<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR228518_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Smallingerland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Breeduit, 24-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005181&amp;artikel=8">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>03-04-2012, volgnr. 12</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47689</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Smallingerland 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                            Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel,
                                            bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in
                                            dit artikellid, burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; </al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede
                                            lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van
                                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met
                                            het bouw- en woningtoezicht; </al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
                                        </al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                                            in het Bouwbesluit; </al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door
                                            of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
                                        </al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; </al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; </al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
                                        </al></li><li nr="-"><al>straatpeil: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang; </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                  ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                                                  van de bouw; </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                            gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                            behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                            liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
                                                dat volgt uit figuur 1. </al></li><li nr="b."><al>(vervallen). </al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet
                                        voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                                        bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen. </al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                    ordening</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en </al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of </al><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport
                                en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond
                                van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li><li nr="b."><al> andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor. </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II
                                                bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                ; </al></li><li nr="f."><al> overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr=""><al>- 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg; </al></li><li nr=""><al>- 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg; </al></li><li nr=""><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en
                                                2.5.9 is verleend; </al></li><li nr="b."><al> in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                                verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                                achtergevelrooilijn is geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;
                                            </al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel
                                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                daarbijbehorende woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                                afwijking is gebaat. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste; </al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e"><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                        toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te
                                bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al></li><li nr="d."><al> onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e"><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li><li nr="2."><al> terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e"><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 6.37, 6.38 en 6.49 van het
                                        Bouwbesluit 2012, is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw; </al></li><li nr="j."><al> erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al> bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan
                                                de achtergevel, en </al></li><li nr="b."><al>b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                        veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                niet tot bewoning bestemd is; </al></li><li nr="b"><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig; </al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht; </al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen; </al></li><li nr="b."><al> indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                        aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                        voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                        onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang
                                        van het af te scheiden erf of terrein. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                        worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert; </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                        voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al> in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;
                                            </al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok; </al></li><li nr="b."><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
                                                de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
                                                hetzelfde bouwblok. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien
                                        de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                        lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde
                                        van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen
                                        de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                        dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                        voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                        zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet
                                        hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken
                                        door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn
                                        snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 -
                                        maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek
                                        vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al> 45 graden in de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al> 37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de –
                                        krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met
                                        het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan
                                        15 meter. </al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagst gelegen weg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                        een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70
                                        meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                        van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van
                                        ten hoogste 45 graden toegelaten is. </al></li><li nr="2."><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard
                                        en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                        beletsel vormen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        - buiten beschouwing worden gelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse; </al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat; </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard; </al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter; </al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="j."><al> draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al> vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                                    bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                                    beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is; </al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is; </al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid; </al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en </al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                        mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                        gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                        vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                        voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                                minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
                                                6,00 m bedragen; </al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die
                                                ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                                                grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde
                                        lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit; of </al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</label></kop><structuurtekst><al>(vervallen) </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke
                                    voorziening voor verwarming</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</label></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Hûs &amp; Hiem die uit haar midden personen voordraagt als
                                    lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                    welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                    welstandsnota genoemde welstandscriteria. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al></li><li nr="2."><al> Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur. </al></li><li nr="5."><al> In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente
                                    anders dan bedoeld in het eerste lid zitting hebben. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Regelement van orde Welstandscommissie</label></kop><al>1.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bij deze
                            verordening isvastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                            leden, nadere regels voor de samenstelling, de taakomschrijving, de
                            werkwijze en de benoeming van de leden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr=""><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li><li nr=""><al>- de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr=""><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr=""><al>- de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr=""><al>- de bijzondere projecten. </al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat
                                    door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
                                </al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                                    3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                    openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                    welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                    overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                    burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                    beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. </al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    hierom bij het indienen van de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze
                                    door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het
                                    geven van een toelichting op het bouwplan. </al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van
                                    de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. </al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                    reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                    bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele
                                    opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de
                                    toelichtende fase en de beraadslagingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                    advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid
                                    van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe
                                    aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of
                                    secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                    oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                    verondersteld. </al></li><li nr="2."><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                    welstandscommissie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                    schriftelijk. </al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                    burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 3e dag na die waarop
                                    zij is afgekondigd. </al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: de
                                    bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29 juni 2010
                                    en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening'.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 april 2012</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Model-bouwverordening</titel></kop><al>(incl. 14 wijziging op het model 1992)</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><cursief>Bouwtoezicht</cursief></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen
                    burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden.
