<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22484_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2012, I.04</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-06-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-11-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging hoofdstuk 2 afdeling 8, 2:25, derde lid, 2:27, vijfde lid. Wijziging: art 2:23, eerste en tweede lid, 2:24, eerste lid, 2:27, eerste en tweede lid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Algemeen aanwijzingsbesluit 2005</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>vierde wijziging</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VLISSINGEN 2009 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Afdeling</vet></al><al><vet>Afdeling</vet></al><al><vet>Afdeling</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Algemene begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="73*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>openbare plaats:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder
                                                begrepen de weg als bedoeld onder b;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>weg:</al></entry><entry colname="col3"><al>weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                                van de Wegenverkeerswet 1994;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>openbaar water:</al></entry><entry colname="col3"><al>wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                                                wijze toegankelijk zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>bebouwde kom:</al></entry><entry colname="col3"><al>de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                                staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig
                                                artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun
                                                besluit van 3 januari 1989 (sedert gewijzigd);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>rechthebbende:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                                                een zakelijk of persoonlijk recht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>bouwwerk:</al></entry><entry colname="col3"><al>bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Bouwverordening gemeente Vlissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>gebouw:</al></entry><entry colname="col3"><al>gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                                c, van de Woningwet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>handelsreclame:</al></entry><entry colname="col3"><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                                commercieel belang te dienen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>college:</al></entry><entry colname="col3"><al>Het college van burgemeester en wethouders van
                                                Vlissingen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4,
                                eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich
                            daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6a</nr><titel>Vervallen van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Een vergunning of ontheffing vervalt wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden
                                    zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met
                                    gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;</al></li><li nr="b."><al>gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen
                                    zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of
                                    ontheffing;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot
                                    vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van
                                    kracht is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7a</nr><titel>Meldingen</titel></kop><al>Indien op grond van deze verordening een melding is vereist maakt het
                            bevoegde bestuursorgaan bekend op welk tijdstip en in welke vorm een
                            dergelijke melding moet plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel>Lex silencio positivo is van toepassing</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><al>Artikel 2:4 Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest e.d.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:10</nr><titel>Lex silencio positivo is niet van toepassing</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><al>Artikel 2:16 Vergunning evenementen;</al><al>Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen;</al><al>Artikel 2:22 Kermis Arsenaal;</al><al>Artikel 2:24 Exploitatievergunning horeca;</al><al>Artikel 2:33 Verlofbedrijf en afhaalrestaurant;</al><al>Artikel 2:42 Exploitatievergunning speelgelegenheid;</al><al>Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk;</al><al>Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting;</al><al>Artikel 4:20 Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf
                            buiten kampeerterreinen;</al><al>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:11</nr><titel>Gecoördineerde behandeling van aanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de
                                aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen
                                van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te
                                nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan
                                aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten
                                activiteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het geval
                                dat de aanvrager zo’n behandeling niet wenst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:12</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de aanvragen
                                zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de
                                laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan vier weken na de
                                ontvangst van de eerste aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het
                                aanvraagformulier geco-ordineerde behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het eerste lid
                                genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager
                                in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een
                                door hem et bepalen termijn in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in deze afdeling geregelde procedure wordt buiten toepassing
                                gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In
                                dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk
                                voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten
                                toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van
                                ontvangst van alle betrokken aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, begint bij de
                                toepassing van deze afdeling de termijn voor het nemen van besluiten
                                met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:13</nr><titel>Beslistermijn bij coördinatie</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze afdeling geldt in afwijking van artikel 1:2
                            als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de termijn voor
                            het besluit met de langste beslistermijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:14</nr><titel>Gelijktijdige verzending beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan de
                                beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van besluiten van zowel college als burgemeester,
                                draagt het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor de verzending
                                en bekendmaking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen:</al><lijst><li nr="a."><al>die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van
                                            de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                            wanordelijkheden zijn afgezet;</al></li><li nr="b."><al>indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat door het
                                            gedrag bewust de orde wordt verstoord of de veiligheid
                                            in gevaar wordt gebracht door anderen lastig te vallen,
                                            te vechten of zich opruiend te gedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid, onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid onder a geldt
                                    niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het derde lid, onder b, geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen
                                    141, 424 of 426bis Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de burgemeester wegen
                                aanwijzen waar het verboden is deel te nemen aan een verzameling van
                                drie of meer personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen
                                dat die verzameling verband houdt met heling of het gebruik van of
                                handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                Opiumwet, of daarop gelijkende waar.</al><al>De aanwijzing van wegen wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden,
                                welke termijn iedere keer kan worden verlengd voor een periode van
                                zes maanden.</al><al>Degene die zich bevindt in een verzameling is verplicht op een
                                daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel direct zijn weg
                                te vervolgen of zich in de door of namens de burgemeester aangewezen
                                richting te verwijderen.</al><al>Een ieder is verplicht op een daartoe door of namens de burgemeester
                                gegeven bevel in het belang van de openbare orde, zich te
                                verwijderen en zich verwijderd te houden uit een door hem aangewezen
                                gebied, gedurende de tijd in het bevel genoemd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><structuurtekst><al>http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/modelverordening/Model-Algemene_Plaatselijke_Verordening.jsp</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Vertoning e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    de volgende door de burgemeester in het belang van de openbare
                                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu
                                    aangewezen openbare plaatsen: Aagje Dekenstraat zuidzijde vanaf
                                    de ingang van de parkeergarage (hoek Scheldestraat) tot het
                                    Scheldeplein, Hellingbaan, Betje Wolfplein, Scheldeplein,
                                    passage door het ABC-winkelcomplex, Coosje Buskenstraat
                                    zuidzijde tussen Scheldeplein en Spuistraat, Spuistraat,
                                    Walstraat, Scherminkelstraat, Bussestraat, Lange Zelke, Korte
                                    Zelke, Schutterijstraat, Sint Jacobsstraat, Branderijstraat,
                                    Lepelstraat, de Oude Markt, Kleine Markt, Vrouwestraat,
                                    Groenewoud, Plein Vierwinden, Kerkstraat, Nieuwstraat,
                                    Bellamypark, Nieuwendijk, Zeemanserve, Beursplein, Smallekade,
                                    Beursstraat, Brugstraat, Sint Sebastiaanstraat, Nieuwendijk en
                                    Zeilmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels stellen inzake het in het
                                    eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie ervan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                            doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
                                    orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten
                                    aanzien van terrassen en uitstallingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:16;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet of de Wegenverordening Zeeland 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te
                                    leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven
                                    of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                    veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                    aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland 1994,
                                    de Keur waterschap Zeeuwse Eilanden 2007, de Telecommunicatiewet
                                    of de Telecommunicatieverordening gemeente Vlissingen 2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:</al><lijst><li nr="a."><al>indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar
                                            de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                            naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft
                                            gedaan aan het college, onder indiening van een
                                            situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de
                                            bestaande situatie;</al></li><li nr="b."><al>indien het college het maken of veranderen van de uitweg
                                            heeft verboden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:</al><lijst><li nr="a."><al>indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                            gebracht;</al></li><li nr="b."><al>indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een
                                            openbare parkeerplaats;</al></li><li nr="c."><al>indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare
                                            wijze wordt aangetast;</al></li><li nr="d."><al>indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat
                                            al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg
                                            van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of het openbaar groen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen
                                    vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de
                                    gewenste uitweg wordt verboden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Zeeuwse Eilanden 2007
                                    of de Wegenverordening Zeeland 1994.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                    gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen
                                    messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                    kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en
                                    munitie en voor zover door het bij zich dragen van de
                                    voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of
                                    veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam
                                    van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de
                                    omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te
                                    bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als
                                    bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in
                                    een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat
                                    winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of
                                    winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte,
                                    grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan
                                    die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg,
                                    onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe
                                    aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Verbod rijden met skateboards e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te rijden met skateboards, skeelers,
                                        rollerskates, in-lineskates en dergelijke:</al><lijst><li nr="a."><al>in de volgende straten en de daarbij behorende
                                                passages: Aagje Dekenstraat zuidzijde vanaf de
                                                ingang van de parkeergarage (hoek Scheldestraat) tot
                                                het Scheldeplein, Scheldeplein, passage door het
                                                ABC-winkelcomplex, Coosje Buskenstraat zuidzijde
                                                tussen Scheldeplein en Spuistraat, Walstraat, Lange
                                                Zelke, Sint Jacobsstraat, Lepelstraat voor zover het
                                                voetgangersgebied betreft, voetgangersgedeelten van
                                                de Oude Markt, Kleine Markt en Sint
                                                Sebastiaanstraat;</al></li><li nr="b."><al>in de volgende straten voor zover het
                                                voetgangersgedeelten betreft: Nieuwendijk, De
                                                Ruijterplein, Beursplein, oostzijde Koopmanshaven,
                                                oprit Boulevard de Ruijter, Keizersbolwerk,
                                                middengedeelte Bellamypark gelegen zuidelijk van de
                                                Brugstraat;</al></li><li nr="c."><al>op de trottoirs aan de zeezijde van de Boulevard de
                                                Ruijter, in de periode van 15 april tot en met 15
                                                september;</al></li><li nr="d."><al>op andere door het college aan te geven
                                                plaatsen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan
                                        onder:</al></li></lijst><al>skateboard: schaatsplank op twee paar achter elkaar staande
                                wieltjes. </al><al>in-lineskate: rolschaats met vier wieltjes achter elkaar;</al><al>skeeler: rolschaats met drie of vijf wieltjes achter elkaar;</al><al>rollerskate: een rolschaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Openen straatkolken, rioolputten, brandkranen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen en duingebieden of binnen een
                                    afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college
                                    aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen en in duingebieden of binnen een
                                    afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht
                                    betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg
                                    te werpen of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht
                                    of de Tabakswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Verontreiniging door trekdieren</titel></kop><al>De eigenaar of houder van een aangespannen trekdier is verplicht
                                ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat:</al><al>op de weg binnen de bebouwde kom;</al><al>buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of
                                mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of
                                fietsers;</al><al>op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b
                                genoemde wegen of gedeelten daarvan.</al><al>Ter voorkoming van vervuiling van de weg door uitwerpselen moeten
                                mestzakken worden bevestigd, op zodanige wijze dat geen uitwerpselen
                                op de weg vallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Verontreiniging door rijdieren</titel></kop><al>De eigenaar of houder van een rijdier is verplicht ervoor te zorgen
                                dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat:</al><al>op de weg binnen de bebouwde kom;</al><al>buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of
                                mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of
                                fietsers;</al><al>op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b
                                genoemde wegen of gedeelten daarvan;</al><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van het
                                rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15a</nr><titel>Overhangend groen</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op een zodanig wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of
                                gevaar oplevert.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Evenementenvergunning</titel></kop><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>Evenement: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor
                                het publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het
                                openbaar water, met uitzondering van:</al><al>een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties;</al><al>markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet;</al><al>betogingen, vergaderingen en samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties en</al><al>activiteiten in gebouwen.</al><al>Evenemententerrein: de ruimte die in de vergunning als bedoeld in
                                het tweede lid is aangegeven om de activiteiten te laten
                                plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daar naar te kijken
                                of eraan deel te nemen.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                te houden of te doen houden.</al><al> De burgemeester beoordeelt een aanvraag om vergunning op grond van
                                de openbare orde en veiligheid, voorkomen of beperken van overlast,
                                verkeersveiligheid van personen en zedelijkheid en gezondheid.</al><al>De burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om
                                vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen:</al><al>de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte,
                                de tijd en de hulpdiensten;</al><al>het aantal bezoekers dat wordt verwacht;</al><al>het, in het Evenementenuitvoeringsbeleid, vastgestelde maximale
                                aantal evenementen per categorie en per locatie;</al><al>of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de
                                bestemming van de gevraagde locatie;</al><al>of gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid,
                                waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van
                                wanordelijkheden;</al><al>of gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer;</al><al>of gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of
                                leefklimaat in de omgeving van het evenement;</al><al>of gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk
                                aanzien van de stad, beschadiging van de openbare groenvoorzieningen
                                of van voorzieningen voor het openbaar nut;</al><al>of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een
                                goed en ordelijk verloop van het evenement, gelet op de eerder
                                vermelde belangen;</al><al>of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het
                                milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.</al><al>of de organisator voldoende waarborgen biedt inzake de verzekering
                                van verkeersregelaars.</al><al>De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen
                                verbinden met het oog op de in het vierde lid bedoelde belangen en
                                hij kan ter verzekering van de nakoming van deze voorschriften in de
                                vergunning bepalen dat een borgsom moet worden verstrekt voordat het
                                evenement wordt gehouden.</al><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor de door hem aan te
                                wijzen categorieën evenementen.</al><al>Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die
                                op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening
                                vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het
                                evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten
                                zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid.</al><al>Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden op het
                                evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor bij of
                                krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en
                                welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het
                                tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een
                                overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder
                                hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, die aan de
                                vergunning zijn verbonden, in acht te nemen.</al><al>Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben
                                gesloten als bedoeld in het zesde lid, is het bepaalde in het vijfde
                                lid op hen van overeenkomstige toepassing.</al><al>Het bepaalde in het zesde lid geldt niet voor activiteiten die reeds
                                krachtens een voor onbepaalde tijd dan wel voor een periode langer
                                dan drie maanden verleende vergunning voor aan een specifieke plaats
                                gebonden handelingen op het evenemententerrein plaatsvinden.</al><al>a.Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat, wat
                                het evenemententerrein betreft, voor het in gebruik nemen van
                                openbare gemeentegrond of openbaar gemeentewater met de gemeente
                                Vlissingen een overeenkomst kan worden gesloten die bedingen bevat
                                die mede de belangen betreffen als bedoeld in het derde lid.</al><al>Voor de onder a bedoelde de privaatrechtelijke weg kan alleen worden
                                gekozen indien deze niet de publiekrechtelijke regeling op
                                onaanvaardbare wijze doorkruist.</al><al>De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er
                                de feitelijke leiding bij heeft is, indien de burgemeester een bevel
                                geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid bedoelde
                                belangen, verplicht daaraan direct gevolg te geven en, indien nodig,
                                het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij verplicht is
                                ervoor zorg te dragen dat geen publiek meer wordt toegelaten.</al><al>De burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke
                                gebeurtenissen aanwijzen, waarop het in het tweede lid bedoelde
                                verbod niet van toepassing is. De burgemeester kan bij deze
                                aanwijzing nadere eisen stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Evenementen in gebouwen</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in of in een
                                gedeelte van een gebouw of van een vaartuig een voor het publiek
                                toegankelijke gebeurtenis te houden of te doen houden, of voor dat
                                doel een gebouw of vaartuig of gedeelte daarvan te gebruiken.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:</al><al> manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties;</al><al> markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet;</al><al>evenementen in gebouwen waarvoor een gebruiksvergunning als bedoeld
                                in de Bouwverordening van kracht is en sprake is van reguliere
                                activiteiten die volledig binnen de begrenzing van één inrichting in
                                de zin van de Wet milieubeheer vallen.</al><al>De burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke
                                gebeurtenissen aanwijzen, waarop het in het eerste lid bedoelde
                                verbod niet van toepassing is. De burgemeester kan bij deze
                                aanwijzing nadere eisen stellen.</al><al>De burgemeester kan de in het eerste lid bedoeld vergunning weigeren
                                op grond van een belang als bedoeld in artikel 2:16, derde en vierde
                                lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Ordeverstoring bij evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden bij door de burgemeester aangewezen evenementen
                                    blikjes, glaswerk, glazen flessen en hardplastic flessen
                                    aanwezig te hebben, te verkopen, te verstrekken of te
                                    vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht, bij evenementen, alle aanwijzingen van
                                    een toezichthouder in het belang van openbare orde of veiligheid
                                    terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Kermissen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Kermissen, aantal, locaties en periodes</titel></kop><al>In de gemeente Vlissingen bestaan drie kermissen:</al><lijst><li nr="1."><al>De kermis die jaarlijks wordt gehouden in binnenstad van
                                        Vlissingen, vanaf de vrijdag voorafgaande aan de derde
                                        maandag in juli, tot en met de zondag daaraanvolgend.</al></li><li nr="2."><al>De Pinksterkermis die jaarlijks wordt gehouden in
                                        Oost-Souburg, vanaf de vrijdag voor Pinksteren tot en met
                                        derde Pinksterdag, op een door het college te bepalen
                                        plaats.</al></li><li nr="3."><al>De overdekte kermis in het gebouw De Carrousel van het
                                        vermaakscentrum Het Arsenaal.</al></li><li nr="4."><al>De duur van deze kermis is het gehele jaar door.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Kermis binnenstad Vlissingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2:19, eerste lid, genoemde kermis is een algemene
                                    kermis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voorschriften vast omtrent de tijden dat de
                                    kermis voor het publiek is geopend en ter voorkoming van
                                    geluidsoverlast. Het college bepaalt het aantal, de locatie en
                                    het soort attracties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het openingstijdstip van deze kermis is op vrijdag om 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze kermis wordt geëxploiteerd door de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Kermis Oost-Souburg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2:19, tweede lid, genoemde kermis is een algemene
                                    kermis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voorschriften vast omtrent de tijden dat de
                                    kermis voor het publiek geopend is en ter voorkoming van
                                    geluidsoverlast. Het college bepaalt het aantal en het soort van
                                    de te plaatsen attracties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd de organisatie van deze kermis te
                                    verpachten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Kermis Arsenaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2:19, derde lid, bedoelde kermis betreft de
                                    expositie van kermiscuriosa, automaten en andere voorwerpen,
                                    uitsluitend ter bezichtiging en de exploitatie van
                                    kermisautomaten die vallen onder de speelautomatenregeling. De
                                    exploitatie van een horecabedrijf ter plaatse is, met
                                    inachtneming van de desbetreffende voorschriften,
                                    toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze kermis wordt geëxploiteerd door een particulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester is belast met het verlenen van een vergunning
                                    aan de exploitant ingevolge deze verordening tot exploitatie van
                                    deze kermis. In de vergunning worden nadere voorwaarden gesteld
                                    omtrent de openingstijden van deze kermis, aantal van de op te
                                    stellen automaten en voorschriften over de toelating van publiek
                                    tot gebruik van deze automaten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De afdeling verstaat onder:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1.</al></entry><entry><al>Openbare inrichting:</al></entry><entry><al>de inrichting waarin bedrijfsmatig of in een
                                                  omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                                                  verstrekt of dranken worden geschonken of
                                                  rookwaren of spijzen voor directe consumptieve
                                                  worden bereid of verstrekt. Onder een openbare
                                                  inrichting worden in ieder geval verstaan: een
                                                  hotel, restaurant, kiosk, pension, café,
                                                  cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of
                                                  clubhuis alsmede een bij deze inrichting behorend
                                                  terras en de andere aanhorigheden;</al></entry></row><row><entry><al>2.</al></entry><entry><al>Terras:</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                                  inrichting liggend deel daarvan waar zit of sta-
                                                  gelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                                  vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                                  spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                                  bereid of verstrekt, met daarin het onderscheid
                                                  tussen een:</al><al>1. gevelterras: terrassen grenzend aan de gevel
                                                  van een openbare inrichting waarin een
                                                  horeca-bedrijf geëxploiteerd wordt. </al><al>2. overige terrassen: alle terrassen niet
                                                  grenzend aan de gevel van een openbare
                                                  inrichting.</al></entry></row><row><entry><al>3.</al></entry><entry><al>Personen die geen bezoeker zijn van een openbare
                                                  inrichting:</al></entry><entry><al>a. de directe gezinsleden van de houder;</al><al>b. de personen die voorkomen in het register als
                                                  bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
                                                  Strafrecht;</al><al>c. de personen wier aanwezigheid in de
                                                  inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                  is;</al></entry></row><row><entry><al>4.</al></entry><entry><al>Leidinggevende:</al></entry><entry><al>a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van
                                                  een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor
                                                  wiens rekening en risico wordt uitgeoefend: </al><al>- het horecabedrijf, met uitzondering van
                                                  bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in
                                                  artikel 4 van de Drank- en Horecawet ;</al><al>- een openbare inrichting waarin geen
                                                  alcoholhoudende dranken worden verkocht;</al><al>b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding
                                                  geeft aan een openbare inrichting, waarin wordt
                                                  uitgeoefend het horecabedrijf of het bedrijf
                                                  waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht
                                                  in een of meer openbare inrichtingen; </al><al>c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke
                                                  leiding geeft aan de uitoefening van het
                                                  horecabedrijf of het bedrijf waarin geen
                                                  alcoholhoudende drank wordt verkocht in een
                                                  openbare inrichting; </al></entry></row><row><entry><al>5.</al></entry><entry><al>Houder:</al></entry><entry><al>degene die een openbare inrichting exploiteert
                                                  op grond van het bepaalde in artikel 2:24 of
                                                  artikel 2:26. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De vestiging of de exploitatie van de openbare
                                            inrichting in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon
                                            betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door
                                            een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn
                                            gevolmachtigde daarvan, of de leidinggevende:</al><lijst><li nr="1."><al>geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten
                                                  hoogste drie maanden voor de datum waarop de
                                                  vergunningaanvraag is ingediend, is
                                                  afgegeven;</al></li><li nr="2."><al>onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk
                                                  gezag of voogdij ontzet is;</al></li><li nr="3."><al>in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</al></li><li nr="4."><al>de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt
                                                  indien het een openbare inrichting betreft waarin
                                                  alcoholhoudende dranken worden verkocht;</al></li><li nr="5."><al>de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt
                                                  indien het een openbare inrichting betreft waarin
                                                  geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke
                                            toestand niet met het in de aanvrage vermelde in
                                            overeenstemming zal zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening
                                    met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare
                                    inrichting is of zal zijn gelegen, de aard van de openbare
                                    inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse
                                    reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                    exploitatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste
                                    lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en
                                    omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat
                                    ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd
                                    of wanneer sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>het benutten van voordelen uit strafbare feiten en</al></li><li nr="b."><al>het plegen van strafbare feiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van
                                    een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden
                                    verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in
                                    het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                                    Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning
                                    door het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in
                                    het tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van
                                    het bepaalde in het tweede lid onder b1.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting
                                    behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over
                                    de ingebruikneming van die weg voor het terras.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een
                                    winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                    zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit
                                    en waarbij de openbare inrichting maximaal twintig vierkante
                                    meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het
                                    vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke
                                    winkelgedeelte.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid
                                    gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in
                                    een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of
                                    bedrijfsrestaurant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Terrassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant van een openbare inrichting, waarvoor een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 2:24 juncto artikel 2:26 niet
                                    is vereist, verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    terras in gebruik te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert een vergunning voor de ingebruikneming
                                    van een terras indien de exploitant van de openbare inrichting
                                    niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel
                                    2:24, tenzij deze ingevolge artikel 2:26 niet is vereist. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning voor een gevel terras geldt voor het hele jaar.
                                    Een vergunning voor de overige terrassen geldt alleen voor de
                                    periode 1 maart tot 31 oktober. Het is verboden de overige
                                    terrassen (niet zijnde de gevelterrassen) tijdens de
                                    sluitingsperiode (winterstop) voor bezoekers geopend te hebben
                                    dan wel ter plaatse aanwezig te hebben. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, kan de burgemeester
                                    de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij
                                    een openbare inrichting horende terrassen weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="c."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="d."><al>deze liggen onder het beluifelde gedeelte van de
                                            Walstraat, Kleine Markt of Oude Markt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Vrijstelling vergunningsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen
                                    voorschriften dat het gestelde in artikel 2:24 niet geldt voor
                                    een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in
                                    de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen
                                    gedeelten van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatie van een openbare inrichting, en de exploitatie
                                    van bij een openbare inrichting behorende terras(sen) waarop een
                                    besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is,
                                    geschiedt zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid en het milieu niet op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen, inclusief daartoe behorende terrassen,
                                    zijn gesloten tussen 02.00 en 06.00 uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben of bezoekers in de inrichting of het bijbehorende
                                    terras te laten verblijven tijdens sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd:</al><lijst><li nr="-"><al>om tussen 02.00 uur en 03.00 uur bezoekers in de
                                            openbare inrichting aanwezig te hebben, mits geen nieuwe
                                            bezoekers worden toegelaten;</al></li><li nr="-"><al>op grond van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                            beoordeling;</al></li><li nr="-"><al>aan maximaal vier openbare inrichtingen waar
                                            alcoholhoudende drank mag worden verstrekt om tot 05.00
                                            uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te
                                            hebben, onder het voorbehoud dat deze openbare
                                            inrichtingen in elk geval gesloten zijn tussen 05.00 uur
                                            en 09.00 uur en tussen 04.00 uur en 05.00 uur geen
                                            nieuwe bezoekers worden toegelaten;</al></li><li nr="-"><al>aan maximaal vier openbare inrichtingen die zich in
                                            hoofdzaak richten op het verstrekken van geringe
                                            etenswaren om tot 04.00 uur bezoekers in de openbare
                                            inrichting aanwezig te hebben. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing voor zover
                                    in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een uitzondering op het eerste lid van dit artikel wordt
                                    gemaakt in de nacht van zaterdag op zondag in het laatste
                                    weekend van maart waarin de klok een uur vooruit gezet wordt in
                                    verband met de verschuiving van winter- naar zomertijd om het
                                    normale aantal uren die nacht het bedrijf geopend te hebben (dus
                                    tot 3.00 uur zomertijd).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of
                                    meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel
                                    2:27 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting
                                    bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van
                                    de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><al>Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de
                                tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:27 of ingevolge een op
                                grond van artikel 2:28 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich
                                daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting gedrag ten toon te
                                spreiden dat aanleiding is tot ordeverstoring dan wel in strijd is
                                met de goede zeden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:23 geen
                                inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt
                                niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan
                                voor de artikelen 2:24 tot en met 2:28.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, binnen
                                    twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, binnen
                                    twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Verbod verstrekken sterke drank in bepaalde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1,
                                            eerste lid, van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>Sterke drank: sterke drank als bedoeld in artikel 1,
                                            eerste lid, van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden tegen vergoeding sterke drank voor gebruik ter
                                    plaatse te verstrekken in een inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in
                                            hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes,
                                            patates frites en kroketten worden verkocht;</al></li><li nr="b."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het
                                            geven van onderwijs;</al></li><li nr="c."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij jeugdorganisaties of
                                            -instellingen;</al></li><li nr="d."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij sportorganisaties of
                                            -instellingen;</al></li><li nr="e."><al>die of waarvan een onderdeel in gebruik is als
                                            wachtruimte voor passagiers van een openbaar
                                            vervoerbedrijf;</al></li><li nr="f."><al>die gelegen is op een kampeer- of caravanterrein;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Aanwezigheid van een leidinggevende</titel></kop><al>Het is verboden een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende
                                dranken worden verkocht voor het publiek geopend te houden, indien
                                in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat
                                op een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 met betrekking tot die
                                inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Inrichtingseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt
                                    verkocht, dient ten minste te voldoen aan de eisen zoals vermeld
                                    in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een openbare inrichting, waar tegen vergoeding voor gebruik
                                    elders dan ter plaatse uitsluitend of in hoofdzaak geringe
                                    etenswaren worden verstrekt die in dezelfde inrichting worden
                                    bereid, dient te beschikken over een voor het publiek
                                    toegankelijke ruimte met een nuttige vloeroppervlakte van ten
                                    minste 15m².</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                    eerste en tweede lid van dit artikel.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of
                                            de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="65*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>wet:</al></entry><entry colname="col3"><al>de Wet op de kansspelen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>speelautomaat:</al></entry><entry colname="col3"><al>automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                                  de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>kansspelautomaat:</al></entry><entry colname="col3"><al>automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van
                                                  de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>hoogdrempelige inrichting:</al></entry><entry colname="col3"><al>inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d,
                                                  van de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>laagdrempelige inrichting:</al></entry><entry colname="col3"><al>inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e,
                                                  van de wet.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer, inkt of een kleur- of verfstof
                                            een afbeelding, letter, cijfer of graffiti aan te
                                            brengen of te doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, inkt, kleur- of verfstof,
                                    verfgereedschap, plaksel of lijm te vervoeren of bij zich te
                                    hebben</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:45.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de gereedschappen,
                                    voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd
                                    om in te breken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Varen in openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>taluds: de hellende oppervlakten van de zijdelingse
                                            begrenzingen van oppervlaktewater en waterlopen;</al></li><li nr="b."><al>oppervlaktewater: het water met inbegrip van de
                                            waterbodem en de taluds die een functie hebben voor de
                                            af- en aanvoer en/of de berging van het op de bodem vrij
                                            aanwezige water;</al></li><li nr="c."><al>waterlopen: het water met inbegrip van de waterbodem en
                                            de taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer
                                            en/of de berging van het op de bodem vrij aanwezige
                                            water, en die als zodanig in de legger zijn
                                            aangegeven;</al></li><li nr="a."><al>legger: de legger als bedoeld in artikel A1, vierde lid,
                                            sub a, van de Verordening waterhuishouding Zeeland
                                            2002.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te varen in openbaar oppervlaktewater en
                                    openbare waterlopen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gesteld verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Verordening waterhuishouding Zeeland 2002 of de Keur waterbeheer
                                    waterschap Zeeuwse Eilanden 2007.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Slapen op of aan openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4:20 is het verboden tussen
                                    zonsondergang en zonsopgang:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen, dan
                                            wel daartoe gelegenheid te bieden;</al></li><li nr="b."><al>op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen in
                                            een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk
                                            onderkomen dan wel daartoe gelegenheid te bieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid
                                    gestelde verbod niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Verordening kleinschalig kamperen Vlissingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden :</al><lijst><li nr="a."><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op
                                            een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                            veroorzaakt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Verboden drank- en softdrugsgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="a."><al>alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                                            flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                            bij zich te hebben;</al></li><li nr="b."><al>drank in glazen met zich te voeren of bij zich te
                                            hebben;</al></li><li nr="c."><al>anderszins dan verpakt, glazen bij zich te hebben,
                                            tenzij met het kennelijk en uitsluitend oogmerk van
                                            vervoer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld
                                            in artikel 2:23, eerste lid, onder c;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35, tweede lid, van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                    college aangewezen gebied softdrugs te gebruiken of openlijk
                                    voorhanden te hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst
                                    II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>van 15 april tot en met 15 september op de stranden,
                                            gelegen voor de Boulevards Evertsen, Bankert en de
                                            Ruijter, op het Nollestrand, op het strand Westduin of
                                            in de daarbij behorende kleedruimtes;</al></li><li nr="b."><al>op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op andere door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="d."><al>onverminderd het bepaalde onder a tot en met c, anders
                                            dan kort aangelijnd:</al></li><li nr="i."><al>binnen de bebouwde kom op de weg;</al></li><li nr="ii."><al>op andere door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>buiten de bebouwde kom op de weg zonder voldoende
                                            toezicht;</al></li><li nr="f."><al>op de weg zonder dat die hond voorzien is van aan een
                                            halsband, door middel van tatoeage of op andere wijze,
                                            aangebrachte identificatiegegevens die de eigenaar of
                                            houder duidelijk doen kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste lid genoemde verboden
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en c gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom: op een gedeelte van de weg dat
                                            is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van
                                            voetgangers.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt, dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="b."><al>de hond gebruik maakt van door het college aangewezen
                                            plaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid is een
                                    ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom
                                    verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke
                                    verwijdering van hondenuitwerpselen op wegen en/of andere voor
                                    publiek toegankelijke plaatsen bij zich te hebben en dit
                                    hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegde ambtenaar
                                    te tonen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste lid genoemde verboden
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid, onder a en c gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat
                                                beantwoordt aan de volgende beschrijving: een
                                                muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of
                                                van</al></li></lijst></li></lijst><al>stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige
                                leren</al><al>riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering
                                zonder</al><al>toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht
                                dat</al><al>de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte
                                binnen</al><al>de ruimte een geringe opening van de bek toelaat en dat geen</al><al>scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;</al><lijst><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                        lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is
                                        dan 1,50 meter.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden
                                                die hond te laten verblijven of te laten lopen op
                                                een openbare plaats of op het terrein van een
                                                ander:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar
                                        of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk
                                        of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het
                                        gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                        nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                        bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht
                                        en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag
                                        van die hond noodzakelijk vindt.</al><lijst><li nr="3."><al>In afwijking van artikel 2:56, eerste lid onder f,
                                                geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien
                                                dat de hond voorzien moet zijn van een optisch
                                                leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk
                                                in het oor of de buikwand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen gestelde regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/modelverordening/Model-Algemene_Plaatselijke_Verordening.jspHet
                                is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg
                                of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of
                                andere zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61a</nr><titel>Mosquito</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                    dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge
                                    pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden
                                    van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester
                                    in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare
                                    plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige
                                    overlast door jongeren op die plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt kenbaar gemaakt op de
                                    plaats waar deze is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                    overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                    zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een
                                    periode van ten hoogste zes maanden verlengen. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/modelverordening/Model-Algemene_Plaatselijke_Verordening.jspIn
                                deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                                gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:5, 2:6, 2:8, 2:11,
                                2:50, 2:51, 2:52 of 2:64 groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen te
                                    weten:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeergarage Aagje Dekenstraat en</al></li><li nr="b."><al>parkeergarage Spuistraat (De Fonteyne).</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15.</nr><titel>Internetcafés en belhuizen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Belhuis: een ruimte waar uitsluitend of in hoofdzaak een aantal
                                telefoonlijnen tegen betaling beschikbaar is voor gebruik door het
                                publiek voor het voeren van telefoongesprekken en / of verzenden van
                                faxberichten.</al><al>Internetcafé: een ruimte waar uitsluitend of in hoofdzaak een aantal
                                computers tegen betaling beschikbaar is voor gebruik door het
                                publiek en waarmee toegang kan worden verkregen tot het internet.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Sluitingstijden internetcafé en belhuis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een internetcafé of belhuis voor het publiek
                                    geopend te hebben tussen 24.00 uur en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan van het in het eerste lid bedoeld verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Winkeltijdenwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Tijdelijk andere sluitingstijden</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in het geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer
                                internetcafés of belhuizen tijdelijk andere dan de krachtens artikel
                                2:70 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting
                                bevelen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten internetcafé en belhuis</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden, gedurende de tijd dat een internetcafé of
                                belhuis ingevolge het bepaalde in artikel 2:70 of een op grond van
                                artikel 2:71 genomen besluit is gesloten, zich in een internetcafé
                                of belhuis te bevinden.</al><al>Het is de exploitant verboden gedurende de tijd dat een internetcafé
                                of belhuis ingevolge artikel 2:70 of een op grond van artikel 2:71
                                genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zijn
                                internetcafé of belhuis voor bezoekers geopend te hebben of daarin
                                één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16</nr><titel>Carbidschieten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a. </al></entry><entry><al>bevoegd bestuursorgaan:</al></entry><entry><al>het college of, voor zover het betreft openbare
                                                  samenkom-sten en vermakelijkheden als bedoeld in
                                                  artikel 174 van de Gemeentewet, de
                                                  burgemeester;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>bus:</al></entry><entry><al>een al dan niet originele melkbus, of een andere
                                                  bus van staal of ijzer, een container, een
                                                  opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te
                                                  stellen voorwerp;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>carbidschieten:</al></entry><entry><al>het in een bus op explosieve wijze verbranden
                                                  van acety-leengas afkomstig van een reactie tussen
                                                  carbid (calci-umacetylide) en water of van een
                                                  gasmengsel met verge-lijkbare eigenschappen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Verbod carbidschieten</titel></kop><al>Carbidschieten in de openlucht is verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Vrijstelling verbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verbod gesteld in artikel 2:74 geldt niet indien
                                    carbidschieten plaatsvindt op 31 de-cember tussen 10.00 en 24.00
                                    uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, mits:</al><lijst><li nr="a."><al> daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een
                                            inhoud van ten hoogste één liter;</al></li><li nr="b."><al>daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten
                                            waarvan degene die het car-bidschieten verricht weet of
                                            redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar,
                                            schade of hinder kan optreden voor personen of voor de
                                            omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod
                                    gesteld in artikel 2:74 eveneens niet indien carbidschieten
                                    plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1
                                    januari tussen 00.00 en 02.00 uur buiten de bebouwde kom,
                                    mits:</al><lijst><li nr="a."><al> daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een
                                            inhoud van ten hoogste 50 liter;</al></li><li nr="b."><al>daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten
                                            waarvan degene die het car-bidschieten verricht weet of
                                            redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar,
                                            schade of hinder kan optreden voor personen of voor de
                                            omgeving;</al></li><li nr="c."><al>degene die het carbidschieten verricht, een
                                            schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de
                                            eigenaar van het terrein van waaraf wordt
                                            geschoten;</al></li><li nr="d."><al> de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is
                                            gelegen:</al><al>• op een afstand van ten minste 75 meter van
                                            woonbebouwing;</al><al>• op een afstand van ten minste 300 meter van
                                            inrichtingen voor de intramurale zorg;</al><al>• op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik
                                            zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;</al><al>• op een afstand van ten minste 500 meter van een
                                            vogelbeschermingsgebied.</al></li><li nr="e."><al> wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is
                                            aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing
                                            is gelegen;</al></li><li nr="f."><al>het vrije schootsveld ten minste 75 meter is en hierin
                                            geen verharde openbare wegen of paden liggen;</al></li><li nr="g."><al>er geen busdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen
                                            worden weggeschoten;</al></li><li nr="h."><al>het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen
                                            zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of
                                            goed kan worden veroorzaakt;</al></li><li nr="i."><al>het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met
                                            linten of ander vergelijkbaar materiaal;</al></li><li nr="j."><al>binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de
                                            plaats waar het carbidschie-ten plaatsvindt, in totaal
                                            niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden
                                            gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten
                                            aanwezig worden gehouden;</al></li><li nr="k."><al>de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op
                                            andere wijze zijn veran-kerd, dat terugslag wordt
                                            voorkomen;</al></li><li nr="l."><al>het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten
                                            minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van
                                            alcohol of andere psychotrope stoffen;</al></li><li nr="m."><al>teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen
                                            veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten
                                            wordt gehouden door ten minste één persoon van ten
                                            minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van
                                            alcohol of andere psychotrope stoffen;</al></li><li nr="n."><al> het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht
                                            indien het carbidschieten plaatsvindt na
                                            zonsondergang.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Bij zich hebben van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op
                                    andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op
                                    1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen
                                    aan wie carbid is afge-leverd, gedurende de tijd die nodig is om
                                    thuis te komen, noch op degene die aanneme-lijk maakt dat hij
                                    het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de
                                    houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:78.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling</titel></kop><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan ter voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer
                                gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aanwijzen
                                waar het gestelde in artikel 2:75 niet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Ontheffing</titel></kop><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het
                                artikel 2:74 gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:79</nr><titel>Toepasselijkheid</titel></kop><al>Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer,
                                de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet
                                vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van
                                toepassing is.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                                ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        en de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                                Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                                of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek
                                                van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
                                                van zes maanden of meer door de rechter in
                                                Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                                door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                                naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                                hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                                Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                                rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld
                                                tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of
                                                meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in
                                                artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding
                                                van:</al></li></lijst></li></lijst><al>? bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>? de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                                252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>? de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel
                                8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>? de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                de kansspelen;</al><al>? de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>? de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><lijst><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                                artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                                Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                                Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de
                                                geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                                vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van de intrekking van deze
                                                vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                        geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting
                                        of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het
                                        bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                        vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen
                                        verwijt treft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 02.00 en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Beslissingstermijn en weigingsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of – veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging exploitatie en wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>besluit:</al></entry><entry><al>het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                                  milieubeheer;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>inrichting:</al></entry><entry><al>een inrichting type A of B als bedoeld in het
                                                  besluit;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>houder van een inrichting:</al></entry><entry><al>degene die als eigenaar, leidinggevende of
                                                  anderszins een in-richting drijft;</al></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>openbare inrichting:</al></entry><entry><al>een openbare inrichting als bedoeld in artikel
                                                  2:23;</al></entry></row><row><entry><al>e.</al></entry><entry><al>sportinrichting:</al></entry><entry><al>inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak
                                                  sprake is van een of meer voorzieningen of
                                                  installaties voor het in de open lucht of in een
                                                  besloten ruimte beoefenen van sport in
                                                  wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                                                  wedstrijden of voor recreatieve doelein-den;</al></entry></row><row><entry><al>f.</al></entry><entry><al>recreatie-inrichting:</al></entry><entry><al>inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak
                                                  sprake is van:</al><al>• een gelegenheid tot zwemmen of baden, </al><al>• een of meer voorzieningen voor het in een
                                                  besloten ruimte dansen of geven van
                                                  dansonderricht,</al><al>• het in een besloten ruimte onderrichten van
                                                  muziek of toneel, het oefenen of houden van
                                                  muziek-, toneel- of daarmee ver-wante
                                                  uitvoeringen,</al><al>• het in een besloten ruimte vertonen van films,
                                                  houden van presentaties, vergaderingen of
                                                  congressen,</al><al>• het tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of
                                                  voortbrengsels van kunst, cultuur of
                                                  wetenschap,</al><al>• het in de open lucht vertonen van films,
                                                  houden van muziek-, toneel of daarmee verwante
                                                  uitvoeringen,</al><al>• het bieden van gelegenheid tot het deelnemen
                                                  aan kansspe-len of om mee te dingen naar prijzen
                                                  of premies door enige kansbepaling;</al><al>• het gebruiken van speelautomaten;</al><al>• het bieden van recreatief dagverblijf of</al><al>• het aanwezig zijn van een of meer
                                                  voorzieningen voor re-creatieve doeleinden, het
                                                  bieden van recreatief nachtverblijf in
                                                  vakantiewoningen, trekkershutten of op
                                                  kampeerterreinen.</al></entry></row><row><entry><al>g.</al></entry><entry><al>collectieve festiviteit:</al></entry><entry><al>festiviteit die niet specifiek aan één of een
                                                  klein aantal inrichtin-gen is verbonden;</al></entry></row><row><entry><al>h.</al></entry><entry><al>incidentele festiviteit:</al></entry><entry><al>festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                                                  één of een klein aantal inrichtingen,</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wij-zen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen ten aanzien van inrichtingen waarop het oude
                                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
                                    van toepassing was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen. In dit geval is het bepaalde in het vierde lid niet
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting waarop het oude Besluit horeca-, sport- en
                                    recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was,
                                    toegestaan maximaal acht incidentele festiviteiten per
                                    kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in
                                    de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:6
                                    van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder
                                    van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting die niet valt onder een inrichting als
                                    bedoeld in het eerste lid toegestaan gedurende één dag per
                                    kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is een inrichting als bedoeld in het eerste lid toegestaan
                                    om tijdens maximaal acht incidentele festiviteiten per
                                    kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van
                                    sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 , eerste lid, van het
                                    Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting
                                    dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit
                                    schriftelijk bij het college heeft gemeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 4:3 is gedaan;</al></li><li nr="b."><al> gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de
                                        melding als bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten
                                        hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige
                                        hinder te voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>de burgemeester het organiseren van een incidentele
                                        festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de
                                        woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of
                                        de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden
                                        beïnvloed.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Geluidsplafond</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking
                                van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Aanwijzingen horecaconcentratiegebied</titel></kop><al>Het college kan een gebied aanwijzen als horecaconcentratiegebied
                                als bedoeld in artikel 6.16 van het Besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Geluid- en trillingshinder door bouw-, sloop- en
                                    onderhoudswerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden toestellen, installaties of apparaten voor
                                    bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden in werking te hebben of
                                    handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een
                                    omwonende of voor de omgeving ernstige hinder door geluid of
                                    trillingen wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid
                                    ontheffing verlenen. Het college kan in dat geval degene die de
                                    activiteiten verricht de verplichting opleggen tot storting van
                                    een financiële bijdrage in een fonds waarvan de middelen worden
                                    aangewend indien nadeelcompensatie vanwege bouwhinder aan de
                                    orde is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                            college aan te wijzen activiteiten. Het college stelt
                                            beleidsregels met algemene voorschriften op waaraan bij
                                            die activiteiten wordt voldaan.</al></li><li nr="b."><al>Het eerste lid is evenmin van toepassing op door het
                                            college aan te wijzen activiteiten die tussen 19.00 en
                                            07.00 uur of op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende
                                            feestdagen plaatsvinden. Het college stelt beleidsregels
                                            op met algemene voorschriften waaraan bij die
                                            activiteiten wordt voldaan. Een tijdige melding van deze
                                            activiteiten bij het college is vereist.</al></li><li nr="c."><al>De onder a en b bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                            betreffen:</al><al>- het maximale geluid- en trillingsniveau;</al><al>- de situering van geluid- en trillingsbronnen;</al><al>- de frequentie en tijden van gebruik;</al><al>- communicatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en
                                    Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale
                                    milieuverordening Zeeland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7a</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                    hebben of handelingen te verrichten op een zodanig wijze dat
                                    voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder
                                    optreedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan activiteiten aanwijzen waarop het in het eerste
                                    lid bedoeld verbod niet van toepassing is wanneer wordt voldaan
                                    aan de door het college vast te stellen voorschriften, waaronder
                                    het bepaalde in artikel 2:75.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoeld voorschriften kunnen onder meer
                                    betreffen:</al><al>- het maximale geluidsniveau;</al><al>- de situering van geluidsbronnen;</al><al>- de frequentie en tijden van gebruik;</al><al>- communicatie</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 4:7 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en
                                    Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale
                                    milieuverordening Zeeland. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7b</nr><titel>Indienen ontheffing of melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit binnen zes maanden op een aanvraag om
                                    ontheffing van het verbod bedoeld in artikel 4:7, tweede lid.
                                    Het college kan dit besluit met twee maanden verdagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een melding als bedoeld in artikel 4:7, derde lid, onder b wordt
                                    ingediend bij het college uiterlijk vier weken voor de datum van
                                    het begin van de bouw-, sloop of onderhoudsactiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college besluit binnen drie maanden op een aanvraag om een
                                    ontheffing als bedoeld in artikel 4:7a, tweede lid. Het college
                                    kan dit besluit met een maand verdagen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="b."><al>Hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>Bomenlijst: de lijst met waardevolle bomen die een voor
                                            ieder goed herkenbare omschrijving van de standplaats
                                            omvat alsmede het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar
                                            of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van
                                            iedere houtopstand.</al></li><li nr="d."><al>Groene kaart: de overzichtskaart waarop de openbare
                                            ruimte is aangegeven waar het verbod als bedoeld in
                                            artikel 4:12, eerste lid, van kracht is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    houtopstand te vellen of te laten vellen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het gebied dat is aangegeven op de groene kaart
                                            (bijlage 1).</al></li><li nr="b."><al>die is opgenomen in de door het college vastgestelde
                                            bomenlijst (bijlage 2);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                            populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen; </al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die:</al><al>- ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien
                                            are,</al><al>- ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan
                                            twintig bomen, gerekend over het totale aantal
                                            rijen;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het college, zulks onverminderd het bepaalde in
                                            artikel 4:16a.</al></li><li nr="h."><al>houtopstand, waarvan de gemeente de eigenaresse of de
                                            rechthebbende is, wanneer het vellen tot doel heeft een
                                            houtopstand te vervangen door nieuwe aanplant;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Weigering en herplantplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;</al></li><li nr="g."><al>de dendrologische waarde van de houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vergunninghouder een herplantplicht opleggen
                                    onder nader te stellen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien niet ter plaatse of elders kan worden voldaan aan de in
                                    het tweede lid bedoelde herplantplicht dient de vergunninghouder
                                    een door het college vast te stellen financiële bijdrage te
                                    storten in het gemeentelijke herplantfonds.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>De vergunning als bedoeld in artikel 4:12, eerste lid, wordt geacht
                                te zijn verleend, wanneer niet binnen de in artikel 1:2 genoemde
                                termijn een beslissing is genomen na ontvangst van de melding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Waardevolle bomenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beheert en actualiseert de bomenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar of zakelijk gerechtigde van een houtopstand die op
                                    de bomenlijst staat is verplicht schriftelijk aan het college
                                    mededeling te doen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de
                                            houtopstand anders dan door velling op grond van een
                                            kapvergunning. De mededeling dient te geschieden binnen
                                            vier weken na het geheel of gedeeltelijk teniet
                                            gaan.</al></li><li nr="b."><al>de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk
                                            teniet kan gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden
                                            van welke aard dan ook. De mededeling dient te
                                            geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging
                                            dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan
                                            gaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van
                                    een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt dient ten minste
                                    acht weken voor het begin van de beoogde werkzaamheden een
                                    aanvraag om een kapvergunning te worden ingediend overeenkomstig
                                    het bepaalde in artikel 4:12, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen, bij
                                            voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, bij
                                            voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
                                            vernietigen door een erkend gecertificeerd
                                            recyclingbedrijf of zodanig te laten behandelen door een
                                            erkend gecertificeerd recyclingbedrijf dat verspreiding
                                            van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan vier centimeter voorhanden of in voorraad te hebben,
                                    te houden of te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                    bedoeld verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16a</nr><titel>Verbod bevestigen voorwerpen in of aan bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om voorwerpen aan te brengen of te houden in of
                                    aan een houtopstand, die staat in een openbare plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het aanvragen van de
                                    in het tweede lid bedoelde ontheffing</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:19 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Landschapsverordening Zeeland 2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18a</nr><titel>Vergunningsplicht handelsreclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                    onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp
                                    van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan
                                    ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het
                                            inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet
                                            kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                            weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                            zaken, daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en de
                                            langste zijde korter dan één meter die betrekking hebben
                                            op:</al><al>- een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop,
                                            verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks
                                            voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al><al>- het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de
                                            onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak
                                            is bestemd;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van
                                            in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van
                                            degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het
                                            bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn
                                            aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde
                                            bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke
                                            betekenis hebben; </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al> opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                            zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze
                                            zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van
                                    kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis
                                    hebben, mits:</al><lijst><li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk
                                            kennisgeving is gedaan aan het college;</al></li><li nr="b."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                            kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;</al></li><li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen
                                            weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    bouwwerken en niet op of aan wegen voor zover de
                                    Landschapsverordening Zeeland 2001 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40
                                van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel
                                gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:21</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4:20, eerste lid niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:20, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="79*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>voertuigen:</al></entry><entry colname="col3"><al>voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                                  van het Reglement verkeersregels en
                                                  verkeerstekens, met uitzondering van kleine wagens
                                                  zoals: kruiwagens, kinderwagens en
                                                  rolstoelen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>parkeren:</al></entry><entry colname="col3"><al>parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                                  het Reglement verkeersregels en
                                                  verkeerstekens.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen
                                            de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Landschapsverordening Zeeland 2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                                belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                                daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het verbod voor inzamelingen die
                                    gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    instellingen die zijn ingeroosterd op het landelijke
                                    collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenverwerving.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan inzake het in het eerste lid gestelde verbod
                                    nadere regels stellen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:16.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 18.00 en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden,, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:16.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, het Scheepvaartreglement Westerschelde,
                                    de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening
                                    gemeente Vlissingen 2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Kanaal door
                                    Walcheren of de Landschapsverordening Zeeland 2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:21
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Kanaal door
                                    Walcheren of de Landschapsverordening Zeeland 2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:22, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening Kanaal door
                                    Walcheren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening
                                    Kanaal door Walcheren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare wateren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in openbare wateren een radiografisch of
                                    anderszins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan openbare wateren aanwijzen waar het in het
                                    eerste lid gestelde verbod niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Verbod op strand bevinden met voertuig enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met
                                    een voertuig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met
                                    een rij- of trekdier van 15 april tot en met 15 september.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste en tweede lid omschreven
                                    verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Op stand bestuurbare voorwerpen op of boven het
                                    strand</titel></kop><al>Het is verboden op of boven het strand een radiografisch of
                                anderszins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook
                                aanwezig te hebben.</al><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Verbod luchtbedden enz.</titel></kop><al>Het is verboden bij aflandige wind zich met een luchtbed, een
                                zwemband of dergelijke tot drijven geschikte voorwerpen in zee te
                                begeven of te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Verbod surfen, kite-surfen en kiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich op de door het college ter voorkoming van
                                    gevaar voor baders of zwemmers aangewezen gedeelten van de zee
                                    te bevinden met een voor de plankzeilsport bestemd
                                    vaartuig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is het gehele jaar verboden te kite-surfen en te kiten bij
                                    of op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente
                                    Vlissingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Verbod gevaarlijk varen langs het strand enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in het onmiddellijk langs het strand gelegen
                                    gedeelte van de zee op zodanige wijze te varen of zich door een
                                    vaartuig te laten voorttrekken dat hierdoor gevaar of hinder
                                    voor baders of zwemmers kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te varen of zich door een vaartuig te laten
                                    voorttrekken in door het college aangewezen gebieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    hulpdiensten tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun
                                    taken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod gevaarlijk vliegeren op / aan het strand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan het strand in de periode van 15 april
                                    tot en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur een vlieger
                                    zodanig te bezigen dat hierdoor gevaar voor zich op of aan het
                                    strand bevindende personen kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vlieger
                                    verstaan een als speelgoed of als sportartikel gebruikt
                                    voorwerp, bestaande uit een houten, kunststof- of andere
                                    constructie, bespannen met papier, kunststof of doek, welke aan
                                    één of meerdere touwen of draden in de lucht opgelaten kan
                                    worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Duikverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan strandvakken aanwijzen waarvan en zeevakken
                                    waarin het verboden is te duiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder duiken, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het
                                    onder water blijven met gebruikmaking van hulpmiddelen, zoals
                                    een persluchtfles, trimvest en loodgordel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor hulpdiensten en de
                                    Koninklijke marine tijdens de voorbereiding op en uitoefening
                                    van hun taken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening
                                    Zeeland.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:39</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:40</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en</al></li><li nr="c."><al>boven de hoogwaterlijn op het strand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:41</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                    bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                    voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van
                                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:
                                    2:1; 2:2; 2:5; 2:8; 2:11; 2:12; 2:16; 2:17; 2:18; 2:24; 2:25;
                                    2:27; 2:29; 2:30; 2:33; 2:34; 2:42; 2:44; 2:63; 2:64; 2:65;
                                    2:70; 2:74; 2:76; 3.4; 3:6; 3:8; 3:9; 3:10; 3:11; 4:4; 4:7;
                                    4:7a; 5:2; 5:3; 5:12; 5:14; 5:17, 5:18 en 5:35.</al></li><li nr="2."><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                    bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                    voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete
                                    van de eerste categorie: 2:4; 2:7; 2:9; 2:10; 2:13; 2:14; 2:15a;
                                    2:45; 2:46; 2:47; 2:48; 2:49; 2:50; 2:51; 2:52; 2:53; 2:54;
                                    2:55; 2:56; 2:57; 2:58; 2:59; 2:60; 2:61; 2:72; 4:8; 4:9; 4:12;
                                    4:16; 4:16a; 4:17; 4:18; 4:18a; 4:20; 5:4; 5:5; 5:6; 5:7; 5:8;
                                    5:9; 5:10; 5:20; 5.21; 5:23; 5:24; 5:25; 5:26; 5:27; 5:28; 5:29;
                                    5:30; 5:31; 5:32; 5:33; 5:34; 5:36; 5:37; 5:38; 5:40 en 5:41.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaren bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="b."><al>de inspecteurs handhaving milieu;</al></li><li nr="c."><al>de toezichthouder gebruik openbare ruimte en
                                        sportaccommodaties;</al></li><li nr="d."><al>de evenementencoördinator;</al></li><li nr="e."><al>de technisch beleidsmedewerker milieu;</al></li><li nr="f."><al>de coördinator beheer badstrand;</al></li><li nr="g."><al>de havenmeester;</al></li><li nr="h."><al>de buitengewoon opsporingsambtenaren van het
                                        handhavingsteam;</al></li><li nr="i."><al>artsen en SOA-verpleegkundigen voor zover het toezicht
                                        betreft op (volks)gezondheid en hygiëne als bedoeld in
                                        hoofdstuk 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding verordening</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten, genomen krachtens hoofdstuk 2, afdeling 8 van de Algemene
                                plaatselijke verordening Vlissingen 2009, 2e herziening
                                (Gemeenteblad I.03) die onherroepelijk golden op 1 oktober 2011 en
                                waarvoor het thans vastgestelde hoofdstuk 2, afdeling 8
                                overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:7, derde lid, en artikel 4:7a, derde lid, zijn niet van
                                toepassing op bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden, waarvoor op
                                het moment van inwerkingtreden van deze beleidsregels reeds een
                                volledige (omgevings)vergunning of ontheffing is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verlofvergunningen als bedoeld in artikel 2:33 van de Algemene
                                plaatselijke verordening Vlissingen 2009, 2e herziening
                                (Gemeenteblad I.03) blijven van kracht tot 1 januari 2013. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Vlissingen 2009</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 mei 2012. </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>mr. F. Vermeulen drs. R.H. Roep</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al><vet><cursief>Lijst van gebruikte afkortingen in de APV</cursief></vet></al><al>AA = Ars Aequi</al><al>AB = Administratiefrechtelijke Beslissingen</al><al>Adr = Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al><al>ABRS = Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</al><al>ARRS = Afdeling rechtspraak van de Raad van State</al><al>Afd.= Afdeling</al><al>Awb = Algemene wet bestuursrecht</al><al>Awbi = Algemene wet op het binnentreden</al><al>BABW = Besluit algemene bepalingen inzake het wegverkeer</al><al>BR = Bouwrecht</al><al>BW = Burgerlijk Wetboek</al><al>CBB = College van Beroep voor het bedrijfsleven</al><al>CRvB = Centrale Raad van Beroep</al><al>DHW = Drank- en Horecawet</al><al>Gst.= Gemeentestem</al><al>HR = Hoge Raad</al><al>Ivb = Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm</al><al>JB = Jurisprudentie bestuursrecht</al><al>JG = Jurisprudentie voor Gemeenten</al><al>KB = Koninklijk Besluit</al><al>KG = Kort Geding</al><lijst><li nr="Lbr."><al>= Ledenbrief van de VNG</al></li><li nr="LJN-nr."><al>= nummer Landelijk jurisprudentie netwerk, www.rechtspraak.nl</al></li><li nr="m.nt."><al>= met noot</al></li></lijst><al>MenR = Tijdschrift voor Milieu en Recht</al><al>Model-APV = Model Algemene plaatselijke verordening van de VNG</al><al>NJ = Nederlandse Jurisprudentie</al><al>OB = Openbaar Bestuur</al><al>PG = Parlementaire Geschiedenis</al><lijst><li nr="Pres."><al>= President</al></li><li nr="Rb."><al>= Rechtbank (sector bestuursrecht)</al></li><li nr="Rdbs."><al>= Raadsbesluit</al></li></lijst><al>RVV 1990 = Reglement verkeersregels en verkeerstekens</al><al>Stb.= Staatsblad</al><al>Trw = Tijdelijke referendumwet</al><al>VNG = Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>VR = Verkeersrecht</al><lijst><li nr="Vz."><al>= Voorzitter</al></li><li nr="W."><al>= Weekblad voor het recht</al></li></lijst><al>Wm = Wet milieubeheer</al><al>wnd.= Waarnemend (voorzitter)</al><al>Wok = Wet op de kansspelen</al><al>WOM = Wet openbare manifestaties</al><al>WvSr = Wetboek van Strafrecht</al><al>WvSv = Wetboek van Strafvordering</al><al>WVW 1994 = Wegenverkeerswet 1994</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR VLISSINGEN
                        2009</titel></kop><al/><al><vet><cursief>Lijst van gebruikte afkortingen in de APV</cursief></vet></al><al/><al>AA = Ars Aequi</al><al>AB = Administratiefrechtelijke Beslissingen</al><al>Adr = Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al><al>ABRS = Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</al><al>ARRS = Afdeling rechtspraak van de Raad van State</al><al>Afd. = Afdeling</al><al>Awb = Algemene wet bestuursrecht</al><al>Awbi = Algemene wet op het binnentreden</al><al>BABW = Besluit algemene bepalingen inzake het wegverkeer</al><al>BR = Bouwrecht</al><al>BW = Burgerlijk Wetboek</al><al>CBB = College van Beroep voor het bedrijfsleven</al><al>CRvB = Centrale Raad van Beroep</al><al>DHW = Drank- en Horecawet</al><al>Gst. = Gemeentestem</al><al>HR = Hoge Raad</al><al>Ivb = Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm</al><al>JB = Jurisprudentie bestuursrecht</al><al>JG = Jurisprudentie voor Gemeenten</al><al>KB = Koninklijk Besluit</al><al>KG = Kort Geding</al><al>Lbr. = Ledenbrief van de VNG</al><al>LJN-nr. = nummer Landelijk jurisprudentie netwerk, www.rechtspraak.nl</al><al>m.nt. = met noot</al><al>MenR = Tijdschrift voor Milieu en Recht</al><al>Model-APV = Model Algemene plaatselijke verordening van de VNG</al><al>NJ = Nederlandse Jurisprudentie</al><al>OB = Openbaar Bestuur</al><al>PG = Parlementaire Geschiedenis</al><al>Pres. = President</al><al>Rb. = Rechtbank (sector bestuursrecht)</al><al>Rdbs. = Raadsbesluit</al><al>RVV 1990 = Reglement verkeersregels en verkeerstekens</al><al>Stb. = Staatsblad</al><al>VNG = Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>VR = Verkeersrecht</al><al>Vz. = Voorzitter</al><al>W. = Weekblad voor het recht</al><al>Wm = Wet milieubeheer</al><al>wnd. = Waarnemend (voorzitter)</al><al>Wok = Wet op de kansspelen</al><al>WOM = Wet openbare manifestaties</al><al>WvSr = Wetboek van Strafrecht</al><al>WvSv = Wetboek van StrafvorderingWVW 1994 = Wegenverkeerswet 1994</al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><onderstreept>Algemene toelichting Hoofdstuk 1.</onderstreept></al><al/><al>Hoofdstuk 1 van de APV bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal
                    algemene</al><al>bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is
                    dat de Algemene wet bestuursrecht algemene regels geeft betreffende de aanvraag,
                    de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. In deze
                    toelichting wordt summier ingegaan op de regeling in de Algemene wet
                    bestuursrecht en op de mogelijkheden voor aanvulling of afwijking in de APV.
