<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR227451_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rotterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rotterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2011-145</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Voorstel van het B en W van 22 november 2011; (raadsvoorstel nr. 11jos28135); raadsstuk 2011-3548</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>2011-145</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gemeenteblad 2011</al><al/><al><vet><cursief>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam
                                2012</cursief></vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Rotterdam,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22
                        november 2011; (raadsvoorstel nr. 11jos28135); raadsstuk 2011-3548;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 76m van
                        de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al><vet>besluit vast te stellen:</vet></al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam
                        2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><onderstreept>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen
                                    wordt verstaan onder:
                                </onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en
                                        Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                        primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op
                                        het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere
                                        school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een
                                        gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: dat gedeelte van een gebouw dat voor onderwijs
                                        gebruikt wordt;</al></li><li nr="d."><al>-school voor basisonderwijs: basisschool of een speciale
                                        school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Wet op het primair onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: school
                                                voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal
                                                en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                                artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                                                instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
                                                onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                                expertisecentra en een school voor voortgezet
                                                speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                                scholengemeenschap voor voorbereidend
                                                wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar
                                                algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                                beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als
                                                bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                        ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                        artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra
                                        of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                        bekostiging in aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="f."><al>dislocatie: tijdelijke vestiging van een school of
                                        scholengemeenschap, bedoelt voor het oplossen van
                                        huisvestingsnood;</al></li><li nr="g."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                        bedoeld in artikel 2 van deze verordening; </al></li><li nr="h."><al>programma: programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                        verordening; </al></li><li nr="i."><al>overzicht: overzicht van de niet in het kader van de
                                        vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                        bedoeld in artikel 13 van deze verordening; </al></li><li nr="j."><al>aanvrager: bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                        van een voorziening of voor bekostiging van
                                        bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel
                                        25 van deze verordening heeft ingediend; </al></li><li nr="k."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                        bekostiging van bouwvoorbereiding; </al></li><li nr="l."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in
                                        de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als
                                        bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of
                                        langer noodzakelijk is; </al></li><li nr="m."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in
                                        de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als
                                        bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan
                                        15 jaren noodzakelijk is; </al></li><li nr="n."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het
                                        ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                                        minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het
                                        onderwijs kan functioneren; </al></li><li nr="o."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                        ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                                        minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het
                                        onderwijs kan functioneren; </al></li><li nr="p."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs
                                        in lichamelijke oefening; </al></li><li nr="q."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over
                                        de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid
                                        van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in
                                        artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93
                                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op
                                        het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="r."><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                        zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van
                                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="s."><al>medegebruik: gebruik van een ruimte voor (gym)onderwijs of
                                        voor Rotterdams onderwijsbeleid in een gebouw waar een
                                        andere school hoofdgebruiker is;</al></li><li nr="t."><al>gezamenlijke akte: akte als bedoeld in artikel 110 van de
                                        Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                        expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs; </al></li><li nr="u."><al>beslissing gedeputeerde staten: beslissing van gedeputeerde
                                        staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid
                                        van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid
                                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid
                                        van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="v."><al>eigendomsoverdracht: eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                        artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108
                                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u en van de Wet
                                        op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="w."><al>Rotterdams onderwijsbeleid: onderwijsbeleid dat door de raad
                                        of het college is vastgesteld;</al></li><li nr="x."><al>integraal huisvestingsplan: plan waarin de doelstellingen
                                        van het Rotterdams onderwijsbeleid vertaald wordt in de
                                        consequenties voor de onderwijshuisvesting;</al></li><li nr="y."><al>ruimtestudie: studie waarin een instelling voor voortgezet
                                        onderwijs per ruimtesoort beschrijft over welk oppervlak zij
                                        beschikt en hoe groot de discrepantie is tussen benodigd en
                                        beschikbaar oppervlak;</al></li><li nr="z."><al>constructiefout: in relatie met een constructiefout wordt de
                                        volgende definitie gehanteerd: ‘Een 'bouwconstructie' is elk
                                        deel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen.
                                        Dit kan bijvoorbeeld zijn een dragende wand, een vloer, een
                                        trap of hellingbaan, een ruit of de dakconstructie. Onder
                                        'belasting' wordt in dit verband verstaan elke oorzaak van
                                        krachten op of vervormingen in de bouwconstructie. In een
                                        bouwwerk is de constructie (drager) verder te definiëren als
                                        dat deel van een bouwwerk dat verantwoordelijk is voor de
                                        stabiliteit van het bouwwerk. Zo ontstaat de scheiding
                                        tussen drager en inbouw. Anders geformuleerd: Alles wat
                                        herleidbaar uit twee of meer delen is samengevoegd noemen we
                                        een constructie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de
                                    huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de
                                volgende voorzieningen onderscheiden:</al><al>a.de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                bestaande uit:</al><al>1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter
                                gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school
                                is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; </al><al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; </al><al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                                ten behoeve van de huisvesting van een school; </al><al>4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve
                                van de huisvesting van een school; </al><al>5° verwerving van het terrein voor zover nodig voor de realisering
                                van een onder a sub 1° tot en met 4° omschreven voorziening; </al><al>6° inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen
                                voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of
                                gemeentewege in aanmerking is gebracht; </al><al>7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; </al><al>8° medegebruik van een ruimte in een gebouw dat al bij een andere
                                school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte en een
                                bad voor watergewenning of bewegingstherapie;</al><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen ten behoeve van een school voor
                                        basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals
                                        onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen ten behoeve van een school voor
                                        basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten, zoals
                                        onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                        gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf,
                                        evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet
                                        zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                        ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie. De
                                        modelverordening kent het begrip ‘constructiefout’ daarnaast
                                        als onderdeel van het formulier ‘Bouwkundige opname’. Daar
                                        wordt het volgende gesteld: ‘als het herstel van
                                        constructiefout wordt gevraagd, wordt het element aangevuld
                                        waarop de aanvraag betrekking heeft’. Elementen die een
                                        relatie hebben met een constructiefout zijn: fundering,
                                        vloeren, dakconstructie, draagconstructie, vloerafwerkingen,
                                        plafondafwerkingen, warmteopwekking, waterleiding/riolering,
                                        luchtbehandeling en elektrotechniek;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                        terrein, onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en
                                        meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden, alsmede
                                        maatregelen om schade door vandalisme te voorkomen;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                        bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                        behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="g."><al>extra ruimte boven de ruimtebehoefte zoals beschreven in
                                        Bijlage III, deel B en bekostiging van de exploitatie van
                                        deze extra ruimte ter realisatie van het Rotterdams
                                        onderwijsbeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1°<sup/>en 2°
                                alsmede onder b, kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging
                                van bouwvoorbereiding, indien de verwachte kosten van de voorziening
                                een bedrag van € 200.000,-- te boven gaan. Hierbij is het bepaalde
                                in paragraaf 4 van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>De vergoeding voor de voorzieningen in artikel 2 onder:</al><lijst><li nr="1."><al>a.1°, a.2°, a.3°, a.4°, a.5°, b, behalve aanpassingen voor
                                        onderwijskundige vernieuwingen, c, d en e wordt vastgesteld
                                        op basis van feitelijke kosten, met inachtneming van bijlage
                                        IV deel B; </al></li><li nr="2."><al>a.6°, a.7°, onder b vallende aanpassingen voor
                                        onderwijskundige vernieuwingen en f wordt vastgesteld op de
                                        normvergoeding, met inachtneming van het bepaald in artikel
                                        12, derde lid onder a, vierde en vijfde lid, alsmede in
                                        bijlage IV deel A;</al></li><li nr="3."><al>a.8° wordt vastgesteld op basis van het
                                        medegebruikerstarief, opgenomen in bijlage IV, deel C;</al></li><li nr="4."><al>g wordt van geval tot geval aangegeven op welke wijze de
                                        bekostiging wordt vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening. Bij de gegevensverstrekking wordt vanaf 2013
                                    uitsluitend gebruik gemaakt van digitale formats via het
                                    Onderwijsloket. Voor het huisvestingsprogramma 2013 kan in
                                    uitzonderlijke gevallen na overleg tussen het schoolbestuur en
                                    de dienst JOS de huisvestingsaanvraag op papier worden
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden
                                    in:</al><lijst><li nr="a."><al>basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun
                                            geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in geval
                                            van wijziging worden gemeld bij het college;</al></li><li nr="b."><al>periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig door
                                            het bevoegd gezag dienen te worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>overige gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van
                                            deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens
                                    omvatten:</al><lijst><li nr="a."><al>gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam,
                                            adres, denominatie en vestigingsplaats, alsmede een
                                            opgave van een contactpersoon inzake aangelegenheden
                                            aangaande de huisvesting;</al></li><li nr="b."><al>gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag
                                            staande school of scholen die geheel of gedeeltelijk
                                            gehuisvest zijn in een gebouw gelegen in de gemeente,
                                            bestaande uit het brinnummer, naam, adres,
                                            onderwijssoort en eventuele onderwijsafdelingen en, voor
                                            zover van toepassing, de aanduiding of de school bestaat
                                            uit een hoofdvestiging met een of meer
                                            nevenvestigingen.</al></li><li nr="c."><al>gegevens over de bij de school of nevenvestiging in
                                            gebruik zijnde gebouwen gespecificeerd per gebouw,
                                            bestaande uit:</al><lijst><li nr="i."><al>het adres;</al></li><li nr="ii."><al>de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of
                                                  dislocatie;</al></li><li nr="iii."><al>de bouwaard, zijnde permanent of
                                                  noodlokaal;</al></li><li nr="iv."><al>het bouwjaar;</al></li><li nr="v."><al>de bruto vloeroppervlakte van het gebouw
                                                  uitgedrukt in m2;</al></li><li nr="vi."><al>de genormeerde en feitelijke capaciteit van het
                                                  gebouw voor zover bestemd voor een school voor
                                                  basisonderwijs en een school voor (voortgezet)
                                                  speciaal onderwijs, te bepalen aan de hand van het
                                                  gestelde in bijlage III, deel A en B;</al></li><li nr="vii."><al>een plattegrond van het gebouw;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>gegevens over de omvang van het medegebruik uitgedrukt
                                            in m2, te verstrekken door de hoofdgebruiker van het
                                            gebouw waarin het medegebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de
                                            oppervlakte van de oefenzaal indien het bevoegd gezag
                                            van een niet door de gemeente in stand gehouden school
                                            voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs of school voor voortgezet onderwijs eigenaar
                                            is van een gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens
                                    omvatten:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister
                                            van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum
                                            per locatie staat ingeschreven op de school, die geheel
                                            of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen op
                                            het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>een afschrift van een tussentijdse opgave aan de
                                            minister van het aantal leerlingen dat staat
                                            ingeschreven op de school in verband met een wijziging
                                            van het aantal leerlingen;</al></li><li nr="c."><al>indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in een of
                                            meer locaties op het grondgebied van de gemeente, een
                                            opgave van het aantal leerlingen op de wettelijke
                                            teldatum per locatie; </al></li><li nr="d."><al>de onder a en b vermelde gegevens worden door het
                                            bevoegd gezag tegelijk met de opgave aan de minister
                                            verstrekt aan het college; </al></li><li nr="e."><al>het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs,
                                            voortgezet onderwijs of een school voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 februari
                                            voorafgaande aan het schooljaar een opgave van de voor
                                            dat schooljaar gewenste onderwijsgebruik van een
                                            gymnastiekruimte, omvattende:</al><lijst><li nr="i."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik
                                                  uitgedrukt in een aantal klokuren;</al></li><li nr="ii."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of
                                                  –ruimten waarin het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="iii."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende
                                                  een schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het tweede lid onder c genoemde gegevens omvatten in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een oordeel over de juistheid en volledigheid van door
                                            het college voorgelegde gegevens die betrekking hebben
                                            op het bevoegd gezag;</al></li><li nr="b."><al>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van
                                            de staat van het onderhoud als bedoeld in artikel
                                            37;</al></li><li nr="c."><al>gegevens betreffende de onderhoudssituatie en de
                                            onderhoudsplanning van lesgebouwen en
                                            gymnastiekruimten;</al></li><li nr="d."><al>de gereedmelding van een op het programma
                                            onderwijshuisvesting in enig jaar toegekende
                                            voorziening, dan wel de melding van ingebruikneming of
                                            medegebruik van een voorziening. Het bevoegd gezag
                                            verstrekt deze gegevens binnen drie maanden na de datum
                                            van oplevering van de voorziening, dan wel de datum van
                                            ingebruikneming of medegebruik;</al></li><li nr="e."><al>de bouwvergunning, indien vereist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                    gegevensverstrekking en het college kan voor de
                                    gegevensverstrekking een formulier voorschrijven. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het
                                        programma dient uiterlijk op 31 januari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma te zijn ontvangen
                                        door het college. De aanvraag kan met ingang van 1 januari
                                        2012 uitsluitend elektronisch geschieden via het
                                        onderwijsloket (www.onderwijsloket.nl) zoals bedoeld in
                                        artikel 2:15 Algemene Wet Bestuursrecht. Een aanvraag wordt
                                        ingediend door het bevoegd gezag en dient ondertekend te
                                        worden met een elektronische handtekening, zoals bedoeld in
                                        artikel 2:16 van de Algemene Wet Bestuursrecht, dan wel op
                                        een andere door het college toegestane wijze van
                                        elektronische indiening waarbij geen twijfel bestaat over de
                                        authenticiteit van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die op 1 februari of later worden ontvangen neemt
                                        het college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                                    onvolledige aanvraag </titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al></li><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                        gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                        voorziening.</al><al/></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="b."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit:</al></li></lijst></li></lijst><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                gebouw; </al><al>2° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of
                                van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of;</al><al>3° herstel van een constructiefout.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="c."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening die vergoed
                                                wordt met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                                IV, deel B; </al></li><li nr="d."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27; </al></li><li nr="e."><al>indien de aanvraag betrekking heeft op nieuwbouw of
                                                uitbreiding ten behoeve van het voortgezet
                                                onderwijs: een ruimtestudie.</al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien er sprake is van leegstand binnen het scholenbestand
                                        van een schoolbestuur, dient de aanvraag vergezeld te gaan
                                        van een leegstandsreductieplan. In het
                                        leegstandsreductieplan wordt aangegeven, op welke wijze het
                                        betreffende bevoegd gezag de geconstateerde overcapaciteit
                                        terugdringt. De omvang van de overcapaciteit wordt bepaald
                                        aan de hand van de NEN 2580-systematiek. In het IHP
                                        2012-2015 worden 3 mogelijkheden genoemd en toegelicht om,
                                        ingeval van overcapaciteit, deze te reduceren:</al></li></lijst><al>A bevorderen medegebruik bij andere scholen;</al><al>B stimuleren onderhuur aan organisaties met een maatschappelijke
                                doelstelling;</al><al>C opheffen inefficiënte huisvesting.</al><al/><al>4. Bij het ontbreken van een of meer gegevens deelt het college dit
                                voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                aanvrager in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens voor 15
                                maart aan te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                gegevens niet voor 15 maart heeft verstrekt, neemt het college de
                                aanvraag niet in behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een onderbouwde
                                opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen
                                en geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling
                                worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over
                                    ingediende begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het college
                                    kan de aanvraag voor 1 juli volgend op de in artikel 6, eerste
                                    lid, genoemde datum door de aanvrager nader worden toegelicht.
                                    De toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of
                                    op verzoek van het college. Ten behoeve van een goede
                                    voorbereiding en een efficiënt verloop van dit overleg dienen de
                                    bevoegde gezagsorganen uiterlijk 1 week van te voren hun vragen,
                                    opmerkingen en discussiepunten aangaande de besluitvorming over
                                    de ingediende aanvraag schriftelijk kenbaar te maken aan het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval de aanvraag een voorziening betreft die bekostigd wordt
                                    op basis van de feitelijke kosten overeenkomstig bijlage IV,
                                    deel B, treedt het college voor de in het eerste lid genoemde
                                    datum in overleg met de aanvrager, indien het college van
                                    oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde begroting van de
                                    kosten dient te worden aangepast. Wanneer in het overleg geen
                                    overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van het geraamde
                                    bedrag, geeft het college zulks, onder vermelding van de
                                    redenen, aan in het voorstel tot vaststelling van het bedrag,
                                    het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3. Het
                                    college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde
                                    bedrag aan waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt
                                    uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf
                                    2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies
                                    Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid wordt gevoerd in het
                                    Rotterdamse Onderwijs Forum. Op het overleg is de Verordening
                                    Rotterdams Onderwijs Forum van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks het bekostigingsplafond vast dat
                                    beschikbaar is voor bekostiging van de aangevraagde
                                    voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in
                                    afzonderlijke bedragen voor het basisonderwijs, (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs en / of per
                                    voorziening. Voorts kan het college een afzonderlijk bedrag
                                    vaststellen voor voorzieningen die het noodzakelijk acht voor de
                                    realisatie van het door de raad of door het college vastgestelde
                                    Rotterdams onderwijsbeleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de gemeentebegroting niet uiterlijk op 31 december wordt
                                    vastgesteld van het jaar waarin artikel 6 genoemde datum valt,
                                    worden het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht,
                                    uiterlijk op 31 december vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien ten tijde van de vaststelling van de gemeentebegroting
                                    het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht nog niet
                                    kunnen worden vastgesteld, vindt de vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht plaats op
                                    uiterlijk 31 december van het jaar waarin de in artikel 6
                                    genoemde datum valt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het tweede en derde lid genoemde uiterste datum
                                    voor de vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma
                                    en het overzicht wordt overschreden, worden de aangevraagde en
                                    in behandeling genomen voorzieningen geacht voor bekostiging in
                                    aanmerking te zijn gebracht. Voor de hoogte van de bekostiging
                                    is het gestelde in artikel 4 in samenhang met bijlage IV
                                    bepalend. De uitvoering van de voorziening geschiedt dan volgens
                                    het bepaalde in paragraaf 2.4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het
                                        programma. Daarbij past het college de regels toe met
                                        betrekking tot:</al></li><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van een school als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria
                                als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college bij de vaststelling van het programma afwijken
                                        van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven:</al></li><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A,
                                        voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, waarvan bekostiging overeenkomstig bijlage IV,
                                        deel B, op basis van feitelijk te maken kosten
                                        plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                        buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop en de periode waarvoor de bekostiging van de
                                        voorziening, genoemd in artikel 2 onder g, wordt
                                        vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Bij beschikbaarstelling van een genormeerd bedrag, als
                                        bedoeld in het derde lid onder a, wordt het daadwerkelijk
                                        beschikbaar te stellen bedrag door het college met behulp
                                        van de systematiek, aangegeven in bijlage IV, deel A,
                                        hoofdstuk 4, aangepast aan het prijspeil van het jaar van
                                        invoering van voorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste of tweede lid, niet in het
                                    programma zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de voorzieningen, als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn
                                    opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling
                                    bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                    onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs; In geval er sprake is van multifunctioneel
                                    gebruik, zal het bouwheerschap altijd bij de gemeente liggen, of
                                    bij een door de gemeente aan te wijzen ontwikkelaar;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door
                                    de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming
                                    van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van
                                    het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband
                                    met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden
                                    als bedoeld in artikel 16;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                    besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, dan geeft de
                                    aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de uitvoering
                                    zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    gezien de aard van de voorziening, de gestelde richtlijnen als
                                    bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting;
                                    tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften
                                    en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                        college over de instemming met de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten,
                                        wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen
                                        en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de
                                        beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en
                                        het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen
                                        twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of
                                        er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening die overeenkomstig bijlage IV, deel B,
                                        wordt bekostigd op basis van feitelijk te maken kosten. De
                                        beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                        betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                        Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening die
                                        overeenkomstig bijlage IV, deel B, wordt bekostigd op basis
                                        van feitelijk te maken kosten, heeft goedgekeurd, overlegt
                                        de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                        afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het
                                        college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de
                                        uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen
                                        vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat
                                        definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                        de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging
                                        een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken
                                        na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in
                                        kennis gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve
                                        bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling
                                        bepalend.</al></li><li nr="7."><al>De indiening van de in het zesde lid bedoelde offertes kan
                                        achterwege blijven, zulks naar het oordeel van het college,
                                        indien tijdens het overleg als bedoeld in artikel 15 is
                                        overeengekomen dat het voor de uitvoering van de op het
                                        programma geplaatste voorziening beschikbaar gestelde bedrag
                                        tevens het maximumbedrag is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid, of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17a</nr><titel>Bouwprotocol</titel></kop><al>Het college kan voor de uitvoering van de op het programma
                                geplaatste voorzieningen een bouwprotocol vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging kan worden verlengd, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan leiden,
