<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR225795_1</dcterms:identifier><dcterms:title>A-10 Wachtgeld 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oss Actueel, 29-08-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>A-10 Wachtgeld 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-08-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GMPO</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>A-10 Wachtgeld 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>10 WACHTGELD</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Betrokkene</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:1</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `betrokkene':</vet></al><al><vet>a</vet><vet> de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</vet></al><al><vet>1</vet><vet> waarin hij vast was aangesteld;</vet></al><al><vet>2</vet><vet> waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van ken</vet><vet>nelijk tijdelijke aard;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verle</vet><vet>nen, hem schriftelijk is medege</vet><vet>deeld.</vet></al><al><vet>Lichamen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:2</nr></kop><al><vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `lichamen':</vet></al><al><vet>Rechtspersonen, maat</vet><vet>- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtsper</vet><vet>soonlijk</vet><vet>heid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kun</vet><vet>nen worden gesteld, onderne</vet><vet>mingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</vet></al><al><vet>Diensttijd</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:3</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `diensttijd':</vet></al><al><vet>de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaan</vet><vet>de in overheids</vet><vet>dienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is ver</vet><vet>bonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioen</vet><vet>wet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in ar</vet><vet>tikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op </vet><vet>grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoem</vet><vet>de rege</vet><vet>ling niet is verbonden.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stel</vet><vet>len uitkering wegens onvrijwillige werkloos</vet><vet>heid ten laste van de over</vet><vet>heid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensi</vet><vet>oen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepa</vet><vet>ling in een andere overheidsregeling;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking wel</vet><vet>ke de betrok</vet><vet>kene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwil</vet><vet>lig ont</vet><vet>slag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wacht</vet><vet>geld in aanmer</vet><vet>king is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensi</vet><vet>oenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten be</vet><vet>schouwing wordt gelaten.</vet></al><al><vet>Dienstbetrekking</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:4</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechte</vet><vet>lijke of privaat</vet><vet>rech</vet><vet>telijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaam</vet><vet>heden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werk</vet><vet>loosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</vet></al><al><vet>Bezoldiging</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:5</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In deze regeling wordt verstaan onder `bezoldiging':</vet></al><al><vet>de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoe</vet><vet>ding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit be</vet><vet>drag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalender</vet><vet>maanden.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wij</vet><vet>ziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldi</vet><vet>ging zou zijn blijven vervul</vet><vet>len, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewij</vet><vet>zigde bedrag als bezoldiging.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de ophef</vet><vet>fing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden her</vet><vet>zien.</vet></al><al><vet>Recht op wachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:6</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld met in</vet><vet>gang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het be</vet><vet>reiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> op dat moment recht heeft op een WAO</vet><vet>-uitkering, berekend naar een arbeidson</vet><vet>geschiktheid van 80% of meer;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofd</vet><vet>stuk 11a van deze regeling</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsonge</vet><vet>schiktheid op een lager percenta</vet><vet>ge wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastge</vet><vet>steld te rekenen vanaf de datum van ont</vet><vet>slag </vet><vet>is ont</vet><vet>staan.</vet></al><al><vet>Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastge</vet><vet>steld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO</vet><vet>-</vet><vet>uitke</vet><vet>ring, in voorkomend geval vermeerderd met een invali</vet><vet>diteitspen</vet><vet>sioen vastgesteld naar een mate van arbeidsonge</vet><vet>schiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen.</vet></al><al><vet>b</vet><vet> artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van ontslag.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na af</vet><vet>loop van de sup</vet><vet>pletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepas</vet><vet>sing laten van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou hebben op wacht</vet><vet>geld waar</vet><vet>bij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit be</vet><vet>sluit.</vet></al><al><vet>Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waar</vet><vet>op het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toege</vet><vet>kend ingevolge arti</vet><vet>kel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is arti</vet><vet>kel </vet><vet>10:10</vet><vet> van toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</vet></al><al><vet>Duur van het wachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:7</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ont</vet><vet>slag ingaat.