<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22498_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening recht van enquete gemeenteraad Vlissingen 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2007, VIII.13</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Recht van enquete gemeenteraad Vlissingen 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING RECHT VAN ENQUETE GEMEENTERAAD VLISSINGEN 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="66*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>onderzoek</al></entry><entry colname="col3"><al>een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                            van de Gemeentewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>onderzoekscommissie</al></entry><entry colname="col3"><al>een onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 155a,
                                            derde lid, van de Gemeentewet.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>presidium</al></entry><entry colname="col3"><al>vergadering bestaande uit de fractievoorzitters en de
                                            voorzitter van de raad in aanwezigheid van de griffier,
                                            zoals bedoeld in artikel 5 van het Reglement van orde
                                            voor de raad 2007.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Instellen van het onderzoek en onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een
                            onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur
                            instellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving
                            van het onderwerp van het onderzoek, alsmede een toelichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uitvoering van dit besluit wordt opgedragen aan hetzij een reeds door
                            de gemeenteraad ingestelde onderzoekscommissie, hetzij aan een daartoe
                            in te stellen onderzoekscommissie. Benoeming van de leden van de
                            onderzoekscommissie geschiedt in ieder geval binnen één maand na het
                            besluit tot het instellen van een onderzoek zoals bedoeld in lid 1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde onderzoekscommissie bestaat uit ten minste
                            drie en bij voorkeur uit vijf leden van de raad, waarbij de in de raad
                            vertegenwoordigde groeperingen evenwichtig in de onderzoekscommissie
                            worden vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangende voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Leden van de raad die middellijk dan wel onmiddellijk bij het onderwerp
                            van het onderzoek, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel,
                            betrokken zijn c.q. zijn geweest, kunnen niet worden benoemd als lid van
                            een ter uitvoering van dit onderzoek in te stellen c.q. ingestelde
                            onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De omschrijving als genoemd in het tweede lid kan hangende het onderzoek
                            al dan niet op verzoek van de onderzoekscommissie die het onderzoek
                            verricht, door de gemeenteraad worden gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan geen van de bevoegdheden, haar bij deze
                            verordening of Gemeentewet verleend, uitoefenen, indien ten minste drie
                            van haar leden aanwezig zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt van rechtswege
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid van de raad te zijn;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt dit lid de raad en de voorzitter van de
                            onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaats vindt of getuigen uitsluitend gehoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt
                            slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van de stemmen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De Verordening op de raadscommissies Vlissingen 2007 is niet van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het presidium benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            secretaris en een plv. secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2007 is niet
                            van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Publicatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek en de samenstelling van
                            de onderzoekscommissie wordt op de website van de gemeente en in een in
                            de gemeente Vlissingen verschijnend huis-aan-huis blad geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van wijzigingen in de omschrijving van het onderwerp van onderzoek en
                            van beëindiging van het onderzoek wordt op gelijke wijze kennis
                            gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Organisatie onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle activiteiten van de leden en de aan de onderzoekscommissie
                            toegevoegde medewerkers vallen onder de verantwoordelijkheid van de
                            onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris van de onderzoekscommissie is eindverantwoordelijk voor
                            alle inhoudelijke en organisatorische activiteiten van de ondersteuning
                            van de onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na instelling van de onderzoekscommissie c.q.
