<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR227595_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzalen gemeente Eemnes</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Rotonde 18-04-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzalen voor de gemeente Eemnes</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET KINDEROPVANG EN KWALITEITSEISEN PEUTERSPEELZALEN">Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, art. 1.61</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-04-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-04-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-04-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 08-04-2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Dit beleid vervangt de notitie handhavings- en sanctiebeleid gemeente Eemnes betreffende kwaliteit en handhaving kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen van 1 november 2011 met de bijbehorende afwegingsmodellen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzalen gemeente Eemnes</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Handhavingsbeleid Kinderopvang en Peuterspeelzalen voor de gemeente
                        Eemnes</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Handhaving voorschoolse educatie</titel></kop><structuurtekst><al>Voorschoolse educatie wordt door het college slechts getoetst en
                            gehandhaafd voor zover het gesubsidieerde voorschoolse educatie betreft.
                            Voor voorschoolse educatie kan door het college gekozen worden om bij
                            tekortkomingen te handhaven via de subsidie(-voorwaarden) of op grond
                            van de Wko. Indien gekozen wordt voor de Wko is onderhavig
                            handhavingsbeleid van toepassing. Wordt gekozen voor handhaving via de
                            subsidie dan zijn de subsidieverordening en de subsidiebeschikking met
                            de subsidievoorwaarden van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Verschillende soorten sancties</titel></kop><structuurtekst><al>Binnen de handhaving kunnen twee typen sancties onderscheiden worden, te
                            weten herstellende sancties en bestraffende sancties. Doordat beide
                            sancties een verschillend doel dienen in het geval van een overtreding
                            kunnen beide handhavingtrajecten zowel gelijktijdig als afzonderlijk
                            worden gestart.</al><al/><al/><al>A. Herstellende sancties</al><al/><al>In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een herstellende sanctie
                            wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie die
                            strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van
                            een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding,
                            dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een
                            overtreding.</al><al/><al> Hieruit volgt dat het doel van de herstellende sanctie met name gelegen
                            is in het voorkomen van voortduren van de overtreding en/of herhaling in
                            de toekomst. Bestraffing van reeds begane overtredingen kan via de
                            bestraffende sanctie (zie hieronder). </al><al/><al>Welke herstellende sancties worden er onderscheiden binnen dit
                            handhavingsbeleid?</al><al/><al>Stap 1</al><al>Aanwijzing</al><al> Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich
                            een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een
                            gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of krachtens
                            hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2,
                            paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of
                            in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing
                            geven. In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke
                            punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
                            nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen
                            dienen te worden.</al><al> Hersteltermijn</al><al> Bij een aanwijzing wordt de houder een hersteltermijn gegeven. De
                            hersteltermijn wordt bepaald door de zwaarte van de overtreding, welke
                            zichtbaar wordt via de prioritering. De hersteltermijn in dit model
                            wordt aangegeven in een bandbreedte. De handhaver geeft per concreet
                            geval de exacte hersteltermijn aan. Na het verstrijken van de
                            hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle
                            hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel
                            opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd,
                            dan zal een volgende stap worden ingezet. </al><al/><al>Stap 2</al><al> Last onder dwangsom</al><al> Onder last onder dwangsom wordt verstaan:</al><al> a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
                            en</al><al> b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of
                            niet</al><al> tijdig wordt uitgevoerd.</al><al/><al>De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een
                            geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen
                            resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last
