<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR225449_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-591.html">Provinciaal blad, 2016, 591</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 143</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 7, 8, 11, 12, 13, 17, 19, 21, 22, 23, 24, 26, 31</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1805949</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>grondwaterheffing, subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Algemene Subsidieverordening Flevoland 2012</al><al>Provinciale Staten van Flevoland, gelezen het voorstel van Gedeputeerde
                        Staten van Flevoland van 26 juni 2012 kenmerk 1340410;</al><al>gelet op artikel 143 van de Provinciewet en titel 4.1 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al>BESLUITEN</al><al>de volgende verordening vast te stellen:</al><al>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING FLEVOLAND 2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan
                            onder</al><lijst><li nr="a."><al> Wet de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b."><al> Subsidie een subsidie als bedoeld in artikel 4.21 van de wet,
                                    te weten: de aanspraak op financiële middelen door een
                                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten
                                    van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het
                                    bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.</al></li><li nr="c."><al> Subsidieverstrekking de verzamelterm voor het toekennen van
                                    subsidie, in de vorm van subsidieverlening of van directe
                                    subsidievaststelling;</al></li><li nr="d."><al> Subsidieverlening het toekennen van subsidie voor een bepaalde
                                    activiteit</al></li><li nr=""><al>(ingevolge afdeling 4.2.3. van de wet) waardoor de aanvrager een
                                    aanspraak krijgt op financiële middelen, mits hij daadwerkelijk
                                    de gesubsidieerde activiteit verricht en zich aan de eventueel
                                    aan hem opgelegde verplichtingen houdt;</al></li><li nr="e."><al> Subsidievaststelling het definitief beslissen dat de aanvrager
                                    subsidie ontvangt (ingevolge afdeling 4.2.5 van de wet) ter
                                    hoogte van een bepaald bedrag, hetgeen Gedeputeerde Staten tot
                                    uitbetaling verplicht.</al></li><li nr="f."><al> Directe subsidievaststelling het vaststellen van de subsidie
                                    zonder dat er voorafgaand een subsidieverlening
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al> Activiteiten Bezigheden die bijdragen aan het behalen van
                                    doelstellingen en meetbare prestaties</al></li><li nr="h."><al> Activiteitenplan een inhoudelijk werkplan, waarin een overzicht
                                    is opgenomen van de in meetbare prestaties geformuleerde te
                                    ondernemen activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en
                                    de daarmee nagestreefde doelstellingen;</al></li><li nr="i."><al> Activiteitenverslag een inhoudelijk verslag inhoudende: </al><lijst><li nr="-"><al> de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie
                                            werd verleend;</al></li><li nr="-"><al> een vergelijking van de nagestreefde en gerealiseerde
                                            doelstellingen dan wel prestaties;</al></li><li nr="-"><al> een toelichting op de verschillen daartussen;</al></li><li nr="-"><al> in hoeverre is voldaan aan verplichtingen die over de
                                            aard en omvang van de activiteiten zijn gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="j."><al> Prestatie Resultaat waarop een subsidie is gericht.</al></li><li nr="k."><al> Prestatie-indicator Een kwantificeerbare meetbare indicatie die
                                    laat zien of een subsidieontvanger er in is geslaagd bepaalde
                                    doelstellingen te realiseren</al></li><li nr="l."><al> Eenmalige subsidie Subsidie die incidenteel voor een bepaalde
                                    in tijd begrensde activiteit wordt verstrekt</al></li><li nr="m."><al> Subsidie per boekjaar Subsidie die per boekjaar of voor een
                                    bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van
                                    maximaal vier jaar wordt verstrekt.</al></li><li nr="n."><al> Boekjaar Kalenderjaar</al></li><li nr="o."><al> Subsidieplafond het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak
                                    ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op
                                    basis van de Algemene subsidieverordening Flevoland 2012.</al></li><li nr="p."><al> Provincie Provincie Flevoland</al></li><li nr="q."><al> schriftelijk </al><lijst><li nr="a."><al> per post door toezending van het fysieke exemplaar van
                                            een document aan Gedeputeerde Staten van Flevoland,
                                            Postbus 55, 8200 AB Lelystad;</al></li><li nr="b."><al> per email naar subsidieaanvragen@flevoland.nl door
                                            toezending van een gescande versie van het ondertekende
                                            document”</al></li></lijst></li><li nr="r."><al> werkelijke kosten: “Kosten die aangetoond kunnen worden op
                                    basis van facturen of bankafschriften.</al><al/><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening is van toepassing op subsidie die de provincie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd nadere regels vast te stellen.
                                Deze nadere regels kunnen betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de indieningstermijn voor de subsidieaanvraag en de daarbij
                                        over te leggen gegevens;</al></li><li nr="b."><al> de elektronische indiening van de aanvraag of een categorie
                                        aanvragen;</al></li><li nr="c."><al> de inschakeling van een adviescommissie indien dat nodig
                                        wordt geacht voor de beoordeling van subsidieaanvragen;</al></li><li nr="d."><al> de subsidiecriteria;</al></li><li nr="e."><al> de weigeringsgronden;</al></li><li nr="f."><al> de subsidieontvanger;</al></li><li nr="g."><al> de vorm van de subsidie;</al></li><li nr="h."><al> de hoogte en berekening van de subsidie;</al></li><li nr="i."><al> de ambtshalve vaststelling van de subsidie;</al></li><li nr="j."><al> de verplichtingen van de subsidieontvanger;</al></li><li nr="k."><al> de subsidiabele kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt deze
                                verordening of onderdelen daarvan niet wanneer bij specifieke
                                verordening een afwijkende of uitputtende regeling is
                                getroffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Bevoegdheid subsidieverstrekking en
                                begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten stellen jaarlijks in het kader van de
                                begrotingsbehandeling de financiële middelen vast die voor
                                subsidiering beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bevoegdheid tot het verstrekken dan wel weigeren van een
                                subsidie berust bij Gedeputeerde Staten, met inachtneming van de
                                door Provinciale Staten door vaststelling van de begroting
                                beschikbaar gestelde financiële middelen en – indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld dan wel goedgekeurd – onder de voorwaarde
                                dat voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Subsidieplafond en verdeling beschikbaar
                                bedrag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen jaarlijks of per programmaperiode een
                                subsidieplafond vaststellen voor bepaalde subsidies, dan wel
                                categorieën van subsidies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de vaststelling van een subsidieplafond geven Gedeputeerde
                                Staten aan op welke wijze het beschikbare bedrag wordt
                                verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer Gedeputeerde Staten gebruik maken van hun bevoegdheid om
                                subsidieplafonds vast te stellen, maken zij deze zo spoedig mogelijk
                                na vaststelling bekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Dreigende overschrijding subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer bij de beoordeling van aanvragen die op grond van artikel
                                12, derde lid van deze verordening zijn ingediend, blijkt dat een
                                subsidieplafond dreigt te worden overschreden, geven Gedeputeerde
                                Staten bij de verdeling van de beschikbare bedragen die aanvragen
                                voorrang waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen
                                van meer belang is voor het behalen van provinciale
                                beleidsdoelstellingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen Gedeputeerde
                                Staten uit een oogpunt van efficiënte inzet van de voor subsidiering
                                beschikbare financiële middelen - waaronder dient te worden verstaan
                                dat zoveel mogelijk subsidieaanvragen die passen binnen de
                                provinciale beleidsdoelstellingen worden gehonoreerd – er voor
                                kiezen om een generieke korting toe te passen op de te verstrekken
                                subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Niet-subsidiabele kosten</titel></kop><al>Niet-subsidiabel zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> de aan de subsidie-aanvrager in rekening gebrachte BTW die door
                                    hem kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze aan hem kan
                                    worden terugbetaald of gecompenseerd.</al></li><li nr="b."><al> kosten die samenhangen met financiële of contractuele
                                    verplichtingen aangegaan voordat een eenmalige subsidie is
                                    aangevraagd, tenzij sprake is van kosten voor onderzoek,
                                    voorlichtingsactiviteiten of het ontwikkelen van plannen met
                                    betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Algemene criteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verleend wanneer de aanvrager voldoet aan de
                                criteria gesteld bij of krachtens deze verordening of in nadere
                                regels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het maatschappelijk belang van de activiteit is aangetoond
                                        en</al></li><li nr="b."><al> de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen van de
                                        provincie en door</al><al/><al> de aanvrager aannemelijk is gemaakt dat hieraan kan worden
                                        voldaan en</al></li><li nr="c."><al> een zodanige werkwijze wordt toegepast dat redelijkerwijs