                    Daarnaast worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 toegelicht.</al><al/><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat onder meer bepalingen, waarin algemene
                    regels zijn geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud van
                    bestuurlijke beslissingen. De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het bevoegde
                    bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of ontheffingen (beschikkingen)
                    moet nemen en welke eisen aan deze beschikkingen moeten worden gesteld. De
                    bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter, zodat een regeling in
                    de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms geeft de Awb de mogelijkheid om af
                    te wijken van de Awbregels of om deze regels nader aan te vullen. In de
                    toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer en waarom van deze
                    mogelijkheid gebruik is gemaakt.</al><al><onderstreept>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1
                    opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>een openbare plaats:</al></entry><entry><al>De definitie van weg is in de APV aanzienlijk beperkt. Dat
                                        brengt met zich mee dat de werking van artikelen in de APV
                                        waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking
                                        hebben dan voor 2009. De bevoegdheid van de gemeente gaat
                                        verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om
                                        zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen
                                        worden gerekend, is gekozen voor de term “een openbare
                                        plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die
                                        voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg
                                        vielen:</al><al/><al>1. al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                        toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                        speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                        aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al><al>2. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                        portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend
                                        tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en
                                        niet afsluitbaar zijn;</al><al>3. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                        afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                        galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij
                                        niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                                        recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al><al/><al>Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet
                                        openbare manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel
                                        2:3 Betogingen.</al><al/></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>weg:</al></entry><entry><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen
                                        hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de
                                        weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven als weg in de
                                        zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk
                                        van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek
                                        toegankelijke ruimte onder het begrip “weg” viel. Daarop is
                                        kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op die
                                        manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale
                                        spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de
                                        decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale
                                        spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd
                                        (aanwijzing 66).</al><al/><al>Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat
                                        er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de
                                        weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving “openbare
                                        plaats”.</al><al/><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het
                                        begrip “weg”:</al><al>a. de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip
                                        dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de
                                        verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet
                                        is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van
                                        deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft
                                        (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</al><al>b. de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW
                                        1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande
                                        weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met
                                        betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden
                                        van de weg in te grijpen.</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>op of aan de weg:</al></entry><entry><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben
                                        betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De
                                        term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid
                                        ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                                        voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg
                                        zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich
                                        binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen
                                        buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet
                                        en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen
                                        het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om
                                        stations.</al><al/></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>openbaar water:</al></entry><entry><al>Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk
                                        Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek.
                                        “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het
                                        publiek toegankelijk”. </al><al/></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>bebouwde kom:</al></entry><entry><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening
                                        is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het
                                        begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de
                                        aanwijzing van gedeputeerde staten van Zeeland van de
                                        bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de
                                        Wegenwet. </al><al/></entry></row><row><entry><al>e.</al></entry><entry><al>rechthebbende:</al></entry><entry><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk
                                        recht.</al><al/></entry></row><row><entry><al>f.</al></entry><entry><al>bouwwerk:</al></entry><entry><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de
                                        Bouwverordening gemeente Vlissingen: “elke constructie van
                                        enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
                                        op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                        met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                                        vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                        functioneren”.</al><al/></entry></row><row><entry><al>g.</al></entry><entry><al>gebouw:</al></entry><entry><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de
                                        Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke
                                        overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                        vormt”.</al><al/></entry></row><row><entry><al>h.</al></entry><entry><al>handelsreclame:</al></entry><entry><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende
                                        de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame
                                        (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking
                                        van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in
                                        verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7,
                                        dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een
                                        vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken
                                        e.d.</al><al/><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het
                                        grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame”
                                        dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare
                                        aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken
                                        tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid
                                        geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame
                                        voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                                        omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij
                                        niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit
                                        betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd
                                        wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan
                                        artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan.
                                        Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                                        vergunningsstelsel.</al><al/></entry></row><row><entry><al>j.</al></entry><entry><al>bevoegd gezag</al></entry><entry><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij
                                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van
                                        toepassing op de vergunning voor aanleg, beschadigen en
                                        veranderen van een weg (artikel 2:6) en het vellen van
                                        houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het
                                        aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel
                                        2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor
                                        het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid
                                        onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik
                                        van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie
                                        daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende
                                        zaken (artikel 2:5). De ontheffing voor het opslaan van
                                        roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder j en k van de Wabo. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag
                                        beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de
                                        aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het
                                        bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project
                                        in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal
                                        gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening
                                        niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                                        bij het College van gedeputeerde staten en in enkele
                                        gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal
                                        verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens
                                        belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al/><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term
                                        “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op
                                        ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de
                                        burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</al><al/><al/><al/><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Weg: Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid,
                            onder II, Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH. Nu in
                            dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin
                            van artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1
                            APV is overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr. AD3795.</al></li><li nr=""><al>Weg: Door particulier niet overeenkomstig publieke functie en zonder
                            vergunning gebruikt deel van gemeentegrond (groenstrook) is aan te
                            merken als weg in de zin van artikel 1.1, aanhef en sub a de APV
                            (Alkmaar), nu gemeente publieke toegankelijkheid van groenstrook heeft
                            beoogd en deze ook feitelijk heeft gerealiseerd. Niet is gebleken van
                            concreet zicht op legalisatie. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen.
                            ABRS 30-07-2008, LJN-nr. BD8901.</al></li><li nr=""><al>Weg: betekenis van het begrip ‘weg’ in de zin van de Wegenwet. Het doel
                            van de Wegenwet is het treffen van een regeling ten behoeve van het
                            openbaar verkeer. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de
                            Wegenwet (Kamerstukken II 1929/30, nr. 99a, p. 1) werd een afzonderlijke
                            bepaling, waarbij tot uitdrukking komt wat tot de wegen geacht wordt te
                            behoren, niet nodig en niet gewenst geacht omdat voornamelijk door de
                            praktijk zelf wordt aangegeven wat tot de weg gerekend moet worden te
                            behoren. De Wegenwet heeft naar het oordeel van de Afdeling betrekking
                            op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het
                            afwikkelen van het openbar verkeer en die derhalve maar hun aard of
                            functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. ABRS 05-03-2008, AB
                            2009, 250, LJN-nr. BC6035</al></li><li nr=""><al>Handelsreclame: Onder een “commercieel belang te dienen” moet mede
                            worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ
                            1983, 68.</al></li><li nr=""><al>Openbaar water: De jachthaven is openbaar water, ook al is voor het
                            innemen van een ligplaats een vergunning van de eigenaar nodig. De boot
                            is een woonboot, ook al heeft die de uiterlijke kenmerken van een
                            pleziervaartuig (ABRS 17 december 2009 LJN BK7441, JG10.0014). De
                            uitspraak maakt duidelijk hoe het begrip ‘openbaar water’ moet worden
                            uitgelegd: het water moet voor het publiek toegankelijk zijn. Het is
                            hierbij niet relevant of de gemeente eigenaar is van het water of een
                            andere partij of dat er een bordje met de tekst ‘verboden toegang voor
                            onbevoegden’’ is geplaatst. Slechts wanneer de toegankelijkheid
                            feitelijk wordt beperkt, bijv. door een balk of een ketting die vlak
                            boven het water is aangebracht, is er geen sprake van openbaar water.
                        </al></li><li nr=""><al>Bebouwde kom: Vaststelling grens bebouwde kom is een besluit inhoudende
                            een beleidsregel. Een besluit gericht op rechtsgevolg, maar niet vatbaar
                            voor bezwaar en beroep. Dit geldt ook voor de weigering op de
                            vaststelling terug te komen. (Rb Groningen; zaaknummer: AWB 09/716;
                            datum uitspraak: 15-02-2010 LJN: BL4224).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:2 Beslistermijn</onderstreept></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In
                    de APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk
                    aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt
                    gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het
                    merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer
                    ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan
                    uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt
                    blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot
                    kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager
                    meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep
                    gaan.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Dienstenrichtlijn</onderstreept></cursief></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn
                    bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag
                    worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het
                    onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist
                    met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met
                    redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis
                    van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze
                    verplichting.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Ontvangstbevestiging</onderstreept></cursief></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio.
                    Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Opschorting van de termijn</onderstreept></cursief></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop
                    alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een
                    aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij
                    aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen
                    dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde
                    documenten zijn ontvangen.</al><al>Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven
                    van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                    bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te
                    vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.</al><al/><al><onderstreept>Wabo</onderstreept></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al/><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:6) en de kapvergunning (art 4:11) vallen
                    onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning
                    voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo
                    kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig
                    de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende
                    zaken (artikel 2:5). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al/><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><lijst><li nr="1."><al>de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede
                                    het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met
                                    een elektronisch formulier wordt ingediend;</al></li><li nr="2."><al>het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het
                                    project;</al></li><li nr="3."><al>een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al></li><li nr="4."><al>indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn
                                    naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de
                                    gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier
                                    wordt ingediend; </al></li><li nr="5."><al>indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de
                                    aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van
                            de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt
                            met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte
                            middelen.</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                            verrichten werkzaamheden. </al></li></lijst><al/><al>In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn
                    in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang.
                    Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11. </al><al><onderstreept>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</onderstreept></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><al/><al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als
                    wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen
                    verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de
                    algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.
                    Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een
                    bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden
                    aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken. Als een aanvraag echt
                    veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld, volstaat een
                    gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6
                        Awb)</onderstreept></cursief></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Zie ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen
                            tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was
                            van een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet
                            openbaarheid van bestuur en de andere op de Archiefwet<vet>.</vet></al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</onderstreept></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan
                    een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking
                    van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere
                    administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al/><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is
                    bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die
                    slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te
                    vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of
                    de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Dienstenrichtlijn</onderstreept></cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging
                    gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles
                    waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen
                    is, niet mogen overlappen.</al><al/><al>In de algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of
                    krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf
                    op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    voorschriften.</al><al><onderstreept>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                        ontheffing</onderstreept></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn
                    als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al/><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Literatuur</onderstreept></cursief></al><al>Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff,
                    Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder
                    3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden
                            tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge
                            art. 1:11, aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden
                            gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De
                            Afdeling is van oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e APV niet afdoet
                            aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een
                            zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de
                            exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake,
                            gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV
                            neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was daarom niet zonder
                            meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot
                            overdracht van een vergunning aan een derde. ABRS 23-11-1999, LJN-nr.
                            AA5058, GS 2000, 7112, 6.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                        ontheffing</onderstreept></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Vooral het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Gelet op art. 1:6 van de APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1,
                            tweede lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval
                            bevoegd de vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning
                            vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het
                            bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen
                            zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met
                            noot M. Geertsema. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of
                    ontheffing</onderstreept></al><al>Dit artikel voorziet in het van rechtswege vervallen van vergunningen of
                    ontheffingen. Het rechtsgevolg van het vervallen van een vergunning of
                    ontheffing treedt in als gevolg van twee typen situaties. De eerste is, dat
                    binnen de gestelde termijn of bij gebreke daarvan binnen zes maanden na het
                    onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing daarvan geen gebruik is
                    gemaakt. De tweede is, dat gedurende één jaar na het onherroepelijk worden geen
                    gebruik is gemaakt van de vergunning of ontheffing. </al><al/><al>Voor het van rechtswege vervallen van vergunningen en ontheffingen in genoemde
                    situaties is gekozen om APV-vergunningen en ontheffingen actueel te houden. De
                    vorige APV trof – met uitzondering van enkele vergunningen - geen regeling voor
                    het geval, dat houders niet tijdig of in het geheel geen gebruik maken van hun
                    vergunningen of ontheffingen of jarenlang daar geen gebruik van maakten. Een
                    voorbeeld van het van rechtswege vervallen van een vergunning uit de vorige APV
                    is de kapvergunning, die automatisch verviel als houders daar niet op tijd - de
                    bekende termijn van één jaar - gebruik van maakten. De oude regeling liet in het
                    overgrote deel van de gevallen het opnieuw gebruiken van vergunningen, die
                    jarenlang niet meer gebruikt zijn, toe terwijl de gemeente in een aantal
                    gevallen die vergunningen onder de latere omstandigheden niet meer verleende.
                    Het vergunningbestand verloor daardoor actualiteit. </al><al><onderstreept>Artikel 1:7 Termijnen</onderstreept></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden;</al></li><li nr="2."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang;</al></li><li nr="3."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al/><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor
                    bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is
                    en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</al><al/><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Zie voor
                    de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting
                    onder artikel 1:8.</al><al/><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:7a Meldingen</onderstreept></al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen.</al><al>Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de
                    Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4, zesde lid). Hieruit
                    volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden
                    van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in
                    te schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen
                    deze verordening is een eendaags klein evenement. </al><al/><al>De algemene bij het college en de raad levende wens om te streven naar
                    vermindering van administratieve lasten is aangegrepen om in het bijzonder de
                    uitvoering van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 te
                    vereenvoudigen door de vergunningplicht op veel plaatsen te vervangen door een
                    meldingsplicht, bijv. bij het aanleggen van een uitweg, geluid- en
                    trillinghinder bouwwerkzaamheden, vellen van houtopstanden en voorwerpen in, op
                    of boven openbaar water. Daarbij moet de vraag worden gesteld met welke
                    juridische eisen rekening moet worden gehouden bij het invoeren van een
                    meldingsplicht zowel op het wetstechnische vlak als in de uitvoeringspraktijk: </al><lijst><li nr="1."><al>een meldingsplicht als onderdeel van een voorwaardelijk verbod, </al></li><li nr="2."><al>een meldingsgebod en </al></li><li nr="3."><al>een meldingsverplichting als uitzondering op een voorwaardelijk verbod,
                            waarin een vergunningenstelsel is opgenomen.</al></li></lijst><al>Zie verder ook de nota Handleiding meldingsplicht 2011.</al><al><onderstreept>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels
                    kenden vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op
                    verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen
                    materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In
                    het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de
                    systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I
                    algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels
                    zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning
                    andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in
                    het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval
                    (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van
                    artikel 1:8 afgeweken. </al><al><cursief><onderstreept>Europese Dienstenrichtlijn </onderstreept></cursief></al><al><cursief>Vergunningen</cursief></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn
                    deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt. Zie voor meldingen
                    ook artikel 1:7a.</al><al/><al><cursief>Vestiging of tijdelijke overschrijding</cursief></al><al>Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                    hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan. Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn
                    (vrij verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde ‘vestiger’. Er is
                    overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een
                    daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd
                    vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan
                    als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw
                    wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.
                    (overweging 37 bij de richtlijn). In het licht van beide regimes moet worden
                    bekeken of een vergunningstelsel is toegestaan. </al><al/><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de
                    volgende vereisten is voldaan: </al><lijst><li nr=""><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt; </al></li><li nr=""><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn);
                        </al></li><li nr=""><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al/><al>De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst
                    te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de
                    Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere
                    criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><lijst><li nr=""><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; </al></li><li nr=""><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9;</al></li><li nr=""><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al/><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk. </al><al/><al>Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                    grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders
                    zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een
                    bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om
                    zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                    onderdanen. Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen
                    gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie
                    categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen
                    geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is
                    aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare
                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. </al><al/><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening
                    voor wat betreft de weigeringsgronden.Enkele voorheen gehanteerde
                    weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag
                    waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord:</al><al/><al><cursief>Overlast </cursief>Vanouds is de APV een openbare orde en
                    overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing
                    van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn
                    spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van
                    overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan
                    geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d.
                    Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het
                    milieu of zelfs gezondheid.</al><al/><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. </al><al/><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.
                        <cursief>Zedelijkheid</cursief> Het begrip zedelijkheid valt onder het
                    begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt
                    aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van
                    dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik)
                    betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de
                    openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is
                    zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om
                    ‘vestiging’ gaat. </al><al/><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief> In het verleden is het
                    beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van
                    de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat
                    gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet
                    in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren.
                    Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt
                    dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                    belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts
                    één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van
                    de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel
                    in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De
                    Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar
                    (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b, APV). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. </al><al/><al><cursief>Détournement de pouvoir</cursief></al><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet
                    kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel.
                    Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </al><al/><al><cursief>Motivering</cursief></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom. </al><al><onderstreept>Artikel 1:9 en 1:10 (Geen) van rechtswege verleende
                        beschikking</onderstreept></al><al>Om de lex silencio positivo in Nederland te regelen, wordt via de Dienstenwet de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangepast. Er komt een nieuwe paragraaf in de
                    Awb, paragraaf 4.1.3.3, die de lex silencio positivo regelt. Zo wordt in de Awb
                    geregeld dat een bestuursorgaan verplicht is om de beschikking binnen twee dagen
                    nadat zij van rechtswege is verleend, bekend te maken en daarbij te vermelden
                    dat de beschikking van rechtswege is verleend. </al><al/><al>Maar de Dienstenwet kent in artikel 28, 65 en 66 enkele aanvullende bepalingen
                    over de toepasselijkheid van de nieuwe paragraaf 4.1.3.3. Dit is het gevolg van
                    het aannemen van een amendement bij de behandeling van de Dienstenwet in de
                    Tweede Kamer. De lex silencio positivo kent in deze nieuwe paragraaf een
                    facultatief karakter. Dit houdt in dat deze paragraaf niet automatisch van
                    toepassing is en niet bepaalt wanneer of onder welke omstandigheden de van
                    rechtswege verleende beschikking moet worden ingevoerd. Decentrale overheden
                    zullen dus eerst moeten besluiten of de lex silencio positivo van toepassing is.
                    Hierbij moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen vergunningenstelsels die
                    onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen en vergunningenstelsels die
                    er niet onder vallen.</al><al/><al>Voor vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn
                    vallen, moet voor 1</al><al>januari 2010 in de betreffende verordening worden aangegeven dat de lex silencio
                    positivo van toepassing is. Voor die vergunningsstelsels waar een lex silencio
                    positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, biedt
                    de Dienstenwet een overgangstermijn tot 1 januari 2012 om expliciet aan te dat
                    op dit vergunningsstelsel geen lex silencio van toepassing zal zijn. Dit
                    overgangsregime doet echter niets af aan de verplichting van artikel 13, vierde
                    lid, van de Dienstenrichtlijn om voor 28 december 2009 te beoordelen of een
                    dwingende reden van algemeen belang zich al dan niet verzet tegen toepassing van
                    de lex silencio positivo. Daartoe doet het college aan de raad het voorstel tot
                    vaststellen van de Verzamelverordening lex silencio positivo.</al><al/><al>De Eerste Kamer heeft op 10 november 2009 de Dienstenwet (kamerstuk 31579 A),
                    aangenomen die uitvoering geeft aan de Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn
                    2006/123/EG). Een belangrijke consequentie van de Dienstenrichtlijn is de
                    verplichte invoering voor 1 januari 2010 (strikt gesproken is dat volgens de
                    Dienstenrichtlijn zelfs 28 december 2009) van de lex silencio positivo
                    (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) voor
                    vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    Alleen vanwege dwingende redenen van algemeen belang kan van de lex silencio
                    positivo worden afgezien. Voor een nadere uitleg over het begrip dwingende
                    redenen van algemeen belang verwijzen wij naar de kanttekeningen.</al><al/><al>Voor vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn
                    vallen, moet voor 1</al><al>januari 2010 in de betreffende verordening worden aangegeven dat de lex silencio
                    positivo van toepassing is. Voor die vergunningsstelsels waar een lex silencio
                    positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, biedt
                    de Dienstenwet een overgangstermijn tot 1 januari 2012 om expliciet aan te dat
                    op dit vergunningsstelsel geen lex silencio van toepassing zal zijn. Dit
                    overgangsregime doet echter niets af aan de verplichting van artikel 13, vierde
                    lid, van de Dienstenrichtlijn om voor 28 december 2009 te beoordelen of een
                    dwingende reden van algemeen belang zich al dan niet verzet tegen toepassing van
                    de lex silencio positivo.</al><al/><al>Om mogelijke onduidelijkheden te voorkomen, verdient het de voorkeur om in de
                    APV zowel aan te geven op welke bepalingen de lex silencio positivo wel van
                    toepassing wordt verklaard, als voor welke bepalingen de lex silencio positivo
                    om dwingende redenen van algemeen belang niet van toepassing wordt verklaard. </al><al/><al><cursief>Dwingende redenen van algemeen belang</cursief></al><al>De dwingende redenen van algemeen belang zijn te vinden in overweging 40 van de
                    Richtlijn. Het begrip dwingende reden van algemeen belang is gaandeweg door het
                    Europese Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de
                    artikelen 43 en 49 van het EG-Verdrag en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                    begrip omvat op dit moment ten minste de volgende gronden: openbare orde,
                    openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van
                    het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van het
                    sociaal beleid; bescherming van afnemers van diensten; consumentenbescherming;
                    bescherming van werknemers, met inbegrip van de sociale bescherming van
                    werknemers; dierenwelzijn; handhaving van het financieel evenwicht van het
                    socialezekerheidsstelsel; voorkoming van fraude; voorkoming van oneerlijke
                    concurrentie; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip
                    van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; bescherming van schuldeisers;
                    waarborging van een deugdelijke rechtsbedeling; verkeersveiligheid; bescherming
                    van intellectuele eigendom; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van het
                    waarborgen van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van
                    de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij;
                    de noodzaak om een hoog niveau van onderwijs te waarborgen, behoud van de
                    diversiteit van de pers en bevordering van de nationale taal; behoud van het
                    nationaal historisch en artistiek erfgoed en veterinair beleid.</al><al/><al>Zie ook NTB 2010/6: De van rechtswege verleende vergunning in de praktijk (A.
                    Knook) </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:11 tot en met 1:14
                    Coördinatiebepalingen</onderstreept></al><al>Deze bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van de lastenverlichting van
                    ondernemers.</al><al>De ondernemer hoeft maar één keer gegevens te verstrekken. De coördinatie levert
                    ook meer duidelijkheid over het proces. De aanvraag kan digitaal worden
                    ingediend en de</al><al>stand van zaken met betrekking tot de aanvraag wordt inzichtelijker voor de
                    aanvrager.</al><al>Voor de gemeente is belangrijk dat alle procedures door deze coördinatie
                    optimaler op elkaar kunnen worden afgestemd. Alle benodigde vergunningen,
                    meldingen en ontheffingen</al><al>kunnen zodoende optimaal worden gecoördineerd. Daarbij valt te denken aan: de
                    Drank- en horecawetvergunning, de exploitatievergunning (al dan niet met
                    terras), de aanwezigheidsvergunning speelautomaten, de gebruiksvergunning
                    (-melding) Brandweer, de milieumelding en waarnodig de Bibob-toets.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Openbare orde</vet></al><al/><al><vet><cursief>Algemene toelichting afdeling 1 Bestrijding van
                            ongeregeldheden</cursief></vet></al><al/><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al><onderstreept>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Zie hierover de
                    in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder
                    omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van
                    bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al/><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter
                    meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft
                    misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om
                    bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12
                    Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de
                    rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde.
                    Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling
                    een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al/><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van
                    artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel
                    levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van
                    artikel 186 WvSr.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van
                            de gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam)
                            en HR 25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling
                            (samenscholingsarrest).</al></li><li nr=""><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12
                            02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags
                            tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV
                            Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p.
                            558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB
                            1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV
                            Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG
                            1971, p. 292 (APV Arnhem).</al></li><li nr=""><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                            verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR
                            26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al></li><li nr=""><al>Samenscholingsverbod Kanaleneiland Utrecht; uitleg begrip samenscholing:
                            context is mede bepalend. Mag een burgemeester handhavingsbeleid
                            vaststellen zonder wettelijke grondslag? En mag hij op basis daarvan
                            besluiten nemen? Gerechtshof Arnhem, nr. 21-001061-08 (JG 09.0016).</al></li><li nr=""><al>Bevelsbevoegdheid politie op grond van artikel 2:1 APV Hof van Twente
                            (Hof Arnhem 25 maart 2010, nr. 21-003896-09; LJN: BM1084; AB 2010/187):
                            niet-opvolging van een vordering op grond van een APV-bepaling die op
                            artikel 2 van de Politiewet 1993 is gebaseerd, kan niet leiden tot
                            overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
                            Het bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op. Het hof ontslaat
                            verdachte van alle rechtsvervolging.</al></li><li nr=""><al>Bevelsbevoegdheid politie op grond van de APV Almere (Hof Arnhem 1 april
                            2010, nr. 24-001185-08; LJN: BM1865; AB 2010/188 m.nt. J.G. Brouwer en
                            A.E. Schilder): Het hof acht bewezen dat betrokkene opzettelijk niet
                            heeft voldaan aan een politiebevel, nadat deze ambtenaren hem hadden
                            bevolen de Grote Markt te Almere te verlaten. Het bewezen verklaarde
                            levert op het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een bevel,
                            krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de
                            uitoefening van enig toezicht belast.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging
                    </onderstreept></al><al><cursief>Verzamelingsverbod</cursief></al><al>De bepaling inzake het verzamelingverbod is toegespitst op het bekende fenomeen
                    van het samengroeperen van gebruikers en handelaren in (hard)drugs of daarop
                    gelijkende waar. Groepsvorming van gebruikers en handelaren is in Vlissingen
                    geen onbekend verschijnsel en varieert in frequentie, ernst en omvang. Deze
                    verzamelingen van personen hebben negatieve effecten op het ordelijk verloop van
                    het dagelijks leven in de publieke ruimte. Van een onmiddellijk dreigende
                    houding of van een concreet lastig vallen van voorbijgangers behoeft nog niet
                    eens sprake te zijn om het normale leven op straat te verstoren of te
                    belemmeren. Deze groepen roepen vaak sterke gevoelens van onbehagen en
                    onveiligheid op. Ook vanwege de ordeverstorende strafbare gedragingen die zich
                    telkens in en vanuit die verzamelingen van personen voordoen, zijn deze
                    groepsvormingen ongewenst. </al><al/><al>Wij achten het gewenst het verzamelingverbod tevens te richten op heling, met
                    als doel op bepaalde plaatsen samenkomsten van groeiende aantallen aanbieders –
                    vaak drugsverslaafden – en kopers te kunnen opbreken. Dergelijke trefpunten
                    vormen immers vaak een belangrijke schakel in bestaande patronen van
                    verslaving-diefstal-afzet en dragen bij aan de instandhouding van problemen van
                    orde en veiligheid. De burgemeester kan in dit geval gebieden aanwijzen
                    waarbinnen het niet is toegestaan zich in een verzameling van een aantal
                    personen op te houden. Dit aantal hebben wij in het besluit bepaald op drie of
                    meer personen.</al><al/><al><cursief>Gebieds(verblijfs)ontzeggingen</cursief></al><al>Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechtszekerheid vereist dat structurele
                    problemen via een regeling, dat wil zeggen via de APV, worden aangepakt. De
                    algemene wettelijke grondslag voor de bevoegdheid van de burgemeester tot
                    handhaving van de openbare orde, zoals die is opgenomen in artikel 172
                    Gemeentewet, is daarvoor niet het aangewezen bestuurlijk instrument. Daarom is
                    thans een bepaling ontworpen die de burgemeester de bevoegdheid geeft om iemand
                    in het belang van de openbare orde te (laten) verwijderen uit een (tevoren)
                    aangewezen gebied. Er kunnen uitzonderingen gemaakt worden voor bepaalde groep
                    personen, die in het gebied werkzaam zijn of wonen. Tevens kan een periode
                    worden vastgesteld waarvoor het bevel van kracht is. Deze periode kan variëren
                    van acht uur tot vier weken. De burgemeester moet het bevel wel zelf
                    uitvaardigen en voor de hantering ervan ondubbelzinnige instructies vaststellen.
                    Als de burgemeester aan een persoon een verwijderingbevel oplegt, dan levert
                    opzettelijke overtreding van dat bevel een misdrijf op in de zin van artikel 184
                    van Wetboek voor Strafrecht. Dit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf is
                    gesteld, zodat de verdachte in voorlopige hechtenis kan worden genomen, mits hij
                    geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en aan één van de voorwaarden uit
                    artikel 67a Strafvordering is voldaan.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><lijst><li nr=""><al>ABRS 7 juli 2004, nr. 200400582/1 (Gemeentestem 7233, nr. 117).
                            Gebiedsontzegging op grond van APV Heerlen; herstel mandaatgebrek in
                            bezwaar; geen strijd met EVRM en IVBPR (Heerlen). De rechtbank heeft
                            terecht geoordeeld dat de inspecteur van politie onbevoegd was de
                            besluiten tot gebiedsontzegging van 6 juni 2002 en 8 juni 2002 namens de
                            burgemeester te nemen. De reden is dat het ondermandaatsbesluit niet was
                            gepubliceerd, zodat dit besluit nog niet in werking was getreden.
                            Desondanks kan dit mandaatgebrek in evengenoemde primaire besluiten met
                            de door het bevoegde bestuursorgaan genomen beslissingen op bezwaar
                            geacht worden te zijn hersteld. In deze gevallen was geen sprake van
                            strijd met artikel 2 Protocol EVRM en 12, eerste lid, IVBPR,
                            (bewegingsvrijheid) aangezien de gebiedsontzeggingen berusten op de APV
                            en gebruiksinstructies, welke wettelijk zijn verankerd, zijn
                            gepubliceerd en voldoende duidelijk en concreet zijn omschreven. Voorts
                            worden de beperkingen, gelet op het feit dat het gebied waarvoor de
                            ontzeggingen zijn opgelegd in toenemende mate wordt geconfronteerd met
                            overlast welke voortvloeit uit of samenhangt met de handel in en het
                            gebruik van verdovende middelen, gerechtvaardigd door het algemeen
                            belang in een democratische samenleving. De rechtbank heeft voorts
                            terecht geoordeeld dat de wijze waarop de burgemeester in dit geval van
                            zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met de
                            eisen van proportionaliteit. Ook ten aanzien van de duur van de
                            opgelegde gebiedsontzeggingen heeft de rechtbank met juistheid
                            geoordeeld dat deze niet onaanvaardbaar is. Met de rechtbank moet
                            tenslotte worden geoordeeld dat van schending van artikel 5 EVRM
                            (vrijheidsontneming) geen sprake is, aangezien de gebiedsontzeggingen
                            niet inhielden dat (appellant sub 2) zijn vrijheid werd ontnomen als
                            gevolg van detentie of arrestatie.</al></li><li nr=""><al>Rechtbank Roermond 29 juni 2005 (voorlopige voorziening + bodemzaak).
                            LJN AT8549 (zie ook LJN AU035). Aan verzoeker is een verblijfsontzegging
                            opgelegd over de periode van 18 september 2004 tot 16 oktober 2004
                            wegens overtreding van artikel 3:6 APV Venlo (drugshandel) voor een
                            aangeduid gebied in de binnenstad van Venlo. Meerdere
                            verblijfsontzeggingen op grond van artikel 2:75 APV. Mandaatgebrek.
                            Artikel 177, tweede lid Gemeentewet verzet zich uitdrukkelijk en
                            ondubbelzinnig tegen mandatering door de burgemeester van zijn besluiten
                            op grond van de APV aan ambtenaren van politie. Verblijfsontzeggingen op
                            basis van APV-bepalingen zijn niet te beschouwen als besluiten ingevolge
                            artikel 172 Gemeentewet. Het tweede lid van artikel 177 Gemeentewet
                            sluit ook mandaat aan politieambtenaren uit wat betreft de uitvoering
                            van beslissingen van de raad. Naar het oordeel van de
                            voorzieningenrechter is de onderhavige mandaatverlening door de
                            burgemeester van Venlo daarmee in strijd. Onder het (ruime) begrip
                            ‘beslissingen van de raad’ moeten immers mede worden verstaan
                            verordeningen van de raad. En het opleggen van een verblijfsontzegging
                            ingevolge de APV is te beschouwen als uitvoering van zodanige
                            beslissing. De rechter acht die duidelijke tekst niet voor een andere
                            uitleg vatbaar. De rechter acht het in casu aan de betrokken
                            politieambtenaren verleende mandaat ongeldig wegens strijd met de wet.
                            Zie voorts arrest Hoge Raad van 24 september 2002 (NJ 2003, 80).</al></li><li nr=""><al>De bevoegdheid tot het opleggen van gebiedsontzeggingen ingevolge de APV
                            berust bij de burgemeester. Deze bevoegdheid mag ingevolge artikel 177,
                            tweede lid, Gemeentewet niet worden gemandateerd aan politieambtenaren.
                            In ABRS 7 juli 2004 (Gst. 2005, 66 en Gst. 2005, 117) bepaalde de
                            Afdeling dat, indien de gebiedsontzegging in mandaat door een
                            politieambtenaar is opgelegd, dit gebrek wordt gerepareerd door een
                            bevoegdelijk genomen besluit op bezwaar.</al></li><li nr=""><al>Gerechtshof 's-Gravenhage 21 maart 2006, nr. 2200138705 (Gem.stem 7255,
                            102; AB 2006, 396): gebiedsontzegging van twaalf weken. Hof is anders
                            dan de rechtbank van oordeel dat het bevel van de burgemeester voldoet
                            aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (Rotterdam).
                            Artikel 172, derde lid, Gemeentewet.</al></li><li nr=""><al>Verblijfsontzegging op grond van artikel 172, derde lid, Gemeentewet met
                            langere duur dan regeling in APV toestaat. Verhouding tussen artikel
                            172, derde lid, Gemeentewet en regeling verblijfsontzeggingen in de APV
                            van Rotterdam. Indien het concrete geval binnen de regeling van de APV
                            valt, biedt artikel 172, derde lid, Gemeentewet geen grondslag voor een
                            verblijfsontzegging. (HR {strafkamer} 11 maart 2008, nr. 02379/06; LJN
                            BB4096, Gemeentestem 7302, nr. 103).</al></li><li nr=""><al>FF Kappe bevel gebaseerd op artikel 172, derde lid, Gemeentewet is
                            rechtsgeldig. Artikel 184 Sr en artikel 2.4.6 APV van Rotterdam (Rb
                            Rotterdam 21 december 2007, nr. 10/637732-07; LJN BC0822, Gemeentestem
                            7302, nr. 104).</al></li><li nr=""><al>Hoge Raad 22 december 2009, 08/02631, LJN BK3254; JB 2010/41:
                            Burgemeesterlijk verwijderingsbevel ex APV, “Criminal charge” in de zin
                            van art. 6 EVRM? Taakverdeling strafrechter-bestuursrechter: Het
                            cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 2
                            januari 2008, waarbij dit hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 19
                            maart 2005 opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens art. 2.6A
                            lid 2 APV-94 Amsterdam gegeven bevel zich te verwijderen uit het door de
                            burgemeester aangewezen drugsoverlastgebied. Het hof heeft overwogen dat
                            dit veertien-dagen-verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als
                            “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM en dat, indien en voor zover
                            dit bevel wél als criminal charge zou moeten worden aangemerkt, het niet
                            onverenigbaar is met het EVRM om bestuursrechtelijke autoriteiten te
                            belasten met de vervolging en bestraffing van bepaalde overtredingen,
                            zolang de verdachte in de gelegenheid is om de jegens hem genomen
                            beslissingen door een aan de waarborgen van art. 6 EVRM beantwoordend
                            gerecht voor te leggen. Het cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof dit
                            verwijderingsbevel ten onrechte niet heeft aangemerkt als een “criminal
                            charge” in de zin van art. 6 EVRM, faalt. Het bezwaarschrift tegen het
                            verwijderingsbevel is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde
                            beroep is ongegrond verklaard. Op 24 oktober 2007 heeft de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State het tegen die uitspraak
                            ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en daarbij het oordeel
                            bevestigd, dat het verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als een
                            “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM. In een dergelijk geval,
                            waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd,
                            geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de
                            strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van
                            tegenstrijdige uitspraken, dat indien het desbetreffende bevel door de
                            bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand is gelaten, zulks
                            er in beginsel aan in de weg staat dat de strafrechter het verweer dat
                            het wettelijk voorschrift niet verbindend is of het bevel anderszins
                            onrechtmatig is, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder
                            bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering
                            te maken (vgl. HR 24 september 2002, LJN AE2126, NJ 2003, 80). Gelet op
                            dit uitgangspunt en in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter
                            terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat door of namens de
                            verdachte een beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden die
                            aanleiding geven hierop een uitzondering aan te nemen, faalt het middel.
                            Het tweede cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof ten onrechte stelt
                            “dat het niet onverenigbaar is met het EVRM om bestuursrechtelijke
                            autoriteiten te belasten met de vervolging en bestraffing van bepaalde
                            overtredingen, zolang de verdachte in de gelegenheid is om de jegens hem
                            genomen beslissing door een aan de waarborgen van art. 6 EVRM
                            beantwoordend gerecht voor te leggen”, kan niet tot cassatie leiden,
                            reeds omdat het zich keert tegen een overweging ten overvloede.</al></li></lijst><al>· Gebiedsontzegging, Verzoek om voorlopige voorziening, Verzoek van de
                    burgemeester om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de
                    burgemeester in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger
                    beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak. In
                    hetgeen door de burgemeester naar voren is gebracht ziet de voorzitter op
                    voorhand geen reden om aan te nemen dat de uitspraak van de rechtbank in hoger
                    beroep niet in stand zal blijven, gelet op de door de rechtbank aangehaalde
                    jurisprudentie van de Afdeling. Niet in geschil is dat aan de vereisten die art.
                    6:5 Awb aan het indienen van een bezwaarschrift stelt is voldaan. Ook overigens
                    is het niet op voorhand onaannemelijk dat de door wederpartij in deze procedure
                    naar voren gebrachte feiten voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat hij
                    belang heeft bij het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel op zijn bezwaar. Het
                    is bovendien in het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting
                    dat de aangevallen uitspraak en het ter uitvoering daarvan te nemen nieuwe
                    besluit op bezwaar met toepassing van de art. 6:18 en 6:19 Awb beide in de
                    bodemprocedure kunnen worden beoordeeld. Gelet op een en ander bestaat geen
                    aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening (ABRS 17 februari
                    2010, zaaknummer 201000291/2/H3 JB 2010/87, JB 2010/87)</al><lijst><li nr=""><al>Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens ten onrechte opgelegde
                            gebiedsontzeggingen. Hoewel aannemelijk is dat appellant als gevolg van
                            de gebiedsontzeggingen een zeker mate van ongerief heeft moeten
                            ondergaan, heeft hij met zijn betoog niet aannemelijk gemaakt dat hij
                            als gevolg van die besluiten zodanig heeft geleden, dat sprake is van
                            een aantasting in evenbedoelde zin. De Rb. heeft terecht geoordeeld dat
                            de burgemeester het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht
                            heeft afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. (ABRS 25 augustus 2010
                            zaaknummer 200908965/1/H2, LJN: BN4952).</al></li><li nr=""><al>Verblijfsontzegging geldig van 18.00 uur tot 08.00 uur voor de duur van
                            twee weken. Door de verblijfsontzegging wordt het aan wederpartij
                            toekomende recht zich vrijelijk te verplaatsen als bedoeld in art. 2 lid
                            1 Vierde Protocol bij het EVRM en in art. 12 eerste lid IVBPR, beperkt.
                            Dit recht kan echter aan beperkingen worden onderworpen. Een beperking
                            van dit recht moet bij “wet” zijn voorzien. Dit betekent dat de
                            beperking een basis moet hebben in het nationale recht, dat de
                            wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en dat de
                            bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft. De
                            verblijfsontzegging heeft haar grondslag in art. 2.4.1 van de APV van
                            Nijmegen en heeft daardoor een basis in het nationale recht. De APV is
                            gepubliceerd, zodat wederpartij er kennis van heeft kunnen nemen. Wat de
                            voorzienbaarheid betreft overweegt de Afdeling als volgt. De gevolgen
                            van een bepaling zijn voorzienbaar indien deze met voldoende
                            nauwkeurigheid is geformuleerd om een belanghebbende in staat te
                            stellen, zo nodig met behulp van deskundig advies, zijn gedrag hierop af
                            te stemmen. Art. 2.4.1 APV, dat aan de burgemeester de bevoegdheid geeft
                            een verblijfsontzegging op te leggen in het belang van de openbare orde,
                            bevat een open norm en is niet voldoende nauwkeurig geformuleerd om
                            wederpartij in staat te stellen alleen aan de hand daarvan zijn gedrag
                            aan te passen. Dit had bijvoorbeeld ondervangen kunnen worden door het
                            geven van een waarschuwing, wat niet is gebeurd. De Afdeling is echter
                            van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen
                            stellen dat het geven van een waarschuwing, alvorens de
                            verblijfsontzegging op te leggen, in dit geval niet kon worden verlangd,
                            gelet op de periode van onrust in de wijk Meijhorst in de zomer van 2008
                            en de ernst van de situatie na het weekeinde van 20 en 21 september
                            2008, zoals blijkt uit het rapport van de politie van 16 april 2010. De
                            combinatie van de evident ernstige situatie en de bepaling van art.
                            2.4.1 van de APV maken dat in dit geval is voldaan aan het vereiste dat
                            de verblijfsontzegging voorzienbaar moet zijn. Met de burgemeester is de
                            Afdeling van oordeel dat de over wederpartij bekende, van de politie
                            afkomstige informatie voldoende grondslag bood om hem op 23 september
                            2008 een verblijfsontzegging op te leggen. Hoewel de burgemeester kan
                            worden gevolgd in zijn stelling dat in de periode na het weekeinde van
                            20 en 21 september de tijd ontbrak om per individu dat op de lijst van
                            56 voorkwam vast te stellen wat zijn of haar betrokkenheid was, leidt
                            dit niet zonder meer tot de conclusie dat een verblijfsontzegging voor
                            twee weken niet onevenredig was. De burgemeester had immers de
                            mogelijkheid om direct na het opleggen van de verblijfsontzegging alsnog
                            per individu de mate van betrokkenheid te beoordelen en had vervolgens,
                            indien daartoe aanleiding bestond, de duur van de verblijfsontzegging
                            kunnen aanpassen. Dat voor een dergelijke beoordeling een termijn van
                            twee weken noodzakelijk was, valt niet in te zien, gelet ook op de
                            ingrijpendheid van de maatregel ten opzichte van belanghebbenden. Dat
                            art. 2.4.1 van de APV een verblijfsontzegging voor de duur van 12 weken
                            toestaat, dat de verblijfsontzegging slechts gold tussen 18.00 uur en
                            08.00 uur en slechts in het gebied omgeving winkelcentrum Meijhorst,
                            waar geen woningen aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. De
                            burgemeester had in het geval van wederpartij naar het oordeel van de
                            Afdeling tot het nadere oordeel moeten komen dat een langere
                            verblijfsontzegging dan nodig om de mate van zijn betrokkenheid te
                            beoordelen, niet gerechtvaardigd was. De over hem bekende informatie
                            bood daar onvoldoende grondslag voor (ABRS, 15 december 2010,
                            201000291/1/H3, LJN BO7345, JB 2011/29).</al></li><li nr=""><al>Criminal charge. Preventieve maatregel. Verwijderingsbevel.[EVRM
                            art. 6; Awb art. 4:8] Bij besluit van 17 februari 2009 heeft de
                            burgemeester van Amsterdam ter handhaving van de openbare orde
                            appellantebevolen zich uit het zogenoemde overlastgebied 3 Zuidoost te
                            verwijderen en zich met ingang van 21 februari 2009 om 00.01 uur
                            gedurende drie maanden tot en met 20 mei 2009 om 23.59 uur niet in dit
                            gebied op te houden. Ingevolge art. 4:8, eerste lid, van de Awb stelt
                            een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een
                            belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar
                            verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid
                            zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen
                            op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
                            die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
                            Niet in geschil is dat appellante voorafgaand aan het verwijderingsbevel
                            niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
                            Verder staat vast dat de gemachtigde van appellante in het
                            bezwaarschrift haar standpunt kenbaar heeft gemaakt. Ook staat vast dat
                            appellante en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld op de
                            hoorzitting van 7 mei 2009 de bezwaren nader toe te lichten, zonder dat
                            zij hiervan gebruik hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden is de
                            Afdeling met de rechtbank van oordeel dat appellante in de bezwaarfase
                            alsnog afdoende in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren
                            te brengen en dat aldus het gebrek dat kleefde aan het besluit van 17
                            februari 2009 in bezwaar is hersteld. Anders dan appellante stelt,
                            vervult de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen geen
                            waarschuwingsfunctie. Zoals mede blijkt uit haar verwijzing naar het
                            Salduzarrest gaat appellante er ten onrechte van uit dat het
                            verwijderingsbevel dient te worden aangemerkt als een criminal charge in
                            de zin van art. 6 van het EVRM. In beginsel is een verwijderingsbevel te
                            beschouwen als een preventieve maatregel om een verdergaande verstoring
                            van de openbare orde in het overlastgebied tegen te gaan. Niet gebleken
                            is dat het verwijderingsbevel in dit geval toch dient te worden
                            aangemerkt als een criminal charge, omdat het niet het tegengaan van
                            verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tot
                            oogmerk heeft, maar de bestraffing van appellante. Gelet op het
                            bestuursrechtelijke karakter van het verwijderingsbevel kan het
                            Salduzarrest geen rol spelen in deze zaak en hoeft voor een oordeel van
                            de Afdeling over de rechtmatigheid van het bevel de uitkomst van de
                            strafrechtelijke procedure niet te worden afgewacht. (ABRS 4 mei 2011,
                            nr. 01008519/1/H3, LJN BQ3446 ; JB 2011, 150).</al></li></lijst><al><vet>AFDELING 2. Betoging</vet></al><al><onderstreept>Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare
                    plaatsen</onderstreept></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al/><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een melding is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een melding voorschriften en beperkingen
                    te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al/><al>De APV kent alleen een meldingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn
                    ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3 APV alleen
                    betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot
                    samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot
                    vergaderingen en tot “processies”.</al><al/><al><cursief>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</cursief></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. De WOM
                    heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens
                    de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK
                    1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8). Individuele uitingsvormen zijn buiten de
                    regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maakt het mogelijk ook
                    deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig.</al><al/><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                    ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij
                    geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de
                    onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn:
                    de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke
                    openbare orde. De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle
                    ervaringen opgedaan.</al><al/><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><lijst><li nr=""><al>de bevoegdheid tot het creëren van een meldingsstelsel voor betogingen,
                            vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                            levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie
                            toe ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een melding
                            vereist; aan welke vereisten moet een melding voldoen; welke
                            voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd worden;</al></li><li nr=""><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al></li><li nr=""><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen.</al></li></lijst><al/><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een
                    dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme
                    regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de
                    volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):</al><lijst><li nr=""><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM);</al></li><li nr=""><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid);</al></li><li nr=""><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden” (artikel 9 WOM);</al></li><li nr=""><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al></li><li nr=""><al>de bescherming van de zondagsrust, voor zover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden”
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM).</al></li></lijst><al/><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een
                    kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    melding voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze
                    bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige melding voorschrijven.</al><al/><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande melding vereist.</al><al/><al><cursief>Meldingsplicht</cursief></al><al>Het betogingsartikel in art. 2:3 van de APV kent al langer een meldingsplicht
                    voor het houden van betogingen. Het recht op betogen kan immers alleen krachtens
                    een wet in formele zin worden beperkt. Tenminste wanneer het een bijzondere
                    beperking betreft. Voor het onderscheid tussen bijzondere en algemene
                    beperkingen van grondrechten wordt verwezen naar Akkermans e.a.,
                        <cursief>Grondrechten en grondrechtenbescherming in Nederland,
                    </cursief>Deventer: Kluwer 2005 (vierde druk). De Wet openbare manifestaties,
                    vermeldt in art. 4 dat de raad bij verordening voor het houden van een betoging
                    op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving aan de burgemeester kan
                    instellen. Of het betogingsartikel in de APV daarmee een bepaling is die door de
                    raad krachtens medebewind is vastgesteld dan wel nog steeds een autonome
                    grondslag heeft is een andere vraag. Verwezen wordt naar de bijdrage van
                    H.Ph.l.A.M. Hennekens getiteld:'Kennis van het decentralisatierecht: onder
                    nul?', <cursief>Gst. </cursief>2008, 106. In de APV is dat uitgewerkt. De APV
                    bevat regels over het tijdstip van de melding voorafgaande aan de betoging en de
                    onderdelen waaruit een ontvankelijke melding dient te bestaan. De bestuurlijke
                    reactie die moet volgen op een ingediende melding is dat diegene die de
                    kennisgeving van de betoging heeft gedaan daarvan een bewijs ontvangt. In dat
                    bewijs is het tijdstip van de kennisgeving vermeld. De APV spreekt van een
                    'bewijs'. Het 'bewijs' is hier niet expliciet als een bevoegdheid toegekend. Dit
                    bewijs is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en is geen besluit. Het is dus
                    een verklaring dat de melding is gedaan. De afgifte van het bewijs betekent dat
                    de organisator van de betoging tegenover derden zoals in voorkomend geval
                    toezichthoudende of opsporingsautoriteiten kan aantonen dat de kennisgeving is
                    gedaan. Het al dan niet afgeven van het bewijs dat de kennisgeving is ontvangen
                    heeft op zichzelf geen enkel rechtsgevolg. Wanneer de organisator geen bewijs
                    ontvangt kan dat tweeërlei oorzaak hebben. Op de eerste plaats kan de melding
                    niet ontvankelijk zijn omdat de vereiste bescheiden waarvan de melding vergezeld
                    moet gaan niet zijn ingediend. In dat geval geldt de melding als niet gedaan. Op
                    de tweede plaats kan de burgemeester niet akkoord gaan met het tijdstip waarop
                    de demonstratie plaatsvindt. In het laatste geval zal deze constatering dienen
                    te worden gevolgd door een nadrukkelijk verbod of een voorwaarde met betrekking
                    tot tijd en/of plaats. De burgemeester kan in voorkomend geval uit een oogpunt
                    van handhaving van de openbare orde beperkingen te stellen. Zie ook: mr. dr. P.
                    Loof, 'De burgemeester en demonstratievrijheid', <cursief>Gst.</cursief>2007,
                    104 en het rapport demonstreren staat vrij van de Nationale Ombudsman van
                    december 2007.</al><al/><al>De Hoge Raad onderschreef in een arrest het oordeel van het gerechtshof dat een
                    demonstratie kan worden beëindigd doordat het meldingsgebod niet is nageleefd.
                    HR 17 oktober 2006, <cursief>NI </cursief>2007, 207, <cursief>AB
                    </cursief>2007,23]. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het gerechtshof,
                    omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op eigen gezag de
                    demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de
                    burgemeester, en die zal dan ook het besluit moeten nemen. Het Europese Hof voor
                    de Rechten van de Mens (EHRM) is van oordeel dat in bijzondere omstandigheden,
                    waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke
                    gebeurtenissen, het enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende is om
                    de demonstratie te beëindigen. [32 EHRM 17 juli 2007, <cursief>NIB
                    </cursief>2007, 1839]. Als er verder niets illegaals aan de hand is en de
                    demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van
                    de demonstratie alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele
                    beperking van het grondrecht om te demonstreren zijn.</al><al/><al><cursief>Openbare en andere dan openbare plaatsen</cursief></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                    verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering van
                    manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een
                    terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt de
                    redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de
                    beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten
                    aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging “buiten gebouwen en
                    besloten plaatsen”. De regering geeft de voorkeur aan een functionele
                    omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet- openbare
                    plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van gebruik van een
                    plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet
                    afgescheiden zijn van de plaats (TK 1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al/><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “openbare en andere dan openbare
                    plaatsen”?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al/><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al/><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).
