<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR226693_1</dcterms:identifier><dcterms:title>A-11 Uitkeringsregeling ontslag 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oss Actueel 29-08-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>A-11 Uitkeringsregeling ontslag 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-08-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GMPO</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>A-11 Uitkeringsregeling ontslag 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>11 UITKERINGSREGELING ONTSLAG</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Betrokkene</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:1</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambte</vet><vet>naar aan wie ontslag is verleend:</vet></al><al>a op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al><al><vet>b</vet><vet> op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met uit</vet><vet>zondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek is ge</vet><vet>schied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</vet></al><al><vet>en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan ontle</vet><vet>nen.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden ver</vet><vet>staan de ge</vet><vet>we</vet><vet>zen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot of geregistreerd partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende oorza</vet><vet>ken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</vet></al><al><vet>Lichamen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:2</nr></kop><al><vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `lichamen':</vet></al><al><vet>Rechtspersonen, maat</vet><vet>- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtsper</vet><vet>soonlijk</vet><vet>heid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kun</vet><vet>nen worden gesteld, onderne</vet><vet>mingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</vet></al><al><vet>Diensttijd</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:3</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `diensttijd':</vet></al><al><vet>de aan het in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaan</vet><vet>de in overheids</vet><vet>dienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatise</vet><vet>ring ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in ar</vet><vet>tikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoem</vet><vet>de rege</vet><vet>ling niet is verbonden.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten beschou</vet><vet>wing:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand daarvan we</vet><vet>gens verleend ontslag;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stel</vet><vet>len uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de over</vet><vet>heid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensi</vet><vet>oen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking welke de be</vet><vet>trokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrij</vet><vet>willig ontslag heeft geno</vet><vet>men met ingang van de datum waarop de uitke</vet><vet>ring ingaat.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitke</vet><vet>ring in aanmer</vet><vet>king is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensi</vet><vet>oen</vet><vet>fonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitke</vet><vet>ring, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die dienst</vet><vet>tijd buiten be</vet><vet>schouwing wordt gelaten.</vet></al><al><vet>Dienstbetrekking</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:4</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechte</vet><vet>lijke of privaat</vet><vet>rech</vet><vet>telij</vet><vet>ke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werk</vet><vet>loosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</vet></al><al><vet>Bezoldiging</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:5</nr></kop><al><vet>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoe</vet><vet>ding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit be</vet><vet>drag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalender</vet><vet>maanden.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wij</vet><vet>ziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de ophef</vet><vet>fing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden her</vet><vet>zien.</vet></al><al><vet>Recht op uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:6</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vast</vet><vet>gesteld:</vet></al><al><vet>a voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel 11:7;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar onmid</vet><vet>dellijk vooraf</vet><vet>gaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wan</vet><vet>neer het be</vet><vet>paalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanlei</vet><vet>ding geeft inge</vet><vet>volge artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel 11:8, vierde lid.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de be</vet><vet>trokke</vet><vet>ne ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloos</vet><vet>heidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoel</vet><vet>de periode van 12 maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde verhindering.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waar</vet><vet>uit de betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienst</vet><vet>be</vet><vet>trekking in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmer</vet><vet>king zijn genomen voor een recht op uitkering.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld we</vet><vet>ken, waar</vet><vet>over de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van de Werkloos</vet><vet>heidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het arbeidsbu</vet><vet>reau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Geen recht op uitkering bestaat:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO</vet><vet>-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op supple</vet><vet>tie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft be</vet><vet>reikt;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</vet></al><al><vet>f</vet><vet> voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft be</vet><vet>reikt, aan wie schrifte</vet><vet>lijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die medede</vet><vet>ling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaar</vet><vet>den.</vet></al><al><vet>8</vet><vet> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschikt</vet><vet>heid op een lager percen</vet><vet>tage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering wordt voor de toepassing van:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastge</vet><vet>steld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO</vet><vet>-</vet><vet>uitke</vet><vet>ring, in voorkomend geval vermeerderd met een invali</vet><vet>diteitspen</vet><vet>sioen, vastgesteld naar een mate van arbeidsonge</vet><vet>schiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen.</vet></al><al><vet>b</vet><vet> artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van ontslag.</vet></al><al><vet>9</vet><vet> Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de betrokkene.