                                kan worden ingediend bij het college. De aanvraag kan met ingang van
                                2012 (HVP 2013) uitsluitend elektronisch geschieden via het
                                onderwijsloket (www.onderwijsloket.nl) zoals bedoeld in artikel 2:15
                                Algemene Wet Bestuursrecht. Een aanvraag wordt ingediend door het
                                bevoegd gezag en dient ondertekend te worden met een elektronische
                                handtekening, zoals bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene Wet
                                Bestuursrecht, dan wel op een andere door het college toegestane
                                wijze van elektronische indiening waarbij geen twijfel bestaat over
                                de authenticiteit van de aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening
                                    in de huisvesting spoedeisend maken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                                    aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
                                    programma;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het
                                    een voorziening betreft die overeenkomstig bijlage IV, deel B,
                                    wordt bekostigd op basis van feitelijk te maken kosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen zes weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen zes weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen zes weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan leiden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de
                                        regels toe met betrekking tot:</al></li><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college
                                        welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV,
                                        deel A, voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                        toegewezen voorziening betreft die overeenkomstig bijlage
                                        IV, deel B, bekostigd wordt op basis van feitelijk te maken
                                        kosten.</al></li><li nr="4."><al>Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum
                                        een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of pachtovereenkomst moet zijn gesloten, alsmede voor
                                        welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn
                                        gezonden.</al></li><li nr="5."><al>Binnen zes maanden na de datum van de beschikking door het
                                        college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
                                        koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al/><al/><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de in het tweede
                                lid van artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet
                                worden gelezen: drie weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al/><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, vierde en vijfde lid
                                        bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel
                                        een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                        afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de
                                        aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een
                                        bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging kan worden verlengd, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college
                                        een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li><li nr="4."><al>Omtrent het niet tijdig inzenden van het afschrift, bedoeld
                                        in artikel 22, vierde lid, is het bepaalde in artikel 18,
                                        eerste lid, met betrekking tot het zenden van bericht aan de
                                        aanvrager van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. De kosten van bouwvoorbereiding hebben betrekking op de
                                werkzaamheden, samenhangend met het voorlopig ontwerp, het
                                definitief ontwerp en de bouwvoorbereiding. </al><al>De bepalingen uit De Nieuwe Regeling 2005, rechtsverhouding
                                Opdrachtgever – architect, ingenieur en adviseur (hierna: DNR 2005),
                                dan wel een latere versie hiervan, zijn hierop van overeenkomstige
                                toepassing. </al><al>2.De artikelen 6 tot en met 10 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel
                                        11, tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al></li><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>naar het oordeel van het college voldoende zekerheid bestaat
                                        dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor
                                        bekostiging in aanmerking kan worden gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking
                                        tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden
                                        bekostigd. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
                                        beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
                                        tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                                        jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
                                        bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                        maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling
                                        van het bedrag. Bij de bepaling van het bedrag en de
                                        beschikbaarstelling in termijnen kunnen de desbetreffende
                                        bepalingen van de in artikel 25, eerste lid, genoemde DNR
                                        2005, als uitgangspunt worden genomen.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door
                                        de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                        plaatsing van de voorziening op enig toekomstig
                                        programma.</al></li><li nr="5."><al>Het bedrag dat gemoeid is met de bekostiging van
                                        bouwvoorbereiding wordt in mindering gebracht op het bedrag
                                        dat gemoeid is met de bekostiging van de desbetreffende
                                        voorziening.</al><al/><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot
                                        toekenning van bekostiging van de bouwvoorbereiding vervalt,
                                        indien niet voor 1 september van het jaar, volgend op het
                                        jaar waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart
                                        is met de bouwvoorbereiding.</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager dient binnen twee weken na de start van de
                                        bouwvoorbereiding zodanige informatie aan het college te
                                        overleggen dat daaruit blijkt dat daadwerkelijk met de
                                        bouwvoorbereiding is gestart.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al> Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><lijst><li nr="1."><al>a. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit
                                        bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand of overcapaciteit in een
                                        lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan niet overgaan tot vordering van een gedeelte
                                        van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien
                                        zowel het juridisch als het economisch eigendom van het
                                        gebouw of terrein berust bij het bevoegd gezag van de
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al></li><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw ten behoeve van een
                                                school voor basisonderwijs of voor (voortgezet)
                                                speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en
                                                de capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                                bruto vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis
                                                van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste
                                                een aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                                drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                                school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                                                bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                                zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A
                                                blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                                bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op
                                                basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                                lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                                binnen het overschot aan vierkante meters bruto
                                                vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting
                                                van de onderwijsruimten. Voor een zelfstandige
                                                school voor praktijkonderwijs (niet zijnde een
                                                afdeling voor praktijkonderwijs) is het bepaalde
                                                onder a van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een
                                                gymnastiekruimte:</al></li><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt
                                                door een school voor voortgezet onderwijs, indien
                                                uit de berekening op basis van bijlage III, deel B,
                                                blijkt dat de benutting van het gebouw lager is dan
                                                33 klokuur. In bijzondere gevallen kan het college,
                                                na overleg met het betrokken bevoegd gezag, het
                                                aantal klokuur genoemd in de vorige volzin hoger
                                                vaststellen. In dat geval wordt het aantal klokuur
                                                niet hoger vastgesteld dan op 40 klokuren;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet
                                                onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen
                                                genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan
                                                40 oplevert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering, indien de
                                                leegstand, berekend overeenkomstig artikel 30, wordt
                                                gebruikt voor activiteiten die wenselijk zijn het
                                                kader van het Rotterdamse onderwijsbeleid, zoals dat
                                                door de raad dan wel door het college is
                                                vastgesteld, en voor dat gebruik toestemming is
                                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand
                                                voordoet wordt: a. als eerste leegstand gevorderd in
                                                het gebouw dat qua beschikbare ruimte het beste aansluit op de
                                        huisvestingsbehoefte; </al><lijst><li nr="b."><al>vervolgens leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                                gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering
                                                plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan, indien de bij de vordering
                                                betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen,
                                                in een individueel geval van de in het tweede lid
                                                opgenomen volgorde afwijken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                                vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                                gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg
                                                met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd
                                                wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                                huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit
                                                van het overleg als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het
                                                programma als bedoeld in artikel 11, doet het
                                                college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                                het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag
                                                in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de
                                                vordering te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                                vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld
                                                in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig
                                                mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan
                                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                                huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het
                                                vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling
                                                van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                                gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden
                                                afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                                kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                                hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als
                                                bedoeld in het tweede en vierde lid, bevat in ieder
                                                geval:</al></li><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal groepen leerlingen ten
                                                behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het
                                                betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het
                                                aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarin leegstand wordt
                                                gevorderd;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergroeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen
                                        die het betreft stellen in onderling overleg, met
                                        inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding
                                        voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                        overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV,
                                        deel C. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al> Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                                gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30, dan
                                                wel het gebouw voor lichamelijke oefening buiten de
                                                reguliere lestijden niet in gebruik is;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van
                                                een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit
                                                het lesrooster van de school of scholen die dat
                                                sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan
                                        tot vordering voert het college overleg met het bevoegd
                                        gezag. </al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als
                                                bedoeld in het eerste lid, doet het college
                                                schriftelijk mededeling van de vordering tot
                                                medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                                overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de
                                                mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover
                                                het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                                bevat de mededeling de beslissing van het college
                                                over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het
                                                overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen
                                                de vordering, kan van de schriftelijke mededeling
                                                als hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst
                                                sluit, vraagt het toestemming voor de verhuur aan
                                                het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan
                                                en bevat een aanduiding van de huurder, en de
                                                bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                                voortgezet onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36 a</nr><titel>Tegemoetkoming / compensatie kapitaals- en
                                            onderhoudslasten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de aan het onderwijs onttrokken ruimten in
                                                schoolgebouwen waarvoor de gemeente de kosten
                                                draagt, wordt een compensatie in rekening gebracht
                                                bij het bevoegd gezag. Voor 1 februari 2012 wordt na
                                                overleg met Rotterdamse bevoegde gezagsorganen een
                                                uitvoeringsregeling opgesteld en door het college
                                                vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Op het in lid 1 genoemde bedrag zijn de voor
                                                onderwijshuisvesting gebruikelijke indexeringsregels
                                                van toepassing. Dan zal een indexering op
                                                bovenstaande cijfers voor 2011 plaatsvinden als
                                                basis voor de verrekening van 2012. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan bij het college een onderbouwd
                                                verzoek indienen voor verlaging van de compensatie.
