<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR227439_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen onderwijshuisvesting Gemeente Weesp 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">WeesperNieuws, 22-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening huisvesting onderwijs Gemeente Weesp 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.17154</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderwijshuisvesting 2012</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen onderwijshuisvesting Gemeente Weesp 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp, gelezen het voorstel van het college van 20
                        december 2011;</al><al>gezien het advies van de Commissie Welzijn, van 25 januari 2011 </al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening Voorzieningen onderwijshuisvesting Gemeente Weesp 2012</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                                onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                                gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                grondgebied van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>• school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school
                                voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
                                primair onderwijs;</al><al>• school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
                                onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra
                                en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al><al>• school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1,
                                2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></lid><lid><lidnr>e</lidnr><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                                artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of
                                artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de
                                Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                                gebracht;</al></lid><lid><lidnr>f</lidnr><al> voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                                in artikel 2 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>g</lidnr><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                verordening;</al></lid><lid><lidnr>h</lidnr><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in
                                artikel 13 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>i</lidnr><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van
                                een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                                ingediend;</al></lid><lid><lidnr>j</lidnr><al>aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                                bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></lid><lid><lidnr>k</lidnr><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                                is;</al></lid><lid><lidnr>l</lidnr><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                noodzakelijk is;</al></lid><lid><lidnr>m</lidnr><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en
                                de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren</al></lid><lid><lidnr>n</lidnr><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp
                                en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                lichamelijke oefening;</al></lid><lid><lidnr>p</lidnr><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95
                                van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de
                                expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs</al></lid><lid><lidnr>q</lidnr><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>r</lidnr><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                                het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra,
                                artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>s</lidnr><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de
                                Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op
                                de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op het
                                voortgezet onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>t</lidnr><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel
                                110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op
                                de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs</al></lid><lid><lidnr>u</lidnr><al>college: Burgemeester en wethouders van de Gemeente Weesp</al></lid><lid><lidnr>v</lidnr><al>gemeenteraad: gemeenteraad van de Gemeente Weesp</al></lid><lid><lidnr>w</lidnr><al>dislocatie: een deel van een school: in een ander gebouw en op een
                                andere locatie dan het hoofd- gebouw – waarmee feitelijk
                                ruimtegebrek in het hoofdgebouw van de school wordt opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende
                                voorzieningen onderscheiden:</al><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                        rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                        nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                        gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                        dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                        gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                        behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a
                                        sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                        hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                        bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                        gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                        voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                        gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                        dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik
                                        van een gymnastiekruimte </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit een of
                                meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en
                                2.9;</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit één of
                                meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10 en
                                2.10;</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></lid><lid><lidnr>e</lidnr><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                                omstandigheden</al></lid><lid><lidnr>f</lidnr><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het
                                onderwijs in lichamelijke oefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, lid a sub 1 en 2
                            kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vasstelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van</al><al>bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt
                                bij de wijze van</al><al>vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt
                                tussen</al><al>vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk
                                voorziene</al><al>kosten per geval. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van</al><al>het bepaalde in bijlage IV deel A en is van toepassing op de
                                voorzieningen als </al><al>bedoeld in artikel 2, a (sub 6 t/m 8), d en e. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op
                                de</al><al>voorzieningen als bedoeld in artikel 2, a (sub 1 t/m 5), b, c en f
                                en artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt vóór 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag, niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>n aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><al>a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                    tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                    onder a onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2, onder d, e en f;
                                    b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                    worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1 tot en met 4;c. een
                                    rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het
                                    een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van
                                            een gebouw;</al></li><li nr="2."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs, of;</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout.</al></li></lijst><al>d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                    voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                    voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin van toepassing is;e. een voor aanbesteding gereed
                                    bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                    toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vasstelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag: overleg ingediende begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                    bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                    noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van
                                    het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het
                                            programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het
                                            college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld
                                            in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                            programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                                            bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmakingbesluiten vaststelling bekostigingsfonds,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                            uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                            drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het
                                            Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing
                                            zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.