</vet></al><al><vet>Duur van de uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:7</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedu</vet><vet>rende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrek</vet><vet>king van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of</vet></al><al><vet>b</vet><vet> onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitke</vet><vet>ring op grond van de WAJONG of de WAZ;</vet></al><al><vet>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</vet></al><al><vet>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</vet></al><al><vet>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</vet></al><al><vet>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</vet></al><al><vet>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</vet></al><al><vet>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</vet></al><al><vet>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</vet></al><al><vet>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</vet></al><al><vet>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentel</vet><vet>ling van:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waar</vet><vet>over de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werk</vet><vet>loosheids</vet><vet>wet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gele</vet><vet>gen 5 jaar voor het ontslag.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Perioden, waarin een betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidson</vet><vet>geschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeids</vet><vet>onge</vet><vet>schiktheid van ten minste 80%;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk invalidi</vet><vet>teitspen</vet><vet>si</vet><vet>oen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsonge</vet><vet>schiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeen</vet><vet>komt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeer</vet><vet>derd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de mid</vet><vet>del</vet><vet>som, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn be</vet><vet>rekend;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet ar</vet><vet>beidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeids</vet><vet>onge</vet><vet>schikt</vet><vet>heid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheids</vet><vet>uitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidson</vet><vet>geschiktheidsuitke</vet><vet>ring is of zou zijn bere</vet><vet>kend;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</vet></al><al><vet>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbe</vet><vet>trekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ont</vet><vet>slag, bedoeld in het derde lid.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden gele</vet><vet>gen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienst</vet><vet>betrek</vet><vet>king van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitke</vet><vet>ring heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmer</vet><vet>king genomen.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzor</vet><vet>ging niet mee</vet><vet>ge</vet><vet>teld de periode waarin:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inza</vet><vet>ke werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of</vet></al><al><vet>b</vet><vet> de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakan</vet><vet>ties.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als be</vet><vet>doeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende per</vet><vet>soon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig heb</vet><vet>ben aangewezen. Ingeval geen verzorgen</vet><vet>de persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</vet></al><al><vet>8</vet><vet> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opge</vet><vet>voed.</vet></al><al><vet>9</vet><vet> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheids</vet><vet>wet, zijn van overeenkomstige toepassing.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:8</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlen</vet><vet>ging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeen</vet><vet>komstig de volgende leden.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maan</vet><vet>den.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoog</vet><vet>ste vastge</vet><vet>steld op 24 maanden.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bij</vet><vet>zondere verlenging verleend.</vet></al><al><vet>Vervolguitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:9</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in arti</vet><vet>kel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitke</vet><vet>ring recht op een vervolguitkering.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De betrokkene die</vet></al><al><vet>a</vet><vet> het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste lid, heeft bereikt, en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, on</vet><vet>derdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de uitkerings</vet><vet>duur, heeft recht op een vervolg</vet><vet>uitkering.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de ver</vet><vet>volguitkering een jaar.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toege</vet><vet>kend, heeft aan</vet><vet>slui</vet><vet>tend recht op een vervolguitkering indien de toege</vet><vet>kende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguit</vet><vet>kering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan wie ingevol</vet><vet>ge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguit</vet><vet>kering indien de toegekende uitke</vet><vet>ring eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gele</vet><vet>gen drie en een half jaar na de in de vorige volzin be</vet><vet>doelde da</vet><vet>tum.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uit</vet><vet>kering van overeen</vet><vet>komsti</vet><vet>ge toepassing op de vervolguitkering.</vet></al><al><vet>Bedrag van de uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:10</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden ge</vet><vet>lijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzonde</vet><vet>re verlenging ingevol</vet><vet>ge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldi</vet><vet>ging.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) wor</vet><vet>den de per</vet><vet>centa</vet><vet>ges, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procent</vet><vet>punten verhoogd.</vet></al><al><vet>Bedrag van de vervolguitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:11</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien ver</vet><vet>stande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maand</vet><vet>bedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor bereken</vet><vet>de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</vet></al><al><vet>Verhuiskosten</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:12</nr></kop><al><vet>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaat</vet><vet>sings</vet><vet>kostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</vet></al><al><vet>Vermindering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:13</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met ar</vet><vet>beid, waaron</vet><vet>der mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is ver</vet><vet>leend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in arti</vet><vet>kel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toege</vet><vet>past tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te boven gaan.