                    Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als
                    “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al>Zie hiervoor: <extref doc="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar">http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar</extref>.<extref doc="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar"/>Zie over dit onderwerp ook de <extref doc="http://www.car-uwo.nl/CARUWO/Ledenbrieven/Lbr_07_117_5april2007.pdf">VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR</extref>: <extref doc="http://www.car-uwo.nl/CARUWO/Ledenbrieven/Lbr_07_117_5april2007.pdf"/>
                    (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al/><al><cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al><cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten
                    aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                    (Bor).</al><al/><al><cursief>Wet BIBOB</cursief></al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet
                    Bibob).</al><al/><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al/><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al/><al/><al><cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor
                        het bouwen</cursief></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al><cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning
                    en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1
                    Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                    gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al/><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al/><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al/><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                    het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al/><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt
                    in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog
                    niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden
                    gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                    bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en
                    actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij
                    de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag
                    zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al/><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al/><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al/><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe
                    zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn.</al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al/><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht; </al><al>- de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                    afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al><al>- de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. </al><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                    opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al/><al><cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</cursief></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al>a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, </al><al>b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien
                    van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp
                    expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient
                    ten slotte te worden bezien of, </al><al>c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                    voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. </al><al/><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit
                    artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al/><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>- bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van
                    de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg; </al><al>- bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt,
                    de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; </al><al>- bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                    as van de weg. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al/><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al/><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al/><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al/><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al/><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al/><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al><cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief></al><al>Het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title%3DBESLUIT%20EXTERNE%20VEILIGHEID%20BUISLEIDINGEN">Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)</extref> en de bijbehorende
                        <extref doc="http://www.infomil.nl/publish/pages/71036/2011-01-01_regeling_externe_veiligheid_buisleidingen.pdf">Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb)</extref> zijn op 1 januari
                    2011 <extref doc="http://www.infomil.nl/publish/pages/71036/2011-01-01_inwerkingtredingsbesluit_-_stb-2010-863_1.pdf">in werking getreden</extref>. Het Bevb regelt onder andere welke
                    veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met
                    gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het <extref doc="http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/bevi-revi/">Besluit externe veiligheid inrichtingen</extref>(Bevi). De besluiten gaan
                    voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al/><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al/><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al><extref doc="http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen">www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</extref></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al/><al>Zie figuur 19.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al/><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al/><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al/><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al/><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al/><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al/><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al/><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al/><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al/><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al/><al><cursief>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief></al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al><al/><al><cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</cursief></al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al/><al><cursief>Sub d</cursief>.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al/><al><cursief>Sub e</cursief>.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al/><al>Lid 1 </al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of <extref doc="http://www.crow.nl/">www.crow.nl</extref> ). Overigens kan een
                    verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al/><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al/><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de
                    eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                    Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                    voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing.