                                        mag worden </al><al/><al> verwacht dat de beoogde doelstellingen worden
                                        bereikt.”</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Algemene weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien </al><lijst><li nr="a."><al> door verstrekking ervan het subsidieplafond wordt
                                        overschreden;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie moet worden beschouwd als ontoelaatbare
                                        staatssteun;</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager voor het jaar of de jaren waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft met een functionaris een bezoldiging is
                                        overeengekomen die hoger is dan het bedrag bedoeld in
                                        artikel 2.3, eerste lid van de Wet normering bezoldiging
                                        topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, tenzij
                                        een aanvrager bij de indiening van een aanvraag aannemelijk
                                        maakt dat de subsidie niet wordt besteed aan deze
                                        bezoldiging</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie kan worden geweigerd indien; </al><lijst><li nr="a."><al> de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende
                                        mate gericht zijn op de provincie of haar ingezetenen dan
                                        wel niet of onvoldoende ten goede komen aan de provincie en
                                        haar ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager de activiteiten ook zonder de gevraagde
                                        subsidie kan verrichten;</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat met
                                        inbegrip van de subsidie van de provincie de benodigde
                                        financiële middelen beschikbaar zijn om de gestelde
                                        doelstellingen te realiseren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Wet BIBOB</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen de gevraagde subsidie weigeren of de
                            verleende subsidie intrekken in het geval en onder de voorwaarden,
                            bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
                            door het openbaar bestuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Rechtspersoonlijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Alleen rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen in
                                aanmerking komen voor een subsidie per boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het
                                bepaalde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Meerjarige subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen – wanneer het provinciaal beleid dat
                                mogelijk maakt – voor een tijdvak langer dan een jaar, maar niet
                                langer dan vier jaar een subsidie verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik wordt
                                gemaakt, wordt in de subsidiebeschikking aangegeven op welk bedrag
                                de subsidieaanvrager voor elk jaar of gedurende de programmaperiode
                                aanspraak kan maken. Wanneer geen bedrag kan worden genoemd, wordt
                                in de subsidiebeschikking de wijze waarop het bedrag wordt bepaald,
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten nemen in een beschikking tot subsidieverlening
                                voor meer dan een jaar een begrotingsvoorbehoud op als bedoeld in
                                artikel 3, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12. Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag voor een subsidie per boekjaar wordt uiterlijk 1
                                oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag
                                betrekking heeft schriftelijk bij Gedeputeerde Staten
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen andere termijnen stellen voor het
                                indienen van de in het eerste lid bedoelde aanvraag voor daarbij aan
                                te wijzen aanvragers.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tenzij bij verordening of nadere regels anders is bepaald, wordt
                                een aanvraag voor een eenmalige subsidie voor het begin van de
                                activiteiten of periode waarvoor subsidie wordt gevraagd,
                                schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Subsidieaanvragen als bedoeld in het derde lid die zijn ingediend
                                voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag
                                betrekking heeft en waarvoor een subsidieplafond geldt, worden
                                indien zij aan alle formele vereisten voldoen, als eerste
                                afgehandeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Subsidieaanvragen als bedoeld in het derde lid, die zijn ingediend
                                na het in het vierde lid genoemde tijdstip worden – nadat de in het
                                vierde lid genoemde aanvragen zijn afgehandeld - in volgorde van
                                binnenkomst afgehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Aanvraagformulier en bij de aanvraag in te dienen
                                gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten
                                ingediend en is ondertekend door een persoon die op grond van de
                                statuten bevoegd is om deze aanvraag in te dienen</al><al/><al> Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat aanvragen vanaf een
                                bepaalde datum ook elektronisch kunnen worden ingediend met behulp
                                van een aanvraagformulier dat op de website van de provincie
                                beschikbaar is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de activiteit(en) waarvoor subsidie
                                        wordt gevraagd, waaruit blijkt: </al><lijst><li nr="-"><al> waar en wanneer de activiteiten worden
                                                uitgevoerd:</al></li><li nr="-"><al> doel dat de aanvrager met de activiteit(en)
                                                beoogd;</al></li><li nr="-"><al> wat de relatie van de activiteit(en) is met de
                                                beleidsdoelstellingen van de provincie;</al></li><li nr="-"><al> welke prestatie(s) zullen worden verricht</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> een begroting van inkomsten en uitgaven met betrekking tot
                                        de activiteiten waar de subsidie voor wordt gevraagd. De
                                        begroting bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of
                                        private organisaties of personen aangevraagde subsidies of
                                        vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder
                                        vermelding van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="c."><al> [Vervallen.]</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als een rechtspersoon voor de eerste keer subsidie aanvraagt, voegt
                                hij tevens een exemplaar van de statuten, het jaarverslag, de
                                jaarrekening, de balans van het voorgaande jaar en een bewijsstuk
                                waaruit blijkt wat het bankrekeningnummer is van de aanvrager, als
                                bijlagen toe bij het aanvraagformulier. Indien van toepassing wordt
                                bij een volgende aanvraag de eventueel gewijzigde statuten
                                overlegd</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ook andere dan, of slechts enkele
                                van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen,
                                indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag
                                noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen Gedeputeerde Staten voor
                                de inhoudelijke en/of financiële beoordeling van de ingediende
                                aanvraag om subsidie een externe deskundige raadplegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Ontvangstbevestiging aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bevestigen binnen vier weken na binnenkomst de
                                ontvangst van een subsidieaanvraag. Daarbij geven Gedeputeerde
                                Staten aan of de aanvraag aan de formele vereisten voldoet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de subsidieaanvraag niet aan de formele vereisten voldoet,
                                stellen gedeputeerde staten de subsidieaanvrage op grond van artikel
                                4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, in de gelegenheid de aanvraag
                                binnen een door hen gestelde termijn, aan te vullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15. Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor een subsidie per
                                boekjaar uiterlijk 31 december van het jaar waarin de aanvraag is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor een eenmalige
                                subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In gevallen waarin een aanvraag om een eenmalige subsidie
                                betrekking heeft op het kalenderjaar of kalenderjaren volgend op dat
                                waarin de aanvraag is ingediend, begint de in het tweede lid
                                genoemde termijn van dertien weken te lopen vanaf de dag waarop de
                                provinciale begroting voor het eerstvolgende boekjaar door
                                Provinciale Staten is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien Gedeputeerde Staten, alvorens te beslissen, over een
                                aanvraag advies inwinnen bij een met dat doel ingestelde
                                adviescommissie, bedraagt de beslistermijn als bedoeld in het tweede
                                en derde lid uiterlijk tweeëntwintig weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien een aanvraag om subsidie een cofinancieringsbijdrage in het
                                kader van een Rijks- of Europees programma betreft, beslissen
                                Gedeputeerde Staten daarop binnen dertien weken na ontvangst van het
                                subsidiebesluit dat leidend is binnen dat programma.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de subsidie in verband met staatssteun moet worden aangemeld
                                bij de Europese Commissie, wordt de beslistermijn opgeschort tot het
                                moment waarop de Europese Commissie heeft beslist omtrent
                                goedkeuring.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de beslissing zoals bedoeld in de
                                voorgaande leden verlengen. Hiervan stellen zij de aanvrager tijdig
                                voor het verstrijken van de beslistermijn gemotiveerd op de hoogte.