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedu</vet><vet>rende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrek</vet><vet>king van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of</vet></al><al><vet>b</vet><vet> onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitke</vet><vet>ring op grond van de WAJONG of de WAZ;</vet></al><al><vet>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</vet></al><al><vet>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</vet></al><al><vet>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</vet></al><al><vet>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</vet></al><al><vet>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</vet></al><al><vet>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</vet></al><al><vet>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</vet></al><al><vet>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</vet></al><al><vet>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentel</vet><vet>ling van:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waar</vet><vet>over de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werk</vet><vet>loosheids</vet><vet>wet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gele</vet><vet>gen 5 jaar voor het ontslag.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Perioden, waarin een betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidson</vet><vet>geschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeids</vet><vet>ongeschiktheid van ten minste 80%;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invalidi</vet><vet>teits</vet><vet>pensi</vet><vet>oen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsonge</vet><vet>schiktheidsuitkering, bere</vet><vet>kend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeen</vet><vet>komt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeer</vet><vet>derd met de arbeids</vet><vet>ongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de mid</vet><vet>del</vet><vet>som, waarnaar de arbeidsonge</vet><vet>schiktheidsuitkering is of zou zijn be</vet><vet>rekend;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een ar</vet><vet>beidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofd</vet><vet>stuk, die al dan niet vermeer</vet><vet>derd met de arbeidsongeschiktheids</vet><vet>uitke</vet><vet>ring 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidson</vet><vet>geschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</vet></al><al><vet>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbe</vet><vet>trekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ont</vet><vet>slag, bedoeld in het derde lid.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gele</vet><vet>gen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienst</vet><vet>betrek</vet><vet>king van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitke</vet><vet>ring heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid volledig, en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmer</vet><vet>king genomen.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzor</vet><vet>ging niet mee</vet><vet>geteld de periode waarin:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inza</vet><vet>ke werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of</vet></al><al><vet>b</vet><vet> de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakan</vet><vet>tie.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het</vet></al><al><vet> vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende personen van het kind </vet></al><al><vet> beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen.</vet></al><al><vet> Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van hen die </vet></al><al><vet> naar het oordeel van het college als verzorgende personen moet worden beschouwd, als </vet></al><al><vet> zodanig aan te wijzen.</vet></al><al><vet>8</vet><vet> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opge</vet><vet>voed.</vet></al><al><vet>9</vet><vet> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheids</vet><vet>wet, zijn van overeenkomstige toepassing.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:8</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een lange</vet><vet>re wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, ver</vet><vet>meerderd voor de betrokkene:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de dienst</vet><vet>tijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voor</vet><vet>gaande lid be</vet><vet>doelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is vastge</vet><vet>steld krachtens het eerste en tweede lid van dit arti</vet><vet>kel, of van een uitkering waar</vet><vet>van de duur is vastgesteld krachtens ar</vet><vet>tikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid mede in aan</vet><vet>mer</vet><vet>king genomen de dienst</vet><vet>tijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aan</vet><vet>merking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met uit</vet><vet>zondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid, in mindering gebracht.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer be</vet><vet>draagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toege</vet><vet>kend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag </vet><vet>waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. </vet></al><al><vet>5</vet><vet> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaats</vet><vet>gehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd die in aan</vet><vet>merking is genomen bij de bijzondere verlenging, buiten aanmerking.</vet></al><al><vet>Vervolgwachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:9</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in arti</vet><vet>kel 10:7, twee</vet><vet>de lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wacht</vet><vet>geld recht op een vervolg</vet><vet>wacht</vet><vet>geld.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De betrokkene die</vet></al><al><vet>a</vet><vet> het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, heeft bereikt en</vet></al><al><vet>b</vet><vet> voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, on</vet><vet>derdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de wachtgeld</vet><vet>duur, </vet></al><al><vet>heeft recht op een vervolgwachtgeld.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het ver</vet><vet>volgwachtgeld een jaar.