                                    Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met speodeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8
                                            en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet
                                    zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de
                                    beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn
                                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn
                                    gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>UItvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. </al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
                                        gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                                        formulier ‘Bouwkundige opname’;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs , vastgesteld aan de hand van
                                        de voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het
                                            aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                            berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                            capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                            bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van
                                            de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet
                                            nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 26 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 26 klokuren, tenzij het bevoegd
                                            gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor
                                            het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit
                                            niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Ovreleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoedeing</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast op basis van de
                                werkelijke kosten. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt
                                wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag dat voor elke groep
                                bij meer dan zes groepen door het ministerie van OCW beschikbaar
                                wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen,
                                zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>1. Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten behoeve van de
                                    verhuur.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëndiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een
                                opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door
                                        de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                        klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                        school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                        dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering
                                        voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat
                                        rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd
                                voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen
                                twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                                gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waaarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: verordening “Voorzieningen
                                huisvesting onderwijs Gemeente Weesp 2012.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 23 februari
                                2012.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 februari
                        2012.</ondertekening><ondertekening>Mw. M. Walrave, Dhr. B. Horseling,</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:• • deel A: lesgebouwen;• • deel B:
                    voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al><al>DEEL A Lesgebouwen1 School voor basisonderwijsDe voorzieningen genoemd onder
                    1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met
                    een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het
                    geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het
                    college.1.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                            zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht ofb2. b2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>1.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al>b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of. b2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                            en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                            en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.1.3
                    Uitbreiding1.3.1 Uitbreiding algemeenDe noodzaak voor uitbreiding blijkt
                    uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="2."><al>b1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="3."><al>b2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="4."><al>b3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="5."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaalDe
                    noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><al>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van ingebruikneming
                    blijkt uit:a. a1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of a2. het feit dat het huidige
                    gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb. b1. de te
                    huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of b2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of
                    zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000
                    meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of
                    beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt
                    ene. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                    verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw of uitbreiding.1.5 Verplaatsing bestaande
                    noodlokalenDe noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al>1.6 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                    uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming
                    te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen
                    gesteld in bijlage III, deel D. </al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairDe noodzaak voor de eerste
                    aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat er sprake
                    is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n
                    uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden.De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                    meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal
                    basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal. </al><al>1.8 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste
                    zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt. </al><al>1.9 AanpassingDe voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="d."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="e."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al>Ad aDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                    het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd
                    onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen
                    redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad bDe noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                    kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen
                    het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al><al>Ad cDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad dDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad eDe noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.Bovenstaande aanpassingen
                    kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden,
                    kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk
                    is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende
                    leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen
                    andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al>1.10 OnderhoudDe voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:• -
                    Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten• - Vervangen
                    buitenberging c.q. dak buitenberging.• - Vervangen rijwielstalling c.q.
                    rijwielstaanders.• - Vervangen brandtrap.• - Vervangen erfscheiding.• -
                    Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.• - Vervangen
                    binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.• - Vervangen
                    buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.• - Vervangen radiatoren,
                    convectoren, leidingen voor centrale verwarming.• - Vervangen dakpannen
                    inclusief houtwerk, dakrand en goten.• - Vervangen boeiboorden.De noodzaak van
                    onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of een gedeelte
                    daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname
                    zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door
                    het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:• permanente
                    gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose,
                    die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste
                    vier jaar voor de school nodig is en• noodlokalen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik elders.Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>1.11 Herstel van constructiefoutenDe noodzaak van herstel van constructiefouten
                    blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om
                    (herstel van) een constructiefout. </al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of
                    vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid
                    het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al>2. School voor voortgezet onderwijsDe voorzieningen genoemd onder 2.2 en 2.3
                    worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard.
                    Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met
                    het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. </al><al>2.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht e</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>2.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: a.
                    voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); b. b1. de te huisvesten
                    leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of b2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                    leerlingen kan worden verwacht en c. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al>2.3 UitbreidingDe noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:a. het feit dat er meer
                    te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien procent verhoogde
                    capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens de regels in
                    bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en bijlage III, deel B - voor
                    de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor
                    uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                    leerlingen kunnen worden verwacht enb. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren. </al><al>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw De noodzaak van ingebruikneming
                    blijkt uit: a. a1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of a2. het feit dat het huidige
                    gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl b. b1. de te
                    huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                    leerlingen kunnen worden verwacht of b2 de te huisvesten groepen leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                    verwacht en c. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; d. er geen
                    ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte
                    termijn beschikbaar komt en e. de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al><al>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalenDe noodzaak van verplaatsing van
                    noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al>2.6 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                    uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming
                    te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen
                    gesteld in bijlage III, deel D. </al><al>2.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair Aanspraak op eerste
                    inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat wanneer er sprake is
                    van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school.Tevens bestaat
                    aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en
                    meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort
                    wordt gecreëerd.Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                    inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na
                    de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de
                    fusie deelnemende scholen. </al><al>2.8 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een
                    aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit
                    is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 2.3.a. </al><al>2.9 Herstel van constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten
                    blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om
                    (herstel van) een constructiefout. </al><al>2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of
                    vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid
                    het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening1 School voor basisonderwijs </al><al>1.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de minister de
                    desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt enb.