                                Daarbij geven zij aan binnen welke termijn de aanvrager een
                                beslissing tegemoet kan zien.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3. VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16. Verlening van subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In de beschikking tot subsidieverlening bepalen Gedeputeerde
                                Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> voor welke activiteiten c.q. prestatie de subsidie is
                                        bedoeld, waarbij – indien mogelijk - zoveel mogelijk gebruik
                                        wordt gemaakt van prestatie-indicatoren;</al></li><li nr="b."><al> het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit
                                        bedrag wordt bepaald;</al></li><li nr="c."><al> de verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn
                                        verbonden;</al></li><li nr="d."><al> op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen
                                        subsidie plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al> op welke wijze tot uitbetaling van de subsidie wordt
                                        overgegaan en of voorschotten worden gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het bepalen van de in het eerste lid onder b genoemde bedrag
                                van de subsidie wordt: </al><lijst><li nr="a."><al> bij subsidies tot € 125.000 uitgegaan van een vast bedrag
                                        en</al></li><li nr="b."><al> bij subsidies vanaf € 125.000 ten hoogste een door
                                        Gedeputeerde Staten vast te stellen percentage van de
                                        subsidiabele kosten. Gedeputeerde Staten kunnen een maximum
                                        bedrag bepalen en regels voor de berekening van de subsidie
                                        geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien door of namens de subsidieontvanger publicaties worden
                                gedaan of openbaar kennis wordt gegeven van de gesubsidieerde
                                activiteiten, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidie de
                                verplichting verbinden dat daarbij wordt vermeld dat de activiteit
                                met subsidie van de provincie Flevoland is of wordt
                                gerealiseerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Betaling en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidies van minder dan € 25.000 wordt het gehele
                                subsidiebedrag in een keer uitbetaald of bevoorschot.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorschotten voor de overige subsidies worden automatisch verstrekt
                                en bedragen </al><lijst><li nr="a."><al> bij een eenmalige subsidie ten hoogste 90% en</al></li><li nr="b."><al> bij een subsidie per boekjaar ten hoogste 100%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten geven in de beschikking tot subsidieverlening
                                het ritme en de hoogte van de bevoorschotting aan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ritme en hoogte van de bevoorschotting kunnen worden aangepast naar
                                aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 19.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4. VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18. Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij subsidieverlening vanaf € 25.000 die voor twee of meer jaren
                                wordt verleend, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger
                                verplichten tot het tussentijds afleggen van rekening en
                                verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan
                                verbonden uitgaven en inkomsten.. Een dergelijke tussentijdse
                                rapportage wordt niet vaker dan een keer per jaar gevraagd. Hierbij
                                wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de natuurlijke
                                rapportagemomenten van de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen – wanneer uit een risicoanalyse blijkt
                                dat daartoe aanleiding bestaat – in afwijking van het bepaalde in
                                het eerste lid aan de subsidieontvanger de verplichting opleggen om
                                meer dan een keer per jaar een tussentijdse rapportage te
                                overleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger stuurt Gedeputeerde Staten onverwijld een
                                schriftelijke melding als: </al><lijst><li nr="a."><al> de gesubsidieerde activiteiten niet of niet geheel volgens
                                        de door desubsidieontvanger aangegeven tijdsplanning zullen
                                        worden verricht;</al></li><li nr="b."><al> aan de opgelegde verplichtingen en prestaties niet of niet
                                        geheel zal worden voldaan;</al></li><li nr="c."><al> zich wijzigingen voordoen in de btw-plichtigheid van de
                                        subsidieontvanger.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bevestigen binnen acht weken de ontvangst van
                                de melding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de melding voor Gedeputeerde Staten aanleiding geeft tot
                                het wijzigen of intrekken van de beschikking tot subsidieverlening –
                                of wanneer sprake is van directe vaststelling – de beschikking tot
                                subsidievaststelling, dan beslissen zij hiertoe binnen acht weken na
                                ontvangst van de melding.”</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Vergoedingsplicht bij vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In de gevallen genoemd in artikel 4:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, is de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken
                                van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming daarvoor een
                                vergoeding verschuldigd aan de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt bij
                                afzonderlijke beschikking van Gedeputeerde Staten vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de
                                activa gewaardeerd op hun actuele waarde. De waardebepaling van een
                                onroerende zaak geschiedt door drie deskundigen. Gedeputeerde Staten
                                en de subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan die in
                                onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Andere verplichtingen van de
                                subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger verricht de activiteiten waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidieontvanger stelt Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk op de hoogte van : </al><lijst><li nr="a."><al> besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, danwel
                                        ontbinding van de rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al> relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al> ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al> wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm
                                        van de rechtspersoon, de vertegenwoordingsbevoegdheid van
                                        het bestuur en het doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidieontvanger behoeft de toestemming van Gedeputeerde Staten
                                voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidieontvanger verleent medewerking aan door of vanwege
                                Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie of een
                                ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de
                                subsidieverstrekking van belang geacht kunnen worden. Hij verleent
                                daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen
                                die voor de beoordeling van de rechtmatigheid en de doelmatigheid
                                van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang
                                kunnen zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van het bepaalde in dit
                                artikel nadere regels stellen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5. VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22. Subsidies tot € 25.000</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidies tot € 25.000 worden door Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> direct vastgesteld of</al></li><li nr="b."><al> ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de
                                        activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidieontvanger meldt binnen dertien weken na afronding van de
                                activiteiten, aan Gedeputeerde Staten dat de activiteiten waarvoor
                                subsidie is verstrekt, zijn verricht en is voldaan aan de aan de
                                subsidie verbonden verplichtingen en prestaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, sub
                                b kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager verplichten om op de door
                                haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de
                                subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan
                                de subsidie verbonden verplichtingen en prestaties.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen – als dit op grond van een risicoanalyse
                                mogelijk wordt geacht – ook voor hogere subsidies dan € 25.000
                                toepassing geven aan de vorige leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 25.000, maar minder
                                dan € 125.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot
                                vaststelling in bij Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten, tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al> bij de beschikking tot subsidieverlening een
                                                termijn is bepaald binnen welke de subsidie
                                                ambtshalve wordt vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al> bij de beschikking tot subsidieverlening is bepaald
                                                dat de aanvraag wordt ingediend telkens na afloop
                                                van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de
                                                subsidie is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> bij een subsidie per boekjaar uiterlijk voor 1 mei na
                                        afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend, tenzij
                                        voor twee of meer boekjaren subsidie is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling - die is ondertekend door een persoon
                                die daartoe op grond van de statuten bevoegd is – bevat een
                                inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de activiteiten en de
                                prestaties waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht. Bij dit
                                inhoudelijk verslag</al><al/><al> voegt de subsidieontvanger ter informatie een beknopt financieel
                                verslag</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat ook andere dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                de subsidie van belang zijn, worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 14 is van overeenkomstige toepassing op een
                                aanvraag tot vaststelling van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Subsidies vanaf € 125.000</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 125.000 dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde
                                Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> bij een eenmalige subsidie uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten, tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al> bij de beschikking tot subsidieverlening een
                                                termijn is bepaald binnen welke de subsidie
                                                ambtshalve wordt vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al> bij de beschikking tot subsidieverlening is bepaald
                                                dat de aanvraag tot vaststelling wordt ingediend
                                                telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak
                                                waarvoor de subsidie is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> bij een subsidie per boekjaar uiterlijk voor 1 mei na
                                        afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend, tenzij
                                        voor twee of meer boekjaren subsidie is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling – die is ondertekend door een persoon
                                die daartoe op grond van de statuten bevoegd is – bevat: </al><lijst><li nr="a."><al> een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en de mate
                                        waarin de prestaties zijn behaald;</al></li><li nr="b."><al> een overzicht van de activiteiten en de daaraan verbonden
                                        werkelijk gemaakte kosten (financieel verslag of
                                        jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al> een kopie van de controleverklaring door een onafhankelijk
                                        accountant – voorzien van de tekst “was getekend” en met de
                                        vermelding van de naam van de accountant of een getekend
                                        exemplaar – waaruit blijkt dat de accountant is nagegaan of
                                        de subsidie-</al><al/><al> ontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen –
                                        conform de Algemene subsidieverordening Flevoland en de
                                        gestelde verplichtingen in de afzonderlijke
                                        subsidiebeschikkingen – is nagekomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat ook andere dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                de subsidie van belang zijn, worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 14 is van overeenkomstige toepassing op een
                                aanvraag tot vaststelling van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25. Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de
                                aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan berichten Gedeputeerde Staten de
                                subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de
                                aanvraag tot subsidievaststelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Tussentijdse vaststelling bij subsidieverlening voor
                                twee of meer (boek)jaren</titel></kop><al>Wanneer in de beschikking tot subsidieverlening de in artikel 18
                            vermelde verplichting is opgenomen om een tussentijdse
                            verantwoordingsrapportage aan Gedeputeerde Staten af te leggen, wordt op
                            basis van deze verantwoording de subsidie tussentijds vastgesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27. Uurtarieven</titel></kop><al>Wanneer de subsidieontvanger bij de bepaling van de subsidiabele kosten
                            werkt met vaste uurtarieven, dient hij inzichtelijk te maken hoe deze
                            tarieven zijn opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28. Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de subsidieontvanger aan wie voor twee of meer jaren een
                                subsidie per boekjaar wordt verstrekt, toegestaan om een
                                egalisatiereserve ten laste van de provinciale subsidie te vormen.