                            vaststelling van de onderzoeksopdracht stellen de voorzitter en de
                            secretaris van de onderzoekscommissie, in overleg met de griffier en
                            gemeentesecretaris, voor zover een beroep wordt gedaan op zijn ambtelijk
                            apparaat, een concept plan van aanpak op waarin zij in ieder geval
                            aandacht besteden aan:</al><lijst><li nr="·"><al>de uitvoering van de onderzoeksopdracht;</al></li><li nr="·"><al>de eerste planning van de uit te voeren taken;</al></li><li nr="·"><al>de taakverdeling;</al></li><li nr="·"><al>de taak en rol van de voorzitter;</al></li><li nr="·"><al>de nadere invulling van de wenselijke ondersteuning, waarbij
                                    aandacht wordt besteed aan de wettelijke aansprakelijkheid;</al></li><li nr="·"><al>de plaats en de omvang van de werkruimten;</al></li><li nr="·"><al>de noodzaak van een informatieprotocol;</al></li><li nr="·"><al>de archivering en classificering;</al></li><li nr="·"><al>de geheimhoudings- en beveiligingsaspecten;</al></li><li nr="·"><al>de vertrouwelijkheid van de informatie in de verschillende fasen
                                    van het onderzoek;</al></li><li nr="·"><al>de contacten met de pers.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de onderzoekscommissie besluit de uitvoering van bepaalde delen
                            van het onderzoek neer te leggen bij derden, vindt deze uitvoering
                            plaats onder haar verantwoordelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kring van deelnemers van het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking zijn leden en gewezen
                            leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders
                            en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een door de raad, het
                            college of de burgemeester ingestelde onderzoekscommissie, ambtenaren en
                            gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of
                            daaraan ondergeschikt, verplicht te voldoen aan een vordering van de
                            onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van
                            afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden
                            waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de
                            onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor
                            het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 2 nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
                            bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of
                            van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                            onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                            schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde personen zijn voorts vanaf het tijdstip
                            van de eerste bekendmaking verplicht te voldoen aan een oproep door de
                            onderzoekscommissie uitgevaardigd om als getuige of deskundige te worden
                            verhoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door de
                            onderzoekscommissie gevorderde medewerking als bedoeld in lid 1 te
                            verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Diegene die over informatie denkt te beschikken die van belang kan zijn
                            voor het onderzoek, wordt uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter
                            van de onderzoekscommissie. De onderzoekscommissie publiceert een
                            dergelijke uitnodiging met een omschrijving van het onderwerp van het
                            onderzoek overeenkomstig de wijze als genoemd in artikel 6 lid 1 van
                            deze Verordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit of van de diensten van de betrokkene uit
                            lid 5 gebruik wordt gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verplicht karakter oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, zijn verplicht te voldoen
                            aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige
                            te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord,
                            is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                            weten als zodanig te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
                            onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting
                            worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor
                            of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden van
                            de onderzoekscommissie en andere aanwezigen bewaren geheimhouding over
                            hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om
                            gewichtige redenen kan de onderzoekscommissie besluiten, dat een getuige
                            zonder bijstand wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen,
                            behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van
                            Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Wijze van oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief,
                            houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
                            ontvangstbewijs uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de behoorlijk opgeroepen getuige of deskundige niet verschijnt,
                            wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, wat een nauwkeurige
                            omschrijving van de oproep behelst en door de aanwezige leden der
                            onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit proces-verbaal wordt door de onderzoekscommissie, wanneer zij het
                            nodig acht, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de
                            rechtbank van het arrondissement, waarin de in gebreke gebleven getuige
                            of deskundige woont.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                            hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn
                            verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun
                            verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of
                            deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, als bedoeld in
                            het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen
                            de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan
                            zijn verplichting te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op een beschikking als bedoeld in het vierde lid is artikel 7:1 van de
                            Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijd tussen oproep en zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De getuigen of deskundigen dienen de oproep als bedoeld in artikel 10,
                            eerste lid, ten minste vijf werkdagen voor de dag van het verhoor te
                            ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen twee werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk twee
                            werkdagen voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of
                            deskundige medegedeeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verhoren van getuigen en deskundigen worden door de
                            onderzoekscommissie gehouden op de plaats, waar zij dat het meest
                            wenselijk oordeelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan ter voorbereiding op de openbare verhoren
                            informatieve gesprekken voeren in beslotenheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigering antwoorden</titel></kop><al>Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de oproep
                        verschenen of door de openbare macht gebracht zijnde, weigert te antwoorden,
                        of de eed of de belofte af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal
                        opgemaakt, wat de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt,
                        en door de aanwezige leden van de onderzoekscommissie wordt
                        ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te
