<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR229045_1</dcterms:identifier><dcterms:title>beleidsregel Bibob Stichtse Vecht 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad voor Vecht-, Amstel- en Rijnstreek, 15-11-2012 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>beleidsregel Bibob Stichtse Vecht 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Bibob</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-11-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-04-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beleidsregels Bibob die zijn opgesteld door de voormalige gemeenten Loenen en Maarssen.</al><al>Deze beleidslijn is vastgesteld door zowel het college van burgemeester en wethouders als de burgemeester, ieder voor zover het besluiten betreft die binnen hun bevoegdheid kunnen worden genomen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel Bibob Stichtse Vecht 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de
                        gemeente Stichtse Vecht ;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de Gemeentewet en het bepaalde in artikel 4:81 van
                        de Algemene wet bestuursrecht; </al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is beleid te formuleren voor de wijze waarop
                        de gemeente het Bibob instrument toepast;</al><al/><al>b e s l u i t </al><al/><al>vast te stellen de Beleidsregel Bibob Stichtse Vecht 2012. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1.Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Op 1 juni 2003 is de Wet Bevordering Integriteit Beoordelingen door het
                            Openbaar Bestuur (hierna: ‘Wet Bibob’) in werking getreden. De Wet Bibob
                            is voortgekomen uit de wens van de overheid om meer mogelijkheden te
                            krijgen om de vervlechting tussen boven- en onderwereld tegen te gaan.
                            De parlementaire onderzoekscommissie Van Traa (onderzoeksgroep Fijnaut)
                            concludeerde in 1995 een verwevenheid tussen onder- en bovenwereld.
                            Criminelen maakten gebruik van legale ondernemingen om misdrijven te
                            plegen. Er werd daarbij gebruik gemaakt van beschikkingen en opdrachten
                            van de overheid. Met de Wet Bibob wordt het mogelijk de criminele
                            infrastructuur aan te pakken en criminelen niet langer onbedoeld te
                            faciliteren.</al><al>De Wet Bibob is ingevoerd om als overheidsorgaan aan malafide
                            ondernemers geen beschikkingen af te geven zodra aannemelijk is gemaakt
                            dat het dreigt te worden, of is misbruikt voor, strafbare feiten. In
                            sommige gevallen vragen criminele organisaties aan de overheid
                            beschikkingen waarmee ze vervolgens criminele activiteiten continueren
                            of</al><al>afschermen. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie en het ontstaan van
                            machtsposities. Ook komt het voor dat legale personen of bedrijven
                            overtredingen begaan of misdrijven plegen met gebruikmaking van of
                            verkrijging van bepaalde vergunningen of subsidies. Met de Wet</al><al>Bibob is de preventie en bestrijding van criminaliteit niet langer
                            alleen een taak van politie en justitie, maar ook van het bestuur.</al><al>De colleges van de voormalige gemeenten Loenen en Maarssen hadden Bibob-
                            beleid vastgesteld. In Breukelen hanteerde men geen Bibob beleid. </al><al>Het Bibob beleid van Loenen had betrekking op vergunningen voor horeca-
                            en seksinrichtingen en bouwvergunningen. Het beleid in Maarssen gold
                            voor horeca, speelautomatenhallen en prostitutie.</al><al>Het beleid uit de voormalige gemeenten dient te worden geharmoniseerd.
                            Bij de harmonisatie is vooral het beleid van de voormalige gemeente
                            Maarssen uitgangspunt geweest. </al><al>In de kadernota integrale veiligheid Stichtse Vecht 2012-2015 wordt
                            geharmoniseerd Bibob beleid genoemd als middel voor de aanpak van de
                            georganiseerde criminaliteit. </al><al>In deze beleidslijn wordt beschreven hoe en wanneer de gemeente het
                            Bibob instrument toepast. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2.De Wet Bibob</label></kop><structuurtekst><al>De Memorie van Toelichting bij de Wet Bibob vermeldt:</al><al><cursief>“Het openbaar bestuur moet in staat worden gesteld zich te
                                beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden
                                gefaciliteerd, zowel wat betreft zijn bestuurlijke rol bij het
                                verlenen van subsidies en vergunningen, als in zijn
                                civielrechtelijke rol als contractpartij bij aanbestedingen en
                                andere verbintenissen”. </cursief></al><al>De Wet Bibob regelt in hoofdlijnen twee zaken. Ten eerste wordt het
                            mogelijk om bepaalde vergunningen, subsidies en aanbestedingen te
                            weigeren (of in te trekken c.q. op te zeggen) wegens - globaal gezegd -
                            het hebben van criminele banden. </al><al>Op grond van artikel 3 van de Wet Bibob kan een beschikking (vergunning
                            of subsidie) geweigerd of ingetrokken worden wanneer:</al><lijst><li nr="·"><al>a) sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede
                                    gebruikt zal worden voor het benutten van voordelen uit
                                    gepleegde strafbare feiten (bijvoorbeeld het witwassen van zwart
                                    geld); </al></li><li nr="·"><al>b) sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede
                                    gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten
                                    (bijvoorbeeld als dekmantel);</al></li><li nr="·"><al>c) feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen
                                    vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel
                                    gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd (bijvoorbeeld
                                    valsheid in geschrifte of omkoping).</al></li></lijst><al>Ten tweede voorziet de wet in een landelijk Bureau Bibob dat gemeenten
                            desgevraagd kan adviseren of en zo ja in welke mate er sprake is van
                            ernstig gevaar van criminele banden en daartoe diverse screeningen kan
                            gaan uitvoeren.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.Toepassingsbereik van de Wet Bibob</label></kop><structuurtekst><al>De onderzoeksgroep Fijnaut heeft destijds op verzoek van de
                            Parlementaire Enquête Commissie Van Traa onderzoek gedaan naar de
                            dreiging van de georganiseerde misdaad in bepaalde economische sectoren.