                    Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al/><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al/><al><cursief><onderstreept>Betoging</onderstreept></cursief></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li nr=""><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr=""><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet per se een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al/><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven
                    als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek
                    gebied”.</al><al/><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al/><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al/><al><cursief>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</cursief></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al/><al><cursief>Klokgelui en oproepen tot gebed</cursief></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen
                    met betrekking tot duur en geluidsniveau. De strekking van artikel 10 WOM is
                    niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of
                    levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot
                    gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van
                    gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend
                    op te treden onverlet te laten. Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen
                    tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind,
                    maar autonome bepalingen. Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel
                    4:6 APV (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of
                    als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In
                    die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of
                    krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De
                    vraag rijst of de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden
                    grondrechten, zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al/><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                    gesteld dat de clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”
                    inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid bevoegd is
                    tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de omvang van de
                    grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 van de Gemeentewet is thans
                    expliciet opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan
                    afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften.</al><al/><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel
                    van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van
                    artikel 176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de
                    overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet
                    (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de
                    uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse
                    APV).</al><al/><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt: “De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                    worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
                    grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft
                    dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de
                    bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de
                    gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden.”</al><al/><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen
                            van strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht
                            van het COC ook de bisschop als stuitend zou voorkomen, bieden geen
                            grond tot beperking van de vrijheid van meningsuiting. Vz.ARRS
                            11-04-1979, Arob editie 1986, nr. 122 m.nt. De M.</al></li><li nr=""><al>Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor
                            weigering van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59,
                            OB 1980, III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M. Kan
                            (demonstratie Den Haag).</al></li><li nr=""><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van
                            het politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende
                            zwaarwegende omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS
                            27-05-1982, AB 1983, 62, m.nt. JHvV, tB/S XI, nr. 55, m. nt. tB/S, (Idem
                            demonstratieverbod Afcent, Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J.
                            Boon, Arob editie 1986, 78, m. nt. MCB.)</al></li><li nr=""><al>De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek
                            irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om
                            de demonstratie op grond van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er
                            gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen
                            worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te
                            treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie te verbieden.
                            Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158</al></li><li nr=""><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden
                            verboden. Zo’n beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel
                            niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden
                            tegenover deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde
                            tot gevolg zullen hebben. Pres. Rb Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198.
                            In gelijke zin: Voorzieningenrechter Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG
                                02.0040<extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0040.jsp"/>,en: de uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een
                            grotere inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een
                            voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een
                            grondrecht. De WOM is niet van toepassing op een persconferentie in een
                            woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst. 1994, 6983, 4 m.nt. HH,
                            AB1994, 242 m.nt. RMvM.</al></li><li nr=""><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van
                            ballonen door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de
                            gemeenschappelijke meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996, Gst.
                            1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB 1996, 266 m.nt. REdW.</al></li><li nr=""><al>Bestuurlijke overmacht kent een zware onderbouwingsplicht. De door
                            verzoeker aangekondigde demonstratie is als een betoging in de zin van
                            artikel 9, eerste lid, van de Grondwet aan te merken. Dat brengt met
                            zich mee dat een betoging slechts in uitzonderlijke situaties preventief
                            mag worden verboden. Verweerder behoort de nodige politiebescherming te
                            bieden teneinde de demonstratie doorgang te kunnen doen vinden. Dit
                            leidt eerst dan uitzondering indien er een situatie van bestuurlijke
                            overmacht dreigt te ontstaan. Daarvan is sprake als een betoging naar
                            redelijke verwachting gepaard zal gaan met wanordelijkheden op zodanige
                            schaal dat er niet voldoende politie ingezet kan worden om daaraan het
                            hoofd te bieden. Van belang is of verweerder zich voldoende heeft
                            ingespannen om een vreedzaam verloop van de demonstratie mogelijk te
                            maken. Nu het hier gaat om de uitoefening van een grondrecht mag daarbij
                            een grotere inspanning van verweerder worden verwacht. De
                            voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende concreet
                            heeft aangetoond dat de verwachte wanordelijkheden vanwege het niet
                            kunnen leveren van voldoende politiecapaciteit zullen leiden tot een
                            situatie van bestuurlijke overmacht. Dit leidt er toe dat het verbod
                            geen stand kan houden. Nu binnen de aangekondigde route een straatfeest
                            plaatsvindt, bepaalt de voorzieningenrechter dat de demonstratie
                            plaatsvindt op een alternatieve route (Voorzieningenrechter Roermond, 10
                            juni 2010, AWB 10/715; LJN: BM7394; JG 10.0055).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat
                        die niet is aangemeld?</cursief> De Nationale Ombudsman heeft in zijn
                    rapport van december 2007, “Demonstreren staat vrij” (<extref doc="http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp">http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp</extref>),
                    de juridische grenzen nog eens helder op een rij gezet .</al><lijst><li nr=""><al>De Hoge Raad onderschreef in zijn arrest van 17 oktober 2006 (NJ 2007,
                            207, AB 2007, 23) het oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie
                            kan worden beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad
                            vernietigde de uitspraak van het gerechtshof, omdat het hof ten onrechte
                            had geoordeeld dat de politie op eigen gezag de demonstratie kon
                            beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de burgemeester, en
                            die zal dan ook de feitelijke beslissing moeten nemen.</al></li><li nr=""><al>Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in haar
                            arrest van 17 juli 2007 (NJB 2007, 1839) anders. In bijzondere
                            omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op
                            politieke gebeurtenissen, is het enkel en alleen ontbreken van een
                            melding onvoldoende om de demonstratie te beëindigen. Als er verder
                            niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt
                            voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen
                            omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het
                            grondrecht om te demonstreren zijn.</al></li></lijst><al/><al>De Ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie
                    moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van
                    volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden
                    noodzakelijk is. Dat is overigens, zo blijkt uit het rapport, ook het beleid van
                    de burgemeester van Den Haag.</al><al>Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken het EHRM valt
                    uiteraard niet te voorspellen, maar er is alle reden om de lijn van het EHRM en
                    de Ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet
                    lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen
                    van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het
                    belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van
                    wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in
                    de APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de
                    demonstratie gedane melding te accepteren.</al><al/><al><vet>AFDELING 3. Vertoning e.d. op de
                        weg</vet><onderstreept>Artikel 2:4
                        Straatartiest</onderstreept></al><al>Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:16. Echter het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2:4 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                    straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:4. De motieven om
                    openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen belang,
                    hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.
                    Zie voor de betekenis van deze begrippen het commentaar onder artikel 1.8.</al><al/><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip
                    “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de
                    toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke
                    uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van
                    degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986,
                    Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
                    derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof
                    nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                    betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:4 is dezelfde
                    redactie gevolgd. De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van
                    de Gemeentewet.</al><al/><al>Lex silencio positivo: Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als
                    straatartiest op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf
                    gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan
                    bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een
                    ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een
                    ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten.
                    Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio af te
                    zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt op het gehele artikel van toepassing
                    verklaard. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de
                            openbare orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01
                            10 1993, JG 94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt.
                            RMvM, ABRS 15 07 1994, JG 95.0208.</al></li><li nr=""><al>Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf.
                            Optreden als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van
                            gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet.
                            Openbare orde verzet zich tegen het optreden van meer dan twee
                            straatfotografen. ABRS 03 09 1997, Gst. 1997, 7064, 3 m.nt. EB.</al></li></lijst><al><vet>AFDELING 4. Bruikbaarheid en aanzien van de
                        weg</vet><onderstreept>Artikel 2:5
                        </onderstreept><onderstreept>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of
                        op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of
                        plaats</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een
                    discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De
                    gemeente kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen
                    in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt
                    een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en
                    bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de
                    openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze
                    voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de
                    leefbaarheid.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Het plaatsen van voorwerpen op de
                        weg</onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>Inboedels</cursief></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:5. In de VNG
                    ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuurswang ten
                    aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief optreden tegen
                    dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief
                    1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger
                    beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie ook
                    onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief van
                    20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te treden
                    tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1. (oud) van de APV op de weg geplaatste
                    zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten
                    van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</al><al/><al><cursief>Containers</cursief></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het Centrum voor
                    Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek
                    (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte
                    obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van
                    verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil- en opslagcontainers),
                    inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en
                    controlemogelijkheden.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een
                    nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. </al><al> Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen
                    voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat
                    om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.</al><al/><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het
                    bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de onmgevingsvergunning (vierde lid)
                    nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen
                    zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van
                    artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of
                    aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat
                    de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. Wij
                    verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2,
                    tweede lid van de Wabo in de model-APV dan ook niet toegepast.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie uitstallingen</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen
                            gehandhaafd op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook
                            op de onder a opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in
                            de weg). De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de
                            plaatsing van dit artikel in het hoofdstuk dat betrekking heeft op
                            openbare orde, in de weg staat aan het opnemen van de onder b genoemde
                            weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere beoordeling van het
                            uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van de
                            bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996,
                            Gst. 1997, 7050, 5 m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor uitstallingen in het
                            kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede gelet op de hoge
                            voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden enquête. ABRS
                            11-05-1998, JU 982110 (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Hetzelfde geldt voor een beleid dat inhoudt dat objecten niet meer dan
                            40 cm uit de voorgevel mogen worden geplaatst, welk beleid wordt
                            ondersteund met een welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188
                            (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>In de notitie Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld:
                            alleen de uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt
                            toegestaan. Daarmee is bij nadere invulling van het begrip openbare orde
                            een onderscheid gemaakt naar de soort van de uitgestalde waren. De
                            Rechtbank is van oordeel dat hiermee een wezenlijk ander onderscheid
                            wordt gehanteerd dan welke volgt uit een zekere beoordeling van het
                            uiterlijk aanzien van de uitstalling. Dit onderscheid is niet in het
                            belang van de bescherming van de openbare orde in de zin van artikel
                            2.1.5.1. Voor zover de uitstallingen van eisers niet aan de nieuwe
                            maatvoering voldoen, gelet op de straten/plaatsen waar de winkels van
                            eisers gevestigd zijn een wijziging (in plaats van een intrekking) van
                            de verleende vergunning in de rede had gelegen, met name wat betreft de
                            maatvoering en de plaats van de uitstalling, waarbij voorts de uitkomst
                            van een individuele toetsing vanuit een oogpunt van welstand mogelijk
                            tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen geven.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie evenementen</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan
                            uit drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een
                            verkooppunt voor frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen
                            bouwwerken, Woningwet niet van toepassing. Indien er een meldingsplicht
                            bestaat op grond van de Wet milieubeheer, is de APV niet van toepassing.
                            Ingeval de APV wel van toepassing is, heeft het college in redelijkheid
                            tot het verlenen van de vergunning kunnen komen. Nu het seizoen al is
                            begonnen, is er groot belang bij continuering. ABRS 23-06-2000, JU
                            001042 (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb
                            Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen
                            weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook
                            strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering
                            vergunning.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie terrassen</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Het gebruik van een terras bij een horecabedrijf is blijkbaar een
                            dermate lucratieve onderneming dat alles op alles wordt gezet om
                            vergunning te verkrijgen voor een groter terras. De aangevoerde
                            argumenten (toezeggingen, schending van een overeenkomst) speelden
                            terecht geen rol bij de overweging dat een terras op zichzelf en het
                            bedienen ervan de verkeersveiligheid negatief kan beïnvloeden. Op grond
                            van artikel 2.3.1.2, vijfde lid, en in afwijking van artikel 2.1.5.1,
                            van de model-APV beslist de burgemeester (en niet het college) over het
                            gebruik van het weggedeelte waarop het terras door de horeca-ondernemer
                            was gewenst in relatie tot de naastgelegen (verkeers)weg. (zie over de
                            bevoegdheid van de burgemeester i.p.v. het college ook JG 03.0022. Een
                            terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in
                            de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van
                            dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de
                            voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
                            Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de
                            uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat
                            toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om
                            terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG 02.0128 m.nt. M.
                            Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419,
                            LJN-nr. AF0269.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie reclame</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het
                            college reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor
                            het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon
                            worden geweigerd in het belang van welstand of verkeersveiligheid. Het
                            college heeft een maximum van 123 locaties voor driehoeksborden
                            aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op grond van de
                            Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze op te
                            stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de
                            verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling oordeelt allereerst:
                            Anders dan artikel 7, eerste lid, Gw beschermt art. 10 EVRM ook uitingen
                            met een commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije
                            meningsuiting is echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van
                            art. 10. Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er voorts toe
                            strekt reclame-uitingen te reguleren in het belang van de openbare
                            veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,
                            alsmede de bescherming van de rechten van anderen, is er van strijd met
                            art. 10 EVRM geen sprake.</al></li><li nr=""><al>Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een maximum te
                            stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden
                            geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van
                            bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het
                            college heeft dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties
                            het uitgangspunt vormde voor de bij de beslissing op bezwaar
                            gehandhaafde afwijzing van het verzoek van appellante en niet kan worden
                            nagegaan of dit uitgangspunt rechtens houdbaar is, moet worden
                            geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen door de
                            daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging
                            in aanmerking komt. ABRS 20-04-2005, nr. 200407498, AB 2005, 180 m.nt.
                            A. Tollenaar; GS 2005, 7236, 140 m.nt. D.E. Bunschoten.</al></li><li nr=""><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                            reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan
                            worden gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met
                            artikel 10 EVRM (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit
                            kan betekenen dat er in feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot
                            gebruik van het middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven
                            Volgens de President kunnen wel beleidscriteria in de vorm van
                            restricties voor wat betreft het aantal vergunningen (al dan niet per
                            aanvrager per jaar), en de locatie en duur van elke vergunning worden
                            gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997, 338). Dit beleid kan worden
                            onderbouwd met behulp van een politierapport of welstandsadvies.</al></li><li nr=""><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show,
                            oordeelde de Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij
                            elke aanvraag om vergunningverlening een individuele en concrete
                            beoordeling nodig is, ongeacht het gevoerde beleid. Geen acht is
                            geslagen op de borden als zodanig en de plaats van opstelling. Geen
                            strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te worden
                            behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al></li><li nr=""><al>Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel
                            2.1.5.1. alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing
                            is, wordt niet gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998,
                            7069, 3 m.nt. EB, KG 1997, 388.</al></li><li nr=""><al>Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een
                            voetbalwedstrijd, aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de
                            omgeving. Het betreft commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel
                            10 EVRM en artikel 19 IVBPR niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19
                            IVBPR zijn alleen in het geding als de verspreiding van reclame (en
                            uiteraard andere meningsuitingen) zo zeer aan banden zou worden gelegd
                            dat de vrijheid reclame te maken zelf zou worden aangetast. ABRS
                            23-12-1994, JG 09.0207, AB 1995, 163.</al></li><li nr=""><al>APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                            reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor
                            reclameborden uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke,
                            niet-commerciële evenementen. Artikel 2.1.5.1. kent een aantal
                            limitatieve weigeringsgronden. De aard van de reclame, commercieel of
                            niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb Breda 9-11-1994, JG
                            95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en 29-10-1997,
                            resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak betreft Pres. Rb
                            ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor
                            reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder
                            evenement betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de
                            zin van artikel 2.1.5.1.</al></li><li nr=""><al>Vz.ARRS 27-08-1993, JG 94.0054. Door het verlenen van ontheffingen voor
                            de duur van een jaar heeft het college duidelijk gemaakt dat het beleid
                            ten aanzien van reclameborden en verkooprekken gewijzigd kan worden. Het
                            in het geheel niet bieden van ruimte voor het verlenen van een
                            ontheffing verdraagt zich niet met de APV. Vz.ABRS 03-01-1994, JG
                            94.0212.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie afvalcontainers</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd
                            met de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de
                            weg in het geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt.
                            HH. Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet
                            zijn waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de
                            constructie, omvang van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel
                            8.2 APV, welk artikel vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten
                            toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst. 1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998,
                            54 m.nt. H.A.M.G.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie handhaving</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Naar aanleiding van de vraag of de gemeente veroordeeld kan worden om
                            bij een gerechtelijke ontruiming van een woning aanwezig te zijn om de
                            op de weg geplaatste inboedel terstond af te voeren en op te slaan,
                            overweegt de Pres. Rb Amsterdam 19-08-1999, KG 1999, 242, dat de
                            executerende deurwaarder gerechtigd is de inboedel aan de weg te
                            plaatsen zonder dat hem een overtreding op grond van de APV verweten kan
                            worden. De publieke taak van de gemeente om de openbare weg vrij te
                            houden van obstakels houdt echter nog niet in dat de deurwaarder een
                            rechtens afdwingbare vordering tegen de gemeente heeft om bij
                            gerechtelijke ontruimingen de inboedel af te voeren en op te slaan.
                            Deurwaarder kan wel maatregelen nemen zoals de geëxecuteerde van tevoren
                            waarschuwen of zelf maatregelen nemen voor afvoer en opslag.</al></li><li nr=""><al>Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel
                            als afval aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden.
                            Gemeente aansprakelijk voor de schade. Pres. Rb Amsterdam 15-02-2001, JG
                            01.0138 m.nt. E.H.J. de Bruin, KG 2001, 87.</al></li><li nr=""><al>Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik
                            van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het
                            verbod van artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel
                            artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de
                            mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een
                            dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er
                            sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te
                            verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld
                            voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is
                            er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor
                            preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van
                            overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht
                            aan de woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming,
                            waarbij de inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van
                            artikel 2.1.5.1 (oud) van de APV. Als overtreedster is de
                            woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook de kosten
                            verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd. ABRS
                            07-11-2001, JG 02.0006, LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M. Geertsema,
                            Gst. 2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al></li><li nr=""><al>Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid,
                            van de Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het
                            op straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse
                            voorwerpen van niet geringe omvang bestaande inboedel kan niet als
                            gebruik van de weg overeenkomstig haar bestemming worden aangemerkt,
                            zodat een dergelijke handeling onder het verbod van artikel 2.1.5.1,
                            eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een instrumenterend openbaar
                            ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot ontruiming
                            overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van
                            bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M.
                            Geertsema.</al></li><li nr=""><al>Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de
                            ontruimer. Vzr. Zutphen 25-08-2004, 04/1199 GEMWT, LJN-nr. AQ8910.</al></li><li nr=""><al>Door particulier niet overeenkomstig publieke functie en zonder
                            vergunning gebruikt deel van gemeentegrond (groenstrook) is aan te
                            merken als weg in de zin van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV
                            (Alkmaar), nu gemeente publieke toegankelijkheid van groenstrook heeft
                            beoogd en deze ook feitelijk heeft gerealiseerd. Niet is gebleken van
                            concreet zicht op legalisatie. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen.
                            ABRS 30-07-2008, LJN: BD8901.</al></li><li nr=""><al>Bestuursdwangaanschrijving ter verwijdering van op pad aangebrachte
                            afsluiting. Doorkruising Wegenwet. Op grond van APV-verbod om ‘weg’
                            anders dan overeenkomstig de bestemming te gebruiken mag rechthebbende
                            niet worden gedwongen verkeer toe te laten dat valt buiten de reikwijdte
                            van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet (ABRS 01-07-2009,
                            200806520/1H3, gemeente Ubbergen, LJN: BJ1110, GemSt 7322, 86)</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:6 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                        weg</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij
                    hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband
                    met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat
                    niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen
                    van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel
                    overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek
                    maatwerk gaat.</al><al/><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het
                    college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van belang. Op
                    grond van de Wro mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken
                    of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te
                    voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de
                    daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte
                    bestemming. Ingevolge artikel 14 Wro mag een vergunning alleen en moet zij
                    worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een
                    bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is acht weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg
                    zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al/><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van
                    toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van
                    de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft
                    zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefteom de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische
                    voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te
                    houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd
                    worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare
                    voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de
                    bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog
                    daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar
                    van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven.
                    Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke
                    weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat
                    anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d. Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die
                    bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het
                    tweede lid dan ook de toevoeging “alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen
                    van gebouwen” opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een
                    verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten staat in artikel 37
                    Bouwverordening gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
                    Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen,
                    bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                    samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                    landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                    Landinrichtingswet, een uitzondering te maken. De plicht om gebouwen door middel
                    van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten staat in artikel
                    37 Bouwverordening gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente
                    Vlissingen 2008.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf
                            betrekking heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de
                            hoogte, de wijze van verharding - of wat met die weg ten nauwste verband
                            houdt zoals beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de
                            (situering van de) langs of in de weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01
                            1986, BR 1986, 426, Arob editie 1986, 86, 7 (Wegaanleg Gennep).</al></li><li nr=""><al>Relatie van artikel 2.1.5.2 (thans 2:11) met artikel 350 van het Wetboek
                            van Strafrecht. APV bepaling als vorenbedoeld verbiedt het feitelijk
                            beschadigen, zonder op die beschadiging gerichte opzet, onverschillig
                            wie de eigenaar is. Artikel 350 Sr. stelt daarentegen straf op
                            opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van enig goed, geheel of
                            ten dele aan een ander toebehorende, en derhalve op onrechtmatige
                            beschadiging van eens anders eigendom, gepleegd met het doel en de wil
                            om te beschadigen. HR 07 01 1907, W. 8485 (APV Tiel)</al></li><li nr=""><al>Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een
                            druk winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en
                            voor het doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde
                            lid, van de APV Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde.
                            Objecten die in dezelfde winkelstraat staan, zoals fietsen,
                            terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan de twee betonnen palen.
                            Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden verwijderd. Er is
                            bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter de
                            gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN
                            AO2900.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:7 Maken, veranderen van een uitweg</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In
                    veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren
                    zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In
                    andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het
                    algemeen belang. Er is daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in
                    een meldingsplicht. Het stellen van algemene regels in plaats van een
                    meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij
                    veelal om specifiek maatwerk gaat. De tekst is aangepast en gewijzigd in een
                    meer zuiver vergunningsstelsel, waarbij het college slechts de keus heeft tussen
                    toestaan en verbieden.</al><al/><al>De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste
                    plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden
                    gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de
                    bescherming van openbare groenvoorzieningen. Uit de jurisprudentie over artikel
                    14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen.
                    Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden
                    gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid
                    op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al/><al>Artikel 2:7 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te
                    voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan,
                    dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en
                    desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer)
                    schaarse parkeerruimte. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare
                    uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de
                    gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college
                    kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook
                    privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al/><al>De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de
                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen.
                    Daarbij moet worden opgemerkt dat met name bij elektronische formulieren het
                    bijvoegen van een foto voor burger en gemeente extra lasten betekent. Het valt
                    te overwegen om deze eis niet op te nemen. Aan de hand van deze gegevens kan het
                    college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden
                    toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.</al><al/><al>Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt
                    evenmin met artikel 14 Wegenwet. De grond bescherming van groenvoorzieningen in
                    de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te
                    verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar
                    groen.</al><al/><al><cursief>De Melding</cursief></al><al>De melding van een uitweg valt niet onder de Wabo. Er is immers geen sprake van
                    een vergunning of ontheffing. Het betreft hier een voorbeeld van een
                    meldingsverplichting als onderdeel van een voorwaardelijk verbod. Het is
                    opvallend dat deze bepaling geen termijn kent waarbinnen de gemelde
                    werkzaamheden inzake de aanleg van de uitweg moeten worden uitgevoerd.</al><al/><al>Het gaat bij de aanleg van uitwegen om een handeling die niet afhankelijk is van
                    een bepaalde datum waarop de werkzaamheden plaatsvinden. In dit geval kan het
                    moment van aanleg of wijziging van de uitweg zelf worden gekozen. Toen er nog
                    sprake was van een vergunningplicht kon op basis van een algemene bepaling in
                    art. 1:6 van de APV de vergunning worden ingetrokken wanneer niet binnen een
                    redelijke termijn van de vergunning gebruik was gemaakt. Nu ontstaat de situatie
                    dat wanneer de melding is gedaan en er geen nadere voorschriften zijn gesteld of
                    een verbod is uitgevaardigd tot in lengte van dagen de werkzaamheden kunnen
                    worden uitgevoerd. Het leed wordt enigszins verzacht doordat de meldingsplicht
                    is gekoppeld 'aan diegene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of
                    verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg'. Het melden is dan
                    ook een persoonlijke verplichting en heeft geen zakelijke werking. Een
                    rechtsopvolger onder bijzondere of algemene titel van de oorspronkelijke melder
                    zal een nieuwe melding moeten doen wanneer de inrit daadwerkelijk wordt
                    aangelegd. Als de gemeente tevens eigenaar of beheerder is van de aansluitende
                    weg, moet de gemeente ook privaatrechtelijke toestemming gegeven tot het maken
                    van de daadwerkelijke aansluiting op de weg. Dit is een bevoegdheid van het
                    college. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd
                    door privaatrechtelijke weigering van de gemeente.</al><al/><al>Als een melding is gedaan heeft het college nog de mogelijkheid tot sturing
                    namelijk door het verbod van de aanleg van de uitweg. Dit verbod is een besluit
                    in de zin van de van de Awb. Een melding doet het verbod buiten werking stellen
                    en de melder kan met de feitelijke aanleg beginnen. In bovenstaande bepaling is
                    dan ook een mijns inziens de niet overbodige bepaling opgenomen dat met de
                    feitelijke werkzaamheden moet worden gewacht totdat vier weken na ontvangst van
                    de melding zijn verstreken. Door de verbodsbevoegdheid is er namelijk eerst na
                    ommekomst van deze termijn duidelijkheid over de rechtspositie van de melder en
                    wordt voorkomen dat na de melding uitgevoerde werkzaamheden ongedaan moeten
                    worden gemaakt omdat deze alsnog getroffen worden door een verbod. In sommige
                    APV's treffen we nog de mogelijkheid aan dat het college de bevoegdheid heeft
                    tot het stellen van nadere voorschriften aan de feitelijke aanleg. Dit gaat
                    minder ver dan een verbod. In dat geval heeft het college de mogelijkheid om
                    binnen een bepaalde periode na ontvangst van de melding nog nadere voorschriften
                    aan de feitelijke uitweg te stellen en hoeft niet onmiddellijk een verbod te
                    worden uitgevaardigd. Sommige nadere voorschriften die in alle situaties waarin
                    uitwegen worden aangelegd van toepassing zijn worden vaak bij een gemeente dan
                    op het meldingsformulier geplaatst. De werking van deze voorschriften is dan
                    echter discutabel zoals in bovenstaande is opgemerkt. Deze voorschriften kunnen
                    worden vastgesteld in de vorm van nadere regels op grond van art. 156 lid 3 van
                    de Gemw. Daartoe dient het bovenstaande artikel bijvoorbeeld de volgende
                    bepaling te bevatten: <cursief>'Het college kan nadere regels vaststellen ten
                        aanzien van de situering, de breedte en het te gebruiken materiaal bij het
                        aanleggen of veranderen van uitwegen. '</cursief></al><al/><al>Probleem met de bevoegdheid tot het instellen van een verbod inzake de
                    feitelijke aanleg van de uitweg en ook de bevoegdheid tot het stellen van nadere
                    voorschriften is dat een belanghebbende een verzoek kan indienen tot het
                    uitvaardigen van een verbod dan wel het stellen van nadere voorschriften. Niet
                    zelden ontvangt het college een brief, waarin expliciet wordt vermeld dat een
                    belanghebbende bezwaar maakt tegen de aanleg van een uitweg waarvan het
                    voornemen is gemeld. Zoals in het voorgaande is geschetst, zal het college dan
                    moeten beoordelen of er aanleiding is om een verbod uit te vaardigen dan wel,
                    indien deze mogelijkheid in de verordening is opgenomen, nadere voorschriften
                    aan de feitelijke aanleg moeten worden gesteld. Het college kan voor deze
                    bevoegdheden beleidsregels vaststellen. </al><al/><al>Deze beleidsregels kunnen bijvoorbeeld de situaties aangeven voor het
                    uitvaardigen van een verbod. Daarnaast kan een beleidsregel de noodzaak aangeven
                    omtrent het geven van toestemming tot het maken van een daadwerkelijke
                    aansluiting op de weg. Aspecten van wegbeheer dienen dan ook in de beleidsregels
                    te worden betrokken. In deze beleidsregels kan bijvoorbeeld worden aangegeven
                    dat de toestemming als wegbeheerder wordt geacht te zijn verleend wanneer het
                    college geen verbod uitvaardigt, dan wel geen nadere voorschriften aan de
                    feitelijke aanleg van de uitweg stelt, indien daartoe de bevoegdheid in de
                    verordening is opgenomen. Rekening houdend met de bevoegdheden tot het stellen
                    van nadere voorschriften aan de feitelijke aanleg van een uitweg dan wel het
                    verbieden van de feitelijke aanleg dient het college nog een 'interne' procedure
                    vast te stellen. Deze procedure kan dan als volgt luiden:</al><al>- er wordt een melding ingediend aan de hand van een vastgesteld formulier; op
                    het meldingsformulier wordt gewezen op het feit dat het college nadere
                    voorschriften kan stellen</al><al>aan de feitelijke aanleg van de uitweg;</al><al>- van deze melding wordt een publicatie opgesteld bestemd voor de gemeentepagina
                    in een periodiek plaatselijk verschijnend huis-aanhuis-blad (i.c. De Faam);</al><al>- er wordt de mogelijkheid van het stellen van nadere voorschriften dan wel een
                    verbod genoemd en dat binnen een bepaalde termijn of voor een bepaalde datum
                    schriftelijke aanvragen tot het stellen van nadere eisen dan wel het
                    uitvaardigen van een verbod aan de feitelijke uitweg kunnen worden ingediend bij
                    het college.</al><al>Is de melding in overeenstemming met de beleidsregels en zijn er geen verzoeken
                    ingediend dan kan het college volstaan met een ontvangstbevestiging van de
                    melding.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977,
                            366 m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince
                            le Roy (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst.
                            1977, 6514 (De Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman
                            (uitwegvergunning Nuth I).</al></li><li nr=""><al>Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid
                            en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden
                            bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in
                            redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen. ARRS
                            20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV. (Wegverbreding).</al></li><li nr=""><al>Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in
                            het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met
                            artikel 14 van de Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van
                            Wijmen.</al></li><li nr=""><al>Weigering uitwegvergunning op grond van het belang van de bescherming
                            van het uiterlijk aanzien van de gemeente is in beginsel mogelijk. ARRS
                            22-12-1989, Bouw en uitvoering 1991, nr. 5. Zie ook ABRS 13-07-1999,
                            H01.98.1206 (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven,
                            is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te
                            verlenen. Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het
                            bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het
                            opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est
                            lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr. 6. m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop
                            wordt uitgeweegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12
                            (APV Vlijmen); ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Als
                            voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd
                            worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr. 356.</al></li><li nr=""><al>De Wegenwet houdt een regeling in van de onderhoudsplicht van wegen en
                            ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. ARRS 09 02
                            1987, WO RvS 1987, R.J. 127/87, nr. 3.71.</al></li><li nr=""><al>Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar
                            evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een
                            uitwegvergunning. ARRS, 20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS
                            16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2 m.nt. EB.</al></li><li nr=""><al>Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is
                            uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een
                            privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat
                            de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG
                            94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van
                            de gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model)
                            APV. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit
                            van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de
                            gemeente. ABRS 05 12 1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van
                            de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning
                            kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning
                            ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07
                            1997, AB 1997, 369 m.nt. FM.</al></li><li nr=""><al>Titel openbare orde staat weigeringsgrond bescherming uiterlijk aanzien
                            wel toe. ABRS 13-07-1999, JB 1999, 224. Zie ook: Weigeringsgrond
                            bescherming uiterlijk aanzien van de omgeving mag. Titel hoofdstuk
                            (openbare orde) kan niet leiden tot oordeel dat deze weigeringsgrond
                            geen onderdeel van artikel is. Expliciete verwijzing naar uitspraak 7
                            oktober 1996, Gst. 1997, 7050, 4 (zie onder jurisprudentie artikel
                            2.1.5.1). In dezelfde zin: ABRS 14-08-2002, 200201413, LJN-nr. AE6496,
                            JG 2002, 170 m.nt. M. Geertsema.</al></li><li nr=""><al>ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder
                            uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal
                            worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald,
                            geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar
                            slechts een mededeling van feitelijke aard is.</al></li><li nr=""><al>Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom
                            zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg
                            is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling
                            naar burgerlijk recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4
                            m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>De in artikel 2.1.5.3 (oud), derde lid, van de APV omschreven algemene
                            belangen verzetten zich niet tegen vergunningverlening. Vergunning moest
                            van rechtswege worden verleend. Vergunning werd niet verleend ter
                            behartiging van enig openbaar belang. Beginsel van “égalité devant les
                            charges publiques” dan ook niet van toepassing. Afwijzing
                            nadeelcompensatie. ABRS 10-07-2000, Gst. 2000, 9.</al></li><li nr=""><al>Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                            maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang
                            bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend
                            voor een garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen
                            gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant
                            van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond
                            van te verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de
                            toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS 19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2
                            m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Het college had een onderzoek moeten instellen naar de consequenties van
                            de aanleg van de inrit voor de verkeersveiligheid en voor de resterende
                            parkeerruimte ter plaatse. ABRS 29-05-2001, JB 2001, 180.</al></li><li nr=""><al>Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten
                            onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en
                            doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag
                            of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college
                            het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij
                            beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in
                            redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen
                            besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207.</al></li><li nr=""><al>Weigering uitwegvergunning voor een supermarkt; beoordelingsvrijheid en
                            beleidsvrijheid; terughoudende toetsing door de rechter (Venlo) ABRS
                            11-04-2007, nr. 200606674/1. </al></li><li nr=""><al>Weigering uitwegvergunning. Verhouding APVcriteria en interpretatieve
                            gedragslijn .ABRS Zaaknummer: 200805488/1 datum uitspraak: 15 april 2009
                            LJN: BI1100</al></li></lijst><al/><al><vet>AFDELING 5. Veiligheid op de weg</vet></al><al/><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins). Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van
                    verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het
                    verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de
                    bruikbaarheid van de weg. Voor het maken van aanvullende regels bij
                    gemeentelijke verordening geldt steeds de beperking dat de hogere wetgever de
                    desbetreffende aangelegenheid niet uitputtend heeft willen regelen. De vraag
                    wanneer dat het geval is, is niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Daarnaast
                    is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel andere motieven
                    dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke regeling te treffen.
                    Zonder problemen is het werken op grond van een ander motief ook weer niet, met
                    name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling uitdrukkelijk bepaalde
                    situaties buiten schot heeft willen laten. Verder geldt hier - evenals bij de
                    eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de gemeentelijke verordening
                    toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag maken. In deze afdeling
                    zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van het verkeer
                    betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving aangemerkt
                    kunnen worden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het
                            verkeer op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te
                            beschermen dan verkeersbelangen - indien deze regels zo diep en zo
                            algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van
                            de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417
                            m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, p. 186, NG 1966,
                            p. 432, VR 1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak (bromfietsverbod Sneek); HR
                            23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB 1981, 237, NG 1981, p.
                            S 63, VR 1981, p. 58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod Schiermonnikoog) en
                            AR 5-3-1981, Gst. 1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod Vlieland).</al></li><li nr=""><al> ABRS 24 oktober 2007, JB 2008, 6: Bestuursdwang, aanzegging.
                            Bestuursdwang, spoedeisende situatie (gemeente Amersfoort). Verwijdering
                            van fiets die onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen
                            is geplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ter beoordeling
                            staat of in dit geval optreden zo spoedeisend was dat toepassing mocht
                            worden gegeven aan artikel 5:24, zesde lid, Awb. Zij is terecht en op
                            goede gronden tot het oordeel gekomen dat de vereiste spoed zich er
                            tegen verzette de beslissing tot bestuursdwang tevoren op schrift te
                            stellen en appellant een termijn te gunnen om zelf zijn fiets te
                            verwijderen. De Afdeling kan zich vinden in wat de rechtbank hieromtrent
                            heeft overwogen, namelijk dat dagelijks door fietsers en voetgangers
                            intensief gebruik wordt gemaakt van het stationsgebied en dat het
                            plaatsen van fietsen buiten de daartoe aangewezen plaatsen de vrije
                            doorgang kan belemmeren, hetgeen tot overlast en gevaarlijke situaties
                            kan leiden en het onjuist plaatsen van andere fietsen kan uitlokken.
                        </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:8 Voorwerpen die als wapen kunnen worden
                        gebruikt</onderstreept></al><al>In de gemeente worden jaarlijks grootschalige evenementen georganiseerd, waarbij
                    duizenden bezoekers aanwezig zijn. Met het oog op het ordelijk verloop daarvan
                    en het uitvoeren van adequaat toezicht is het gewenst risico's te voorkomen of
                    beperken. Met het oog daarop is verboden dat het publiek voorwerpen bij zich
                    heeft die als wapen kunnen worden gebruikt. Daarnaast moet worden voorkomen dat
                    bezoekers voorwerpen meenemen die als projectiel kunnen worden gebruikt. Daarom
                    is het verboden naast messen, knuppels en slagwapens ook blikjes, glaswerk,
                    glazen en hardplastic flessen bij zich te hebben. Het is daarbij niet relevant
                    of in de blikjes e.d. alcoholhoudende drank of alcoholvrije drank zit. Het
                    effect van het gooien van een gevuld blikje of een gevulde fles, los van de
                    inhoud, is hetzelfde, namelijk dat daardoor reële schade kan ontstaan aan
                    personen en zaken.<onderstreept>Artikel 2:9
                    Winkelwagentjes</onderstreept></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het
                    probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De
                    consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50
                    eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden is in
                    de APV in artikel 2:9, tweede lid, een verbod jegens de burger opgenomen.
                    </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Is een winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de
                            milieuregelgeving, dan kunnen voorschriften met betrekking tot
                            winkelwagentjes worden verbonden aan de milieuvergunning. KB 12 6 1985,
                            WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802, 10 (Haarlem).</al></li><li nr=""><al>De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van
                            winkelwagentjes worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de
                            wagentjes uit te rusten met een muntmechanisme. Dit beleid is niet op
                            zich zelf zodanig onjuist of onredelijk te achten dat reeds daarom een
                            onevenredig nadeel voor verzoekster aanwezig moet worden geacht. De
                            bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe de van rondslingerende
                            winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd Vz.ARRS, 01 12
                            1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v., ARRS 17
                            06 1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards
                    e.d.</onderstreept></al><al>Het artikel beoogt hinder en overlast te voorkomen voor het winkelend en
                    wandelend publiek in het aangegeven (winkel-)gebied. De veiligheid van de weg
                    kan eveneens worden aantast door met skateboards vergelijkbare objecten zoals
                    skeelers, rollerskates en in-lineskates. De praktijk wijst uit dat gebruikers
                    ervan een flinke snelheid weten te ontwikkelen, maar slechts zelden adequaat
                    kunnen afremmen ter voorkoming van gevaar voor mede-weggebruikers. Op plekken
                    waar zich veel voetgangers bevinden, zoals het kernwinkelgebied of de
                    boulevards, is dit onwenselijk. De beoefenaars van deze sporten kunnen buiten de
                    aangewezen gebieden naar onze mening voldoende aan hun trekken komen.</al><al><onderstreept>Artikel 2:11 Openen straatkolken e.d.</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><onderstreept>Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en
                        natuurterreinen</onderstreept></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. </al><al><cursief>Afbakening</cursief>: In artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                    Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen
                    of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de
                    nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of
                    veenbrand doet ontstaan.<onderstreept>Artikelen 2:13 en 2:14
                        Verontreiniging door rij- en trekdieren</onderstreept></al><al>De veiligheid van de weg kan in gevaar worden gebracht door uitwerpselen van
                    rij- en trekdieren. In de praktijk blijkt, en dat zal niemand verbazen, dat
                    vooral weggebruikers in de omgeving van een manege daar hinder van ondervinden.
                    In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat de route van een manege of stal naar een
                    nabij gelegen ruiterpad of in de periode van 15 september tot 15 april de route
                    naar het strand aanzienlijk wordt bevuild. Dit kan tot gevaarlijke situaties
                    leiden wanneer weggebruikers deze uitwerpselen trachten te ontwijken. De
                    motivering om dit gebod op te nemen betreft de veiligheid van het verkeer en kan
                    worden aangemerkt als een aanvulling op de wegenverkeerswetgeving. Maar ook
                    ruiters met privé stallen, schuren of weilanden binnen of buiten het grondgebied
                    van de gemeente Vlissingen rijden hier. Het verbod om zich met een rij- of
                    trekdier op het strand te begeven of te bevinden is opgenomen in artikel 5:30,
                    tweede lid, APV<onderstreept>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en
                        verlichting</onderstreept></al><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. In beginsel biedt de
                    Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen
                    inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor
                    zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de
                    desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer
                    daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel
                    geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de
                    voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                    openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:15a Overhangend groen</onderstreept></al><al>De gemeente krijgt veel meldingen over planten, struiken en bomen in
                    particuliere tuinen die over de erfgrens groeien en dus boven de openbare weg
                    hangen. Vooral de wat oudere voetgangers en mensen in invalidenwagens
                    ondervinden hinder van overhangend groen omdat bijv. het troittoir daardoor
                    smaller wordt. Ook voor andere weggebruikers kunnen gevaarlijke situaties
                    ontstaan wanneer overhangende takken en struiken het vrije uitzicht belemmeren,
                    bijv. bij splitsingen en kruisingen van wegen. Vanwege de hinder en het gevaar
                    dat overhangend groen veroorzaakt en vanwege de verkeersveiligheid die in het
                    geding is is artikel 2:15a in de APV opgenomen.</al><al/><al><vet>Afdeling 6. Evenementen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:16 Evenementenvergunning</onderstreept></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de
                    eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                    belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                    gemaakt. Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een
                    vergunningstelsel geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening
                    van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning niet discriminatoir is, </al></li><li nr="2."><al>het vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                            algemeen belang (noodzaakvereiste), en </al></li><li nr="3."><al>het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan
                            worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om
                            werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).</al></li></lijst><al/><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria. Het aantal
                    personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Dit kan gebeuren in
                    samenspraak met politie en/of hulpdiensten zoals de brandweer en de
                    ambulancedienst. Eveneens wordt de tijd gedurende welke het evenement plaats
                    vindt lokaal vastgesteld. Voor het houden van een straatfeest of barbecue is
                    impliciet lawaai toegestaan. De gemeenteraad dient wel de afweging te maken
                    tussen de sociale cohesie van de buurt en de overlast die het geluid kan hebben
                    voor de overige buurtbewoners. Tussen 23.00 uur en 07.00 uur moet het stil zijn.
                    Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van
                    geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</al><al/><al>Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet voor
                    een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door
                    het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de
                    Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats
                    vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte
                    voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral
                    om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met
                    betrekking tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst
                    wordt opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere
                    bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten
                    (brandweer, ambulance etc.) Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden
                    gehouden, zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes,
                    e.d.</al><al/><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al/><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd
                    en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden alle
                    drie vereisten. Wanneer sprake is van het vragen en betalen van een vaste
                    bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken
                    van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad
                    van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de
                    burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het
                    eendaagse evenement een ontheffing verlenen.</al><al/><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert. Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein
                    evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De
                    criteria van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding,
                    omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning ziet op evenementen op of aan de weg of het openbaar water
                    [artikel 2:16] Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de
                    impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf
                    4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><cursief>Niet onder de werking van artikel 2:16 vallen de volgende
                        zaken.</cursief></al><al>a. Bioscoopvoorstellingen: deze voorstellingen worden niet als evenement
                    aangemerkt.</al><al>b. Waren- en snuffelmarkten: het college heeft op grond van artikel 160, eerste
                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een weekmarkt ingesteld en de
                    gemeenteraad heeft hiervoor regels vastgesteld in de Marktverordening.
                    Uitgebreide informatie over markten is te vinden in de Marktverordening . De Wet
                    op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al><al>c. Dansen in een horeca-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip
                    omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere,
                    meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen
                    (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel
                    als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder onder
                    feest.</al><al>d. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie
                    voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</al><al>e. Van de evenementenbepaling zijn uitgezonderd straatartiest (artikel 2:4) en
                    speelgelegenheden (artikel 2:43). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving
                    te voorkomen.</al><al/><al><cursief>Rol van de burgemeester en de raad</cursief></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip “toezicht” is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al/><al>Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van
                    voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen.
                    Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak
                    dat dit van een goede motivering is voorzien.</al><al/><al>De raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te
                    stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn
                    beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180
                    Gemeentewet).</al><al>Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende bevoegdheid (artikel 147
                    Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de gemeente actief is met het
                    aantrekken van evenementen in de gemeente, bijvoorbeeld het binnenhalen van
                    minimaal één groot landelijk evenement per jaar.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                    onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Aansprakelijkheid</cursief></al><al>Vergunninghouder/organisator. Voorop staat dat de vergunninghouder of de
                    organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in
                    het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan
                    worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest
                    Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van overeenkomstige
                    toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in
                    dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is
                    verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder,
                    welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen
                    van een vergunninghouder. Een dergelijke vergunning vrijwaart de
                    vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet voor zijn aansprakelijkheid
                    uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende eigenaar tegen
                    verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren
                    zijn verworpen.</al><al/><al><cursief>Toezicht houden</cursief></al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op de
                    aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij
                    evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat
                    komt zijn artikel op het volgende neer.</al><al>Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere
                    regels bij overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden
                    vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in
                    artikel 6:162 BW en de door het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965,
                    NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is
                    een afweging nodig van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming
                    van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de
                    hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de
                    gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen
                    veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de toezichthouder een
                    zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit betekent dat niet van hem gevergd kan worden
                    dat hij op alles waarop hij toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet,
                    omdat zijn middelen beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder
                    gemaakte keuzes redelijk zijn.</al><al/><al>Affourtit trekt de volgende conclusies:</al><lijst><li nr=""><al>Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is
                            verleend, bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht
                            (HR 22 juni 2001, Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een
                            dergelijk toezicht te houden, zal dan ook niet snel tot
                            aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een
                            vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt
                            een algemene controleplicht voor de hand.</al></li><li nr=""><al>Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde
                            wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in
                            afwijking van de vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een
                            verplichting tot ingrijpen. Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij
                            het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen,
                            is actief toezicht en eventueel ingrijpen met gebruikmaking van
                            bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een
                            onrechtmatig nalaten.</al></li></lijst><al/><al>Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende) schade, is
                    het in ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te stellen (HR 8 januari
                    1999, NJ 1999, 319, Waterschap West-Friesland/Kaagman).</al><al/><al>Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet
                    voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de
                    derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken
                    gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een
                    aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op
                    hem/hen verhalen.</al><al/><al><cursief>Belastingheffing</cursief></al><al>Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een
                    evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan
                    hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De Legesverordening gemeente
                    Vlissingen is gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de
                    Gemeentewet. De tarieven in die verordening worden zodanig vastgesteld dat de
                    geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn
                    bepaalt in artikel 13, tweede lid, dat de kosten redelijk en evenredig met de
                    kosten van de vergunningsprocedures in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten
                    van de procedures niet overschrijden. Binnen deze grens van kostendekkendheid op
                    verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als zich dat
                    beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de behandeling
                    van een vergunning voor een groot evenement meer werk en dus kosten met zich
                    brengen dan een kleinschalig evenement zoals een straatfeest. Naast dit
                    kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator van een groot evenement
                    heeft van de evenementenvergunning groter zijn dan het profijt van de
                    organisator van een straatfeest. Veelal zal een groot evenement ook door een
                    professionele organisatie worden georganiseerd, terwijl bijvoorbeeld een
                    straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd.</al><al/><al>Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te
                    nemen dat de leges voor een vergunning voor een groot evenement hoger moet zijn
                    dan die voor een kleinschalig evenement. Of dat voor het kleinschalig evenement
                    helemaal geen leges worden geheven. Opmerking verdient dat de tarieven niet naar
                    het inkomen, de winst of het vermogen mogen worden gedifferentieerd.</al><al/><al>Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het
                    mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen.
                    Vereiste daarvoor is dat gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking
                    van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen.
                    Hieronder valt ook een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht. De
                    gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in verband met het evenement. De
                    gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen. Het is dus niet zonder
                    meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond
                    van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een
                    evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor
                    extra onderhoudskosten heeft.</al><al/><al>Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening
                    moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich
                    veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in de gemeente. De
                    vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het evenement
                    organiseert. Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als een
                    toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan de
                    vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden
                    opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan
                    worden.</al><al/><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                    voorwaarden:</al><al>a. De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                    regeling.</al><al>b. De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                    voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8.</al><al>c. De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk
                    bestuur.</al><al/><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester
                    aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet
                    hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de
                    voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch,
                    LJN-nr AO8495. Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden
                    zijn kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor
                    toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. Een doorlopende vergunning is voor de
                    evenementenvergunning niet aangewezen. Immers het evenement loopt per definitie
                    af. Hier verzet de aard van de vergunning zich tegen een vergunning met
                    onbeperkte duur.</al><al/><al><cursief>Privaatrechtelijke voorschriften</cursief></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                    mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften
                    zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden
                    geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke
                    vereisten.</al><al/><al><cursief>Entreeheffing</cursief></al><al>Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op de vraag of het
                    heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al dan niet geoorloofd
                    is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met de bezoeker overeenkomt
                    om tegen betaling van een bepaald bedrag het door de organisator geboden
                    evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree
                    geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.</al><al/><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd
                    is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet
                    worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de
                    weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige
                    weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-03-2003, LJN-nr. AF8028. Dus is strijd met
                    het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV. De Afdeling
                    bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden van terugkerende,
                    meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar omvang, duur en
                    uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is met het
                    bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden.</al><al/><al>Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval
                    niet regelmatig worden herhaald. Artikel 17 Wro, bedoeld als planologische
                    vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast.
                    Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen
                    eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische vrijstelling
                    vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond
                    van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor
                    muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het is daarom van belang dat gemeenten
                    naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in
                    de te houden evenementen. ABRS 13-04-2005, LJN-nr. AT3708 (Schuttersfeest
                    Diepenheim, Hof van Twente), Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden
                    27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al/><al><cursief>Evenementen op de openbare weg</cursief></al><al>Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als
                    titel Evenementen op de openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding
                    tussen het normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het
                    houden van een evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de
                    evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke)
                    openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement. Hierna wordt de
                    vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten
                    en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de
                    openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><cursief>Evenementen op het water</cursief></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                    plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de
                    openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder advies
                    inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord
                    doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van
                    waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook
                    verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet
                    bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De
                    vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare
                    orde en veiligheid. Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een
                    evenementenvergunning aanvragen bij de gemeente waar het schip aanlegt om de
                    passagiers aan boord te laten gaan en tevens een vergunning bij de gemeente waar
                    het schip eindigt om de passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar
                    het schip tussentijds aanlegt.</al><al/><al><cursief>Handhaving op het water</cursief></al><al>Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en de
                    openbare orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden,
                    bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbare dronkenschap. De regels over de
                    orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de APV, het
                    Binnenvaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de
                    Scheepvaartverkeerswet.</al><al/><al><cursief>Evenementen met dieren</cursief></al><al>In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en adviesbureau
                    van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van de wet-
                    en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de daaruit voortvloeiende
                    verplichtingen en bevoegdheden voor provincies en gemeenten (SGBO, “Dierwelzijn
                    in provincie en gemeente, het juridisch kader”, 2003). Het volgende is aan dit
                    rapport ontleend.</al><al/><al>De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen met dieren splitst zich toe
                    op twee soorten evenementen:</al><lijst><li nr=""><al>circussen waar dieren optreden;</al></li><li nr=""><al>folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje
                            tikken of gansslaan.</al></li></lijst><al>Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen met
                    dieren gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de
                    evenementenregeling in de APV en de voorschriften in de Gezondheids- en
                    welzijnswet voor dieren (GWWD).</al><al>Hoewel dierwelzijn in de APV geen aparte weigeringsgrond is, kan uit diverse
                    rechterlijke uitspraken worden afgeleid dat gemeenten de mogelijkheid hebben om
                    evenementen met dieren (mede) te beoordelen op dierwelzijnsaspecten. Gemeenten
                    kunnen in de volgende twee situaties een vergunning voor het organiseren van
                    evenementen met dieren weigeren:</al><al>1. als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep
                    worden gedaan op het openbare-ordemotief);</al><al>2. als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die
                    situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond).</al><al>Een uittreksel waarin de belangrijkste juridische instrumenten en mogelijkheden
                    worden besproken vindt u terug op het VNG-net (www.vng.nl/juridsche
                    zaken/APV/publicaties).</al><al/><al><cursief>Evenementen en Vuurwerk</cursief></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het
                    bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie Zeeland een vergunning
                    aanvragen. Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels
                    over de opslag van het vuurwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek.
                    De politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt
                    contact op met de gemeente voor de door de gemeente af te geven verklaring van
                    geen bezwaar. De gemeente kan hier aanvullende regels stellen in het kader van
                    de openbare orde en veiligheid. Voor het afsteken van maximaal 10 kg
                    theatervuurwerk of 100 kg. Van consumentenvuurwerk moet het ontbrandingsbedrijf
                    ten minste tien werkdagen vóór het evenement plaatsvindt melding doen bij
                    gedeputeerde staten van Zeeland. Dit geldt zowel voor het afsteken in de open
                    lucht als in een gebouw. Als het ontbrandingsbedrijf tijdens het evenement
                    grotere hoeveelheden theater en/of consumentenvuurwerk of ander professioneel
                    vuurwerk wil ontsteken, dan dient het bedrijf hiervoor 14 weken van tevoren een
                    vergunning aan te vragen bij de provincie.</al><al/><al><cursief>Lasershows</cursief></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire
                    lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten
                    of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn spectaculair om te
                    zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties.
                    Dit laatste is niet zonder risico’s. Voor het geven van een vergunning voor een
                    lasershow moet daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart worden verkregen.</al><al/><al><cursief>Inspectie Verkeer en Waterstaat</cursief></al><al>Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het afgeven
                    van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een lasershow kan worden
                    toegestaan en onder welke voorwaarden. Bij de beoordeling kijkt de Inspectie
                    naar de voorgestelde locatie van een show, het type gebruikte laser en een
                    aantal andere gegevens. Dit zijn de parameters die dienen als invoergegevens
                    voor een computerprogramma waarmee wordt bepaald of de ligging van de
                    showlocatie ten opzichte van een luchthaven zodanig is dat de veiligheid
                    gewaarborgd kan worden. Rondom ieder luchthaven bevinden zich een drietal
                    concentrisch gelegen gebieden waarbij op grotere afstand van een luchthaven de
                    energiebundels van een lasershow steeds krachtiger mogen zijn. Soms kan het
                    nodig zijn om voorwaarden te stellen in andere gevallen hoeven geen beperkingen
                    opgelegd te worden. Indien nodig worden luchtvarenden en andere organisaties
                    zoals de luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie geïnformeerd.</al><al/><al>Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning af te geven voor een
                    laserevenement kunnen contact op nemen met de divisie Luchtvaart. De unit
                    Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn verantwoordelijk voor
                    de vergunningverlening en het toezicht met betrekking tot luchthavens en het
                    luchtruim en zijn het aanspreekpunt. Informatie vindt u op het VNG-net
                    (www.vng.nl/juridische zaken/APV/publicaties). Meer informatie 023 - 566 31 88 (
                    Divisie luchtvaart unit infrastructuur).</al><al/><al><cursief>Toezicht en handhaven van de openbare orde</cursief></al><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                    burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                    bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare
                    orde. Om de veiligheid te garanderen van bezoekers neemt de burgemeester
                    voorschriften op in de evenementenvergunning waaraan de organisator zich moet
                    houden. De politie is in beginsel terughoudend in haar optreden bij evenementen.