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn ont</vet><vet>slag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voor</vet><vet>waarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolg</vet><vet>wachtgeld indien het toegekende wacht</vet><vet>geld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend inge</vet><vet>volge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gele</vet><vet>gen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie uitslui</vet><vet>tend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onder</vet><vet>deel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwacht</vet><vet>geld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld van over</vet><vet>eenkom</vet><vet>stige toepassing op het vervolgwachtgeld.</vet></al><al><vet>Bedrag van het wachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:10</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van die be</vet><vet>zoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van </vet><vet>20 december 1984</vet><vet> (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vori</vet><vet>ge volzin, met 3 procentpun</vet><vet>ten ver</vet><vet>hoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het be</vet><vet>drag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag, bedoeld in ar</vet><vet>tikel 6.2 van het pensioenregle</vet><vet>ment, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tij</vet><vet>dens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlen</vet><vet>ging het wachtgeld ten min</vet><vet>ste bedraagt 40% van de bezoldiging.</vet></al><al><vet>Bedrag van het vervolgwachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:11</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien ver</vet><vet>stande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon ver</vet><vet>staan het maandbe</vet><vet>drag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimum</vet><vet>loon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en ar</vet><vet>tikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daar</vet><vet>voor berekende vakantiebij</vet><vet>slag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</vet></al><al><vet>Verplichtingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:12</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en om</vet><vet>stan</vet><vet>digheden redelijkerwijs kan worden opge</vet><vet>dragen, te aanvaarden dan wel tot het ver</vet><vet>krijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandighe</vet><vet>den passend kan worden geacht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrij</vet><vet>ven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</vet></al><al><vet>6</vet><vet> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vin</vet><vet>den overeenkomsti</vet><vet>ge toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voor</vet><vet>nemen tot zodanig ontslag hem schrifte</vet><vet>lijk is medegedeeld.</vet></al><al><vet>7</vet><vet> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe te stem</vet><vet>men, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtin</vet><vet>gen geven. </vet></al><al><vet>Verplichtingen bij ziekte</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:13</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid. </vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijk</vet><vet>heid van het doen van een aanvraag voor een WAO</vet><vet>-uitkering, is hij ver</vet><vet>plicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen voor een WAO</vet><vet>-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO</vet><vet>-uitkering aan</vet><vet>vraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk reke</vet><vet>ning gehou</vet><vet>den met de WAO</vet><vet>-uitkering </vet><vet>bij een mate van ar</vet><vet>beidson</vet><vet>geschiktheid van 80% of meer.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO</vet><vet>-uitke</vet><vet>ring </vet><vet>vermindering onder</vet><vet>gaat, dan wel het recht daarop ge</vet><vet>heel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit be</vet><vet>trokkene redelij</vet><vet>kerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</vet></al><al><vet>Verhuiskosten</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:14</nr></kop><al><vet>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij el</vet><vet>ders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaat</vet><vet>singskos</vet><vet>tenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</vet></al><al><vet>Vermindering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:15</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met ar</vet><vet>beid, waaron</vet><vet>der mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is ver</vet><vet>leend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het wacht</vet><vet>geld een vermindering toegepast tot het bedrag waar</vet><vet>mee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan.</vet></al><al><vet>Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met inkom</vet><vet>sten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging over</vet><vet>schrijdt, wordt een ver</vet><vet>mindering van het wachtgeld ingevolge het be</vet><vet>paalde in artikel </vet><vet>10:19,</vet><vet> eerste lid, niet in aanmer</vet><vet>king genomen.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte ontslag is ver</vet><vet>leend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorge</vet><vet>brachte tijd bekleed</vet><vet>de en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenregle</vet><vet>ment, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkom</vet><vet>sten _ ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats</vet><vet>vond _ uit de betrek</vet><vet>king die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld, wor</vet><vet>den verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden be</vet><vet>trekking te heb</vet><vet>ben.</vet></al><al><vet>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze ver</vet><vet>rekening op zoda</vet><vet>nige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO</vet><vet>-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met invalidi</vet><vet>teits</vet><vet>pensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van het oorspron</vet><vet>kelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke bezoldiging over</vet><vet>schrijdt. Indien na die verminde</vet><vet>ring een bedrag aan overschrij</vet><vet>ding van de bezoldi</vet><vet>ging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvul</vet><vet>lende uitkering vermin</vet><vet>derd met het resterende bedrag aan overschrijding.