<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR227775_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2012 - II gemeente Hellevoetsluis.Nummer:</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot Hellevoet, 28 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012 - II gemeente Hellevoetsluis.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13-09-12/11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2012 - II gemeente Hellevoetsluis.Nummer: </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 13-09-12/11</al><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis;</al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 juli 2012, nummer:
                        13-09-12/11; </al><al>met overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen:</al><al>de volgende Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012 - II gemeente
                        Hellevoetsluis.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de WWB</al></li><li nr="b."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van Hellevoetsluis.</al></li><li nr="c."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van
                                        Hellevoetsluis.</al></li><li nr="d."><al><cursief>de norm</cursief>: de norm gehuwden, zoals bedoeld
                                        in artikel 21 sub c WWB.</al></li><li nr="e."><al><cursief>woning</cursief>: een woning zoals bedoeld in
                                        artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een
                                        woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6
                                        WWB;</al></li><li nr="f."><al><cursief>woonkosten</cursief>:</al></li><li nr="I."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                        huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de
                                        huurtoeslag;</al></li><li nr="II."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering
                                        van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband
                                        met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                        zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                        bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. Bij gehuwden gelden de bepalingen
                            van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder,
                            doch jonger dan 65 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de norm voor een belanghebbende in wiens
                                        woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de norm voor een belanghebbende die met één
                                        ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li><li nr="c."><al>vijf procent van de norm voor een belanghebbende die met
                                        twee of meer personen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of
                                een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de norm indien in de woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>twee procent van de norm indien belanghebbende met één of
                                        meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de norm indien in de woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>vijf procent van de norm indien hij met één of meer anderen
                                        zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt tien procent
                                van de norm voor belanghebbenden die met één ander hoofdverblijf in
                                dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt vijftien
                                procent van de norm voor belanghebbenden die met twee of meer
                                personen hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of
                                een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27
                            WWB bedraagt twintig procent van de norm indien een woning wordt bewoond
                            waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 WWB
                                bedraagt tien procent van de norm gedurende 3 maanden, gerekend
                                vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op
                                studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 WWB van toepassing
                                is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In
                            gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>vijftig procent van de norm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>zeventig procent van de norm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>tachtig procent van de norm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Toeslagenverordening WWB 2012, vastgesteld door de raad op 22
                                maart 2012, wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2012 -
                            II gemeente Hellevoetsluis.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 13 september 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.J. van der Wel. mr. F.D. van Heijningen.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2012 gemeente
                        Hellevoetsluis</titel></kop><al/><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met 64 jaar die
                    niet in een inrichting verblijven. De WWB kent verschillende normen voor
                    alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. Alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een toeslag indien zij hogere
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                    voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten
                    met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De
                    hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening,
                    bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij
                    het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of
                    22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al><al/><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van kosten met een ander;</al><al>• de woonsituatie;</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding.</al><al/><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2012 gemeente
                        Hellevoetsluis</titel></kop><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al/><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel d: norm gehuwden</onderstreept></al><al>Voor norm gehuwden wordt verwezen naar de norm voor een echtpaar, zoals bedoeld
                    in artikel 21 sub c WWB. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm zoals die
                    luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65 jaar
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel e: woning</onderstreept></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt
                    uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het
                    begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in
                    deze verordening bepaalt dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals
                    bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                    woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al/><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</onderstreept></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                    Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                    Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                    opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van
                    de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden
                    uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                    Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                    rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Bij “het in eigendom hebben
                    van de woning te betalen zakelijke lasten” kan worden gedacht aan het
                    rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de
                    opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de
                    erfpachtcanon.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Doelgroep</vet></al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                    jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder)</vet></al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag voor zover de
                    belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                    waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van
                    deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het