                    De driehoek, bestaande uit de burgemeester, de hoofdofficier van Justitie en de
                    korpschef van politie, bepaalt welke beleids- en tolerantiegrenzen tijdens een
                    (risico) evenement wordt gehanteerd. Deze grenzen geven aan of en hoe de politie
                    namens het bevoegde gezag in algemene en specifieke situaties zal optreden,
                    zoals in het geval van drugsbezit, zwarte kaartverkoop en dreigende openbare
                    ordeverstoringen.</al><al/><al><cursief>Beveiliging</cursief></al><al>De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor de orde en de veiligheid
                    van de bezoekers op het evenemententerrein. Hij moet daarom zorgen dat er
                    voldoende toezicht is. Afhankelijk van de aard van het evenement kunnen
                    vrijwilligers dit toezicht uitoefenen, of huurt de organisator een (door het
                    ministerie van justitie erkend) professioneel beveiligingsbedrijf in. De
                    burgemeester kan bepalen dat het beveiligingsbedrijf in samenspraak met de
                    politie een beveiligingsplan opstelt. Bij grote evenementen wordt- naast het
                    bevoegde beveiligingspersoneel van de evenementenorganisatie- doorgaans ook
                    (extra) politie ingezet om de orde op en rond het evenemententerrein te bewaken
                    en hulp te verlenen aan het festivalpubliek.</al><al/><al>Over het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met betrekking
                    tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak
                    dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij
                    professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004,
                    LJN-nr. AO7140.</al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder k:</cursief></al><al>Met ingang van 1 januari 2006 zijn de wettelijke bepalingen met betrekking tot
                    de verzekering van verkeersregelaars vervallen (artikelen 7 en 7a Regeling
                    verkeersregelaars en Regeling verkeersbrigadiers). De verzekering voor personen-
                    of zaakschade diende te worden afgesloten bij 3VO. De gemeente acht het
                    noodzakelijk dat verkeersregelaars toch adequaat verzekerd zijn bij het
                    uitoefenen van hun werkzaamheden tijdens een evenement, te denken valt o.m. aan
                    wandeltochten en fietswedstrijden. De verkeersregelaar voert zijn taak uit in
                    opdracht van een natuurlijke of rechtspersoon (organisator van het evenement). </al><al>Ingevolge het Burgerlijk Wetboek is de opdrachtgever aansprakelijk voor de
                    schade die de verkeersregelaar tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
                    derden veroorzaakt of door derden aan hem worden toegebracht. Tegen die risico's
                    kan de opdrachtgever zich verzekeren. De gemeente acht het van groot belang dat
                    opdrachtgevers zich vergewissen van een adequate verzekeringsdekking op het
                    gebied van aansprakelijkheid in het algemeen en van het dekkingsonderdeel van de
                    werkgeversaansprakelijkheid in het bijzonder. Wij achten het van belang bij het
                    verlenen van een evenementenvergunning de plicht tot verzekeren te kunnen
                    opleggen danwel van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont adequaat te zijn
                    verzekerd.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>In het zesde lid is bepaald dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen voor
                    door hem aan te wijzen categorieën evenementen. Dit kunnen evenementen zijn
                    waarbij geen gevaar is voor overlast of verstoring van de openbare orde. Het
                    gaat bijv. om barbecues, straatfeesten en wielerconcours. Vrijstelling leidt tot
                    minder lasten voor burgers en bedrijven. De gemeente zal daarover beleid
                    formuleren. Er is niet gekozen voor een meldingstelsel, omdat dit geen juridisch
                    kader biedt voor gedragsnormen en daarmee tevens de rechtsbescherming van zowel
                    aanvrager als van derden niet zouden worden gewaarborgd. Immers, dat Awb kent
                    geen regeling voor meldingsstelsels. </al><al/><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al/><al><cursief>Braderie</cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt.
                    Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is
                    het een evenement.</al><al/><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><al/><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:16, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij
                    feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                    worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                    uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                    schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader
                    van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast.</al><al/><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud)
                    vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).</al><al/><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:16.</al><al/><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer . De artikelen 4:2 en 4:3
                    van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor
                    geluidshinder in een inrichting.Voorschriften met
                    betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van
                    de APV in de vergunning worden opgenomen.</al><al/><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist. </al><al/><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
                    en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel
                    10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994
                    bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen
                    van die ontheffing geschiedt:</al><al>a. voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                    Waterstaat;</al><al>b. voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de
                    ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing
                    wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</al><al/><al>Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                    geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan het
                    college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop
                    van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook
                    milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2,
                    tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden
                    genoemd:</al><lijst><li nr=""><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade;</al></li><li nr=""><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden;</al></li><li nr=""><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</al></li></lijst><al/><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze
                    sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator
                    van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen
                    voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De
                    veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig
                    verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften
                    van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als
                    voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze
                    voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt,
                    kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die
                    wedstrijd alsnog verboden worden.</al><al/><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                    Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:16 van toepassing. De evenementenbepaling is
                    namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals
                    openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid,
                    weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de
                    openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de
                    westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met
                    een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een
                    weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de
                    burgemeester op grond van artikel 2:16. Op grond van artikel 2:16 geldt voor
                    andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet
                    gedacht worden aan bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.</al><al/><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest
                    is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde
                    lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige
                    activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een limitatieve omschrijving van het begrip 'evenement' kan in de
                            praktijk tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, GS, 1986,
                            6805, 4</al></li><li nr=""><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur.
                            Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316
                            m.nt. A.B. Engberts, KG, 1995, 292.</al></li><li nr=""><al>Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip ‘openbare
                            orde’. Pres. Rb Groningen 11-08-1995, GS, 1996, 7030,3 m.nt H.Ph.J.A.M.
                            Hennekens.</al></li><li nr=""><al>Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering
                            vergunning op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres.
                            Rb ‘s Hertogenbosch 14-02-1997, KG 1997, 106. In hoger beroep: Het is
                            primair aan de burgemeester om invulling te geven aan het begrip
                            zedelijkheid als bedoeld in de APV. Weigering op grond van zedelijkheid
                            is toegestaan. Geen sprake van gevaar voor veiligheid van personen. ABRS
                            25-08-2000, AB 2001, 337, JG 00.0205 m.nt. G.H.M. van der Horst, Gst.
                            2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB 2000, 273.</al></li><li nr=""><al>Houseparty in discotheek is vergunningsplichtig evenement, ABRS
                            11-01-2006, AB 2006, 53 . De burgemeester van Mill en Sint Hubert heeft
                            een last onder dwangsom aan een discotheek opgelegd ter voorkoming van
                            een feest dat de burgemeester kwalificeert als evenement als bedoeld in
                            de APV. De Afdeling overweegt dat het feest inderdaad is aan te merken
                            als een evenement. Samenhang van grootschaligheid, muziekstijl, het
                            soort publiek en de sluitingstijd (drie uur na de toegestane
                            sluitingstijd) maken dat het evenement niet tot de normale
                            bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Feest niet door exploitant
                            discotheek georganiseerd, maar door een derde. Ervaring leert dat
                            houseparty's vaak gepaard gaan met grootschalig drugsgebruik en dat
                            extra politie-inzet nodig is om de orde te handhaven, terwijl niet het
                            geval is op een reguliere avond in de discotheek.</al></li><li nr=""><al>Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen
                            e.d. maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15-02-1977, VR
                            1977, 91.</al></li><li nr=""><al>Een limitatieve omschrijving van het begrip “evenement” kan in de
                            praktijk tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, Gst. 1986,
                            6805, 4.</al></li><li nr=""><al>Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van publiek
                            met een sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te slaan (zgn.
                            gansslaan) is een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1 APV Eijsden.
                            Dit artikel is opgenomen in hoofdstuk III betreffende de openbare orde.
                            Bij de afweging van belangen met betrekking tot de vergunningverlening
                            moet derhalve in ieder geval het belang van de openbare orde worden
                            betrokken. In casu gegronde reden voor vrees voor verstoring van de
                            openbare orde, in aanmerking genomen de emoties rond het evenement en de
                            escalatie daarvan. ABRS 26-08-1987, AB 1988, 263.</al></li><li nr=""><al> Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van
                            evangelisatie activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan
                            wegens verstoring van de openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS
                            06-08-1991, AB 1992, 53 m.nt. PJB, AA 1992, 10 m.nt. P.W.C. Akkermans,
                            JG 92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</al></li><li nr=""><al>Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                            93.0002.</al></li><li nr=""><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur.
                            Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316
                            m.nt. A.B. Engberts, KG 1995, 292.</al></li><li nr=""><al>Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip “openbare
                            orde”. Pres. Rb Groningen 11-08-1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH.</al></li><li nr=""><al>Het toekennen van de bevoegdheid tot het verlenen van een
                            evenementenvergunning aan de burgemeester is niet in strijd met artikel
                            162 van de Gemeentewet. De Afdeling oordeelt dat een dergelijke
                            bevoegdheidstoekenning in lijn is met het bepaalde in artikel 174
                            Gemeentewet. Een stelsel waarbij voor een evenement een naar tijd en
                            plaats bepaalde algemene evenementenvergunning wordt afgegeven aan een
                            organisator, die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen en voor
                            de in de vergunning al opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke
                            grondslag zonder bemoeienis van de burgemeester overeenkomsten sluit,
                            waarmee verder invulling wordt gegeven aan het evenement, is toegestaan.
                            “Koninginnenacht Den Haag” ABRS 11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129
                            m.nt. M. Geertsema.</al></li><li nr=""><al>Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                            bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar
                            worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere
                            omstandigheden afzien van handhavend optreden (op verzoek van
                            belanghebbende). ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</al></li><li nr=""><al>Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet
                            het college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                            evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema,
                            Gst. 2000, 7116, 3 m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Met het oog op de bescherming van het belang van de openbare orde en
                            veiligheid kan de evenementenvergunning worden ingetrokken, omdat de
                            organisatie van het evenement onjuiste dan wel onvoldoende gegevens
                            heeft verstrekt ter verkrijging van de vergunning en omdat het evenement
                            niet zal worden georganiseerd volgens oorspronkelijke plannen. Rb.
                            Groningen 21-01-2001, LJN-nr. AB1828.</al></li><li nr=""><al>Burgemeester heeft in redelijkheid kunnen weigeren om permanente
                            verklaring van geen bezwaar te verlenen voor ballonopstijging van ander
                            terrein dan gemeentelijk evenemententerrein, nu het andere terrein niet
                            voldoet aan minimale afstandseisen in Besluit inrichting en gebruik niet
                            aangewezen luchtvaartterreinen. ABRS 11-07-2001, rolnr.
                            200003393/1.</al></li><li nr=""><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. er doen zich geen
                            weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 (oud) en 2.2.2
                            (oud)APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag
                            voor weigering vergunning. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr.
                            AD3917.</al></li><li nr=""><al>Terechte intrekking van een evenementenvergunning voor houden van
                            dansfestival wegens gevaar voor openbare orde en/of veiligheid.
                            Ontbreken van deskundigheid op het gebied van organiseren van evenement
                            doet niet af aan verwijtbaarheid van organisator. Kosten behoren tot
                            normaal te achten risicosfeer van organisator van evenement. ABRS
                            16-01-2002, rolnr. 200101384/1.</al></li><li nr=""><al>Burgemeester heeft terecht vergunning geweigerd voor vechtsportevenement
                            wegens strijd met de zedelijkheid. Hij heeft zijn beoordelingsvrijheid
                            niet overschreden. In casu is er geen sprake van een regulier
                            maatschappelijk aanvaarde vechtsport. Rb Amsterdam 21-02-2003, AWB
                            03/1235/VEROR 031008.</al></li><li nr=""><al>Vechtsportevenement is een evenement in de zin van de APV en vormt niet
                            zonder meer een inbreuk op de openbare orde en zedelijkheid. Rb
                            Amsterdam 13-3-2003, LJN-nr. AF6101.</al></li><li nr=""><al>Aanvraag om evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van
                            de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden van de
                            APV-bepaling. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige
                            weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-04-2003, LJN-nr. AF8028.</al></li><li nr=""><al>Intrekken van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding, Als
                            specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                            ingewonnen met betrekking tot MKZ-besmetting. Zes werkdagen zijn
                            daarvoor voldoende. ABRS 11-6-2003, LJN-nr. AF9809.</al></li><li nr=""><al>Voor wat betreft het opnemen van voorschriften in de
                            evenementenvergunning met betrekking tot professionele
                            beveiligingsbeambten, oordeelde de Afdeling dat de burgemeester van
                            Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij professionele begeleiding
                            van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004, LJN-nr.
                            AO7140.</al></li><li nr=""><al>De burgemeester kon nadere voorschriften aan de door hem alsnog
                            verleende vergunning verbinden. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8495.</al></li><li nr=""><al>Burgemeester heeft terecht evenementenvergunning voor meerdaags festival
                            geweigerd wegens ontbreken van politiecapaciteit voor een extra dag. Hij
                            heeft in dit kader grote beleidsvrijheid. Rb Haarlem 06-05-2004, LJN-nr.
                            AO9076.</al></li><li nr=""><al>Het gebruik van de grond voor het houden van het schuttersfeest houdt
                            strijdigheid met het bestemmingsplan in die niet is toegestaan, althans
                            niet zonder een passende planologische vrijstelling. Het feest heeft
                            naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie. ABRS
                            13-04-2005, LJN-nr. AT3708, Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen.
                            (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente). Zie ook: Rb. Leeuwarden
                            27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).</al></li><li nr=""><al>Aanwezigheid van hoger aantal bezoekers dan 25.000 bij evenement zal
                            leiden tot concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of
                            gezondheid bedreigende situatie. Burgemeester was derhalve bevoegd
                            verbod uit te vaardigen. ABRS 04-05-2005, LJN-nr. AT5100.</al></li><li nr=""><al>De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dat het
                            feest vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat
                            er komt, en de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd -
                            niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij
                            is in aanmerking genomen dat het feest niet door de exploitanten van de
                            inrichting, maar door een derde is georganiseerd en de exploitanten er
                            geen blijk van hebben gegeven dat zij op de hoogte waren van hetgeen
                            precies zou plaatsvinden in hun inrichting. Voorts is daarbij in
                            aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de ervaring heeft geleerd
                            dat dit soort houseparty’s vaak gepaard gaat met grootschalig
                            drugsgebruik, met alle risico’s van dien, en dat extra politie-inzet
                            nodig is om de openbare orde te handhaven, terwijl dit niet het geval is
                            bij een reguliere avond in “The Royce”. Onder deze omstandigheden heeft
                            de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat
                            “Ghosthouse” een evenement in de zin van artikel 2.2.1 (oud) van de Apv
                            is, waarvoor ingevolge artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv een
                            vergunning nodig is.</al></li><li nr=""><al>Er zijn voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het gevaar
                            bestond dat het feest “Ghosthouse” zou worden gehouden zonder de
                            daarvoor benodigde vergunning en dat met aan zekerheid grenzende
                            waarschijnlijkheid overtreding van artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van
                            de Apv zou plaatsvinden. De burgemeester was dan ook bevoegd de last
                            onder dwangsom op te leggen.</al></li><li nr=""><al>Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder het korte
                            tijdsbestek waarbinnen de burgemeester moest handelen aangezien tevoren
                            met het gemeentebestuur geen enkel overleg was gevoerd en de
                            burgemeester pas op de dag waarop het feest was gepland vernam dat het
                            in “The Royce” zou worden gehouden, alsmede de ervaring dat een feest
                            als dit een grote inzet van de politie vergt, welke inzet binnen het
                            korte tijdsbestek moeilijk zo niet onmogelijk te realiseren was, heeft
                            de burgemeester in redelijkheid kunnen oordelen dat het opleggen van de
                            last onder dwangsom hier aangewezen was. ABRS 11-01-2006, LJN-nr.
                            AU9388.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen</onderstreept></al><al>Het hier gestelde betekent dat voor een incidentele activiteit, die mogelijk
                    inrichting overstijgend is, wel een evenementenvergunning nodig is. Voor
                    activiteiten die vallen onder artikel 2:17, tweede lid, onder c, kan worden
                    volstaan met een melding.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning ziet op evenementen in een (gedeelte van een) gebouw. Daarbij is
                    een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot
                    evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van
                    een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren
                    van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking
                    kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen
                    belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex
                    silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al><onderstreept>Artikel 2:18 Ordeverstoring</onderstreept></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>AFDELING 7. KERMISSEN</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:19 tot en met 2:21</onderstreept></al><al>De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het Besluit
                    veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat besluit tot
                    de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie Gezondheidsbescherming van
                    het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het ministerie van VWS. De toetsing
                    van de “veiligheid van personen of goederen” door de burgemeester zal zich
                    daarom meer richten op de veiligheid van personen of goederen op en rond het
                    evenemententerrein, de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar, etc.
                    Voor vragen over kermissen kunnen gemeenten terecht bij de Vereniging van
                    gemeentelijke Kermisbeheerders (VGKS).</al><al/><al><cursief>Begrip kermis</cursief></al><al>Het is ter beoordeling van de plaatselijke overheid om te bepalen wanneer er
                    sprake is van een kermis. Dit wil zeggen dat de gemeente bepaalt in hoeverre de
                    duur en de aard van een bepaalde activiteit van belang zijn om die activiteit
                    als kermis te kwalificeren. Onder het begrip kermis kunnen derhalve zowel een
                    tijdelijke gelegenheid van openbaar vermaak als ook een toeristisch vermaak- of
                    amusementscentrum met een meer permanent karakter vallen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:22 Kermis Arsenaal</onderstreept></al><al>In verband met de aard van de attracties die in het vermaakscentrum "Het
                    Arsenaal" worden opgesteld is "De Carrousel" (het door een derde geëxploiteerde
                    deel van dit complex waarin automaten worden opgesteld), aangewezen als kermis.
                    De reden hiervan is de volgende: In de Carrousel worden twee onder verschillende
                    regimes vallende automaten opgesteld, te weten kansspelautomaten en
                    behendigheidsautomaten, die beiden vallen onder het Speelautomatenbesluit en
                    daarnaast automaten die vallen onder de werking van de Speelautomatenregeling.
                    Laatstgenoemde categorie betreft de zogeheten 'kermisautomaten'. Deze automaten
                    worden met een soort en typegoedkeuring toegelaten voor plaatsing op kermissen.
                    Te denken valt aan balco's, grijpkranen, schuifspelen, skee-ball, ticketmachines
                    en wat dies meer zij. De correcte wijze om plaatsing van de automaten mogelijk
                    te maken is dat de raad besluit deze locatie (i.c. de Carrousel) aan te wijzen
                    als een kermis voor het hele jaar. Artikel 2:22 voorziet daarin. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al> De gemeenteraad van Vlissingen heeft in zijn vergadering van 24 juni
                            1993 regels vastgesteld voor het houden van kermissen, waaronder in het
                            Arsenaal. De vereniging Nationale Bond van Kermisbedrijfhouders Bovak
                            maakt daartegen bezwaar, welk bezwaarschrift bij raadsbesluit van 31
                            januari 1994 ongegrond wordt verklaard. De Bovak komt daartegen in
                            beroep. De rechtbank Middelburg verklaart het beroep gegrond, vernietigt
                            dit raadsbesluit en bepaalt alsnog dat de Bovak niet-ontvankelijk is in
                            haar bezwaarschrift tegen het raadsbesluit van 24 juni 1993 tot
                            wijziging van de APV (Rb Middelburg 13 april 2000, Awb 94/317 en
                            94/318). De rechtbank overweegt dat de principiële grieven van de Bovak
                            te ver verwijderd zijn van haar statutaire doel om als belanghebbende in
                            de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt. De ABRS bevestigt de
                            aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden. Het raadsbesluit
                            is een besluit van algemene strekking waartegen geen bezwaar en beroep
                            openstond. (ABRS 26 februari 2001, nr. 20002566/1). </al></li></lijst><al><vet>afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al><cursief>Exploitatie horeca-inrichtingen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de APV gehandhaafd of
                    geschrapt moet worden. De gemeente heeft gekozen voor het handhaven van de
                    horecaexploitatievergunning. Deze vergunning is noodzakelijk voor het handhaven
                    van de openbare orde. </al><al/><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir,
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                        <cursief>vestiging</cursief> van een horecabedrijf waarvoor artikel 9 van de
                    richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in
                    artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat
                    onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag;
                    handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het
                    stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening;
                    Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule
                    of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan
                    is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria
                    openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor
                    een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al/><al><cursief>Motieven Drank- en Horecawet en APV</cursief></al><al>De regelingen van de Drank- en Horecawet (DHW) en de APV hebben ieder hun eigen
                    bestaansrecht vanwege de verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen.
                    Het motief van het horeca-exploitatievergunningstelsel is het het beschermen van
                    de openbare orde. Dit kan niet bereikt worden met behulp van de Drank- en
                    Horecawet. Aan de Drank- en Horecawet liggen immers primair sociaal-hygiënische
                    en sociaal-economische motieven ten grondslag.</al><al/><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een
                    horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied
                    een maximumstelsel in het leven roepen. En dat gebeurt ook. Maar de burgemeester
                    kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot tijdelijke of algehele
                    sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar voor) verstoring van de
                    openbare orde. Bovendien is de gemeente “binnen de bebouwde kom” (nog) niet
                    verplicht om een bestemmingsplan vast te stellen. En juist in die gebieden wordt
                    de meeste horeca geëxploiteerd. Vooral in oude binnensteden heerst in veel
                    gemeenten nog een ratjetoe van oude, onvolledige en ontoereikende
                    bestemmingsplannen of zelfs “witte vlekken” met een bestemmingsplanloos
                    gebied.</al><al/><al><cursief>Droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    “horecabedrijf” zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Het toepassingsgebied van de wet is daardoor beperkt tot bedrijven
                    waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt, de zogenaamde natte horeca.
                    Daarentegen wordt onder een horecabedrijf in artikel 2:23, eerste lid, ook
                    verstaan het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en het verstrekken van
                    rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten
                    vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone horecabedrijven
                    behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen.</al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond
                    van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een
                    alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van
                    coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben
                    op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.
                    Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'De Wet 'Damocles',
                    bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en
                    informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999)</al><al/><al><cursief>Bibob-toets</cursief></al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt, zoals hierboven vermeld,
                    niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Op
                    grond van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten
                    mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent
                    het gedrag te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. Dit is van belang omdat de
                    horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is,
                    is een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te
                    zorgen dat overlast wordt voorkomen. Artikel 4, van het Besluit Bibob bepaalt in
                    overeenstemming met de model- APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob
                    geldt, onder andere aangewezen worden: “inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in
                    een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt
                    verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe
                    consumptie worden verstrekt”.Dit zijn dus horecabedrijven zoals gedefinieerd in
                    artikel 2:23, van de APV. Dit betekent dat voor horecabedrijven in de zin van de
                    APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke
                    grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een
                    Bibob-onderzoek.</al><al/><al><cursief>Onbepaaldheid van de duur</cursief></al><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook
                    voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur
                    wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan mag dit
                    slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang. Zie ook
                    onder de toelichting bij artikel 1:7.</al><al/><al><cursief>Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
                        Activiteitenbesluit) </cursief></al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van
                    toepassing.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op: <extref doc="http://www.overheid.nl/">www.overheid.nl</extref>. Nadere informatie is
                    te vinden op: <extref doc="http://www.vrom.nl/">www.rijksoverheid.nl</extref></al><al/><al><cursief>Geluidsnormen</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen .Bovendien
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al/><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen. Voor horecaconcentratiegebieden
                    blijft dezelfde mogelijkheid als gold onder het oude Besluit geldig, namelijk
                    dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie APV</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen
                            dat specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met
                            de Opiumwet. Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998,
                            222 en 223 m.nt. FM; Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb
                            Rotterdam 16 juli 1998, JG 98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september
                            1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al></li><li nr=""><al>Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                            bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr.
                            AO7469, JG 04.0105 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                            coffeeshops te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU,
                            JG 04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich
                            mee, zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG
                            04.0079 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van
                            vastgesteld en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af.
                            LJN-nr. AO2883, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_04.0110.jsp">JG 04.0110</extref>, m. nt. A.L. Esveld. </al></li><li nr=""><al>Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                            inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten.
                            LJN-nr. AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.</al></li><li nr=""><al>Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan
                            drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der
                            Reijt.</al></li><li nr=""><al>Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet
                            openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een
                            situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr.
                            AP0405, JG 04. september, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot
                            ontbinding van het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.0131,
                            m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel
                            in en het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het
                            algemeen belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG
                            04.0132 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij
                            leidt tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr.
                            C0201144/HE, JG 04.0151, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is
                            geen besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT
                            VEN, JG. 03.0064 m.nt. T. van der Reijt.</al></li><li nr=""><al>Ook een gedoogbeschikking i.p.v. een gedoogverklaring is geen besluit in
                            de zin van de Awb. LJN-nr. AR2178, JG 04.0162 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de
                            lijst met gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de
                            bezwaarmaker is immers volgens vaste jurisprudentie van de Raad van
                            State niet-ontvankelijk. LJN-nr. AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L. Esveld.
                            Een APV-vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                            persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie
                            van een coffeeshop is verstrekt dot hier niet aan af. Na overlijden
                            vervalt de vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050
                            m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie Drank- en Horecawet</cursief></al><lijst><li nr=""><al>BEM! niet ontvankelijk. Sommige horecaondernemers ondervinden
                            economische last van de horeca-activiteiten van verenigingen,
                            buurthuizen e.d. (zogenoemde paracommerciële inrichtingen). Gemeenten
                            moeten op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om
                            e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1 januari 2000 is de Stichting
                            Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten (afgekort: BEM!)
                            gestart met het beteugelen van oneerlijke mededinging vanwege
                            paracommerciële inrichtingen door gemeenten en paracommerciële
                            inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden moeten stellen en
                            dat de inrichtingen deze moeten naleven. De horecaondernemers deden dat
                            liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden. De BEM! was speciaal
                            voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van processen
                            opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19
                            februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging
                            Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf
                            “Horeca Nederland” te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling
                            oordeelde toen dat met artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is
                            beoogd het zogenoemd paracommercialisme te beteugelen ten faveure van
                            reguliere horecaondernemers - een belang dat zich naar zijn aard in
                            beginsel leent voor een collectieve behartiging ervan op plaatselijk of
                            regionaal niveau. De Afdeling achtte dit belang niet zodanig van aard
                            dat Horeca Nederland zich dit als landelijk opererende vereniging -
                            binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan aantrekken. De
                            Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf voldoende
                            specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch
                            plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de
                            horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij
                            eventuele repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht
                            niet-ontvankelijk verklaard.</al></li><li nr=""><al>Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK
                            2000-2001, 27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over
                            het paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die
                            zijn ingegeven uit economische overwegingen niet in een
                            volksgezondheidwet als de DHW thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1,
                            LJN-nr. AE2813, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0129.jsp"> JG 02.0129 </extref>m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in
                            tegenstelling tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt.
                            A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>24 Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd
                            met de Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L.
                            Esveld: Gst 2004, 188 m. nt. J.L.A. Kessen.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>De omschrijving van het begrip 'openbare inrichting' sluit zoveel mogelijk aan
                    bij de Drank- en Horecawet. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms
                    uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt (en genuttigde
                    dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou
                    worden bestreken door de begripsomschrijving 'openbare inrichting', is in het
                    eerste lid de aanduiding 'rookwaren' opgenomen.</al><al>De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de
                    inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op
                    het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de
                    inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken. Het
                    besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in
                    de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit laatste kan
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>Het behoeft geen betoog dat, naast de houder van het horecabedrijf, een aantal
                    categorieën van personen moet worden uitgezonderd van het begrip bezoekers. Dit
                    is mede het gevolg van de gewijzigde begripsbepaling ten aanzien van (de
                    begrenzing) van) de inrichting. Met het oog op de handhaafbaarheid is deze
                    bepaling aangepast. Alleen uitgezonderd zijn de leidinggevende(n) en het
                    personeel dat noodzakelijkerwijs aanwezig moet zijn voor het uitvoeren van
                    dringende werkzaamheden. Verder de personen die in de inrichting nachtverblijf
                    houden en als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register (zie
                    hiervoor de toelichting bij artikel 2:40 e.v.) en de personen die wegens
                    dringende redenen in de inrichting aanwezig moeten zijn (zoals personeel van
                    derden die de tapinstallatie onderhouden of herstellen).</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:24 Exploitatievergunning openbare
                        inrichting</onderstreept></al><al>De exploitatievergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex
                    silencio positivo is dan ook om dwingende redenen van algemeen belang niet
                    wenselijk. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend. In het kader van deregulering en vermindering van
                    administratieve lasten is bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel
                    in de APV gehandhaafd of geschrapt moet worden. De gemeente heeft gekozen voor
                    het handhaven van de horecaexploitatievergunning. Deze vergunning is
                    noodzakelijk voor het handhaven van de openbare orde. </al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet de gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
                    bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van
                    buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Zie voor nadere uitleg
                    hiervan en van het begrip proportionaliteit onder het algemeen deel van deze
                    afdeling.</al><al/><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin
                    een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                    jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen
                    belang geoorloofd een termijn te stellen. Zie verder onder het algemeen deel bij
                    deze afdeling.</al><al/><al><cursief>Vergunningvoorschriften</cursief></al><al>Krachtens artikel 1:4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de
                    exploitatievergunning. Voorwaarden moeten vallen onder randvoorwaarden van
                    artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de ruimtelijke ordening is geen sprake.</al><al/><al><cursief>Verplichte verklaring omtrent gedrag</cursief></al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                    speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de
                    wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde
                    beïnvloedt. Om die reden is de verplichting opgenomen voor de
                    vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag over te leggen. Een
                    verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar men
                    staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal Orgaan
                    VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af. In het kader van de
                    Wet BIBOB, (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) is dit
                    artikellid expliciet opgenomen. Indien toepassing wordt gegeven aan de
                    mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst zelf al het mogelijke
                    moeten doen om de integriteit en achtergrond van de vergunningaanvrager te
                    onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de verklaring omtrent het
                    gedrag zijn.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim
                    zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is
                    bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat.
                    Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de Europese
                    Dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd. Met andere woorden : de interpretatie
                    mag het kader van de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan. De
                    exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’
                    en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van
                    de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd. </al><al> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van
                    horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en
                    leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of
                    aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. </al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.
                    Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar
                    beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximumaantal te verlenen vergunningen is
                    vermeld of horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen. Uiteraard
                    zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van kracht of in
                    voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in het
                    bestemmingsplan zelf worden neergelegd. In het algemeen mag de burgemeester
                    afwijzend beslissen op een aanvraag om een vergunning, als daarmee het maximum
                    wordt overschreden. Daarbij zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of
                    bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op het
                    beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met inachtneming
                    van de betrokken belangen worden beoordeeld. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid is gebaseerd op artikel 3, eerste lid van de Wet BIBOB. Het BIBOB
                    instrumentarium is preventief van karakter. Beoogd wordt te voorkomen dat door
                    het verlenen van vergunningen, de gemeente onbedoeld criminele activiteiten
                    faciliteert. Het is dus noodzakelijk dat het bestuur de beschikking krijgt over
                    de juiste informatie om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar
                    voor een dergelijke situatie. Hiertoe is het LBB opgericht dat bestuursorganen
                    desgevraagd adviseert over de mate van gevaar dat met behulp van
                    overheidsmiddelen criminele activiteiten worden gefaciliteerd (BIBOB-advies).
                    Het LBB kan de gegevens die nodig zijn voor het onderzoek putten uit openbare en
                    limitatief opgesomde gesloten bronnen. De wet voorziet in de rechtsgrond om een
                    aanvraag van een subsidie of een vergunning te weigeren op grond van de
                    aanwezigheid van ernstig gevaar. Voor de aanbestedingen zijn de
                    uitsluitingsgronden neergelegd in de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Met
                    behulp van het BIBOB instrumentarium kunnen deze uitsluitingsgronden effectief
                    worden toegepast. In 2009 heeft het college de Beleidslijn BIBOB
                    vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het is verboden zonder daartoe
                    strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf (of
                    slijtersbedrijf) uit te oefenen. Een vergunning is vereist voor iedere
                    inrichting. Wanneer een dergelijke vergunning niet kan worden verleend heeft het
                    verlenen van een exploitatievergunning ook weinig zin, omdat de aanvrager daar
                    verder niets mee kan beginnen.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Artikel 2:5 van de APV heeft betrekking op het plaatsen van voorwerpen op of aan
                    de weg in strijd met de publieke functie ervan. Het tweede lid bepaalt dat het
                    bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving nadere regels kan stellen ten aanzien van terrassen. Het bevoegde
                    bestuursorgaan is in dit geval de burgemeester.</al><al/><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al><al><cursief>Negende lid</cursief></al><al>Een aantal categorieën van kleinschalige horecagelegenheden, waar de openbare
                    orde evident niet in het geding is, is in de visie van de gemeente geen
                    vergunning nodig. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker,
                    ijssalons etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de
                    Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uit te
                    sluiten. De gemeente kan – indien gewenst - het toepassingsgebied verder
                    beperken door in het artikel eisen te stellen aan de afmetingen van de ruimte. </al><al/><al><cursief>Tiende lid</cursief></al><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te
                    voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet. </al><al/><al><cursief>Elfde lid</cursief></al><al>In het elfde lid zijn categorieën van horecabedrijven opgenomen waarvoor de
                    vergunningplicht niet geldt. Uitgezonderd van de vergunningplicht zijn
                    zorginstellingen waar een voor het publiek toegankelijke eettafel is en
                    restaurants in musea. De gemeente kan deze aanvullen met andere categorieën van
                    horecabedrijven waarvan lokaal geen overlast te verwachten is. Indien
                    alcoholische dranken worden geschonken, moet wel een vergunning op grond van de
                    Drank- en Horecawet worden aangevraagd!</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS
                            24 03 1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG
                            97.0165 m.nt. E.M.H. Franssen.</al></li><li nr=""><al>Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt
                            veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal
                            inrichtingen. ARRS 22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988,
                            417; ABRS 24 01 1995, Gst. 1995, 7011, 3, JG 95.0200.</al></li><li nr=""><al>Aannemelijk is dat woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de
                            uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit
                            wordt vergroot. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016
                            (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het
                            beleid gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van
                            scholen of jongerencentra is terecht. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530,
                            JU 981013 (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015
                            (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen
                            zijn aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven,
                            dient doelmatig gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG
                            98.0027 98.0027, Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.</al></li><li nr=""><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend
                            erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste
                            lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het
                            toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                            behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de
                            burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover
                            deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                            college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS
                                05-06-2002,<extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0128.jsp"> JG 02.0128 </extref>m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS
                            13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269.</al></li><li nr=""><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie
                            van een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband
                            met het belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van
                            bediening verbonden. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                            terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé
                            komt niet in aanmerking voor vergunning op grond van de DHW. JG 04.0193,
                            m. nt. A.L. Esveld, LJN-nr. A08501. Gst. 2004, 188 m.nt. J.L.A.
                            Kessen.</al></li><li nr=""><al>De vrees voor het niet naleven van vergunningsvoorschriften is geen
                            reden om een vergunning te weigeren. ABRS 24-11-2004, LJN-nr. AR6286, JG
                            05.0047 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het
                            feit dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS
                            03-11-2004, LJN-nr. AR5047, JG 05.0006, m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet
                            Bibob. Rb Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden
                            gebruik kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het
                            college niet meer tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van
                            verplichte meldingen op grond van de algemeen plaatselijke verordening
                            voor incidentele feesten is daartoe onvoldoende. ABRS 28-10-2004,
                            LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Een APV vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                            persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie
                            van een coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden
                            vervalt vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt.
                            A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Houseparty in horecagelegenheid behoort vanwege de grootschaligheid, de
                            muziekstijl, het publiek dat er komt en de toegestane sluitingstijd niet
                            tot de normale bedrijfsvoering. In aanmerking wordt genomen dat de
                            organisator van het feest een derde. Voorts is in aanmerking genomen dat
                            dit soort feesten vaak gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik en dat
                            extra politie-inzet nodig is om de openbare orde te handhaven. Het is
                            een evenement in de zin van art. 2.2.2, van de APV. Het preventief
                            opleggen van een dwangsom is geoorloofd. ABRS 11-01-2006, LJN-nr.
                            AU9388.</al></li><li nr=""><al>Onder verwijzing naar AB 2003, 302 overweegt de Afdeling dat slechts het
                            belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken is bij een besluit tot
                            weigering van de horeca-exploitatievergunning. De eigenaar van het
                            betreffende pand en de exploitant van de in dat pand geplaatste
                            speelautomaten zijn geen belanghebbende. ABRS 07-12-2005, AB Kort 2006,
                            42.</al></li><li nr=""><al>Intrekking exploitatievergunning door burgemeester van Rotterdam; APV
                            Rotterdam; sluiting horeca-inrichting voor zes maanden; discretionaire
                            bevoegdheid en marginale toetsing. ABRS 15-10-2008, nr. 200800533/1, LJN
                            BF8984, JB 2008, nr. 259.</al></li><li nr=""><al>Weigering exploitatievergunning vanwege gedrag exploitant door
                            burgemeester Amsterdam. Exploitant ongeschikt voor een
                            exploitatievergunning. Illegale gokactiviteiten hebben negatieve invloed
                            op woon- en leefsituatie omgeving café en de openbare orde (ABRS
                            20-08-2008, nr. 200800626/1, LJN: BE8861, Gem.St 7322, 87)</al></li><li nr=""><al>Intrekken exploitatievergunning coffeeshop Maastricht. Voor de
                            toepassing van art. 13b Opiumwet is vereist dat aannemelijk is dat in
                            strijd met de Opiumwet drugs worden verhandeld of daartoe aanwezig zijn.
                            Voor het instellen van een eigen onderzoek naar het bestaan van ernstig
                            gevaar in de zin van art. 3.1 Wet Bibob kan evenwel worden volstaan met
                            feiten of omstandigheden die een dergelijk gevaar doen vermoeden. (ABRS
                            30-09-2009, nr. 200900735/1/H3, LJN: BJ8931)</al></li><li nr=""><al>Weigering gedoogverklaring is geen besluit, maar kan wel worden
                            beoordeeld in het kader van de intrekking van een
                            horeca-exploitatievergunning (Voorzieningenrechter Rb Utrecht 5-11-2009,
                            LJN BK8027, JG10.0091).</al></li><li nr=""><al>Beoordeling levensgedrag is niet ingekaderd door uitgewerkte
                            begripsomschrijving of ingeperkt door een termijn van vijf jaar. Advies
                            Bureau BIBOB geen grondslag besluiten tot weigering
                            exploitatievergunning en vergunning artikel 3 Drank- en Horecawet;
                            gegevens uit dit advies zijn evenmin gebruikt - Den Helder. Zoals de
                            rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26
                            juni 2002 in zaaknr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=1068">200106008/1</extref>, terecht heeft overwogen, gelden er geen
                            beperkingen ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de
                            beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken, nu in het
                            Besluit geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat de
                            leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en ook
                            gelet op het feit dat de tekst van artikel 8 van de DHW noch de
                            geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling tot een andere
                            opvatting dwingt. Anders dan [appellant] betoogt, kan uit de in het
                            tweede lid van artikel 3.2.2 van de APV genoemde termijn van vijf jaar
                            niet worden afgeleid dat deze termijn ook op het eerste lid van die
                            bepaling van toepassing is. Gelet op het gebruik van de term 'naast' in
                            de tekst van het tweede lid, zijn in de eerste twee leden van artikel
                            3.2.2 van de APV cumulatieve eisen gesteld, hetgeen ook blijkt uit de
                            toelichting op deze bepaling, waarin is gesteld dat de aanduiding 'in
                            enig opzicht van slecht levensgedrag' in het eerste lid, onder b, meer
                            omvat dan hetgeen is gesteld in de navolgende leden (ABRS 23-09-2009,
                            LJN: BJ8293 en Gem.St 7339, 78).</al></li><li nr=""><al>Voorzieningenrechter Rb. ’s-Hertogenbosch, 26-08-2011, AWB 11/2464
                            burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder. Gemeentewet 125,
                            151c, 174 APV gemeente Eindhoven 2010. Sluiting horecagelegenheid.
                            Overtredingen APV. Verweerder was bevoegd om handhavend op te treden.
                            Cameratoezicht niet onrechtmatig; beelden mogen worden gebruikt als
                            bewijs (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juni
                            2003, LJN AG1738). LJN: BR5900</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:25 Terrassen</onderstreept></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend
                            erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste
                            lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het
                            toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                            behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de
                            burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover
                            deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                            college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS
                            05-06-2002, JG 02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS
                            13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269.</al></li><li nr=""><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie
                            van een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband
                            met het belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van
                            bediening verbonden. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                            terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen
                            zijn aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven,
                            dient doelmatig gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG
                            98.0027 98.0027, Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:26 Vrijstelling vergunningsplicht</onderstreept></al><al>Door vrijstelling van de vergunningplicht, kunnen in de gemeente gebieden worden
                    aangewezen waar zonder voorafgaande toestemming een horecabedrijf kan worden
                    geëxploiteerd. Bij wijze van 'ondergrens' geeft het tweede lid als rechtstreekse
                    norm dat de exploitatie van het horecabedrijf echter ook dan de woon- en
                    leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze
                    nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig met het oog op de naleving van de in het
                    tweede lid opgenomen norm, kan bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom
                    worden opgelegd. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Het gevaar van "verboden delegatie" aan de burgemeester bestaat hier
                            niet. De Afdeling bestuursrechtspraak ziet in een besluit gebaseerd op
                            dit artikel geen algemeen verbindend voorschrift ABRS 23-11-1999, JB
                            2000, 23 m.nt. J.M.E. Derks, Gst. 2000, 7112, 6 m.nt. HH.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:27 Sluitingsuur</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 van de
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                    overlast, het beschermen van het woon- en leefklimaat e.d.</al><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Dat kan zowel neerkomen op een verruiming van de openingstijden,
                    als op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid
                    daartoe een voorschrift te verbinden aan de vergunning die aan de exploitant van
                    de desbetreffende inrichting zal worden verleend. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:4 van de APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo'n voorschrift is de verplichting een
                    bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te garanderen of het rustiger laten
                    verlopen van het sluitingsuur. Een portier of een detectiepoort bij
                    nachtbedrijven kan in zo'n eis voorzien. De wijze waarop aan de eis wordt
                    voldaan, is een keuze van de exploitant. De burgemeester geeft daarna aan of met
                    een bepaalde keuze van de exploitant aan zijn eis wordt voldaan. De eventuele
                    aanwezigheid van een portier moet voldoen aan de Wet beveiligingsorganisaties en
                    recherchebureaus.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid, kan de burgemeester desgewenst
                    beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Als beleidsregel kan de burgemeester bepalen dat
                    hij, bij het beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijk horecabedrijf
                    bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld,
                    per categorie horecabedrijven een bepaald beleid hanteert.</al><al>Dat beleid kan bijvoorbeeld inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria's,
                    broodjeszaken e.d. als regel op een ander tijdstip (bijvoorbeeld een uur later)
                    wordt vastgesteld dan voor andere horecabedrijven, om cafébezoekers de
                    mogelijkheid te bieden iets te eten na de sluiting van hun café. Nu het hier een
                    beleidsregel betreft, kan de burgemeester daarvan in een concreet geval -
                    gemotiveerd - afwijken (een cafetaria niet toestaan een uur later te sluiten dan
                    cafés) indien dat volgens hem noodzakelijk is in het belang van de openbare orde
                    of de woon en leefomgeving.</al><al>Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:23 APV kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning
                    kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                    gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De
                    sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                    reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven
                    ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het
                    in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad
                    is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt
                    beoogd dezelfde belangen te beschermen. De raad kan dus niet aanvullend via de
                    APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip
                    'bescherming van het milieu' vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een
                    inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm. Zie hiervoor ook de
                    algemene toelichting bij deze paragraaf.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek
                            toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV.
                            Vz.ARRS, 21-12-1992, Gst. 1993, 6073, 4 m.nt. HH, JG
                            93.0260.</al></li><li nr=""><al>Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                            horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd
                            met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is
                            geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar
                            gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG
                            98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</al></li><li nr=""><al>Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor
                            horecabedrijven. ABRS 08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr=""><al>Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op
                            grond van de verordening en door de burgemeester voor het concrete
                            geval. Vz.ARRS 30-03-1993, JG 94.0094 m.nt. A.B.
                            Engberts.</al></li><li nr=""><al>Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                            burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245
                            m.nt. JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent
                            karakter hebben en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen
                            betreffen. ARRS 19-01-1984, AB 1984, 491 m.nt. JHvdV.</al></li><li nr=""><al>De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend)
                            horecabedrijf opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het
                            horecabedrijf is geen besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb.
                            Openingstijden vloeien namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr.
                            AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij
                            ontheffing sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr=""><al>Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                            horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld. (ABRS
                            29-10-2003, nr. 200206697/1).</al></li><li nr=""><al>Beleid niet op papier; geen bijzonder geval; toetsing in bezwaar ex
                            nunc; motivering uitspraak. Horecabedrijf van appellant is gelegen
                            buiten de binnenstad. Ingevolge de APV van Deventer kan ontheffing van
                            het sluitingsuur slechts worden verleend indien naar het oordeel van de
                            burgemeester het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving niet op
                            ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. In dit verband voert de
                            burgemeester het beleid dat buiten de binnenstad geen ontheffingen
                            worden verleend. De rechtbank heeft dit beleid, mede de wens de horeca
                            in de binnenstad te concentreren, terecht niet onredelijk geacht [ABRS
                            29-04-2008, nr. 200707367/1, AB 2008, 264].</al></li></lijst><al/><al>Voor 02.00 uur gaat een loop ontstaan van bezoekers die op tijd in hun favoriete
                    café willen zijn. Tussen 02.00 en 03.00 uur is het vrij rustig geworden op
                    straat. Na 03.00 uur ontstaat de meeste drukte. De cafés die gebruik maken van
                    het éénrichtingsverkeer moeten dan gaan sluiten. Bij een aantal cafés is van
                    gespreid vertrek van bezoekers geen sprake. Het grootste aantal bezoekers
                    vertrekt om klokslag 03.00 uur. Dit heeft tot gevolg dat er grote groepen
                    jongeren tegelijk op straat komen. Na 03.00 uur zoekt een aanzienlijk deel van
                    de bezoekers zijn vertier nog in de nachtcafés of de cafetaria’s. Dan ontstaat
                    ook de meeste overlast door schreeuwende onverlaten. Het éénrichtingsverkeer
                    wordt goed toegepast wanneer er zichtbaar wordt gecontroleerd door de politie of
                    gemeente. </al><al/><al><cursief>Toegangssluis:</cursief></al><al>Vlissingen heeft een aantal cafés dat niet is voorzien van een geluidsluis. Een
                    aantal van de cafés produceert een zodanig laag geluidsniveau dat een
                    geluidsluis niet noodzakelijk is. De sluis is één van de voorwaarden om aan het
                    éénrichtingsverkeer te mogen deelnemen. Een geluidsluis is een maatregel om
                    geluidsoverlast buiten de inrichting te voorkomen. De geluidsnormen worden
                    voorgeschreven in het Activiteitenbesluit. Een vergunning voor
                    éénrichtingverkeer wordt door de burgemeester afgegeven. Het is aan hem om te
                    bepalen of aan een café ontheffing kan worden verleend om geen geluidsluis als
                    voorziening te hebben. Wanneer in een later stadium blijkt dat een inrichting
                    met ontheffing toch geluidsoverlast veroorzaakt is er altijd de mogelijkheid het
                    éénrichtingsverkeer weer in te trekken of alsnog een geluidsluis te eisen.</al><al/><al><cursief>Nachtcafés:</cursief></al><al>In Vlissingen kunnen momenteel vier horeca-inrichtingen een nachtvergunning
                    krijgen. Deze inrichtingen mogen van 12.00 tot 05.00 uur geopend zijn. Van 04.00
                    tot 05.00 uur geldt voor hen het eenrichtingsverkeer. Drie van de vier
                    inrichtingen liggen in het centrum. Eén nachtcafé ligt aan de Prins Hendrikweg.
                    De nachtcafés in de binnenstad krijgen hun grootste toeloop van bezoekers na
                    03.00 uur. De openingstijd voor nachtcafés is 12.00 uur. Hierdoor kunnen deze
                    cafés ook meedoen aan activiteiten die overdag worden gehouden tijdens
                    festivals, Bevrijdingsdag en Koninginnedag. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:28 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                        sluiting</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet
                    zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of
                    gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale,
                    feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die een individueel karakter
                    heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot
                    alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich
                    tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                    sluiting.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet 'Damocles' (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Het Damoclesbeleid van de gemeente Vlissingen
                    is vastgesteld door de burgemeester op 14 februari 2000 met instemming van de
                    gemeenteraad op 30 maart 2000 en bekend gemaakt op 5 april 2000.</al><al/><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening. In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel
                    13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de
                    openbare registers conform artikel 3:16 Burgerlijk Wetboek. Merkwaardig genoeg
                    geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de APV. Het
                    Victoriabeleid van de gemeente Vlissingen is vastgesteld door de burgemeester op
                    14 februari 2000 met instemming van de gemeenteraad op 30 maart 2000 en bekend
                    gemaakt op 5 april 2000.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                            sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling
                            op te nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al></li><li nr=""><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig
                            zwaar. ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al></li><li nr=""><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221
                            gemeentewet (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116, en ABRS
                            05-07-1996, JG 96.0266.</al></li><li nr=""><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het
                            nuloptiebeleid overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr=""><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens
                            handel in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd).
                            Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in
                            harddrugs) is niet van belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015
                            (VNG-databank), ABRS 27-06-1997, R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank),
                            en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES. Terechte sluiting van twee
                            horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens
                            smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. Pres. Rb
                            Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al></li><li nr=""><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                            strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 6 februari 1997, JG
                            97.0075. Sluiting is geen 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6
                            EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten
                            is dan ook niet strijdig met het 'fair trial'-beginsel. ABRS 11 juni
                            1998, AB 1998, 297 m.nt. FM. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de
                            juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden
                            getoetst. Pres. Rb Breda, 27 januari 1998, JG 98.0096.</al></li><li nr=""><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de
                            APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van
                            partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen
                            onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem 16 november 2001, LJN-nr.
                            AD5792.</al></li><li nr=""><al>Bevel in het belang van de openbare orde tot sluiting horecabedrijf geen
                            besluit tot toepassing van bestuursdwang; bestuurlijke waarschuwing;
                            punitieve sanctie; wijziging in omstandigheden ten tijde van bezwaarfase
                            niet relevant voor feitelijke grondslag sluitingsbevel; afgeleid belang;
                            verhouding artikel 174, tweede lid Gemeentewet en artikel 2.3.1.6 APV.
                            ABRS 3 mei 2006, nr. 200508353/1; AB 2006, 392.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten
                    horecabedrijf</onderstreept></al><al>De in de vorengenoemde artikelen opgenomen sluitingsbepalingen richten zich tot
                    de leidinggevende van de inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden
                    gedurende de tijden, die hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd.
                    Artikel 2:29 richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de
                    inrichting. Indien deze zich met goedvinden van de leidinggevende in de
                    inrichting bevindt gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn,
                    overtreedt hij artikel 2:29. Indien echter daarvoor de toestemming van de
                    leidinggevende ontbreekt en de bezoeker zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Beide artikelen zijn naast elkaar bestaanbaar: artikel 2:29
                    strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling, terwijl artikel 138
                    Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van de rechten die aan de eigendom
                    verbonden zijn.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:30 Ordeverstoring</onderstreept></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz.ARRS 16
                            09 1982, AB 1983, 38, en Wnd. Vz.ARRS 30 03 1983, KG 1983, 195.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:31 Het college als bevoegd
                    bestuursorgaan</onderstreept></al><al>Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 2:23, eerste lid, ziet ook
                    op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2:23). Gelet op
                    artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het
                    college het bevoegde bestuursorgaan.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:32 Beslistermijn</onderstreept></al><al>Artikel 2:32 bevat een beslistermijn die afwijkt van de algemene bepaling in
                    artikel 1:2. Voordat op de aanvraag om een exploitatievergunning een beslissing
                    kan worden genomen dient een zorgvuldige voorbereiding daarvan plaats te vinden
                    als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Voor het inwinnen van externe adviezen is
                    daarom meer tijd nodig dan de termijn van acht weken die in artikel 1:2 wordt
                    genoemd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:33 Verbod verstrekking sterke drank in bepaalde drank-
                        en horeca-inrichtingen</onderstreept></al><al>In artikel 23 van de Drank- en Horecawet wordt de mogelijkheid geboden om bij
                    gemeentelijke verordening de verstrekking van alcoholhoudende drank te
                    verbieden. Dit verbod kan gelden voor inrichtingen van een bij de verordening
                    aangewezen aard, in bij de verordening aangewezen delen van de gemeente of voor
                    een bij of krachtens de verordening aangewezen tijdsruimte. In artikel 2:39
                    worden de inrichtingen en de plaats opgesomd waar dit gewenst is. Daarbij is
                    niet gekozen voor een verbod van alle alcoholhoudende drank, maar alleen voor
                    sterke drank. Sterke drank is datgene wat daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                    eerste lid, van de Drank- en Horecawet. Met de redactie van artikel 2:39 wordt
                    tot uitdrukking gebracht dat het verbod tot het anders dan om niet verstrekken
                    van sterke drank voor gebruik ter plaatse ook geldt wanneer die verstrekking
                    slechts in een onderdeel van die inrichting plaatsvindt. Het gevolg van die
                    redactie is dat de gehele inrichting, dus ook de onderdelen die men niet wil
                    treffen, onder het verbod valt. Op grond van de ontheffingsbepaling in het derde
                    lid kan dit worden gecorrigeerd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34 Aanwezigheid van een
                    leidinggevende</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt de verplichte aanwezigheid van een leidinggevende geregeld
                    in een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt.
                    Het gaat daarbij om de aanwezigheid van een leidinggevende die staat vermeld op
                    de exploitatievergunning. </al><al>Er is sprake van schijnbeheer als degene die zich voordoet als beheerder c.q.
                    exploitant c.q. leidinggevende van een horeca-inrichting niet de feitelijke
                    beheerder c.q. exploitant c.q. leidinggevende is. Schijnbeheer komt in
                    verschillende vormen voor. Er kan sprake zijn van een situatie waarbij een
                    persoon niet als beheerder of exploitant op de exploitatievergunning staat
                    vermeld, maar wel in de functie van werknemer als exploitant of leidinggevende
                    optreedt.</al><al/><al>Het op naam van een andere persoon laten exploiteren van een horeca-inrichting
                    omdat men zelf - vanwege antecedenten of het ontbreken van de vereiste diploma’s
                    - niet in aanmerking komt voor een exploitatievergunning, is een andere variant.
                    Hiervoor ontvangt diegene dan vaak een financiële vergoeding. In deze gevallen
                    wordt niet voldaan aan de vergunningvoorschriften en/of is de
                    exploitatievergunning tengevolge van onjuiste gegevens en bescheiden verleend en
                    kan de burgemeester besluiten de vergunning in te trekken.</al><al>Het niet naleven van de voorwaarden van de horeca-exploitatievergunning in de
                    zin van schijnbeheer is een ernstige overtreding. Bij het aanvragen van een
                    vergunning moet worden aangetoond dat de leidinggevende in het bezit is van
                    diverse vaardigheden c.q. aan horeca gerelateerde diploma’s. Op deze
                    vaardigheden wordt uiteindelijk de vergunning afgegeven. Deze persoon moet
                    daadwerkelijk in de zaak aanwezig zijn en meewerken. Indien andere personen dan
                    deze persoon in werkelijkheid de zaak exploiteert, is het voor de burgemeester
                    niet te controleren wie uiteindelijk achter de opgegeven naam bij inschrijving
                    schuilgaat. Hierdoor kan de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de
                    omgeving van het horecapand ernstig worden aangetast.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:35 Inrichtingseisen</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. <vet>Afdeling 9 Toezicht op
                        inrichtingen tot het verschaffen van
                        nachtverblijf</vet><onderstreept>Artikel 2:40
                        Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al/><al>De definitie van “houder” zoals deze werd gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede lid
                    (oud) is geschrapt. Het begrip “houder” is een ouderwets begrip. Op die plaatsen
                    is “houder” vervangen door “exploitant of feitelijk leidinggevende”. Er is geen
                    inhoudelijke wijziging beoogd. Houder (dus exploitant of leidinggevende) kan ook
                    een rechtspersoon zijn, in welk geval moet worden aangenomen dat de
                    registratieplicht de directeur betreft: HR 14-06-1955, NJ 1956, 38.</al><al><onderstreept>Artikel 2:41 Melding exploitatie </onderstreept></al><al>Artikel 2:41 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al><vet>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</vet><onderstreept>Artikel 2:42
                        Speelgelegenheden</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn
                    als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke
                    toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio
                    positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen
                    belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al/><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in het eerste lid . De houder van een café waarin bezoekers het
                    kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken
                    maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                    deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker,
                    worden beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de
                    bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning
                    beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:42 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al/><al>De Wet op de kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit echter vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al/><al>Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester
                    bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder
                    vergunning ex artikel 2:39 APV, een illegaal casino dus. Er was een vergunning,
                    maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een geconstateerde
                    overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van overtreding van artikel
                    2:39 van de APV. Daarna is geconstateerd dat in het pand een illegaal casino
                    werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat zonder vergunning een
                    speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat bestuursdwang kon worden toegepast.