                                                Het college zal hierover binnen vier weken na
                                                ontvangst van het verzoek een uitspraak doen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Aanvang en einde gebruik van (gedeelten van) gebouwen en
                                terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip aanvang en beëindiging gebruik; staat van
                                    onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een (gedeelte van een) gebouw en terrein in gebruik
                                    wordt genomen wordt in opdracht van het college na overleg met
                                    het bevoegd gezag de staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een (gedeelte van een) gebouw of terrein
                                    niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt
                                    het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk
                                    op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                    ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld
                                    door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil
                                    over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats
                                    vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Alle investeringen die een bevoegd gezag met voorafgegeven
                                    schriftelijke toestemming van het college met eigen middelen in
                                    het gebouw worden geïnventariseerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Uiterlijk drie maanden voor de lege oplevering van het
                                    schoolgebouw en / of – terrein wordt door het bevoegd gezag
                                    schriftelijk mededeling aan het college gedaan van de datum en
                                    het tijdstip waarop de oplevering en de feitelijke overdracht
                                    zal plaatsvinden, alsmede van de natuurlijke persoon die hierbij
                                    namens het bevoegd gezag zal optreden.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Uiterlijk twee maanden voor het tijdstip waarop de overdracht
                                    zal plaatsvinden, wordt door het bevoegd gezag van de school en
                                    het college in gezamenlijk overleg de akte, als bedoeld in het
                                    eerste lid, vastgesteld en ondertekend. Indien er sprake is van
                                    een situatie als bedoeld in het tweede lid, wordt op hetzelfde
                                    moment tevens de staat onderhoud, als bedoeld in het derde lid
                                    opgemaakt. Indien er sprake is van eigen investeringen door het
                                    bevoegd gezag als bedoeld in het zevende lid, wordt hiervoor een
                                    afrekening opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bevoegd gezag en het college kunnen vooraf overeenkomen dat
                                    het bepaalde in lid 7 tot en met 8 niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Op het moment dat het bevoegd gezag het onderwijsgebruik
                                    beëindigt van zogenaamde eigendomsscholen als bedoeld in artikel
                                    205 van de Lager-onderwijswet 1920 en als bedoeld in artikel 126
                                    van de Kleuteronderwijswet gelden de bepalingen die zijn
                                    vastgelegd in het Besluit oude eigendoms- en huurscholen
                                    WPO.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                    inroostering gebruik voor een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</titel></kop><al>1.Een bevoegd gezag verstrekt jaarlijks uiterlijk 31 januari
                                voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat
                                schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. De aanvraag kan met ingang van 1 januari 2012
                                uitsluitend elektronisch geschieden via het onderwijsloket
                                (www.onderwijsloket.nl) zoals bedoeld in artikel 2:15 Algemene Wet
                                Bestuursrecht. Een aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag
                                en dient ondertekend te worden met een elektronische handtekening,
                                zoals bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene Wet Bestuursrecht, dan
                                wel op een andere door het college toegestane wijze van
                                elektronische indiening waarbij geen twijfel bestaat over de
                                authenticiteit van de aanvraag.</al><al>Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst. Op de aanvraag is artikel 20,
                                        tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van
                                        een gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met
                                        dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke
                                        aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                        daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven
                                        een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik
                                        door scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                        gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                        onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van
                                        de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                        capaciteit van 26 klokuren per week per
                                        gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                        inroostering het volgende in acht:</al></li><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school de
                                        volgende gegevens:</al></li><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                        rekening komen van het bevoegd gezag van de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                                slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                                capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt. </al><lijst><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen
                                        twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde
                                        gezagsorganen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij
                                        uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                        vindt plaats binnen twee weken na toezending van het
                                        voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                        bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren
                                        op het voorstel tot inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde
                                        gezagsorganen stelt het college voor 21 juni volgend op de
                                        genoemde datum in het derde lid, de definitieve inroostering
                                        vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het
                                        volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van
                                        een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar
                                        voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering
                                        ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een
                                        schriftelijke mededeling van het college over de
                                        inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de
                                        onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                        volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als
                                        een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van
                                        toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde
                                        lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Inroostering gebruik gymnastiekaccommodatie voortgezet
                                    onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte dan wel de gewenste huur van een sportterrein
                                    als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, wordt beschouwd als een
                                    aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                    afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit
                                    artikel van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 20, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks vóór 1 mei, voorafgaande aan het
                                    volgende schooljaar, op basis van de ingediende aanvragen een
                                    voorstel tot inroostering van de scholen voor voortgezet
                                    onderwijs op. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten.</al><al> Indien naar het oordeel van het college de beschikbare
                                    capaciteit ontoereikend is, kan, na overleg met de betrokken
                                    bevoegde gezagsorganen, worden uitgegaan van ten hoogste 40
                                    klokuren. Het bepaalde in artikel 38, vierde lid onder c en
                                    vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    van scholen voor voortgezet onderwijs die een aanvraag hebben
                                    ingediend. Zij worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over
                                    het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na
                                    toezending van het voorstel. In het overleg worden de bevoegde
                                    gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college vóór 21 juni, volgend op de in het derde lid
                                    genoemde datum, de definitieve inroostering voor het volgende
                                    schooljaar vast. Indien het college afwijkt van een of meer in
                                    het overleg, bedoeld in het derde lid, naar voren gebrachte
                                    reacties, wordt dit gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 38, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Aansluitingen nutsvoorzieningen en
                                    facturen op naam van schoolbestuur</titel></kop><al>Per 1 januari 2012 worden de nutsaansluitingen (gas, licht, water,
                                kabel etc.) en de bijbehorende facturen geacht op naam van het
                                bevoegd gezag te staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening
                                    niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze
                                verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van
                                voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen
                                prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                        voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2012.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het
                                        verstrijken van een termijn van zes weken na de dagtekening
                                        van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.</al></li><li nr="3."><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam
                                        wordt ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december
                        2011.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.G.A. Paans</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.Aboutaleb</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al><al>DEEL A Lesgebouwen </al><al>Onder verwijsafstand in dit deel wordt verstaan een afstand van 1.500
                            meter hemelsbreed, mits de afstand over de weg niet langer is dan 2.000
                            meter. De afstand over de weg wordt gemeten langs de voor kinderen
                            veilige, begaanbare wegen, zulks ter beoordeling van het college. Het
                            college kan bij de toetsing van de noodzaak van de in dit deel opgenomen
                            voorzieningen de eisen betrekken die het Rotterdams onderwijsbeleid aan
                            de onderwijshuisvesting stelt. De noodzaak voor het toekennen van een
                            voorziening in verband met het Rotterdams onderwijsbeleid blijkt uit het
                            feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>zonder de gevraagde voorziening naar het oordeel van het college
                                    de doeleinden van het Rotterdams onderwijsbeleid niet kunnen
                                    worden gerealiseerd, en realisatie onverwijld noodzakelijk is;
                                    en</al></li><li nr="b."><al>ter verwezenlijking van deze doeleinden geen gebruik kan worden
                                    gemaakt van een geschikte ruimte van een ander gebouw, niet
                                    zijnde een schoolgebouw als bedoeld in artikel 1, binnen de
                                    verwijsafstand, of de verwezenlijking op een andere wijze dan is
                                    gevraagd niet mogelijk is. </al></li></lijst><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, 1.3.2b, en 1.10d
                            worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente
                            bouwaard. De voorziening genoemd onder 1.3.2b wordt niet noodzakelijk
                            geacht voor nevenvestigingen. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                            dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter
                            beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                                    kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen de verwijsafstand een passende huisvesting
                                    voor de school te realiseren.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of
                                    zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                                    deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen de verwijsafstand een passende huisvesting
                                    voor de school te realiseren. </al><al/></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks
                                    ter beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                    herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                    ordening noodzakelijk is.</al><al/></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                            dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van
                            sloopkosten plaats.</al><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>1.3.1 Uitbreiding algemeen school voor basisonderwijs en school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                                    van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de
                                    in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt,
                                    en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de
                                    aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                    maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen de verwijsafstand een passende extra
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="d."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                    college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                                    bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige
                                    bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of
                                    gedeeltelijk inpandig een meer benodigde onderwijsruimten te
                                    maken. </al><al/></li></lijst><al><vet>1.3.2. Uitbreiding algemeen school voor voortgezet
                            onderwijs</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan
                                    de met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de
                                    gebouwen, vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A -
                                    voor de aanwezige capaciteit en bijlage III, deel B - voor de
                                    ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                    vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                                    met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze
                                    aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen de verwijsafstand een passende huisvesting
                                    voor de school te realiseren.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs met een
                            speellokaal</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                                    jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste
                                    vijftien jaren zal blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                                    terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300
                                    meter hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                    college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                                    bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige vierkantemeter
                                    bruto-oppervlakte en de genormeerde vierkantemeter
                                    bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage
                                    III, deel A, inpandig een speellokaal te maken.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding
                                    in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                    gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen de verwijsafstand geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                    aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of
                                    uitbreiding.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit
                                    bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten
                                    minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende
                                    noodlokalen op een afstand van meer dan de verwijsafstand kunnen
                                    voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen de verwijsafstand geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de
                                    kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde
                                    aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van
                                    het college.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                            verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                            uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                            toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                            voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, leer- en
                                hulpmiddelen</vet></al><al/><al><vet>1.7.1. School voor basisonderwijs en school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs</vet></al><al>a.Aanspraak op het bekostigen van de eerste inrichting van
                            onderwijsleerpakket en meubilair ontstaat op het moment dat de
                            capaciteit van de school wordt uitgebreid en de school voor de gevraagde
                            uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair nog niet eerder is
                            bekostigd. </al><al>b. De noodzaak voor een school voor onderwijsleerpakket en meubilair van
                            een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs uitgebeid wordt met een speellokaal; de noodzaak voor
                            een toeslag onderwijsleerpakket en meubilair van een tweede speellokaal
                            blijkt uit het feit dat een school voor basisonderwijs wordt uitgebreid
                            met een tweede speellokaal.</al><al/><al><vet>1.7.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Aanspraak op het bekostigen van eerste inrichting van leer- en
                            hulpmiddelen en meubilair ontstaat op het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening in de huisvesting wordt toegekend met als gevolg
                                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school
                                    en</al></li><li nr="b."><al>als door middel van een inpandige aanpassing een andere
                                    ruimtesoort wordt gecreëerd.</al></li></lijst><al>Bij fusie van scholen wordt uitbreiding van de eerste inrichting
                            onderwijspakket en meubilair respectievelijk leer- en hulpmiddelen
                            uitsluitend toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is
                            dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie
                            deelnemende scholen.</al><al/><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor:</al><lijst><li nr="1."><al>basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van
                                    het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                                    overschrijdt.</al></li><li nr="2."><al>voortgezet onderwijs blijkt uit het feit dat de school een
                                    aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting
                                    geen capaciteit is. </al><al/></li></lijst><al><vet>1.9 Aanpassing </vet></al><al>De voorziening aanpassing van een school voor basisonderwijs en een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is, gelet op de eisen gesteld in bijlage
                                    III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten
                                    of om, afgezien van een speellokaal, een gebouw geschikt te
                                    maken voor het desbetreffende onderwijs;</al></li></lijst><al>c creëren (extra) leslokaal of aanpassen leslokaal binnen het gebouw; </al><lijst><li nr="d."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw, ten behoeve van
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>functieverandering, ten behoeve van een school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs, van vaklokalen als gevolg van de keuze voor
                                    een ander vak;</al></li><li nr="f."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw ten behoeve van een school
                                    voor speciaal basisonderwijs; </al></li><li nr="g."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="h."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="i."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers:</al></li><li nr="j."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad a</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit
                            dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                            beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het
                            gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor
                            basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                            terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                            college, te verwezenlijken zijn. De noodzaak kan bij een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                            gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen
                            die dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die
                            onderwijssoort, die nog niet in het gebouw aanwezig zijn. </al><al/><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                            kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                            leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                            binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                            ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
                            desbetreffende onderwijs.</al><al/><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor het creëren van een (extra) leslokaal blijkt uit het
                            feit dat er meer groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw,
                            als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt,
                            terwijl er tevens sprake is van een bruikbaar verschil tussen de
                            feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte dat het
                            mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke extra leslokalen te
                            creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden aanwezig te
                            zijn binnen de verwijsafstand. Indien het inpandig creëren van een
                            leslokaal meer kost dan uitbreiding, op grond van bijlage IV, deel A,
                            wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. De noodzaak
                            voor het aanpassen van een leslokaal blijkt uit het feit dat het lokaal
                            kleiner is dan 42 vierkante meters bruto vloeroppervlakte en aanpassing
                            naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Indien aanpassing door
                            de constructie van het gebouw niet mogelijk is, kan het college een
                            extra lokaal boven de op grond van bijlage III, deel A, vastgestelde
                            capaciteit toekennen. </al><al/><al><vet>Ad d</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan
                            60 leerlingen speciaal onderwijs of meer dan 42 leerlingen voortgezet
                            speciaal onderwijs, terwijl volgens de prognose als vereist volgens
                            bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig zullen
                            zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                            bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen. </al><al/><al><vet>Ad e</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor
                            een ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is
                            goedgekeurd.</al><al/><al><vet>Ad. f.</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale
                            school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen
                            ruimte groter dan 56m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van
                            een speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast
                            is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12
                            kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig
                            creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter
                            beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                            beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al/><al><vet>Ad g</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                            korte termijn moet worden opgeheven. </al><al/><al><vet>Ad h</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Ad i</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                            gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de
                            betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                            aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                            zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                            onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                            kan worden gegeven. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>Ad </vet><vet>j</vet></al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr=""><al>a1. er sprake is van leegstand en de mogelijkheid bestaat om een
                                    lokaal aan te passen ten behoeve van de onderwijskundige
                                    vernieuwing, waarbij het aan te passen lokaal volgens de
                                    prognose zoals die door de gemeente wordt gehanteerd ten minste
                                    vijf jaren niet nodig is voor het reguliere onderwijs; of </al><al/><al>a2. ingeval aanpassing van een leegstaand lokaal niet mogelijk
                                    is, de aanpassing ten behoeve van de onderwijskundige
                                    vernieuwing gekoppeld is aan de voorziening uitbreiding c.q.