                            onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit.</al><al/><al>Verschil tussen een last onder dwangsom en een preventieve dwangsom</al><al>Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat
                            enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar
                            van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de
                            overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal
                            voordoen. Het verschil met een ‘gewone’ last onder dwangsom is, dat deze
                            ‘gewone’ last opgelegd wordt als herstelsanctie, nadat een overtreding
                            heeft plaatsgevonden. Dit kan diverse doelen hebben, onder meer het
                            ongedaan maken van een overtreding en het voorkomen van herhaling. Als
                            een overtreding heeft plaatsgevonden, maar inmiddels wel is hersteld,
                            kan dus nog steeds een last onder dwangsom worden opgelegd ter
                            voorkoming van herhaling. Hiervoor geldt als criterium of er gegronde
                            vrees voor herhaling bestaat.</al><al/><al>Of eventueel Last onder bestuursdwang</al><al> Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan:</al><al> a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
                            en</al><al> b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk
                            handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt
                            uitgevoerd.</al><al> In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de
                            overtreding op te lossen (op kosten van de overtreder) kan een last
                            onder bestuursdwang opgelegd worden. Door de aanvullende sanctie van een
                            exploitatieverbod binnen de handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen
                            zijn er nog maar weinig overtredingen die zich daarnaast lenen voor
                            toepassing van bestuursdwang.</al><al/><al>Stap 3</al><al> Exploitatieverbod</al><al> Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindcentrum,
                            een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te
                            zetten, dan wel verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal
                            voort te zetten. Dit kan het college zolang de houder een bevel of
                            aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang
                            niet mogelijk is.</al><al/><al>Ook kan het college de houder verbieden de locatie in exploitatie te
                            nemen, zolang niet of niet langer aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk
                            1, afdeling 3, paragraaf 2 of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 2 is
                            voldaan.</al><al/><al>Stap 4</al><al> Verwijdering uit het register kinderopvang of het register
                            peuterspeelzaalwerk</al><al>Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van
                            handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het
                            register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen:</al><al> • indien is gebleken dat de houder niet langer de organisatie voor</al><al> kinderopvang exploiteert;</al><al> • indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de
                            houder</al><al> naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en
                            krachtens</al><al> hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 of hoofdstuk 2, afdeling
                            2,</al><al> paragrafen 2 en 3 van de Wko gegeven voorschriften;</al><al> • indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de
                            organisatie</al><al> voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet daadwerkelijk is</al><al> aangevangen.</al><al/><al>Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register, is
                            er geen sprake meer van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk in de zin
                            van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang
                            en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van
                            overtreding van de Wet Economische Delicten. Doordat een kindercentrum,
                            een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau uit het
                            register is verwijderd, wordt ook de grond voor het recht op
                            kinderopvangtoeslag voor vraagouders beëindigd.</al><al> Verloop herstellend handhavingtraject</al><al>Een herstellend handhavingtraject verloopt in beginsel volgens de
                            hierboven beschreven stappen. Er kunnen zich echter situaties voordoen,
                            waarin het naar beoordeling van het college gerechtvaardigd is om,
                            gezien de aard en/of ernst van de overtreding, bepaalde stappen ‘over te
                            slaan’ en direct over te gaan tot inzet van een zwaardere sanctie. Eén
                            van de situaties waarin dit zich kan voordoen is recidive.</al><al/><al>NB Schriftelijk bevel</al><al> Dit is een handhavingsmiddel dat in spoedeisende gevallen door de
                            GGD-inspecteur direct tijdens een inspectie ingezet kan worden. Het
                            middel wordt door de GGD-inspecteur ingezet en niet door het college.
