWB blijven de oude gezinsbegrippen nog op hen van
                    toepassing tot uiterlijk 1 januari 2013. Voor het overige spreekt dit artikel
                    voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>