                                    algehele renovatie van de school (het schoolgebouw); en b. de
                                    aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al><al/></li><li nr=""><al>c. bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                                    onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr=""><al>d. het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr=""><al>e. het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al><al/></li></lijst><al><vet>1.10 Onderhoud</vet><vet> voor scholen ten behoeve van het basis en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover
                                    omschreven in het overzicht “onderhoud basis en (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs”</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                                    (inclusief hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen
                                    voor centrale verwarming </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. </al><al> Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                            bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor
                            de school nodig is. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                                    bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                                    medegebruik binnen de verwijsafstand.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.11</vet><vet>Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                            rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                            constructiefout.</al><al/><al><vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket, meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van
                                bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd. De noodzaak van maatregelen om schade door
                            vandalisme te voorkomen blijkt uit het feit dat schade door vandalisme
                            te verwachten is dan wel zich reeds heeft voorgedaan en (een) passende
                            maatregel(en) tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                            college, deze schade kan / kunnen beperken.</al><al/><al><vet>1.13 Extra ruimte boven de ruimtebehoefte zoals beschreven in
                                bijlage III, deel B en bekostiging van exploitatie van deze ruimte
                                ter realisatie van het Rotterdams onderwijsbeleid</vet></al><al>De aanspraak op deze extra ruimte in vierkante meters bruto
                            vloeroppervlak blijkt uit de argumentatie die het bevoegd gezag geeft
                            waarom deze extra ruimte gewenst is, voor welke periode deze ruimte
                            gebruikt wordt en wat de kwalitatieve en kwantitatieve baten zijn voor
                            het Rotterdams onderwijsbeleid.</al><al/><al/><al><vet> DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening </vet></al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om voor een school voor:</al></li><li nr="1."><al>basisonderwijs binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                    van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken
                                    van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten</al></li><li nr="2."><al>(voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van
                                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                    voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                    ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een
                                    of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimte.</al></li><li nr="3."><al>voortgezet onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om
                                    binnen 2000 m gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                                    dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                    klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om voor een school voor:</al></li><li nr="1."><al>basisonderwijs binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                    van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken
                                    van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;</al></li><li nr="2."><al>(voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van
                                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                    voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                    ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een
                                    of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten; </al></li><li nr="3."><al>voortgezet onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om
                                    binnen 2000 m gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                                    dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten, en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                    klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is
                                    dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                                    daardoor belemmerd wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om voor een school voor:</al></li><li nr="1."><al>basisonderwijs binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                    van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken
                                    van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke
                                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;</al></li><li nr="2."><al>(voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van
                                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                    voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                    ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een
                                    of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;</al></li><li nr="3."><al>voortgezet onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om
                                    binnen 2000 m gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                                    dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten, en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                    klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor
                                    bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het
                                    gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om voor een school voor:</al></li><li nr="1."><al>basisonderwijs binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                    van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken
                                    van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;</al></li><li nr="2."><al>(voortgezet) speciaal onderwijs het afwezig zijn van
                                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                    voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                                    noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                    ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een
                                    of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten;</al></li><li nr="3."><al>voortgezet onderwijs het afwezig zijn van mogelijkheden om
                                    binnen 2000 m gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                                    dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het
                                    door het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen)
                                    zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                            uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                            </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende accommodaties nog niet
                                    eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair voor
                                    bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair voor een school
                            voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een
                                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt
                                    goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder
                                    (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.7 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                            het door het college vastgestelde aantal klokuren gymnastiek
                            noodzakelijk is en waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde
                            gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al/><al><vet>1.8 Aanpassing</vet><vet> voor een school voor basisonderwijs en
                                een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de
                                    eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.
                            </al><al/><al><vet>Ad 2</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><al/><al><vet>Ad 3</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                            desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                            genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                            inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl
                            deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            te verwezenlijken zijn. </al><al/><al><vet>Ad 4</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is
                            dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven. </al><al/><al><vet>Ad 5</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen
                            plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, </al><al>die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te
                            kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                            absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl
                            volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                            aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere,
                            voorziening mogelijk is. </al><al/><al/><al><vet>1.9 Onderhoud</vet><vet> voor een school voor basisonderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>. </al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven
                                    in het overzicht “onderhoud basis onderwijs en (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs”;</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                                    (inclusief hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                    centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de
                            vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar
                            voor de school nodig is. </al><al/><al><vet>1.10 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een
                            bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel
                            van) een constructiefout. </al><al/><al><vet>1.11 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd. </al><al>De noodzaak van maatregelen om schade door vandalisme te voorkomen
                            blijkt uit het feit dat schade door vandalisme te verwachten is dan wel
                            zich reeds heeft voorgedaan en (een) passende maatregel(en), zulks ter
                            beoordeling van het college, deze schade kan / kunnen beperken.