                    Ook werd bepaald dat er geen sprake was van een besloten bijeenkomst in
                    verenigingsverband, omdat een ieder tegen betaling van een betrekkelijk gering
                    bedrag lid kon worden en mee kon spelen. Rb Maastricht 07-01-2003, NR 01/1750 en
                    01/1751 GEMWT I, LJN-nr. AF2782</al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft de president van de rechtbank Arnhem in voorlopige
                    voorziening een uitspraak gedaan over de sluiting van een illegale
                    speelgelegenheid op basis van de APV van de gemeente Groesbeek. De gemeente
                    Groesbeek heeft een uitgebreide paragraaf opgenomen in de APV over
                    speelgelegenheden, waarin het vergunningensysteem veel verder is uitgewerkt dan
                    in de model APV. Er worden onder meer eisen aan de exploitant gesteld en er zijn
                    meer weigeringsgronden opgenomen. Er was tot nu toe nog geen rechterlijke
                    uitspraak over de verbindendheid van deze bepalingen. In deze uitspraak kwam
                    uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake was van een speelgelegenheid met
                    een besloten karakter. Dat er sprake was van een speelgelegenheid was niet in
                    discussie. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake was van een voor
                    het publiek toegankelijke inrichting en dat de burgemeester van de gemeente
                    Groesbeek de bevoegdheid had bestuursdwang toe te passen. Deze
                    voorzieningenrechter is dus kennelijk van mening dat de APV Groesbeek verbindend
                    moet worden geacht, hoewel er niet expliciet aandacht aan wordt besteed in de
                    uitspraak. Pres. Rb. Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al/><al><cursief>Internetgokzuilen</cursief></al><al>Inmiddels is er ook een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003 over
                    een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van State gaat
                    ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is van een
                    speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde zonder dat
                    zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is op grond van
                    artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.
                    ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb Arnhem, 11-03-2002,
                        <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0152.jsp"> JG 02.0152 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Er zijn ook enkele uitspraken van de strafrechter geweest waarin de exploitant
                    van een internetgokzuil en een exploitant van een inrichting waarin een
                    internetgokzuil is geplaatst zijn veroordeeld tot een boete.</al><al/><al><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></al><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. In de Verordening
                    speelautomatenhallen Vlissingen (raadsbesluit van 26 november 1987) is bepaald
                    dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van
                    een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon en leefsituatie. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van
                            speelgelegenheid, burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003,
                            200203981/1, LJN-nr AF3507, Rb Almelo11-03-2002, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0152.jsp"> JG 02.0152 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt.</al></li><li nr=""><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                            speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning.
                            Rb Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr.
                            AF2782.</al></li><li nr=""><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een
                            gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter,
                            burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem
                            17-07-2002, 00/3094 en 00/3095 AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid
                            wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden
                            toegepast ogv APV Groesbeek. Rb Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr.
                            AE5840.</al></li><li nr=""><al>Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                            bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem
                            17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al></li><li nr=""><al>Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels
                            internetgokzuilen is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen,
                            17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr. AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer,
                            20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:43 Speelautomaten</onderstreept></al><al>Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal
                    uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen
                    een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de kansspelen
                    d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Drank- en
                    Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen “inrichting” en
                    “horecalokaliteit” en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Het
                    CBB overweegt - in tegenstelling tot wat uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot
                    nu toe uit de jurisprudentie is gebleken – “dat er wel sprake is van een
                    materiële wijziging van de Wet” en niet slechts van een technische. Dit kan
                    verstrekkende consequenties hebben voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor
                    de wijze van formulering van besluiten.</al><al/><al>Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een
                    wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van
                    een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze
                    horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige
                    betekenis kan worden toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en
                    Horecawet is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel
                    uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in
                    ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik
                    ter plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                    Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje jurisprudentie.
                    Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen,
                    zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren. Waar
                    precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige
                    activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval moeten
                    worden bekeken, gerelateerd aan de jurisprudentie. In welke omgeving de
                    horecalokaliteit ligt, is, in tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet
                    meer van belang. Ook een horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of
                    dorpshuis kan hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde
                    consequentie dat bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt
                    aangemerkt en een sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen in
                    een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf maakt
                    geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of de
                    horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café voornamelijk
                    gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus het CBB, los
                    van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht wordt door bezoekers
                    beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in de weg dat de lokaliteit
                    niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op bezoekers van boven de 18
                    jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB 17-07-2002, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0153.jsp"> JG 02.0153 </extref>, m.nt. T.J. van der Reijt)</al><al/><al><cursief>Samengestelde inrichtingen</cursief></al><al>Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
                    een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Drank- en
                    Horecawet bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten
                    vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit
                    het geval is, dan is (op grond van artikel 30c vierde lid van de Wet op de
                    kansspelen) de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                    kansspelautomaten te plaatsen.</al><al/><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>a. Bij één afgesloten ruimte.</al><al>1. is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al><al>2. staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al><al>3. zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan
                    18?</al><al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</al><al>b. Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al><al>1. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan wel
                    van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die te
                    zamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw?</al><al>2. wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de
                    lokaliteiten die te zamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen
                    onder A?</al><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting.</al><al>c. Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 eerste lid van de Drank- en
                    Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al><al>1. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al><al>2. zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>3. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door
                    het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c vierde lid Wet
                    op de kansspelen).</al><al>4. zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                    Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</al><al>5. zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet
                    op de Kansspelen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal
                            op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart
                            is, vormt een laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474,
                            LJN-nr. AF7697.</al></li><li nr=""><al>Een deur die slechts niet op slot mag vanwege
                            brandveiligheidsvoorschriften, maakt dat het mogelijk is via het eetcafé
                            de snackbar te betreden. Geen kansspelautomaten toegestaan. CBB
                            29-01-2003, AWB 02/697, LJN-nr. AF3782.</al></li><li nr=""><al>De beslissing in een zogenaamd “feestcafé”-vergunning voor twee
                            kansspelautomaten onvoldoende gemotiveerd, omdat geen aandacht is
                            besteed aan de stelling dat er geen sprake meer was van exploitatie van
                            een disco. De motivering had betrekking dienen te hebben op de
                            feitelijke gang van zaken in de inrichting. Gemeente moet opnieuw
                            besluiten. CBB 29-01-2003, AWB 02/969, LJN-nr. AF3780.</al></li><li nr=""><al>Een inrichting die zich als lunchcafé afficheert, gelegen is bij een
                            markt en een sterk accent legt op kleine etenswaren, hetgeen ook uit de
                            omzetcijfers blijkt, is laagdrempelig. CBB 22-01-2003, AWB 02/1277,
                            LJN-nr. AF 4096.</al></li><li nr=""><al>Hotellobby, waarin zich bar, eetgelegenheid en hotelreceptie bevindt, is
                            laagdrempelig, want de hotelreceptie trekt zelfstandige stroom
                            bezoekers. Ook het feit dat hotelgasten door een verbindingsdeur met een
                            pasje naar de kamers kunnen, maakt de ruimte laagdrempelig. Vz. CBB
                            31-12-2002, AWB 02/1501, 02/1702, LJN-nr AF3234.</al></li><li nr=""><al>Bar/foyer in multifunctioneel vergadercentrum laagdrempelig, omdat het
                            publiek van buitenaf de zalen kan bereiken. Geen samengestelde
                            inrichting. CBB 23-12-2002, AWB 02/838, LJN-nr. AF3251.</al></li><li nr=""><al>Inrichting met restaurant met snackbar laagdrempelig, en
                            restaurantgedeelte niet als hoogdrempelig aan te merken, omdat er één
                            Drank- en Horecavergunning is, het personeel vanuit dezelfde ruimte
                            beide gedeelten bedient en de toiletten (die ook bestemd zijn voor
                            bezoekers van de snackbar met bijbehorend terras) slechts te bereiken
                            zijn via het restaurantgedeelte. CBB 20-12-2002, AWB 02/1523, LJN-nr.
                            AF3248.</al></li><li nr=""><al>Eetcafé dat zich hoofdzakelijk richt op het winkelend publiek en
                            openingstijden die gelijklopen met winkelcentrum en waar overdag
                            voornamelijk koffie, thee, fris, kleine gerechten en lunches worden
                            geserveerd is laagdrempelig. CBB 20-12-2002, AWB 02/1493, LJN-nr.
                            AF3245.</al></li><li nr=""><al>Eetcafé met kleine kaart naast driecomponentenmaaltijden tot 17.00 uur
                            laagdrempelig in zin van de Wet op de Kansspelen, Vz.CBB 23-10-2002,
                            AWB02/1647, LJN-nr. AF1167.</al></li><li nr=""><al>Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten kan slechts
                            worden verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van
                            een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan wel
                            inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfsschap Horeca en
                            Catering. CBB 9 oktober 2002 AWB 01/963, 01/964, 01/ 965. LJN-nr.
                            AF0354.</al></li><li nr=""><al>Gebiedsaanwijzing in speelautomatenhallenverordening toegestaan, ook als
                            eigenlijk al bekend was aan wie de vergunning zou worden verleend. CBB
                            04-10-2002, AWB 02/414, LJN-nr. AF0388.</al></li><li nr=""><al>Inrichting waar floorshows en stripteaseshows worden gegeven
                            laagdrempelig en seksinrichting laagdrempelig. CBB 18-09-2002, AWB
                            02/559, LJN-nr. AF1844 en CBB 19-06-2002, AWB02/25, LJN-nr. AE6041.</al></li><li nr=""><al>Omzetpercentage van kleine etenswaren in een eetcafé op zichzelf niet
                            bepalend voor de vraag of er sprake is van een zelfstandige stroom
                            bezoekers. Meer van belang is de combinatie van het aanbod en de
                            ligging, namelijk in een winkelcentrum. CBB 21-08-2002, AWB02/84,
                            LJN-nr. AE7051.</al></li><li nr=""><al>Weigering van aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in
                            café is in strijd met motiveringsbeginsel. CBB 26-07-2002, AWB01/536,
                            LJN-nr. AE7541.</al></li><li nr=""><al>Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002,
                            AWB01/822, JG 02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE 7540.</al></li><li nr=""><al>Bowlingbaan niet gescheiden van bargedeelte. Hoewel de
                            bowlingactiviteiten slechts 20% van de omzet genereert, is er toch
                            sprake van een zelfstandige stroom van bezoekers. CBB 10-07-2002, AWB
                            02/300, LJN-nr. AE6038.</al></li><li nr=""><al>Café bij supermarkt niet per definitie laagdrempelig. Voor beantwoording
                            van de vraag of van hoog- dan wel laagdrempelige inrichting sprake is,
                            is beslissend de wijze waarop de inrichting feitelijk op basis van de
                            verleende vergunningen functioneert en geëxploiteerd wordt. CBB 19-06-
                            2002, AWB02/236, LJN-nr. AE6040.</al></li><li nr=""><al>Deur die fungeert als nooduitgang voor het publiek tussen hoogdrempelig
                            (café) en laagdrempelig (kegelbaan) gedeelte van dezelfde inrichting,
                            met ieder hun eigen ingang, maakt dat de kegelbaan door het publiek kán
                            worden bereikt via de ingang van het café. Daarom geen kansspelautomaten
                            toegestaan. CBB 01-03-2002, AWB01/399 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0070.jsp"> JG 02.0070 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE0468.</al></li><li nr=""><al>Geen sprake van afzonderlijke horecalokaliteit in een inrichting met een
                            afhaalgedeelte en een café verbonden via een gemeenschappelijke bar
                            waarachter het personeel beide gedeelten van de inrichting kan bedienen.
                            Eén horecalokaliteit met meerdere activiteiten, kansspelautomaten niet
                            toegestaan. CBB 22-02-2002, AWB01/903 29011, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0068.jsp"> JG 02.0068 </extref>, m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr.
                            AD9635.</al></li><li nr=""><al>Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en
                            zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke
                            horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB
                            15-02-2002, AWB01/482 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0069.jsp"> JG 02.0069 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9977.</al></li><li nr=""><al>Dorpshuis is niet in zijn geheel aan te merken als - laagdrempelige -
                            inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. In ieder geval behoren
                            de was- en kleedruimten, gezien de definitie conform de Drank- en
                            Horecawet per 1 november 2000, niet tot de inrichting. CBB 13-02-2002,
                            AWB01/616, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0065.jsp"> JG 02.0065 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9636.</al></li><li nr=""><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen.
                            Aanwezigheid van een voor het publiek toegankelijke deur tussen snackbar
                            en café. In het geval er slechts één deur is vanaf de openbare weg naar
                            de snackbar, waarna kan worden doorgelopen naar het café, is dat niet
                            voldoende motivering om een vergunning kansspelautomaten te weigeren.
                            CBB 13-02-2002, AWB01/668, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0066.jsp"> JG 02.0066 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9630.</al></li><li nr=""><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Van
                            belang is of het publiek gebruik kán maken van de deur aan de openbare
                            weg van het café/restaurant om de overige - laagdrempelige - ruimten in
                            de inrichting te bezoeken. Nabijheid camping niet van doorslaggevende
                            betekenis bij vraag of kansspelautomaten zijn toegestaan. CBB13-02-2002,
                            AWB01/582 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0067.jsp"> JG 02.0067 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9589.</al></li><li nr=""><al>Nachtbar/dancing is laagdrempelig. CBB 13-08-2001, AWB 01/537 29010, JG
                            01.0180 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Seksclub niet hoogdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/347 29010, JG
                            01.0156 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Salsaclub is laagdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/378 29010, JG 01.0181
                            , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Het bieden van de mogelijkheid tot het afhalen van eten vormt
                            laagdrempelige activiteiten die een zelfstandige betekenis hebben.
                            Broodjes, broodjes shoarma en soepen zijn niet als volledige maaltijd
                            aan te merken. CBB 15-11-2000, AWB 00/73 29010, JG 01.0125 , m.nt. A. L.
                            Esveld.- Het niet tijdens de gehele openingstijd serveren van maaltijden
                            die voldoen aan de definitie van het begrip maaltijd, maakt een
                            inrichting laagdrempelig. CBB 08-03-2000, AWB 99/715 29010, JG 00.0083 ,
                            m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Exploitant speelautomaten is geen, exploitant horeca-inrichting is wel
                            belanghebbende ex artikel 1:2 Awb. CBB 09-02-2000, AWB 99/550 29010, JG
                            00.0158 , m.nt. A. L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Het koppelen van de openingstijden van een inrichting aan die van een
                            supermarkt is mede een reden om die inrichting als laagdrempelig te
                            beschouwen. CBB 13-01-2000, AWB 99/43 29010, JG 00.0104, m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr=""><al>De omstandigheid dat coffeeshophouders personen onder de 18 jaar niet
                            tot hun inrichting mogen toelaten maakt de kwalificatie van een
                            coffeeshop als laagdrempelig niet zinledig. CBB 13-01-2000, AWB 98/1162
                            29010, JG 00.0132 , m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Niet ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca, derhalve ontbreekt
                            wettelijke grondslag voor vergunning voor de aanwezigheid van
                            kansspelautomaten. CBB 11-03-99, AWB 98/732 29000, JG 00.0045 , m.nt.
                            A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en
                        baldadigheid</vet><onderstreept>Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of
                        lokaal</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken
                    een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:44 op te nemen, waarin
                    een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 2:44 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:44 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek
                            toegankelijke lokalen staat op de website van het Steun- en
                            Informatiepunt Drugs en Veiligheid (SIDV): <extref doc="http://www.sidv.nl/"> www.sidv.nl </extref>.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:45 Plakken en kladden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:46 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al/><al>Artikel 2:45 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:45 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al/><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. </al><al/><al><cursief>Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin
                    uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen”
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder “doen”
                    aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een
                    actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met
                    succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan:
                    door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid
                    stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het
                    aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan
                    uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van
                    posters in de stad. Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een
                    redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te
                    achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die
                    posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving
                    en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook
                    verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</al><al/><al><cursief>Graffiti</cursief></al><al>Graffiti is het op straat of op een andere min of meer openbare plaats met
                        <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Verf">verf</extref> of <extref doc="http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Verfstift&amp;action=edit&amp;redlink=1">verfstift</extref> (ook wel paintmarker genoemd) aanbrengen van
                    mededelingen of afbeeldingen.Graffiti op straat wordt meestal gemaakt met behulp
                    van spuitbussen met verschillende <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Kleur">kleuren</extref><extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Verf">verf</extref>. Het zijn vaak korte
                    teksten en afbeeldingen, variërend van tags (korte parafen waaraan de maker door
                    zijn collega's wordt herkend) tot pieces (grotere, met kunstzin uitgevoerde
                    afbeeldingen). Vaak ziet men tientallen tags die dicht bij elkaar zijn
                    neergezet. Er zijn duidelijke stijlen te herkennen. Er is zeker sprake van een
                    ondergrondse graffiti-subcultuur. Tegenwoordig is in Nederland vrijwel overal
                    graffiti aan te treffen. In de loop der jaren is graffiti deels vanuit het
                    illegale circuit als geaccepteerd verschijnsel in de maatschappij
                    terechtgekomen. Zo bevinden zich in Vlissingen graffiti-uitingen bij wijze van
                    kunstuiting op het voormalige hotel Britannia. Naast uiting als kunst uit
                    graffiti zich vaak als <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Vandalisme">vandalisme</extref>, waarbij sprake is van bekladden van de openbare
                    ruimte. Graffitispuiters beschadigen publieke en particuliere eigendommen en
                    jagen de eigenaren daarmee op kosten om de graffiti te verwijderen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222,
                            blijkt dat pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen
                            aannemelijk is geworden dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden
                            weigeren in te stemmen met aanplakking dat in feite geen mogelijkheid
                            tot gebruik van enige betekenis van dit middel tot verspreiding aanwezig
                            is, van de gemeenten een min of meer voorwaardenscheppend beleid
                            gevraagd wordt zodat aan het criterium “dat gebruik van enige betekenis
                            moet overblijven”, ook feitelijk inhoud kan worden gegeven. Het hangt af
                            van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan
                            worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                            moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993,
                            NJ 1993, 534.</al></li><li nr=""><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen
                            ten behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek
                            om toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen.
                            Betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG
                            94.0194 m.nt. J.M. van den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM.</al></li><li nr=""><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze
                            van aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als
                            bedoeld in de APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3
                            m.nt EB.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><lijst><li nr=""><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7,
                            lid 1, Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen
                            vervolging mogelijk ter zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende
                            vrije plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te
                            scheppen. Rb. Amsterdam 07-10-1993.</al></li><li nr=""><al>Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud
                            als artikel 2:42 oordeelde de Hoge Raad dat “niet aannemelijk is
                            geworden dat ten gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van
                            enige betekenis tot gebruik van het onderhavige middel van verspreiding
                            en bekendmaking zou overblijven”. De bepaling is niet in strijd met
                            artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en
                            “necessary in a democratic society (...) for the prevention of disorder”
                            en “protection of the (...) rights of others”. HR 01-4-1997, NJ 1997,
                            457.</al></li><li nr=""><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 APV is niet in strijd met artikel 7
                            Grondwet noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG
                            02.0169 m.nt. M. Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB
                            2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken
                            was opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom
                            opgelegd tot voorkoming van herhaling van illegaal plakken van
                            reclamemateriaal en tot het verwijderd houden van illegaal plakken. Het
                            is een te ruime uitleg om “doen” aanbrengen zo uit te leggen dat dit
                            mede inhoudt het niet tegengaan dat van Radio 538 afkomstig
                            reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van opdracht of een
                            actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr. AE7789, JB
                            2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas.</al></li><li nr=""><al>Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en
                            illegaal plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen
                            aanbrengen” als bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als
                            betrokkene een derde of derden opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen
                            van aanplakbiljetten of anderszins actieve bemoeienis heeft gehad met
                            het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor het aanbrengen van
                            aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten
                            anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                            onvoldoende. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te
                            verwijderen. De vraag is of Loesje als “doen”-plakker” in de zin van de
                            APV verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit is niet het geval nu
                            Loesje geen actieve bemoeienis heeft gehad met het aanbrengen van de
                            posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts op internet geplaatst,
                            waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen gebruik vrij
                            kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan het
                            hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een
                            disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden
                            geplakt op plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de
                            toepasselijke APV. Rb. Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische
                            inkennisstelling al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties
                            waren ten tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de
                            posters waren aan een plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de
                            termijn, waarbinnen appellante bij de door haar ingeschakelde
                            plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de betreffende posters
                            geplakt waren en de verwijdering van die posters moest bewerkstelligen
                            te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624.</al></li><li nr=""><al>Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde
                            met uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen.
                            Toepasselijkheid van artikel 6:171 BW dat voor Podium een
                            risico-aansprakelijkheid vestigt voor onrechtmatig handelen door derden,
                            met wie geen dienstverband bestaat maar die ingeschakeld worden voor
                            werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder dat het voor de
                            gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte de
                            Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te
                            wijten. De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van
                            illegaal geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op
                            Podium. Rb. Zwolle, sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025
                            m.nt. E.H.J. de Bruin.</al></li><li nr=""><al>Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het
                            gedrag van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te
                            plakken, ook als dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben
                            gehandeld (door op niet toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant
                            het bedrijf heeft opgedragen uitsluitend op toegestane locaties te
                            plakken disculpeert hem niet. Gesteld is immers niet dat hij goede grond
                            had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich zou houden aan die
                            opdracht. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN-nr. AS5302.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap e.d.</onderstreept></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken. Deze bepaling maakt
                    geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin
                    in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene
                    rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht. Bij de voorgestelde
                    redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand
                    van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake
                    is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al><onderstreept>Artikel 2:47 Vervoer inbrekerswerktuigen</onderstreept></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. Te denken valt aan lopers, valse sleutels, touwladders,
                    lantaarns, breekijzers, koevoeten, slijptollen, schroevendraaiers, tangen, dop-,
                    ring-, pijp-, moer-, ketting-, steek- en inbussleutels, hamers, bijlen, beitels,
                    vijlen, enz. Het gaat hierbij om (poging tot) diefstal als bedoeld in artikel
                    310 Wetboek van Strafrecht, al dan niet in vereniging:</al><lijst><li nr="1."><al>uit een woning door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één
                            en ander in de ruimste zin van het woord, waarbij het essentiële
                            onderscheid met de andere onder deze richtlijn vallende basisdelicten is
                            het begrip "woning", waarin de aantasting van de persoonlijke
                            levenssfeer als strafvorderlijk zeer relevant wordt gezien;</al></li><li nr="2."><al>uit een bedrijf door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één
                            en ander in de ruimste zin van het woord, waarbij onder bedrijven tevens
                            gerangschikt worden: winkels, kerken, scholen,
                            sportkantines/accommodaties, zwembaden en dergelijke;</al></li><li nr="3."><al>uit een auto door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één en
                            ander in de ruimste zin van het woord. </al></li><li nr="4."><al>waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
                            heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
                            welke niet geclassificeerd wordt onder de eerder genoemde inbraak
                            woning, inbraak bedrijf en inbraak auto. Hierbij valt te denken aan
                            diefstallen uit tuinhuisjes, vakantieverblijven, caravans,
                            plezierjachten, bouwketen, boxen, schuurtjes. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan
                            strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149
                            Gemeentewet. HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989,
                            NJ 1989. 687 (APV Nijmegen)</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:48 Varen in openbaar water</onderstreept></al><al>Vlissingen heeft zowel buitendijks als daarbinnen veel water. Het gaat
                    binnendijks zowel om oppervlaktewateren als waterlopen. Onder het begrip
                    oppervlaktewater(en) vallen alle wateren die een functie hebben voor de af-
                    en/of aanvoer en/of de berging van het op de bodem vrij aanwezige water. Veel,
                    maar niet alle, van deze wateren zijn in onderhoud bij het waterschap
                    Scheldestromen. Een bergingsvijver in bijvoorbeeld een woongebied is van belang
                    voor de berging van water. Dergelijke bergingsvijvers worden door de gemeente
                    onderhouden. De omschrijving van het begrip 'waterloop’ verschil in die zin met
                    de omschrijving van het begrip oppervlaktewater dat onderwaterlopen niet vallen
                    de oppervlaktewateren die uitsluitend een functie hebben voor de berging van
                    water. Dit zal in de legger tot uitdrukking komen. Hieruit volgt dat iedere
                    waterloop tevens moet worden aangemerkt als oppervlaktewater, doch niet ieder
                    oppervlaktewater als waterloop. Wonen aan of bij het water heeft een positieve
                    invloed op het woonklimaat. Het rustig woon- en leefklimaat kan echter worden
                    verstoord door activiteiten op het oppervlaktewater of op waterlopen waarvoor
                    zij niet zijn bedoeld. Te denken valt aan toeristisch-recreatief gebruik met
                    vaartuigen dat aanleiding geeft tot overlast of baldadigheid. Dit artikel biedt
                    een handvat daartegen handhavend op te treden. In die gevallen waarin deze vrees
                    niet bestaat kan ontheffing onder het stellen van voorwaarden worden verleend. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare
                    plaatsen</onderstreept></al><al>In het eerste lid onder a en b is verwoord dat op geen enkele wijze – in de
                    openlucht, in een onderkomen als een voertuig, kampeerwagen, vrachtwagen, bus,
                    woonwagen, caravan, vouwwagen, tent of ander onderkomen - op of aan de openbare
                    weg mag worden overnacht. Tevens is het verboden gelegenheid te bieden voor
                    dergelijke overnachting. Het verbod als genoemd in het eerste lid is gesteld in
                    het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en volksgezondheid. </al><al>In het tweede lid is de mogelijkheid van ontheffing opgenomen. Op grond van
                    artikel 1:4 kunnen - indien een ontheffing wordt verleend - voorschriften worden
                    verbonden aan de ontheffing ter voorkoming en beperking van onder andere hinder,
                    geluidsoverlast, verontreiniging, brandgevaar alsmede ter bescherming van de
                    volksgezondheid het aanzien van de woon- en leefomgeving.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in de publieke
                        ruimte</onderstreept></al><al>Op basis van artikel 2:50 (en artikel 2:52 - Verboden gedrag bij of in gebouwen)
                    kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al/><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:50 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:50 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikelen 424
                            en 426bis WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven)</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:51 Verboden drankgebruik</onderstreept></al><al><cursief>1. Hinderlijk drankgebruik</cursief></al><al>In artikel 2:51, eerste lid, is een verbod opgenomen om in een bepaald door het
                    college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                    flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt
                    uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor
                    een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35, tweede lid,
                    Drank- en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement
                    zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken. Het is mogelijk dat een
                    verschuiving in het gedrag van jongeren in de richting van buiten het aangewezen
                    gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal
                    dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de
                    aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het
                    verschijnsel zijn. Wanneer echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen
                    worden uitverkoren dan kan het college alsnog ook voor die nieuwe
                    pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen. </al><al/><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, kunnen op grond van de
                    artikelen 2 en 12 Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.
                    Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 Wetboek van
                    Strafrecht. Voorts zal in een aantal gevallen (als bij voorbeeld wordt
                    geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn aan de
                    hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering
                    van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat
                    daarom behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd dit artikel, waardoor optreden
                    in wat men zou kunnen noemen de 'voorfase' – dus het bier drinken op bepaalde
                    plaatsen – mogelijk wordt. Ter uitvoering van artikel 2:51, eerste lid, heeft
                    het college de bebouwde kommen van de gemeente hebben aangewezen - met
                    uitzondering van de stranden – als gebieden waarvoor het verbod geldt. Bij het
                    verlenen van een ontheffing als bedoeld in het derde lid valt te denken aan een
                    buurtbarbecue, de sponsorruimte bij evenementen enz. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Blowverbod: artikel 2.17, vijfde lid, van de APV Amsterdam 2008 dat de
                            burgemeester de bevoegdheid geeft een gebied aan te wijzen waarin het
                            verboden is, en op grond van art. 6.1 APV strafbaar is gesteld, om
                            softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben is in strijd met
                            artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet en mist verbindende kracht (ABRS
                            13 juli 2011, 201009884/1/H3 - LJN: BR1425 )</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:52 Hinderlijk gedrag bij of in
                    gebouwen</onderstreept></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:50
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><al><onderstreept>Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                        ruimten</onderstreept></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al/><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                    ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel
                    of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al/><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. In de circulaire van de VNG van
                    4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt ingegaan op deze bepaling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06
                            1951, NJ 1951, 618</al></li><li nr=""><al>Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                            station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1
                            Wetboek van Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor
                            de rechten van de mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen
                            reglement vervoer NS). De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de
                            APV Amsterdam is verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd,
                            HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV Amsterdam).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen e.d.</onderstreept></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door
                    de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze
                    voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot
                    klachten. Artikel 2:54 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al><onderstreept>Artikel 2:55 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                        kermisterrein e.d.</onderstreept></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al/><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Kleding wordt
                    vuil gemaakt of gaat kapot. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein
                    worden kenbaar gemaakt.<onderstreept>Artikel 2:56 Loslopende
                        honden</onderstreept></al><al>Artikel 2:56 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr=""><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr=""><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr=""><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr=""><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr=""><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al/><al>De glooiing is geen strand. Voor de uitleg van het begrip ‘strand’ wordt
                    aansluiting gezocht bij wat daaronder wordt verstaan in het dagelijkse
                    spraakgebruik en de definitie van Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse
                    taal (14): ‘langs de zee gelegen land dat aan de oppervlakte uit zand bestaat,
                    buiten de duinvoet of dijksteen’.</al><al/><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich
                    tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier
                    onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden.
                    Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen. Als in strijd
                    met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen,
                    kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden
                    gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen
                    asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen
                    is.</al><al/><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming.</al><al/><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt:</al><al>1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of
                    in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en
                    de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                    politie.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al/><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.
                    Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het
                    geheel niet regelen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op
                            de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS
                            13-12-1996, JG 97.0050.</al></li><li nr=""><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in
                            verband met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz.
                            ARRS 20-07-1993, JG 94.0055 , AB 1994, 454.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:57 Verontreiniging door honden</onderstreept></al><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. De strafbaarheid
                    wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Degene die één of
                    meerdere honden tegelijk uitlaat dient per hond één hondenpoepzak bij zich te
                    hebben en in voorkomende gevallen te gebruiken. Er zijn verschillende manieren
                    om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Al zal de handhaving
                    (betrapping op heterdaad) niet meevallen, op den duur zal een preventieve
                    invloed van deze bepaling uitgaan. Overtreding van het verontreinigingsverbod
                    door hondenuitwerpselen behoort tot de zogeheten verontreinigingsdelicten, die
                    vatbaar zijn voor transactie door de politie.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op
                            de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12
                            1996, JG 97.0050 .</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 2:58 Gevaarlijke honden</onderstreept></al><al>De Regeling Agressieve Dieren (RAD) is per 1 januari 2009 ingetrokken, omdat uit
                    een evaluatie bleek dat de regeling niet effectief was. Het aantal
                    bijtincidenten was in 15 jaar tijd niet afgenomen en er was, ondanks het
                    fokverbod, geen vermindering van het aantal pitbull-achtige honden. De
                    Gemeentewet (artikel 172, derde lid) en het Wetboek van Strafrecht (artikelen
                    300, 350 en 425, eerste lid) bieden voldoende mogelijkheden om agressieve honden
                    aan te pakken. Daarom komt er geen nieuwe landelijke regeling voor de aanpak van
                    agressieve honden van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
                    De intrekking van de RAD is alleen van betekenis voor pitbullterriërs. Aan de
                    regelgeving voor alle andere honden is niets veranderd. </al><al>De gemeente maakt onderscheid tussen drie categorieën van gevaarlijke
                    honden:</al><al>1. Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken (gelijke
                    lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. </al><al/><al>Aan de eigenaar of de houder van een hond uit categorie 1 moet die hond op of
                    aan de weg of op het terrein van een ander kort aanlijnen en voorzien van een
                    muilkorf. Bij openbare melding zal het college bepalen welk ras of type hond dan
                    wel wat voor door kruising daarmee verkregen verwanten onder deze eerste
                    categorie gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling moeten vallen. Te
                    denken valt aan de Pitbullterriër, Rottweiler, American staffordshire terriër,
                    Dogo Argentino, Fila Brasileiro en de Mastino Napoletana. </al><al/><al>2. Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn
                    opgeleid voor bewakings- , opsporings- of verdedigingswerk.</al><al/><al>Ten aanzien van een hond uit categorie 2 geldt een aanlijngebod. Invoering van
                    een verplichting tot muilkorven van een gebruikshond stuit op het bezwaar dat
                    hierdoor de uitvoering van de taak waarvoor zo’n hond is opgeleid, bijzonder
                    wordt bemoeilijkt. Gelet op het gebruik van de hond voor bewakings-, opsporings-
                    en verdedigingswerk is het aanlijngebod beperkt tot de weg: op het terrein van
                    een ander kan de hond zijn functie blijven vervullen. Op het aanlijngebod maakt
                    de gemeente onder twee voorwaarden een uitzondering: de hond moet met goed
                    gevolg een opleiding tot gebruikshond bij een erkende instantie of een
                    zogenaamde gedrags- en gehoorzaamheidscursus 1 hebben doorlopen en hij moet
                    vergezeld gaan van de eigenaar of de houder, die hem heeft opgeleid. Erkende
                    instanties zijn volgens de commissie de onderafdelingen van rasverenigingen van
                    werkhondenrassen, de Nederlandse bond voor gebruikshondensportverenigingen, de
                    Koninklijke Nederlandse politiehondvereniging en de Nederlandse bond voor de
                    diensthond. Informatie over een gedrags- of gehoorzaamheidscursus is
                    verkrijgbaar bij een kynologenclub.</al><al/><al>3. Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en
                    waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of het uiten van een
                    dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of dier.</al><al/><al>Ter ondersteuning van de beschreven aanlijn- en muilkorfgeboden is identificatie
                    en registratie van de honden uit de drie categorieën wenselijk. Dat moet worden
                    gerealiseerd door het aanbrengen van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar
                    identificatiemerk in het oor of in de buikwand van de hond en voorts door
                    gegevensverstrekking door de eigenaren aan de Stichting registratie
                    gezelschapsdieren Nederland en in geval van rashonden de Raad van beheer op
                    kynologisch gebied in Nederland (hogere regeling). De identificatie en
                    registratie zijn van belang voor de controle op de naleving van de aanlijn- en
                    muilkorfgeboden en voor de opsporing van een overtreder. Via de tatoeage moet
                    nagegaan kunnen worden of een hond behoort tot een gevaarlijke categorie en wie
                    de eigenaar of houder is. </al><al/><al>Voor zover het gevaar van een hond voortvloeit uit een besmettelijke dierziekte
                    zoals hondsdolheid, dient de burgemeester op grond van artikel 21 Gezondheids-
                    en welzijnswet voor dieren de maatregelen te nemen die hem door of vanwege het
                    ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden opgedragen ter
                    voorkoming van - verdere - besmetting. Welke maatregelen dit zijn is te vinden
                    in artikel 22 van genoemde wet. Onder meer kan worden bevolen dat honden moeten
                    worden voorzien van een muilkorf. De voorschriften met betrekking tot muilkorven
                    zijn geregeld in de Regeling betreffende maatregelen ter voorkoming van
                    overbrenging besmetting (Stcrt. 1996, 61). Overigens dient de burgemeester zodra
                    hij in kennis is gesteld van een verdenking van een besmettelijke dierziekte
                    hiervan terstond de inspecteur-districtshoofd Veterinaire dienst en de
                    Veterinaire Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid op de hoogte te stellen.
                    Artikel 27 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geeft de burgemeester de
                    bevoegdheid om een bevel uit te vaardigen dat de door hem aangewezen dieren
                    moeten worden vastgelegd of opgesloten ter bestrijding van besmettelijke
                    dierziekten. Dieren die ondanks het bevel niet zijn vastgelegd of opgesloten
                    mogen op last van de burgemeester worden gedood.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en
                            vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden
                            gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst.
                            1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al></li><li nr=""><al>Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond,
                            waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De
                            burgemeester heeft in redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen
                            aan de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en
                            besloten tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74
                            Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993, AB 1993, 460.</al></li><li nr=""><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG
                            95.0307, Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en
                            welzijnswet voor dieren is een speciale bevoegdheid ten opzichte van
                            artikel 172 Gemeentewet.</al></li><li nr=""><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident
                            met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het
                            opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van
                            beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179,
                            JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke
                        dieren</onderstreept></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt.
                    Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare
                    gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor
                    de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te
                    wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade
                    voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing
                    die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens
                    wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora- en Faunawet, waarin regels
                    worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                            gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die
                            geluidsoverlast veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd.
                            ARRS 26 02-1991, Gst. 1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J.
                            Rogier.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden.
                            Vz.ARRS 02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het
                            college gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09
                            04 1992, JG 92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583
                            m.nt RMvM, TMR 1994, 9 m.nt. RJdH.</al></li><li nr=""><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22
                            12 1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                            Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996,
                            60.</al></li><li nr=""><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden
                            terecht. Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht
                            en proces-verbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing.
                            ABRS 03-07-1999, JG 99.0003 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al></li><li nr=""><al>Artikel 2.4.20 (oud, nu 2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64, bijen) kunnen in
                            sommige situaties beide worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud) fungeert
                            niet als lex specialis ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS
                            02-06-1997, JG 99.0005 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al></li><li nr=""><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag
                            bieden voor de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0025.jsp"> JG 02.0025, art. 2-4-20-, art. 4-1-7b- </extref>m.nt. M.
                            Geertsema.</al></li><li nr=""><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                            Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b APV). Ernstige
                            geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht
                            bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk
                            bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de buurman
                            kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor
                            heeft. Bij de besluitvorming is terecht rekening gehouden met het feit
                            dat de eiser in het buitengebied woont en het gekwaak van kikkers tot
                            gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb. ´s-Hertogenbosch, nr.AWB
                            99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783. </al></li><li nr=""><al>Besluit van het college van Tiel waarbij een verzoek om op grond van de
                            APV handhavend op te treden, is afgewezen. Beginselplicht tot
                            handhaving. Ingeval een derde verzoekt om tegen een beweerdelijke
                            overtreding op te treden, dient het bestuursorgaan te onderzoeken of zij
                            daartoe bevoegd is. De omstandigheid dat verweerder over beperkte
                            middelen beschikt om toezicht te houden en om tegen overtredingen op te
                            treden, kan aanleiding zijn tot een prioritering in de afhandeling van
                            de verzoeken. Dit is echter geen bijzondere omstandigheid om geheel van
                            handhavend optreden af te zien ingeval een derde daarom om heeft
                            verzocht, laat staan dat deze omstandigheid het achterwege laten van een
                            feitelijk onderzoek naar de vraag of sprake is van een overtreding zou
                            kunnen rechtvaardigen. De Rb. Overweegt dat zoals ook in het
                            verweerschrift naar voren is gebracht, in dit geval, waarin hanen in een
                            intensief bebouwde omgeving worden gehouden, niet op voorhand kan worden
                            uitgesloten dat sprake is van hinder als bedoeld in art. 4.1.6.c van de
                            APV 2009. (Rb Arnhem, zaaknummer: AWB 10/801; datum uitspraak:
                            03-08-2010 LJN: BN4417).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:60 Loslopend vee</onderstreept></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:56. Ten
                    slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al><onderstreept>Artikel 2:61 Bedelarij</onderstreept></al><al>Met name in het stadscentrum en bij winkels wordt soms overlast ondervonden van
                    bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te
                    klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de
                    openbare orde in het geding. Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij
                    uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de
                    politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de
                    strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid
                    opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling
                    terzake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde
                    verstoort of dreigt te verstoren. Op grond van dit artikel kan het college
                    gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van
                    het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het
                    dus een verbod instellen.</al><al/><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:4. [straatartiest]. Ook de verkoop van
                    daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden
                    worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als
                    bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</al><al><onderstreept>Artikel 2:61a Mosquito</onderstreept></al><al>Voor het gebruik van de mosquito bestaat geen grondslag in de formele wet.
                    Daarom bevat artikel 2:61a een wettelijke grondslag voor de inzet van de
                    mosquito. Sinds 2008 wordt in Vlissingen gebruik gemaakt van de inzet van dit
                    apparaat. Een mosquito veroorzaakt een hoge pieptoon die alleen hinderlijk voor
                    jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is. Dit apparaat wordt
                    gebruikt ter bestrijding van overlast door hangjongeren. Het gebruik van de
                    mosquito is effectief, maar niet onomstreden. Hoewel uit onderzoek van onder
                    meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik geen gezondheidsschade
                    oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder geval de bewegingsvrijheid van
                    jongeren beperkt, die wordt beschermd door artikel 2, vierde protocol Europees
                    Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). De mosquito wordt ingezet als middel
                    bij de feitelijke handhaving van de openbare orde. Dat wil zeggen dat het
                    apparaatje wordt opgehangen op plaatsen waar hangjongeren overlast veroorzaken.
                    Door het hinderlijke geluid zullen jongeren zich doorgaans binnen enkele minuten
                    verwijderen. </al><al/><al><cursief>Zorgvuldige voorbereiding essentieel</cursief></al><al>De mosquito is een ultimum remedium dat alleen wordt gebruikt als andere
                    manieren om de overlast te bestrijden zijn geprobeerd, maar geen resultaat
                    hebben gehad. In artikel 2:61a zijn de volgende waarborgen opgenomen:</al><lijst><li nr="1."><al>Bekendmaken aanwezigheid: met borden kan worden bekendgemaakt dat ergens
                            een mosquito is aangebracht. Zo worden toevallige passanten op de hoogte
                            gebracht en mogelijk wordt een preventief effect bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Niet vaker geluid dan nodig: met de huidige techniek hoeft een mosquito
                            niet 24 uur per dag aan te staan. Dat kan worden beperkt tot die
                            momenten dat gezien de ervaring van het verleden overlast kan worden
                            verwacht.</al></li><li nr="3."><al>Beperkte periode: een mosquito wordt niet voor altijd aangebracht maar
                            per definitie voor een beperkte periode. Gedacht kan worden aan zes
                            maanden. Iedere verlenging is een bewust besluit op basis van een
                            evaluatie van de overlast.</al></li></lijst><al/><al>Het college heeft op 8 juli 2008 uitvoeringsregels vastgesteld voor de inzet van
                    mosquito’s.</al><al>Ook moet bij de voorbereiding van een besluit om een mosquito aan te brengen met
                    een aantal zaken rekening worden gehouden. Een mosquito moet bijvoorbeeld niet
                    wordt aangebracht op plaatsen waar hinder kan ontstaan voor mensen die daar
                    langere tijd noodgedwongen verblijven, zoals bij woningen, kantoren, scholen of
                    wachtruimten. Ook moet rekening worden gehouden met de Wet openbare
                    manifestaties (WOM): een mosquito mag geen hinder opleveren voor openbare
                    bijeenkomsten als bedoeld in de WOM. Ook de Zondagswet is van belang: een
                    mosquito mag geen hinder opleveren voor een godsdienstoefening. </al><al><vet>AFDELING 12. VUURWERK</vet></al><al><onderstreept>Artikel 2:62 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit strekt tot
                    integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
                    waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor professioneel
                    vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het
                    Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of
                    assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk
                    te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De
                    regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van
                    artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het Vuurwerkbesluit
                    kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De
                    regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.</al><al/><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. eerste lid). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al/><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><al>a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al><al>b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of
                    besteld door een particulier;</al><al>c. het aangetroffen wordt bij een particulier;</al><al>d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt
                    gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen
                    of</al><al>e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr=""><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al></li><li nr=""><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is;</al></li><li nr=""><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al/><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</cursief></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 eerste lid);</al></li><li nr=""><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2, tweede lid);</al></li><li nr=""><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr=""><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al/><al>De vuurwerkbepalingen van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en
                    zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al><onderstreept>Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                        tijdens de verkoopdagen </onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Op basis van artikel 2:63 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van
                    de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de APV zijn twee
                    artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning voor
                    onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij
                    elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor meer informatie de
                    toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al/><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4
                    en het commentaar daarbij.</al><al/><al>De verkoopvergunning wordt gebruikt om, naast het uitsluiten via het
                    bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel
                    milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid
                    open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en
                    meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente. </al><al/><al>Het verdient de aanbeveling om voor de verkoop van consumentenvuurwerk
                    beleidsregels vast te stellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op
                    dwingende redenen van algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale
                    situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden
                    opgenomen:</al><lijst><li nr=""><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                            bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over
                            kernen;</al></li><li nr=""><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                            centrum(gebied);</al></li><li nr=""><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al></li><li nr=""><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                            bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels,
                            tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz.</al></li></lijst><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst.</al><al/><al><cursief>Koopzondag</cursief></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Geen beleid voor het toewijzen van de vergunning voor verkoop van
                            vuurwerk bij een gelimiteerd aantal verkoopplaatsen. Vz. ARRvS
                            17-12-1993, JG 94.0330 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 599. </al></li><li nr=""><al>Intrekking vergunning in verband met verkoop aan personen onder de
                            zestien jaar. Onzorgvuldige besluitvorming want betrokkene is niet
                            gehoord. Pres. Rb. Den Haag 30-12-1994, KG 1995, 119. </al></li><li nr=""><al>Het beleid om het aantal verkooppunten te relateren aan het aantal
                            inwoners is niet onredelijk. ABRS 28-11-1996, JG 97.0082 </al></li><li nr=""><al>Voorlopige voorziening. Op grond van de desbetreffende APV-bepaling kan
                            de vergunning worden geweigerd indien een persoon verbonden aan de
                            inrichting binnen de laatste drieënhalf jaar een overtreding heeft
                            begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het
                            vervoer, opslag en/of verkoop van vuurwerk. Overtreding van het (oude)
                            Besluit opslag vuurwerk milieubeheer is een weigeringsgrond voor de
                            verlening van de verkoopvergunning. Geen grond voor het oordeel dat de
                            gemeente niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen
                            komen. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Rb. Den Haag
                            19-12-2001, AWB 01/4183 BESLU. Voorlopige voorziening. Weigering van de
                            verkoopvergunning is geen onevenredig zware maatregel. Aantreffen van
                            illegaal vuurwerk bij eerdere controle en schending van daarover
                            gemaakte afspraken door de vergunningaanvrager. Op advies van de politie
                            weigering van de verkoopvergunning in het belang van de openbare orde.
                            Rb. Leeuwarden 09-12-2002, 02/1252 BESLU, LJN-nr. AF2139. </al></li><li nr=""><al>Voorlopige voorziening. Weigering van de verkoopvergunning. Gemeente had
                            de verkoopvergunning in redelijkheid niet mogen weigeren. De
                            persoonlijke omstandigheden van een derde, die een deel van zijn
                            boerderij heeft verhuurd aan de aanvrager van een verkoopvergunning,
                            zijn niet zodanig dat van de verkoop van consumentenvuurwerk door
                            aanvrager (en huurder) een gevaar voor de openbare orde dan wel overlast
                            valt te verwachten. Derde (verhuurder) verkocht voorheen zelf vuurwerk
                            vanuit het pand, maar speelt nu geen enkele rol bij de feitelijke
                            verkoop van vuurwerk, heeft geen zeggenschap over het verhuurde deel
                            gedurende de verkoopdagen, buiten de verkooptijden bevindt zich geen
                            vuurwerk in het pand en verhuurde deel is afsluitbaar van het
                            woongedeelte. Rb. Leeuwarden 24-12-2002, 02/1382 BESLU &amp; 02/1383
                            BESLU, 24-12-2002, LJN-nr. AF2563. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:64 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</onderstreept></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk
                    altijd verboden is.</al><al/><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00
                            en 22.00 uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op
                            een bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties,
                            aanzuigende werking van de voorgenomen demonstraties op het daarin
                            geïnteresseerde publiek, directe nabijheid van een grootschalige
                            vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer tussen verzoekers en van
                            omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van brandstoffen, feit
                            van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk leidt tot het afsteken
                            van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt. Afsteekverbod
                            kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133 GEMWT,
                            LJN-nr. AD7648.</al></li></lijst><al><vet>AFDELING 13. DRUGSOVERLAST</vet><onderstreept>Artikel 2:65
                        Drugshandel op straat</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet.
                    Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en
                    van strafbare feiten tot doel heeft.</al><al/><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Artikel 2:65 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs. In dit artikel
                    zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”)
                    strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en
                    concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen
                    van transacties enz.</al><al/><al>De gemeente Vlissingen heeft (in stadsgewestelijk verband samen met Middelburg)
                    een coffeeshopbeleid (inzake de verkoop van softdrugs) vastgesteld. Onderdeel
                    van een coffeeshopbeleid - ongeacht de vraag of er in een gemeente al dan niet
                    coffeeshops worden toegestaan - moet zijn dat de handel op straat wordt
                    bestreden. Dergelijke handel is immers een gevaar voor de beoogde scheiding van
                    de hard- en softdrugmarkten.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg
                            in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en
                            strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere
                            gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ
                            1993, 409, JG 94.0005 m.nt. A.B. Engberts.</al></li></lijst><al><vet>AFDELING 14. BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                        CAMERATOEZICHT OP OPENBARE
                        PLAATSEN</vet><onderstreept>Artikel 2:66 Bestuurlijke
                        ophouding</onderstreept></al><al>Artikel 2:66 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                    Gemeentewet Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal twaalf uur op
                    te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de
                    plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen
                    moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal,
                    uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2:66 voorziet hierin.</al><al/><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al/><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><al/><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. De APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is echter niet
                    noodzakelijk om alle bepalingen uit de APV die in aanmerking komen, aan te
                    wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving de mogelijkheid
                    van bestuurlijke ophouding biedt. Welke bepalingen aangewezen zullen moeten
                    worden in artikel 2:66, zal afhangen van de lokale situatie waarbij eerdere
                    ervaringen met grootschalige openbare-ordeverstoringen als leidraad kunnen
                    dienen.</al><al/><al>De volgende bepalingen kunnen relevant zijn:</al><lijst><li nr=""><al>artikel 2:1 (samenscholingsverbod);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:2 (verzamelingsverbod en gebiedsontzegging)</al></li><li nr=""><al>artikel 2:5 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:6 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:8 (voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt) </al></li><li nr=""><al>artikel 2:11 (openen straatkolken en dergelijke);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:50 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:51 (verboden drank- en softdrugsgebruik);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:52 (verboden gedrag in of bij gebouwen);</al></li><li nr=""><al>artikel 2:53 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                            ruimten)</al></li><li nr=""><al>artikel 2:64 (bezigen van vuurwerk) én</al></li><li nr=""><al>artikel 5:39 (verbod om afvalstoffen te verbranden).</al></li></lijst><al>Verondersteld mag worden dat bepalingen als artikel 2:18 (ordeverstoring bij
                    evenementen) en 2:30 (ordeverstoring in een horecabedrijf) onvoldoende specifiek
                    zijn om te worden aangewezen. Deze bepalingen zouden hiertoe aangepast moeten
                    worden. Uiteraard kunnen ook andere - nieuw op te nemen - bepalingen worden
                    aangewezen. Uit ervaringsgegevens kan blijken dat hiernaast behoefte bestaat aan
                    andere specifieke voorschriften in de APV of een specifieke verordening.</al><al><onderstreept>Artikel 2:67 Veiligheidsrisicogebieden</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr=""><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr=""><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr=""><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr=""><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr=""><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr=""><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr=""><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene
                            (regelmatige bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is
                            belanghebbende bij het besluit van de burgemeester tot het aanwijzen van
                            een veiligheidsrisicogebied op grond van artikel 151b Gemeentewet.
                            Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr. AP5618, onterecht
                            geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het
                            aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). De
                            aanwijzing van de burgemeester markeert de ruimte waarbinnen van de
                            bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt. Dat tot daadwerkelijk
                            uitoefening van de bevoegdheden pas kan worden overgegaan nadat de
                            officier van justitie daartoe een bevel heeft gegeven, doet er niet aan
                            af dat de betrokkene door het aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn
                            belang is getroffen.</al></li><li nr=""><al>Belanghebbende bij aanwijzingsbesluit veiligheidsrisicogebied: Het
                            aanwijzingsbesluit, dat van kracht was in de periode van 10 januari 2003
                            tot 30 juni 2003 op de vrijdag- en zaterdagavonden van 23.00 tot 06.00
                            uur, ziet op het centrumgebied van Den Helder. Ingevolge dit besluit is
                            de officier van justitie – binnen de aangegeven werkingssfeer van de
                            aanwijzing – bevoegd om in dat gebied preventieve fouillering te
                            gelasten. Appellante woont of werkt niet in het aangewezen gebied, noch
                            exploiteert zij daar een bedrijf. Ook anderszins is zij niet genoopt
                            daar duurzaam op gezette tijden te verblijven. Evenmin is zij
                            gerechtigde ten aanzien van onroerend goed in het gebied. Derhalve is de
                            Afdeling van oordeel dat appellante geen bijzonder individueel belang
                            heeft bij het aanwijzingsbesluit. Dat zij, zoals zij stelt, al jarenlang
                            in Den Helder woont en gewend was in het aangewezen gebied uit te gaan
                            en vrienden en familie te bezoeken, is ontoereikend voor het oordeel dat
                            zij zich in voldoende mate van anderen onderscheidt, gelet ook op de
                            dagen en tijdstippen waarop de aanwijzing van kracht was. Appellante
                            heeft dan ook geen persoonlijk, van andere net onderscheiden belang bij
                            het aanwijzingsbesluit. Mitsdien moet met de rechtbank worden geoordeeld
                            dat appellante niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin
                            van artikel 1:2, eerste lid, Awb. (ABRS 9 maart 2005, AB 2005,
                            251).</al></li><li nr=""><al>Mede in aanmerking genomen de ingrijpendheid van een fouillering als
                            waarvan hier sprake is en de inbreuk die deze maakt op het recht op
                            vrijheid van een ieder en op het recht op eerbiediging van ieders
                            persoonlijke levenssfeer, gezien voorts de bewoordingen alsmede zin en
                            strekking van artikel 151b, eerste lid, Gemeentewet en in aanmerking
                            genomen dat vanwege de inbreuk die een fouillering als de onderhavige
                            maakt op bedoelde rechten restrictieve uitleg van het bepaalde in dat
                            artikel geboden is, moet er van worden uitgegaan dat de in artikel 151b,
                            eerste lid, Gemeentewet neergelegde bevoegdheid slechts binnen strikte
                            grenzen op grond van een deugdelijke motivering kan worden uitgeoefend.
                            Blijkens de voormelde feiten voldoen de besluiten van de burgemeester
                            van Amsterdam en ook dat van 26 juni 2003 daaraan niet. Vastgesteld moet
                            worden dat sprake is van een zowel naar de tijd als naar gebied genomen
                            zeer ruime aanwijzing. Mede gezoen de daartoe in ernstige mate
                            tekortschietende motivering, voldoen die besluiten geenszins aan de in
                            lid 3 van artikel 151b Gemeentewet gestelde eisen, onderscheidenlijk is
                            daarop het bepaalde in lid 6 van artikel 151b Gemeentewet ten onrechte
                            niet toegepast. De conclusie daarvan is dat die besluiten en derhalve
                            ook, althans in ieder geval dat van 26 juni 2003 onbevoegd is genomen en
                            dus rechtskracht ontbeert. Gevolg daarvan is dat reeds daarom het
                            genoemde bevel van de officier van justitie van 18 februari 2004
                            rechtskracht ontbeert. (Hof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, 23
                            september 2005, nr. 23.645.05 - AB 2006, 30).</al></li><li nr=""><al>Een inwoner van een gebied dat door de burgemeester (van Utrecht) is
                            aangewezen als veiligheidsrisicogebied, waar preventief kan worden
                            gefouilleerd, is aan te merken als belanghebbende. De burgemeester komt
                            bij het uitvaardigen van een aanwijzingsbesluit een ruime
                            beoordelingsmarge toe. Het besluit moet volgens de Afdeling marginaal
                            worden getoetst. (ABRS 9 november 2005, nr. 200503854/1, Gemeentestem
                            7244, 15 en AB 2006, nr. 90).</al></li><li nr=""><al>HR (Strafkamer) 20 februari 2007, nr. 00225/06: aanwijzing
                            veiligheidsrisicogebied, preventief fouilleren: bij een strafrechtelijke
                            vervolging ter zake van artikel 184 Sr dient de rechter te onderzoeken
                            of het in de tenlastelegging genoemde wettelijke voorschrift verbindend
                            is en of het daarop gegronde bevel rechtmatig is gegeven. Het gaat
                            immers om bestanddelen van het in artikel 184 Sr opgenomen misdrijf. Tot
                            het geheel van wettelijke voorschriften dat op het onderhavige bevel van
                            toepassing is, dient niet alleen artikel 52, derde lid WWM, maar ook
                            artikel 151b Gemeentewet en de op die bepaling gebaseerde verordening
                            van de raad van de gemeente te worden gerekend. (AB 2007, 259)</al></li><li nr=""><al>De burgemeester komt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar
                            uitspraak van 9 november 2005 in zaak nr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=12033">200503854/1</extref>, bij het nemen van een aanwijzingsbesluit een
                            ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan hem om, na overleg met de
                            officier van justitie in het zogenoemde driehoeksoverleg als bedoeld in
                            artikel 14 van de Politiewet 1993, te beoordelen of verstoring van de
                            openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan, aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied
                            rechtvaardigt, en om daarbij alle verschillende bij het nemen van een
                            dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen, waaronder
                            enerzijds het belang van handhaving van de openbare orde en anderzijds
                            het recht van een ieder op eerbiediging van zijn privé leven. De duur
                            van de aanwijzing dient niet langer, en de omvang van het gebied niet
                            groter te zijn dan noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
                            De door de burgemeester gemaakte keuzen dienen deugdelijk te zijn
                            gemotiveerd en proportioneel te zijn met de dreigende schending van het
                            privé leven van een ieder in het aangewezen gebied. Voorts zal de
                            rechter, zoals de Afdeling in dezelfde uitspraak heeft overwogen, zich
                            bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend moeten
                            opstellen en zal hij slechts kunnen toetsen of het besluit strijdig is
                            met wettelijke voorschriften, of de burgemeester in redelijkheid heeft
                            kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met (ernstige vrees
                            voor) verstoring van de openbare orde noodzakelijk was, en of de
                            burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot
                            de aanwijzing heeft kunnen komen. De bevoegdheid van de burgemeester in
                            artikel 151b van de Gw om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen is
                            onderscheiden van de bevoegdheid van de officier van justitie om in dat
                            gebied een preventief onderzoek op wapens te gelasten. Deze
                            bevelsbevoegdheid van de officier van justitie is bepaald in het derde
                            lid van de artikelen 50, 51 en 52 van de Wwm. Aangezien het begrip
                            wapens in deze artikelen van de Wwm overeenkomstig de in artikel 2 van
                            de Wwm opgenomen definitiebepaling dient te worden geïnterpreteerd en de
                            artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wwm
                            naar artikel151b, eerste lid, van de Gw verwijzen, heeft de rechtbank
                            terecht geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat
                            de wapens waarop artikel 151b van de Gw ziet, de wapens zijn zoals
                            genoemd in artikel 2 van de Wwm en dat de kring van wapens in de zin van
                            deze bepaling niet uitsluitend vuurwapens omvat, maar ook veel andere
                            voorwerpen. Niet kan worden uitgesloten dat de door het
                            aanwijzingsbesluit geschapen mogelijkheid om een ieder te fouilleren
                            heeft bijgedragen aan een vermindering van het verboden wapenbezit. De
                            rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat uit de omstandigheid dat
                            bij fouilleeracties geen aanzienlijke hoeveelheid verboden wapens is
                            aangetroffen niet zonder meer kan worden opgemaakt dat het
                            aanwijzingsbesluit niet leidt tot het daarmee beoogde resultaat. Voorts
                            heeft de burgemeester in het aanwijzingsbesluit cijfermatig gemotiveerd
                            dat in het betrokken gebied een groot aantal wapenincidenten heeft
                            plaatsgevonden. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de
                            burgemeester op grond van deze gegevens zich in redelijkheid op het
                            standpunt heeft kunnen stellen dat nog altijd sprake is van een
                            dreigende verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                            wapens. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank eraan voorbij is
                            gegaan dat de burgemeester ten onrechte in de cijfermatige toelichting
                            geen onderscheid heeft gemaakt tussen wapens met en wapens zonder
                            munitie faalt, omdat een dergelijk onderscheid in het licht van de
                            reikwijdte van de term wapens in artikel 151b van de Gw niet van belang
                            is. De grond dat is gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft
                            [appellant] in de procedure bij de rechtbank niet naar voren gebracht.