                    De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is
                    blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999,
                    356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening
                    aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming
                    is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                    aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen
                    die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden
                    die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                    m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                    naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming
                    te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al/><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al/><al><cursief>Alternatief </cursief></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al/><al><cursief>Onafhankelijkheid</cursief></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al/><al><cursief>Deskundigen en burgers</cursief></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al/><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar. </al><al/><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt
                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al/><al><cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al/><al><cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond
                    van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                    artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                    overgegaan. </al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. </al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al/><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning. </al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Openbaar vergaderen</cursief></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al/><al><cursief>Belanghebbenden</cursief></al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al/><al><cursief>Spreekrecht</cursief></al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al/><al><cursief>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                        welstandscommissie</cursief></al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7
                    MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende
                    omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet
                    vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                    bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan
                    slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan
                    en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al/><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandadvies.</al><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer
                    op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken </al><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al/><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag
                    welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd
                    onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                    bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                    verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan de
                    welstandscommissie (..) voorleggen).</al><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te
                    stellen. </al><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de
                    beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk over
                    te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al/><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen
                    gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                    commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de
                    vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand
                    (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                    uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
                    om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria
                    zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van
                    de Woningwet.</al><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de
                    welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met
                    art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen
                    redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12,
                    lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van
                    toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op
                    een andere grond moet worden geweigerd.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen
                    te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of
                    vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                    aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter
                    advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te
                    toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al/><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                    welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe
                    aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                    kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al><cursief>Geen mandatering</cursief></al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1
                    Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan.
                    Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de
                    commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de
                    modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan. </al><al/><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><al>- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al><al>- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en</al><al>- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend
                    mag worden verondersteld.</al><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al/><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</vet></al><al/><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel 1.3
                    van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als
                    bedoeld in dit artikel.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al/><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al/><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt,
                    waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van