                            Daarom wordt dit bevel in dit Afwegingsmodel niet nader genoemd. Inzet
                            van dit middel wordt door de GGD-inspecteur bepaald. De GGD geeft een
                            bevel indien hij van mening is dat de kwaliteit bij een kindcentrum,
                            gastouderbureau of peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen
                            van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. In geval van
                            overtredingen met een lage of gemiddelde prioritering zal hier niet snel
                            sprake van zijn.</al><al/><al/><al>B. Bestraffende sancties</al><al/><al>In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een bestraffende sanctie
                            wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie voor
                            zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.</al><al/><al>Een bestraffende sanctie bestraft een overtreding die ‘in het verleden’
                            begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt
                            bestraft. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wko is de
                            bestuurlijke boete.</al><al/><al>Een bestuurlijke boete kan apart, maar ook gelijktijdig met een
                            herstellend handhavingtraject worden opgelegd.</al><al/><al>Grondslag bestuurlijke boete</al><al/><al>Bij kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en
                            gastouderbureau’s</al><al> Op grond van art.1.72 Wko is het college bevoegd terzake een aantal
                            overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke
                            boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.</al><al> Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder geval
                            aangewezen in de volgende situaties:</al><al> • In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij
                            of</al><al> krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.60a Wko (hoofdstuk 1 afdeling
                            3</al><al> Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en</al><al> gastouderbureaus);</al><al> • In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 1.65
                            WKo)</al><al> niet nakomt;</al><al> • In geval de houder een kindercentrum, voorziening voor</al><al> gastouderopvang of GOB blijft exploiteren, terwijl op grond van
                            artikel</al><al> 1.66 Wko aan hem een exploitatieverbod is opgelegd;</al><al> • In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een</al><al> toezichthouder (art. 5:20 Awb);</al><al> • In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet op
                            het</al><al> primair onderwijs niet nakomt.</al><al> Bij voorziening voor gastouderopvang</al><al> Voorzieningen voor gastouderopvang vallen volledig onder het regime van
                            toezicht en handhaving en daarbij is ook de mogelijkheid om een
                            bestuurlijke boete op te leggen van toepassing. Een voorziening voor
                            gastouderopvang is echter toch een bijzonder object van toezicht en
                            handhaving. Derhalve is er voor gekozen niet vooraf in dit model
                            boetebedragen te noemen voor overtredingen in het hoofdstuk
                            ‘gastouderopvang’. Indien het college een overtreding van een
                            voorziening voor gastouderopvang wil sanctioneren met een bestuurlijke
                            boete, zal in dat geval het boetebedrag bepaald worden, met inachtneming
                            van de algemene bepalingen hieromtrent in dit handhavingsbeleid. Daarbij
                            kan bijvoorbeeld een relatie worden gelegd met de boetebedragen zoals
                            die zijn bepaald binnen de dagopvang.</al><al/><al>Bij peuterspeelzalen</al><al> Voor peuterspeelzalen geldt dat de mogelijkheid om een bestuurlijke
                            boete op te leggen, is bepaald in artikel 2.28 Wko. Artikel 2.27 Wko
                            bepaalt daarnaast dat een bestuurlijke boete alleen opgelegd kan worden
                            aan niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Dit betekent dat het onderdeel
                            ‘bestraffende sanctie’ in dit Afwegingsmodel alleen van toepassing is op
                            niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.</al><al> Bij gesubsidieerde peuterspeelzalen kan wel via de subsidie ingegrepen
                            worden.</al><al> Op grond van artikel 2.28 Wko is het college bevoegd terzake een aantal
                            overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke
                            boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.</al><al> Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder geval
                            aangewezen in de volgende situaties:</al><al> • In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij
                            of</al><al> krachtens de artikelen 2.2 tot en met 2.13 Wko (hoofdstuk 2 afdeling
                            2</al><al> Kwaliteit peuterspeelzalen);</al><al> • In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 2.23
                            WKo)</al><al> niet nakomt;</al><al> • In geval de houder een peuterspeelzaal in stand blijft houden terwijl
                            op</al><al> grond van artikel 2.24 Wko de voortzetting van de instandhouding
                            is</al><al> verboden;</al><al> • In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een</al><al> toezichthouder (art. 5:20 Awb);</al><al> • In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet op
                            het</al><al> primair onderwijs niet nakomt.</al><al> Hoogte bestuurlijke boete</al><al>De in dit handhavingsbeleid genoemde boetebedragen zijn richtlijnen. Per
                            geconstateerde overtreding zal bepaald moeten worden of het genoemde
                            boetebedrag proportioneel is. Het college stemt de bestuurlijke boete af
                            op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder
                            kan worden verweten. Het college houdt daarbij zo nodig rekening met de
                            omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.</al><al/><al>Boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden</al><al> Van boeteverhogende of –verlagende omstandigheden kan bijvoorbeeld
                            sprake zijn, in geval van:</al><al> • recidive door de houder (boeteverhogend);</al><al> • opzettelijk niet naleven van de bij of krachtens de Wko gestelde</al><al> voorschriften (boeteverhogend).</al><al/><al>Matiging</al><al> Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien
                            de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst van de
                            overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de
                            overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder
                            verkeert, boeteoplegging volgens dit Afwegingsmodel onevenredig is.