                            Ook in zijn hogerberoepschrift noch tot tien dagen voor de zitting, de
                            termijn waarbinnen nog nadere stukken kunnen worden ingediend, heeft
                            [appellant] deze grond aangevoerd. Vervolgens heeft hij zich ter zitting
                            in hoger beroep op het standpunt gesteld dat is gehandeld in strijd met
                            artikel 8 van het EVRM. Nu niet valt in te zien waarom [appellant] deze
                            grond niet al eerder in de rechterlijke procedure naar voren had kunnen
                            brengen, zal de Afdeling deze wegens strijd met de goede procesorde niet
                            in haar oordeel betrekken. ABRS, 27-10-2010, 201003290/1/H3; LJN: BO1869
                        </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare
                    plaatsen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al/><al>De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende
                    varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><lijst><li nr=""><al>De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                            cameratoezicht toe te passen.</al></li><li nr=""><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag
                            besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen,
                            bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</al></li><li nr=""><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de
                            bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen.</al></li></lijst><al/><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het
                    kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of
                    verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als
                    belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n
                    pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n
                    pand zijn.</al><al/><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen
                    beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
                    Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten
                    efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van
                    cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.</al><al/><al><cursief>Openbare plaats</cursief></al><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen “waar men komt en gaat”. In eerste instantie gaat het hierbij om “de
                    straat” of “de weg” in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder
                    vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het “verlengde” van
                    de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                    vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen
                    en vliegvelden.</al><al/><al>Artikel 2 Wom bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is van een
                    openbare plaats:</al><al>1. Vereist is dat de plaats “openstaat voor het publiek”. Dat wil zeggen volgens
                    de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16) zeggen dat
                    eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het
                    verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden
                    mag zijn (…). Dat de plaats “openstaat” betekent voorts dat geen beletselen in
                    de vorm van een meldingsplicht, de eis van een voorafgaand verlof of de heffing
                    van een toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats. Op grond van het
                    vorenstaande kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen,
                    parkeerterreinen, musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als “openbare
                    plaatsen” worden aangemerkt.</al><al>2. Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast
                    gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de gerechtigde of uit
                    de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de plaats. Een openbare plaats
                    krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt
                    gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke
                    toestand gedoogt, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3,
                    p. 16). Een incidentele openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt
                    de plaats nog niet tot een openbare plaats in de zin van de Wom.</al><al/><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn bestemd
                    voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het begrip
                    openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c Gemeentewet
                    niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in kerken, moskeeën en
                    dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het kader van dit artikel,
                    toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien echter
                    beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of plein) waaraan
                    bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat het exterieur van
                    die kerk in beeld komt.</al><al/><al><cursief>Particulier eigendom</cursief></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen,
                    stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien
                    gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals
                    bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van
                    particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren
                    uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel
                    151c Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Vaste camera’s</cursief></al><al>Artikel 151c, eerste lid, Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen
                    van vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde.
                    Met het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn
                    bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de gevels of dakranden
                    van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het begrip vast (statisch)
                    wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergegeven. Het
                    gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek
                    en de grote van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld (pendelen/in-
                    en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor interactieve toepassingen, zoals
                    het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op
                    hun gedrag toe te spreken.</al><al/><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend
                    op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door
                    de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig
                    en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige
                    ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding
                    bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van
                    de Politiewet 1993.</al><al/><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit</cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al/><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c, eerste lid,
                    Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na
                    het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken noodzaak,
                    worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing te
                    koppelen aan een evaluatie.</al><al/><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c, vierde lid, Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                    camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld
                    van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied
                    betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het
                    kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden
                    vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden
                    gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat
                    in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze
                    mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet
                    in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte
                    moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.</al><al/><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld. De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete
                    van € 4.500.</al><al/><al><cursief>Overgangstermijn</cursief></al><al>Lopende cameraprojecten moeten worden aangepast aan het nieuwe wettelijke kader.
                    De wetgever heeft voor bestaande projecten een overgangstermijn vastgesteld van
                    één jaar. Deze overgangstermijn gaat lopen op het tijdstip van inwerkingtreding
                    van de wet. Om onder de werking van de overgangstermijn te vallen, dienen de
                    camera’s op het moment van inwerkingtreding van artikel 151c Gemeentewet reeds
                    geplaatst te zijn. Dat heeft consequenties voor:</al><lijst><li nr=""><al>de uitvoering conform de regeling;</al></li><li nr=""><al>het formaliseren van de wettelijke grondslag voor cameratoezicht.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c, achtste lid, Gemeentewet worden nadere regels gesteld
                    om de goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze regels hebben
                    betrekking op:</al><lijst><li nr=""><al>de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het
                            toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze
                            hulpmiddelen worden aangebracht;</al></li><li nr=""><al>de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering
                            van het toezicht;</al></li><li nr=""><al>de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht
                            vastgelegde beelden plaatsvindt.</al></li></lijst><al>In het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen wordt een
                    certificatieregeling in het leven geroepen. Het toetsingskader zijn de
                    beoordelingsrichtlijnen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en
                    Veiligheid (CCV). Er bestaat een richtlijn voor het ontwerp van het
                    camerasysteem en een richtlijn voor de toezichtcentrale. Door certificering
                    wordt de kwaliteit, en daarmee de betrouwbaarheid van het cameratoezicht
                    gewaarborgd. De beoordelingsrichtlijnen zijn verkrijgbaar op:
                    www.hetccv.nl.</al><al>Voor nadere informatie over de invoering van cameratoezicht in de zin van
                    artikel 151c Gemeentewet wordt verwezen naar de handreiking cameratoezicht van
                    het CCV. Deze bevat naast een uiteenzetting van het wettelijk kader ook meer
                    praktische informatie om op een zorgvuldige, weloverwogen wijze (al dan niet)
                    over te gaan tot cameratoezicht. De handreiking is eveneens te vinden op
                    www.hetccv.nl</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, Gemeentewet de
                    bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek
                    toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte
                    van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die
                    vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats
                    uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen
                    inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde
                    dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van
                    de openbare orde.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Rb. Zwolle, 15-08-2011, Awb 11/453 burgemeester van Almere, verweerder.
                            Awb 1:2 Gemeentewet 151c eerste lid; belanghebbende. Aanwijzing van
                            gebied waar vaste camera’s worden geplaatst. Wil men als belanghebbende
                            worden aangemerkt, dan moet het bij het besluit betrokken belang iets
                            zijn waardoor men zich onderscheidt van willekeurige anderen. Dit kunnen
                            zijn de eigenaren van panden gelegen in het gebied waar de camera’s
                            worden geplaatst en degenen die in zo’n pand wonen of werken of
                            anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn. In de uitspraak van
                            de ABRS van 9 maart 2005 inzake no. 200406652/1 (LJN: AS9248) wordt nog
                            toegevoegd zij, die genoopt zijn duurzaam op gezette tijden te
                            verblijven. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser woont of werkt of
                            anderszins duurzaam dient te verblijven in het gebied waar het
                            plaatsingsbesluit op ziet, is eiser geen belanghebbende.</al></li></lijst><al/><al><vet>AFDELING 15. INTERNETCAFES EN BELHUIZEN</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:69 Begripsomschrijvingen internetcafé en
                        belhuis</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Internetcafés en belhuizen die uitsluitend internet-/telefoonverbindingen
                    beschikbaar stellen zijn geen winkels. Artikel 1 van de Winkeltijdenwet verstaat
                    onder winkel: 'een voor het publiek toegankelijke ruimte, waarin goederen aan
                    particulieren plegen te worden verkocht'. Ook al bedraagt de verkoop slechts 1%
                    van de omzet van het bedrijf, dan is sprake van een winkel. Bij 'plegen te
                    worden verkocht' gaat het om feitelijk handelen. Bij de vaststelling of er
                    sprake is van een winkel is dus van belang wat de feitelijke activiteiten zijn.
                    Met 'goederen' worden overigens alleen roerende stoffelijke zaken bedoeld. De
                    aanwezigheid van een koffie-, fris- of snoepautomaat maakt dit niet anders omdat
                    een automaat geen winkel is. Vermogensrechten en diensten vallen daar niet
                    onder. Bij verkoop van goederen, zoals bijv. mobiele telefoons, telefoonkaarten
                    e.d. valt een belhuis wel onder de Winkeltijdenwet. </al><al>Bij belhuizen valt te denken aan Phone Home (Scheldestraat 14). Bij de laatste
                    kan ook worden geïnternet. Van winkels waar ook goedkope telefoonkaarten worden
                    verkocht zoals bij groentenhandel Mevlana Market (Scheldestraat 41b) is dit
                    minder duidelijk. Maar ook is er een internetcafé in bibliotheek 't Spui. </al><al/><al>Belhuizen zijn niet onderworpen aan een vergunningenstelsel of anderszins onder
                    specifiek toezicht van de gemeente. De vestiging van internetcafés en belhuizen
                    is niet aan andere regels gebonden dan alleen die van het bestemmingsplan.
                    Internetcafés en belhuizen zijn verleners van diensten en vallen dus buiten de
                    werking van de Winkeltijdenwet. Aan de openingstijden ingevolge de
                    Winkeltijdenwet liggen sociaal-economische motieven ten grondslag. Afdeling 15
                    van de APV heeft echter een ander motief dan de Winkeltijdenwet, namelijk het
                    handhaven van de openbare orde en bevorderen van een rustig woon- en
                    leefklimaat.</al><al/><al>Een belhuis is, in essentie, een zaak waar een aantal telefoonlijnen beschikbaar
                    is voor gebruik door het publiek en waar meestal ook telefoonkaarten met
                    beltegoed worden verkocht. Vaak zijn de telefoons geplaatst in cabines waar men
                    ongestoord kan bellen. Soms gaat het om één of tweelijnen in een buurtwinkel die
                    voor klanten ter beschikking worden gesteld. Belhuizen worden meestal gekenmerkt
                    door een sterk etnische oriëntatie, aldus het onderzoek van Van Traa in
                    Amsterdam. Hoe werkt het? </al><lijst><li nr="1."><al>Groothandelaren in telefoonkaarten kopen belminuten in bij een
                            leverancier van belminuten, een zogeheten carrier, bijv. KPN, Essent of
                            Worldcom. De groothandelaar maakt belkaarten met een bepaald beltegoed -
                            zogeheten prepaid-telefoonkaarten, ook wel scratchkaarten genoemd,
                            vanwege de methode om de toegangscode te voorschijn te krabben
                            (scratchen) - en brengt deze op de markt. </al></li><li nr="2."><al>Belhuizen kopen de kaarten met beltegoed in bij de groothandel (soms via
                            een tussenhandelaar) en verkopen deze door aan hun klanten.</al></li></lijst><al/><al>Omdat belhuizen niet onder toezicht van de gemeente staan is er geen overzicht
                    van alle belhuizen in Vlissingen waar zo gebruik van kan worden gemaakt. Hoeveel
                    belhuizen er precies zijn is dan ook niet met zekerheid te zeggen. Sommige
                    belhuizen zijn als zodanig niet bekend bij het handelsregister van de Kamer van
                    Koophandel, bijvoorbeeld omdat de belactiviteiten onderdeel zijn van een bredere
                    bedrijfsvoering, zoals een wasserij, kruideniersbedrijf of slagerij. Ook zijn
                    gemengde bedrijven vaak van buiten moeilijk of niet als belhuis herkenbaar. Er
                    treden bovendien veel mutaties op de branche. Belhuizen komen en gaan. De
                    conclusie uit het onderzoek van Van Traa is dat de belhuisbranche gevoelig is
                    voor (verwevenheid met of infiltratie door) criminaliteit. Te denken valt aan
                    belastingontduiking, illegaal personeel, telecomfraude en hawala (informele
                    moneytransfers).</al><al/><al>De laagdrempeligheid van belhuizen draagt er aan bij dat het woon- en
                    leefklimaat in de betreffende straten achteruit gaat. Dat komt enerzijds door de
                    uitstraling van het belhuis zelf, anderzijds door het publiek dat er op af komt.
                    Dikwijls jongeren die zich in groepen in de directe omgeving van een dergelijke
                    vestiging ophouden en te vaak door buurtbewoners en publiek als bedreigend
                    worden ervaren. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:70 Sluitingstijden internetcafé en
                        belhuis</onderstreept></al><al>Uit een oogpunt van helderheid voor het publiek en handhaving is gekozen voor
                    aansluiting bij artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet in die zin, dat
                    voor internetcafés en belhuizen dezelfde openingstijden gelden als voor winkels.
                    De verwachting is dat dit met name in de periode van 24.00 tot 06.00 uur
                    daaropvolgend zal leiden tot een positief effect op het woon- en leefklimaat in
                    de nabije omgeving van deze bedrijven. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:71 Tijdelijk andere sluitingstijden</onderstreept></al><al>Voor internetcafés en belhuizen geldt het regime van sluitingstijden, dat ook
                    geldt voor winkels. Als bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken kan de
                    burgemeester op basis van dit artikel, in het belang van de openbare orde,
                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, tijdelijk afwijkende sluitingstijden
                    vaststellen. Dat kan hij voor zowel één afzonderlijke inrichting als voor
                    meerdere inrichtingen tegelijkertijd doen. Wanneer van dergelijke omstandigheden
                    sprake is wordt aan het oordeel van de burgemeester overgelaten. Uiteindelijk
                    staat de rechtmatigheid daarvan aan het oordeel van de rechter. Er hoeft in
                    ieder geval nog geen sprake te zijn van zodanige verstoring van de openbare
                    orde, of dreiging daarvan, dat de burgemeester zijn noodbevoegdheden op basis
                    van de Gemeentewet kan inzetten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:72 Aanwezigheid in gesloten internetcafé en
                        belhuis</onderstreept></al><al>Indien een internetcafé of belhuis is gesloten mogen zich daarin geen bezoekers
                    bevinden. Dit om te voorkomen dat het bedrijf achter gesloten deuren nog gewoon
                    verder draait. Het eerste lid richt zich tot de bezoekers met een verbod om zich
                    in een gesloten bedrijf te bevinden. Het tweede lid richt zich op de exploitant
                    met een verbod om bezoekers toe te laten of te laten verblijven. Beiden zijn in
                    overtreding. Het is daarbij niet relevant of het bedrijf is gesloten op basis
                    van de reguliere sluitingstijden dan wel op basis van afwijkende sluitingstijden
                    en sluiting krachtens artikel 2:71.</al><al/><al><vet>AFDELING 16. CARBIDSCHIETEN</vet></al><al/><al>In het noorden en oosten van het land is carbidschieten met melkbussen een
                    jarenlage traditie. Deze traditie dreigt echter uit de hand te lopen nu op
                    diverse plaatsen wordt gesignaleerd dat de traditionele melkbus wordt vervangen
                    door steeds grotere bussen en tanks. De filmpjes daarvan staan op youtube.
                    Carbidschieten is op zichzelf al niet zonder risico’s, maar bij de genoemde
                    ontwikkelingen dreigen risico’s en overlast een onaanvaardbare omvang te
                    krijgen. Er is een handhavingsprobleem omdat er geen landelijk verbod c.q. een
                    landelijke regeling is voor carbidschieten. Het carbidschieten valt namelijk
                    niet onder het Vuurwerkbesluit, waardoor de bepalingen daarvan niet van
                    toepassing zijn. Handhaving van carbidschieten is op dit moment lastig omdat
                    moet worden teruggevallen op de artikelen 157 of 158 van het Wetboek van
                    Strafrecht, die niet echt zijn toegesneden op de problematiek van het
                    carbidschieten. De artikelen 2:73 tot en met 2:78 voorzien daarin. </al><al><vet>Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                    e.d.</vet></al><al><cursief><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>1. Verordenende bevoegdheid van gemeenten</cursief></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al/><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar – voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al/><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Toch mogen deze vergunningsvoorschriften
                    - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag - niet zo ver strekken dat
                    de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir wordt. De conclusie is dan ook
                    gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan het beroep van bordeelhoud(st)er
                    of van prostituee, beperkingen mogen opleggen ter “regeling en bestuur van de
                    gemeentelijke huishouding”: in het belang van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al/><al><cursief>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing</cursief></al><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                    verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de
                    vorm van geboden of verboden. De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede,
                    indien de gemeente wenst te volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte
                    heeft op (exploitatie van) prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In
                    dat geval moeten bij (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften
                    in acht worden genomen die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is
                    daarvoor geen nadere voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist.
                    Gebodsbepalingen hebben onder meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief
                    beperkt zijn: nadat de gemeente de regels “eenmalig” heeft vastgesteld, beperkt
                    zij zich tot het uitoefenen van toezicht op de naleving daarvan.</al><al/><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                    behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                    oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                    vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van)
                    prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande
                    toestemming van de gemeente vereist.</al><al>Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de
                    verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een
                    vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op
                    zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht
                    dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval
                    niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming
                    (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren
                    activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk
                    wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien bijzondere
                    omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden. Verboden is in
                    dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze van uitzondering
                    toestemming (ontheffing) kan worden verleend.</al><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag,
                    dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare
                    activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van
                    onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale
                    prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten op het reguleren
                    van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur.</al><al/><al><cursief>2. Vormen van (exploitatie van) prostitutie</cursief></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een
                    daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen
                    en dergelijke), is de invloed van de exploitant naar verhouding het grootst. In
                    de inrichting bepalen zij de “huisregels” voor de prostituee, die bijvoorbeeld
                    kunnen uiteenlopen van verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de
                    prostituee om onveilig seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van
                    prostitutie wordt de hoogte van de inkomsten van de exploitant rechtstreeks
                    beïnvloed door het aantal klanten.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van “ramen”, en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf “de regels te bepalen”.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld
                    geen betoog, dat van “zichtbare” vormen (straat- en raamprostitutie) een veel
                    sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of
                    escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer
                    zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook
                    in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot
                    uitdrukking zal komen.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders</cursief></al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van deze APV en
                    in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb).</al><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                    daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle
                    het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen
                    als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning
                    kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als
                    toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor
                    adequate controle noodzakelijk zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Nulbeleid. “Bescherming openbare zeden” in bestemmingsplan is geen
                            motief.LJN-nr. AE2838, JG 02.0108 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                            al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                            plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr=""><al>De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op
                            de aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat
                            stadium aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen
                            ontlenen om arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. LJN-nr. AO3839,
                            JG 04.0112 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                            de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan
                            die het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                            seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf.
                            LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                            onverlet de planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut.
                            LJN-nr. AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee - (onder a en b)</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al/><al><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al/><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al/><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al/><al><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al/><al><cursief>Sekswinkel (onder e)</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in
                    artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al/><al><cursief>Bezoeker (onder h)</cursief></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden). </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                            bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                            prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr.
                            AH9858, JG 03.0194 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                            LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Een parenclub met erotisch café levert niet meer overlast op dan een
                            relaxbedrijf met horeca. Bestemmingsplan als weigeringgrond in de APV
                            aanvaard. LJN-nr.AF9857, JG 04.0111 , m.nt. A.L. Esveld. </al></li><li nr=""><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                            de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan
                            die het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                            seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf.
                            LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150, m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174, eerste lid, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                            woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                            onverlet de planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut.
                            LJN-nr. AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Prostitutie-inrichting, exploitatievergunning, toetsingsmaatstaf,
                            beoordelingsruimte, betekenis Bibob-advies – APV 1994 Amsterdam (ABRS
                            18-11-2009, JB 2010/11, LJN BK3632).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</onderstreept></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en
                    is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</al><al/><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn
                    bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan
                    af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van
                    de burgemeester zelf of van het college is.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Blijkens ARRS 27 augustus 1993 moet een raamprostitutiebedrijf worden
                            beschouwd als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174, eerste lid, van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de
                            burgemeester exclusief bevoegd is, JG 94.0053.</al></li><li nr=""><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174 lid 1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                            woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Ook (reguliere) bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de
                            openbare orde behoren exclusief toe aan de burgemeester. LJ-nr. AR3854,
                            JG 05.0004 m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:3 Nadere regels</onderstreept></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al><onderstreept>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er hier
                    voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren
                    door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele
                    gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting
                    valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een
                    wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van
                    exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen
                    dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al/><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen,
                    indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle,
                    of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met
                    vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in
                    daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige
                    verboden. Zo’n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare
                    orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid of de bescherming van het
                    milieu (Europese Dienstenrichtlijn) : het concentreren van seksinrichtingen in
                    bepaalde gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende
                    intensiteit toezicht te kunnen uitoefenen. Behalve ten aanzien van
                    seksinrichtingen in het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook
                    worden gevoerd ten aanzien van een of meer vormen daarvan.</al><al/><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang
                    van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen dat kan
                    worden verleend aan een maximum te binden. Zo’n maximumbeleid kan ook neergelegd
                    worden in een bestemmingsplan. Het kan “zelfstandig” worden toegepast, maar kan
                    ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd concentratiebeleid: denkbaar
                    is immers dat een maximumbeleid een waardevolle bijdrage kan leveren bij de
                    bescherming van de openbare orde, enz. in gebieden die zijn aangewezen voor het
                    exploiteren van seksinrichtingen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe
                    aanleiding geven, kan een maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende
                    vormen van seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de
                    bescherming van de openbare orde e.a. beleid worden gevoerd waarin de vestiging
                    van raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het
                    geheel niet wordt toegestaan.</al><al/><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                    uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor de
                    splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam dit met name voor bij
                    raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS 29-08-1989; Gst. 6901, 6 en JG
                    90.0003 . Zie verder de toelichting bij artikel 3:13, tweede lid, onder a.</al><al/><al>Het is mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een bepaalde duur,
                    bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van inrichting(en) of het
                    gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. Zie bij de toelichting op
                    artikel 1:7.</al><al/><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal
                    niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de
                    exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het denkbaar dat gemeenten
                    voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een meldingsplicht
                    instellen.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                    Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                    invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. </al><al/><al>Denkbaar is dat het bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een
                    prostitutiebedrijf toelaatbaar acht maar ter voorkoming van verkeersoverlast,
                    een raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte mate. In dat geval moet
                    het bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling van de aanvraag van bewust
                    (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning het voorschrift dient te worden
                    verbonden dat het ter plaatse te exploiteren prostitutiebedrijf niet van
                    zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk slechts van een bepaald aantal
                    vitrines mag zijn voorzien. Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en
                    beheerd is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn
                    en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel
                    3:5. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar.
                    Dit blijkt uit artikel 1:5.</al><al/><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in
                    het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn
                    om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                    behandelen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                            LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 ,m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden
                            geweigerd (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is
                            daartegen uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan.
                            LJN-nr. AK4053, JG 03.0195 m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                            al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                            plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m. nt.
                            A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                            bestemmingsplan als weigeringsgrond aanvaard. Exploitatie van het
                            prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. ABRS,
                            200204131/1, 16-07-2003, LJN-nr. AH9858.</al></li><li nr=""><al>Toezicht seksinrichting niet onevenredig; door toezichthouder aangewezen
                            vergezellende personen; controle vertraagd en deels onmogelijk gemaakt;
                            tijdsverloop tussen primair besluit en besluit op bezwaar. ABRS,
                            200900935/1/H3, 16-09-2009, LJN BJ7784, AB 2010, 7.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
                    beheerder</onderstreept></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al/><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens)</al><al/><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en
                    mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de
                    opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de
                    mensenhandel.</al><al/><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid. Bij de beoordeling van deze
                    zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en de
                    toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover reeds
                    bestaande jurisprudentie.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>“In enig opzicht van slecht levensgedrag” ex artikel 3:5, eerste lid,
                            onder b omvat meer dan de “onherroepelijke veroordeling” ex tweede lid,
                            onder b van de APV. LJN-nr. AO6071 JG 04.0076 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>De algemene norm, neergelegd in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder
                            b, van de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht
                            van slecht levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de
                            vrijheid van arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de
                            Grondwet, aangezien niet gebleken is dat de beperking verder strekt dan
                            noodzakelijk kan worden geacht voor het met de norm beoogde doel, te
                            weten een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening. Wel dient er
                            bij de uitleg van de bepaling van de APV van uit te worden gegaan dat
                            geen sprake is van slecht levensgedrag indien het tegenwerpen van de
                            bepaling in het concrete geval leidt tot een onevenredig zware beperking
                            van de vrijheid van arbeidskeuze. ABRS 28-02-2007 (Uden), 200603367/1,
                            LJN-nr. AZ9519</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:6 Sluitingstijden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet
                    dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende
                    sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet
                    dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te
                    treffen voor het sluitingsuur van openbare inrichtingen als deze, mits de grond
                    voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet is gelegen
                    in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de
                    Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in
                    zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde
                    voorzieningen te treffen.</al><al/><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen
                    werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of
                    geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de vorm
                    van een nadere regel als bedoeld in artikel 3:3 - voor verschillende typen
                    seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden vastgesteld.
                    De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al/><al/><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1:4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al/><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Blijkens Vz.AGRS 24-01-1985, WO RvS 1985, G9, kan aan de
                            Hinderwetvergunning een sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van
                            hinder voor de omgeving, bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers.
                            Hierop is nader ingegaan in AGRS 0802-1991, ABkort 1991, 281, waarin is
                            vermeld dat bij verlening van een hinderwetvergunning aan een inrichting
                            waarbij van de bezoekers hinder te duchten is, een voorschrift
                            betreffende het sluitingsuur ter voorkoming of beperking van die
                            (geluid)hinder niet kan worden gemist, en dat een hinderwetvergunning
                            waarin zo’n voorschrift ontbreekt zich niet verdraagt met artikel 17 van
                            de Hinderwet.</al></li><li nr=""><al>Blijkens de Kroonjurisprudentie mag daarbij slechts rekening worden
                            gehouden met “normale” hinder in de nabije omgeving van de inrichting.
                            Alleen die overlast is volgens de Kroon te beschouwen als hinder in de
                            zin van de Hinderwet (thans: de Wet milieubeheer), een van de belangen
                            die deze wet beoogt te beschermen. Excessieve hinder door gedrag van
                            bezoekers en overlast die zich afspeelt een of meer straten van de
                            inrichting vandaan, vallen volgens de Kroon niet onder de wetsterm
                            “hinder”. Aan een gemeentelijke verordening die een algemene
                            sluitingsuurregeling bevat ter voorkoming of beperking van excessieve en
                            verder verwijderde overlast, ligt dan een ander motief ten grondslag dan
                            aan de Wet milieubeheer. Dit gaat op voor artikel 3.2.3 (oud), dat niet
                            is toegespitst op de specifieke situatie in en rond seksinrichtingen,
                            maar dat zich richt op de nadelige invloed van de aanwezigheid van zulke
                            inrichtingen als zodanig op de openbare orde en de woon- en leefomgeving
                            ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986, AB 1987, 326).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr=""><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                            gestelde; of</al></li><li nr=""><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al/><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3:6, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al/><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al/><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven
                    sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een
                    opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het
                    aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief)
                    bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een
                    klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                    daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al/><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op
                    de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                    toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.</al><al/><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De burgemeester ontleent reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174
                            van de Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt
                            duidelijk, waarom het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de
                            APV op te nemen: De beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit
                            artikel 221 gemeentewet (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke
                            handhaving van de openbare orde de actuele situatie tot onderwerp heeft
                            en dat hier alleen het nemen van concrete maatregelen op korte tijd aan
                            de orde is. Wil een verder vooruitziend besturen meteen op langere
                            termijn concreet gestalte krijgen, dan dient de burgemeester te
                            beschikken over de bevoegdheid tot uitvoering van gemeentelijke
                            verordeningen of van andere wettelijke voorschriften. Bij het gebruik
                            van zijn sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime
                            beoordelings- en beslissingsvrijheid. Voor rechterlijke toetsing van het
                            gebruik van die bevoegdheid bestaat derhalve slechts een beperkte
                            marge.</al></li><li nr=""><al>In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de
                            Gemeentewet dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen.
                            Blijkens Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116 , en ABRS
                            05071996, JG 96.0266, voldoet een sluitingsbevel zonder tijdsbepaling
                            niet aan de aard en het doel van artikel 221 gemeentewet (oud). Indien
                            gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan de sluiting niet
                            alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op basis van
                            artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten
                            aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook
                            sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn
                            als de vestiging van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal
                            zijn - met het lokaal beleid. Zie ter vergelijk: ABRS 29-04-1997,
                            R03.93.4839; niet gepubliceerd, waarin de sluiting van een coffeeshop
                            voor onbepaalde tijd in verband met de aanwezigheid van harddrugs
                            geoorloofd wordt geacht, omdat het beleid inhoudt dat coffeeshops die
                            zich daaraan schuldig maken definitief van de gedooglijst worden
                            geschrapt. Een ander en beter voorbeeld is een seksinrichting die het in
                            het lokaal beleid vastgestelde maximum aantal inrichtingen overschrijdt
                            en daarom niet voor vergunningverlening in aanmerking komt. Zo’n
                            inrichting kan voor onbepaalde tijd worden gesloten. Zie ter vergelijk:
                            Vz.ABRS 05-09-1997; Gst. 7069, 4, waarin een coffeeshop voor onbepaalde
                            tijd wordt gesloten wegens strijdigheid met het geldende nulbeleid. Een
                            sluiting voor onbepaalde tijd staat de opheffing ervan op een later
                            tijdstip niet in de weg.</al></li><li nr=""><al>Advies van bureau Bibob is oorzaak sluiting bordeel. LJN-nr: AT2983, JG
                            05.0061 m. nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                        beheerder</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke. In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat
                    de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de
                    gang van zaken in de inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die
                    ook geldt voor de beheerder(s), nog eens onderstreept. Indien zich in de
                    inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om
                    daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan tot een tijdelijke
                    beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke)
                    intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin bestuursrechtelijk
                    te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging of
                    veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende
                    toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                    inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                    verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht
                    dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht
                    bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder
                    verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid
                    geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt
                    bijgehouden.</al><al/><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                    expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                    exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                    toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang
                    moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of
                    verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig
                    zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een
                    (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige)
                            verstoring van de openbare orde. Als niet de overtreding van dit
                            artikel, maar de ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot
                            sluiting over te gaan, speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de
                            exploitant in de beoordeling van de vraag of zich een situatie voordoet
                            die tot sluiting noopt, in het geheel geen rol. Ook de omstandigheid dat
                            de exploitant is vrijgesproken door de strafrechter doet dan niet ter
                            zake (ABRS 30-07-1996, AB 1996, 471).</al></li><li nr=""><al>Tegen de sluiting van een seksclub wegens prostitutie door minderjarigen
                            verweerde de exploitant zich door te wijzen op de inmiddels doorgevoerde
                            gewijzigde bedrijfsvoering om te voorkomen dat minderjarigen in zijn
                            inrichting werkzaam zouden zijn. Op basis van de verplicht over te
                            leggen legitimatiebewijzen van de medewerksters werd door hem sindsdien
                            een volledige lijst bijgehouden. De gemeente gaf ter zitting aan dat de
                            sluiting zou worden opgeheven als er een bevredigende controleregeling
                            werd getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeente het
                            door de exploitant ingevoerde systeem terecht niet als een sluitende en
                            betrouwbare controleregeling aangemerkt (ARRS 28-01-1992,
                            S03.92.0095).</al></li><li nr=""><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: 1. de
                            vergunninghouder is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie bij
                            te houden van de naam, leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van
                            de bij hem/haar werkzame prostituees; 2. deze registratie dient in de
                            seksinrichting aanwezig te zijn; 3. dienaangaande moeten kopieën van
                            paspoorten of andere wettige identiteitspapieren bij deze administratie
                            bewaard worden; 4. de registratie moet zeven jaar bewaard worden. De
                            Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van de APV “Seksinrichtingen,
                            sekswinkels, straatprostitutie e.d.” moet worden aangemerkt als een
                            verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet.
                            Het voorschrift mist niet iedere wettelijke grondslag. In rechte moet
                            van de geldigheid van dat voorschrift worden uitgegaan. De burgemeester
                            is bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007 (Eindhoven), 200603030,
                            LJN-nr. AZ6851</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:9 Straatprostitutie</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding”
                    (genoemd in artikel 3:13) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook
                    ten aanzien van straatprostitutie.</al><al/><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden
                    met de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand van de
                    omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van
                    een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de
                    woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of
                    juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de
                    openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken).</al><al/><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter worden dat
                    het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening betreft. Vooralsnog
                    dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet
                    wordt getippeld, dit in het belang van de openbare ook moeten kunnen voorkomen.
                    In dat geval zou voor dit artikel volstaan kunnen worden met de aanhef van lid 1
                    en het bepaalde in lid 2. In beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo
                    goed mogelijk te worden onderbouwd.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor zover in de
                    aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van
                    de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel
                    12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten
                    (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden
                    opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in
                    verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                    subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend
                    middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                    verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                    toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van de
                    maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod individuele
                    uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De beantwoording van
                    deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft betrekking op de
                    eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in het concrete geval
                    moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of werkadres heeft in het
                    desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het verbod te worden
                    uitgezonderd.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Uit HR 09-01-1973, NJ 1973, 134, alsmede uit de conclusie van
                            advocaat-generaal Remmelink voor HR 08-05-1979, NJ 1979, 554, kan worden
                            opgemaakt dat artikel 3.2.6 (oud) niet in strijd komt met artikel 239
                            van het Wetboek van Strafrecht (dat toeziet op de schennis van de
                            eerbaarheid).</al></li><li nr=""><al>Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen
                            en tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op
                            HR 23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de
                            gemeente Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden
                            aangenomen dat die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post
                            te vatten of zich heen en weer te bewegen op door het college aangewezen
                            wegen of openbare plaatsen, werd door de HR niet in strijd geacht met
                            artikel 12 IVBPR (vrijheid van beweging). Over een vergelijkbare
                            APV-bepaling in Heerlen, waar burgemeester en wethouder de gehele
                            gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod, werd door de
                            HR 06-11-1990, NJ 1991, 218, Gst. 6918, 8, geoordeeld dat van
                            strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was. Het
                            verbod treft weliswaar uitsluitend prostituees; dit gebeurt echter niet
                            in verband met persoonskenmerken, maar vanwege hun activiteiten.</al></li><li nr=""><al>Vz.ARRS 27-09-1991, BR 1992, p. 203: met betrekking tot de inrichting
                            van een tippelzone hebben het college van Arnhem terecht besloten dat
                            geen vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                            Ordening vereist zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming
                            verkeersdoeleinden, de “afwerkschotten”, die uitsluitend ’s avonds
                            worden geplaatst, zijn dat evenmin. Het plaatsen van een zogeheten
                            huiskamerbus is een vorm van parkeren.</al></li><li nr=""><al>Pres. Rb Maastricht 25-08-1995, KG 1996,46: de aanwijzing van een
                            tippellocatie is een besluit van algemene strekking waartegen beroep bij
                            de rechtbank mogelijk is. De president ziet geen aanleiding het besluit
                            te schorsen.</al></li><li nr=""><al>Pres. Rb Maastricht 03-07-1997, JB 1997, 206, en later ook de Rechtbank
                            Maastricht 02-06-1999, nrs. 98/387-389; niet gepubliceerd: de intrekking
                            van de aanwijzing van de enige tippellocatie door het college van
                            Heerlen is in strijd met het recht op bewegingsvrijheid (in casu is niet
                            komen vast te staan dat er sprake is van “pressing social need”) en in
                            strijd met het recht op vrije arbeidskeuze (artikel 19, derde lid van de
                            Grondwet). Grondwettelijke rechten kunnen - anders dan
                            verdragsrechtelijke - slechts worden beperkt bij of krachtens de wet in
                            formele zin. Daar is in dit geval geen sprake van. Het bestreden besluit
                            mist derhalve een rechtmatige grond. De annotator merkt op dat het
                            tippelverbod slechts bepaalde handelingen verbiedt en dat het recht om
                            te gaan en te staan onverlet laat, zodat van strijdigheid met het recht
                            op vrijheid van beweging geen sprake kan zijn. Voor wat betreft het
                            recht van vrije arbeidskeuze volgt hij de president.</al></li><li nr=""><al>ARRS 10-02-1981, AB 1981, 446 en HR 07-02-1984, AB 1984, 274 - indirect
                            vervolgd door HR 11-06-1985, NJ 1986, 41, AB 1986,106 - zien op de vraag
                            wat de reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een
                            verblijfsontzegging is. Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee
                            in overeenstemming. Vz.ARRS 31-07-1989, AB 1990, 315 maakt duidelijk dat
                            de bevoegdheid van de burgemeester niet te ruim kan worden gedelegeerd.
                            Het toekennen van een beschikkingsmandaat is niet toegestaan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:10 Sekswinkels</onderstreept></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al/><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven)
                    echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat geval kan
                    worden overwogen artikel 3:10 op te nemen, op grond waarvan gebieden of delen
                    van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de
                    openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te
                    (doen) exploiteren. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan
                    onderdeel e in artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van
                    afdeling 2 “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al><onderstreept>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                    dergelijke</onderstreept></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al/><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><al>a. aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al><al>b. (algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij het
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en dergelijke
                    als hier bedoeld.</al><al>Zowel “bekendmaking” als bedoeld onder a, als de vaststelling van “regels” als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo’n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al><onderstreept>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</onderstreept></al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven
                    binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij
                    gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in
                    casu artikel 1:2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan
                    op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen acht weken na
                    de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden
                    verdaagd (tweede lid). </al><al/><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Een langere
                    beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wordt daarom wenselijk geacht.
                    Daartoe is in artikel 3:12 een beslistermijn van twaalf weken opgenomen. Aan
                    artikel 1:2 is een derde lid toegevoegd dat inhoudt dat het bepaalde in het
                    eerste en het tweede lid van artikel 1:2 niet geldt voor de beslissing op een
                    aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.</al><al/><al>De voorgeschreven beslissingstermijn is een termijn van orde. Overschrijding
                    ervan doet niet af aan de bevoegdheid te beslissen over een ingediende aanvraag,
                    maar leidt wel tot een fictieve weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar
                    kan worden aangetekend (artikel 6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel
                    3:12 ligt in de rede omdat moet worden aangenomen dat de in artikel 1:2 genoemde
                    beslissingstermijn niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn.</al><al><onderstreept>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>De hier genoemde belangen vormen te zamen de “huishouding”, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><lijst><li nr=""><al>bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden
                            vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen);</al></li><li nr=""><al>nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel
                            3:3);</al></li><li nr=""><al>beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van
                            de Awb);</al></li><li nr=""><al>vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                            beperkingen (als bedoeld in artikel 1:4);</al></li><li nr=""><al>de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in
                            artikel 1:6) of</al></li><li nr=""><al>vergunning kan worden geweigerd.</al></li></lijst><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</al><al/><al>Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de vergunning
                    te voorkomen, wordt een vergunningsvoorschrift opgenomen dat niet mag worden
                    gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder a: levensgedrag</cursief></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3:5.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al/><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165 ,
                    is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                    planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid met zich mee dat
                    de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar
                    dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende
                    bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig,
                    illegaal</cursief></al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f
                    is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant
                    prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo
                    dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de
                    exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb
                    Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn
                    terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen
                    ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een
                    aantasting van de openbare orde.</al><al/><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of
                    het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                    weigeren.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al/><al><cursief><onderstreept>Europese
                    Dienstenrichtlijn</onderstreept></cursief>De Europese
                    Dienstenrichtlijn is van toepassing op seksinrichtingen. Het drijven van een
                    dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet discriminatoir, b.
                    noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het om
                        <cursief>vestiging</cursief> van een seksinrichting waarvoor artikel 9 van
                    de richtlijn de bovengenoemde criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in
                    artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat
                    onder andere de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag;
                    handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid;
                    bescherming van afnemers van diensten; bescherming van werknemers; voorkoming
                    van fraude; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu,
                    verkeersveiligheid. Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om
                    de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een
                    vestiging, maar om een ondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te
                    verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat
                    uitsluitend de criteria openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en
                    milieu als grondslag voor een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar
                    bij artikel 1:8. </al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig de
                    rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                    uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                    duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                    onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt
                    gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al/><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason vallen. Wel
                    moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de bandbreedte van de rule of
                    reason. Andere weigeringsgronden zijn niet geoorloofd. Uiteraard dient
                    gemotiveerd te worden van welke weigeringsgrond sprake is en waarom. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder a: openbare orde</cursief> De bescherming van de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het
                    aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum
                    te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning
                    voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare
                    orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt
                    verstoord.</al><al/><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB
                    1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf
                    aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in
                    de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een
                    “boventallige” vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat
                    de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Om in dat geval
                    voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden volstaan met
                    het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is bereikt maar moet
                    ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van bijzondere
                    omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat beleid - toch
                    vergunning te verlenen.</al><al/><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                    horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                    aanvaard. Bij de toepassing van zo’n beleid kan een prostitutienota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                    gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                    welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook een
                    bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het karakter van
                    een bepaalde straat of wijk blijkt.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                    combinatie toegepast. De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan
                    op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou
                    worden beïnvloed. Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in
                    woonbuurten of in de nabije omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (schoolgebouwen,
                    kerkgebouwen e.d.). Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaats gehad, kan op
                    een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een
                    aangewezen gebied afwijzend worden beslist in het belang van het woon- en
                    leefklimaat ter plaatse. </al><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en
                    leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met de vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs,
                    bordelen en dergelijke. </al><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens
                    betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het
                    maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</cursief> Bij de
                    exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang
                    de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die
                    zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr=""><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en </al></li><li nr=""><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor zover
                            het gaat om het gebruik van de inrichting. </al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al/><al><cursief>Tweede lid onder f: gezondheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300)
                    en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid
                    (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op
                    voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel
                    overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de
                    opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee,
                    waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de
                    hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door
                    de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te voeren.</al><al/><al>Doelstelling van zo’n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen van
                    voorlichting over besmettingsrisico’s en seksueel veilig gedrag aan prostituees,
                    prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de belangrijkste
                    verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa. Ook kan het
                    beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten te (doen)
                    verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan toegankelijke
                    gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en prostituanten zich tegen een
                    beperkte vergoeding en op professionele wijze kunnen laten onderzoeken op de
                    aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn weerslag vinden in specifieke
                    vergunningvoorschriften. Daarbij valt te denken aan de verplichting voor de
                    exploitant om een “veilig seks beleid” te voeren (dat wil zeggen dat ze geen
                    onveilige seks mogen aanbieden en veilige seks moeten faciliteren) en
                    prostituees in de gelegenheid moeten stellen zich regelmatig op soa te laten
                    onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden opgenomen dat de exploitant
                    verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot de inrichting ten behoeve van de
                    voorlichting van prostituees. Als GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen
                    als toezichthouders is een dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende
                    zijde is echter opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich
                    moeilijk verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift
                    waar in het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                    worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie.</al><al/><al>Waar het gaat om de preventie van soa’s wordt wel eens gedacht over het
                    verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                    Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle mogelijk
                    is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich uitbreidt en
                    dat een toenemende groep, met name seropositieve of drugsgebruikende,
                    prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en medische zorg.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder f</cursief>: <cursief>zedelijkheid</cursief></al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve
                    actueel.</al><al/><al>Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een sekswinkel aan
                    een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en 451bis van het
                    Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend
                    beantwoord.</al><al/><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief
                    zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans
                    niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het
                    zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor
                    bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden </cursief></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                    prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging
                    is, onder meer de arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing
                    van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94)
                    van toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van
                    een arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><al/><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                    arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht kwam
                    het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen prostituee en
                    exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke overeenkomst in
                    strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu artikel 250bis zich
                    richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon worden geacht. Met de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze discussie aan belang
                    verloren.</al><al/><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet worden
                    aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de prostituee
                    en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de regelgevende bevoegdheid)
                    van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT stelt ook de wetgever zich op
                    het standpunt dat “de centrale noch de lokale overheid het tot haar taak dient
                    te rekenen om binnen de grenzen van vrijheid en zelfbepaling nadere regels te
                    stellen over de rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Een brief aan alle exploitanten van seksinrichtingen inzake
                            handhavingsbeleid is geen schriftelijke waarschuwing die normaliter
                            overeenkomstig het handhavingsbeleid wordt verstuurd. Er is sprake van
                            een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als prostituees loon
                            krijgen uitbetaald volgens een door de bordeelhouder vastgesteld tarief.
                            LJN-nr. AF5723, JG 03.0127, m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                            bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                            prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr.
                            AH9858, JG 03.0194, m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                            LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                            de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan
                            die het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                            seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf.
                            LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150, m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                            174 lid 1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                            woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                            al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                            plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L.
                            Esveld.</al></li><li nr=""><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden
                            geweigerd (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is
                            daartegen uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan.
                            LJN-nr. AK4053, JG 03.0195 m.nt. A.L. Esveld.</al></li><li nr=""><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het
                            feit dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS
                            03-11-2004, LJN-nr. AR5047, JG 05.0006 m.nt. A.L. Esveld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</onderstreept></al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al><onderstreept>Artikel 3:15 Wijziging beheer</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al><vet>Hoofdstuk 4: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                        voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</vet><vet>Afdeling 1: Geluid- en
                        lichthinder</vet></al><al><onderstreept>Algemene toelichting afdeling 4.1
                    </onderstreept>Naast een zogenaamde "kapstokbepaling" inzake
                    geluidhinder (artikel 4:5) bevat afdeling 4.1 een aantal bepalingen die
                    voortvloeien uit het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit algemene regels
                    voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), dat op 1 januari 2008 in
                    werking is getreden. Onder dit Besluit valt naast de “stille” horeca zowel de
                    discotheken als recreatie-inrichtingen (theaters, bioscopen, gokhallen,
                    vakantie- en pretparken) en sportinrichtingen (tennisparken, voetbalterreinen,
                    zwembaden enz.). </al><al>Alle inrichtingen die onder het Besluit vallen moeten voldoen aan de bij het
                    Besluit gestelde voorschriften. De voorschriften met betrekking tot geluid- en
                    trillinghinder zijn zo strikt, dat deze zeker overtreden zullen worden wanneer
                    in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld levende
                    muziek. Gezien de maatschappelijke functie die de onder het Besluit vallende
                    inrichtingen vervullen, biedt het Besluit de mogelijkheid ontheffing te verlenen
                    van de voorschriften die zien op de geluid- en trillinghinder. De bedrijven
                    waarvoor geluid een belangrijk onderwerp is en die vooral gebruik zullen willen
                    maken van deze regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele
                    voorzieningen. Op grond van artikel 2.21 van het Besluit kan de gemeenteraad in
                    een verordening vaststellen dat gedurende een bepaalde periode de
                    geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden. Voorts biedt het Besluit in
                    artikel 4.113, eerste lid, ook de mogelijkheid om bij of krachtens een
                    verordening vast te stellen dat gedurende een bepaalde periode het artikel over
                    lichthinder in het Besluit niet geldt. Het Besluit maakt voor wat betreft de
                    afwijking van de strikte geluid- en lichtvoorschriften onderscheid tussen
                    "collectieve festiviteiten", zoals Koninginnedag, carnaval, kermis, en
                    culturele, sportieve of recreatieve manifestaties, en "incidentele
                    festiviteiten", die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden
                    zijn, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een
                    straatfeest. Het Besluit laat het aan de gemeente over te bepalen welke
                    "collectieve festiviteiten" in aanmerking komen voor een afwijking van de
                    geluidsvoorschriften. Er geldt geen maximum voor het aantal collectieve
                    festiviteiten per jaar. Ook voor sportinrichtingen geldt geen maximum aantal
                    dagen dat afgeweken kan worden van het lichtvoorschrift. De gemeente dient
                    rekening te houden met de lokale omstandigheden en zal zelf een inschatting
                    moeten maken van de overlast. In Vlissingen geldt een maximum van zeven
                    collectieve festiviteiten per jaar. In het Besluit is bepaald dat het aantal
                    "incidentele festiviteiten" niet méér mag bedragen dan twaalf per jaar. Ook hier
                    geldt dat de gemeente moet beoordelen hoeveel overlast de omgeving toelaat
                    (cumulatieve effect van incidentele festiviteiten). In Vlissingen geldt een
                    maximum van tien incidentele festiviteiten per jaar. Uiteraard zal de gemeente
                    de concrete overlastsituatie per melding kunnen beoordelen.
                        <onderstreept>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                        festiviteiten</onderstreept> In dit artikel is de uitvoering van de regeling
                    opgedragen aan het college. Er behoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te
                    worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden
                    aangewezen. Jaarlijks zal het college - in samenspraak met de plaatselijke
                    horeca - vaststellen op welke data de betreffende voorschriften niet van
                    toepassing zijn. Om ruimte te bieden voor het toestaan van onverwachtse
                    collectieve festiviteiten verdient het aanbeveling, dat niet op voorhand het
                    maximale aantal van zeven dagen wordt aangewezen. Het voorschrift genoemd in het
                    tweede lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een "collectieve festiviteit" in het
                    licht van het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere
                    sportverenigingen aan mee doen. Het verdient aanbeveling dat het college
                    jaarlijks - in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen - vaststelt op
                    welke data de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.
                        <onderstreept>Artikel 4:3 Melding incidentele
                    feesten</onderstreept></al><al>Artikel 4:3 maakt het mogelijk dat tien keer per jaar voor het organiseren van
                    een incidentele festiviteit vrijstelling kan worden gekregen van het Besluit.
                    Een voorbeeld van een "incidentele festiviteit" in het licht van het tweede lid
                    is een veteranentoernooi of een "vroege-vogels-toernooi". Het college dient
                    altijd op de hoogte te worden gesteld van een te organiseren incidentele
                    festiviteit. Dit dient te gebeuren door middel van een melding en conform de
                    procedure zoals op het door het college vastgestelde formulier, wordt
                    aangegeven. Indien de melding niet op de juiste wijze geschiedt, dan mag er geen
                    gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Voorheen diende de melding twee
                    weken van tevoren te worden gedaan. Dit zorgde voor weinig mogelijkheden tot
                    spontaniteit, terwijl hier wel vraag naar was. Vooral vanuit de horeca was die
                    vraag groot. Daarom is een en ander aangepast en dient de melding voortaan vóór
                    aanvang en op de dag van de incidentele festiviteit te worden gedaan doch
                    uiterlijk voor tien uur ’s avonds. Omdat een vrijstelling van de geluid- en
                    lichtvoorschriften in de regel samengaat met een vrijstelling van de openings-
                    en sluitingstijden voor horeca-inrichtingen is een koppeling gemaakt tussen
                    artikel 4:3 en artikel 2:27. Een vrijstelling van de geluid- en
                    lichtvoorschriften gaat dus altijd gepaard met een ontheffing van de openings-
                    en sluitingstijden als bedoeld in artikel 2:27. Voor festiviteiten op het terras
                    is altijd een evenementenvergunning nodig. Daarnaast moet er altijd een melding
                    worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Besluit te
                    krijgen. In de evenementenvergunning kan door de burgemeester op grond van de
                    Nadere regels geluidsvoorschriften voor openbare inrichtingen worden gesteld. </al><al><onderstreept>Artikel 4:4 Verboden incidentele feesten </onderstreept>Indien de
                    burgemeester van oordeel is, dat een bepaalde (aangemelde) incidentele
                    festiviteit of het toestaan van toekomstige incidentele festiviteiten in het
                    concrete geval ongewenste cumulatie van hinder en overlast met zich mee kan
                    brengen, kan hij het organiseren van die festiviteit en toekomstige
                    festiviteiten verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op
                    grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. <onderstreept>Artikel
                        4:5 Geluidsplafond </onderstreept>Het niet behoeven te voldoen aan de
                    geluidvoorschriften uit het Besluit betekent voor de exploitanten van
                    inrichtingen overigens geen vrijbrief om 'onbeperkt (geluid)hinder' te
                    veroorzaken bij festiviteiten. Op grond van artikel 2.21, tweede lid, van het
                    Besluit kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening nadere regels worden
                    gesteld ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij festiviteiten. Hierbij
                    valt te denken aan het invoeren van een geluidsnorm of de verplichting om
                    bepaalde maatregelen te treffen. Artikel 4:5 maakt het mogelijk dat het college
                    deze nadere regels kan stellen. <onderstreept>Artikel 4:6 Aanwijzen
                        concentratiegebied voor horeca-inrichtingen</onderstreept></al><al>Als concentratiegebied als bedoeld in artikel 6.16 van het Besluit algemene
                    regels voor inrichtingen milieubeheer wordt aangewezen het gebied aangegeven op
                    de bij dit artikel behorende overzichtstekening. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:7 tot en met 4:7b Hinder door bouw-, sloop- en
                        onderhoudswerkzaamheden</onderstreept></al><al>In de artikelen 4:7 tot en met 4:7b is een structurele aanpak geformuleerd voor
                    de gemeente Vlissingen voor het behandelen van de aanvragen voor een ontheffing
                    APV vanwege bouwlawaai. Met deze aanpak wordt geluidhinder gereguleerd bij
                    bouwprojecten, werkzaamheden aan wegen en spoorverbindingen, sloopwerkzaamheden
                    en dergelijke. Het is gericht op werkzaamheden die hoge geluidniveaus
                    veroorzaken. Deze geluidhinder kan overdag optreden, maar ook in de avond en/of
                    nacht. In dit voorstel zijn de hinderaspecten van geluid geschetst en het
                    juridisch kader van het onderwerp bouwlawaai beschreven. </al><al/><al>Er is een visie geformuleerd die uitgaat van vijf hoofdlijnen:</al><lijst><li nr="1."><al>lawaaiige werkzaamheden dienen overdag te worden uitgevoerd; voor het
                            uitvoeren van avond- en nachtwerk is een goede onderbouwing nodig;</al></li><li nr="2."><al>inzicht in de mate van de te verwachten geluidhinder, door onderzoek, is
                            noodzakelijk;</al></li><li nr="3."><al>toepassing van stil materieel en zo mogelijk stille technieken;</al></li><li nr="4."><al>adequate communicatie met omwonenden;</al></li><li nr="5."><al>controle op de uitvoering.</al></li></lijst><al/><al>De visie is voorzien van een duidelijke motivering. Op basis van de
                    bovengenoemde visie is een normstelling voor bouwlawaai opgenomen in dit
                    document en is richting gegeven aan de afweging die het bevoegd gezag dient te
                    maken voor het verlenen of weigeren van de ontheffing. Er wordt tevens ingegaan
                    op het aanvragen, beoordelen en verlenen van een ontheffing. Een duidelijke
                    handhavingstrategie maakt deel uit van het geformuleerde beleid, evenals de
                    taakverdeling binnen de gemeentelijke organisatie.</al><al/><al>Doel is het beperken van hinder en overlast door bouwwerkzaamheden voor
                    omwonenden van bouwplaatsen. Het doel te bereiken door het transparant en
                    eenduidig uitvoeren van preventieve en repressieve maatregelen door de afdeling
                    Publiekszaken, cluster vergunningen.</al><al/><al><cursief>Hinderaspecten van geluid</cursief></al><al>Geluid is een, meestal door de lucht, voortplantende trillende beweging welke
                    door het gehoor waargenomen kan worden. Deze geluidstrillingen of -golven
                    bezitten een bepaalde frequentie. De frequentie, uitgedrukt in Hz, bepaalt de
                    toonhoogte: hoe hoger de frequentie, hoe hoger de toon. Een hoge toon,
                    bijvoorbeeld 4000 Hz, klinkt piepend. Een lage toon, bijvoorbeeld 200 Hz, klinkt
                    brommend. Laag frequent geluid is geluid met frequenties tot ongeveer 125 Hz.