                                Dit heeft alleen betrekking op subsidies vanaf € 125.000.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verschil tussen de vastgestelde provinciale subsidie en de
                                werkelijke kosten van activiteiten waarvoor deze subsidie werd
                                verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de
                                egalisatiereserve waarbij wordt aangegeven in hoeverre deze reserve
                                is opgebouwd uit provinciale subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De omvang van de egalisatiereserve bedraagt niet meer dan 10% van
                                de verleende provinciale subsidie, met dien verstande dat wanneer
                                subsidie voor een aantal (boek)jaren is verleend, voor de berekening
                                van de egalisatiereserve het gemiddelde van de gedurende die
                                boekjaren verleende provinciale subsidie wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dan wel na
                                beëindiging van de subsidierelatie restitueert de subsidieontvanger
                                het bedrag van deze reserve binnen dertien weken aan Gedeputeerde
                                Staten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het gestelde in het vierde
                                lid wanneer aan de subsidieontvanger weer voor een aansluitende
                                periode van meer dan een jaar subsidie wordt verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29. Afschrijvingstermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de afschrijving op zaken en investeringen gelden de in de
                                desbetreffende sector gebruikelijke afschrijvingstermijnen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer er geen sprake is van in de sector gebruikelijke
                                afschrijvingstermijnen, gelden de afschrijvingtermijnen die de
                                provincie zelf hanteert.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30. Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen bij of krachtens deze
                                verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover
                                van toepassing, gelet op het belang van de aanvrager of
                                subsidieontvanger, naar hun oordeel tot onbillijkheden of bijzondere
                                hardheden zou leiden.Het van toepassing verklaren van dit artikel
                                wordt gemotiveerd in het besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen bij of krachtens deze
                                verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken indien een
                                provinciale subsidie wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al> ten laste van middelen die het Rijk aan de provincie
                                        beschikbaar heeft gesteld en bij de beschikbaarstelling
                                        hiervan tussen het Rijk en de provincie procedureregels zijn
                                        vastgesteld die afwijken van het gestelde in deze
                                        verordening. In deze gevallen wordt conform de tussen het
                                        Rijk en de provincie vastgestelde procedureregels dan wel
                                        overeengekomen afspraken gehandeld;</al></li><li nr="b."><al> ter cofinanciering van een Europees programma en waarbij
                                        dit met het oog op de harmonisatie van procedures wenselijk
                                        dan wel noodzakelijk is;</al></li><li nr="c."><al> voor activiteiten die mede door andere bestuursorganen
                                        worden gesubsidieerd en waarvan het met het oog op een goede
                                        afstemming met de procedureregels van die andere bestuurs-
                                        organen, wenselijk is dat van het gestelde in deze
                                        verordening wordt afgeweken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31. Evaluatie</titel></kop><al>Deze verordening wordt een keer in de vier jaar geëvalueerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32. Intrekking</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening Flevoland 2006 wordt met ingang van 1
                            oktober 2012 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33. Overgangsbepaling</titel></kop><al>Subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt voor de datum van
                            inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld overeenkomstig
                            onderhavige verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34. Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2012
                                met uitzondering van artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikel 9 treedt in werking op een door Gedeputeerde Staten te
                                bepalen tijdstip nadat goedkeuring als bedoeld in artikel 6, derde
                                lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                openbaar bestuur is verkregen van de minister van Veiligheid en
                                Justitie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35. Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening
                            Flevoland 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van Provinciale Staten van Flevoland van
                        5 september 2012</al><al>Provinciale Staten van Flevoland,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>ALGEMENE TOELICHTING OP DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING FLEVOLAND 2012 (ASF
                    2012) Hoofdstuk 1. Wettelijke grondslag van de verordening</al><al>In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een wettelijke regeling opgenomen voor
                    het verstrekken van subsidies door bestuursorganen (de zogenaamde subsidietitel
                    van hoofdstuk 4, titel 4.2). Belangrijk uitgangspunt van die regeling is dat een
                    bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift
                    dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Hiermee wordt
                    bedoeld dat in het wettelijk voorschrift (voor de provincie is dat wettelijk
                    voorschrift een verordening) moet zijn aangegeven welke activiteiten voor
                    subsidie in aanmerking komen. De ASF 2012 beoogt deze wettelijke grondslag te
                    geven voor subsidies die door provinciale bestuursorganen worden verstrekt en
                    waarvoor niet elders een wettelijke grondslag aanwezig is. Daarnaast bevat de
                    ASF 2012 procedureregels voor het verstrekken van subsidie voor zover geen
                    uitputtende regeling is opgenomen in een (specifieke) wet of specifieke
                    verordening. (Voor een deel heeft de ASF 2012 derhalve het karakter van een
                    medebewindsverordening en voor een deel het karakter van een autonome
                    verordening). Omdat de subsidietitel van de Awb een gedetailleerde regeling
                    geeft van het proces van subsidieverstrekking, zijn veel bepalingen die in de
                    Awb staan niet nog een keer in de verordening opgenomen. Dit houdt in dat er
                    wanneer sprake is van subsidiering niet alleen rekening moet worden gehouden met
                    het bepaalde in deze verordening, maar ook met de wettelijke bepalingen van de
                    subsidietitel van de Awb. DE BASISREGELS VOOR SUBSDIERING ZIJN OPGENOMEN IN DE
                    VERORDENING EN DE SUBSIDIETITEL VAN DE AWB. In aanvulling daarop kunnen
                    Gedeputeerde Staten ook nog nadere regels vaststellen, waarin beleidsspecifieke
                    voorwaarden “op maat” worden gesteld. In deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld
                    nadere inhoudelijke criteria worden vastgesteld waaraan aanvragen om een
                    subsidie dienen te voldoen. Wanneer is de verordening van toepassing De
                    onderhavige verordening is in beginsel van toepassing op het verstrekken
                    subsidies op alle beleidsterreinen waarmee de provincie zich bezighoudt.
                    Daarnaast bevat de ASF 2012 – al dan niet in aanvulling op de subsidieregels die
                    in de Awb zijn opgenomen - procedureregels voor het verstrekken van subsidie
                    voor zover geen uitputtende regeling is opgenomen in specifieke wet of
                    specifieke verordening. Deze zijn van toepassing voor zover in de (specifieke)
                    wet of specifieke verordening geen (uitputtende of afwijkende) procedureregels
                    zijn opgenomen. Voor een aantal heel specifieke beleidsterreinen bestaan daarop
                    afgestemde “eigen” subsidieregelingen, zoals de Subsidieverordening jeugdzorg
                    provincie Flevoland 2005. Deze specifieke subsidieregelingen blijven van kracht
                    naast de onderhavige verordening.</al><al>De verordening is voorts niet van toepassing in de in artikel 4:23, derde lid
                    van de Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen,. Het gaat hier om de
                    volgende gevallen: a) spoedeisende subsidies</al><al>Wanneer het een nieuwe subsidie betreft, mag het bestuursorgaan vooruitlopend op
                    de totstandkoming van een wettelijk voorschrift (voor de provincie: een
                    verordening) alvast beginnen met het verstrekken van de subsidie. Deze
                    mogelijkheid bestaat gedurende maximaal een jaar, en is tijdelijk van aard. b)
                    EU-subsidies Wanneer Nederlandse bestuursorganen subsidies verstrekken die
                    rechtstreeks zijn gebaseerd op een door de Europese Unie vastgesteld programma,
                    is geen wettelijke grondslag (lees: verordening) nodig. c) incidentele
                    subsidies</al><al>Voor het verstrekken van incidentele subsidies heeft een bestuursorgaan geen
                    wettelijke grondslag (lees: verordening) nodig. Een subsidie is incidenteel
                    wanneer sprake is van een of enkele ontvangers en een min of meer eenmalige
                    activiteit (zoals de viering van een lustrum). De subsidie mag maximaal vier
                    jaar worden verstrekt. Wanneer een oorspronkelijk incidenteel bedoelde subsidie
                    een structureel karakter krijgt, moet alsnog een wettelijke grondslag worden
                    geschapen.</al><al>Verder noemt artikel 4:23, derde lid nog het volgende geval: indien de begroting
                    de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden
                    vastgesteld vermeldt.</al><al>Hoofdstuk 2. Deregulering, vermindering administratieve lasten In de afgelopen
                    jaren heeft deregulering en het daardoor verminderen van administratieve
                    lastendruk uitdrukkelijk in de belangstelling gestaan, zowel op rijks- als op
                    gemeentelijk en provinciaal niveau. Daarom is bij het ontwikkelen van de ASF
                    2012 (zoveel mogelijk) aansluiting gezocht bij het door het Rijk ontwikkelde
                    Rijksbrede Subsidiekader (RBSK). Door het Rijk is een RBSK ontwikkeld om te
                    komen tot een effectievere en efficiëntere manier van subsidiëren. Het
                    ontwikkelde subsidiekader uniformeert en vereenvoudigt de regels voor de
                    verantwoording en het financieel beheer van subsidies. Het RBSK is gebaseerd op
                    de volgende uitgangspunten: A. Proportionaliteit Dit betekent dat er een
                    redelijke verhouding is tussen het subsidiebedrag en de lasten die met de
                    subsidie gemoeid gaan. In het RBSK wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven
                    door te gaan werken met drie standaard subsidiearrangementen. De arrangementen
                    onderscheiden zich van elkaar door de voorwaarden en verplichtingen die worden
                    gesteld aan de uitvoering en verantwoording van de subsidie. De arrangementen
                    zijn ingedeeld op basis van de hoogte van het subsidiebedrag. Hoe lager het
                    subsidiebedrag hoe minder verantwoordingseisen er worden gesteld en hoe
                    eenvoudiger de uitvoering is. Het gaat om de volgende in de tabel opgenomen
                    arrangementen: Hoogte subsidiebedrag Arrangement Tot € 25.000 Direct of
                    ambtshalve (zonder aanvraag) vaststellen, desgevraagd verantwoording over de
                    prestatie Vanaf € 25.000 tot € 125.000 Verantwoording over de prestatie Vanaf €
                    125.000 Verantwoording over kosten en prestaties met verplichte
                    controleverklaring door een onafhankelijk accountant.</al><al>B. Sturen op prestaties en hoofdlijnen Op dit moment is de verantwoording van de
                    meeste subsidies gericht op een verantwoording van de kosten, waarbij de
                    subsidieontvanger aan de hand van het bijhouden van een gedetailleerde
                    financiele verantwoording moet aantonen welke werkelijke kosten hij heeft
                    gemaakt. Het RBSK gaat , vooral voor de kleinere subsidies, uit van het
                    subsidiëren van de prestatie in plaats van werkelijke kosten.
                    Prestatiesubsidiering houdt in dat er een vast bedrag wordt gesubsidieerd ten
                    behoeve van een vooraf overeengekomen activiteit of prestatie. Bij subsidies
                    gebaseerd op een verantwoording van de kosten, wordt vaak zekerheid gezocht in
                    de administratieve verplichtingen zoals het overleggen van facturen en
                    urenadministratie. Hiermee gaan hoge administratieve en bestuurlijke lasten
                    gepaard. Door het afrekenen op basis van de prestaties en het vervallen van de
                    financiele verantwoording bij kleine subsidies, worden de lasten verminderd C.
