<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR228824_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot-Hellevoet, 3 oktober 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 7 en 8 en 10 lid 2 Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13-09-12/09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis; </al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 juni 2012,
                        nummer: 13-09-12/09;</al><al>met overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>gelet op de artikelen 7 en 8 en 10 lid 2 Wet werk en bijstand, de artikelen
                        34, 35 en 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        werknemers;</al><al/><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente
                        Hellevoetsluis</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk
                                en Bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van Hellevoetsluis;</al></li><li nr="c."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van
                                        Hellevoetsluis;</al></li><li nr="d."><al><cursief>de doelgroep</cursief>: de personen aan wie op
                                        grond van artikel 7 eerste lid onder a van de wet door de
                                        gemeente ondersteuning geboden kan worden;</al></li><li nr="e."><al><cursief>arbeidsinschakeling</cursief>: arbeidsinschakeling
                                        als bedoeld in artikel 6 lid 1 sub b van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>niet uitkeringsgerechtigden</cursief>: personen die
                                        als werkzoekenden zijn geregistreerd bij het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en die
                                        geen uitkeringsgerechtigden zijn.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voortgangsrapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de gemeenteraad wordt twee maal per jaar een
                                voortgangsrapportage gezonden m.b.t. uitvoering van deze
                                verordening. Deze rapportage omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>algemene resultaatmeting als vergelijking met andere
                                        gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>specifieke resultaatmeting van de financiën in relatie tot
                                        de verschillende doelgroepen en de ingezette
                                        instrumenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de in artikel 2 lid 1 genoemde
                                voortgangsrapportage vast alvorens deze aan de raad wordt
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voortgangsrapportage zoals bedoeld artikel 2 lid 1 bevat het
                                oordeel van de adviesraad Welzijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het door het college vastgestelde participatiebeleid wordt
                                vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan
                                aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 WWB, 13 en
                                        37 IOAW, 13 en 37 IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de WWB;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>indien de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de
                                        aangeboden voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen zoals
                                bedoeld in artikel 10 lid 2 WWB die gedurende vijf jaren geen
                                inkomsten uit arbeid hebben verworven, een werkstage, gericht op
                                arbeidsinschakeling, aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage zonder vergoeding of loon is het opdoen
                                van werkervaring dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkstage duurt maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het deelnemen aan een werkstage wordt geen vergoeding of loon
                                uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen zoals
                                bedoeld in artikel 10 lid 2 WWB activiteiten aanbieden in het kader
                                van sociale activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het onbetaald verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk ter
                                voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of
                                gericht op het voorkomen van sociaal isolement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van
                                belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen zoals
                                bedoeld in artikel 10 lid 2 WWB een dienstverband aanbieden, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en indien door zijn
                                plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het dienstverband zoals bedoeld in het eerste lid is de
                                arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Hellevoetsluis van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die in opdracht van of
                                namens de gemeente het werkgeverschap voor de banen, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, uitvoert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan werkgevers die met een kwetsbare, uiterst
                                kwetsbare of gehandicapte werknemer met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of
                                Anw- uitkering een arbeidsovereenkomst sluiten, een
                                loonkostensubsidie verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten
                                gedurende maximaal 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorwaarde voor het verstrekken van een loonkostensubsidie is het
                                aansluitend aanbieden door de reguliere werkgever van een
                                aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst voor de duur van
                                minimaal zes maanden, waarover geen loonkostensubsidie wordt
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:</al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende zes maanden geen
                                        reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; of</al></li><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit; of</al></li><li nr="c."><al>ouder is dan 50 jaar; of</al></li><li nr="d."><al>alleenstaande ouder is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die
                                onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding 24 maanden of langer
                                werkloos is geweest.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder gehandicapte werknemer wordt verstaan een persoon waarbij
                                aantoonbaar sprake is van lichamelijke en/of verstandelijke
                                beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien de werkgever op
                                grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een persoon met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw- uitkering, een
                                niet- uitkeringsgerechtigde dan wel een persoon zoals bedoeld in
                                artikel 10 lid 2 WWB niet beschikt over een startkwalificatie, kan
                                een scholings- of opleidingstraject worden aangeboden die tot die