</vet></al><al><vet>Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkom</vet><vet>sten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging over</vet><vet>schrijdt, wordt een ver</vet><vet>mindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ont</vet><vet>slag is verleend uit de betrek</vet><vet>king die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkom</vet><vet>sten bedoeld in het eer</vet><vet>ste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking heb</vet><vet>ben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</vet></al><al><vet>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze ver</vet><vet>rekening op zoda</vet><vet>nige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aange</vet><vet>vuld met een wachtgeld of uitke</vet><vet>ring, ver</vet><vet>meerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronke</vet><vet>lijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. In</vet><vet>dien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de be</vet><vet>zoldi</vet><vet>ging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitke</vet><vet>ring verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van in</vet><vet>komsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedu</vet><vet>rende vakantie, verlof of non</vet><vet>-activi</vet><vet>teit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hoge</vet><vet>re inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoel</vet><vet>de dag, is ten aanzien van die inkomsten of ho</vet><vet>gere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toe</vet><vet>passing.</vet></al><al><vet>De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hoge</vet><vet>re inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverho</vet><vet>gingen, of indien betrokkene aan</vet><vet>neme</vet><vet>lijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaam</vet><vet>heid of van andere oorzaken, ver</vet><vet>band houdende met het ontslag.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</vet></al><al><vet>Opgave van inkomsten</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:14</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk medede</vet><vet>ling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evenge</vet><vet>noem</vet><vet>de bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitke</vet><vet>ringstermijn op.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uit</vet><vet>keringstermijn opgave van het</vet><vet>geen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opga</vet><vet>ve heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moe</vet><vet>ten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde ter</vet><vet>mijn.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, be</vet><vet>doeld in het tweede lid, worden afgeweken.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</vet></al><al><vet>Overlijdensuitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:15</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerd partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerd partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoel</vet><vet>de betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde ande</vet><vet>re betrek</vet><vet>king, ten gevolge waarvan op de uitke</vet><vet>ring een vermindering werd toege</vet><vet>past op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de vermin</vet><vet>derde uitke</vet><vet>ring over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het be</vet><vet>drag van de uitkering geheel of ten dele worden aan</vet><vet>gewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de over</vet><vet>ledene daartoe ontoerei</vet><vet>kend is.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering ge</vet><vet>bracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositiere</vet><vet>geling, dan wel krachtens enig wettelijk voorge</vet><vet>schreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloos</vet><vet>heid.</vet></al><al><vet>Verplichtingen bij ziekte</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:16</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid. </vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijk</vet><vet>heid van het doen van een aanvraag voor een WAO</vet><vet>-uitkering, is hij ver</vet><vet>plicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO</vet><vet>-uitkering aan te vragen</vet></al><al><vet> en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO</vet><vet>-uitkering aan</vet><vet>vraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk reke</vet><vet>ning gehou</vet><vet>den met de WAO-uitkering behorende bij een mate van ar</vet><vet>beidson</vet><vet>geschiktheid van 80% of meer.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO</vet><vet>-uitke</vet><vet>ring vermindering onder</vet><vet>gaat, dan wel het recht daarop ge</vet><vet>heel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit be</vet><vet>trokkene redelij</vet><vet>kerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</vet></al><al><vet>Uitkering bij ziekte</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:17</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze over teza</vet><vet>men 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft geno</vet><vet>ten. De bepalingen van hoofd</vet><vet>stuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</vet></al><al><vet>Samenloop</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:18</nr></kop><al><vet>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artike</vet><vet>len 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</vet></al><al><vet>Afkoop</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:19</nr></kop><al><vet>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering geheel of ten dele worden afge</vet><vet>kocht.</vet></al><al><vet>Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:20</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde, be</vet><vet>doeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, uit</vet><vet>sluitend wordt vastgesteld inge</vet><vet>volge artikel 11:7, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werk</vet><vet>loosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de reste</vet><vet>rende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoel</vet><vet>de werkloos</vet><vet>heid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetre</vet><vet>den werkloos</vet><vet>heid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloos</vet><vet>heidswet of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wacht</vet><vet>geld of uitkering.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werk</vet><vet>loosheid begre</vet><vet>pen:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de om</vet><vet>vang van de nieuwe dienstbe</vet><vet>trekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering be</vet><vet>staat.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft op</vet><vet>nieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene :</vet></al><al><vet>a</vet><vet> binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbe</vet><vet>trekking heeft aanvaard; en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrok</vet><vet>kene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, ver</vet><vet>min</vet><vet>derd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aan</vet><vet>vraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ont</vet><vet>staan van dat recht bij het college is ingekomen.</vet></al><al><vet>Verplichtingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:21</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en om</vet><vet>stan</vet><vet>digheden redelijkerwijs kan worden opge</vet><vet>dragen, te aanvaarden dan wel tot het ver</vet><vet>krijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrij</vet><vet>ven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buiten</vet><vet>land dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft be</vet><vet>reikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de moge</vet><vet>lijkheid biedt en die naar het oordeel van het college verge</vet><vet>lijkbaar is met het arbeids</vet><vet>bureau.