                            Deze commissie heeft een aantal criteria benoemd die kenmerkend zijn
                            voor branches die kwetsbaar zijn voor criminaliteit<cursief>.</cursief>
                            Te denken valt aan sectoren die een lage drempel van toetreding kennen
                            (weinig diploma’s vereist) of waarvan de omzetcijfers onduidelijk zijn,
                            en aan economische sectoren waar weinig is geregeld of de regels juist
                            gecompliceerd zijn (bouwnijverheid, horeca en transportwezen).</al><al>Bij het aanwijzen van de gevallen waarin het Bibob-instrumentarium zou
                            moeten worden ingezet, heeft de wetgever aansluiting gezocht bij dit
                            onderzoek. Om die reden vallen niet alle bestuurlijke besluiten binnen
                            het bereik van de Wet Bibob. Onder het bereik van de wet zijn
                            gebracht:</al><lijst><li nr="·"><al>1. Vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="·"><al>2. subsidies;</al></li><li nr="·"><al>3. aan te besteden overheidsopdrachten. </al></li></lijst><al>Verder geldt dat slechts een beperkt aantal sectoren of branches binnen
                            het toepassingsbereik van de wet gebracht zijn. Deze sectoren en
                            branches zijn genoemd in de wet of in het bij de wet behorend Besluit
                            Bibob.</al><al>Per 1 oktober 2011 is het Besluit Bibob gewijzigd waarmee de werking van
                            de wet is uitgebreid met lokaal vergunningplichtige headshops en voor
                            bepaalde door de gemeente aan te wijzen vergunningplichtige evenementen.
                            Op 20 maart 2012 heeft de Tweede Kamer de <onderstreept>Evaluatie-en
                                uitbreidingswet Bibob</onderstreept> aangenomen. Door de
                            wetswijziging wordt het toepassingsbereik van de Wet Bibob aangepast
                            met:</al><lijst><li nr="·"><al>vastgoed- en grondtransacties waarbij de overheid betrokken is
                                    als civiele partij; </al></li><li nr="·"><al>exploitatie van speelautomaten; </al></li><li nr="·"><al>importeren van vuurwerk.</al></li></lijst><al><cursief>Vergunningen</cursief></al><al>Waar het gaat om uitvoering van rijksregelgeving vallen vergunningen in
                            het kader van de Drank-en Horecawet, de Wet op de kansspelen en de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning voor bouw-, en
                            milieuactiviteiten) onder de Wet Bibob. In het Besluit Bibob worden
                            lokale vergunningen als de exploitatievergunning voor horeca (droge en
                            natte horeca, opgenomen in de APV), de vergunningen voor
                            prostitutiebedrijven, seksinrichtingen en speelautomatenhallen onder de
                            werking van de wet gebracht.</al><al><cursief>Subsidies</cursief></al><al>Voor de subsidies geldt dat in de regeling zelf moet zijn opgenomen dat
                            op de aanvraag of intrekking de Wet Bibob van toepassing is. De Wet
                            Bibob geeft hiervoor geen limitatieve opsomming. </al><al><cursief>Overheidsopdrachten</cursief></al><al>De branches waarbinnen overheidsopdrachten kunnen worden geweigerd op
                            grond van de wet zijn beperkt tot de ICT-, de bouw- en de milieubranche.
                            Bij de aanbestedingsprocedures wordt aangesloten bij de Europese
                            richtlijnen en kan met behulp van het Bibob-instrumentarium nadere
                            invulling worden gegeven aan de daarin vermelde weigeringsgronden.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4.Onderzoek door het bestuursorgaan zelf</label></kop><structuurtekst><al>In het kader van de Wet Bibob zal de gemeente een onderzoek instellen om
                            te beoordelen of van een situatie geschetst in de Wet Bibob sprake is.