                                kwalificatie leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen zoals
                                bedoeld in artikel 10 lid 2 WWB een scholings- of opleidingstraject
                                aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling of het vergroten van de
                                kansen op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7 lid 3 onderdeel a WWB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een persoon additionele werkzaamheden verricht als bedoeld in
                                artikel 10a WWB en niet beschikt over een startkwalificatie, bekijkt
                                het college na een periode van zes maanden na aanvang van die
                                werkzaamheden in hoeverre scholing of opleiding de toegang tot de
                                arbeidsmarkt kan bevorderen. Geen scholing of opleiding wordt
                                aangeboden als dit naar het oordeel van het college de krachten of
                                bekwaamheden van belanghebbende te boven gaat of niet bijdraagt aan
                                vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand een participatieplaats aanbieden zoals bedoeld in
                                artikel 10a WWB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een participatieplaats is personen die vooralsnog niet
                                bemiddelbaar zijn middels het aanbieden van additioneel werk een
                                stap richting arbeidsinschakeling te laten zetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid dient een
                                belanghebbende onder verantwoordelijkheid van de gemeente
                                additionele werkzaamheden te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de participatieplaats wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die zowel door het
                                college, de werkgever als een belanghebbende wordt getekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er kan door het college na een periode van drie maanden een
                                vergoeding in rekening worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij
                                gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele
                                werkzaamheden heeft verricht, een premie van maximaal € 200,--
                                indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
                                voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan ondernemingen waarbij personen met een WWB-,
                                IOAW-, IOAZ- of Anw- uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel
                                personen zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 WWB algemeen
                                geaccepteerde arbeid hebben aanvaard, welke geen voorziening
                                inhoudt, gedurende maximaal 12 maanden nazorg bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nazorg is gericht op het bestendig maken van de arbeidsrelatie
                                van belanghebbende en betrokken onderneming.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In
                            gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                                2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Re-integratieverordening 2004, vastgesteld door de raad op 26 mei
                                2005, wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening WWB,
                            IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 13 september 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>H.J. van der Wel. mr. F.D. van Heijningen.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
                        gemeente Hellevoetsluis</titel></kop><al/><al>De WWB geeft het college de opdracht te zorgen voor de re-integratie van
                    bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een
                    Anw-uitkering. Het college bepaalt welke voorzieningen in de gemeente worden
                    aangeboden en stelt tevens vast wie voor welke voorziening in aanmerking komt.
                    De WWB draagt aan de gemeenteraad op om een verordening op te stellen waarin het
                    beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.
                    In de WWB is vastgelegd dat in de verordening regels moeten worden opgenomen
                    waaruit onder andere aandacht blijkt voor de in de WWB onderscheiden doelgroepen
                    en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. </al><al>Re-integratie is maatwerk. Deze verordening legt voorzieningen vast die het
                    college in ieder geval kan aanbieden. De gemeenteraad heeft gekozen voor een
                    algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht
                    die de raad heeft gekregen. Die leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is
                    helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het
                    concrete geval een passende re-integratietraject is. Daarom wordt aan het
                    college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te
                    maken. Artikel 10 WWB bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                    ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid en de door het college
                    noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ
                        2012 gemeente Hellevoetsluis</titel></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW,
                        IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden
                        gewijzigd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voortgangsrapportage</titel></kop><al>De WWB verplicht de gemeenteraad het re-integratiebeleid in een verordening
                        vast te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de
                        verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en
                        voortgangsrapportages.</al><al>Op grond van artikel 2 lid 1 van deze verordening zal het college twee maal
                        per jaar een voortgangsrapportage opstellen. Daarnaast stelt het college
                        beleid vast voor de uitvoering van deze verordening. Er is gekozen om een
                        meerjarenbeleidsplan vast te stellen, waarbij het college twee maal per jaar
                        rapporteert m.b.t. de uitvoering van deze verordening. </al><al>Artikel 2 lid 1 van deze verordening legt vast welke specifieke
                        beleidsonderwerpen in de voortgangsrapportage in elk geval aan de orde
                        dienen te komen. Daarmee voldoet de gemeenteraad ook aan de plicht van
                        artikel 8 lid 2 WWB om in de verordening vast te leggen dat er evenwichtige
                        aandacht is voor verschillende doelgroepen en subdoelgroepen en de wijze
                        waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De WWB schrijft niet dwingend voor welke voorzieningen het college aan moet
                        bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                        arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken
                        van reguliere arbeid door belanghebbende. Al naar gelang de afstand van
                        belanghebbende tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                        bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals
                        het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                        vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via
                        gesubsidieerd werk). </al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe
                        enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                        voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Artikel 3
                        lid 1 van deze verordening geeft daarom aan dat de verordening geen
                        uitputtende opsomming van voorzieningen bevat. </al><al>Artikel 3 lid 2 van deze verordening geeft aan dat het college een
                        voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder
                        beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een
                        werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een
                        detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen
                        vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de
                        eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstages</titel></kop><al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de werkstage
                        aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de werkstage beschouwd kan
                        worden als een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan
                        niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie
                        criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk
                        verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar
                        een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en hetgeen al dan
                        niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                        de feitelijke invulling van de overeenkomst. De Hoge Raad heeft bepaald dat
                        er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                        arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis
                        en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel
                        geen sprake van beloning. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven,
                        maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van
                        gemaakte kosten. </al><al>Artikel 4 lid 1 van deze verordening geeft de algemene bepaling voor het
                        aanbieden van een werkstage. Lid 2 geeft nog eens specifiek aan wat het doel
                        is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan
                        te geven. Dit is met name van belang om te voorkomen dat een belanghebbende
                        claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter
                        loonbetaling afdwingt. </al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                        opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                        ‘snuffelstage’, waarbij een belanghebbende de gelegenheid krijgt om te
                        bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede
                        plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                        werkstage kan een belanghebbende wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                        komen, werkritme en samenwerken met collega’s. </al><al>Artikel 4 lid 3 van deze verordening geeft de maximale duur van de werkstage
                        aan. Hierbij kan gedacht worden aan een termijn van bijvoorbeeld drie tot
                        zes maanden. In lid 4 wordt bepaald dat er geen vergoeding of loon wordt
                        uitgekeerd voor de werkstage. In lid 5 is geregeld dat bij plaatsing geen
                        verdringing plaats mag vinden en de concurrentieverhoudingen niet nadelig
                        mogen worden beïnvloed. Het college kan dit doen door expliciet na te gaan
                        dat het werk dat verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen
                        recent ontslag heeft plaatsgevonden. </al><al>In lid 6 is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                        wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                        opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                        overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een werkstage niet
                        gaat om een reguliere arbeidsverhouding. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                        arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter
                        een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                        re-integratie, maar participatie voorop. </al><al>Artikel 5 lid 2 van deze verordening geeft een omschrijving van het begrip
                        sociale activering en bepaalt dat er geen financiële vergoeding tegenover
                        het verrichten van de activiteiten staat. Lid 3 geeft het college de
                        mogelijkheid om de duur van een dergelijke voorziening nader te bepalen,
                        afgestemd op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><al>De WWB biedt de mogelijkheid personen een dienstverband aan te bieden om op
                        basis van detachering werkervaring op te doen. In de verordening kunnen de
                        randvoorwaarden worden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. </al><al>Artikel 6 lid 1 van deze verordening biedt de mogelijkheid tot het aangaan
                        van het dienstverband. In lid 2 wordt bepaald dat het gaat om detachering.
                        Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Tussen het inlenende
                        bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot
                        de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                        begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                        inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van
                        het werk. </al><al>Voor artikel 6 lid 3 van deze verordening wordt verwezen naar de toelichting
                        bij het artikel over werkstages. Lid 4 geeft aan welke rechtspositie van
                        toepassing is. Hierbij kan verwezen worden naar een bestaande
                        rechtspositieregeling. </al><al>Lid 5 van artikel 6 geeft het college de mogelijkheid het materieel
                        werkgeverschap te mandateren aan een uitvoeringsorganisatie of
                        re-integratiebedrijf. Voor de uitbesteding dient een mandaatbesluit te
                        worden genomen. Daarnaast is het zaak een uitvoeringscontract op te stellen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                        arbeidsinschakeling te bevorderen. In de WWB zijn geen specifieke eisen
                        opgenomen voor gesubsidieerde arbeid. Er geldt alleen de algemene bepaling
                        dat alle voorzieningen moeten dienen om de belanghebbende uiteindelijk aan
                        regulier werk te helpen. </al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het
                        feit dat voor de belanghebbende tenminste het wettelijk minimumloon moet
                        worden betaald, terwijl de werkgever de belanghebbende (nog) niet ten volle
                        kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever
                        verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                        compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                        bewerkstelligen (zie TK 2004-2005, 28 870, nr. 125). In artikel 7 lid 1 van
                        deze verordening is de doelgroep opgenomen en in lid 2 de maximaal toe te
                        kennen loonkostensubsidie opgenomen. Lid 3 bepaalt dat een werkgever na een
                        periode van loonkostensubsidie aansluitend een arbeidsovereenkomst aan dient
                        te bieden voor minimaal zes maanden, waarover geen loonkostensubsidie wordt
                        ontvangen. Een nadere uitwerking van de doelgroep volgt in lid 4, 5 en 6. </al><al>Lid 6 van artikel 7 bepaalt dat de loonkostensubsidie alleen wordt verstrekt
                        als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van
                        een vacature met een persoon voor wie loonsubsidie wordt verstrekt is alleen
                        toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                        ontslag op grond van een van de volgende redenen: </al><al>• eigen initiatief van de werknemer; </al><al>• handicap; </al><al>• ouderdomspensioen; </al><al>• vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer; of </al><al>• gewettigd ontslag om dringende redenen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is
                        vooraf algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden
                        opgenomen. Daarom is artikel 8 van deze verordening gebruikt om op het
                        niveau van de verordening een aantal randvoorwaarden te formuleren. </al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau 2. Het Regionaal
                        Meld- en Coördinatiepunt registreert jongeren die voortijdig dergelijke
                        opleidingen verlaten. Aan hen wordt geen scholing aangeboden. Personen
                        jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas
                        bekostigde onderwijs kunnen vanaf 1 juli 2012 sowieso geen voorziening
                        ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7 lid 3
                        onderdeel a WWB). Dit is voor de volledigheid opgenomen in lid 3 van artikel
                        8. </al><al>Wanneer een belanghebbende die in aanmerking is gebracht voor een
                        participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                        college aan deze belanghebbende scholing of opleiding aan te bieden. Dit
                        geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                        participatieplaats (artikel 10a lid 5 WWB). De gemeenteraad dient met
                        betrekking tot de opleiding of scholing bij verordening regels te stellen.
                        Dat is in deze verordening gebeurd in lid 3 van artikel 8. De wetgever heeft
                        aangegeven dat deze regels onder meer betrekking kunnen hebben op het type
                        scholing of opleiding dat wordt ingezet in relatie tot de afstand tot de
                        arbeidsmarkt (zie TK 2007-2008, 31 577, nr. 3, p. 12). </al><al>Afgezien van het al dan niet bezitten of behalen van een startkwalificatie,
                        kan het college een scholings- of opleidingstraject aanbieden ter vergroting
                        van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een belanghebbende
                        geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of
                        opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                        belanghebbende te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding
                        niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                        arbeidsproces van de belanghebbende (artikel 10a lid 5 WWB). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot
                        de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de
                        vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 lid 8 WWB). Dit
                        volgt ook uit artikel 9 lid 1 van deze verordening. </al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken dan wel het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan bezien worden of het
                        werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een
                        belanghebbende bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan
                        gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan
                        realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot
                        maximaal vier jaar. Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                        participatieplaats de kans op arbeidinschakeling heeft vergroot. Zo niet dan
                        wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van
                        de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats
                        wordt voorgezet. Indien de gemeente concludeert dat voortzetting van de
                        participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren
                        aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                        participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient
                        een andere werkomgeving geboden te worden. Na 36 maanden vindt opnieuw een
                        dergelijke beoordeling plaats. </al><al>Iedere zes maanden dient het college te beoordelen of belanghebbende
                        voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling
                        in het arbeidsproces (artikel 10a lid 6 WWB). Aangezien het naar vermogen
                        verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid op grond van
                        artikel 9 Wwb een verplichting is en deze beoordeling zich uitsluitend richt
                        op het verkrijgen van betaalde arbeid, is de premie gemaximeerd op € 200,--
                        per zes maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nazorg</titel></kop><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                        belanghebbenden na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de
                        uitkering. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden
                        na acceptatie van reguliere arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij
                        gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding en advisering normaal gesproken al
                        onderdeel uit van het traject. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk
                        in het voordeel van de belanghebbende af te wijken van hetgeen in de
                        verordening is vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang vanaf 1 oktober 2012. Hierbij
                        is aansluiting gezocht met de datum van inwerkingtreding van een aantal voor
                        de WWB van belang zijnde wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel “Wijziging
                        van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet
                        investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
                        arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                        uitkeringsgerechtigden”, alsmede het van toepassing zijnde overgangsrecht.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>