                    Het normale bereik van het menselijk oor ligt tussen de 20 en 20.000 Hz. Er zijn
                    echter individuele verschillen.</al><al/><al>Met het ouder worden of door langdurige blootstelling aan lawaai, wordt het
                    bereik aan de kant van de hoge tonen, hoge frequenties, kleiner. Het
                    geluidniveau (L) of -volume wordt uitgedrukt in decibel (dB). Bij 0 dB kan een
                    toon van 1000 Hz nog net worden waargenomen. De decibel is een logaritmische
                    maat. Dit betekent dat het aantal decibels afkomstig van verschillende bronnen
                    niet zomaar opgeteld kan worden. Iedere verdubbeling van het geluidniveau geeft
                    een toename van 3 dB. Het menselijk oor is niet voor alle frequenties even
                    gevoelig. Om hier rekening mee te houden, wordt bij geluidsmetingen een filter
                    gebruikt. Wanneer geluidniveaus met gebruikmaking van een zogenaamd A-filter
                    gemeten zijn, dan wordt als eenheid dB(A) gebruikt. Het geluidniveau bij normale
                    spraak bedraagt 60-70 dB(A). Bij 140 dB(A) ligt de pijngrens. Tabel 1 geeft een
                    globaal overzicht van soorten geluiden en hun geluidniveaus.</al><al/><al>In veel onderzoeken naar de effecten van blootstelling aan geluid op de
                    gezondheid wordt</al><al>gebruikgemaakt van het begrip: het equivalente geluidniveau (L Aeq,T). Hierin
                    zijn alle geluidniveaus gedurende periode ‘T’ verwerkt. Hierbij krijgen de
                    hogere niveaus meer gewicht dan de lagere. Het equivalente geluidniveau is dus
                    niet gelijk aan het gemiddelde van de geluidniveaus gedurende de periode ‘T’.
                    Voor de karakterisering van momentane geluidniveaus worden maten gebruikt als
                    het maximale geluidniveau (LA,max), het piekniveau (Lpeak) en het
                    geluidblootstellingsniveau (SEL: Sound exposure level of LAx). De SEL is de
                    totale hoeveelheid geluidenergie die door een gebeurtenis wordt
                    geproduceerd.</al><al/><al>De van oudsher in het Nederlandse milieubeleid gehanteerde blootstellingsmaat is
                    de etmaalwaarde (Letm). Voor de bepaling van Letm wordt het etmaal in drie
                    periodes verdeeld: een dagperiode (07.00-19.00 uur), een avondperiode
                    (19.00-23.00 uur) en een nachtperiode (23.00-07.00 uur). Per periode wordt de
                    equivalente geluidbelasting bepaald. Het avondniveau wordt verhoogd met een
                    ‘straffactor’ van 5 dB en het nachtniveau met een factor van 10 dB. De Letm is
                    de hoogste waarde van de equivalente geluidbelasting van deze drie perioden. In
                    de meeste gevallen is de geluidbelasting gedurende de nachtperiode maatgevend.
                    De mate van slaapverstoring wordt op grond van de equivalente nachtwaarde
                    (Laeq,23-7) van de geluidsbelasting geschat. Om te schatten hoeveel
                    slaapverstoring er bij een bepaald percentage ernstige hinder is, moet de
                    etmaalwaarde eerst omgezet worden in de equivalente nachtwaarde.</al><al><vet>luidniveau (dB(A)) Soort geluid</vet></al><al>Of geluid als hinderlijk wordt ervaren, hangt af van diverse factoren. Grofweg
                    wordt het onderscheid gemaakt tussen twee groepen:</al><al>• akoestische factoren;</al><al>• sociaalpsychologische factoren.</al><al/><al>Om geluidhinder te voorkomen, te beperken of te verzachten, dient rekening te
                    worden gehouden met de bovengenoemde twee groepen van factoren. Wordt één van
                    beide buiten beschouwing gelaten, dan wordt een deel van de problematiek
                    veronachtzaamd; de hinder die wordt ervaren bestaat uit een aantal factoren met
                    een onderlinge samenhang. Uitgangspunt voor het bouwhinderbeleid is dat de
                    bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de gebruikelijke daguren. De dagperiode
                    duurt van 07.00-19.00 uur, exclusief zon- en feestdagen. Doel van dit
                    uitgangspunt is de overlast voor omwonenden van bouwprojecten zoveel mogelijk te
                    beperken. Het kan echter noodzakelijk zijn om werkzaamheden buiten de
                    gebruikelijke daguren te moeten verrichten. Hiertoe dient de uitvoerder een
                    verzoek om toestemming in te dienen met een onderbouwing van de noodzaak en de
                    te treffen maatregelen die de hinder beperken.</al><al/><al>Bij de toestemming om af te mogen wijken van de gebruikelijke werktijden wordt
                    nu geen onderscheid gemaakt in de soort werkzaamheden die 's nachts uitgevoerd
                    kunnen worden. Gebleken is echter dat 's nachts heien dusdanig veel overlast
                    veroorzaakt dat het in principe niet wenselijk is om dat 's nachts toe te staan.
                    Uitgangspunt is dat in de nachtelijke uren (van 23.00 tot 07.00 uur) geen
                    heiwerkzaamheden worden uitgevoerd. Hieronder moet worden verstaan het inheien,
                    intrillen en heiend of trillend trekken van palen, stalen buizen,
                    damwandprofielen enz. De veroorzaker (meestal verantwoordelijke bouwer) moet de
                    hinder voor omwonenden zo veel mogelijk voorkomen of beperken.</al><al/><al>Toestemming om hiervan te mogen afwijken is alleen mogelijk in uitzonderlijke
                    gevallen. Hierbij kan gedacht worden aan het werken aan regionale of landelijke
                    infrastructuur. De gevolgen gedurende de daguren zijn dan niet ondergeschikt aan
                    de lokale nachtelijke overlast. De aanvrager moet een verzoek deugdelijk
                    onderbouwen, waarbij aangegeven moet worden wat de ontoelaatbare gevolgen zijn
                    als 's nachts niet geheid kan worden. Toestemming in geval van een
                    uitzonderingssituatie is altijd uniek voor de situatie en de locatie, waaraan
                    geen precedent ontleend kan worden. Aan een dergelijke toestemming worden
                    toegesneden hinderbeperkende voorwaarden gesteld, waarbij gedacht kan worden aan
                    het 's nachts elders huisvesten van de dichtbij wonende bewoners. Het spreekt
                    voor zich dat stringente handhaving zal plaatsvinden op basis van deze
                    aangescherpte richtlijn.</al><al/><al>Geluidhinder die niet is geregeld in algemene wetgeving zoals de Wet
                    geluidhinder, de Wet</al><al>milieubeheer en de Luchtvaartwet kan in principe worden geregeld in de APV. De
                    gemeente is hiervoor het bevoegd gezag. Óf en hoe het is geregeld, hangt af van
                    de plaatselijke invulling door de gemeente. Dit kan per gemeente verschillen.
                    Veelal is er sprake van een vrij algemene formulering van het ter zake doende
                    artikel, zoals ook in Vlissingen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of het
                    geluid vanwege het werk hinderlijk is. Er zijn geen concrete
                    beoordelingscriteria, zoals toegestane geluidniveaus, het tijdstip en duur van
                    het geluid, enzovoorts opgenomen. De gemeente kan de “Circulaire bouwlawaai
                    2010” als leidraad gebruiken, maar dat hoeft niet. Deze door het ministerie van
                    Infrastructuur en Milieu op 27 oktober 2010 opgestelde circulaire heeft op
                    zichzelf geen juridische status en krijgt die pas als de gemeente in de
                    hoedanigheid van bevoegd gezag, de circulaire van toepassing verklaart. Het
                    eenvoudigweg van toepassing verklaren van de circulaire volstaat overigens
                    meestal niet voor de problematiek van de beoordeling van geluidhinder omdat aan
                    de hierin opgenomen streefwaarden vaak niet kan worden voldaan.</al><al/><al>De APV stelt in artikel 4:5 dat het verboden is toestellen of geluidsapparaten
                    in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig, te
                    (laten) verrichten waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                    geluidhinder wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt. De gemeente Vlissingen
                    heeft niet eerder grenswaarden opgesteld op het gebied van geluid- en
                    trillingshinder door bouwwerkzaamheden.</al><al/><al>In de Circulaire bouwlawaai 2010 worden adviezen gegeven over her verlenen van
                    ontheffingen in het kader van de APV met betrekking tot de geluidhinder
                    veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden. De circulaire heeft op zich geen
                    juridische status maar wordt wel door overheden en adviesbureaus nog steeds als
                    referentie gehanteerd.</al><al/><al>Bij het toepassen van de nieuwe beoordelingswijze staat het uitgangspunt voorop
                    om bouw- en slooplawaai zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken. De
                    minister van Infrastructuur en Milieu adviseert in de Circulaire Bouwlawaai 2010
                    nadrukkelijk om bij het beoordelen van een aanvraag voor bovengenoemde
                    ontheffing na te gaan of kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde van 60 dB(A).
                    Onder bepaalde voorwaarden is het acceptabel wanneer het college bij de
                    ontheffing verlening gebruik maakt van een waarde tussen de 60 dB(A) en 80 dB(A)
                    op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en op de grens van
                    geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit
                    geluidhinder. Teneinde de kans op ernstige hinder te voorkomen adviseert de
                    minister een maximum aan ‘blootstellingsdagen’ aan te houden. </al><al/><al>De beoordelingswijze gaat er in eerste instantie vanuit dat de werkzaamheden in
                    de dagperiode (07.00 tot 19.00 uur) en op werkdagen (maandag t/m vrijdag)
                    plaatsvinden. Voor bepaalde onderdelen van bouwprojecten kan avond- en nachtwerk
                    of werken in het weekend echter niet altijd worden vermeden. Ook bij
                    onderhoudswerkzaamheden aan (spoor)wegen is avond- en/of nachtwerk bijvoorbeeld
                    onvermijdelijk. Bij het verlenen van de ontheffing is het dan van belang
                    partijen te wijzen op aspecten als een zorgvuldige communicatie met omwonenden
                    en het gebruik van stille technieken. De nieuwe beoordelingswijze uit de
                    Circulaire bouwlawaai 2010 wordt opgenomen in de APV in de vorm van algemene
                    regels. Daarmee is voor een ieder vooraf duidelijk welke geluidsnormen op en
                    rond bouw- en sloopplaatsen binnen de gemeente Vlissingen gelden. </al><al/><al>De ontheffing behoeft niet te worden aangevraagd, indien de verwachting
                    gerechtvaardigd is dat de betreffende activiteiten bepaalde grenswaarden niet
                    zullen overschrijden. Dit heeft ook tot gevolg dat voor de meeste individuele
                    gevallen geen ontheffingen behoeven te worden aangevraagd. Een bijkomend
                    voordeel is dat hiermee een aanzienlijke besparing van administratieve en
                    bestuurlijke lasten kan worden gerealiseerd. </al><al/><al><cursief>Streven lawaaiige werkzaamheden in de dagperiode</cursief></al><al>Het streven dat lawaaiige werkzaamheden in de dagperiode dienen te worden
                    uitgevoerd is</al><al>ontleend aan de Circulaire Bouwlawaai 2010. Dit principe is algemeen aanvaard en
                    in praktijk toepasbaar gebleken bij veel grootschalige bouwprojecten.</al><al>Hierbij zijn twee kanttekeningen te plaatsen:</al><lijst><li nr="1."><al>Veel werkzaamheden aan snelwegen en het spoor kunnen doorgaans alleen
                            zonder exploitatie worden uitgevoerd en moeten daarom ’s nachts
                            plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Op onderdelen van een project kunnen er specifieke werkzaamheden of
                            specifieke redenen zijn die avond- en/of nachtwerk noodzakelijk maken.
                            Voorbeelden hiervan zijn:</al></li><li nr="3."><al>gebrek aan capaciteit van asfaltcentrales in de dagperiode, maakt
                            asfalteren in de avond- en nacht noodzakelijk.</al></li><li nr="3."><al>het vlinderen van betonwerk kan uitlopen tot de avond- en
                            nachtperiode;</al></li></lijst><al/><al><cursief>Voor het uitvoeren van avond- en nachtwerk is goede onderbouwing
                        nodig</cursief></al><al>Het bovengenoemde streven sluit avond- en nachtwerk niet uit. Hiervoor wordt
                    verwezen naar de twee geplaatste kanttekeningen. Om toestemming hiervoor te
                    krijgen, is wel een goede onderbouwing nodig. Het college hanteert een duidelijk
                    afwegingskader voor besluitvorming over avond- en/of nachtwerk.</al><al>Toelichting: hiermee wordt automatisch de keuze voor avond- en/of nachtwerk in
                    plaats van</al><al>dagwerk expliciet ter discussie gesteld. De afweging kan worden gebruikt voor
                    de</al><al>onderbouwing van de aanvraag. Hiervoor zijn een aantal elementen benoemd:</al><lijst><li nr=""><al>dagwerk is uitgesloten: dit is bijvoorbeeld regelmatig aan de orde bij
                            werk aan autosnelwegen of het spoor;</al></li><li nr=""><al>de geluidsproductie: dit element speelt altijd een belangrijke rol, maar
                            bij avond- en nachtwerk speelt slaapverstoring een buitengewoon
                            belangrijke rol. Het is daarom een belangrijk aandachtspunt; </al></li><li nr=""><al>draagvlak: is er draagvlak aanwezig voor avond- en/of nachtwerk en zo
                            nee of onvoldoende, is het mogelijk om het te verkrijgen of te
                            verbreden? Andersom kan ook aan de orde zijn: zijn er lokaalspecifieke
                            omstandigheden waardoor het (haast) uitgesloten is dat omwonenden de
                            geluidhinder in de avond- en/of nacht zullen accepteren?</al></li><li nr=""><al>voor- en nadelen: de balans kan doorslaan naar een voorkeur voor de
                            avond- en nachtperiode, als dit bijzonder veel voordelen biedt en de
                            hinder vanuit dat perspectief aanvaardbaar is. Bijvoorbeeld als het werk
                            dan veel sneller kan worden afgerond, uitgebreide verkeersomleidingen
                            overdag dan niet of veel minder hoeven te worden ingesteld,
                            enzovoorts.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Inzicht in de mate van geluidhinder (akoestisch onderzoek) is
                        noodzakelijk</cursief></al><al>Inzicht in de mate van geluidhinder door een akoestisch onderzoek (naar
                    verwachte</al><al>geluidniveaus) is noodzakelijk. Dit onderzoek dient te worden aangeleverd door
                    de verzoeker</al><al>ontheffing. Een goed inzicht in de mate van geluidhinder (de te verwachten
                    geluidniveaus) is noodzakelijk. De belangrijkste elementen daarbij zijn: de
                    hoogte van de geluidniveaus, de aard van het geluid en de blootstellingduur. Dit
                    beeld van de totale geluidhinder dient gespecificeerd zijn in tijd en plaats
                    (meestal woning). Het is belangrijk om op woningniveau te weten hoeveel de
                    geluidsbelasting in de periode van lawaaiige werkzaamheden is, hoeveel dagen
                    deze optreedt en de periodes van (relatieve) rust. Het spreekt voor zich dat als
                    meerdere woningen in een vergelijkbare situatie van geluidhinder zullen
                    verkeren, deze als een groep gezien kunnen worden. Toelichting: in de
                    besluitvorming wordt ook meegewogen of er fysieke maatregelen mogelijk zijn om
                    de geluidhinder te verminderen. Hierbij wordt gekeken of, als er geen
                    bronmaatregelen mogelijk zijn, in de overdracht of bij de ontvanger maatregelen
                    mogelijk zijn.</al><al/><al><cursief>Voorbeelden:</cursief></al><lijst><li nr=""><al>overdrachtsmaatregelen: het plaatsen van een tijdelijk scherm;</al></li><li nr=""><al>tijdelijk ontruimen (maatregel bij de ontvanger): als de omwonende de
                            mogelijkheid wordt gegeven elders de nacht door te brengen, dan kan deze
                            geen geluidhinder vanwege het nachtwerk ondervinden;</al></li><li nr=""><al>gevelisolatie (eigenlijk geen reële optie in dit verband en daarom
                            tussen haakjes geplaatst in de beslisboom): door de gevel beter voor
                            geluid te isoleren, wordt het geluidniveau binnen de woning
                            draaglijker.</al></li></lijst><al/><al>Overdrachtsmaatregelen, zoals het plaatsen van een tijdelijk scherm, liggen in
                    de invloedssfeer van de initiatiefnemer en kunnen dus worden afgedwongen door
                    het bevoegd gezag. Dit kan door het als voorschrift op te nemen in de
                    ontheffing. Voor ‘tijdelijk ontruimen’ en ‘gevelisolatie’ geldt dat niet,
                    hiervoor moet de initiatiefnemer</al><al>overeenstemming bereiken met de omwonenden.</al><al/><al><cursief>De toepassing van stil materieel en, zo mogelijk, stille
                        technieken</cursief></al><al>De geluidhinder kan worden verminderd door eisen te stellen aan materieel en zo
                    mogelijk,</al><al>aan bouwmethodes en -technieken. Door succesvol bronbeleid, eerst ingezet door
                    nationale regelgeving vanaf de eerste circulaire bouwlawaai in het jaar 1981 en
                    de afgelopen jaren ingebed in Europese regelgeving, is trapsgewijs de
                    geluidsproductie van bouwmachines afgenomen en zal dit in de toekomst nog verder
                    afnemen. Hiertoe strekt de ‘Regeling geluidemissie buitenmaterieel’ van 20
                    augustus 2001. Dit is de implementatie van de Europese richtlijn 2000/14/EG
                    betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik
                    buitenshuis (PbEG L 162). In artikel 4 is opgenomen dat het verboden is om
                    materieel in de handel te brengen of te gebruiken dat niet voldoet aan de in het
                    desbetreffende artikel opgenomen voorwaarden. Belangrijk onderdeel ervan is de
                    tabel waarin per type materieel de toegestane geluidsproductie (toelaatbaar
                    geluidvermogensniveau) is vastgelegd. </al><al/><al>Met ingang van 3 januari 2006 is deze aangescherpt door het in werking treden
                    van Fase II. Omwille van de leesbaarheid is onderstaand een fragment van het
                    artikel weergegeven. Voor de volledige tabel van lid 1 sub d, evenals lid 2 en 3
                    wordt verwezen naar het originele document. Het is echter niet uitgesloten dat
                    nog oud materieel in roulatie is. Hoewel de inzet van stil materieel wettelijk
                    verplicht is, kan niet uitgesloten worden dat ‘oud’ materieel wordt ingezet dat
                    niet aan de regeling voldoet. Er kan nog ‘oud’ materieel in roulatie zijn. De
                    inzet van stil materieel is alleen gewaarborgd als dat ook in de ontheffing APV
                    verplicht wordt gesteld en vervolgens wordt gehandhaafd.</al><al/><al>In tegenstelling tot de inzet van stil materieel, kan de inzet van stille
                    bouwmethodes en -</al><al>technieken niet zonder meer gevergd worden. Het financiële kader van een
                    bouwproject wordt bepaald door middel van een aanbestedingsproces en wordt
                    uiteindelijk vastgelegd in het contract. Hierin liggen tevens de
                    uitvoeringsmethoden en -technieken besloten. Dat vormt immers een basis voor de
                    calculatie. Redelijkerwijs kan van een opdrachtgever, publiek (bijvoorbeeld
                    Rijkswaterstaat) of privaat, niet worden gevergd dat deze alternatieve</al><al>uitvoeringsmethoden (en -technieken) inzet als deze véél duurder zijn dan de
                    gangbare methoden. Het ‘drukken’ van damwandplanken, een trillings- en
                    geluidsarme uitvoeringstechniek, is bijvoorbeeld aanmerkelijk duurder dan
                    ‘trillen’ en daarnaast minder nauwkeurig in de maatvoering. De gemeente kan wel
                    een kosten/baten analyse hieromtrent verlangen als de inzet van alternatieve
                    uitvoeringsmethoden en -technieken een serieuze optie is.</al><al/><al><cursief>Communicatie met omwonenden</cursief></al><al>Adequate communicatie draagt bij aan een betere acceptatie van geluidhinder. Dit
                    geldt voor</al><al>bouwlawaai in het algemeen en in het bijzonder in specifieke situaties. Zoals
                    bij geluidniveaus in de dagperiode die aanmerkelijk boven de toetsingsnorm
                    liggen, lawaaiige werkzaamheden in de avond- en of nachtperiode en dergelijke.
                    In de bijzondere situaties kan communicatie ruimte bieden voor lokaalspecifieke
                    oplossingen. Verantwoordelijk voor de communicatie is de verzoeker
                    ontheffing.</al><al/><al>Een goede communicatie met omwonenden grijpt aan op de
                    sociaalpsychologische</al><al>hinderfactoren in algemene zin. De hinder komt in ieder geval niet onverwacht en
                    er kan</al><al>zekerheid worden geboden over de duur (bijvoorbeeld: het is maar voor één
                    nacht). Verder</al><al>kan de bewoner het ‘lawaai ontvluchten’, bijvoorbeeld door eenmalig aan de
                    achterzijde van de woning te gaan slapen of uit logeren te gaan. Naast
                    voorspelbaarheid en beheersbaarheid zijn ook de andere factoren van belang. Als
                    duidelijk wordt gemaakt dat het nodig is om het werk in de nacht uit te voeren,
                    dan wordt de geluidhinder niet als onnodig ervaren. Verder is dan ook duidelijk
                    dat het aannemingsbedrijf zich bekommert om het welzijn van omwonenden, maar dat
                    de nachtelijke geluidhinder onvermijdelijk is. Een goede klachtenregistratie en
                    -afhandeling hoort daar ook bij. Lokaalspecifieke oplossingen kunnen ontstaan in
                    een “evenwichtige wisselwerking” tussen enerzijds bouwheer, dan wel
                    aannemingsbedrijf en anderzijds omwonenden. Door tegemoet te komen in elkaars
                    wensen of wensen tegen elkaar in te ruilen, kan voor meerdere of alle partijen
                    een aanvaardbare, betere situatie worden gerealiseerd. De kanttekening wordt wel
                    geplaatst dat de gemeente, als publieke partij, een dergelijke overeenkomst
                    binnen de juridische mogelijkheden van de APV niet kan afdwingen.</al><al/><al><cursief>Controle op de uitvoering</cursief></al><al>In de ontheffing kunnen weliswaar voorwaarden en voorschriften zijn opgenomen
                    om</al><al>geluidhinder te voorkomen of te beperken, maar dan is het nog niet zeker dat ook
                    conform de ontheffing wordt gewerkt. Verder kan een ‘rustige’ manier van werken
                    (‘geen gooi- en</al><al>smijtwerk’) moeilijk in richtlijnen worden vastgelegd. Een goede controle op de
                    uitvoering van</al><al>het werk is daarom noodzakelijk. De inzet van bouwmaterieel conform de
                    “Regeling</al><al>geluidemissie buitenmaterieel” wordt steekproefsgewijs uitgevoerd.
                    Controlemetingen worden uitgevoerd bij twijfel over de opgegeven geluidniveaus
                    en bij klachten.</al><al/><al><cursief>Normstelling</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid nadere regels te stellen inzake
                    de hinder door bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden. Daartoe zijn ter
                    uitvoering van de APV twee beleidsregels vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>Beleidsregels ernstige hinder bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden
                            en indieningsvereisten aanvraag ontheffing ex artikel 4:7, tweede lid en
                            artikel 4:7b, eerste lid, van de APV 2009.</al></li><li nr="2."><al>Beleidsregels algemene voorschriften bouw-, sloop- en
                            onderhoudswerkzaamheden ex artikel 4:7, derde lid, onder a en b van de
                            APV 2009.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op
                            dinsdag- of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek
                            af te spelen op eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in
                            stand. Het opnemen van geluidsnormen in de verordening is een zaak van
                            de gemeentelijke wetgever. ABRS 16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr.
                            AE8977.</al></li><li nr=""><al>Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend
                            voor het houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen.
                            Omvang en karakter van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel -
                            dusdanig te achten dat daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als
                            bedoeld in artikel 4.1.5 van de APV valt te verwachten. Rb Zutphen
                            05-07-2002, 02/972 VEROR 58, LJN-nr. AE5178.</al></li><li nr=""><al>Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen
                            van carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op
                            woensdag- of zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A)
                            ter plaatse van woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt
                            dat het carillon in het winkelgebied moet worden gehoord geeft geen,
                            althans onvoldoende blijk dat de belangen van de appellant, die tussen
                            de toren en het winkelgebied woont, bij de besluitvorming in voldoende
                            mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1, LJN-nr. AE0239.</al></li><li nr=""><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20).
                            Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en
                            wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers
                            mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de
                            buurman kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20) en er de zorg voor
                            heeft (op grond van artikel 4.1.5.1 van de betreffende verordening). Rb
                            ´s-Hertogenbosch, AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al></li><li nr=""><al>Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging.
                            Grote zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB,
                            1991, 44 m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG
                            91.0144 , BF 1991, 4 m.nt.J.M.H. de Vettacken.</al></li><li nr=""><al>Het aan- of afslaan van een c.v. installatie is niet aan te merken als
                            het verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS 3 6
                            1996, JG 97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.</al></li><li nr=""><al>Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek
                            in winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206
                            m.nt. A.B. Engberts.</al></li><li nr=""><al>Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen
                            op trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290 .</al></li><li nr=""><al>Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester
                            alcohol wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning
                            voor horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS,
                            1992, 6945, 4 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al></li><li nr=""><al>Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS
                            2-11-1990, GS, 1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al></li><li nr=""><al>De rechtbank Breda vernietigt het besluit van de gemeente Tilburg om aan
                            het kerkbestuur van de Margarita Mariakerk een dwangsom op te leggen
                            voor het te hard luiden van de kerkklokken om kwart over zeven ‘s
                            ochtends. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dit
                            besluit ten onrechte gebaseerd op haar Algemene Plaatselijke Verordening
                            (APV). Het kerkbestuur had aangevoerd dat een gemeente niet via de APV
                            een grondrecht – hier het recht op vrijheid van godsdienst – mag
                            beperken. Dit zou alleen mogen via een regeling op grond van de Wet
                            openbare manifestaties. De gemeente Tilburg heeft zo’n regeling niet.
                            Naar het oordeel van de rechtbank kan de gemeente op zich ook wel via
                            andere regelingen handhavend optreden tegen geluidsoverlast door
                            klokgelui. Dit kan echter niet via artikel 110 van de Tilburgse APV,
                            waarop de gemeente zich bij dit besluit had gebaseerd, omdat volgens de
                            rechtbank hier de Wet milieubeheer van toepassing is, zodat het
                            APV-artikel niet geldt. (Rb Breda 26-11-2007, nr. 07/3956 GEMWT, LJN
                            BB8689).</al></li><li nr=""><al>Op grond van de APV is ontheffing verleend voor het gebruik van
                            knalapparatuur. Naast de aanvrager zijn onder meer de eigenaren en
                            bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze knalapparatuur
                            kunnen worden ondervonden, belanghebbenden. Een knal afkomstig van de
                            knalapparatuur is waarneembaar op het perceel van appellant. Gelet
                            hierop is aannemelijk dat op het perceel van appellant milieugevolgen
                            van die knalapparatuur kunnen worden ondervonden zodat appellant in
                            zoverre belanghebbende is bij het ontheffingsbesluit. Appellant en het
                            college zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het geluid van de
                            knalapparatuur op het verder afgelegen perceel ook waarneembaar is.
                            Zonder daar naar onderzoek te doen, kan niet worden beoordeeld of
                            appellant in zoverre belanghebbende is bij het ontheffingsbesluit
                            (ABRS25 april 2007, AB Kort 2007, 263).</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 2: Bodem-, weg- en
                        milieuverontreiniging</vet><onderstreept>Artikel 4:8
                        Straatvegen</onderstreept></al><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Een dergelijke bepaling moet,
                    gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de
                    wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk
                    de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten
                    aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze
                    verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:8 beoogt niet een
                    verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt
                    het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het
                    daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten
                    en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren.</al><al/><al>Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan
                    niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is
                    of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven
                    publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan
                    huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken
                    van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van
                    het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De gemeenteraad is op basis van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd
                            tot het treffen van regelen die andere belangen dan verkeersbelangen
                            beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo
                            diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het
                            stelsel van de Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Zie HR 21 juni
                            1966, NJ 1966, 417, met noot W.F. Prins (bromfietsenverbod Sneek) en HR
                            23 december 1980, NJ 1981, 171, met noot Th.W. van Veen (rijverbod
                            Schiermonnikoog).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte doen</onderstreept></al><al>Met het oog op de openbare gezondheid en hygiëne is het verboden op een openbare
                    plaats te poepen en te urineren. </al><al><onderstreept>Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                        openbare riolen en putten buiten gebouwen</onderstreept></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Bouwverordening gemeente
                    Vlissingen geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen
                    gaat die niet direct het bouwwerk, maar meer de omgeving betreffen, is tot
                    onderbrenging in de APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr.
                    J.M.H.F. Teunissen.</al><al><vet>Afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al>In deze afdeling zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het bewaren van
                    houtopstanden. Het doel van deze bepalingen is daarmee een ander doel dan de
                    wetgever met de Boswet heeft beoogd. De bepalingen van de Boswet richten zich
                    blijkens de memorie van toelichting voornamelijk op de instandhouding van het
                    Nederlandse bosareaal. De voorschriften in deze APV hebben als doel het behoud
                    van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te definiëren, maar van
                    belang is de waarde uit een oogpunt van natuurwaarde, landschappelijke waarde,
                    stads- en dorpsschoon, en beeldbepalende waarde. Centraal in de kapvoorschriften
                    staat het verbod houtopstand (voornamelijk bomen) te vellen zonder vergunning
                    van het college. Ter bescherming van de zo-even genoemde belangen kan de
                    vergunning worden geweigerd. Het behoud van waardevolle bomen moet worden
                    afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang van degene die tot velling wil
                    overgaan. Worden waardevolle bomen illegaal gekapt of gaan zij door andere
                    oorzaken te gronde, dan kan een herplantplicht worden opgelegd. Ook is het
                    mogelijk een onderhoudsplicht op te leggen, als waardevolle bomen ernstig in het
                    voortbestaan worden bedreigd. Ook hier moet belangenafweging plaatsvinden.</al><al/><al>De voorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen en buiten de
                    bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is de gemeentelijke
                    regelingsbevoegdheid uitgezonderd voor een aantal categorieën van bomen, o.a.
                    wilgen en populieren langs wegen en landbouwgronden, bomen van
                    bosbouwondernemingen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden. De
                    model-kapvoorschriften gelden ook niet voor struiken of heesters, al is het
                    mogelijk een lijst van te beschermen strui­ken op te nemen. De Boswet bevat
                    regels met betrekking tot de bewaring van bossen en andere houtopstanden. In de
                    wet is uitdrukkelijk aangegeven dat de aan andere openbare lichamen toekomende
                    bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen slechts beperkt wordt door hetgeen
                    in de wet nadrukkelijk is bepaald.</al><al>Hoewel het bestemmingsplan het geijkte instrument is voor het stellen van
                    voorschriften met betrekking tot gebruik van gronden en opstallen, is er toch
                    aanleiding aparte voorschriften te stellen ter bescherming van houtopstanden.
                    Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt steeds vaker gestreefd naar een
                    globale opzet en dito voorschriften. Hoewel overwogen kan worden in bijzondere
                    gevallen, in het geval van zeer waardevolle bomen, voorschriften in het
                    bestemmingsplan op te nemen ter bescherming van houtopstand, lijken de
                    onderhavige bepalingen in het algemeen daartoe toch beter geschikt te zijn.</al><al/><al>Vooralsnog moet er op grond van jurisprudentie van worden uitgegaan dat het
                    kapverbod moet wijken voor het recht van de eigenaar van een buurerf om
                    uitroeiing te vorderen krachtens artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, als
                    bomen te dicht bij de erfscheiding staan. Hoewel de VNG de
                    model-Bomenverordening van de Bomenstichting te Utrecht en de vakgroep Groen,
                    Natuur en Landschap van de Vereniging Stadswerk Nederland in algemene zin
                    onderschrijft, is gekozen voor integratie van zoveel mogelijk gemeentelijke
                    regelgeving in de APV; de onderhavige bepalingen zijn om die reden in de APV
                    opgenomen. Overigens bestaan er ook inhoudelijke verschillen tussen de
                    voorschriften in dit hoofdstuk van de APV en de model-Bomenverordening. Hier
                    wordt volstaan met de opmerking dat de model-Bomen-verordening op een aantal
                    punten uitgebreider en voor de gemeente dwingender is, met name als het gaat om
                    het hanteren van de boomwaarde, een standaardvoorwaarde van niet-gebruik bij
                    bezwaar en beroep en een verplichting tot het opstellen van een lijst met
                    monumentale bomen. De model-Bomenverordening is opgenomen in de publicatie
                    'Bomen en wet', mr B.M. Visser, Bomenstichting, vierde geheel herziene druk,
                    1995.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De gemeentelijke kapbepalingen wijken slechts bij uitzondering voor het
                            burenrecht indien zij het beoogde (landschaps)belang niet kan dienen of
                            indien de gemeente in redelijkheid niet tot het handhaven van het
                            kapverbod had kunnen komen. Hof 's-Hertogenbosch 16-5-1986, NJ 1987,
                            31.</al></li><li nr=""><al>Ook de gemeente moet de afstanden uit artikel 5:42 BW in acht nemen.
                            Afwijking van deze afstanden is mogelijk. Indien dit leidt tot schade
                            voor derden behouden deze recht op schadevergoeding. Rb. Roermond
                            4-5-1995, JG 96.0239.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:11 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid, onderdeel a (houtopstand)</cursief></al><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert. Gesproken
                    wordt van 'bossen en andere houtopstanden'; ook de bossen worden dus tot de
                    houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving gegeven van
                    houtopstand en ook niet van hakhout. In artikel 4:11, eerste lid, van de APV
                    wordt ook een houtwal als houtopstand aange­merkt. In het algemeen vallen onder
                    houtwal alle lintvormige begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit
                    bomen en/ of struiken. Het begrip omvat onder andere houtsingels, houtkaden en
                    de Limburgse graften, graven of steilranden. Houtwallen zijn duidelijk
                    omvangrijker dan heg­gen of hagen of de in het tweede lid van artikel 4:12
                    bedoelde wegbeplantingen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
                    Solitaire struiken of heesters vallen niet onder de vergunningplicht. Als struik
                    of heester wordt doorgaans beschouwd ieder houtachtig gewas dat zich direct
                    boven de grond vertakt, daardoor in tegenstelling tot een boom geen echte stam
                    heeft, en in de regel maximaal een hoogte van een paar meter (Van Dale:
                    manshoogte) bereikt. </al><al/><al>Bij het opstellen van de bepalingen is allereerst gedacht aan het bewaren van
                    houtopstand van grote omvang, dat wil zeggen een of meer grote bomen. Immers,
                    vooral van een dergelijke houtopstand kan worden gezegd dat deze visuele of
                    natuurwaarde heeft. Indien de gemeente ook (grote) struiken of heesters wil
                    beschermen, dient dit expliciet in dit artikel te worden vastgelegd. De
                    moeilijkheid is echter dat van struiken niet scherp valt aan te geven welke
                    soorten groot kunnen worden en welke niet. Alleen van bomen staat vast dat zij
                    doorgaans fors uitgroeien. Het begrip houtopstand is dan ook in eerste instantie
                    beperkt tot bomen. Daaronder vallen ook bomen van (nog) onbetekenende omvang,
                    omdat anders jonge boompjes, aangeplant in het kader van een herplantplicht,
                    vrijelijk zouden kunnen worden omgehakt. Dit betekent dat een klein boompje wel
                    en een grote, boomachtige struik geen bescherming geniet. Indien dit als
                    ongewenst wordt beschouwd, kan dit worden opgelost door aan de omschrijving van
                    houtopstand een lijst toe te voegen van potentieel omvangrijke struiken, bij
                    voorbeeld: meidoorn, sleedoorn, braam, hulst, hazelaar, vlier e.d. Voorts valt
                    griendhout (Van Dale: (wilge)hakhout dat groeit langs de rivieren, ook genoemd
                    in artikel 1, derde lid, van de Boswet) niet onder de model-bepalingen.
                    Vermoedelijk zullen maar enkele gemeenten behoefte hebben aan regels
                    daarvoor.</al><al/><al>Een dode boom is in juridische zin soms geen boom. De bepalingen in dit
                    hoofdstuk zijn echter in beginsel ook van toepassing op dode bomen. Een dode
                    boom kan bovendien van grote natuurwetenschappelijke of beeldbepalende waarde
                    zijn. Anderzijds kan een dode boom juist gevaar opleveren, bijvoorbeeld voor het
                    verkeer.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Dode boom soms geen boom. Pres. Rb Den Bosch 15-6-1992, NJKort 1992,
                            59</al></li><li nr=""><al>Definitie van het begrip 'dunning' HR 18-6-1985, MR 1986/1, NJ 1986,
                            183. </al></li><li nr=""><al>Dunning is 'vergunningvrij', maar in een kapvergunning moet een limiet
                            worden opgenomen om te voorkomen dat meer gekapt wordt dan de bedoeling
                            is Vz. ABRS, 13-11-1992, AB 1993, 184.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                        houtopstanden</onderstreept></al><al>Artikel 4:12 geeft de werkingssfeer van de regeling aan. De regeling geldt zowel
                    binnen als buiten de bebouwde kom. De vergunning voor het vellen van
                    houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wabo.
                    Vaak zal naast de vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op
                    grond van de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet nodig zijn in
                    verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. De
                    Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij de Wabo. Er wordt dan
                    dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De Boswet haakt echter niet
                    aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft dus een aparte vergunning
                    vereist.</al><al/><al>In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.
                    Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij
                    artikel 1:2 van de APV) zijn er in artikel 7.3 van de Mor nog een aantal
                    speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit
                    artikel 7:3 luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld
                            in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert
                            de aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid,
                            van deze regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft
                            met een nummer.</al></li><li nr="2."><al> In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de
                            aanvrager per genummerde houtopstand:</al><lijst><li nr="1."><al>de soort houtopstand;</al></li><li nr="2."><al>de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel
                                    achtererf;</al></li><li nr="3."><al>de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het
                                    maaiveld;</al></li><li nr="4."><al>de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele
                                    voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot
                                    herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te
                                    gaan.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Met het kappen van bomen in het kader van bouwactiviteiten waarvoor de
                            (bouw)vergunning niet in stand blijft, wordt geen belang meer gediend.
                            ABRS 5-2-1996, JU 971031 (in VNG databank opgenomen)</al></li><li nr=""><al>Voor een solitaire vruchtboom is geen kapvergunning vereist (Kb 24
                            oktober 1986, nr. 43, M en R 1987/8. </al></li><li nr=""><al>Weigering kapvergunning vanwege belang voor recreatie en leefbaarheid
                            niet mogelijk als het motief van de van toepassing zijnde kapverordening
                            niet verder strekt dan behoud van natuur-, landschaps-, dorps- of
                            stadsschoon (KB 19-10-1976, TMR 1977, AB 1977)</al></li><li nr=""><al>Een op de stam van een Japanse sierkers geënte morellenboom is een
                            vruchtboom. KB 24/10/1­986, M en R 1987/8.</al></li><li nr=""><al>Vraag is of het deel van de delictsomschrijving 'anders dan bij wijze
                            van dunning' bestanddeel is van een strafbaar feit. HR 18/6/1985, MenR
                            1986/1, NJ 1986, 183, zie ook model-kapverordening 1962 en 1979.</al></li><li nr=""><al>Belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de kapvergunning die is
                            verleend voor het kappen van 12 iepen op de Dam in Amsterdam.
                            Verzoekster 1 woont nabij de Dam, maar heeft hier vanuit haar woning
                            geen zicht op. Niet is gebleken dat het bestreden besluit een directe
                            invloed heeft op de woonomgeving van verzoekster. De omstandigheid dat
                            zij van en naar haar woning een route volgt die via de Dam loopt is niet
                            zodanig specifiek dat daaruit een rechtstreeks bij het besluit betrokken
                            belang voortvloeit. Verzoeker 2 heeft principiële bezwaren tegen het
                            kappen van bomen die van ecologische aard zijn. De mogelijkheid om voor
                            dergelijke belangen op te komen kan echter niet aan verzoekers
                            statutaire doelstelling worden ontleend. Hetzelfde geldt voor het beroep
                            op economische belangen. Zowel verzoekster 1 als verzoeker 2 kunnen dan
                            ook niet als belanghebbende in zin van artikel 1:2 Awb worden beschouwd
                            (pres. Rb Amsterdam 03-11-00, JB 2000, nr. 340).</al></li><li nr=""><al>Wabo 2.2 eerste lid aanhef en onder g, 2.18 APV Boxtel;
                            omgevingsvergunning. Kappen bomen. Indien op grond van de bij de
                            aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk is dat de
                            aanvrager eigenaar is van de bomen kan van verweerder niet worden
                            verlangd zelfstandig, diepgaand onderzoek te verrichten naar de
                            eigendomsverhoudingen. Verweerder is niet in staat omtrent de
                            eigendomsverhoudingen een bindend oordeel te doen vellen. Slechts de
                            burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. Voorzieningenrechter Rb.
                            's-Hertogenbosch, 08-04-2011, AWB 11/762 LJN: BQ0825</al></li><li nr=""><al>Ontvankelijkheid aanvrager, zakelijk recht; artikel 4.5.3. APV
                            Leidschendam. Zoals de Afdeling in deze zaak eerder heeft overwogen
                            (uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=18673">200702918/1</extref>) heeft de vergunninghouder als
                            appartementseigenaar van de benedenwoning recht op het uitsluitend
                            gebruik van de tuin en verder toebehoren, waaronder de met de grond
                            verenigde bomen, wat ertoe leidt dat hij een aanvraag als bedoeld in
                            artikel 4.5.3, eerste lid, van de APV kon indienen. Met deze uitspraak
                            staat in rechte vast dat de aanvrager gerechtigd was de kapvergunning
                            aan te vragen. De rechtbank is hiervan terecht uitgegaan. Hetgeen
                            [appellant] heeft aangevoerd over de inbreuk op het eigendomsrecht van
                            de vereniging en haar leden alsmede over het niet voldoen aan de op het
                            aanvraagformulier gestelde vereiste van toestemming van de eigenaar,
                            komt neer op een herhaling van hetgeen hij in de eerdere procedure naar
                            voren heeft gebracht en door de Afdeling is verworpen. Dit kan thans
                            niet meer aan de orde worden gesteld. Van strijd met artikel 6 van het
                            EVRM is geen sprake (ABRS 9 december 2009, LJN BK5828).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:13 Weigering en herplantplicht</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid (weigering)</cursief></al><al>Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. </al><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. In
                    de jurisprudentie worden als toetsingscriteria onder andere aangetroffen:</al><lijst><li nr=""><al>natuurwaarde</al></li><li nr=""><al>landschappelijke waarde</al></li><li nr=""><al>waarde voor stads- en dorpsschoon</al></li><li nr=""><al>beeldbepalende waarde</al></li><li nr=""><al>cultuurhistorische waarde</al></li><li nr=""><al>waarde voor leefbaarheid</al></li></lijst><al/><al>Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden
                    met:</al><lijst><li nr=""><al>de recreatieve waarde van een opzichzelf lelijke klimboom, die bij de
                            jeugd als speelobject waardering ondervindt;</al></li><li nr=""><al>de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of
                            planologisch oogpunt of wegens ouderdom of situering;</al></li><li nr=""><al>de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld
                            doordat daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien,
                            hetzij hogere planten dan wel mossen of korstmossen, de luchtzuiverende
                            kwaliteiten, de invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat en de
                            nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.</al></li></lijst><al/><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)
                    omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de standplaats
                    (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend of langzaam
                    groeiend). Deze begrippen zijn niet nauwkeurig te omschrijven. De hier gegeven
                    opsomming is bovendien niet uitputtend. Wel zal elke keer weer een afweging
                    moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen. Een kapvergunning zal
                    bijvoorbeeld in het algemeen moeten worden verleend, wanneer:</al><lijst><li nr=""><al>het gaat om het vellen van de houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat
                            deze bij gedeelten periodiek worden 'afgezet', dat wil zeggen, geveld om
                            een geleidelijke verjonging mogelijk te maken;</al></li><li nr=""><al>het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar
                            vormt voor de openbare veiligheid, bij voorbeeld wegens het risico van
                            omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;</al></li><li nr=""><al>de bezwaren, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het
                            belemmeren van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het
                            verstopt raken van goten, enz., zwaarder wegen dan de waarde van de
                            houtopstand;</al></li></lijst><al>Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter
                    bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een
                    kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel
                    moeten worden 'afgeschreven'. Een al te starre toepassing van dit artikel kan
                    fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan
                    te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen 'er voor eeuwig aan vast te
                    zitten'.</al><al/><al><cursief>Tweede lid (herplantplicht)</cursief></al><al>Blijkens de jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk
                    optreden nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er meer
                    bomen of zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige
                    toestand kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de
                    vorige toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien niet anders mogelijk
                    zelfs pas na verloop van tijd. Wanneer een herplantplicht alleen maar als
                    vergunningsvoorschrift zou kunnen worden gesteld, dan zou dat betekenen dat
                    iemand aan de oplegging van een herplantplicht kan ontkomen door zonder
                    vergunning te vellen. De in artikel 4:16a, eerste lid, opgenomen bepaling maakt
                    het mogelijk in zulke gevallen een zelfstandige herplantverplichting te
                    scheppen. Het in het eerste lid opgenomen 'dan wel op andere wijze teniet is
                    gegaan' maakt het mogelijk dat het college ook een verplichting tot
                    herplantplicht kan opleggen, als de houtopstand teniet is gegaan door
                    verwaarlozing of door een calamiteit.</al><al/><al>Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand
                    teniet is gegaan door een velling ingevolge de Planteziektenwet dan wel op grond
                    van (andere) bepalingen van de APV, bij voor­beeld in verband met de
                    verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het uitvoeren van de herplantplicht
                    soms ook de medewerking van anderen dan de zakelijk gerechtigde noodzakelijk is.
                    Daarom is aansluiting gezocht bij de omschrijving van artikel 14, eerste lid,
                    van de Woningwet: aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de eigenaar 'of tot
                    degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is'.
                    Deze toevoeging is ook van belang voor gemeenten waar zich kroondomeinen
                    bevinden. De herplantplicht kan dan worden opgelegd aan degene die 'krachtens
                    enig duurzaam persoonlijk recht' tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.
                    Ook in de Boswet komt een herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht
                    de eigenaar van grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning
                    is geveld of op andere wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Artikel 3 van de
                    Boswet geeft daarvoor nadere regels. De herplantplicht die in artikel 4:13,
                    tweede lid is neergelegd, verschilt van de herplantplicht van de Boswet. De
                    herplantplicht in deze bepaling geldt niet zonder meer, maar pas wanneer het
                    college daar­toe besluit. De herplantplicht van de Bos­wet bestaat uit kracht
                    van de Boswet zelf. De herplantplicht heeft in deze bepaling bovendien een
                    andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij gericht op het behoud van
                    het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is), terwijl herbeplanting
                    krachtens de modelbepalingen geschiedt om redenen van behoud van natuur- of
                    landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde en daardoor
                    vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt dat een
                    herplantplicht slechts opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel van de
                    verloren waarden kan voortkomen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Plaats waar tot herbeplanting moet worden overgegaan moet op een
                            tekening worden aangegeven. ARRS 17-5-1992, JG 92.045­8, AB 1992,
                            600.</al></li><li nr=""><al>Bevel tot strafvervolging tegen gemeente wegens overtreding van
                            kapverbod. Voorbeeldfunctie van gemeente t.a.v. naleven van eigen
                            verordeningen. Herplantplicht. Hof Leeuwarden 6-6-1995, MenR 1996,
                            4.</al></li><li nr=""><al>Aan bevoegdheid tot opleggen van herplantplicht kan belang van behoud
                            van landschapsschoon ten grondslag liggen. Rb Roermond, 27-9-1996, JB
                            1996, 225.</al></li><li nr=""><al>Besluit tot herplantplicht van 25 inheemse bomen. De Boswet strekt tot
                            het bewaren van bossen en andere houtopstanden, hetgeen, kort gezegd
                            betrekking heeft op de hoeveelheid bomen. Afdeling 3 van hoofdstuk 4 van
                            de APV sterkt tot bescherming van natuur- en milieuwaarden van stads- en
                            dorpsschoon en voor recreatie en leefbaarheid. De Boswet strekt derhalve
                            tot bescherming van andere belangen dan die waarop bedoelde bepalingen
                            van de APV betrekking hebben. Aangezien de aan appellante opgelegde
                            herplantplicht geen betrekking heeft op in artikel 15, tweede lid,
                            Boswet genoemde houtopstanden en de bomen geen deel uitmaken van een in
                            het derde lid bedoelde bosbouwonderneming worden de aan het college
                            toekomende bevoegdheden vervat in afdeling 3 niet beperkt in de zin van
                            artikel 15, eerste lid, Boswet (ABRS 11-01-2006, JB 2006, 57 en Gst.
                            2006, 170 (LJN: AU9409)</al></li><li nr=""><al>Ten onrechte aan leeftijd, gezondheidstoestand en landschappelijke
                            waarde de voorkeur gegeven boven het gevaar en de hinder voor de
                            aanvrager van een kapvergunning. ABRS 16-11-1994, AB 1995, 181, JG
                            95.0246.</al></li><li nr=""><al>Bij belangenafweging moet ernstige overlast van boom prevaleren boven
                            beeldbepalende waarde. ABRS 18-7-1995, G06.93.1783, JU 961108 (in
                            VNG-databank opgenomen).</al></li><li nr=""><al>Zolang onvoldoende zekerheid bestaat over het plan in het kader waarvan
                            bomen zullen worden gerooid, is een kapvergunning niet op zijn plaats.
                            JG 91.0192.</al></li><li nr=""><al>De eigenaar van een naburig erf kan krach­tens artikel 5:42 BW
                            verwijdering vorderen van bomen die geplant zijn binnen twee meter
                            (tenzij ingevolge een gemeentelijke verordening of een plaatselijke
                            gewoonte een kleinere afstand is toegelaten) van de erfafscheiding. ARR
                            26-11-1992, R03.92.5088/P90, S03.92.3873; eerder: KB 23-10-1976, AB
                            1977.</al></li><li nr=""><al>Belanghebbende; mevrouw Kiki-criterium: Volgens het zichtcriterium zijn
                            appellanten geen belanghebbenden bij een kapvergunning voor ruim 1000
                            bomen in een park. Desondanks kan een eigen, persoonlijk belang van een
                            natuurlijk persoon bij een besluit tot verlening van een kapvergunning
                            zijn betrokken. Dat kan het geval zijn als de kap op andere wijze een
                            directe invloed heeft op de woonomgeving. De te kappen bebossing heeft
                            ingevolge politieke besluitvorming sinds 1974 een wijkfunctie als extra
                            groenvoorziening voor de bewoners van een aanpalende wijk. Nu
                            appellanten daar woonachtig zijn en hebben gesteld regelmatig gebruik te
                            maken van het parkje, dat door de kap grotendeels zal verdwijnen, zijn
                            zij toch belanghebbenden. (ABRS 29-08-2000, AB 2000, nr. 477)</al></li><li nr=""><al>Ook zonder uitdrukkelijke bepaling kan een herplantplicht worden
                            opgelegd en kunnen daarbij aanwijzingen worden gegeven of een termijn
                            gesteld. KB 5-2-1971, OB 1972, XVIII.3, nr. 32633 (Beilen).</al></li><li nr=""><al>Verbinden van voorwaarde aan kapvergun­ning dat per gevelde boom een
                            be­paald bedrag in een Bomenfonds moet worden gestort is aanvaardbaar.
                            ABRS 1-2-1995, BR 1996, 151 en JG 95.0172.</al></li><li nr=""><al>Toepassen methode-Raad bij berekening waarde gevelde houtopstand en
                            vaststelling omvang en plaats van herplantplicht niet onredelijk. ABRS
                            15-9-1994, AB 1994,692.</al></li><li nr=""><al>In het kader van de oplegging van een herplantplicht moet de boomsoort
                            expliciet worden omschreven; advies in rechte niet afdwingbaar. ABRS
                            5-2-1996, JG 96.0202.</al></li><li nr=""><al>Voorwaarde, inhoudend dat van vergunning pas gebruik mocht worden
                            gemaakt, indien en zodra Kroon met beoogde wegaanleg zou instemmen, in
                            belang van natuur- en landschapsschoon, welke belangen kapverordening
                            beoogde te dienen. ARRS 9-12-1980, AB 1981, 169.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:14 Vergunning van rechtswege</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.<onderstreept>Artikel 4:15
                        Waardevolle bomenlijst </onderstreept></al><al>In het kader van de WABO is een groot aantal vergunningen op het gebied van
                    bouwen, ruimtelijke ordening en milieu in één omgevingsvergunning samengevoegd.
                    Het gaat onder andere om de kapvergunning. Jaarlijks worden in Vlissingen
                    gemiddeld 23 kapvergunningen aangevraagd, waarvan bijna alle aanvragen worden
                    gehonoreerd. In het kader van vermindering regelgeving wordt het aantal bomen
                    waarvoor dit geldt verminderd. De bomen waarvoor een vergunning moet worden
                    aangevraagd worden beperkt tot een vastgestelde lijst (groene kaart). Deze kaart
                    wordt iedere vijf jaar geactualiseerd. </al><al/><al>Op de bomenlijst komen zowel gemeentelijke als particuliere bomen te staan
                    met:</al><al>• de natuurwaarde van de houtopstand</al><al>• de landschappelijke waarde van de houtopstand</al><al>• de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon</al><al>• de beeldbepalende waarde van de houtopstand</al><al>• de cultuurhistorische waarde van de houtopstand</al><al>• de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand</al><al>• dendrologische waarde</al><al>• toekomstboom</al><al/><al>Deze criteria worden ook op dit moment, passend binnen het groenstructuurplan,
                    als toetsingscriteria gehanteerd bij het al dan niet verlenen van een
                    kapvergunning. De bomen die op de bomenlijst komen te staan, vallen onder
                    dezelfde criteria als de criteria waaraan op dit moment de kapvergunningen
                    worden getoetst. Het betreft geen beleidswijziging maar een andere werkwijze in
                    het kader van de WABO. De toetsing vindt vooraf plaats. Dit verhoogt de
                    transparantie van het gemeentelijk beleid. De concept-bomenlijst wordt in nauw
                    overleg met belangenorganisaties opgesteld. Eigenaren van op de lijst
                    voorkomende bomen worden schriftelijk geïnformeerd. Daarna wordt deze
                    concept-bomenlijst / groene kaart in de inspraak gebracht. Door deze manier van
                    opstellen wordt het risico van een onvolledige lijst voorkomen. Ook wordt de
                    lijst bij inwoners onder de aandacht gebracht. Door het werken met een
                    vastgestelde bomenlijst wordt, op basis van ervaringen uit voorgaande jaren,
                    verwacht dat er ongeveer vijf kapvergunningen per jaar aangevraagd zullen worden
                    (Zie ook collegebesluit van 15 juni 2010, registratienummer 367218).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:16 Bestrijding iepziekte</onderstreept></al><al>Op 1 januari 1991 verviel de door het ministerie van landbouw, natuurbeheer en
                    visserij gecoördineerde iepziektebestrijding. Het ministerie acht de ziekte
                    beheersbaar, omdat ten gevolge van de aanpak de infectiedruk op een laag niveau
                    is gebracht. De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en
                    de takken verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen de wortels en de boom
                    verstoord en krijgen de bladeren geen voedingsstoffen en water meer. De boom is
                    dan ten dode opgeschreven. Dit proces kan zich binnen enkele weken voltrekken.