                            </al><al/><al><vet>1.12 Huur van een sportterrein</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld voor een school voor voortgezet
                            onderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het
                                    bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een
                                    ander bevoegd gezag.</al><al/><al/></li></lijst><al><vet>I Overzicht “onderhoud basisonderwijs en (voorgezet) speciaal
                                onderwijs“</vet></al><al/><al><vet>Activiteiten die behoren tot het onderhoud: </vet></al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten. </al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al><al>Vervangen brandtrap. </al><al>Vervangen erfscheiding. </al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al>Vervangen boeiboorden. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                        leerlingprognoses</titel></kop><al>Bij de beoordeling van de aanvragen wordt uitgegaan van de meest recente
                    leerlingentellingen van de meest recente peildatum van de Dienst Uitvoering
                    Onderwijs. </al><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school wordt gemaakt
                    voor een periode van ten minste vijftien jaren te starten met het gewenste jaar
                    van bekostiging. Voor voorzieningen van tijdelijk gebruik wordt de termijn van
                    de duur van de voorziening gehanteerd. </al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte
                    termijnprognose. </al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al/></li></lijst><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). </al><al>Bij het beoordelen van aanvragen voor scholen voor basisonderwijs, voor speciale
                    scholen voor basisonderwijs en voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    worden de door het Centrum voor Onderzoek en Statistiek (COS) vervaardigde
                    Leerlingenprognoses Primair onderwijs gehanteerd en de Rotterdamse
                    bevolkingsprognoses, die jaarlijks worden geactualiseerd en aan de bevoegde
                    gezagsorganen te beschikking worden gesteld.</al><al>Bij het beoordelen van aanvragen voor het voorgezet onderwijs worden de
                    prognosemodellen gehanteerd van Micro Prognose BV, de bevolkingsprognoses van
                    COS en voor de regiogemeenten PRIMOS, op basis van de laatst bekende integrale
                    leerlingentelling, die periodiek wordt geactualiseerd en aan de bevoegde
                    gezagsorganen ter beschikking wordt gesteld. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III: Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><al/><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit </al><al/><al><vet>1.Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</vet><vet> en dislocaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld in de
                            vierkante meter bruto vloeroppervlakte van het gebouw.</al></li><li nr="2."><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs en het
                            (voortgezet) speciaal onderwijs is de het bruto vloeroppervlak zoals
                            bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                            het vaststellen van de vierkante meter bruto vloeroppervlakte van de
                            schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs
                            is het vierkante meter bruto vloeroppervlakte zoals bepaald aan de hand
                            van het gestelde in III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van
                            de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                            onderwijs' en wordt vastgesteld in de gegevens met:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal lokalen bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li></lijst><al>Naast de vierkante meter bruto vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal
                    gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voor zover deze noodzakelijk zijn
                    in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het
                    gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten
                    worden onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. </al><lijst><li nr="4."><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voor speciaal
                            basisonderwijs voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I,
                            deel A, paragraaf 1.3.2 sub a. en sub b, wordt op de bruto
                            vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht</al></li><li nr="5."><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                            besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                            vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten
                            worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele,
                            maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en recreatieve
                            doeleinden.</al></li><li nr="6."><al>De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de
                            capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                            vastgesteld.</al></li><li nr="7."><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw
                            gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.2 </vet><vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een
                    hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van de gemeente Rotterdam. Indien de
                    rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                    toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                    gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is
                    om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                    grootste gebouw. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>1.3 Terrein </vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>1.4 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris ten behoeve van een school voor basisonderwijs is het
                    uitgangspunt dat op 1 januari 2011 alle scholen in de gemeente voldoende zijn
                    voorzien. Voor de inventaris ten behoeve van een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle instellingen
                    voldoende zijn voorzien.</al><al>Voor de inventaris ten behoeve van een school voor voortgezet onderwijs is het
                    uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voldoende zijn
                    voorzien.</al><al>De bruto vloeroppervlakte is de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris voor een school voor basisonderwijs en (voortgezet)
                    speciaal onderwijs. De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de
                    vaststelling van de omvang van de aanwezig inventaris voor een school voor
                    voortgezet onderwijs. </al><al/><al><vet>2 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>2.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte bedraagt 40 klokuren. </al><al/><al><vet>2.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij
                    het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd. </al><al/><al><vet>2.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn tenzij
                    het nieuwbouw of uitbreiding betreft. </al><al/><al/><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><tussenkop>De ruimtebehoefte van een school wordt vastgesteld op basis van het
                    aantal leerlingen. </tussenkop><al/><tussenkop><vet>1. Lesgebouw</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Ter inleiding:</tussenkop><tussenkop>Het is mogelijk dat als gevolg van (aanvullingen op de) Rijksfinanciering
                    de huisvestingsbehoefte groter is dan op grond van de onderstaande formules
                    wordt berekend. Het bevoegd gezag dient bij de aanvraag, dan wel in het
                    leegstandsreductieplan deze afwijking per school te onderbouwen. Vervolgens zal
                    de afwijking in eerste instantie binnen de toegestane frictieruimte worden
                    opgevangen. Wanneer dat aantoonbaar niet kan, zal het college de
                    huisvestingsbehoefte hoger vaststellen.</tussenkop><al/><al><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al/><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al/><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al/><al>B = basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters.</al><al/><al> , en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al/><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al/><al>T=toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters en</al><al/><al>G=gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><lijst><li nr="§"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="§"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0% van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="§"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al/><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al/><al>R= 250+7,35*L, waarbij</al><al/><al>R= ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al><al/><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m<sup>2</sup>.</al><al/><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. </al><al/><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule </al><al/><al>R=V+f*L, waarbij</al><al/><al>R = ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters, en</al><al/><al>V = vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte. </al><al/><al>Voor hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten 370 m<sup>2</sup> behalve voor
                    VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250 m<sup>2</sup>.</al><al/><al>Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en</al><al>f = factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling) volgens
                    onderstaande tabel, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al> De tabel geeft een overzicht van f (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per
                    leerling), per onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>f – factor voor: SO</al></entry><entry colname="col3"><al>f- factor voor: VSO</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Slechthorende kinderen (SH) </al><al>§Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES) </al><al>§Visueel gehandicapten (VISG) </al><al>§Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>§Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>§Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI) </al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Dove kinderen (DO) </al><al>§Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al><al>§Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*Als bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de
                    N-factor anders dan 7 is vastgesteld wordt de f-factor aangepast. Voor SO-MG met
                    N = 2 geldt 56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt
                    56,75 en voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5.</al><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing. Voor een school met meer onderwijssoorten is
                    voor elk van de schoolsoorten de vaste voet van toepassing. De bepaling van de
                    ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer
                    afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende onderwijssoorten
                    afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden
                    gesommeerd. </al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m<sup>2</sup><sup>.</sup>.</al><al/><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al><al/></li></lijst><al>ad 1 Een leerlinggebonden component Deze wordt bepaald door aan de hand van in
                    tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen vierkante meter bruto vloeroppervlakten per leerling te
                    vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is
                    afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt. </al><al/><al>ad 2 Een vaste voet De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b
                    Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of
                    sector. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                    onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het
                    aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en
                    verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste
                    voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale
                    ruimtebehoefte van de instelling. Het RBM voorziet in een normering voor
                    praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een
                    orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter
                    ondersteuning van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn
                    aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn
                    derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet
                    onderwijs. </al><al/><al><vet>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                        voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="4"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW =
                    gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><tussenkop>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van
                    de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </tussenkop><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>De vaste voet per instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke
                    wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging
                    die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor
                    aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende
                    vaste voet van 550 m2 bruto vloeroppervlak. De vaste voet voor een
                    hoofdvestiging of nevenvestiging met of zonder spreidingsnoodzaak is niet van
                    toepassing op een zelfstandige school voor praktijkonderwijs. Voor
                    praktijkonderwijs geldt een vaste voet van 306 m² voor zowel een zelfstandige
                    vestiging als een afdeling voor praktijkschool.</al><al>Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die sectoren waar de
                    beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de
                    beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden en de sector een omvang heeft van
                    tenminste 100 leerlingen.</al><al/><al><vet>2 Gymnastiekruimten </vet></al><al>1. Voor een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het
                    aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregelvoor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Voor
                    een speciale school voor basisonderwijs wordt het aantal gymgroepen bepaald door
                    het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend
                    voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs
                    is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                    achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar
                    beneden afgerond.</al><al/><al>2.Voor de:</al><lijst><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs wordt per gymgroep 6-12-jarigen uitgegaan van
                            maximaal 2 klokuur gymnastiek.</al></li><li nr="b."><al>speciale school voor basisonderwijs en de school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs wordt per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar
                            uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de
                            beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van
                            6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur
                            gymnastiek.</al></li><li nr="c."><al>School voor voortgezet onderwijs vormt de in tabel 7.2 'Berekening van
                            de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde
                            bruto vloeroppervlakten de grondslag voor de bepaling van de omvang van
                            de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. </al><al/></li></lijst><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het aantal gymgroepen bepaald door
                    het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de
                    prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven. </al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van
                    het aantal groepen van een SO / VSO-school of een SO-school waaraan een of meer
                    afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk
                    plaats. </al><al/><tussenkop>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                    voortgezet onderwijs </tussenkop><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW =
                    gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><al/><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen. </al><al/><al><vet>1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de berekende
                            ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar blijft bestaan.</al></li><li nr="-"><al>Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de berekende
                            ruimtebehoefte gedurende minimaal vier jaar en korter dan vijftien jaar
                            noodzakelijk is.</al><al/></li></lijst><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: </al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw wordt voor een:</al><lijst><li nr="§"><al>school voor (speciaal) basisonderwijs en een school voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs bepaald aan de hand van het
                                    aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het
                                    bijbehorend aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak wordt
                                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                                    bepalen van de ruimtebehoefte’ en</al></li><li nr="§"><al>school voor voortgezet onderwijs bepaald aan de hand van het
                                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar
                                    noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt
                                    bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                                    beschreven in deel B.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening </al><lijst><li nr="a."><al>uitbreiding, dan wel </al></li><li nr="b."><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al></li><li nr="c."><al>ingebruikneming dan wel </al></li><li nr="d."><al>medegebruik, wordt voor een:</al></li></lijst><al>school voor (speciaal) basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet voor blijvend bestemde voorziening
                    tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="§"><al>55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening basisschool;</al></li><li nr="§"><al>40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening basisschool;</al></li><li nr="§"><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voor blijvend of
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een speciale school voor
                            basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al/></li></lijst><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90m2
                    bvo.</al><al/><tussenkop>School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw en ingebruikneming wordt bepaald door
                    de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste 15 jaar noodzakelijk is. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste 15 jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig
                    is.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk en blijvend gebruik bestemde
                    voorziening medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met 10% verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik word
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste 4 jaar doch korter dan 15 jaar
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste 4 jaar doch korter dan 15 jaar
                    noodzakelijk is en de met 10% verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    4 jaar en korter dan 15 jaar noodzakelijk is en de met 10% verhoogde capaciteit
                    van de beschikbare huisvesting.</al><al/><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten
                    minste 4 jaar doch korter dan 15 jaar noodzakelijk is en de met 10% verhoogde
                    capaciteit van de beschikbare huisvesting.</al><al>De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.</al><al/><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bedraagt de vierkante meter bruto vloeroppervlakte van een
                    speellokaal 90 vierkante meter bruto vloeroppervlak. </al><al/><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door
                                    de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw
                                    te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                                    gestelde in bijlage III, deel D. </al></li><li nr="b."><al>eerste inrichting van het onderwijsleerpakket, dan wel
                                    uitbreiding van de eerste inrichting van het
                                    onderwijsleerpakket, en meubilair voor een school voor
                                    basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs wordt bepaald door de omvang in vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen, dan wel uitbreiding van de
                            eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school
                            voor het voortgezet onderwijs wordt bepaald door de omvang in vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening. </al></li><li nr="d."><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is
                            van een inpandige aanpassing in een school voor voortgezet onderwijs
                            waarbij algemene en specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en /
                            of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor
                            eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste
                            inrichting van de te creëren ruimte.</al></li><li nr="e."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                            bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al></li><li nr="f."><al>extra ruimte boven de ruimtebehoefte zoals beschreven in deel B en
                            bekostiging van de exploitatie van deze extra ruimte ter realisatie van
                            het Rotterdams onderwijsbeleid is maximaal 10% van de huidige
                            ruimtebehoefte bepaald conform deel B voor een school voor
                            basisonderwijs, 5% voor een school voor voortgezet onderwijs en 0% een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt voor de school voor</al><lijst><li nr="a."><al>(speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals
                                    aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</al></li><li nr="b."><al>voorgezet onderwijs bepaald aan de hand van het
                                    ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde
                            onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een
                            voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage
                            I). </al></li><li nr="3."><al>aanpassing van een gymnastiekruimte van een school voor (speciaal)
                            basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                            maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.