                            Dit onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:</al><al>-de door de aanvrager/houder van de vergunning beantwoorde vragen die
                            zijn opgenomen in het standaard aanvraagformulier, inclusief de vragen
                            van artikel 30 Wet Bibob;</al><al>-de door hem/haar aangeleverde documenten die moeten worden meegestuurd
                            op grond van het standaard aanvraagformulier;</al><lijst><li nr="-"><al>eventuele extra, op verzoek van de ambtenaar, overgelegde
                                    documenten of informatie;</al></li><li nr="-"><al>open bronnen onderzoek (Kamer van Koophandel, Kadaster
                                    enz.).</al></li></lijst><al>De gemeente zal uiteraard ook de bestaande weigeringsgronden die te
                            maken hebben met de integriteit van de aanvrager onderzoeken en
                            toepassen.</al><al>Als er op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob
                            genoeg aanwijzingen zijn om in redelijkheid aan te kunnen tonen dat er
                            sprake is van “ernstig gevaar” als bedoeld in de Wet Bibob, kan de
                            gemeente de vergunning weigeren/intrekken.</al><al>Wanneer het standaardvragenformulier (inclusief de Bibob-vragen van art.
                            30 Wet Bibob) niet volledig wordt ingevuld door de aanvrager, kan dit op
                            grond van art. 4 Wet Bibob worden aangemerkt als “ernstig gevaar”.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5.Bureau Bibob</label></kop><structuurtekst><al>Bij het Ministerie van Justitie is een landelijk Bureau Bibob opgericht.
                            Dit Bureau heeft onder andere de taak bestuursorganen te adviseren en te
                            begeleiden bij het toepassen van de wet. Zo worden bij het Bureau
                            modelbeleidslijnen, modelhandleidingen en ander voorlichtingsmateriaal
                            ontwikkeld. </al><al>Een andere belangrijke taak voor het Bureau is het op verzoek van
                            bestuursorganen verrichten van onderzoeken naar eventuele criminele
                            banden van aanvragers van een vergunning (of subsidie of van degene die
                            in aanmerking wil komen voor een gunning van een aanbesteding). Ten
                            behoeve van dit onderzoek kan het Bureau naast de openbare bronnen
                            (bijvoorbeeld het Kadaster, de Kamer van Koophandel, Internet) ook
                            gesloten registraties, zoals die van de politie, justitie en fiscus
                            raadplegen. </al><al>Uiteraard wordt de betrokkene, de aanvrager van de vergunning zelf,
                            onderzocht. Daarnaast wordt onderzocht of deze misschien een relatie
                            heeft tot strafbare feiten als bedoeld in de Wet Bibob. Dit betekent dat
                            ook andere personen kunnen worden betrokken in het onderzoek. </al><al>Het advies van het Bureau Bibob kan drie uitkomsten hebben met
                            betrekking tot de mate van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 Wet
                            Bibob (“gevaar van criminele banden”):</al><lijst><li nr="·"><al>- er is geen sprake van een ernstige mate van gevaar;</al></li><li nr="·"><al>- er is sprake van mindere mate van gevaar; </al></li><li nr="·"><al>- er is sprake van ernstige mate van gevaar.</al></li></lijst><al>Het bestuursorgaan kan het advies al dan niet gebruiken ter motivering
                            van een besluit. Het ligt voor de hand dat de vergunning in het eerste
                            geval zal worden verleend. In het tweede en derde geval zal het
                            bestuursorgaan een afweging dienen te maken of de vergunning wordt
                            geweigerd c.q. ingetrokken of dat er wellicht extra voorschriften aan de
                            vergunning worden verbonden. Voor de inhoud van dat besluit blijft het
                            bestuursorgaan verantwoordelijk.</al><al>De voormalige gemeenten Loenen en Maarssen hadden een overeenkomst
                            afgesloten met het Bureau Bibob. Daarin zijn werkafspraken vastgelegd.
                            Voor de gemeente Stichtse Vecht zal een nieuwe overeenkomst met het
                            Bureau Bibob worden afgesloten. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>6.Adviesaanvraag na tip van de officier van justitie</label></kop><structuurtekst><al>Indien het Openbaar Ministerie aan het bestuursorgaan adviseert een
                            advies te vragen over de verlening of intrekking van een vergunning aan
                            het landelijk Bureau Bibob (artikel 26 Wet Bibob), kan het bevoegd gezag
                            dit advies ook daadwerkelijk vragen.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7.De procedure </label></kop><structuurtekst><al>De gemeente zal bij elke procedure van vergunningverlening (of controle
                            van de vergunning die kan leiden tot intrekking daarvan) onderzoeken of
                            artikel 3 van de Wet Bibob van toepassing is. Dit is nodig om ervoor te
                            zorgen dat er geen willekeurig gebruik wordt gemaakt van het instrument
                            en de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden gewaarborgd. Bij elke
                            aanvraag van een Drank- en horecawetvergunning of exploitatievergunning,
                            behalve bij verenigingen, wordt het Bibob-formulier meegegeven. Dit
                            formulier bevat enerzijds vragen die in artikel 30 van de Wet Bibob
                            worden voorgeschreven ten behoeve van het Bureau Bibob en anderzijds
                            vragen om zelf een Bibob-beoordeling te kunnen uitvoeren. </al><al>Een aanvrager of vergunninghouder dient alle formulieren volledig in te
                            vullen en de vereiste bijlagen aan te leveren. In het kader van een
                            zorgvuldige voorbereiding dient het formulier in persoon op het
                            gemeentehuis te worden overhandigd. Dit is onder meer nodig om
                            originelen van documenten te kunnen controleren en om te zien of sprake
                            is van een of meer ‘indicatoren’ als bedoeld in punt 3 op pagina 9. </al><al>Naar zijn aard leent de Bibob-toets zich daarom niet voor volledige
                            digitale afhandeling; wel kan het formulier digitaal worden verspreid.