                    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het
                    college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>1.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a. het in zo'n
                    slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb. het afwezig zijn
                    van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten
                    minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste
                    15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                    klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                    een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>1.3 UitbreidingDe noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:a. het
                    feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m² en het
                    effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit
                    dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het
                    college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimteDe noodzaak van ingebruikneming
                    blijkt uit:a. a1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt ofa2. het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren het door het college vastgestelde aantal
                    klokuren aanwezig (zullen) zijn end. de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al><al>1.5 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                    uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakketDe noodzaak van eerste inrichting
                    onderwijsleerpakket blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een
                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het
                    feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al><al>1.7 Eerste inrichting meubilairDe noodzaak van eerste inrichting meubilair
                    blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair
                    voor bewegingsonderwijs is verstrekt.De noodzaak van aanvullende eerste
                    inrichting meubilair blijkt uit:a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming
                    van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd
                    enb. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een
                    deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al>1.8 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het
                    college vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor
                    binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al>1.9 AanpassingDe aanpassingen bestaan uit:1. het maken van voldoende
                    wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend
                    werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                    gymnastiekruimte;2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik,
                    dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;3. wijzigingen
                    bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is
                    voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en
                    D;4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;5. vervangen
                    van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3 De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.1.10 OnderhoudDe voorziening onderhoud
                    bestaat uit de volgende activiteiten:• Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer,
                    dakrand, daklichten• Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.• Vervangen
                    rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.• Vervangen brandtrap.• Vervangen
                    erfscheiding.• Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.• Vervangen
                    binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.• Vervangen
                    buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.• Vervangen radiatoren,
                    convectoren, leidingen voor centrale verwarming.• Vervangen dakpannen inclusief
                    houtwerk, dakrand en goten.• Vervangen boeiboorden.De noodzaak van onderhoud
                    blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of een gedeelte daarvan ten
                    minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:• permanente
                    gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose,
                    die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste
                    vier jaar voor de school nodig is en• noodlokalen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik elders.Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>1.11 Herstel constructiefoutenDe noodzaak van het herstel van constructiefouten
                    blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om
                    (herstel van) een constructiefout. </al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of
                    vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid
                    het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. </al><al>2 School voor voortgezet onderwijs </al><al>2.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al>2.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><al>2.3 UitbreidingDe noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m² en</al></li><li nr="b."><al>daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt
                            en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="d."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><al>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimteDe noodzaak van ingebruikneming
                    blijkt uit: a. a1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of a2. het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde bij 2.2 onder a, in aanmerking komt en b. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken
                    van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en c. het feit dat de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is,
                    aanwezig zijn en het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al><al>2.5 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                    uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>2.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijsDe noodzaak van eerste inrichting
                    voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>2.7 Medegebruik </al><al>2.7.1 Medegebruik gymnastiekruimteDe noodzaak van medegebruik van een
                    gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn
                    waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte
                    is. </al><al>2.7.2 Huur van een sportterreinDe noodzaak van huur van een sportveld blijkt
                    uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><al>2.8 Herstel constructiefoutenDe noodzaak van het herstel van constructiefouten
                    blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om
                    (herstel van) een constructiefout. </al><al>2.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of
                    vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid
                    het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor opstelling en toetsing leerlingprognoses</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.In bijlage I is voor de