                    ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Bijlagen 2 t/m 6</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al><vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Bijlage 9 </vet></al><al>Reglement van orde van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit</al><al/><al>Reglement op deAdviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit</al><al/><al>In dit reglement worden de instelling, de samenstelling, de benoeming en de
                    werkwijze van de commissie vastgesteld. Dit reglement dient als bijlage van de
                    gemeentelijke Bouwverordening. </al><al/><al>Ingaande: </al><al/><al>Inhoud</al><al/><lijst><li nr="1."><al> Begripsbepalingen</al></li><li nr="2."><al> Aanwijzing van de commissie</al></li><li nr="3."><al> Benoeming van de commissie</al></li><li nr="4."><al> Taken van de commissie</al><al>4.1 Taakomschrijving</al><al>4.2 Wettelijke taken</al><al>4.3 Niet wettelijk verplichte taken</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al> Taakomschrijving commissieleden</al></li><li nr="6."><al> Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="7."><al> Werkwijze van de commissie</al></li><li nr=""><al>7.1 Centrale en Lokale commissie</al></li><li nr=""><al>7.2 Gemandateerde behandeling</al></li><li nr=""><al>7.3 Openbaarheid, locatie en publicatie commissievergadering</al></li><li nr=""><al>7.4 Vooroverleg </al></li><li nr="8."><al>Spreekrecht</al></li><li nr="9."><al>Advies</al></li><li nr="10."><al>Afwijken van het advies/ het vragen van een ‘second opinion’</al></li><li nr="11."><al>Jaarverslag commissie en college</al></li></lijst><al/><al><vet>1. Begripsbepalingen</vet></al><al>a. het college: het college van burgemeester en wethouders</al><al>b. de G.R. hûs en hiem: de Gemeenschappelijke Regeling hûs en hiem</al><al>c. de commissie: de gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, i.c. de
                    Welstands- en/ of Monumentencommissie en/of Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit.</al><al>d. aanvraag: een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                    bouwwerk. (ex art. 2.1, lid 1, sub a van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht)</al><al>f. advies: advies als bedoeld in de artikelen 2.26, lid 3 van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 6.2, lid 1 van de Besluit
                    omgevingsrecht, en in de van toepassing zijnde regelgeving in de gemeentelijke
                    verordeningen. </al><al/><al><vet>2. Aanwijzing van de commissie</vet></al><al>De gemeente wijst de G. R. hûs en hiem aan als commissie die aan het college
                    advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een
                    bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                    ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. </al><al>De gemeente wijst de G.R. hûs en hiem aan als commissie, die het college advies
                    uitbrengt over de vraag of een omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend
                    niet in strijd is met de Monumentenwet en de Monumentenverordening.</al><al/><al>De commissie kent de volgende samenstelling:</al><al>1. een voorzitter</al><al>2. een secretaris, de adviseur ruimtelijke kwaliteit van</al><al> hûs en hiem</al><al>3. ten minste twee architecten</al><al>4. ten minste één monumentenarchitect</al><al>5. ten minste één stedenbouwkundige</al><al>6. ten minste één architectuurhistoricus</al><al>7. ten minste één gemeentelijke, bouwtechnisch deskundige</al><al>8. ten minste één burgerlid</al><al>7. en facultatief andere disciplines, zoals bijv. landschapskunde, e.d. welke
                    voor een adequate beoordeling van belang worden geacht.</al><al/><al>De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, functionerend als integrale
                    Welstandcommissie, Monumentencommissie en Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteitadviseert zowel op welstandsaspecten op basis van de Woningwet, als op
                    monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet en de gemeentelijke en
                    provinciale monumentenverordening, als op de overige ruimtelijke
                    kwaliteitsvragen die het college voorlegt. In het geïntegreerde advies komt
                    duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op welstand,en welke op de
                    aanvraag op basis van de Monumentenwet en welke op de overige ruimtelijke
                    kwaliteitsvragen.</al><al>De (integrale) commissie kent als vaste bezetting ten minste de disciplinaire
                    samenstelling die voor een adequate beoordeling van de welstands-, van de
                    monumenten- en van de ruimtelijke kwaliteitsaspecten relevant worden geacht. De
                    commissie hanteert als toetsingskader de door de gemeenteraad vastgestelde
                    gebiedsgerichte - en objectgerichte criteria.</al><al/><al><vet>3. Benoeming van de commissie</vet></al><al>a. De G.R. hûs en hiem doet voor elke zittingstermijn een voordracht voor
                    commissieleden en hun plaatsvervangers aan het college. Indien gewenst vindt
                    hierover vooroverleg plaats tussen de gemeente en de G.R. hûs en hiem.b. De
                    voorzitter, de secretaris en de overige leden van de commissie en hun
                    plaatsvervangers worden op voorstel van het college benoemd en ontslagen door de
                    gemeenteraad.</al><al/><al><vet>4. Taken van de commissie</vet></al><al>4.1 Taakomschrijving. </al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De taken van de commissie hûs en hiem worden uitgevoerd op
                    grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht), de Woningwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening. De
                    commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals
                    dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. </al><al>4.2 Wettelijke taken.Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken.De commissie is
                    bevoegd om het college te adviseren over de welstandsaspecten van een bouwplan
                    overeenkomstig artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht, artikel 12 en 12a van de Woningwet, artikel 11 van de
                    Monumentenwet en aanvragen waarop de gemeentelijke Monumentenverordening van
                    toepassing is. Vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen twee
                    weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al><al/><al>4.3 Niet wettelijk verplichte taken.De commissie kan de opdracht krijgen om
                    naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te
                    voeren: </al><al>a. Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV).b.
                    Onder de regie van de gemeente en op verzoek van de gemeente of de aanvrager,
                    noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van
                    bouwplannen.</al><al>c. Desgevraagd advies uitbrengen over de herziening van de welstandsnota.d.