                            Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van
                            bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van dit
                            Afwegingsmodel niet is voorzien.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Gebruikte afkortingen</titel></kop><structuurtekst><al>Art: artikel</al><al> Artt: artikelen</al><al> Awb: Algemene wet bestuursrecht</al><al> Besluit kwaliteit: Besluit kwaliteit kinderopvang en
                            peuterspeelzalen</al><al> Besluit registers: Besluit registers kinderopvang en
                            peuterspeelzaalwerk</al><al> BSO: buitenschoolse opvang</al><al> GOB: gastouderbureau</al><al> Kdv: kinderdagverblijf</al><al> Psz: peuterspeelzaal</al><al> VGO: voorziening voor gastouderopvang</al><al> Regeling kwaliteit: Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
                            2012</al><al> Wkcz: Wet klachtrecht cliënten zorgsector</al><al> Wko: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 9
                        oktober 2012</ondertekening><ondertekening> dhr. ing. P.H. van Dijk dhr. R. van Benthem RA</ondertekening><ondertekening> secretaris burgemeester</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>Algemeen</al><al/><al>Het college hanteert het Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang en
                    Peuterspeelzalen bij het uitvoeren van de handhavingacties die nodig zijn indien
                    een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor
                    gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer
                    kwaliteitseisen van de Wko en alle daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder
                    het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (verder: Besluit
                    kwaliteit), de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (verder:
                    Regeling kwaliteit), de Beleidsregels werkwijze toezichthouder 2012 en het
                    Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. In het model zijn de
                    algemene stappen opgenomen die het college kan hanteren bij geconstateerde
                    overtredingen van de kwaliteitseisen.</al><al/><al> Handhaving is maatwerk en zal in elke situatie apart afgewogen moeten worden.
                    Proportionaliteit is daarbij van belang. Daardoor zijn niet automatisch alle
                    genoemde stappen onverkort van toepassing op een geconstateerde overtreding.
                    Telkens zal afgewogen worden of toepassing in dit specifieke geval onder meer
                    proportioneel is. </al><al/><al>Dit Afwegingsmodel heeft als basis de model(inspectie)rapporten van de GGD
                    Nederland. De voorwaarden in het rapport en het Afwegingsmodel zijn gelijk. Voor
                    de leesbaarheid van het Afwegingsmodel zijn diverse voetnoten, die in het
                    modelrapport zijn opgenomen ten behoeve van de inspectie, niet overgenomen in
                    het Afwegingsmodel. Dit betekent echter niet dat de toelichtingen in de
                    voetnoten niet van overeenkomstige toepassing zijn op de bepalingen van het
                    Afwegingsmodel.</al><al/><al/><al>Start handhavingtraject</al><al> Het gemeentelijke handhavingtraject begint direct na ontvangst van het
                    inspectierapport van de GGD. De GGD geeft in het rapport een handhavingadvies
                    aan het college. In het rapport is het ‘Overzicht bevindingen toezichthouder per
                    inspectiedomein’ de basis voor het afwegen van de te ondernemen handhavingactie.
                    In dit overzicht beschrijft de toezichthouder per domein de context van de
                    voorwaarden waar de houder niet aan voldoet. Ook de resultaten van eventueel
                    door de inspecteur toegepast overleg en overreding worden hierin genoemd. Het
                    college kan de aangegeven verzwarende of verzachtende omstandigheden, de
                    inspanning van de houder etc. mee laten wegen bij het beoordelen van de te nemen
                    handhavingactie.</al><al/><al>De GGD kan op basis van mondelinge overreding de houder bewegen de overtreding
                    te herstellen. De overreding heeft geen juridische status en betekent daarom een
                    uitstel van het handhavingtraject.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>