                    Uniformering en vereenvoudiging van het subsidieproces</al><al>In het RBSK zijn processtappen, begrippen en verplichtingen die bij iedere
                    subsidie terugkeren, vereenvoudigd en geüniformeerd. Het gaat daarbij om
                    gestandaardiseerde termijnen voor de subsidieaanvrager en subsidieverstrekker,
                    ambtshalve bevoorschotting. Daarnaast worden de informatieverplichtingen voor de
                    subsidieontvangers verminderd, doordat bijvoorbeeld de huidige tussentijdse
                    rapportages voor kortlopende subsidies vervallen. D. Verantwoord vertrouwen en
                    risicoacceptatie</al><al>Het RBSK gaat uit van werken vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen. Hieraan
                    wordt invulling gegeven door niet meer alle subsidieontvangers te belasten met
                    verantwoordingen, rapportages en controles. De aandacht verschuift naar
                    risicogroepen en naar de uitzondering. Er komt ook meer verantwoordelijkheid bij
                    de subsidieontvanger te liggen. De subsidieontvanger moet zelf melden wanneer de
                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet meer kunnen worden uitgevoerd of
                    niet wordt voldaan aan de gestelde verplichtingen. De provincie kan hierop
                    handelen en nieuwe afspraken maken, de subsidieverlening intrekken of de
                    bevoorschotting opschorten. Werken vanuit vertrouwen betekent het accepteren van
                    een zeker risico. Om dat verantwoord te kunnen doen moet provinciaal beleid
                    ontwikkeld houden waar risicomanagement, strikte handhaving en registratie van
                    misbruik onderdeel van uit kunnen maken. Risicomanagement houdt in dat mogelijke
                    risico’s voorafgaand aan het verlenen van subsidies in kaart worden gebracht,
                    goed worden afgewogen en hierop wordt geanticipeerd, door bijvoorbeeld opnemen
                    extra meldingsverplichting.</al><al>Wijze waarop de drie subsidiearrangementen die het RBSK kent, zijn verwerkt in
                    de ASF 2012</al><al>In onderstaande tabel is aangegeven op welke wijze de drie subsidiearrangementen
                    die het RBSK in hoofdlijnen zijn opgenomen in de ASF 2012. Subsidies Tot €
                    25.000 Van € 25.000 tot € 125.000 Vanaf € 125.000 Verlenen/vaststellen Direct
                    vaststellen of verlenen en ambtshalve vaststellen artikel 22 Verlenen en
                    ambtshalve vaststellen op aanvraag artikel 23 Verlenen en ambtshalve vaststellen
                    op aanvraag artikel 24</al><al> Verantwoording: overleggen Inhoudelijk/financieel verslag Geen, wel
                    mogelijkheid Gedeputeerde Staten om hier bij wijze van steekproef om te vragen
                    artikel 22, tweede lid Overleggen inhoudelijk verslag, met daarbij ter
                    informatie afschrift financieel verslag of jaarrekening. artikel 23, tweede lid
                    Overleggen inhoudelijk en financieel verslag artikel 24 Bevoorschotting/betaling
                    Betaling gehele subsidie in een bedrag of 100% bevoorschotting artikel 17
                    Ambtshalve bevoorschotting artikel 17 Ambtshalve bevoorschotting artikel 17</al><al> Hoofdstuk 3. Het subsidiebegrip 3.1 Wat is een subsidie.</al><al>Om een project op de juiste wijze te financieren is het van belang dat duidelijk
                    is wat er onder subsidie wordt verstaan. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    is in artikel 4:21 een definitie opgenomen van het begrip subsidie. Er is op
                    grond van dit artikel sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen
                    die aan de volgende kenmerken voldoen:</al><al>a. het betreft een aanspraak op financiële middelen; b. die door een
                    bestuursorgaan wordt verstrekt; c. met het oog op bepaalde activiteiten van de
                    aanvrager: d. anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                    goederen of diensten.</al><al>Het gaat hier om een materieel begrip: van belang is dat iets een subsidie is,
                    niet of iets subsidie heet. Dat betekent dat iedere financiële verstrekking die
                    voldoet aan de begripsomschrijving die in de Awb is opgenomen een subsidie is,
                    ook wanneer aan deze financiële verstrekking een andere naam wordt gegeven
                    (zoals tegemoetkoming, bijdrage ,financiering). Achtereenvolgens wordt nu
                    stilgestaan bij de verschillende kenmerken van het subsidiebegrip zoals dat in
                    de Awb is opgenomen:</al><al>Ad a. een aanspraak op financiële middelen Dit betekent dat het gaat om een
                    aanspraak op geld. Het is daarbij niet nodig dat de subsidieontvanger ook
                    daadwerkelijk geld krijgt. Ook een garantstellingen en leningen voor bepaalde
                    activiteiten vallen hieronder.</al><al>Ad b.door een bestuursorgaan verstrekt Alleen wanneer het geld verstrekt wordt
                    door een bestuursorgaan (zoals Gedeputeerde Staten) kan er sprake zijn van een
                    subsidie.</al><al>Ad c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager Een subsidie wordt
                    altijd verstrekt met een bepaald doel, voor bepaalde activiteiten en de
                    subsidieontvanger mag de subsidie ook alleen voor dat doel. Om deze reden vallen
                    bijvoorbeeld sociale uitkeringen niet onder het begrip “subsidie”. Het
                    verstrekken van financiële middelen om te voorzien in de kosten van het bestaan
                    gebeurt niet met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. Het betreft
                    een algehele of aanvullende inkomensvoorziening.</al><al>ad d. anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
                    diensten (ook wel opdracht of inkoop genoemd) Het moet niet gaan om commerciële
                    transacties. Er is geen sprake van subsidie als de overheid een marktconforme
                    vergoeding betaalt voor aangeschafte goederen of aan haar geleverde diensten.
                    Onder betaling wordt verstaan: het overhandigen van een geldbedrag dat is
                    afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch
                    verkeer.</al><al>3.2 Verschil tussen subsidie en opdracht</al><al>Bij een subsidie wordt een financiële bijdrage gegeven voor activiteiten die om
                    redenen van het algemeen belang wenselijk worden geacht. Er is sprake van
                    overheidssteun voor maatschappelijke doelen. De subsidie wordt verstrekt via een
                    besluit waarop het bestuursrecht van toepassing is. Bij een opdracht worden
                    goederen, diensten of werken aan de provincie geleverd. Hierbij treedt de
                    provincie op als gewone marktpartij. Er wordt een bindende overeenkomst gesloten
                    waarop het privaatrecht van toepassing is.</al><al>Het is soms moeilijk om precies te bepalen wanneer sprake is van een subsidie en
                    wanneer van een opdracht. Dat dient aan de hand van de feiten en omstandigheden
                    bepaald te worden. Mogelijke aanwijzing: - betaling minder dan de kostprijs
                    ----------- dan sprake van een subsidie. 3.3. Subsidies en Europese
                    staatssteunregels</al><al>Als de provincie een project subsidieert, kan sprake zijn van “staatssteun”die
                    niet is toegestaan. In Europese regelgeving is vastgelegd wanneer sprake is van
                    staatssteun en wanneer dit wel of niet mag. Staatssteun is alleen aan de orde
                    indien het gaat om subsidies die verstrekt worden aan ondernemers ten behoeve
                    van hun economische activiteiten (dus niet bij subsidies aan burgers, en ook
                    niet bij subsidies aan instellingen, verenigingen en stichtingen als die geen
                    economische activiteiten uitvoeren). Niet alle staatssteun is verboden.
                    Staatssteun is toegestaan als deze valt binnen een van de Europese
                    vrijstellingsverordeningen. Zo is er een de minimis vrijstellingsverordening die
                    bijdragen aan een onderneming tot € 200.000 in drie jaar vrij stelt. Valt de
                    subsidie niet binnen de reikwijdte van een van de vrijstellingsverordeningen dan
                    is hiervoor eerst toestemming van de Europese Commissie nodig. Informatie over
                    staatssteunregels is beschikbaar op de website van Europa Decentraal. 3.4
                    Benaming van subsidies Exploitatiesubsidie, structurele subsidie,
                    waarderingssubsidie, eenmalige subsidie, incidentele subsidie,
                    instellingssubsidie, stimuleringssubsidie. In de praktijk bestaan allerlei
                    soorten termen voor de verschillende soorten subsidies. Deze termen hebben geen
                    bijzondere betekenis omdat het in alle gevallen om “subsidie” in de zin van de
                    Awb gaat. Het gebruik van verschillende termen werkt verwarrend.</al><al>In de ASF 2012 worden twee termen gebruikt: eenmalige subsidie en subsidie per
                    boekjaar. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat voor de eenmalige subsidie een
                    iets andere procedure geldt dan voor de subsidie (andere
                    aanvraagtermijnen).</al><al> Hoofdstuk 4. Structuur regelgeving ASF en nadere regels GS De ASF geeft het
                    kader voor alle subsidies die de provincie verstrekt, tenzij bij specifieke
                    verordening een afwijkende of uitputtende regeling is getroffen. Daarbij moet
                    gedacht worden aan zogenaamde medebewindsverordeningen, zoals de
                    subsidieverordening jeugdzorg en de subsidieverordening inrichting landelijk
                    gebied. De opzet van de ASF is dusdanig dat alle algemene (procedure)regels over
                    subsidieverstrekking in de ASF zijn opgenomen . Gelet op de grote diversiteit
                    aan provinciale subsidies en de kaderstellende rol van Provinciale Staten zijn
                    in de ASF alleen de beleidsterreinen opgesomd waarvoor subsidie kan worden
                    verstrekt. Het behoort vervolgens tot de uitvoerende rol van Gedeputeerde Staten
                    om door het vaststellen van nadere regels aan te geven aan welke nadere
                    inhoudelijke criteria aanvragen om subsidie bijvoorbeeld moeten voldoen.</al><al>4.2 Gebruik en benaming nadere regels</al><al>In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te bestaan over het gebruik van
                    nadere regels in het kader van subsidieverstrekking. In de praktijk wordt ook
                    wel de vorm van beleidsregels gekozen. Op grond van artikel 1.3, derde lid van
                    de Awb wordt onder een beleidsregel verstaan : “een bij besluit vastgestelde
                    algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de
                    afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke
                    voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan”.