                    Desgevraagd adviezen uitbrengen aan het college over de welstandsaspecten van in
                    voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                    beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken.e. Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en
                    architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke
                    kwaliteit in de gemeente.f. Desgevraagd adviseren in het geval van excessen:
                    buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen
                    evident zijn.g. Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                    het college en burgers.</al><al/><al><vet>5. Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al>De leden van de commissie (voorzitter, secretaris en overige leden) worden
                    geselecteerd op de noodzakelijk geachte materiedeskundigheid en hun
                    onafhankelijkheid.</al><al/><al>De voorzitter en/of secretaris, voert/ voeren onder regie van de gemeente namens
                    de commissie het (eerste) vooroverleg met de planindieners, ontwerpers en andere
                    belanghebbenden, verzamelt/ verzamelen relevante informatie en bereidt/ bereiden
                    de behandeling van de adviesaanvragen in de commissie voor.De secretaris stelt
                    in samenspraak met de voorzitter en de behandelend ambtenaar Bouw- en
                    Woningtoezicht de agenda voor de Commissievergadering op. Tijdens de
                    Commissievergadering introduceert de secretaris de bouwplannen en verstrekt
                    gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of
                    gebied. Onder de verantwoordelijkheid van de secretaris wordt de beraadslaging
                    en de conclusie(s) over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat
                    in beginsel binnen twee weken na de Commissievergadering verzonden wordt.</al><al/><al>De voorzitter, een materiedeskundige met bestuurlijke ervaring, is
                    verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de
                    advisering. Hij/zij ziet toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het
                    gemeentelijke welstandsbeleid. Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op
                    als gastheer/gastvrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij licht de vergaderorde toe
                    en informeert wie van de aanwezigen bij een agendapunt wil toelichten. Indien
                    een plan in vooroverleg is besproken doet de voorzitter c.q. de secretaris
                    verslag van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken. Na de fase
                    van de toelichtingen (secretaris/ gemeente/ externe toelichters) wordt deze
                    afgerond en vangt de fase van de beraadslaging aan, een fase waaraan alleen de
                    leden van de commissie deelnemen.De voorzitter draagt er zorg voor dat na de
                    inhoudelijke discussie een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting
                    wordt gegeven, resulterend in een conclusie. De voorzitter bewaakt de voortgang
                    van de agenda.</al><al/><al>De voorzitter c.q. de secretaris onderhoudt de contacten met het gemeentebestuur
                    en de relevante gemeentelijke diensten.</al><al>Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel 6 genoemde
                    bescheiden en hierdoor een afgewogen advisering niet mogelijk is, neemt de
                    voorzitter c.q. de secretaris de adviesaanvraag niet voor behandeling in de
                    commissie aan.</al><al/><al>De voorzitter ziet er op toe dat, in het geval dat één van de leden van de
                    Commissie op een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan,
                    dit lid in voorkomend geval niet zal deelnemen aan de beraadslagingen en zo
                    mogelijk zal worden vervangen.</al><al/><al>Bij het overleg met de gemeente en de pers treedt de voorzitter namens de
                    commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie jaarlijks een
                    inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie
                    worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie.</al><al/><al><vet>6. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een advies kan worden gevraagd voor alle plannen waarvoor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd. </al></li><li nr="2."><al>Bouw- en Woningtoezicht draagt er zorg voor dat de commissie inzicht
                            heeft of het plan in overeenstemming is met de vereisten in de
                            bouwverordening en in de planologische aanvaardbaarheid van het plan en
                            indien strijdig in de aard van de strijdigheid. </al></li><li nr="3."><al>Ten behoeve van de welstands- en monumententoets beoordeelt de ambtenaar
                            of het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden zoals omschreven
                            in de Regeling omgevingsrecht, onder Hoofdstuk 2, art. 2.5 inzake
                            Redelijke eisen van welstand en onder Hoofdstuk 5 inzake Activiteiten
                            met betrekking tot een beschermd monument. Deze betreffen in ieder
                            geval:</al></li><li nr="4."><al>tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van
                            belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de
                            directe omgeving past;</al></li><li nr="5."><al>principedetails van gezichtbepalende delen van het bouwwerk;</al></li><li nr="6."><al>kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;</al></li><li nr="7."><al>opgave van de toe te passen bouwmaterialen en kleur daarvan (uitwendige