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van in</vet><vet>komsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedu</vet><vet>rende vakantie, verlof of non</vet><vet>-activi</vet><vet>teit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hoge</vet><vet>re inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoel</vet><vet>de dag, is ten aanzien van die inkomsten of ho</vet><vet>gere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkom</vet><vet>stige toe</vet><vet>passing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loons</vet><vet>ver</vet><vet>hogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorza</vet><vet>ken, verband houdende met het ontslag.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</vet></al><al><vet>Opgave van inkomsten</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:16</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mede</vet><vet>deling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrij</vet><vet>gen. Tijde</vet><vet>lijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeld</vet><vet>termijn op.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van het</vet><vet>geen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkre</vet><vet>gen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere ter</vet><vet>mijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan ge</vet><vet>schiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verreke</vet><vet>ning aan het einde van even be</vet><vet>doelde termijn.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, be</vet><vet>doeld in het tweede lid, worden afgeweken.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel </vet><vet>10:15,</vet><vet> derde en vierde lid.</vet></al><al><vet>Verlenging</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:17</nr></kop><al><vet>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het recht op wacht</vet><vet>geld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt een naar de aard van de</vet></al><al><vet>werkzaam</vet><vet>heden overeenkomstige betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ont</vet><vet>slag is verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</vet></al><al><vet>Opschorting</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:18</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aan</vet><vet>spraak op doorbeta</vet><vet>ling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrek</vet><vet>king waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze rege</vet><vet>ling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienst</vet><vet>plichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens mili</vet><vet>taire dienst.</vet></al><al><vet>Samenloop</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:19</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op wacht</vet><vet>geld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO</vet><vet>-</vet><vet>uitkering, in voor</vet><vet>komend geval vermeer</vet><vet>derd met een invaliditeitspen</vet><vet>sioen, berekend naar een ar</vet><vet>beidsonge</vet><vet>schiktheid van minder dan 80%, </vet><vet>wordt het geldende bedrag van het wacht</vet><vet>geld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage vermin</vet><vet>derd. Deze verminde</vet><vet>ring be</vet><vet>draagt bij een arbeidsongeschikt</vet><vet>heid van </vet></al><al><vet>65% tot 80%: </vet><vet> 80%;</vet></al><al><vet>55% tot 65%: </vet><vet> 60%;</vet></al><al><vet>45% tot 55%: </vet><vet> 50%;</vet></al><al><vet>35% tot 45%: </vet><vet> 40%;</vet></al><al><vet>25% tot 35%: </vet><vet> 30%;</vet></al><al><vet>15% tot 25%: </vet><vet> 20%;</vet></al><al><vet>minder dan 15%: </vet><vet> 0%.</vet></al><al><vet>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO</vet><vet>-uitkering, in voorko</vet><vet>mend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen</vet><vet> en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt genoten in</vet><vet>dien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het over</vet><vet>schrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO</vet><vet>-uitkering </vet><vet>aan</vet><vet>vraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehou</vet><vet>den met de WAO</vet><vet>-uitkering waarbij een arbeidsonge</vet><vet>schikt</vet><vet>heid van 80% of meer behoort.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO</vet><vet>-uitkering dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit be</vet><vet>trokkene redelij</vet><vet>kerwijs kan wor</vet><vet>den verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering krachtens de Werk</vet><vet>loosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de ter</vet><vet>mijn waarover die aan</vet><vet>spraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitke</vet><vet>ringen te boven gaat.</vet></al><al><vet>Betaling</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:20</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wacht</vet><vet>geld over lange</vet><vet>re termijnen geschieden.</vet></al><al><vet>Afkoop</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:21</nr></kop><al><vet>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</vet></al><al><vet>Verval van wachtgeld</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:22</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel </vet><vet>10:16,</vet><vet> eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> indien de betrokkene enig op grond van artikel </vet><vet>10:12,</vet><vet> tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan rede</vet><vet>lijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duur</vet><vet>zaam te verblijven;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel </vet><vet>10:13,</vet><vet> eerste en tweede lid zijn gesteld;</vet></al><al><vet>e</vet><vet> indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn ver</vet><vet>leend als hij in dienst was gebleven;</vet></al><al><vet>f</vet><vet> indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo deze eerder be</vet><vet>kend waren aanlei</vet><vet>ding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel </vet><vet>8:13</vet><vet> ontslag te verlenen.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel </vet><vet>10:12,</vet><vet> eer</vet><vet>ste lid, niet na</vet><vet>komt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldi</vet><vet>ging te boven zou zijn gegaan.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toe</vet><vet>passing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10;12, zesde lid, aan wie in dat geval een op soortge</vet><vet>lijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toe</vet><vet>gekend.