                            Indien het Bibob-formulier niet volledig wordt ingevuld, dan wordt de
                            aanvrager of vergunninghouder de mogelijkheid geboden om dit verzuim te
                            herstellen, met daarbij de uitdrukkelijke waarschuwing dat een weigering
                            hiertoe of andermaal onvolledige of onjuiste invulling van het formulier
                            of het ontbreken van bijlagen, zal leiden tot buiten behandeling laten,
                            weigering of intrekking van het besluit. </al><al>Voldoet de aanvrager of vergunninghouder hieraan bij de aanvraag voor
                            verlening, wijziging of verlenging niet binnen een redelijke termijn,
                            dan wordt de aanvraag op grond van art. 4:5 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Voldoet de
                            vergunninghouder hieraan niet ingeval een onderzoek wordt ingesteld of
                            de vergunning kan worden ingetrokken, dan wordt het niet voldoen aan de
                            informatieplicht aangemerkt als ernstig gevaar in de zin van artikel 4
                            van de Wet Bibob, waarna de aanvraag op grond van artikel 3 lid 1 van de
                            Wet Bibob wordt geweigerd.</al><al>Zijn alle formulieren in orde, dan onderzoekt de gemeente of sprake is
                            van voorliggende wettelijke weigeringsgronden die te maken hebben met de
                            integriteit van de aanvrager. Is van zo’n weigeringsgrond sprake, dan
                            wordt deze toegepast. Vervolgens wordt overgegaan tot de Bibob-toets. Om
                            praktische redenen wordt onderscheid gemaakt tussen een <cursief>lichte
                                toets</cursief> en een <cursief>diepgaande toets</cursief>. Met een
                            lichte toets wordt een globaal onderzoek van de antwoorden op de vragen
                            en van de overgelegde bescheiden bedoeld. Komt daaruit iets opvallends
                            naar voren, bijvoorbeeld een “merkwaardige” financiering, dan kunnen de
                            bescheiden nauwkeuriger gecheckt worden. Dit is de diepgaande toets. </al><al>De beslissing van het bestuursorgaan om een adviesaanvraag bij het
                            Bureau Bibob in te dienen is geen beschikking in de zin van de Awb.
                            Hiertegen kan daarom geen bezwaar en in een later stadium beroep worden
                            ingesteld. Wel is het de aanvrager van een vergunning te allen tijde
                            toegestaan zich terug te trekken uit de aanvraagprocedure.</al><al>De gemeente zal, indien het voornemen bestaat een negatieve beslissing
                            te nemen op grond van een Bibob-advies, de aanvrager/houder in de
                            gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen; het
                            Bibob-advies kan dan worden ingezien. Derden die genoemd zijn in de
                            beslissing worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel
                            4:8 Awb en moeten, indien te verwachten is dat zij tegen bovengenoemd
                            voornemen een negatieve beslissing te nemen bedenkingen hebben, ook in
                            de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen.
                            Derden hebben overigens niet het recht om het advies in zijn geheel in
                            te zien, maar alleen dat deel dat betrekking op hen heeft. Tegen de
                            uiteindelijke beslissing van het bestuursorgaan waarin een Bibob- advies
                            is verwerkt kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden
                            aangetekend.</al><al>Eventuele aanvullende vragen van het landelijk Bureau Bibob zullen via
                            de gemeente aan betrokkenen worden gesteld. In voorkomende gevallen zal
                            het Bureau Bibob echter tijdens het onderzoek de betrokkene aanvullende
                            vragen willen stellen als bedoeld in artikel 12 lid 4 van de Wet Bibob.
                            Het Bureau zal dan rechtstreeks contact opnemen met de betrokkene. Het
                            Bureau hanteert voor het beantwoorden van die vragen in beginsel een
                            termijn van 1 week. Weigering van betrokkene om te antwoorden, kan
                            worden aangemerkt als ernstig gevaar in de zin van artikel 4 van de Wet
                            Bibob en is daarmee weigeringsgrond voor de gemeente. Het Bureau Bibob
                            moet in beginsel binnen vier weken adviseren aan de gemeente. Deze
                            termijn kan een maal met vier weken worden verlengd. Het Bureau Bibob
                            zal de gemeente hiervan in kennis stellen. De gemeente zal de
                            aanvrager/houder van de vergunning hiervan op haar beurt in kennis
                            stellen. De termijn voor de gemeente om te beslissen op de
                            vergunningaanvraag wordt opgeschort gedurende de adviestermijn van het
                            landelijk Bureau Bibob. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>8.Rol RIEC bijBibob</label></kop><structuurtekst><al>Het Bureau Bibob heeft in 2010 een start gemaakt met een structurele
                            samenwerking met de RIEC’s (Regionale Informatie en Expertise Centra).