                            scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en
                            de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren,
                            balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking;</al></li><li nr="8."><al>de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit
                            zijn voorzien van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding.</al></li></lijst><al/><al><vet>7. Werkwijze van de commissie</vet></al><al>7.1 Centrale en Lokale commissieDe commissie kent een tweetal werkwijzen, één op
                    locatie bij de gemeente (Lokale commissie) en één op het bureau van hûs en hiem
                    (Centrale commissie).</al><al/><al>7.2 Gemandateerde behandelingDe secretaris van de Centrale commissie, de
                    adviseur ruimtelijke kwaliteitvan hûs en hiem, die tevens de rol van voorzitter
                    van de Lokale commissie vervult, heeft een mandaat om adviesaanvragen
                    betreffende bouwplannen waarvan het oordeel over de welstand-, demonumenten- en
                    de ruimtelijke kwaliteitsaspecten van de Centrale commissie als bekend mag
                    worden verondersteld, te behandelen en van een advies te voorzien.</al><al/><al>7.3 Openbaarheid, locatie en publicatie commissievergaderingDe commissie
                    vergadert in de regel eenmaal per twee weken. De vergaderingen vinden plaats in
                    het gemeentehuis, dan wel op een andere vaste locatie binnen de gemeente (Lokale
                    commissie), en/of centrale locatie (Centrale commissie). De behandeling van de
                    adviesaanvragen is openbaar, tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de
                    Wet Openbaarheid van Bestuur, gronden aanwezig acht om de behandeling besloten
                    te doen plaatsvinden. De behandeling van bouwplannen in mandaat is evenzeer
                    openbaar met dezelfde uitzonderingsclausule op grond van de Wet Openbaar
                    Bestuur. De gemeente informeert op verzoek van de aanvrager van een
                    omgevingsvergunning waar en wanneer behandeling van de commissie plaatsvindt.
                    Voor zoveel mogelijk zal de agenda van de Lokale commissie op het gemeentehuis
                    ter inzage worden gelegd, worden gepubliceerd in het lokale huis-aan-huisblad,
                    alsook onderdeel vormen van de gemeentelijke website. Hûs en hiem informeert op
                    verzoek van de aanvrager van een omgevingsvergunning, van de gemeente, dan wel
                    van andere belangstellenden waar en wanneer behandeling in de Centrale commissie
                    plaatsvindt. De agenda voor de Centrale commissie wordt daarnaast gepubliceerd
                    op de website van hûs en hiem.</al><al/><al>7.4 Vooroverleg</al><al>De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag ter advisering
                    voorleggen aan de commissie.</al><al>Het vooroverleg vindt, als de aanvrager daarom verzoekt, in beslotenheid plaats. </al><al>Een vooroverleg mondt uit in een schriftelijk advies aan het college.</al><al>Het in het vooroverleg tot stand gekomen schriftelijke advies maakt onderdeel
                    uit van de bespreking in de openbare planbehandeling van de formele
                    adviesaanvraag.</al><al/><al><vet>8. Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de vergadering van de commissie wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                    geboden, in die zin dat opdrachtgevers, ontwerpers, gemeentelijke
                    vertegenwoordigers en andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld de
                    vergadering bij te wonen en de planvoornemens toe te lichten, respectievelijk
                    daarover hun visie geven. De Commissieleden krijgen daarna de gelegenheid tot
                    het stellen van vragen. Na beantwoording daarvan wordt de toelichtende fase
                    afgesloten en vangt de beraadslaging van de commissie aan, waarna het advies
                    wordt geformuleerd.</al><al/><al><vet>9. Het advies</vet></al><al>De commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan het college
                    over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk’, zowel op
                    zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                    daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand' (art. 12, lid 1 van
                    de Woningwet). Dit wordt beoordeeld van de hand van de criteria die daartoe door
                    de gemeenteraad zijn vastgesteld. En welstandsadvies kan de volgende conclusie
                    hebben:</al><al><cursief>Niet strijdig</cursief></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria en/ of monumentenbelangen niet in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand en/ of monumentenzorg. Desgewenst motiveert de commissie haar
                    advies schriftelijk.</al><al><cursief>Niet strijdig mits</cursief></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan op onderdelen strijdig is metde
                    toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren
                    op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan
                    bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de
                    aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare beslistermijn, de
                    gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. </al><al/><al><cursief>Strijdig</cursief></al><al>De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is metredelijke eisen van
                    welstand en/ of monumentenzorg en/of ruimtelijke kwaliteit.Een negatief
                    standpunt houdt in dat indien het college het advies overneemt, het (bouw-)plan