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nako</vet><vet>men van voor</vet><vet>schriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervan</vet><vet>ging van stakers of uit</vet><vet>geslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:23</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Het recht op wachtgeld vervalt:</vet></al><al><vet>a</vet><vet> met ingang van de dag </vet><vet>waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt</vet><vet>;</vet></al><al><vet>b</vet><vet> op de dag na het overlijden van de betrokkene;</vet></al><al><vet>c</vet><vet> op de dag dat betrokkene de in artikel </vet><vet>10:12,</vet><vet> tweede en derde lid, bedoel</vet><vet>de in</vet><vet>schrij</vet><vet>ving teniet doet of nalaat haar op de door het ar</vet><vet>beidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlen</vet><vet>gen;</vet></al><al><vet>d</vet><vet> op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buiten</vet><vet>landse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwij</vet><vet>zing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrij</vet><vet>gen van werk, dat voor hem passend kan wor</vet><vet>den geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrok</vet><vet>kene recht verkrijgt op een WAO</vet><vet>-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de da</vet><vet>tum van ontslag.</vet></al><al><vet>Overlijdensuitkering</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:24</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de nagelaten echtge</vet><vet>noot of geregistreerd partner een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerd partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinde</vet><vet>ren dan wel minderja</vet><vet>rige pleegkin</vet><vet>deren. Ontbreken ook zodanige kinderen dan ge</vet><vet>schiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kin</vet><vet>deren van wie de overledene kostwinner was.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoel</vet><vet>de betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde betrek</vet><vet>king, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toege</vet><vet>past, be</vet><vet>doeld in artikel </vet><vet>10:15,</vet><vet> wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het vermin</vet><vet>derde wacht</vet><vet>geld over een tijdvak van drie maanden.</vet></al><al><vet>Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onver</vet><vet>min</vet><vet>derde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitke</vet><vet>ring, berekend naar het vermin</vet><vet>derde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het be</vet><vet>drag van de uitkering geheel of ten dele worden aan</vet><vet>gewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de over</vet><vet>ledene daartoe ontoerei</vet><vet>kend is.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering ge</vet><vet>bracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspo</vet><vet>sitiere</vet><vet>geling, dan wel krachtens enige wettelijk voorge</vet><vet>schreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloos</vet><vet>heid.</vet></al><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:25</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wacht</vet><vet>geldregeling zoals deze luidde voor </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet>, worden voor de resterende duur na </vet><vet>30 juli 1991</vet><vet>, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet> toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vast</vet><vet>ge</vet><vet>stelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet>.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na </vet><vet>30 juli 1991</vet><vet>, wordt op basis van de desbetreffende bepa</vet><vet>lingen in de wachtgeldre</vet><vet>geling, zoals deze luidt met ingang van 1 au</vet><vet>gustus 1991, de duur opnieuw bere</vet><vet>kend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronke</vet><vet>lijk vastge</vet><vet>stelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldrege</vet><vet>ling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet>.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldre</vet><vet>geling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastge</vet><vet>steld krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet>.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:26</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Degene die voor </vet><vet>1 januari </vet><vet>1987</vet><vet> in</vet><vet> het genot was van wachtgeld als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel </vet><vet>10:25,</vet><vet> tweede lid, verstrijkt in de periode van </vet><vet>1 augustus 1991</vet><vet> tot en met </vet><vet>31 december 1995</vet><vet>, heeft recht op een overgangsuitkering.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien ver</vet><vet>stande dat de uitkering uiterlijk </vet><vet>1 januari 1996</vet><vet> eindigt. De overgangs</vet><vet>uitkering gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als be</vet><vet>doeld in het eerste lid en wordt in maande</vet><vet>lijkse termijnen betaald.</vet></al><al><vet>3</vet><vet> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het minimum</vet><vet>loon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldi</vet><vet>ging.</vet></al><al><vet>4</vet><vet> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maand</vet><vet>bedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</vet></al><al><vet>5</vet><vet> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomsti</vet><vet>ge toepassing.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:27</nr></kop><al><vet>1</vet><vet> Degene aan wie voor </vet><vet>1 januari 1995</vet><vet> een wachtgeld is toegekend op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor </vet><vet>1 januari 1995</vet><vet>, en waarvan de duur doorloopt tot na </vet><vet>31 december 1994</vet><vet>, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in even genoem</vet><vet>de veror</vet><vet>de</vet><vet>ning.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor </vet><vet>1 januari 1995</vet><vet> een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:28</nr></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23 van overeenkomstige toepassing. </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Slotbepaling</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:29</nr></kop><al><vet>1.</vet><vet> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van </vet><vet>1 januari 2001</vet><vet> of later.</vet></al><al><vet>2</vet><vet> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op </vet><vet>31 december 2000</vet><vet>.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>