                            Het Bureau zal de samenwerking verder uitbouwen. In regionaal verband
                            ondersteunen de RIEC’s bestuursorganen bij de toepassing van de Wet
                            Bibob. </al><al>De gemeente Stichtse Vecht is aangesloten bij het RIEC Midden Nederland
                            (MN). Het RIEC MN is een samenwerkingsverband (bestaande uit o.m.
                            gemeenten, politie, OM, Belastingdienst, SIOD en Algemene
                            Inspectiedienst) op het gebied van de georganiseerde criminaliteit.
                            Doelen zijn de bestuurlijke aanpak van die criminaliteit op een hoger
                            niveau te krijgen en een geïntegreerde aanpak van de partners tot stand
                            te brengen. Het RIEC organiseert bijeenkomsten voor de uitwisseling van
                            kennis en cursussen voor medewerkers van de gemeenten die met Bibob
                            werken. Het RIEC kan gemeenten behulpzaam zijn bij het uitvoeren van
                            haar eigen huiswerk, oftewel de 1<sup>e</sup> Bibob toets. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>9.Subsidiariteit- en proportionaliteitsbeginsel</label></kop><structuurtekst><al>Volgens de Memorie van Toelichting van de Wet Bibob zijn de beginselen
                            van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van
                            de wet. Het instrument Bibob dient dan ook een <cursief>ultimum
                                remedium</cursief> te zijn. In verband daarmee bekijkt het
                            bestuursorgaan eerst zelf of er geen bestaande weigeringsgronden
                            aanwezig zijn. Deze bestaande weigeringsgronden hebben namelijk ook
                            betrekking op de integriteit van de aanvrager of vergunninghouder. Te
                            denken valt bijvoorbeeld aan de eis ‘niet in enig opzicht van slecht
                            levensgedrag te zijn’ of de eisen van hetBesluit eisen
                            zedelijk gedrag Drank- en Horecawet.</al><al>Op de tweede plaats dient het bestuursorgaan te onderzoeken of zij niet
                            zelfstandig de Wet Bibob kan toepassen. Dit onderzoek vindt plaats met
                            behulp van de in artikel 30 van de Wet Bibob omschreven
                            aanvraagformulieren. Hierin wordt onder meer gevraagd wie de
                            leidinggevenden dan wel vermogensverschaffers van betrokkene(n) zijn, en
                            wie de eventuele onderaannemer is en wat de wijze van financiering is.
                            Kortom: alvorens advies wordt aangevraagd aan het landelijk Bureau
                            Bibob, dienen eerst de gangbare en minder vergaande mogelijkheden te
                            zijn benut. </al><al>Wanneer een bestuursorgaan zelf voldoende informatie heeft weten te
                            verzamelen waaruit blijkt dat er sprake is van een situatie als
                            omschreven in artikel 3 van de Wet Bibob, kan het bestuursorgaan
                            rechtstreeks overgaan tot weigering of intrekking van de vergunning. Het
                            niet meewerken aan het invullen van het Bibob-vragenformulier mag door
                            het bestuursorgaan worden uitgelegd als een ernstig gevaar op crimineel
                            misbruik en kan dus direct leiden tot intrekking of weigering van de
                            vergunning.</al><al>Kortom, pas als de bestaande weigerings- en of intrekkingsgronden geen
                            soelaas bieden kan toepassing van de Wet Bibob in beeld komen. De Wet
                            Bibob is dus een <cursief>ultimum remedium</cursief> om een aanvraag te
                            weigeren dan wel een vergunning in te trekken.</al><al>De proportionaliteitgedachte brengt met zich mee dat niet voor alle
                            bestuursbesluiten de mogelijkheid is opengesteld om een BIBOB-advies te
                            vragen. Een andere inperking betreft de relatie tussen de aard van de
                            strafbare feiten die in het onderzoek zijn gebleken en het te nemen
                            bestuursbesluit. Niet alles is van belang; een winkeldiefstal is niet
                            direct relevant voor de vraag of aan de betrokkene een milieuvergunning
                            kan worden verleend. Alleen strafbare feiten die relevant zijn voor de
                            activiteiten die kunnen worden ontplooid bij het gebruiken van de
                            subsidie of vergunning mogen worden meegewogen.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>10.Belangenafweging; evenredigheid, zorgvuldigheid en motivering</label></kop><structuurtekst><al>Het Bibob-advies geeft uitsluitend de <cursief>mate van gevaar
                            </cursief>aan. Het bureau spreekt van weinig gevaar, enige mate van
                            gevaar of ernstig gevaar. Het Bureau Bibob geeft geen advies of het
                            betrokken bestuur al dan niet in gunstige zin zou kunnen beslissen op de
                            aanvraag van subsidie of vergunning, of de overheidsopdracht al dan niet
                            zou kunnen gunnen aan de gegadigde. Het bestuursorgaan moet zelf de
                            afweging maken of een eventueel door het Bureau Bibob vastgesteld gevaar
                            zo zwaarwegend is dat de gevraagde subsidie of vergunning niet of onder
                            voorwaarden aan de aanvrager kan worden verleend, de overheidsopdracht
                            niet aan de gegadigde kan worden gegund, of dat een besluit moet worden
                            ingetrokken. </al><al>Het advies van het bureau bevat naast de aanduiding van het gevaar een
                                <cursief>weergave van de gevonden informatie</cursief>. Daarbij zal
                            het bureau aangeven waarom het die betreffende informatie relevant acht
                            voor de beoordeling van het gevaar. Op die manier worden het
                            bestuursorgaan of de aanbestedende dienst in staat gesteld een eigen
                            inhoudelijke afweging te maken, waarbij zij bij hun analyse van de
                            informatie worden ondersteund door de overwegingen van het bureau. Net
                            als bij alle op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevraagde
                            adviezen moet het bestuursorgaan onderzoeken of het advies zorgvuldig is
                            en of de inhoud ervan tot een bepaald besluit kan leiden.</al><al>Bij het besluit moeten op grond van de Awb alle bij het Bibob-beleid
                            betrokken belangen worden meegewogen. Het gaat daarbij niet uitsluitend
                            om het financiële belang van de betrokkene tegenover het belang om te
                            vermijden dat faciliteiten worden geboden voor criminele activiteiten.