                        </al></li><li nr="4."><al>terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan
                            wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met
                            inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met
                            betrekking tot de terreinoppervlakte. </al></li><li nr="5."><al>aanvulling op de eerste inrichting van het meubilair, in geval van
                            ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald
                            door de noodzakelijke eerste inrichting van het meubilair voor andere
                            leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                            bedoeld.</al></li><li nr="6."><al>herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden,
                            wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor
                            de voortgang van het onderwijs. </al></li><li nr="7."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein voor een
                            school voor het voortgezet onderwijs bedraagt ten hoogste acht weken per
                            kalenderjaar. De omvang van de goedgekeurde voorzieningen medegebruik
                            gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden
                            waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het
                            lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het
                            ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bruto
                            vloeroppervlak gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een
                            aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bruto
                            vloeroppervlak gym) / 322. </al></li></lijst><al/><al/><tussenkop><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                    voorzieningen</vet></tussenkop><al/><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84 m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><al>3 School voor voortgezet onderwijs Minimum afmetingen, uitgedrukt in
                    netto m2: </al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><al/><al/><tussenkop>III-1 overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de vierkante
                    meter bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs' </tussenkop><al/><tussenkop>NEN 2580: Regelgeving</tussenkop><al/><al>1.1.<vet>Bepalen BVO</vet></al><al>De vaststelling van de vierkante meter bruto vloeroppervlakte van een
                    schoolgebouw volgens NEN 2580.</al><al/><tussenkop>1.2. BVO gebouw</tussenkop><al>·De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto</al><al>vloeroppervlakten van alle tot het gebouw behorende binnenruimten</al><al>(lokalen, verkeersruimten, bergingen, aangrenzende buitenberging,</al><al>etc.)</al><al>·Indien een binnenruimte aan een andere aanpandige binnenruimte</al><al>grenst, wordt gemeten tot het hart van de desbetreffende</al><al>scheidingsconstructie.</al><al>·Trapgaten, liftschacht en leidingschacht op elk vloerniveau worden</al><al>meegerekend mits deze groter zijn dan 4 m2.</al><al>·De oppervlakte van een vrijstaande uitwendige kolom, indien groter of gelijk
                    aan</al><al>0,5 m² wordt meegerekend.</al><al>·De bruto vloeroppervlakte van een kruipruimte indien de nettohoogte groter of
                    gelijk is </al><al>aan 1,5 m1, voor mensen toegankelijk is en een verharde</al><al>vloer heeft, wordt meegerekend.</al><al>·De bruto vloeroppervlakte van een zolder indien de netto hoogte groter of
                    gelijk is aan</al><al>1,5 m1 en voor mensen toegankelijk is wordt meegerekend.</al><al>Opmerking:</al><al>·De oppervlakte van losstaande bijgebouwen zoals schuren en</al><al>bergingen worden niet tot de BVO van het gebouw gerekend. Deze</al><al>worden als zelfstandig gebouw gerekend.</al><al>·De oppervlakte van gebouwgebonden buitenruimten zoals loggia’s,</al><al>balkons, niet-gesloten galerijen, dakterrassen enz. worden niet tot</al><al>de BVO van een gebouw gerekend, maar separaat als overdekte of</al><al>niet-overdekte gebouwgebonden buitenruimten benoemd.</al><al/><tussenkop>1.3. BVO overdekte gebouwgebonden buitenruimten van een
                    gebouw</tussenkop><al>·Een gebouwgebonden buitenruimte betreft een ruimte die door het</al><al>deels ontbreken van uitwendige bouwkundige</al><al>scheidingsconstructies permanent in open verbinding staat met de</al><al>bodem en/of buitenlucht.</al><al>·Een gebouwgebonden buitenruimte die, of een deel daarvan dat,</al><al>overdekt is, waarbij de breedte van de verticale projectie op het</al><al>horizontale vlak minimaal de helft is van de netto-hoogte en ten</al><al>minste gelijk is aan 0,75 m1.</al><al> Opmerking:</al><al>·Indien een gebouwgebonden buitenruimte aan een binnenruimte</al><al>grenst, moet het grondvlak van de scheidingsconstructie volledig</al><al>worden toegerekend aan de bruto vloeroppervlakte van die</al><al>binnenruimte.</al><al/><tussenkop>1.4. BVO niet-overdekte gebouwgebonden buitenruimten van een
                    gebouw</tussenkop><al>·Een gebouwgebonden buitenruimte die, of een deel daarvan dat,</al><al>niet overdekt is in de zin van 1.3.</al><al/><tussenkop>1.5. BVO Gymnastiekruimten</tussenkop><al>·Gymnastiekruimten worden niet tot het BVO van een schoolgebouw</al><al>gerekend. Een gymnastiekruimte bestaat uit:</al><al>oEen oefenruimte van minimaal 252 m2 netto met een</al><al>minimale hoogte van 5 meter.</al><lijst><li nr=""><al>oMinimaal twee kleedruimten met een was-/douchegelegenheid.</al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige</al></li></lijst><al>gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>·Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandige</al><al>gelegen gymnastieklokalen wordt de vierkante meter bruto</al><al>vloeroppervlakte gerekend tot in het hart van de</al><al> scheidingsconstructie.</al><al/><al/><tussenkop>III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de vierkante
                    meter bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs' </tussenkop><al/><al>De vaststelling van de vierkante meter bruto vloeroppervlakte van een
                    schoolgebouw volgens NEN 2580. De vierkante meter bruto oppervlakte van een
                    gebouw is de som van de vierkante meter bruto vloeroppervlakte van alle tot het
                    gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt
                    gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies,
                    die de ruimten omhullen.</al><al/><al>Tot de vierkante meter bruto oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van
                            verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op
                            kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt)
                            en dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                            bij de bepaling van de vierkante meter bruto oppervlakte niet
                            meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV Financiele normering</titel></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><lijst><li nr="-"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al/><al/><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al/><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen
                            worden vergoed op basis van normbedragen. Alle in deze bijlage genoemde
                            bedragen zijn inclusief BTW. De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen
                            zijn ten behoeve van de vergoedingen voor 2012. </al><al/><al><vet>1. Eerste inrichting onderwijsleerpakket voor een school ten
                                behoeve van basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket (OLP) en meubilair
                            bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2 voor OLP en meubilair
                            tezamen. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per
                            school met een gegeven aantal leerlingen. Bij uitbreiding wordt het uit
                            te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                            investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. </al><al>a.De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.144,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag per vierkante bruto
                                                vloeroppervlak</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.685,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke vierkante meter
                                                bruto vloeroppervlak</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 130,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijs leerpakket / meubilair speellokaal
                                                speciaal basis onderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.997,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>c.School voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke vierkante meter
                                                bruto vloeroppervlak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.207,74.</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 225,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.374,93</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 292,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 109.373,35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 145,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 155.222,56</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 277,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.983,61</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 136,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.531,56</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 266,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.446,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 115,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 95.116,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 133,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 95.957,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.988,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 118,24</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting
                            van een (tweede) speellokaal bedraagt € 6.997,90.</al><al><onderstreept>Gymzalen </onderstreept> De vergoeding voor de
                            eerste inrichting met OLP/meubilair voor een losse gymnastiekzaal
                            bedraagt voor zowel een basisschool, een speciale school voor
                            basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs €
                            73.528,26 </al><al>Bij realisatie van een inpandige gymzaal ziet de vergoeding voor de
                            eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.613,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.387,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.473,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.907,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.513,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.513,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.438,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.270,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.451,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 55.262,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.693,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.616,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.616,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.828,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.880,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.255,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.347.85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.236,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.418,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.418,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.280,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een
                                school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al> De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris
                            (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de
                            huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw),
                            uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter
                            vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog
                            niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt
                            verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van
                            toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                            ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is
                            afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het
                            verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per
                            ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype
                            wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                            onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al> Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>149,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>348,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>213,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>286,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>365,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>708,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1354,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                    gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                    etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                                    voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al>Gymzalen</al><al> In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en
                            ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een
                            bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
                            overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste
                            inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen
                            vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste
                            inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair (Lhm). De vergoeding,
                            afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald
                            op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.022,67</al></entry><entry colname="col3"><al>60.983,82</al></entry><entry colname="col4"><al>62.006,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.022,67</al></entry><entry colname="col3"><al>47.572,01</al></entry><entry colname="col4"><al>48.594,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.022,67</al></entry><entry colname="col3"><al>20.682,08</al></entry><entry colname="col4"><al>21.704,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13.468,17</al></entry><entry colname="col4"><al>13.468,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.554,71</al></entry><entry colname="col4"><al>1554,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Huur sportvelden Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school
                            aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De
                            vergoeding voor deze kosten bedraagt € 21,15 per klokuur. </al><al/><al>3.<vet>Aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen</vet></al><al>Voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs
                            wordt de normvergoeding bepaald op basis van de verschiloppervlakte
                            tussen het aantal genormeerde m2 bruto vloeroppervlak behorend bij de
                            minimumnormen zoals deze golden voor 1 januari 2003 en het aantal
                            genormeerde m2 behorend bij de minimumnormen (zie bijlage III, deel A)
                            bij het aantal leerlingen dat bepaald is aan de hand van de bepaling van
                            de omvang van de permanente ruimtebehoefte van de school (uitgedrukt in
                            leerlingen). </al><al> De bedragen zijn inclusief een component voor de eerste
                            inrichting.</al><al/><al><vet>Vergoeding school voor basisonderwijs</vet></al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Aantal leerlingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Verschil oppervlakte (in m2 bvo)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Bedrag </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0 – 48</al></entry><entry colname="col2"><al>35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 58.769,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49 – 72</al></entry><entry colname="col2"><al>45</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 75.560,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73 – 96</al></entry><entry colname="col2"><al>55</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 92.351,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>97 - 120</al></entry><entry colname="col2"><al>65</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 109.142,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>212 - 144</al></entry><entry colname="col2"><al>75</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 125.934,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>145 - 168</al></entry><entry colname="col2"><al>85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 142.725,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>169 - 192</al></entry><entry colname="col2"><al>95</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 159.516,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>192 - 216</al></entry><entry colname="col2"><al>105</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 176.307,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>217 - 240</al></entry><entry colname="col2"><al>115</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 193.099,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>241 - 274</al></entry><entry colname="col2"><al>125</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 209.890,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>275 298</al></entry><entry colname="col2"><al>135</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 226.681,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>299 - 322</al></entry><entry colname="col2"><al>145</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 243.472,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bij elke volgende 24 leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.791,22</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</vet></al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Aantal leerlingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Verschil oppervlakte (in m2 bvo)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>B</vet><vet>edrag</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0 – 60</al></entry><entry colname="col2"><al>70</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 117.538.52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61 – 75</al></entry><entry colname="col2"><al>80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 134.329,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bij elke volgende 15</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.791,22</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4. </vet><vet> Indexering </vet></al><al/><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling </vet></al><al>De in de verordening genoemde normbedragen gelden voor
                            2012.Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                            prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat
                            elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks
                            na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. Voor de
                            voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als
                            prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het
                            CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks),
                            gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de
                            maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                            voorafgaande jaar. </al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma
                            </vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                            programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te
                            maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het
                            programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij
                            vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te
                            stellen. Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als
                            prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto
                            investeringen door bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de
                            derde dinsdag in september. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste
                            inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding
                            gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van
                            de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde
                            dinsdag in september. </al><al/><al/><al><vet> DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al/><al><vet>Bepaling van de feitelijk kosten</vet></al><al>De feitelijke kosten van de in artikel 4 genoemde voorzieningen worden
                            bepaald aan de hand van de demarcatie opgenomen investeringskosten
                            eigenaar versus gebruiker voor zover vereist uit relevante regelgeving.