                    ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan
                    geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze omvat een korte
                    omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria en/ of monumentenbelangen en/of ruimtelijke
                    kwaliteitseisen en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die
                    punten.</al><al><cursief>Aanhouden</cursief></al><al>De commissie kan het advies aanhouden - waarbij Bouw- en Woningtoezicht aangeeft
                    of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende beslistermijn –
                    wanneer:</al><al>a. meer informatie en/ of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper
                    noodzakelijk is voor een goede beeldvorming en een afgewogen oordeel. </al><al>b. de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden, andere dan die
                    gelden voor de toepassing van de hardheidsclausule, opgenomen in de
                    welstandsnota, nopen tot afwijking van het gemeentelijke welstandsbeleid. Zij
                    geeft dan aan gemotiveerd aan op grond waarvan afwijken gerechtvaardigd is.</al><al/><al><vet>10. Afwijken van het advies/ het vragen van een 'Second Opinion' </vet>a.
                    Het college kan bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen afwijken van het advies van de commissie, indien hij van mening is
                    dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                    geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor het afwijken worden bij het
                    bekendmaken van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen kan het
                    college de commissie de mogelijkheid van heroverweging bieden.</al><al>b. Het college heeft op grond van artikel 2.10 lid 1d van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan
                    met redelijke eisen van welstand toch een omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    verlenen, indien hij van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet
                    worden verleend. De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd.</al><al>c. Het college kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd afwijken van
                    de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in
                    het geval dat een bouwplan strijdig is metde welstandscriteria, maar niet
                    strijdig is metredelijke eisen van welstand. In die gevallen moet in het advies
                    worden gemotiveerd waarom het verantwoord is af te wijken van de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria. </al><al>d. Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie,
                    kan hij een ‘second opinion’ inwinnen. Alvorens een ‘second opinion’ te vragen,
                    biedt het college de commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder
                    uitgebrachte advies, waarbij wordt aangegeven op welke punten naar de mening van
                    het college de houdbaarheid van het advies mogelijk in het geding is. Indien
                    alsnog een ’second opinion’ wordt gevraagd, wordt dit ter kennis van de
                    commissie gebracht. Bij een ‘second opinion’ wordt de adviesaanvraag voorgelegd
                    aan een elders in Nederland functionerende commissie. De gemeente neemt daartoe
                    contact op met de Federatie Welstand. </al><al/><al><vet>11. Jaarverslag commissie en college</vet></al><al>a. De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de
                    door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria en
                    de overige, vastgestelde, gemeentelijke ruimtelijke kwaliteitsuitgangspunten.
                    Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een
                    evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en
                    de commissie.</al><al>b. Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de
                    uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag
                    tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12b van de
                    Woningwet (zie bijlage).</al><al>c. De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen over eventuele
                    aanvullingen en/of aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota.</al><al/><al>Bijlage:</al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad één maal per jaar een verslag
                    voor waarin zij ten minste uiteenzetten:</al><lijst><li nr="1."><al>a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                            commissie;</al></li><li nr="2."><al>b. in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de commissie hebben
                            voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                            gegeven aan criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a
                            van de Woningwet;</al></li><li nr="3."><al>c. in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12,
                            eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan tot toepassing van
                            bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlagen 10, 11 en 12 </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al/><al><vet>Bijlagen bij de </vet><vet>Bouwverordening </vet><vet>Gemeente
                        Smallingerland (2012)</vet>(tot en met de 14<sup>e</sup> wijzigingen,
                    vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 april 2012.) </al><al/><al/><al/><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen:</al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i148487.pdf">Bijlagen</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>