                            Het maatschappelijk belang dat bepaalde activiteiten plaatsvinden weegt
                            ook mee, zoals een bepaald voorzieningenniveau of werkgelegenheid.
                            Daarnaast zijn de andere instrumenten die een bestuursorgaan ten dienste
                            staan van belang. Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheden die
                            het bestuursorgaan heeft om door middel van gerichte controle of andere
                            handhavinginstrumenten te voorkomen dat criminele activiteiten worden
                            ontplooid. Verder kunnen aan een positief besluit voorschriften ter
                            waarborging van de integriteit worden opgelegd.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>11.De Wet openbaarheid van bestuur (Wob)</label></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 28 Wet Bibob is een ieder die krachtens de Wet
                            Bibob informatie krijgt met betrekking tot een derde verplicht tot
                            geheimhouding van deze informatie. </al><al>Hoewel het Bibob-advies als document in beginsel onder het
                            verstrekkingenregime van de Wob valt, zal in de praktijk het openbaar
                            maken van het advies op grond van artikel 10 van de Wob achterwege
                            blijven. De inhoud van het advies zal namelijk veelal gegevens bevatten
                            die de persoonlijke levenssfeer raken of gegevens die als
                            bedrijfsgegevens zijn te beschouwen. Ook zal niet zelden een beroep
                            gedaan kunnen worden op in de Wob genoemde grond voor het voorkomen van
                            onevenredige benadeling van bij die aangelegenheid betrokken
                            (rechts)personen</al><al>dan wel derden.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>12.Algemene beleidsindicatoren </label></kop><structuurtekst><al>Om praktische redenen is het van belang bij de beoordeling al dan niet
                            een vergunning te verlenen of in te trekken, een onderscheid te maken
                            tussen een lichte toets en een diepgaande toets. Met een lichte toets
                            wordt een globaal onderzoek van de antwoorden op de vragen en van de
                            overgelegde bescheiden bedoeld. Komt daaruit iets opvallends naar voren,
                            bijvoorbeeld een merkwaardige financiering, dan kunnen de bescheiden
                            nauwkeuriger gecheckt worden. Dit is de diepgaande toets.</al><al>Een bestuursorgaan kan in beginsel een beleidslijn vaststellen waarbij
                            voor alle aanvragen betreffende de genoemde branches een
                            Bibob-vragenformulier moet worden ingevuld. </al><al>De Wet Bibob gaat echter uit van een proportionele inzet van het
                            instrument met zo min mogelijk administratieve lasten. Dit houdt in dat
                            de Bibob-procedure alleen in gang wordt gezet als er een verhoogd risico
                            bestaat op criminele activiteiten, zoals bedoeld in de Wet Bibob, en
                            indien andere minder zware instrumenten onvoldoende effect opleveren. </al><al>In haar brief van 2 maart 2009 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
                            en Koninkrijksrelaties de burgemeesters van alle gemeenten medegedeeld,
                            dat omwille van het tegengaan van de omvang van administratieve lasten
                            het wenselijk is de toepassing van de Wet Bibob te beperken. In verband
                            daarmee heeft de Minister van BZK verzocht hiermee rekening te houden
                            bij de vormgeving van het Bibob-beleid, met name voor slijterijen. </al><al>De genoemde brief van de Minister van BZK is aanleiding om de
                            beleidslijn niet toe te passen in de navolgende gevallen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. bij aanvragen om een drank- en horecavergunning voor
                                    paracommerciële instellingen.</al></li><li nr="·"><al>b. bij aanvragen om een drank- en horecavergunning voor een
                                    slijtersbedrijf.</al></li></lijst><al>De beleidslijn is daarom als volgt:</al><al>1.bij aanvragen om een drank- en horecavergunning voor paracommerciële
                            instellingen en voor een slijtersbedrijf behoeft geen
                            Bibob-vragenformulier te worden ingevuld. Bij wijzigingen van
                            ondergeschikte aard, zoals het bijschrijven van leidinggevenden op een
                            Drank- en horeca vergunning, worden geen Bibob scans gedaan. 2. bij alle
                            overige aanvragen de aangeleverde gegevens (bescheiden, inclusief
                            vragenformulier) over financiering en bedrijfsactiviteiten globaal te
                            bekijken aan de hand van een checklist (dus een lichte toets voor alle
                            betreffende aanvragen); 3. als er naar aanleiding van de antwoorden op