                    voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognosetermijn moet
                    worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende
                    voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen
                    met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen
                    blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijnprognose. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.De prognose omvat in elk geval de
                    bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode)
                    met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.Het
                    voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de
                    leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool
                    wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het
                    voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs, het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.Het college is bevoegd onderscheiden naar
                    onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een
                    prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen
                    de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als
                    bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal
                    onderwijsbeleid Gemeente Weesp.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor oppervlakte en indeling</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>• - deel A: de bepaling van de capaciteit;</al><al>• - deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al><al>• - deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al><al>• - deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al/><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit</al><al>1 School voor basisonderwijs </al><al/><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><al/><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met
                    een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in 3.1 de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><al/><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><al/><al>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al/><al>1.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al>1.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al>1.6 Gymnastiekruimten</al><al/><al>1.6.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><al/><al>1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al>1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al>2. School voor voortgezet onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><al>• de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al><al>• het aantal specifieke ruimten;</al><al>• het aantal werkplaatsen;</al><al>• het aantal gymnastieklokalen.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al/><al>2.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in 3.2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
                    Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al>2.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al/><al>2.3 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al>2.4 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><al/><al>2.5 Gymnastiekruimten</al><al/><al>2.5.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><al/><al>2.5.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al>2.5.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al/><al>1.1 Lesgebouwen</al><al>Basisschool</al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters.</al><al>en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><al>• bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten
                    van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>• verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van 6,0 %
                    van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan
                    0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al><al>• als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal
                    ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het
                    aantal ingeschreven leerlingen.</al><al/><al>1.2 Gymnastiekruimten</al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>2 School voor voortgezet onderwijs</al><al/><al>2.1 Lesgebouwen</al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><al>• 1. een leerlinggebonden component;</al><al>• 2. een vaste voet.</al><al/><al>ad 1 Een leerlinggebonden component</al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al/><al>ad 2 Een vaste voet</al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al/><al>Tabel 7.1.a. Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerling</al><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) - Algemeen 6,18</al><al>Bovenbouw AVO/VWO - Algemeen 5,85</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW Algemeen 6,41</al><al>- LWOO Algemeen 7,07</al><al>Bovenbouw techniek GLW Algemeen 5,98</al><al>- - Specifiek 5,47</al><al>- BLW Algemeen 4,69</al><al>- - Specifiek 8,99</al><al>- LWOO Algemeen 4,44</al><al>- - Specifiek 12,72</al><al>Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95</al><al>- - Specifiek 0,89</al><al>- BLW Algemeen 5,56</al><al>- - Specifiek 2,25</al><al>- LWOO Algemeen 5,85</al><al>Specifiek 3,06</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33</al><al>Specifiek 2,10</al><al>BLW Algemeen 4,71</al><al>Specifiek 4,22</al><al>LWOO Algemeen 4,85</al><al>Specifiek 5,53</al><al>Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94</al><al>Specifiek 0,78</al><al>BLW Algemeen 5,37</al><al>Specifiek 2,34</al><al>LWOO Algemeen 5,03</al><al>Specifiek 4,69</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 4,41</al><al>Specifiek 7,72</al><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><al>Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voet</al><al>Hoofdvestiging Algemeen 980</al><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemeen 550</al><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0 </al><al>VMBO-techniek BLW Specifiek 299</al><al>VMBO-economie BLW Specifiek 196</al><al>VMBO-zorg/welzijn BLW Specifiek 168</al><al>VMBO-landbouw BLW Specifiek 117</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 306</al><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m² bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m² BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al>2.2 Gymnastiekruimten</al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg BVO/leerling</al><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) - 1,66</al><al>Bovenbouw AVO/VWO - 0,78</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW 1,11</al><al>- LWOO 1,26</al><al>Bovenbouw techniek GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw economie GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw landbouw GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Praktijkonderwijs - 1,99</al><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><al/><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al/><al>1 School voor basisonderwijs</al><al/><al>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><al>• nieuwbouw, dan wel</al><al>• vervangende nieuwbouw</al><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><al>• uitbreiding, dan wel</al><al>• uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al><al>• ingebruikneming dan wel</al><al>• medegebruik</al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><al>• 55 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening basis-onderwijs;</al><al>• 40 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening basis-onderwijs;</al><al>• 50 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw
                    of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>1.3 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>2 School voor voortgezet onderwijs</al><al/><al>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al/><al>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m² bruto vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al/><al>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>2.4 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) : 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m² bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) /
                    322.</al><al/><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al/><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>• minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²
                    /ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m² netto;</al><al>• minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m² netto;</al><al>• voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van 84 m²
                    voor een speellokaal.</al><al/><al>2 School voor voortgezet onderwijs</al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m² :</al><al>theorielokaal: 42 m²</al><al>theorievaklokaal: 50 m²</al><al>vaklokaal natuurkunde: 50 m²</al><al>vaklokaal biologie: 50 m²</al><al>vaklokaal scheikunde: 60 m²</al><al>vaklokaal handvaardigheid: 60 m²</al><al>vaklokaal overig: 80 m²</al><al>specifiek vaklokaal lassen: 50 m²</al><al>specifiek vaklokaal meten: 50 m²</al><al>werkplaats: 115 m²</al><al>restaurant: 80 m²</al><al>3 Gymnastiekruimten</al><al>• De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</al><al>• De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><al/><al>3.1 </al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het primair onderwijs'</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><al>• de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                    buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                    gerekend;</al><al>• de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                    gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al><al>• bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>• bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                    andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                    netto-vloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte van ten
                    minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al><al>• voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                    keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto-vloeroppervlakte</al><al/><al>3.2</al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><al>• de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                    vloerniveau;</al><al>• de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5
                    m² </al><al>Uitzonderingen:</al><al>• De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken,
                    de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                    overdekt) en dergelijke.</al><al>• Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de
                    bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al><al>• Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al><al/><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Financiële normering</label><nr>4</nr><titel/></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>1 Volgorde van hoofdprioriteiten </al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al>Ad 2Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                    ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is. </al><al>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens
                    wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere
                    volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.Onder niet-lesruimten vallen:
                    kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.Onder
                    het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                    aan het terrein. </al><al>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald
                    op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><al>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij
                    of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover
                    deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het programma
                    in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van
                    nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om
                    gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor
                    plaatsing op het programma in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.
                        </al></li></lijst></bijlage><bijlage><al>INHOUDSOPGAVE</al><al/><al>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen 8</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 8</al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting 9</al><al>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen 10</al><al>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen 10</al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking 10</al><al/><al>HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht 10</al><al>Artikel 6 Indiening Aanvraag 10</al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet</al><al>behandelen onvolledige aanvraag 10</al><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen 12</al><al>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht
                    12</al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 12</al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 12</al><al>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
                    13</al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststelling 13</al><al>Artikel 12 Inhoud programma 13</al><al>Artikel 13 Inhoud overzicht 14</al><al>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,</al><al>programma en overzicht 14</al><al>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma 14</al><al>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering 14</al><al>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang</al><al>bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en</al><al>omstandigheden; overleg offertes 15</al><al>Artikel 17 Aanvang bekostiging 15</al><al>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging 16</al><al/><al>HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter 16</al><al>Paragraaf 3.1 Aanvraag 16</al><al>Artikel 19 Indiening aanvraag 16</al><al>Artikel 20 Inhoud aanvraag 16</al><al>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit 17</al><al>Artikel 21 Tijdstip beslissing 17</al><al>Artikel 22 Inhoud beslissing 17</al><al>Artikel 23 Uitvoering beslissing 17</al><al>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging 18</al><al>HOOFDSTUK 4 Bekostiging bouwvoorbereiding 18</al><al>Artikel 25 Aanvraag 18</al><al>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag 19</al><al>Artikel 27 Beschikking op aanvraag 19</al><al>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging 19</al><al/><al>HOOFDSTUK 5 Medegebruik en verhuur 19</al><al>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie 19</al><al>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden 19</al><al>Artikel 30 Omschrijving leegstand 20</al><al>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen 20</al><al>Artikel 32 Overleg en mededeling 21</al><al>Artikel 33 Vergoeding 21</al><al>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of </al><al>recreatieve doeleinden 22</al><al>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden 22</al><al>Artikel 35 Overleg en mededeling 22</al><al>Paragraaf 5.3 Verhuur 22</al><al>Artikel 36 Toestemming college 22</al><al/><al>HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen 23</al><al>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud 23</al><al/><al>HOOFDSTUK 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs 23</al><al>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; </al><al>inroostering gebruik 23</al><al/><al>HOOFDSTUK 8 Overgangs- en slotbepalingen 24</al><al>Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet </al><al>voorziet 24</al><al>Artikel 40 Indexering 24</al><al>Artikel 41 Citeertitel; inwerkingtreding 25</al><al>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen 26</al><al>DEEL A Lesgebouwen 26</al><al>1. School voor basisonderwijs 26</al><al>1.1 Nieuwbouw 26</al><al>1.2 Vervangende bouw 26</al><al>1.3 Uitbreiding 27</al><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen 27</al><al>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een </al><al>speellokaal 27</al><al>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw 28</al><al>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen 28</al><al>1.6 Terrein 28</al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 28</al><al>1.8 Medegebruik 29</al><al>1.9 Aanpassing 29</al><al>1.10 Onderhoud 30</al><al>1.11 Herstel van constructiefouten 30</al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket </al><al>en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 30</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs</al><al>2.1 Nieuwbouw 31</al><al>2.2 Vervangende bouw 31</al><al>2.3 Uitbreiding 32</al><al>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw 32</al><al>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen 32</al><al>2.6 Terrein 33</al><al>2.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair 33</al><al>2.8 Medegebruik 33</al><al>2.9 Herstel van constructiefouten 33</al><al>2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer -en hulpmiddelen</al><al>en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 33</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening 34</al><al>1. School voor basisonderwijs 34</al><al>1.1 Nieuwbouw 34</al><al>1.2 Vervangende bouw 34</al><al>1.3 Uitbreiding 34</al><al>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte 35 </al><al>1.5 Terrein 35</al><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket 35</al><al>1.7 Eerste inrichting meubilair 35</al><al>1.8 Medegebruik 36</al><al>1.9 Aanpassing 36</al><al>1.10 Onderhoud 36</al><al>1.11 Herstel constructiefouten 37</al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket </al><al>en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 37</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 37</al><al>2.1 Nieuwbouw 37</al><al>2.2 Vervangende bouw 38</al><al>2.3 Uitbreiding 38</al><al>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte 38</al><al>2.5 Terrein 38</al><al>2.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs 39</al><al>2.7 Medegebruik 39</al><al>2.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte 39</al><al>2.7.2 Huur van een sportterrein 39</al><al>2.8 Herstel constructiefouten 39</al><al>2.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket</al><al>en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 39</al><al/><al>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses
                    40</al><al>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling 41</al><al/><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit 41</al><al/><al>1. School voor basisonderwijs 41 1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen
                    (incl. de T en B- </al><al>dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard 41</al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard 41</al><al>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties 41 </al><al>1.4 Terrein 42</al><al>1.5 Inventaris 42</al><al>1.6 Gymnastiekruimte 42</al><al>1.6.1 Gymnastiekruimte 42</al><al>1.6.2 Terrein 42 </al><al>1.6.3 Inventaris 42</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 43</al><al>2.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een </al><al>permanente of een tijdelijke bouwaard 43</al><al>2.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties 43</al><al>2.3 Terrein 43</al><al>2.4 Inventaris 44</al><al>2.5 Gymnastiekruimte 44</al><al>2.5.1 Gymnastiekruimte 44</al><al>2.5.2 Terrein 44</al><al>2.5.3 Inventaris 44</al><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte 44</al><al>1. School voor basisonderwijs 44</al><al>1.1 Lesgebouwen 44</al><al>1.2 Gymnastiekruimten 45</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 45</al><al>2.1 Lesgebouwen 45</al><al>2.2 Gymnastiekruimten 48</al><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning 49</al><al>1. School voor basisonderwijs 49</al><al>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 49</al><al>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde </al><al>voorzieningen 50</al><al>1.3 Gymnastiekruimten 50</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 51</al><al>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 51</al><al>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 51</al><al>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde</al><al>voorzieningen 52</al><al>2.4 Gymnastiekruimten 52</al><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen 53</al><al>1. School voor basisonderwijs 53</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 53</al><al>3. Gymnastiekruimten 54</al><al/><al>Bijlage IV Financiële normering 56</al><al>DEEL A 56</al><al>1. School voor basisonderwijs 56</al><al>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) 56</al><al>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) 57</al><al>1.3 Tijdelijke voorziening 58</al><al>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 59</al><al>1.5 Aanpassing 60</al><al>1.6 Gymnastiek 60</al><al>2. School voor voortgezet onderwijs 61</al><al>2.1 Nieuwbouw en uitbreiding 61</al><al>2.2 Tijdelijke voorziening. 63</al><al>2.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair 64</al><al>2.4 Gymnastiek 65</al><al>3. Indexering 66</al><al>4. Europese aanbesteding 67</al><al/><al>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen
                    68</al><al>1. Volgorde van hoofdprioriteiten 68</al><al>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten 68</al><al>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als </al><al>bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op </al><al>het programma in aanmerking: 69</al><al>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een </al><al>adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op </al><al>het programma in aanmerking: 69</al><al>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen </al><al>aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder </al><al>aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' </al><al>komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: 69</al><al>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als </al><al>gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs' komt voor plaatsing op het </al><al>programma in aanmerking: 70</al></bijlage></regeling></body></cvdr>