                    Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is niet mogelijk omdat
                    dan een wettelijke grondslag ontbreekt. Er is altijd een verordening nodig. In
                    die verordening dienen tenminste de activiteiten globaal te worden omschreven ,
                    die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Nu in de ASF de activiteiten
                    waarvoor subsidie kan worden verkregen niet staan omschreven, zijn er nadere
                    regels (deelverordeningen) nodig voor deze grondslag. Het gebruik van
                    beleidsnota’s dient zoveel mogelijk te worden vermeden, omdat met beleidsnota’s
                    niet rechtstreeks verplichtingen aan burgers kunnen worden opgelegd. Het is wel
                    mogelijk om een omschrijving van regels die een uitleg geven aan bepalingen uit
                    de verordening, zoals de afweging van belangen of de vaststelling van feiten, op
                    te stellen in de vorm van beleidsregels.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit artikel worden een aantal begrippen
                    toegelicht, die in de verordening worden gebruikt.</al><al>Onderscheid eenmalige subsidie en subsidie per boekjaar. De subsidie per
                    boekjaar, die bij voorkeur voor meerdere jaren wordt verleend en veelal op
                    voortdurende activiteiten van een instelling betrekking heeft. Hierbij kan
                    volgens de memorie van toelichting bij de subsidietitel van de Awb worden
                    gedacht aan: - exploitatiesubsidie: een subsidie waarbij de provincie de
                    activiteiten in stand wil houden door bij te dragen in het exploitatietekort -
                    budgetsubsidie: een subsidie voor organisaties die (over een aantal jaren)
                    bijdragen aan de uitvoering van het beleid en waarbij de provincie inhoudelijk
                    op prestaties of activiteiten wil sturen.</al><al>In de ASF 2012 is bepaald dat deze subsidie per boekjaar voor een periode van
                    ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan
                    uiteraard opnieuw worden besloten om een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Er
                    is gekozen voor een periode van vier jaar, omdat deze termijn aansluit bij de
                    zittingsperiode van Provinciale Staten (hoewel die termijnen niet gelijk hoeven
                    te lopen) en het een goede termijn lijkt om te beoordelen of eerder vastgestelde
                    beleidsdoelen nog gelden en met de verstrekte subsidies worden bereikt.</al><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies voor een eenmalige activiteit, waarvoor
                    Gedeputeerde Staten slechts voor een vantevoren bepaalde periode van maximaal
                    vier jaar subsidie wil verlenen. Daarbij kan worden gedacht aan een eenmalige
                    subsidie die wordt gegeven voor een door de subsidieontvanger te realiseren
                    bijzonder project, zoals een dansvoorstelling, informatiemarkt. Eenmalige
                    subsidies hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen
                    dan ook een looptijd hebben die langer is dan een jaar. Eenmalige subsidies
                    komen in de praktijk wel voor onder de benaming: - tekortsubsidie: een subsidie
                    waarmee activiteiten tot stand kunnen komen door een maximumbedrag in het tekort
                    te subsidiëren; - stimuleringssubsidie: een subsidie bedoeld om te bevorderen
                    dat de activiteiten passend binnen het provinciaal beleid worden uitgevoerd; -
                    waarderingssubsidie: een subsidie die ten doel heeft uitdrukking te geven aan
                    enige waardering van de provincie bij de activiteiten van de aanvrager zonder
                    dat de hoogte daarvan afhankelijk wordt gesteld van de aan de activiteiten
                    verbonden lasten en baten. Artikel 2.Reikwijdte verordening De verordening is in
                    principe van toepassing op het verstrekken van subsidies op alle provinciale
                    beleidsterreinen. De nadere uitwerking van de activiteiten in regels wordt
                    overgelaten aan Gedeputeerde Staten. Zoals in de algemene toelichting al is
                    aangegeven, krijgt de ASF een doorvertaling naar door Gedeputeerde Staten vast
                    te stellen nadere regels.</al><al>Artikel 3. Bevoegdheid subsidieverstrekking Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot
                    het verstrekken van subsidie. Met verstrekken wordt het gehele subsidieproces
                    bedoeld: besluiten tot verlenen, bevoorschotting, vaststellen, lager
                    vaststellen, terugvorderen en dergelijke. Gedeputeerde Staten moeten daarbij
                    altijd rekening houden met de door Provinciale Staten beschikbaar gestelde
                    financiële middelen. Wanneer Provinciale Staten (nog) geen financiële middelen
                    beschikbaar hebben gesteld, kunnen Gedeputeerde Staten alleen subsidie verlenen
                    onder de voorwaarde dat Provinciale Staten alsnog daarvoor geld beschikbaar
                    stellen, het zogenaamde begrotingsvoorbehoud.</al><al>Artikel 4. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten kunnen subsidieplafonds
                    vaststellen. Het subsidieplafond is een instrument waarmee het bestuursorgaan de
                    uitgaven op grond van een subsidieregeling binnen het in de begroting
                    vastgelegde kader kan houden. Het is volgens artikel 4:25 van de Awb alleen
                    mogelijk om met subsidieplafonds te werken, wanneer de verordening dat mogelijk
                    maakt. Een subsidieplafond is vooral een nuttig instrument wanneer sprake is van
                    een potentieel ruime kring van subsidie-ontvangers waarvan op voorhand vaststaat
                    dat niet alle aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Het vaststellen van een
                    subsidieplafond houdt in dat subsidieaanvragen geheel of gedeeltelijk worden
                    geweigerd wanneer door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt
                    overschreden. Het subsidieplafond moet bekend worden gemaakt voor de aanvang van
                    het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Bij de bekendmaking van het
                    subsidieplafond moet het bestuursorgaan ook de wijze van verdeling van de
                    beschikbare middelen aangeven. Bekendmaking kan plaatsvinden door publicatie in
                    het provinciaal blad, een advertentie In huis-aan-huisbladen en/of door
                    publicatie op de internetpagina van de provincie.</al><al>Artikel 5. Dreigende overschrijding subsidieplafond In het eerste lid van dit
                    artikel wordt een regeling gegeven voor de situatie waarin een kwalitatieve
                    afweging tussen verschillende aanvragen om subsidie mogelijk is. In dit lid
                    wordt geregeld dat aan die aanvragen voorrang moet worden gegeven die het meest
                    bijdragen aan de beleidsdoelstellingen met het oog waarop de subsidie in het
                    leven is geroepen. Dat moet goed gemotiveerd worden. In het tweede lid is
                    geregeld dat Gedeputeerde Staten er ook voor kunnen kiezen om een generieke
                    korting toe te passen.</al><al> Artikel 6. Niet subsidiabele kosten In dit artikel is bepaald voor welke kosten
                    geen subsidie wordt verstrekt.</al><al>Artikel 8. Algemene weigeringsgronden In het eerste lid zijn verplichte
                    weigeringsgronden opgenomen. In het tweede lid zijn een aantal facultatieve
                    weigeringsgronden opgenomen. Het betreft situaties waarbij subsidie kan worden
                    geweigerd. Daarvoor is een belangenafweging nodig. De in dit artikel opgenomen
                    weigeringsgronden gelden voor alle aanvragen om subsidie.</al><al>Daarnaast kunnen in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen nadere regels
                    voor een bepaald beleidsterrein weigeringsgronden worden opgenomen.</al><al>Artikel 9. Wet BIBOB Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 9.
                    Het betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet
                    BIBOB niet kan doorstaan. Het gaat bij deze weigeringsgrond louter om de
                    persoon, dan wel rechtspersoon van de aanvrager. Het gaat hierbij in de eerste
                    plaats om het gevaar dat de desbetreffende subsidie zal worden gebruikt om uit
                    strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te
                    benutten. In de tweede plaats gaat het om het gevaar dat de subsidie wordt
                    misbruikt om strafbare feiten te plegen. Er moet een duidelijk verband bestaan
                    tussen enerzijds de te verlenen of reeds verleende subsidie en anderzijds de
                    strafbare feiten. Ten derde kan de weigering of intrekking van een subsidie
                    plaatsvinden indien er het vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de subsidie
                    een strafbaar feit is gepleegd.</al><al>Artikel 10. Rechtspersoonlijkheid Volledige rechtsbevoegdheid betekent dat de
                    organisatie dezelfde rechten en plichten heeft als een volwassen persoon. De
                    organisatie kan dan bijvoorbeeld contracten en leningen aangaan, of een erfenis
                    ontvangen. Bij beperkte rechtsbevoegdheid mag en kan een organisatie minder. Er
                    zijn verenigingen met beperkte of met volledige rechtsbevoegdheid. Een stichting
                    heeft altijd volledige rechtsbevoegdheid. Artikel 11. Meerjarige subsidies Dit
                    artikel maakt het mogelijk dat Gedeputeerde Staten voor meer dan een jaar, maar
                    ten hoogste vier jaar, subsidie toekennen. Er is gekozen voor een periode van
                    vier jaar, omdat deze termijn aansluit bij de zittingsperiode van Provinciale
                    Staten (hoewel die termijnen niet gelijk hoeven te lopen) en het een goede
                    termijn lijkt om te beoordelen of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden
                    en met de verstrekte subsidies worden bereikt. Artikel 12. Aanvraagtermijn Hier
                    worden de termijnen genoemd waarbinnen aanvragen voor subsidie bij Gedeputeerde
                    Staten dienen te zijn ingediend. Om een goede onderlinge afweging tussen de
                    ingediende aanvragen om een eenmalige subsidie mogelijk te maken waarvoor een
                    subsidieplafond geldt, is het gewenst dat aanvragen voor deze subsidie ruim voor
                    de aanvang van het begrotingsjaar worden ingediend. Bij de afhandeling worden
                    eerst de aanvragen die aan alle formele vereisten voldoen en uiterlijk 1 oktober
                    zijn ingediend beoordeeld. Deze aanvragen worden tegen elkaar afgewogen en de
                    aanvraag die het beste past in het beleid komt voor honorering in aanmerking.