                            de vragenlijst en op basis van de bescheiden nog vragen zijn dan een
                            diepgaande toets uit te voeren Deze diepgaande toets behelst onder meer
                            het raadplegen van openbare bronnen, zoals het kadaster en de registers
                            van de Kamer van Koophandel. Ook kunnen handtekeningen van gemachtigden
                            e.d. worden geverifieerd. De diepgaande toets vindt plaats door de
                            vakafdeling, het financiële gedeelte wordt getoetst door het team
                            Financiën; 4. het onder 2 en 3 gestelde blijft achterwege, met
                            uitzondering van hetgeen onder 5 tot en met 7 is omschreven, ingeval een
                            aanvrager bovengenoemde vragenlijst reeds voor dat bedrijf heeft
                            ingevuld en vanaf de datum van invullen zich geen wijzigingen
                            (bijvoorbeeld exploitatievorm, financiering) hebben voorgedaan; 5. bij
                            bepaalde type(n) inrichtingen waarvan aannemelijk is dat daarbij een
                            verhoogde kans bestaat op criminele activiteiten of crimineel misbruik
                            in principe een diepgaande toets uit te voeren. Bijvoorbeeld aan
                            seksinrichtingen waarbij de niet ondenkbare kans bestaat op
                            vrouwenhandel. 6. bij inrichtingen die op grond van de artikelen 174a
                            Gemeentewet en 13b van de Opiumwet (eerder)zijn gesloten in principe een
                            diepgaande toets uit te voeren. Als er na de diepgaande toets nog vragen
                            blijven bestaan, wordt een advies gevraagd aan het landelijk Bureau
                            Bibob. 7. In de gevallen waarin de Officier van Justitie op grond van
                            artikel 26 Wet Bibob de gemeente adviseert om een advies aan het
                            landelijk Bureau Bibob te vragen, is sprake van een zwaarwegend feit en
                            wordt een verzoek om advies aan het Bureau Bibob gericht; 8. In gevallen
                            waarin de mutatiefrequentie voor een bepaald pand of in een bepaald
                            gebied hoog is, of indien informatie van derden daartoe aanleiding
                            geeft, wordt een diepgaande toets uitgevoerd.</al><al>Voor toetsing van reeds verleende vergunningen wordt de volgende
                            procedure gevolgd: </al><al>1.Bij vermoedens van criminaliteit, waaronder informatie van derden,
                            etc. wordt de</al><al>1. vergunninghouder gevraagd om een Bibob-formulier in te vullen en
                            gegevens te overleggen. </al><al>3, 6 t/m 8 als bovenstaand.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>13.Wanneer adviesaanvraag aan Bureau Bibob</label></kop><structuurtekst><al>In de volgende gevallen kan een advies worden gevraagd aan het landelijk
                            Bureau Bibob:</al><lijst><li nr="·"><al>na de diepgaande toets resteren nog vragen over de
                                    bedrijfsstructuur;</al></li><li nr="·"><al>na de diepgaande toets blijven vragen bestaan over de
                                    financiering van het bedrijf;</al></li><li nr="·"><al>na de diepgaande toets blijven vragen bestaan over
                                    omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de financier van
                                    de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming
                                    is gevestigd;</al></li><li nr="·"><al>na de diepgaande toets blijven vragen bestaan over de
                                    leidinggevenden en andere betrokkenen;</al></li><li nr="·"><al>indien de Officier van Justitie de gemeente adviseert om ingeval
                                    van een bepaalde aanvraag een advies aan het landelijk Bureau
                                    Bibob aan te vragen door middel van de zogenaamde
                                    Bibob-tip;</al></li><li nr="·"><al>Of indien de vergunning betrekking heeft op:</al></li><li nr="·"><al>een geografisch bepaald gebied dat als probleemgebied is
                                    aangewezen door het bestuursorgaan;</al></li><li nr="·"><al>een bepaalde sector/branche die als risicovol is aangemerkt door
                                    het bestuursorgaan;</al></li><li nr="·"><al>een combinatie van bovenstaande punten.</al></li></lijst><al>Voor het uitbrengen van een advies brengt het Bureau Bibob een bedrag
                            van € 500,-- in rekening. Dit bedrag kan bij een vergunning worden
                            doorberekend in de leges. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>14. Samenvatting van het beleid</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente Stichtse Vecht zal het Bibob beleid toepassen bij de
                            volgende vergunningen en branches: - De vergunning op grond van artikel
                            3 van de Drank- en Horecawet voor het uitoefenen van een horecabedrijf.