                    spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><al/><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                    toeslag 20 procent van de norm gehuwden bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                    gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                    verordening.</al><al/><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake
                    is van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle
                    kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor
                    tien procent van de norm gehuwden (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze
                    verordening).</al><al/><al>Wanneer twee of meer anderen hoofdverblijf hebben in de woning, wordt
                    verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan verder gedeeld kunnen
                    worden. Aangezien ook in dergelijke situaties een toeslag op zijn plaats is, is
                    gekozen voor een toeslag van vijf procent (zie artikel 3 lid 1 onderdeel c van
                    deze verordening). </al><al/><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met thuisinwonende
                    kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van
                    ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                    onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al/><al><onderstreept>Lid 3 en 4</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                    artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid is de toeslag
                    geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde lid is de toeslag
                    vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Verlagen norm gehuwden</vet></al><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. Artikel 4 van deze verordening vormt het
                    spiegelbeeld van artikel 3 van deze verordening. Ingeval in de woning van de
                    gehuwden een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een
                    verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm (zie artikel 4 lid 1 van deze
                    verordening).</al><al/><al>Artikel 4 lid 3 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                    opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar
                    de toelichting zoals opgenomen bij dit artikel. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                    woonkosten</vet></al><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                    vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn
                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.</al><al/><al><onderstreept>Geen woonkosten</onderstreept></al><al>In artikel 5 van deze verordening is bepaald dat de norm of
                    toeslag wordt verlaagd met 20 procent van de gehuwdennorm indien een woning
                    wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In
                    artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden
                    verstaan:</al><al>a) indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende</al><al>huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al><al>b) indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand</al><al>omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                    verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in</al><al>eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar
                    omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al><al/><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten zijn, maar
                    anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat geval bedraagt de
                    verlaging 20 procent van de gehuwdennorm. Van lagere bestaanskosten als gevolg
                    van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><al>• bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                    bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al><al>• indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten</al><al>betaalt van de woning.</al><al/><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                    belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus
                    verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te
                    verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p.
                    54-55).</al><al/><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                    het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                    waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                    voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</vet></al><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die recent
                    de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de
                    toeslag gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager
                    vaststellen. Het moet dan wel gaan om onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor
                    aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                    2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op
                    grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten.</al><al/><al>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de verlaging voor
                    schoolverlaters 10 procent van de norm bedraagt gedurende 3 maanden, gerekend
                    vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op de studiefinanciering
                    of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten. Deze verlaging kan
                    echter niet worden toegepast ten aanzien van een belanghebbende op wie artikel 3
                    lid 3 of 4 van deze verordening van toepassing is (artikel 6 lid 2 van deze
                    verordening). Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB waarin is bepaald
                    dat jegens een belanghebbende niet tegelijkertijd een schoolverlatersverlaging
                    en een verlaging voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar mag worden
                    toegepast.</al><al/><al>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van belang.
                    Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat voor
                    het onderwijs of de beroepsopleiding recht bestond op studiefinanciering op
                    grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of op een
                    tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Van belang is dat de
                    belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op studiefinanciering en niet dat het
                    volgen van de soort opleiding daar in theorie recht op geeft. Dit volgt uit de
                    bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de toelichting op artikel 28 WWB.
                    Daarnaast is van belang dat de belanghebbende zijn recht op studiefinanciering
                    ontleent aan de WSF 2000 of de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000.
                    Daarvoor is inschrijving als student vereist. Een voormalig extraneus is dus
                    geen schoolverlater in de zin artikel 28 WWB. Indien het inkomen van
                    belanghebbende voorafgaande aan de bijstand hoger is dan de bijstandsnorm omdat
                    belanghebbende naast zijn studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid
                    of stagevergoeding ontving (en de belanghebbende er bij bijstandsverlening dus
                    op achteruit gaat in plaats van - zoals bij een overgang van alléén WSF 2000
                    naar bijstand - op vooruit), maakt niet dat de schoolverlatersverlaging in zo'n
                    geval niet kan worden toegepast. De invloed van inkomsten naast de
                    studiefinanciering van de belanghebbende spelen in het kader van de
                    schoolverlatersverlaging geen rol.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk in
                    het voordeel van de belanghebbende af te wijken van hetgeen in de verordening is
                    vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder een
                    anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het college de
                    bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag moet
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering.
                    In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er
                    is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al/><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende. Aan de verplichting van
                    artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de Toeslagenverordening wordt vastgelegd
                    dat de schoolverlatersverlaging (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging
                    (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan
                    door de formulering van artikel 6 lid 2 van de Toeslagenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>