                    Nadat deze aanvragen zijn afgehandeld worden de aanvragen in behandeling genomen
                    die na 1 oktober zijn ingediend. Deze aanvragen worden in volgorde van
                    binnenkomst afgehandeld.</al><al>Artikel 13. Bij de aanvraag in te dienen gegevens In het eerste lid is bepaald
                    dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met
                    ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dat ‘op papier’ geschreven. Zo kan een aanvraag
                    ook digitaal worden gedaan, als Gedeputeerde Staten het door hen vastgestelde
                    aanvraagformulier ook in digitale vorm beschikbaar hebben gesteld en hebben
                    aangegeven dat dit aanvraagformulier ook digitaal kan worden ingediend.</al><al>In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij
                    zijn subsidieaanvraag. Daarbij dient ook te worden aangegeven welke prestatie
                    met de activiteiten wordt verricht. Het overleggen van de balans per einddatum
                    van het voorgaande boekjaar is van belang om inzicht te krijgen in de
                    liquiditeit van de subsidieontvanger.</al><al>Artikel 15. Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen
                    Gedeputeerde Staten gehouden zijn te beslissen op een aanvraag voor subsidie.
                    Daarbij is aangesloten bij de termijnen die genoemd worden in het Rijksbrede
                    subsidiekader. Het gaat hierbij zowel om een aanvraag om subsidie te verlenen,
                    als aanvraag om subsidie vast te stellen. Het is mogelijk om de beslistermijn te
                    verlengen. Het is daarbij wel van belang dat de aanvrager hiervan tijdig op de
                    hoogte gesteld wordt. Het verlengen moet wel gemotiveerd gebeuren.</al><al>Artikel 16. verlening van subsidie Het in de ASF 2012 opgenomen subsidiesysteem
                    gaat uit van de drie arrangementen die het RBSK kent: - kleine subsidies tot €
                    25.000; - middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000; - grote subsidies
                    vanaf € 125.000 In het eerste lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten al in het
                    besluit tot verlening van subsidie aangeven op welke wijze de verantwoording van
                    de ontvangen subsidie dient plaats te vinden. Uitgangspunt daarbij is het
                    subsidiebedrag. Een strenger verantwoordingsregime is aan de orde als uit een
                    risicoanalyse een verhoogde kans op misbruik blijkt. In het tweede lid is
                    vastgelegd hoe het bedrag van de subsidie wordt berekend. Bij subsidies tot €
                    125.000 is de subsidie een vast bedrag voor een vooraf bepaalde prestatie. Dit
                    bedrag kan op basis van de bij de aanvraag ingediende begroting bepaald.
                    Uitgangspunt daarbij is of prijs/prestatieverhouding redelijk is. Een vast
                    bedrag ligt het meest voor de hand bij kleinere subsidies (arrangementen 1 en2)
                    en is nooit meer dan de werkelijke kosten. Dit betreft voornamelijk subsidies
                    waarbij de prestatie goed gedefinieerd kan worden. De subsidie is een vast
                    bedrag dat de subsidieontvanger voor de prestatie krijgt. Hij hoeft geen
                    bonnetjes te laten zien. Bij subsidies vanaf € 125.000 is de subsidie een
                    bijdrage aan de werkelijke kosten van de activiteiten. Daarbij is sprake van een
                    traditionele verantwoording van de gerealiseerde kosten. Er moet een overzicht
                    van inkomsten en uitgaven worden overgelegd. Artikel 17. Betaling en
                    bevoorschotting Subsidies van minder dan € 25.000 worden in een keer uitbetaald.
                    Als Gedeputeerde Staten de subsidie eerst verlenen en niet meteen vaststellen,
                    wordt het volledige bedrag als voorschot verstrekt.</al><al>Bij de subsidies vanaf € 125.000 bepalen Gedeputeerde Staten hoe hoog het
                    voorschot is en in welke termijnen het wordt uitbetaald.</al><al>Wanneer de subsidieontvanger op grond van de in artikel 20 opgenomen
                    meldingsplicht aangeeft dat de uitvoering van de gesubsidieerde activiteit niet
                    volgens de verleningsbeschikking wordt uitgevoerd, kunnen Gedeputeerde Staten
                    het ritme en de hoogte van de bevoorschotting aanpassen.</al><al>Artikel 18. Tussenrapportage In het kader van het terugdringen van de
                    administratieve lasten is er voor gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies,
                    hoger dan € 25.000, de mogelijkheid te verbinden om jaarlijks een tussentijdse
                    verantwoording te vragen. Artikel 19. Meldingsplicht Bij het nieuwe
                    subsidiesysteem wordt uitgegaan van vertrouwen in plaats van wantrouwen. Dit
                    artikel geeft de tegenhanger van het geven van meer vertrouwen. De
                    subsidieontvanger moet Gedeputeerde Staten tijdig melden als hij de
                    gesubsidieerde activiteit om welke reden dan ook , niet of maar gedeeltelijk zal
                    uitvoeren. Ook moet hij melden als blijkt dat hij niet aan een verplichting zal
                    voldoen. De melding kan gevolg hebben voor de subsidie. Het kan zijn dat de
                    subsidie niet wordt uitbetaald of op een lager bedrag wordt vastgesteld. Ook
                    kunnen Gedeputeerde Staten met de subsidieontvanger nadere afspraken maken,
                    bijvoorbeeld door meer tijd te geven om de activiteit uit te voeren. De
                    meldingsplicht is niet vrijblijvend. Als een subsidieontvanger zich hier niet
                    aan houdt, treden Gedeputeerde Staten streng op: bij misbruik is terugvordering
                    van de subsidie mogelijk.</al><al>Artikel 20. Vergoedingsplicht bij vermogensvorming Op grond van artikel 4:41 van
                    de Awb kan in een verordening worden geregeld dat de subsidieontvanger aan de
                    subsidieverstrekker een vergoeding moet betalen als de subsidie heeft geleid tot
                    vermogensvorming. In dit artikel van de ASF 2012 is hieraan invulling gegeven.
                    Artikel 21. Andere verplichtingen van de subsidieontvanger Dit artikel regelt de
                    overige verplichtingen en de plicht om belangrijke wijzigingen door te geven aan
                    Gedeputeerde Staten. Een melding per e-mail voldoet aan het
                    schriftelijkheidsvereiste. Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van een
                    melding contact opnemen met de subsidieontvanger en/of nadere stukken
                    opvragen.</al><al>In het tweede lid van dit artikel is de verplichting opgenomen dat de
                    subsidieontvanger geen loon in welke vorm dan ook aan een persoon die voor hem
                    werkzaam is verstrekt, dat uitgaat boven 130 procent van de bezoldiging,
                    inclusief vakantie- en eindejaarsuitkering van een minister als bedoeld in
                    artikel 1 en 2, eerste lid van de Wet rechtspositie ministers en
                    staatssecretarissen. Door het opnemen van deze verplichting wordt uitvoering
                    gegeven aan de op 16 november 2011 door Provinciale Staten aangenomen motie dat
                    het onwenselijk is dat de provincie Flevoland publieke instellingen zou gaan
                    subsidiëren waarbij de salariskosten van de bestuurders de zogenaamde
                    Balkenendenorm overschrijdt. Op 6 december 2011 is een voorstel van wet ter
                    regulering van bestuursinkomens in de publieke sector: de Wet normering
                    bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector (Wnt) door
                    de Tweede Kamer aanvaard. In dit voorstel is deze 130% norm opgenomen. Daarom is
                    vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wnt en ter uitvoering van de
                    ingediende motie deze 130% norm in artikel 21 van de ASF opgenomen. Bij de
                    bezoldiging moet gelet op de toelichting zoals die hoort bij het wetsvoorstel
                    Wnt uitgegaan worden van de beloning vermeerderd met sociale
                    verzekeringspremies, een bedrag wegens belastbare vaste en variabele
                    onkostenvergoedingen en een bedrag wegens de voorzieningen ten behoeve van
                    beloningen betaalbaar op termijn (hierbij kan gedacht worden aan betaling bij
                    arbeidsongeschiktheid). Op grond van artikel 4:46, tweede lid, artikel 4:48,
                    eerste lid en artikel 4:49, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen
                    Gedeputeerde Staten de subsidie lager vaststellen of de subsidieverlening of
                    subsidievaststelling intrekken indien de subsidie-ontvanger niet aan deze
                    verplichting heeft voldaan.</al><al> Artikel 22. Subsidies tot € 25.000 Voor subsidies tot € 25.000 geldt het
                    volgende verantwoordingsregime: a. als de subsidie direct wordt vastgesteld
                    bestaat de verantwoording uit een melding door de subsidieontvanger dat de
                    gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en de verplichtingen zijn nagekomen.