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende to het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</vet></al><al><vet>Opschorting</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:22</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbeta</vet><vet>ling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage van de laatstgeno</vet><vet>ten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoe</vet><vet>ring van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling op</vet><vet>geschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienst</vet><vet>plichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens mili</vet><vet>taire dienst.</vet></al><al><vet>Samenloop</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:23</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op uitke</vet><vet>ring is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO</vet><vet>-</vet><vet>uitkering en in voor</vet><vet>komend geval vermeerderd met een invaliditeits</vet><vet>pensioen, berekend naar een ar</vet><vet>beidsonge</vet><vet>schiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ont</vet><vet>slag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschikt</vet><vet>heid van </vet></al><al><vet>65% tot 80%: </vet><vet> 80%;</vet></al><al><vet>55% tot 65%: </vet><vet> 60%;</vet></al><al><vet>45% tot 55%: </vet><vet> 50%;</vet></al><al><vet>35% tot 45%: </vet><vet> 40%;</vet></al><al><vet>25% tot 35%: </vet><vet> 30%;</vet></al><al><vet>15% tot 25%: </vet><vet> 20%;</vet></al><al><vet>minder dan 15%:</vet><vet> 0%.</vet></al><al><vet>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO</vet><vet>-uitkering, in voorko</vet><vet>mend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering be</vet><vet>draagt voorts niet meer dan de on</vet><vet>verminderde uitkering die wordt ge</vet><vet>noten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO</vet><vet>-uitkering aan</vet><vet>vraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO</vet><vet>-uitkering waarbij een arbeidsonge</vet><vet>schikt</vet><vet>heid van 80% of meer behoort.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO</vet><vet>-uitkering </vet><vet>vermindering onder</vet><vet>gaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit be</vet><vet>trokkene redelij</vet><vet>kerwijs kan wor</vet><vet>den verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:24</nr></kop><al><vet>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitke</vet><vet>ringen niet uitbetaald.</vet></al><al><vet>Betaling</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:25</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar bo</vet><vet>ven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd geno</vet><vet>ten.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitke</vet><vet>ring over lange</vet><vet>re termijnen geschieden.</vet></al><al><vet>Verval van uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:26</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden ver</vet><vet>klaard:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolle</vet><vet>dig doet;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het college geduren</vet><vet>de de tijd, waarin hij een uitkering ge</vet><vet>niet, de in evenge</vet><vet>noemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse in</vet><vet>stantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid, gegeven voor</vet><vet>schrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duur</vet><vet>zaam te verblijven;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</vet></al><al><vet>f</vet><vet> indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn ver</vet><vet>leend als hij in dienst was gebleven;</vet></al><al><vet>g</vet><vet> indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo deze eerder be</vet><vet>kend waren, aanlei</vet><vet>ding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</vet></al><al><vet>h</vet><vet> indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</vet></al><al><vet>2 Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eer</vet><vet>ste lid, niet na</vet><vet>komt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het ar</vet><vet>beidsbureau dan wel de buiten</vet><vet>landse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproe</vet><vet>ping of aanwijzing van het arbeidsbureau, welke kan leiden tot het ver</vet><vet>krijgen van werk dat hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstan</vet><vet>dighe</vet><vet>den redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert derge</vet><vet>lijk werk te aan</vet><vet>vaarden, vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze teza</vet><vet>men met de ver</vet><vet>zuimde of verloren gegane inkom</vet><vet>sten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nako</vet><vet>men van voor</vet><vet>schriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aan</vet><vet>geboden betrekking of van een gelegen</vet><vet>heid tot het verkrijgen van inkom</vet><vet>sten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behou</vet><vet>dens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervan</vet><vet>ging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functione</vet><vet>ring van de openbare dienst.</vet></al><al><vet>Einde van het recht op uitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:27</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het recht op uitkering eindigt:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waar</vet><vet>in de betrokke</vet><vet>ne de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is over</vet><vet>leden;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de be</vet><vet>trokkene recht verkrijgt op een WAO</vet><vet>-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uit</vet><vet>kering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</vet></al><al><vet>3 De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</vet></al><al><vet>Nadere voorschriften</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:28</nr></kop><al><vet>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften geven.</vet></al><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:29</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsre</vet><vet>geling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vast</vet><vet>gestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepa</vet><vet>lingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 au</vet><vet>gustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering langer is dan de oor</vet><vet>spronkelijk vastgestel</vet><vet>de duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tus</vet><vet>sen beide.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van arti</vet><vet>kel 11, eer</vet><vet>ste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde ter</vet><vet>mijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsrege</vet><vet>ling zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstan</vet><vet>de dat de duur van de toegeken</vet><vet>de uitkering wordt herberekend op grond van het tweede lid.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:30</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van de bepa</vet><vet>lin</vet><vet>gen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waar</vet><vet>van de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evenge</vet><vet>noemde verorde</vet><vet>ning.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</vet></al><al><vet>Slotbepaling</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:32</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>