                            openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                            toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel
                            aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij
                            werkzaam is of geweest is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding
                            verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch
                            uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als
                            zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming
                            anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun
                            plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verschoning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen
                            wethouders, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of
                            de burgemeester ingestelde onderzoekscommissie, ambtenaren en gewezen
                            ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 8, eerste lid, en artikel
                            9, eerste en derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de
                            inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het
                            eerste lid wegens strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door
                            het college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het
                            door de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een onderzoekscommissie kan in een besloten vergadering, op grond van
                            een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
                            omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent
                            de inhoud van de stukken die aan de onderzoekscommissie worden
                            overgelegd, geheimhouding opleggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt
                            tijdens die vergadering opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en
                            allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht
                            genomen totdat de onderzoekscommissie haar opheft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- en afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken vragen hiervoor toestemming aan de voorzitter. De voorzitter kan
                        hiertoe aanwijzingen geven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke melding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder in de zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overlegde bescheiden, die aan
                            het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen worden in de gelegenheid gegeven binnen één
                            werkweek te reageren op het conceptverslag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><al>1. De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht. </al><al>2. De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Tegemoetkoming kosten getuigen en deskundigen</titel></kop><al>De getuigen en deskundigen ontvangen op hun daartoe strekkend verzoek
                        schadeloosstelling, door de onderzoekscommissie op vertoon van de
                        schriftelijke oproep of de akte van dagvaarding, te begroten overeenkomstig
                        het bepaalde omtrent getuigen en deskundigen krachtens artikel 57 van de Wet
                        tarieven in burgerlijke zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Voortgang na aftreden raad</titel></kop><al>De bevoegdheid en de werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden door
                        het aftreden van de gemeenteraad niet geschorst, hierbij rekening houdend
                        met artikel 3, eerste lid, sub b. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt een raming vast van de kosten, welke naar zijn
                            oordeel voor het onderzoek in een bepaald jaar vereist zijn. Hij brengt
                            deze ter kennis aan het college. Het college draagt zorg voor de
                            vereiste budgettering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer van de gelden behoort tot de verantwoordelijkheden van de
                            griffier. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan nadere regels stellen met betrekking tot de rapportage over
                            het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie legt haar bevindingen neer in een rapport. Het
                            rapport wordt besproken in de raad op een door de raad te bepalen
                            tijdstip. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Bewaartermijn onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde
                            onderzoekscommissie besluit de gemeenteraad, dat de dossiers van het
                            onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende een door hem te bepalen
                            periode worden bewaard in het gemeentearchief.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de
                            onderzoekscommissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen deel
                            uit van dit archief.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie bepaalt waar de in het tweede lid bedoelde
                            bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim
                            zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Recht van enquête gemeenteraad
                        Vlissingen 2007” en treedt in werking op de dag na die waarop deze is
                        bekendgemaakt.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 september
                        2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. F. Vermeulen A. van Dok- van Weele</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting op de ‘Verordening recht van enquête
                        gemeenteraad Vlissingen 2007’. Algemeen</titel></kop><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting op de ‘Verordening recht van enquête
                        gemeenteraad Vlissingen 2007’. </vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Het onderzoeksrecht van de raad is geregeld in de artikelen 155a tot en met 155f
                    van de Gemeentewet. De Gemeentewet en de verordening vormen samen het wettelijk
                    kader voor het uitoefenen van het recht op enquête van de raad. Het
                    onderzoeksrecht is een exclusief recht van de raad dat ingevolge artikel 156,
                    tweede lid, Gemeentewet niet overdraagbaar is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2. Instellen van het
                        onderzoek/onderzoekscommissie</onderstreept></al><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van
                    de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het
                    college en/of de burgemeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot voorstellen
                    is het bepaalde over het initiatiefvoorstel in artikel 38 Reglement van orde van
                    de raad van toepassing. Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft, dient
                    de raad zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één maand te besluiten hoeveel
                    leden (aantal) er in de onderzoekscommissie plaats zullen vinden en welke leden
                    dat zijn (samenstelling). </al><al>De Gemeentewet bepaalt hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de
                    onderzoekscommissie uit tenminste drie raadsleden bestaat en dat de raad bij
                    samenstelling zorg draagt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de
                    raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hiervoor nader
                    overleg nodig is, is het mogelijk hierover te besluiten in een raadsvergadering
                    binnen een maand volgend op het besluit tot het instellen van een onderzoek.
                    Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 4, vijfde lid, van deze
                    verordening besluit met meerderheid van stemmen verdient het de aanbeveling om
                    een oneven aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen
                    worden verkomen. In deze verordening is ervoor gekozen dat de
                    onderzoekscommissie zelf de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter kiest.