                            Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor vergunningen die worden
                            verleend aan paracommerciële instellingen, tenzij uit informatie van
                            derden (politie, justitie, RIEC) blijkt dat toetsing aan de Wet Bibob
                            gewenst is; - de vergunning op grond van artikel 2.28 van de Algemene
                            Plaatselijke Verordening, voor de exploitatie van een openbare
                            inrichting; - de vergunning op grond van artikel 2.39 van de Algemene
                            Plaatselijke Verordening voor het exploiteren van een speelgelegenheid;
                            - de vergunning op grond van artikel 3.4 van de Algemene Plaatselijke
                            Verordening voor het exploiteren van een seksinrichting of
                            escortbedrijf. Daarnaast past de gemeente Stichtse Vecht de Wet Bibob
                            toe bij reeds verleende vergunningen, welke kan leiden tot intrekking
                            van de verleende vergunningen: - De vergunning op grond van artikel 3
                            van de Drank- en Horecawet voor het uitoefenen van een horecabedrijf,
                            indien uit informatie van derden (politie, justitie, RIEC) blijkt dat
                            een tussentijdse toetsing aan de Wet Bibob gewenst is. Daarbij wordt
                            geen uitzondering gemaakt voor vergunningen die worden verleend aan
                            paracommerciële instellingen; - de vergunning op grond van artikel 2.28
                            van de Algemene Plaatselijke Verordening, voor de exploitatie van een
                            openbare inrichting indien uit informatie van derden (politie, justitie,
                            RIEC) blijkt dat een tussentijdse toetsing aan de Wet Bibob gewenst is;
                            - de vergunning op grond van artikel 2.39 van de Algemene Plaatselijke
                            Verordening voor het exploiteren van een speelgelegenheid indien uit
                            informatie van derden (politie, justitie, RIEC) blijkt dat een
                            tussentijdse toetsing aan de Wet Bibob gewenst is; - de vergunning op
                            grond van artikel 3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor het
                            exploiteren van een seksinrichting of escortbedrijf indien uit
                            informatie van derden (politie, justitie, RIEC) blijkt dat een
                            tussentijdse toetsing aan de Wet Bibob gewenst is. De gemeente zal bij
                            de procedure van vergunningverlening (of bij toetsing van de reeds
                            verleende vergunning welke kan leiden tot intrekking daarvan) steeds
                            onderzoeken of artikel 3 van de Wet Bibob van toepassing is. Bij elke
                            aanvraag van een Drank- en horecawetvergunning of exploitatievergunning,
                            behalve bij verenigingen, wordt het Bibob-formulier meegegeven. Een
                            aanvrager of vergunninghouder dient alle formulieren volledig in te
                            vullen, de vereiste bijlagen aan te leveren en in persoon op het
                            gemeentehuis te overhandigen. Alle aanvragen en vergunninghouders die
                            een formulier hebben ontvangen, ondergaan de lichte Bibob-toets. Indien
                            deze toets aanleiding geeft tot nader onderzoek, volgt de diepgaande
                            toets. Beide toetsen volgen de procedure zoals vermeld op pagina 9
                            (onder beleidslijn). Heeft de gemeente op basis van het eigen onderzoek
                            genoeg aanwijzingen om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake
                            is van ernstig gevaar, dan wordt de vergunning door het bevoegde
                            bestuursorgaan geweigerd of ingetrokken, tenzij er reden is om van de
                            inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Blijven er na beide toetsen vragen over, dan kan advies worden gevraagd
                            aan het Bureau Bibob. Afhankelijk van het advies van dit bureau zal de
                            gemeente de gevraagde vergunning verlenen, verlenen onder voorwaarden,
                            weigeren of de bestaande vergunning intrekken.</al><al>Bij wijzigingen van ondergeschikte aard, zoals het bijschrijven van
                            leidinggevenden op een Drank- en horeca vergunning, worden geen Bibob
                            scans gedaan. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>15.Citeertitel</label></kop><structuurtekst><al>Deze beleidslijn kan worden aangehaald als: beleidsregel Bibob Stichtse
                            Vecht 2012.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>16. Inwerkingtreding en intrekken bestaand Bibob beleid</label></kop><structuurtekst><al>Het Bibob-beleid treedt in werking met ingang van de dag na die van de
                            bekendmaking.</al><al>Gelijktijdig met inwerkingtreding van het Bibob beleid voor Stichtse
                            Vecht, wordt het bestaande Bibob beleid van de voormalige gemeenten
                            Loenen en Maarssen ingetrokken. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De Burgemeester, voor zover het besluiten betreffen die binnen de
                        bevoegdheid van de burgemeester kunnen worden genomen, d.d. 6 november
                        2012.</ondertekening><ondertekening>drs. M.M. van ‘t Veld</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Het College van Burgemeester en Wethouders, voor zover het besluiten
                        betreffen die binnen de bevoegdheid van het college kunnen worden genomen,
                        d.d. 6 november 2012.</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>L. H. M. van den Nieuwendijk drs. M.M. van ’t Veld</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>