Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Maastricht

Erfgoedverordening

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMaastricht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingErfgoedverordening
CiteertitelErfgoedverordening
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Monumentenwet, artikel 15 en artikel 38; Wet algemene bepalingen artikel 2.1 en artikel 2.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-12-201213-01-2014Regeling vervangt de Erfgoedverordening 2011

18-09-2012

Gemeenteblad 2012, C. no. 56

Volgno. 87-2012

Tekst van de regeling

Intitulé

Erfgoedverordening

Erfgoedverordening.

 

Hoofdstuk I.      Algemeen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen  

Deze verordening verstaat onder:

gemeentelijk monument: een in deze verordening in artikel 2 nader omschreven:

zaak, die van algemeen belang is wegens zijn ruimtelijk-historische samenhang en/of architectuurhistorische, architectonische, bouwhistorische en/of cultuurhistorische waarden;

terrein, dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1;

beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (rijksmonument);

Welstands- en Monumentencommissie: de op basis van artikel 15, lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, deze verordening en het monumentenbeleid (inclusief het Maastrichts Planologisch Erfgoedregime en de mede hierop gebaseerde bestemmingsplannen);

archeologische vindplaats: alle bij de gemeente bekende archeologische vindplaatsen, welke nog niet zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan en de daarbij behorende planverbeelding;

plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan beantwoorden;

programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

archeologisch onderzoek: archeologisch onderzoek behelst veldwerk, uitwerking, rapportage en het deponeren van vondsten en/of documentatie in het gemeentelijk depot;

bodemverstoring: alle effecten die het gevolg zijn van veranderingen van en/of aan de fysische bodemkarakteristieken, lager dan de bouwvoor;

bouwvoor: de bovenste, veel bewerkte en vaak met humeus materiaal verrijkte laag van de grond; de grondlaag waar de wortels van de planten in groeien;

bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

Hoofdstuk II.     Gemeentelijke monumenten

 

Artikel 2. Aanduiding in bestemmingsplan

 

Als gemeentelijk monument wordt aangemerkt een zaak en/of terrein als bedoeld in artikel 1, sub a van deze verordening die en/of dat in een vigerend bestemmingsplan en de daarbij behorende planverbeelding is bestemd tot “Maastrichts Erfgoed” met daarbij de nadere aanduiding:

specifieke bouwaanduiding – dominant bouwwerk, of;

specifieke bouwaanduiding – kenmerkend bouwwerk, of;

specifieke bouwaanduiding – waardevol cultuurhistorisch element, of;

specifieke vorm van waarde – waardevol groenelement.

 

Artikel 3. Verbodsbepaling

 

Het is verboden een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening te beschadigen of te vernielen.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening:

te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of;

te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg en het bepaalde in het bestemmingsplan zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het bouwwerk.

 

Artikel 4. Vergunning als bedoeld in artikel 3 van deze verordening

 

Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening aan de Welstands- en Monumentencommissie voor advies.

Indien de Welstands- en Monumentencommissie advies uitbrengt, geschiedt dit schriftelijk binnen vier weken nadat het bevoegd gezag de ontvankelijke aanvraag ter beschikking heeft gesteld.

 

Artikel 4a. Uitzonderingen vergunningsplicht

 

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3 van deze verordening is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving alsmede materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of;

een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het gemeentelijke monument, dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

 

 

Hoofdstuk III.    Rijksmonumenten

 

Artikel 5. Vergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

 

Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument, niet zijnde een archeologisch monument, aan de Welstands- en Monumentencommissie voor advies.

Indien de Welstands- en Monumentencommissie advies uitbrengt, geschiedt dit schriftelijk binnen acht weken nadat het bevoegd gezag de ontvankelijke aanvraag ter beschikking heeft gesteld.

 

Hoofdstuk IV.   Instandhouding van archeologische vindplaatsen

 

Artikel 6. Instandhoudingsbepaling

 

Het is verboden om in en binnen een straal van vijftig meter van een archeologische vindplaats, zoals bedoeld in artikel 1, sub d van deze verordening, de bodem dieper dan de bouwvoor te verstoren.

Het verbod in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing indien:

in een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg, welke zien op de betreffende vindplaats;

een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of;

de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of;

in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

c.  Burgemeester en Wethouders nadere regels stellen, gericht op archeologische monumentenzorg, met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot een verstoring van de bodem als bedoeld in lid 1.

 

Artikel 7. Opgravingen en begeleiding

 

1.   Indien binnen het grondgebied van de gemeente Maastricht archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de zin van artikel 1, sub h van de Monumentenwet 1988 en/of artikel 1, sub g van deze verordening dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

a.   het college van Burgemeester en Wethouders een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1, sub f van deze verordening;

b.   de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1, sub e van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.

2.   In de nadere regels, als bedoeld onder lid 1, sub a nemen Burgemeester en Wethouders bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van Burgemeester en Wethouders in acht te worden genomen.

3.   Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vragen Burgemeester en Wethouders advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de archeologische monumentenzorg.

 

Hoofdstuk V.    Overige bepalingen

 

Artikel 8. Nadere regels

 

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze verordening (uitvoeringsrichtlijnen).

 

Artikel 9. Schadevergoeding

 

1.   Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen Burgemeester en Wethouders hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:

a.   de door Burgemeester en Wethouders nader te stellen regels als bedoeld in artikel 6, tweede lid, sub c van deze verordening;

b.   de door Burgemeester en Wethouders nader te stellen regels als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a van deze verordening;

2.   Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 10. Strafbepaling

 

Degene, die handelt in strijd met artikel 3, lid 1, met artikel 3, lid 2 en/of met artikel 6, lid 1 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

 

Artikel 11. Toezichthouders

 

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn

de bij besluit van Burgemeester en Wethouders, dan wel de Burgemeester aan te wijzen personen belast.

 

Hoofdstuk VI.   Slotbepalingen

 

Artikel 12. Intrekken oude regeling

 

De “Erfgoedverordening 2011” wordt met ingang van 1 december 2012 ingetrokken.

 

Artikel 13. Inwerkingtreding

 

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december 2012.

 

Artikel 14. Citeertitel

 

Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening”.