                            Deze kosten en het minimale kwalitatieve gebruikers niveau van deze
                            investeringskosten staan beschreven in de “Leidraad projecten
                            Onderwijshuisvesting”. Hierbij wordt rekening gehouden met de wet- en
                            regelgeving, lokaal onderwijsbeleid, locatiegebonden factoren en de
                            actuele marktsituatie. Het college toetst zowel de bouwkundige als de
                            prijstechnische aspecten, met als uitgangspunt "sober en doelmatig". </al><al/><al>Huur van tijdelijke lokalen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                            gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                            noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                            vergoed op basis van werkelijke kosten.</al><al/><al>Ten aanzien van deze voorzieningen kan een aanvraag worden ingediend
                            voor bekostiging van bouwvoorbereiding, indien de begrote kosten van de
                            voorziening naar verwachting een bedrag van EUR 200.000 te boven gaan.
                            Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte van 2500 vierkante meter) respectievelijk 5% (bij
                            grotere projecten) van het verwachte bedrag. De vergoeding van
                            bouwvoorbereiding maakt deel uit van de feitelijke kosten.</al><al/><al>Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, 1ste
                            lid, worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dienen de wettelijke
                            voorschriften ten aanzien van aanbesteding voor de sector overheid en de
                            aanbestedingsregels van de gemeente Rotterdam voldaan te worden. De
                            laatste zijn beschreven in de “Leidraad projecten Onderwijshuisvesting”. </al><al/><al>Het uiteindelijke budget op basis van de feitelijke toegekende kosten
                            wordt beschouwd als een taakstellend budget.</al><al/><al/><al><vet> DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al/><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als
                            bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het
                            onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                            vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep
                            bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                            groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                            jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                            en Wetenschappen. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma gerangschikt in volgorde van prioriteit.</al><al>In het Integraal Huisvestingsplan zijn de criteria benoemd waaraan een aanvraag
                    moet voldoen. Deze criteria zijn gerangschikt naar prioriteit.</al><al>Een aanvraag die voldoet aan een criterium met de hoogste prioriteit krijgt
                    voorrang op een aanvraag die voldoet aan een criterium met een lagere
                    prioriteit. Indien er meerdere aanvragen aan hetzelfde criterium voldoen, krijgt
                    die aanvraag voorrang die op basis van de overige criteria de hoogste prioriteit
                    behaald. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage VI: Beleidsregel voor bekostiging van gymnastiekruimte </titel></kop><al>Het college van de gemeente Rotterdam,</al><al>gelet op de artikelen 117, 134 en 136 van de Wet op het primair onderwijs en de
                    artikelen 115, 128 en 130 van de Wet op de expertisecentra;</al><al>gelet op de artikelen XIII, XV en XVII van de Wet dualisering gemeentelijke
                    medebewindsbevoegdheden;</al><al>gelet op artikel 5 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gericht overleg met vertegenwoordigers
                    van de bevoegde gezagsorganen van de niet door gemeente in stand gehouden
                    scholen in de gemeente;</al><al/><tussenkop>besluit vast te stellen de volgende: </tussenkop><al/><tussenkop>beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><al/><al/><tussenkop>Artikel 1 Omvang en bekostiging gebruik </tussenkop><al>1.De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van een gymnastiekruimte
                    door een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs is gebaseerd op het aantal klokuren per week waarin volgens het
                    activiteitenplan door de school de gymnastiekruimte wordt gebruikt. Voor een
                    basisschool wordt het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in
                    aanmerking komt vastgesteld op basis van het aantal groepen volgens het bepaalde
                    in artikel 14 van het Besluit Bekostiging WPO en de splitsingstabel zoals
                    opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel.</al><al>Het aantal klokuren bedraagt ten hoogste 2 klokuur per week per groep leerlingen
                    van 6 jaar en ouder. Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het maximaal aantal klokuren dat voor
                    bekostiging in aanmerking komt vastgesteld op basis van het aantal groepen
                    volgens respectievelijk het bepaalde in het vierde lid van artikel 136 WPO en
                    artikel 14 van het Besluit bekostiging WEC. </al><al>Het aantal klokuren bedraagt ten hoogste 3,75 klokuur per week per groep
                    leerlingen jonger dan zes jaar indien de school niet de beschikking heeft over
                    een speellokaal en ten hoogste 2,25 klokuur per groep leerlingen van zes jaar en
                    ouder. </al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
                            voor basisonderwijs of school voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat
                            eigenaar is van een gymnastiekruimte ontvangt jaarlijks bekostiging. De
                            hoogte van de bekostiging wordt vastgesteld volgens het bepaalde in de
                            bijlage bij deze regeling, op basis van de door het betreffende bevoegd
                            gezag ingevolge artikel 38, eerste lid van de verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs verstrekte gegevens. Het maximaal aantal voor
                            bekostiging in aanmerking komende klokuren wordt op grond van het eerste
                            lid vastgesteld. Wanneer er sprake is van medegebruik van de
                            gymnastiekruimte door een of meer andere scholen voor basisonderwijs of
                            (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de bepaling van de hoogte van
                            de vergoeding het aantal klokuren getotaliseerd. </al></li><li nr="3."><al>Het college keert de ingevolge het tweede lid vastgestelde jaarlijkse
                            vergoeding in driemaandelijkse termijnen uit aan het bevoegd gezag als
                            bedoeld in het tweede lid, waarbij de eerste termijn aanvangt aan het
                            begin van het schooljaar.</al><al/><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                    voorziet </tussenkop><al/><al>In gevallen, de uitvoering van deze regeling betreffende, waarin deze regeling
                    niet voorziet, beslist het college. <vet>Artikel 3
                    Indexering</vet>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze
                    regeling gehanteerde normbedragen voor de klokuurvergoeding bij op basis van de
                    in bijlage IV , deel A van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 4 Citeertitel; inwerkingtreding </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling kan worden aangehaald als: beleidsregel bekostiging
                            gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                            de gemeente Rotterdam. </al></li><li nr="2."><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van [datum]. </al></li></lijst><al>Aldus vastgesteld in de collegevergadering van ..... [datum]. </al><al> De voorzitter, De secretaris, </al><al>…………..…………….</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding
                        lichamelijke oefening</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I</titel></kop><al><vet>Basisschool </vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt maximaal 2 klokuur gymnastiek vergoed.
                    Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Bij de
                    bepaling van het aantal formatieplaatsen en daarop gebaseerde aantal groepen
                    wordt uitgegaan van de formule en bepalingen zoals vastgelegd in artikel 14 van
                    het Besluit Bekostiging WPO. Dit vloeit voort uit het derde lid van artikel 136
                    WPO.</al><al>Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt aangesloten bij het
                    normatieve overzicht 'splitsing aantal groepen leerlingen' zoals weergegeven in
                    tabel 1. </al><al/><al>Tabel 1 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen </al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal gymgroepen
                    leerlingen in groepen 4- en 5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen ten
                    behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening. </al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal gymgroepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal gymgroepen 4/5-jarigen</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal gymgroepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar
                    wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal
                    3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder
                    wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal groepen wordt bepaald
                    door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor’ zoals bepaald in vierde
                    lid van artikel 136 WPO. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De
                    N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal
                    wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan
                    5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. </al><al/><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek.
                    Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar word maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                    vergoed, indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft over een
                    speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25
                    klokuur gymnastiek vergoed. Bij de bepaling van het aantal groepen wordt
                    uitgegaan van het bepaalde in artikel 14 van het Besluit bekostiging WEC. Dit
                    vloeit voort uit het derde lid van artikel 130 WEC. </al><al/><tussenkop>Vergoeding per klokuur</tussenkop><al>Ingevolge artikel 117 en 136 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 115
                    en 130 van de Wet op de Expertisecentra worden de volgende vergoedingsbedragen
                    voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De bedragen bevatten een
                    vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het gebouw, de materiële
                    instandhouding alsmede een vergoeding voor vervanging en aanpassing van
                    onderwijsleerpakket en meubilair. </al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het stichtingsjaar van de
                    gymnastiekaccommodatie en de oppervlakte van de oefenzaal. </al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag per vastgesteld
                    klokuur. </al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Stichtingsjaar en omvang</al></entry><entry colname="col2"><al>Vast bedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Variabel bedrag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tot 1987</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-&lt; 90 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.714,96</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 329,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-90-130 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.483,74</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 417,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-130-170 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.809,21</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 450,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-170-190 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.635,18</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 492,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-190-230 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.481,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 542,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-&gt; 230 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.940,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 607,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf 1987</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-&gt;= 252 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.128,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 552,35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De bovenstaande normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de vergoedingen
                    voor 2012. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2008 en
                    voorzien van het cumulatief MEV-indexcijfer voor 2009-2011 (5% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). </al><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening </vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of
                    huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk
                    van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding: </al><lijst><li nr="·"><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs
                            wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de
                            eigenaar vergoed;</al></li><li nr="·"><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed;</al></li><li nr="·"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                            volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal
                            klokuren. </al></li></lijst><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt,
                    zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed.
                    De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>