                    Dit zal de samenwerking binnen de onderzoekscommissie ten goede komen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3. Beëindiging van het lidmaatschap</onderstreept></al><al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en
                    de werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het
                    aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden
                    van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de
                    samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien
                    een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad
                    eindigt daardoor tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie. </al><al>Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de
                    onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien dit
                    wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds opheffen. Daarnaast
                    eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een van haar
                    leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk
                    dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord,
                    niet tevens lid is van de onderzoekscommissie. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. Bevoegdheden van de
                    onderzoekscommissie</onderstreept></al><al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet al
                    een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet
                    dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                    verhoord na het afleggen van de eed of belofte. Omdat het tengevolge hiervan
                    niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is
                    in artikel 4, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de
                    onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of
                    deskundige gehoord is. </al><al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                    verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen
                    kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze
                    groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht
                    om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een onderzoekscommissie daarom
                    bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord worden, zijn
                    deze personen hiervan uitgezonderd. </al><al>Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele
                    (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, dit om zo te
                    kunnen vaststellen of horen ter zitting nuttig is. </al><al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid,
                    opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f Gemeentewet dient
                    het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek zo mogelijk in
                    een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier
                    tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling
                    van externen. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid,
                    Gemeentewet, het haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen
                    indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de
                    bevoegdheden die op basis van deze verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde
                        regime<vet>. </vet></al><al>Er kan uiteraard bepaald worden dat alle of enkele van de bevoegdheden kunnen
                    worden uitgeoefend bij de aanwezigheid van een kleiner aantal leden. Uit
                    praktische overwegingen zou er bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om het
                    voeren van informatieve gesprekken ook door individuele leden mogelijk te maken.
                    Daarnaast zegt het vijfde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een
                    meerderheid van stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal
                    leden te benoemen. De verordening op de raadscommissies is hier buiten
                    toepassing verklaard, omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij
                    het onderzoek niet van toepassing dan wel wenselijk zijn. Hierbij valt te denken
                    aan zaken als spreekrecht voor burgers enz. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. Ambtelijke bijstand</onderstreept></al><al>Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot
                    een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking
                    tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden
                    over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de
                    onderzoekscommissie. Lid 1 regelt de ondersteuning aan de onderzoekscommissie.
                    Dit kan de griffier of iemand van de griffie zijn, maar dat hoeft niet. Gezien
                    het tijdsbeslag en de zwaarte van het onderzoek kan het zelfs raadzaam zijn
                    hiervoor een extern bureau in te huren. De verordening ambtelijke bijstand is
                    hierop niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6 Publicatie</onderstreept></al><al>De hoofdregel is dat de gemeenteraad en ook een daarvan afgeleide
                    onderzoekscommissie in het openbaar vergadert, tenzij. De stukken in de
                    vergadering zijn in principe openbaar. De oproep wordt gepubliceerd. De
                    besluiten worden na afloop ook gepubliceerd. In de lijn van deze logica ligt dit
                    artikel. Aan het instellen van een onderzoek en daarop volgend de openbare
                    zittingen moet zoveel mogelijk openbaarheid worden gegeven. Dit kan door middel
                    van publicatie op internet en in een huis-aan-huisblad. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Kring van deelnemers van het
                    onderzoek</onderstreept>Artikel 155b Gemeentewet komt hier deels in terug. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 9 Verplicht karakter oproep</onderstreept></al><al>Zie artikel 155c Gemeentewet </al><al/><al><onderstreept>Artikel 10 Wijze van oproep</onderstreept></al><al>De wijze van oproepen is gelegen in de bewijskracht die nodig is indien een
                    getuige of een deskundige niet verschijnt en de gevolgen die het niet
                    verschijnen kunnen hebben. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 11 Tijd tussen oproep en zitting</onderstreept></al><al>Gekozen is getuigen/deskundigen vijf werkdagen de tijd te geven voor de
                    voorbereiding op een hoorzitting. Daar het bij een enquête grotendeels gaat om
                    ambtenaren, lijkt deze tijd reëel. Vijf werkdagen is een compromis tussen twee
                    weken en drie dagen. Een langere periode, bijvoorbeeld twee weken, verlengt de
                    duur van de enquête onnodig. Bij een kortere voorbereidingstijd, bijvoorbeeld
                    drie werkdagen krijgen de deskundigen/getuigen wel een erg krappe
                    voorbereidingstijd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 12. Zittingen</onderstreept></al><al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproep
                    van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen. Deze zitting
                    dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de onderzoekscommissie,
                    die ingevolge artikel 20 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.