                    Dit kan door bewijsstukken mee te sturen. b. als de subsidie eerst wordt
                    verleend, wordt bij de verlening bepaald wanneer de gesubsidieerde activiteit
                    moet zijn verricht. Daarna stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve
                    vast. Gedeputeerde Staten kunnen bij wijze van steekproef om nadere informatie
                    vragen. Wanneer Gedeputeerde Staten daarom vragen moet de subsidieontvanger
                    aantonen dat de activiteit is uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan.
                    Het begrip ‘aantonen’ houdt in dat meer gevraagd wordt dan ‘aannemelijk maken’.
                    Gedeputeerde Staten dienen ervan overtuigd te zijn dat daadwerkelijk uitvoering
                    is gegeven aan de activiteiten en dat is voldaan aan de verplichtingen. Daarbij
                    moet vooraf in de subsidiebeschikking al zijn aangegeven op welke manieren het
                    aantonen van het verricht zijn van de activiteiten dan wel het voldaan hebben
                    aan de verplichtingen kan gebeuren, bijvoorbeeld door het overleggen van een
                    factuur, congresprogramma e.d. Eventueel wordt ter plekke door de provincie een
                    controle uitgevoerd. De afweging of bij wijze van steekproef aan de
                    subsidieontvanger wordt gevraagd om verant- woording af te leggen, dient te
                    gebeuren op basis van een risicoanalyse. Voor directe vaststelling als bedoeld
                    bij a bestaat aanleiding als: - nadere subsidieregeling het mogelijk maakt om
                    subsidie te verstrekken na afloop van de activiteiten. Bij de subsidieaanvraag
                    moeten dan bewijsstukken worden gevoegd waaruit blijkt dat de activiteiten
                    hebben plaatsgevonden. - actviteiten nog niet hebben plaatsgevonden en uit een
                    risicoanalyse blijkt dat aannemelijk is dat de te subsidiëren activiteiten
                    zullen plaatsvinden. Daar speelt onder meer een rol hoe betrouwbaar de
                    subsidie-aanvrager is. Bij toepassing van ambtshalve vaststelling als bedoeld
                    bij onderdeel b, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld wanneer
                    de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt
                    vervolgens, uiterlijk na afloop van een in de beschikking aan te geven termijn
                    na de datum waarop de activiteiten moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld
                    door GS. De subsidieontvanger hoeft dus geen aanvraag voor subsidievaststelling
                    te doen.</al><al>Artikel 23. Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 In het tweede lid is bepaald
                    dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling moet aantonen dat de
                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een
                    inhoudelijk verslag. Er zijn verschillende mogelijkheden zoals bestuurs- en
                    activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of
                    andere bewijsstukken (bijvoorbeeld publicatie). Er wordt standaard geen
                    financiële verantwoording over de werkelijke kosten van de gesubsidieerde
                    activiteiten gevraagd. Wel wordt aan de subsidieontvanger gevraagd om ter
                    informatie bij het inhoudelijk verslag een financieel verslag of een kopie van
                    de jaarrekening te voegen. Dit dient alleen ter informatie en niet om op basis
                    hiervan tot vaststelling van de subsidie over te gaan. Op grond van het derde
                    lid kunnen Gedeputeerde Staten zo nodig andere gegevens vragen.</al><al>Artikel 24. Subsidies vanaf € 125.000 Voor subsidies vanaf € 125.000 geldt een
                    uitgebreide verantwoording. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op
                    basis van een inhoudelijke en financiële verantwoording. In het tweede lid is
                    aangegeven welke informatie de subsidieontvanger daarvoor moet overleggen. Bij
                    subsidies vanaf € 125.000 moet een controleverklaring door een onafhankelijk
                    accountant worden gevraagd. Een controleverklaring door een onafhankelijk
                    accountant is een schriftelijke verklaring van een accountant als bedoeld in
                    artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Andere verklaringen die in de
                    praktijk voorkomen zoals een beoordelingsverklaring of een
                    samenstellingsverklaring zijn geen controleverklaring door een onafhankelijk
                    accountant. Artikel 25.Vaststelling subsidie In dit artikel is geregeld binnen
                    welke termijn Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot vaststelling van
                    subsidie.</al><al>Artikel 26. Ambtshalve vaststelling bij subsidieverlening voor twee of meer
                    jaren Bij subsidieverlening voor twee of meer jaren geldt de verplichting om
                    tussentijds een verantwoordingsrapportage te verstrekken. Op basis daarvan kan
                    de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.</al><al>Artikel 27 Uurtarieven. Het subsidiebedrag kan op verschillende manieren worden
                    bepaald. De eenvoudigste vorm is het toekennen van een vast bedrag (lumpsump)
                    voor een prestatie(activiteit). Een vast bedrag ligt het meest voor de hand bij
                    kleinere subsidies (tot € 125.000) en is nooit meer dan de werkelijke kosten.
                    Dit betreft voornamelijk subsidies waarbij de prestatie goed gedefinieerd kan
                    worden. (zie ook toelichting bij artikel 16 tweede lid).</al><al>Een andere manier is dat het subsidiebedrag een bijdrage is aan de werkelijke
                    kosten van gesubsidieerde activiteiten. Dit gebeurt bij subsidies van meer dan €
                    125.000. Een belangrijke kostengrondslag is dan bijvoorbeeld de inzet van
                    personeel. De subsidieontvanger moet zich dan verantwoorden over het aantal
                    subsidiabele uren en de totstandkoming van uurtarieven.</al><al>Artikel 28. Egalisatiereserve Dit is een door de subsidie-ontvanger te vormen
                    reserve, waarbij tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met
                    overschotten in het andere jaar. De mogelijkheid om een egalisatiereserve te
                    vormen bestaat alleen als dit bij wettelijk voorschrift of bij de
                    subsidieverlening is bepaald. Gelet op het belang hiervan is ervoor gekozen om
                    de mogelijkheid om een egalisatiereserve te mogen vormen, uitdrukkelijk in de
                    verordening opgenomen. De mogelijkheid om een egalisatiereserve te vormen geldt
                    alleen voor subsidies vanaf € 125.000, omdat subsidiering tot € 125.000
                    plaatsvindt door uitbetaling van een vast bedrag.</al><al> Artikel 29. Afschrijvingstermijnen In dit artikel wordt aangegeven dat de in de
                    sector gebruikelijke afschrijvingstermijnen op zaken en investeringen worden
                    gehanteerd. Daarbij zijn in de regel de volgende afschrijvingstermijnen
                    gebruikelijk: - gebouwen : 40 jaar; - productiemiddelen: 20 jaar; - meubilair:
                    10 jaar; - kantoormachines: 3 jaar. Artikel 30. Hardheidsclausule De toepassing
                    van de hardheidclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen.
                    Toepassing van de hardheidsclausule dient goed gemotiveerd te worden om
                    precedentwerking te voorkomen. Artikel 32. Evaluatie In dit artikel is een
                    evaluatieplicht opgenomen. Gedeputeerde Staten moeten uiterlijk vier jaar na
                    inwerkingtreding van de verordening aan Provinciale Staten verslag doen over de
                    doeltreffendheid en de effecten van het subsidiesysteem in de praktijk. Behalve
                    deze evaluatie na vier jaar geldt het algemeen evaluatievoorschrift zoals dat in
                    de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen (artikel 4:24). Hierin is bepaald dat
                    ten minste eenmaal in de vijf jaar een evaluatie moet plaatsvinden over de
                    doeltreffendheid en de effecten van subsidies in de praktijk. Een regelmatige
                    evaluatie van beleid en regelgeving kan bijdragen aan de beheersing van
                    overheidsuitgaven. Als uit de evaluatie blijkt dat subsidiering niet doelmatig
                    is, of het doel van de subsidie is bereikt, kan de subsidieregeling worden
                    aangepast.</al><al> Artikel 33. Overgangsbepaling In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen.
                    Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend,
                    worden volgens de nieuwe verordening behandeld.</al><al>Artikel 34. Inwerkingtreding In dit artikel is bepaald dat deze verordening, met
                    uitzondering van artikel 9 dat over Bibob gaat, in werking treedt op 1 januari
                    2013. Artikel 6 van de Wet Bibob geeft aan dat een subsidieregeling expliciet
                    moet verwijzen naar de Wet Bibob voordat het systeem van artikel 3 van
                    toepassing is. Een subsidieregeling van een decentrale overheid behoeft
                    goedkeuring van de minister van Veiligheid en Justitie indien wordt verwezen
                    naar de Wet Bibob. In artikel 33, tweede lid, van deze verordening is bepaald
                    dat artikel 9 niet eerder in werking treedt dan nadat deze goedkeuring is
                    verkregen. Gedeputeerde Staten zullen in een beleidsregel regelen hoe zij omgaan
                    met deze bevoegdheid. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>