                    Op de zitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen plaats ex artikel
                    155c, zesde lid, van de Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. </al><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de
                    Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat verhoor of een gedeelte
                    ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over wat
                    hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te
                    vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid van de
                    Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als
                    bedoelt in artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten
                    vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van
                    belang is er of naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van
                    “gewichtige redenen”. Het bepaalde van artikel 86, eerste lid, van de
                    Gemeentewet is daarom op de onderzoekscommissie niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 13. Weigering antwoorden</onderstreept></al><al/><tussenkop>Artikel 14. Geheimhouding</tussenkop><al>Artikel 14 komt overeen met artikel 155e, eerste en tweede lid, Gemeentewet. </al><al/><tussenkop>Artikel 15. Verschoning</tussenkop><al>Artikel 15 komt overeen met artikel 155e, derde en vierde lid, Gemeentewet.
                    Alleen personen die belast zijn of waren met de uitoefening van een bestuurstaak
                    waarvoor zij door de raad ter verantwoording kunnen worden geroepen, alsmede hun
                    (ex) ondergeschikten komt een beroep op deze verschoningsgrond toe. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 17. Toehoorders en de pers</onderstreept></al><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter
                    van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij
                    volharding in hun gedrag de toegang kan ontzeggen. Voor de onderzoekscommissie
                    ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, artikel 17, derde lid van
                    deze verordening voorziet hierin. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Geluid- en beeldregistratie</tussenkop><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in het principe openbaar
                    zijn, kunnen radio- en televisiestations geluids- en beeldregistraties maken.
                    Dit is uiteraard niet het geval als het een gesloten zitting betreft. De
                    voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en
                    opstelling. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 19. Verslaglegging zitting</onderstreept></al><al>Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten
                    draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze
                    ontstaat achteraf nooit discussie over wat gezegd is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 20. Beraadslaging</onderstreept></al><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren, omdat de inhoud van een
                    beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer
                    wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt over ondervragingsmethoden, tactieken en
                    dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten worden
                    gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en wat
                    door hen naar voren is gebracht. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 23. Budget</onderstreept></al><al>Een budget voor een raadsenquête lijkt geen vast gegeven in de lokale
                    bestuurscultuur en dit geldt ook voor Vlissingen. Indien de raad echter besloten
                    heeft tot het instellen van een raadsenquête, dan moet het ontbreken van de
                    financiën het onderzoek niet belemmeren. De onderzoekscommissie zal met een
                    concept raming komen van de kosten, welke in de raad kan worden goedgekeurd
                    inhoudende een opdracht aan het college om de benodigde budgetten vrij te maken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 24. Rapportage</onderstreept></al><al>De raad kan bepalen hoe en op welk moment de onderzoekscommissie aan de raad
                    rapporteert. Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de voorzitter van
                    de onderzoekscommissie in elke raadsvergadering een kort verslag doet over de
                    vorderingen. Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond
                    legt zij haar bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt wordt
                    hier niet nader bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als
                    vernoemd in 24, eerste lid, van deze verordening. Hierbij zijn verschillende
                    vormen mogelijk, variërend van een rapport tot een voorstel aan de raad. De
                    vraag luidt hierbij wat de raad onder bevindingen wenst te verstaan. Is dit
                    slechts een feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de raad zich een
                    oordeel vormt of dient er door de commissie zelf ook een oordeel gevormd te
                    worden alvorens de raad zich erover buigt. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 26. Citeertitel en inwerkingtreding</onderstreept></al><al>De onderliggende verordening bevat geen algemeen bindende voorschriften. De
                    verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan
                    een door de raad in te stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de
                    verordening, maar rechtstreeks uit de wet. De verordening kan op een door de
                    raad te bepalen datum in werking treden. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>