                    De schimmel wordt overgebracht door de iepenspintkever. De kevers leggen hun
                    eitjes onder de schors van zieke of dode iepen. De jonge kevers vliegen naar
                    gezonde bomen in de buurt, die zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels
                    zonder tussenkomst van de kever, de schim­mel aan elkaar over.</al><al/><al>Verspreiding van de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood iepenhout
                    in de periode mei t/m augustus binnen één maand te vernietigen. Iepenhout
                    afkomstig van najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn vernietigd. Om
                    de ziekte tegen te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel op particuliere
                    terreinen als op publiekrechtelijk beheerde terreinen tweemaal per groeiseizoen
                    te controleren op de aanwezigheid van de ziekte.</al><al/><al>In artikel 4:12, tweede lid, onder g is de opheffing van het kaperbod geregeld
                    indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van een boom. In
                    1994 zijn er ca. 20.000 iepen verloren gegaan door de iepziekte (Mogelijkheden
                    voor het behoud van de iep in Nederland, J.L. Guldemond, IBN-DLO, IBN-rapport
                    158, 1995). De Bomenstichting schat in dat in 1995 ca. 40.000 iepen verloren
                    zijn gegaan door de iepziekte. De bij de bestrijding van de iepziekte betrokken
                    organisaties (waaronder de Bomenstichting, het ministerie van LNV, de Vereniging
                    Stadswerk, de Groenraad en enkele gemeenten) plegen overleg in het Iepen Beraad.
                    De VNG is geen deelnemer aan het Iepenberaad maar onderschrijft wel de
                    doelstelling van coördinatie van de bestrijding van de iepziekte. De
                    verantwoordelijkheid voor bestrijding van de iepziekte ligt voornamelijk bij
                    gemeenten. Die verantwoordelijkheid krijgt vorm door een consequente uitvoering
                    en handhaving van dit voorschrift. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:16a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan
                        bomen</onderstreept></al><al>Het bevestigen van voorwerpen in of aan bomen kan de bomen ontsieren en ernstig
                    beschadigen. Bijv. een touw dat om een tak wordt geknoopt en dat niet tijdig
                    wordt losgeknoopt kan na verloop van tijd en schors indrukken, waardoor de tak
                    zal afsterven en onverwacht naar beneden kan komen. Dit soort gevaarlijke
                    situaties moet worden voorkomen. </al><al><vet>Afdeling</vet><vet> 4: Maatregelen tegen ontsiering en
                        stankoverlast</vet><onderstreept>Artikel 4:17 Opslag voertuigen, vaartuigen,
                        mest, afvalstoffen enz.</onderstreept></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is. De opslag van afvalstoffen wordt geregeld in
                    artikel 31 van de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen. Artikel 25, sub
                    c, Wet milieubeheer biedt hier uitdrukkelijk de basis voor. Een autowrak is per
                    definitie een afvalstof. Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden
                    op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is
                    aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten
                    plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in
                    deze verordening opgenomen voorschriften. De in de afdeling 5.1
                    “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien
                    van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare voertuigen en
                    voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door
                    garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><al><onderstreept>Artikel 4:18 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                        handelsreclame</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is het oude artikel 4.4.2 APV ingrijpend herzien. Dat
                    houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een
                    algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar
                    te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De
                    gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                    doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden
                    getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast
                    wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk
                    valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle
                    reclames in stand te houden.</al><al/><al>Waar de ervaring is dat reclame niet of nauwelijks problemen oplevert en via de
                    bouwvergunningen afdoende kan worden geregeld, kan het daarbij laten. Ter
                    bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de APV
                    zijn twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de
                    vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd tenzij de
                    aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie de
                    toelichting bij de betreffende artikelen</al><al/><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de APV
                    als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                    beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het
                    artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met
                    de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de
                    grond zijn verenigd.</al><al/><al><cursief>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:18 gaat om
                    niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie
                    ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder g (handelsreclame). Volgens
                    vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot
                    het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. Artikel 4:17 is daarom niet in strijd met artikel 7 van de
                    Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met
                    zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al/><al>De volgende vraag is of artikel 4:18 ook in overeenstemming is met de artikelen
                    10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije meningsuiting strekt
                    zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan bevestigend worden
                    beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet
                    op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin
                    gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof
                    heeft zich hierover nog niet eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24
                    februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het Europese
                    Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van commerciële reclame
                    minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de
                    strekking van het verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle
                    handelsreclame onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen
                    mogelijk zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen
                    worden hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de
                    beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter
                    bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde belangen.
                    Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden en de
                    bescherming van rechten van derden.</al><al/><al>De rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december
                    1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd
                    dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de
                    verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om
                    reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in
                    een uitspraak van de Hoge Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke
                    toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel
                    10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in
                    een democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter
                    bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457).</al><al/><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                    beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor
                    de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige
                    betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, beperkingen mogelijk
                    blijven.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                            van de Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien,
                            gezien het bepaalde in artikel 4.7.2, derde lid, van de APV, het in het
                            eerste lid van dit artikel gestelde verbod niet. Nu in dit geval de
                            Woningwet van toepassing is, heeft het college zich terecht op het
                            standpunt gesteld dat naast de door hen verleende bouwvergunning voor de
                            oprichting van de reclamezuil niet ook een reclamevergunning als bedoeld
                            in artikel 4.7.2 van de APV is vereist. Zij hebben dan ook terecht het
                            verzoek om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de dubbelzijdige
                            lichtreclamezuil afgewezen. ABRS 13-11-2002, GS, 2003, 7180, 34 m.nt.
                            J.Teunissen.</al></li><li nr=""><al>Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het bepaalde in het
                            derde lid. Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of in dit geval de
                            Woningwet een bouwvergunning voor de betreffende reclame-objecten
                            voorschrijft. Het standpunt van het college dat in dit geval geen sprake
                            is van overlappende regelgeving nu de APV een specifiek welstandsdoel
                            nastreeft ten opzichte van de Woningwet, doet hier niet aan af. Anders
                            dan het college meent, is het welstandstoezicht in het kader van de
                            Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige elementen. ABRS
                            04-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J. Teunissen.</al></li><li nr=""><al>In een uitspraak, waar het ging over de aanvraag voor een
                            reclamevergunning voor een halfronde tijdschriftenzuil, overwoog de
                            Afdeling als volgt. De achtergrond van de in artikel 4.7.2, derde lid
                            (oud), van de APV vervatte uitzondering is dat, ingeval de Woningwet van
                            toepassing is, is gewaarborgd dat reeds bij de toepassing van die wet
                            een voldoende beoordeling van welstandsaspecten plaatsvindt. In casu was
                            er sprake van het plaatsen dan wel veranderen van een bouwwerk in de zin
                            van de Woningwet. Appellante had in plaats van een reclamevergunning een
                            bouwvergunning moeten aanvragen. ABRS 02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr.
                            AP0370.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 5: Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Afdeling 5 is opgenomen in de APV in verband met de afschaffing van de Wet op de
                    Openluchtrecreatie (WOR) met ingang van 1 januari 2008.</al><al><onderstreept>Artikel
                        4:19</onderstreept><onderstreept>Begripsbepaling</onderstreept></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al><onderstreept>Artikel 4:20 Recreatief nachtverblijf buiten
                        kampeerterreinen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al/><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie,
                    handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al><onderstreept>Artikel 4:21 Aanwijzing kampeerplaatsen</onderstreept></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                        gemeente</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting afdeling 5.1 Parkeerexcessen</cursief></al><al/><al><cursief>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</cursief></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2,
                    tweede lid, WVW 1994). Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door
                    middel van een amendement een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994
                    ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt:</al><al/><al>“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze
                    wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich
                    daar niet toe lenen.”</al><al/><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>2. Begrip “parkeerexces”</cursief></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><al>a. zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling
                    van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om
                    te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan
                    worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling).</al><al>b. In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                    parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard
                    van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren
                    voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de
                    behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al><al>c. alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                    motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid
                    en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van
                    uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</al><al/><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al/><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de
                    beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en
                    25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van der
                    Veen.</al><al/><al><cursief>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</cursief></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Het
                    verdient aanbeveling deze bepalingen in hun geheel onder te brengen in de APV en
                    wel in een hoofdstuk “Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente”. Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in
                    een ander hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag
                    liggen.</al><al/><al>Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de bepalingen
                    blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de
                    tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de
                    bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een van de voordelen
                    van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging verbieden, doch op
                    grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden
                    samengebracht.</al><al/><al>In afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, dat
                    niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden
                    ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te
                    regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van
                    groenvoorzieningen”.</al><al/><al><cursief>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</cursief></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de APV ingevolge artikel 1:1 hetzelfde
                    als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW
                    1994 wordt het begrip wegen als volgt omschreven “alle voor het openbaar verkeer
                    openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
                    duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.</al><al/><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    de artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al/><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8, tweede lid.</al><al/><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg,
                    kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden
                    opgetreden. Zie bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1 oud).</al><al/><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><al/><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al/><al><cursief>5. Vervangende parkeergelegenheid</cursief></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien. Uitgangspunt dient te
                    zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te
                    zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de werkuren) in diverse
                    gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen
                    vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te
                    achten, dat de chauffeurs die op enige afstand van hun bedrijven wonen, hun
                    vrachtwagens ’s avonds en in het weekeinde niet meer voor de woning, maar bij
                    voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein parkeren en dat zij zich, evenals andere
                    forensen, met “normale” vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de woning
                    en omgekeerd.</al><al/><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen. Om aan de zich hier voordoende
                    praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de overheid het parkeren kunnen
                    blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid kunnen scheppen) op
                    parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren van vrachtwagens op weinig of
                    geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a priori van een plicht van de gemeentelijke
                    overheid tot aanleg van vervangende parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag
                    er anderzijds van worden uitgegaan dat naleving van de hier bedoelde
                    verbodsbepalingen met des te meer reden gevergd kan worden, wanneer de
                    belanghebbende een andere parkeerplaats als alternatief ter beschikking staat.
                    In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten aanzien van exploitanten van
                    bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een ontheffing kan
                    worden onthouden, wanneer een redelijk te realiseren alternatief voor hen
                    ontbreekt.</al><al/><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden
                    verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden
                    gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke overheid
                    een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen hebben, zo
                    zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ’s nachts; bovendien is de
                    toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de gestalde
                    voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de zogenaamde
                    exoneratieclausules.</al><al/><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan). Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord
                    model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990. De aanduiding van parkeerplaatsen voor
                    vrachtwagens in het kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op
                    basis van de betreffende bepalingen uit de APV en niet op basis van
                    verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving.</al><al/><al><cursief>6. Ontheffingen</cursief></al><al>Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                    noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                    bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan voorschriften
                    kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd beperkt karakter
                    hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al/><al><cursief>7. Overleg met vervoerders(organisaties)</cursief></al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een
                            gemeentelijke parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de
                            Wegenverkeerswet (oud) en haar uitvoeringsregelingen, zoals het RVV
                            (oud). ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid,
                    en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al/><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al/><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990.</al><al/><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5:8.</al><al/><al/><al><cursief>Onder a</cursief></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn:<cursief> fietsen,
                        bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en
                        wagens.</cursief> In tegenstelling tot artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de
                    omschrijving positief geformuleerd en wordt direct aangesloten bij het RVV 1990.
                    Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een
                    uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking
                    zouden krijgen. Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder
                    de definitie van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken
                    en worden daarom als voertuig beschouwd.</al><al/><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                        <cursief>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende
                        de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                        uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van
                        goederen. </cursief>Het oude artikel 5.1.1, onder c gaf deze definitie
                    letterlijk weer. Verwijzing naar de definitie is wetstechnisch te verkiezen
                    omdat bij wijziging van de definitie in het RVV de definitie in de APV niet
                    behoeft te worden herzien.</al><al/><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan
                    van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al/><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al><onderstreept>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                        e.d.</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al/><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het derde lid
                    gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de
                    voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant. Het bepaalde bij
                    artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten opzichte van de andere
                    in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2 mag met andere woorden
                    niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in de afdeling, in die
                    zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten - garagehouders enz.
                    mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook impliceert dat zij een
                    autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig enz. ongelimiteerd lang
                    op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is aangewezen dezelfde
                    blijft.</al><al/><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen. Het bepaalde
                    bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een “vrijstelling” om
                    voertuigen te parkeren in afwijking van de andere verbodsbepalingen in deze
                    afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 1970, nr.
                    65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet gepubliceerd). </al><al/><al>Wanneer in de gemeente een automarkt wordt gehouden, dient nog de volgende
                    uitzondering te worden toegevoegd: “Het in het eerste lid (oud, nu derde lid)
                    gestelde verbod is niet van toepassing op het parkeren van voertuigen waarvoor
                    een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de
                    tijd dat deze markt wordt gehouden.”</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al/><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of
                    zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie
                    of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al><al/><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b</cursief></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Met het
                    oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het
                    herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al/><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen. Met de hierbedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden
                    tegen met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg. Ingevolge de aanhef is slechts
                    diegene strafbaar die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- of
                    sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven
                    bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto kleine
                    reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid. Tevens wordt hier de aandacht
                    gevestigd op wat daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten aanzien
                    van bestaande bedrijven.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente
                            Binnenmaas om ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee
                            auto’s bij elkaar goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was
                            toegestaan deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte aantal
                            parkeerplaatsen in de omgeving van het bedrijf woog zwaarder [ARRS
                            16-8-1988, AB 1989, 373].</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</onderstreept></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al/><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al/><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het
                    college sprake is van overlast kan het dit verbod activeren. Zoals opgemerkt in
                    de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al><onderstreept>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</onderstreept></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hierbedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen. Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van
                    de WVW 1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te
                    verbieden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie
                            achtereenvolgende dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR
                            1972, nr. 105, OB 1973, XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft,
                            waarin een termijn van twee dagen werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr.
                            67792 (niet gepubliceerd) over de Parkeerexcessenverordening van
                            Nijmegen, waarin een termijn van zeven dagen werd aangehouden. Zoals
                            opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c (oud, artikel
                            5:1, onderdeel b), wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het
                            verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een
                            voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</onderstreept></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.</al><al/><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken. De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en
                    hebben van wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de
                    openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in de model
                    Afvalstoffenverordening en tevens in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De
                    delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het bestanddeel “van de weg af
                    zichtbaar”.</al><al/><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie: </cursief></al><lijst><li nr=""><al>Bekendmaking besluit. Verwijderingsactie fietswrakken. Gezien de
                            plaatsing van betreffende bepaling in de APV is geen sprake van een
                            bepaling die betrekking heeft op de openbare orde, waardoor verweerder
                            i.c. bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang. Ten onrechte is de
                            brief van eiser niet opgevat als een verzoek om het besluit ingevolge
                            art. 5:24, derde lid, Awb op schrift te stellen en als een verzoek om
                            schadevergoeding. (Rb. Utrecht, 01-10-2010, SBR 09/1249; College van
                            B&amp;W van Utrecht, Gmw 125 eerste lid; Awb 3:41 eerste lid, 3:42
                            eerste lid 1, 5:21, 5:24 eerste en derde lid, LJN: BN8842). </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het plaatsen of hebben gedurende ten
                    hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene
                    de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te
                    ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al/><al>Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in vervangende
                    parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald, overwogen
                    kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in de algemene toelichting
                    is gesteld.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Afwijzing handhavingsverzoek tegen het parkeren van een bedrijfsvoertuig
                            met aanhangwagen op laan. Ingevolge art. 13.5, eerste lid, APV 2006
                            gemeente Beverwijk is het verboden op of aan de weg een kampeerwagen,
                            caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk
                            voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden
                            wordt gebruikt langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking
                            op de weg te plaatsen of te hebben. Ter zitting van de Afdeling is
                            vastgesteld dat hoofdstuk 13 van de APV 2006 als titel heeft
                            "Parkeerexcessen". Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de
                            in dit hoofdstuk opgenomen artikelen, waaronder art. 13.5, tot doel
                            hebben optreden mogelijk te maken tegen parkeerexcessen. De Rb. heeft
                            art. 13.5, eerste lid, aldus uitgelegd dat het parkeerexcesverbod alleen
                            geldt voor aanhangers en dergelijke indien deze uitsluitend of mede voor
                            andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt. Die lezing is echter
                            onjuist. Aanhangwagens en dergelijke die in de bepaling worden genoemd,
                            zijn slechts voorbeelden van voertuigen die uitsluitend of mede voor
                            andere dan verkeersdoeleinden plegen te worden gebruikt. Waar het op aan
                            komt, is of ze langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking
                            een plaats hebben op de weg. Anders dan de Rb. is de Afdeling daarom van
                            oordeel dat de aanhangwagen waarop het verzoek van appellant betrekking
                            heeft, een voertuig is waarop het verbod van art. 13.5, eerste lid, APV
                            2006 van toepassing is. Met de Rb. wordt echter geoordeeld dat appellant
                            niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanhangwagen langer dan drie dagen
                            zonder wezenlijke tijdsonderbreking werd geparkeerd. Zoals de Rb. heeft
                            overwogen, is tijdens door het college uitgevoerde controles meestal
                            gebleken dat de aanhangwagen niet aanwezig was en bieden de stukken ook
                            overigens geen grond voor de vaststelling dat deze zonder wezenlijke
                            tijdsonderbreking langer dan drie dagen in de wijk waar appellant
                            woonachtig is, was geplaatst. Het dagelijks 's avonds parkeren van de
                            aanhangwagen nadat deze overdag in gebruik is geweest, rechtvaardigt een
                            zodanige vaststelling niet. Gelet hierop bestaat geen grond voor het
                            oordeel dat door het parkeren van de aanhangwagen art. 13.5, eerste lid,
                            APV 2006 is overtreden en heeft het college het verzoek om handhavend
                            optreden wegens overtreding van dit artikellid terecht afgewezen. De Rb.
                            is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. (ABRS,
                            zaaknummer: 200805911/1, datum uitspraak: 15 april 2009, LJN:
                            BI1079</al></li></lijst><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente
                            Beverwijk in het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar
                            parkeren van een kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en
                            anderzijds in de weigering hiervan ontheffing te verlenen. De
                            verkeersveiligheid en het aanbod van parkeerruimte waren in het geding.
                            ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.</al></li><li nr=""><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het
                            college van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat
                            er niet met een kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art.
                            5.1.5, eerste lid, onder b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken
                            voor zover het gaat om een locatie die geen “weg” is in de zin van de
                            wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW en valt
                            daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de APV-bepaling. ABRS
                            18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</onderstreept></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve is
                    primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het
                    niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan
                    reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve
                    gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk
                    aanzien van de gemeente.</al><al/><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van de APV. Het in dit artikel omschreven verbod is
                    beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de
                    jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de
                    gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan
                    beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met artikel 10 EVRM en
                    19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel 4:15.</al><al/><al>Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken
                    van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                    Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen
                    onderwerpen. Men spreekt wel van “ideële reclame”. De wenselijkheid en
                    mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien. Het hier geregelde
                    verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de gemeente (behoudens de
                    ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het staat de gemeenten echter
                    vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar plaats of tijd -
                    afhankelijk te stellen van het oordeel van het college. Zoals opgemerkt in de
                    toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van
                            Zierikzee geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van
                            reclamevoertuigen binnen de bebouwde kom en de daaropvolgende
                            bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De bescherming van het
                            uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een belangrijke rol.
                            ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al></li><li nr=""><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen
                            terecht een dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een
                            winkel geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de
                            toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een
                            verkeersgevaarlijke situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr.
                            200103426/1.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene toelichting
                    onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling verschaft mogelijkheden om aantasting van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te
                    gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde
                    plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in
                    parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het
                    stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens,
                    kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een
                    zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het
                    oog heeft.</al><al/><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft aangewezen. Dit
                    aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college in
                    zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeente waarop de plaatsen,
                    waar niet mag worden geparkeerd, worden gearceerd.</al><al/><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen. Wat het motief: bescherming van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat
                    het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij)
                    plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere
                    betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een “parkeerexces”.</al><al/><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente.</al><al/><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen. Bij de aanwijzing van
                    plaatsen waar volgens besluit van het college grote voertuigen met het oog op de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet mogen worden
                    geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden gehouden met een provinciale
                    verordening die - geheel of gedeeltelijk - hetzelfde terrein uit hoofde van
                    hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een verordening bescherming
                    landschapsschoon.</al><al/><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst. Een speciaal probleem wordt
                    gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de aandacht van belanghebbenden te
                    brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de in de gemeente gevestigde
                    ondernemingen door de gemeente in kennis worden gesteld van dit verbod. In veel
                    gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs de naar de gemeente
                    toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden kenbaar wordt gemaakt, dat
                    binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren van grote voertuigen
                    slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief: buitensporig
                    gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet
                    noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook
                    het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.
                    In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun.</al><al/><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een
                    verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld
                    door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar
                    niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan
                    de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel
                    denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen
                    liggen.</al><al/><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                    toelichting op eerste lid. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1,
                    onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit
                    artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de
                    andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Het
                    parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod. Overigens blijft ook tijdens de perioden
                    waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig
                    parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of
                    overlast wordt aangedaan, verboden krachtens het hierop volgende artikel
                    5:9.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de werking
                    van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van
                    bedrijfsbelangen. Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten
                    worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht
                    de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen
                    ontheffing.</al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><lijst><li nr=""><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd;</al></li><li nr=""><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen.</al></li></lijst><al/><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><lijst><li nr=""><al>rijdende winkels;</al></li><li nr=""><al>wagens van kermisexploitanten;</al></li><li nr=""><al>wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                            wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);</al></li><li nr=""><al>voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten
                            (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken
                            (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de
                            parkeerplaats moeten worden gesteld.</al></li></lijst><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te
                            gebeuren op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                            (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie
                            Vz. AGRS 27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen
                            ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in
                            een woon buurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk
                            aangemerkt. Vz. ARRS 18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en
                            Vz. ARRS 16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al></li><li nr=""><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot
                            voertuig wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge
                            parkeerdruk ter plaatse, zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG
                            93.0353 .Bij een verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van
                            een groot voertuig, waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is,
                            dient het college een goede belangenafweging te maken tussen enerzijds
                            de redelijke eisen van welstand en anderzijds de belangen van de
                            eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                            rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al></li><li nr=""><al>Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied
                            waar geen vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich
                            ervan te vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid
                            aanwezig is, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid
                            van de geparkeerde vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                        voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8. Door opneming
                    van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn
                    ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door
                    het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen
                    berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval,
                    stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten gevolge van het starten en
                    warmdraaien van grote voertuigen. Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is,
                    blijkt uit een reeds oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ
                    1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede
                    verbindend achtte. De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd
                    door het bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter
                    van” (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt
                    in de APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd. Zoals
                    opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet
                    goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke
                    karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><al><onderstreept>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door
                        voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van
                    groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te
                    verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen
                    beantwoorden. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een
                    “oneigenlijk” parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de
                    “weg” (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd
                    met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze
                    reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over
                    openbare beplantingen enz. wordt verboden.</al><al/><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de
                    bermen begrijpt, is het in artikel 5:10 vervatte verbod beperkt tot
                    groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het
                    voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt
                    van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). </al><al/><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen. Het moge duidelijk
                    zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing behoren te zijn op
                    een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen.
                    Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al/><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen. Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij
                    een bepaling in de APV van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente
                    verboden was zich te bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken,
                    verbindend werd geacht. De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd
                    zou zijn naast het algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht
                    bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet op.</al><al/><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”. </al><al/><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de afdeling Beheer Leefomgeving.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al><onderstreept>Artikel 5:11 Overlast van fiets of bromfiets</onderstreept></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al/><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al/><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het
                    verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het
                    gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en
                    dergelijke, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd.
                    Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen
                    worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al> ABRS 24 oktober 2007, JB 2008, 6: Bestuursdwang, aanzegging.
                            Bestuursdwang, spoedeisende situatie (gemeente Amersfoort). Verwijdering
                            van fiets die onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen
                            is geplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ter beoordeling
                            staat of in dit geval optreden zo spoedeisend was dat toepassing mocht
                            worden gegeven aan artikel 5:24, zesde lid, Awb. Zij is terecht en op
                            goede gronden tot het oordeel gekomen dat de vereiste spoed zich er
                            tegen verzette de beslissing tot bestuursdwang tevoren op schrift te
                            stellen en appellant een termijn te gunnen om zelf zijn fiets te
                            verwijderen. De Afdeling kan zich vinden in hetgeen de rechtbank
                            hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat dagelijks door fietsers en
                            voetgangers intensief gebruik wordt gemaakt van het stationsgebied en
                            dat het plaatsen van fietsen buiten de daartoe aangewezen plaatsen de
                            vrije doorgang kan belemmeren, hetgeen tot overlast en gevaarlijke
                            situaties kan leiden en het onjuist plaatsen van andere fietsen kan
                            uitlokken. </al></li><li nr=""><al> ABRS 12 mei 2010, AB 2010/270; JB 2010/163; LJN BM4174: Spoedeisende of
                            superspoedeisende bestuursdwang, begunstigingstermijn van 15 minuten,
                            B&amp;W van Nijmegen; verwijderen foutief geplaatste fiets.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 2: Collecteren</vet><onderstreept>Artikel 5:12 Inzameling van geld
                        of goederen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><al/><al><cursief>Achtergrond</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al/><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de Werkgroep
                    misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale werkgroep werd in
                    1976 ingesteld naar aanleiding van kamervragen met als opdracht te rapporteren
                    op welke wijzen zich bij charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in
                    hoeverre dit kan worden bestreden.</al><al/><al>In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het
                    misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van
                    hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter
                    bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek.</al><al/><al>Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het algemeen wordt
                    aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden ten aanzien van
                    zowel het venten als het collecteren in de gemeente. De gemeentelijke wetgever
                    dient in zijn regeling van het venten echter wel een uitzondering te maken voor
                    het venten met gedrukte stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7
                    van de Grondwet.”</al><al/><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige maatschappij
                    nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het
                    toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal
                    inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers. Goede
                    doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang was de
                    huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden mensen via
                    de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue),
                    door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of indirect
                    aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of mondeling is
                    - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever (die op een
                    relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</al><al/><al>Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs).</al><al/><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                    uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                    inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al/><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven. Interessant is dat in Denemarken de wetgever het verboden heeft
                    potentiële klanten te benaderen per telefoon, mail, automatisch oproepsysteem,
                    of persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren hiermee akkoord is gegaan.</al><al/><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de APV.</al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>Bij de dereguleringsactie zijn enkele voor de gehele APV geldende wijzigingen
                    doorgevoerd. In artikel 1:7 van de APV is het uitgangspunt van een vergunning
                    voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                    bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een doorlopende vergunning
                    verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het collecterooster. In de
                    meeste gemeenten is dit al het geval. </al><al/><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode.</al><al/><al>Een <cursief>algemene regel</cursief> waarbij niet-keurmerkinstellingen die niet
                    op het rooster voorkomen worden vrijgesteld van de vergunningsplicht, eventueel
                    gekoppeld aan een meldingsplicht, is niet zinvol. Het verlenen van een
                    incidentele vergunning is immers maatwerk. Vaak betreft het een lokale
                    organisatie waarbij specifiek voor die organisatie geldende voorwaarden worden
                    gesteld. Juist doordat de gemeente bij deze instellingen niet kan afgaan op een
                    oordeel van het CBF dient deze zelf een afweging te maken of sprake is van een
                    bonafide instelling. Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er
                    slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op
                    het voorkomen van overlast.</al><al/><al>Een <cursief>lex silencio positivo</cursief> voegt niets toe. De landelijke
                    instellingen op het collecterooster hebben immers een doorlopende vergunning. De
                    landelijke instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen
                    inzamelen. Beide partijen (gemeente en aanvrager) zullen er voor zorgen dat de
                    vergunning ruim voor die tijd is verleend, omdat bij overschrijden van de
                    termijn de vergunning geen nut heeft. Gezien het collecterooster is namelijk
                    uitwijken naar een andere week niet eenvoudig. Er zijn overigens geen signalen
                    ontvangen uit de praktijk dat het niet halen van de termijnen een probleem
                    is.</al><al/><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen
                        <cursief>weigeringsgronden</cursief>. Gezien de ontwikkelingen op het gebied
                    van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor inzamelen op straat, waarbij je
                    een maximumstelsel wil hanteren) is het gewenst om weigeringgronden te kunnen
                    hanteren. Door een andere inrichting van de APV de weigeringgronden nu niet meer
                    per artikel opgenomen, maar in hoofdstuk 1 benoemd. De weigeringgronden van
                    artikel 1:8 APV zijn dus ook van toepassing op de inzamelingsvergunning.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al/><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al/><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al/><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:12 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al/><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                        gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5:12 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><al/><al><cursief>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. In de algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen
                    van de bepaling van de APV is met deze methode geen rekening is gehouden. Deze
                    zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen
                    huis-aan-huis.</al><al/><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al/><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al/><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al/><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al/><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (art 5:12 APV) en de ventvergunning (art. 5:13 e.v. APV).
                    Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het
                    charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                    organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze
                    instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden
                    worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen
                    van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt
                    onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een
                    contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van
                    venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon
                    of bon voor vakantiepark.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                        inzamelingsvergunningen</cursief></al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al/><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing):</al><lijst><li nr=""><al>de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                            CBF);</al></li><li nr=""><al>de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al></li><li nr=""><al>de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of</al></li><li nr=""><al>de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                            van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of</al></li><li nr=""><al>de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                            nastreven;</al></li><li nr=""><al>controle van de begroting op besteding van de gelden;</al></li><li nr=""><al>tellen onder toezicht van een notaris;</al></li><li nr=""><al>betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                            doel);</al></li><li nr=""><al>gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc;</al></li><li nr=""><al>onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie collectevergunning en textiel</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland (IOR) had een
                            inzamelvergunning voor textiel verleend aan een charitatieve instelling.
                            Het bestuur van het IOR besloot uit oogpunt van doelmatigheid de
                            inzameling van textiel zelf ter hand te nemen en de samenwerking met de
                            charitatieve instelling te beëindigen. In een spoedprocedure bij de Raad
                            van State werd door de instelling betoogd dat er geen sprake was van een
                            afvalstof, omdat het textiel met het oogmerk op hergebruik werd
                            ingeleverd en ingezameld. De Raad van State oordeelde echter anders. Het
                            ingezamelde textiel (draagbare en niet-draagbare kleding, lakens,
                            dekens, grote lappen stof en gordijnen) is aan te merken als een
                            huishoudelijke afvalstof, omdat de aangeboden kleding kennelijk
                            ongesorteerd wordt aangeboden en daarom nog een sorteerbewerking moet
                            ondergaan. Een deel van de ingezamelde textiel kan namelijk gebruikt
                            worden overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming, een deel is slechts
                            geschikt voor een ander gebruik en een deel is onbruikbaar. De Raad van
                            State verwijst ook naar een uitspraak van het Hof van Justitie, waarin
                            werd geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof
                            afhangt van de term “zich ontdoen van”. In de genoemde feiten ligt
                            volgens de Raad van State een aanwijzing besloten dat de huishoudens
                            zich van het textiel hebben willen ontdoen, voornemens zijn zich daarvan
                            te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen. De inzameling is daarom
                            primair een verantwoordelijkheid van de lokale gemeente. </al></li></lijst><al/><al>Voor de collectevergunning heeft de uitspraak van de Raad van State de volgende
                    consequentie. De inzameling van textiel valt onder het toepassingsgebied van de
                    Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen. Het verstrekken van een
                    inzamelingsvergunning voor de inzameling van textiel is hierdoor niet mogelijk,
                    omdat textiel in nagenoeg alle gevallen kan worden beschouwd als een afvalstof
                    in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer. Het is namelijk niet
                    aannemelijk dat een burger zijn textiel gesorteerd kan aanbieden. Immers deze
                    kan niet weten voor welke bestemming hij bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt
                    (hergebruik, poetslap of onbruikbaar). Een sorteerbewerking lijkt hierdoor
                    altijd noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de gemeente op grond van artikel
                    10.22 Wet milieubeheer een zorgplicht heeft voor de inzameling van textiel,
                    hierdoor is de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen van toepassing. Dat
                    betekent overigens niet dat de gemeente de inzameling van textiel zelf ter hand
                    moet nemen. De inzameling van textiel kan nog steeds worden overgelaten aan
                    charitatieve instellingen. De gemeente kan bijvoorbeeld op grond van artikel 7,
                    tweede lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen besluiten een
                    charitatieve instelling aan te wijzen als inzamelaar van textiel. Ook kan het
                    college op grond van artikel 11 van de Afvalstoffenverordening gemeente
                    Vlissingen besluiten een inzamelvergunning te verlenen aan een charitatieve
                    instelling. Het CBF informeert gemeenten ook over charitatieve instellingen
                    welke kleding inzamelen. ABRS 28-01-2003, nr. 200206958.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie overig</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                            vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of
                            groot huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van
                            huisvuil. Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan
                            de weg of aan huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3
                            m.nt. EB.</al></li><li nr=""><al>Het beleid van het college dat - conform het advies van het Centraal
                            Archief van het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk opererende
                            instellingen die in de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde
                            wordt gesteld tot het binnen twee jaar overleggen van een financiële
                            verantwoording, in de vorm van een jaarverslag met een
                            accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989, AB 1989,
                            251.</al></li><li nr=""><al>Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot aantal
                            straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de
                            bevolking. ARRS 02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kan.</al></li><li nr=""><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf
                            zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                            plaatsvindt. HR 31-10-1938, NJ 1939, 235</al></li><li nr=""><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is
                            aangegeven tot welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet
                            aan te merken als het houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932,
                            W. 1933, 12584.</al></li><li nr=""><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage,
                            levert het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die
                            verzoeken slechts één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al></li><li nr=""><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                            Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband
                            tussen inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid,
                            JG 00.0187 .</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 3: Venten</vet><onderstreept>Artikel 5:13
                        Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Omschreven is wat onder venten wordt verstaan. Dit is een verbetering omdat het
                    uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet worden van
                    enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Onder
                    venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                    waarbij goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden
                    dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het
                    van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend
                    aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten
                    is geen venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al/><al>Notificatienummer Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten
                    op de interne markt) Europese commissie Artikel 5:13 jo 5:14 APV Vlissingen:
                        <vet>NL-020-2010-39 </vet></al><al><onderstreept>Artikel 5:14 Ventverbod</onderstreept></al><al>Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als
                    met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. Wij hebben in
                    2009 gekozen voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als
                    de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of
                    het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de
                    meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de toelichting
                    onder artikel 1:8. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel is besloten,
                    omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van
                    vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent onder
                    dezelfde voorwaarden. Er is dan geen goede reden waarom een vergunningstelsel
                    nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook achteraf worden
                    aangepakt. Wij achten het risico van achteraf controleren niet veel groter dan
                    van het vooraf vaststellen van de voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de
                    Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle
                    achteraf onvoldoende is. Voor de goede orde wijzen wij er nog op dat het
                    ventverbod als bedoeld in artikel 5:14 APV een beperking is in de zin van de
                    Dienstenrichtlijn, die daarop derhalve wel is gescreend. In dit artikel wordt
                    verboden om te venten, als daardoor de openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid of milieu in gevaar komen. Er is geen sprake van een
                    ontheffingsmogelijkheid of een andere beslissing op aanvraag. Een lex silencio
                    is hier niet aan de orde.</al><al/><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag gelden
                    overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen. Volgens
                    het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van
                    venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Het Hof van
                    Justitie heeft op 23 februari 2006 betreffende een verzoek om een prejudiciële
                    beslissing betreffende de uitleg van de artikelen 28 en 30 EG, ingediend door
                    het Landesgericht Klagenfurt (Oostenrijk), uitspraak gedaan in een zaak waarin
                    de Duitse onderneming X zich bezighield met het venten van sieraden op het
                    grondgebied van de Europese Unie, waarbij zij particulieren in particuliere
                    woningen bezocht. Daar bood zij zilveren sieraden te koop aan en vergaarde zij
                    bestellingen met betrekking tot dergelijke sieraden. De nationale, Oostenrijkse
                    bepaling verbood deze handelingen. Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de
                    regel niet discriminatoir mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder
                    dat moet worden nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door een
                    doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het Hof aan
                    dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde doelstellingen, en
                    of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling.</al><al/><al>Op grond van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden gesteld
                    aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten aanbieden het belang
                    van de openbare orde, openbare veiligheid. Zie voor de argumentatie waarom
                    gekozen is voor deze regeling de toelichting bij artikel 1:8. </al><al/><al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen
                    sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke
                    beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan
                    criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn
                    vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke
                    verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de
                    wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al/><al><cursief>Vergunningstelsel</cursief></al><al>Mocht de gemeente ondanks bovenstaande overwegingen een vergunningstelsel
                    noodzakelijk en proportioneel achten, dan kan artikel 5:14, eerste lid luiden:
                    Het is verboden zonder vergunning van het college te venten. Het tweede lid kan
                    worden geschrapt, want kan als vergunningvoorwaarde worden opgenomen.
                    Weigeringsgronden worden niet expliciet in het artikel opgenomen, want deze
                    staan genoemd in artikel 1:8 . Artikel 1:7 geeft voorts aan dat de vergunning in
                    beginsel voor onbepaalde tijd wordt verleend. De artikelen 5:14 en 5:16 kunnen
                    worden overgenomen.</al><al/><al>Gemeenten die het vergunningstelsel niet willen loslaten, beroepen zich vooral
                    op het argument van het preventief voorkomen van overlast door venters die hun
                    goederen of diensten aan de deur slijten. Daarbij wordt vaak de politie
                    geraadpleegd of de dienstverlener een belastend verleden heeft. In 1993 erkende
                    de Afdeling rechtspraak van de Raad van State dat een strafrechtelijk verleden
                    in de weg staat aan het verlenen van een ventvergunning (zie onder
                    jurisprudentie). Het is de vraag of dit ook nog geldt onder de
                    Dienstenrichtlijn. Volgens B.Hessel (Gst. 7271, p. 200) mag een vergunning niet
                    aan een dienstverlener uit een andere lidstaat worden geweigerd omdat hij
                    strafrechtelijk onvoorwaardelijk is veroordeeld voor meer dan zes maanden.
                    Aanvullende argumenten binnen het begrip openbare orde in de zin van de
                    Dienstenrichtlijn moeten aanwezig zijn en gerelateerd worden aan het concrete
                    gedrag van de dienstverlener.</al><al/><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    door een venter dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor venters die (mede) diensten
                    verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen (zie ook artikel 5:17, derde lid, onder b). De Dienstenrichtlijn is
                    hierop immers niet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. </al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.
                    </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al>Notificatienummer Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten
                    op de interne markt) Europese commissie Artikel 5:13 jo 5:14 APV Vlissingen:
                        <vet>NL-020-2010-39 </vet></al><al><onderstreept>Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting</onderstreept></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><al/><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al/><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</al><al/><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (KB 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al/><al><onderstreept>Daklozenkrant</onderstreept></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een
                    supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient
                    aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen
                    vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                    verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                    straatkantverkopers zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van
                            ventvergunning. Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de
                            gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB
                            1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181 .</al></li><li nr=""><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet
                            uitputtend bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993,
                            6972, 5 m.nt. EB.</al></li><li nr=""><al>Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op
                            grond van de APV. De regeling in de APV is niet in strijd met de
                            Vestigingswet Bedrijven 1954 (inmiddels ingetrokken). Aan toetsing van
                            de APV-bepaling aan artikel 30 van het EG-verdrag komt de afdeling niet
                            toe. ABRS 27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels
                            worden gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er
                            is sprake van venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C.
                            Schroot.</al></li><li nr=""><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een
                            andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is.
                            Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het
                            tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de
                            verleende ventvergunning. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al></li><li nr=""><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een
                            zelfstandig middel van verspreiding. HR 17-03-1953, NJ 1953, 389,
                            Wachttorenarrest en HR 20-06-1950, NJ 1950, 619.</al></li><li nr=""><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante
                            handel is een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres.
                            Rb. Assen 31-10-1996, JG 97.0078 </al></li><li nr=""><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats
                            wordt gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel
                            5.2.3 en niet (mede) op artikel 5.2.2. Gelet op het bepaalde in artikel
                            5.2.2 lid 2 onder d (oud) en artikel 5.2.3 (oud) sluiten venten en het
                            innemen van een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast
                            elkaar aan de aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS
                            23-03-1998, AB 1998,- 277.</al></li><li nr=""><al>Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters
                            zijn een bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom
                            niet gezegd worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren.
                            HR 21-03-2000, NJ 2000, 482.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 4: Standplaatsen</vet><onderstreept>Artikel 5:16
                        Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve lasten,
                    maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In het kader van de
                    deregulering is daarom het oude artikel 5.2.3 opgedeeld in vijf artikelen en is
                    de tekst verduidelijkt. De artikelen zijn hernummerd. Artikel 5:16 bevat een
                    begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen. Het hebben van een
                    standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats.
                    Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met
                    goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de
                    venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte
                    aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder
                    niet.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel
                    gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt
                    is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen
                    worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een
                    bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het
                    evenement zijn de artikelen 2:16 en 2:17 van toepassing, waarbij de bepalingen
                    met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing
                    zijn.</al><al><onderstreept>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en
                        weigeringsgronden</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                    ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7).
                    Indien de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een
                    termijn wordt verbonden, wordt gemotiveerd waarom dit noodzakelijk is in het
                    belang van onder meer de openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en
                    milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen 1:7.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><al/><al><cursief>Tweede lid Bestemmingsplan</cursief></al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren.
                    Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening,
                    zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat
                    bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                    standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                    bestemmingsplan voortvloeien. Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse
                    niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al/><al><cursief>Derde lid Weigeringsgronden</cursief>De generieke
                    weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere uitleg daarvan vindt men
                    in de toelichting bij dat artikel. </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</cursief></al><al>In 2004 is de weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de gemeente” vervangen door
                    “redelijke eisen van welstand” vanwege het streven om de terminologie in de APV
                    zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit het aan bij de terminologie van
                    de Woningwet. Wij gaan ervan uit dat “uiterlijk aanzien” en “redelijke eisen van
                    welstand” inhoudelijk dezelfde betekenis hebben. De weigeringsgrond kan
                    gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een
                    zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze
                    weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook
                    wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige
                    ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze
                    weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld
                    de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al/><al><cursief>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing. </al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. </al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al/><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                    beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen
                    moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen
                    standplaatsen te zamen levert het maximum aantal af te geven
                    standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport met
                    betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op de
                    verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden
                    aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                    verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde. Het innemen van een
                    standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan te wijzen wanneer
                    een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen van de week en
                    eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het maximum aantal
                    standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de gehele gemeente
                    als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht zijn. Een
                    verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden
                    bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per
                    branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald.
                    Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts
                    door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het
                    totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. Indien voor een branche niet
                    het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak
                    tot handhaving van dit stelsel aanwezig. Bij het vaststellen van een maximum
                    aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche,
                    moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. </al><al>Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                    aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst
                    opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst.
                    Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te
                    zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst toegekend
                    worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van
                    een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in de
                    APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand hiervan geformuleerde
                    beleid moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning
                    verstrekt kan worden. Men houde ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen
                    dat een wachtlijst noch direct noch indirect discriminatoir mag zijn. </al><al/><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te
                    voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde
                    vergunning die niet kan worden herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van
                    algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu.</al><al/><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
                    Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><al/><al><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (artikel 149 Gemeentewet) van
                    deze APV-bepalingen overschrijden.</al><al/><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                    betreffen:</al><lijst><li nr=""><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen;</al></li><li nr=""><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche. de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                            ingenomen;</al></li><li nr=""><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen.</al></li></lijst><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op
                    welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de
                    hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum
                    aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief
                    afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al/><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                    vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                    gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                    betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al/><al><cursief>Vergunningsvoorschriften</cursief>Aan de
                    standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de
                    Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel. </al><al/><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><lijst><li nr=""><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                            geen standplaats is ingenomen;</al></li><li nr=""><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet
                            men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen
                            goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen
                            zijn;</al></li><li nr=""><al>de grootte van de standplaats;</al></li><li nr=""><al>de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al></li><li nr=""><al>het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al></li><li nr=""><al>tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al></li><li nr=""><al>eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al></li><li nr=""><al>opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV
                    van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de
                    straathandel</al><al/><al><cursief>Wet op de ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens de APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het
                    geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht. Het college kan een
                    aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten als een verzoek om
                    vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In een
                    dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures.
                    Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.</al><al/><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.
                    Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de Economische Controledienst.</al><al/><al><cursief>Warenwet</cursief></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden
                    naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van
                    een standplaatsvergunning.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de
                    Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Gebruik van de openbare weg</cursief></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst. In de Verordening precariobelasting Vlissingen wordt,
                    afhankelijk van het formaat en de locatie van de standplaats, een bepaald bedrag
                    vastgesteld.</al><al/><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369.</al><al/><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>B&amp;W hoeven in bezwaar niet te beslissen over terugwerkende kracht.
                            Het college van B&amp;W heeft de aanvraag van appellante om een
                            standplaatsvergunning afgewezen. Appellante is van mening dat het
                            college zich in bezwaar ook een oordeel had moeten vormen over de vraag
                            of de standplaatsvergunning met terugwerkende kracht had moeten worden
                            verleend. Voorts verzoekt appellante in hoger beroep om vergoeding van
                            schade. De Afdeling oordeelt dat het college niet over terugwerkende
                            kracht hoefde te beslissen, mede omdat appellante niet om
                            schadevergoeding heeft verzocht. Het hoger beroep is ongegrond. Daarom
                            wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. (ABRS 19 oktober
                            2005, JB 2006/4).</al></li><li nr=""><al>Toevoeging standplaatslocatie aan maximumstelsel, beleidsregels,
                            wijziging, besluit, appellabel. APV Delft: Standplaatslocatie toegevoegd
                            aan het maximumstelsel voor standplaatslocaties dat is opgenomen in de
                            Nota Standplaatsenbeleid 2004. Niet in geschil is dat de Nota
                            beleidsregels in de zin van art. 1:3 lid 4 Awb inhoudt. De Nota bevat
                            immers regels die zich voor herhaalde toepassing lenen, omtrent de
                            afweging van belangen bij gebruikmaking van de in art. 5.2.3 lid 5 van
                            de APV Delft neergelegde gronden waarop een vergunning geweigerd kan
                            worden. De bijlage bij deze Nota geeft onder meer aan welke locaties
                            voldoen aan de in de Nota neergelegde algemene regels, en aan welke
                            aanvullende voorwaarden per locatie voldaan moet worden. Deze bijlage
                            maakt deel uit van de Nota. Een wijziging van de bijlage door toevoeging
                            van een standplaatslocatie is derhalve een wijziging van de Nota en dus
                            een wijziging van beleidsregels. Voor zover appellanten hebben
                            aangevoerd dat de in geding zijnde standplaatslocatie is toegevoegd om
                            een standplaatsvergunning ten behoeve van een bepaalde loempiakraam toe
                            te wijzen, wordt overwogen dat de aanwijzing zelf niet tot een bepaalde
                            adressant is gericht, en de verlening van een vergunning voor een
                            bepaalde standplaats nadere besluitvorming vereist op basis van de
                            regels vervat in de Nota, de bijlage daarin begrepen. Hieruit volgt dat
                            tegen een wijziging van de bijlage ingevolge art. 7:1 lid 1 Awb, gelezen
                            in verband met art. 8:2 aanhef en onder a Awb geen bezwaar en beroep
                            openstaat. (ABRS 13-01-2010, 200903708/1/H3, LJN BK9009, JB 2010/50).
                        </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende</onderstreept></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al><onderstreept>Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje <cursief>Afbakeningsbepalingen</cursief> in de Algemene
                    Toelichting.</al><al>In het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken en het de Wegenverordening Zeeland 2010, het tweede lid
                    ziet op afbakening met de Woningwet.</al><al/><al><vet>Afdeling 5.3 Openbaar water - Algemene toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale
                    wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen
                    vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die
                    uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde vaarwateren
                    en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden.</al><al/><al><cursief>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</cursief></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan
                    hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag
                    ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al/><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden. Voor de gemeente
                    Vlissingen zijn in dit kader van belang de Verordening op de waterkering
                    provincie Zeeland en de Waterverordening Zeeland.</al><al/><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater. De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de
                    mogelijkheid verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben
                    op de doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde
                    openbare wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds
                    bedacht worden dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In
                    grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid
                    toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij
                    dient echter nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al/><al><cursief>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</cursief></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet. Met de Scheepvaartverkeerswet
                    (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken. Artikel 43 SVW bepaalt dat
                    krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels worden geacht te zijn gesteld
                    krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De verkeersreglementering is te vinden in
                    het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van
                    besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het
                    stellen van regels ten aanzien van onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor
                    zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde
                    regels.</al><al/><al><cursief>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</cursief></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. </al><al><onderstreept>Artikel 5:20 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                        water</onderstreept></al><al>Artikel 5:20 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:5 van de APV,
                    het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning
                    vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de overheid
                    nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste
                    instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar
                    of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en
                    onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:5, waar het veelal gaat om
                    tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan
                    dit artikel anders dan bij artikel 2:5 een meldingsplicht verbonden. Op die
                    manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of
                    bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden
                    voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                    financiële gevolgen van dien.</al><al><onderstreept>Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige
                        vaartuigen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen verbod is niet toegestaan</cursief></al><al>De jurisprudentie uit de op 1 maart 1999 ingetrokken Wet op de Woonwagens en
                    Woonschepen is opgenomen in de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat
                    de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in
                    gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod
                    komt in strijd met bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of
                    vergunningenstelsel is wel toegestaan.</al><al/><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:21 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al/><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    Bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.</al><al/><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:21 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al/><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk
                    dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                    verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                    ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie van die
                    ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur en verhuur.
                    De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente Eindhoven als
                    eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan worden ontzegd
                    privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig gebruik van haar
                    eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat overeenstemt met of
                    voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het
                    innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                    gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al/><al><cursief>Pleziervaartuigen</cursief></al><al>Uit artikel 5:21 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al/><al><cursief>Landschapsverordening Zeeland 2001, Wet milieubeheer</cursief></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens de
                    Landschapsverordening Zeeland 2001 dan wel krachtens de Wet milieubeheer wanneer
                    bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats zodanig gebeurt dat er
                    sprake is van een milieuvergunning-plichtige inrichting.</al><al/><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Landschapsverordening Zeeland 2001 of de Wet
                    milieubeheer. Daar waar een provinciale verordening van kracht is, kan het
                    motief landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd
                    worden aan de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het
                    stellen van nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in
                    het tweede lid.</al><al/><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige inrichtingen.
                    Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan
                    een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden.
                    Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer.</al><al/><al><cursief>Huisvestingswet</cursief></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al/><al><cursief>Binnenvaartpolitiereglement</cursief></al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een
                            woonschip te verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te
                            wonen, met deze beperking dat de gemeenten voor de plaats van verblijf
                            binnen hun grondgebied voorschriften mochten vaststellen. Lagere
                            wetgevers hebben de vrijheid bepalingen vast te stellen welke de
                            vrijheid tot het kiezen van een plaats van verblijf inperken, doch deze
                            bepalingen mogen niet zover gaan dat zij het hierboven bedoelde recht
                            van woonschipbewoners om in een bepaalde gemeente verblijfplaats te
                            kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei ruimte laten voor de
                            toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.</al></li><li nr=""><al>Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen
                            met een woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van
                            een ontheffing in strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033
                            m.nt. W. Vos.</al></li><li nr=""><al>Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op
                            door B en W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft
                            huishouding van gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van
                            gemeentebesturen ten opzichte van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994,
                            Gst. 1994 6996, 3 m.nt. EB.</al></li><li nr=""><al>De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats
                            met een vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale
                            Landschapsverordening, namelijk ook onder andere de orde en veiligheid
                            op het water. ARRS, 7-7-1981, OB 1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV
                            Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB 97/670 VV, APV
                            Loenen.</al></li><li nr=""><al>Een Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan
                            andere motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale
                            landschapsverordening. Gemeentelijke regeling geldt als
                            sturingsinstrument ter regulering van hoeveelheid woonschepen, hun
                            afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de provinciale
                            verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                            landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                            276.</al></li><li nr=""><al>Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder
                            vergunning ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts
                            voor door het college aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water.
                            Toevoeging van vergunningstelsel aan verbodsbepaling betreft wijziging
                            van algemeen verbindend voorschrift. ABRS 6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4
                            m.nt. HH.</al></li><li nr=""><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen en weigering vergunning voor hotelboot
                            die enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet in strijd met
                            Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG
                            93.0004.</al></li><li nr=""><al>Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het
                            terzake genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG
                            95.0199.</al></li><li nr=""><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip
                            op een niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is
                            niet mogelijk en beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS
                            7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W. Vos.</al></li><li nr=""><al>De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een
                            onbezette ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden
                            aangemerkt als een weigering om feitelijke handelingen te verrichten.
                            Deze weigering is niet op enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar
                            hiertegen is terecht niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft
                            daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een verzoek om aanwijzing van
                            een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college komt ter zake van
                            aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een ruime mate
                            van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt.
                            HH.</al></li><li nr=""><al>Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                            objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar
                            besluit in de zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001)
                            248.</al></li><li nr=""><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven
                            is in strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter
                            in een bepaalde gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in
                            openbaar water geschikt zijn om te worden bestemd of aangewezen om door
                            een woonschip te worden ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet
                            is dan ook niet beoogd om iedere gemeente de verplichting op te leggen
                            nieuwe ligplaatsen te creëren, teneinde aan tenminste één woonschip
                            plaatst te kunnen bieden op haar grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr.
                            200100971/1.</al></li><li nr=""><al>Het betreft de afbakeningsbepaling van artikel 5.3.2, derde lid, van de
                            APV. Appellant betoogde dat het verbod van het eerste lid van dat
                            artikel (om met een vaartuig ligplaats in te nemen op openbaar water)
                            niet geldt, omdat het in het derde lid genoemde
                            Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing is. De Afdeling zegt
                            daarover: “met name uit de woorden “voor zover” blijkt dat het antwoord
                            op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, afhankelijk
                            is van de reikwijdte van het BPR.” En verderop: “Aan artikel 5.3.2 van
                            de APV, dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift “andere
                            onderwerpen huishouding gemeente” liggen (ook) andere motieven ten
                            grondslag zoals hiervoor weergegeven. De omstandigheid dat in het
                            voorliggende geval de belangen ter bescherming waarvan het BPR is
                            vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren van een vaartuig op de
                            door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van de APV
                            blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit
                            een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het
                            eerste lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook
                            in het voorliggende geval in zoverre betekenis.” De Afdeling erkent hier
                            dus de aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van
                            toepassing is. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8510, De Gemeentestem 2004,
                            7210, 109 m.nt. J.M.H.F. Teunissen.</al></li><li nr=""><al>De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat een
                            milieuvergunning is verleend niet betekent dat artikel 5.3.2, derde lid,
                            van de APV van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de
                            verleende milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening
                            van het innemen van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van
                            openbare orde is meegewogen of dat belang als gevolg van de verleende
                            milieuvergunning rechtens geen relevantie meer zou hebben. De
                            milieuvergunning kent geen bepalingen omtrent het innemen van
                            ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de APV voorziet niet in een
                            door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De Afdeling deelt dan ook
                            de conclusie van de rechtbank dat de verlening van de milieuvergunning
                            niet afdoet aan het in de APV vervatte verbod met een vaartuig ligplaats
                            in te nemen. ABRS 17 november 2004, 200308597/1, LJN-nr. AR5815, JB
                            2005/17.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:22 Aanwijzingen ligplaats</onderstreept></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:22, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:21 van de
                    APV.</al><al><onderstreept>Artikel 5:23 Verbod innemen ligplaats</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><onderstreept>Artikel 5:24 Beschadigen van waterstaatswerken</onderstreept></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn. De APV-bepaling heeft alleen
                    betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel
                    1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk
                    beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op. </al><al><onderstreept>Artikel 5:25 Reddingsmiddelen</onderstreept></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al><onderstreept>Artikel 5:26 Veiligheid op het water</onderstreept></al><al>Baden of zwemmen in zee kan in verband met bijv. stroming, muien of de nabijheid
                    van een vaargeul gevaarlijk zijn. Met het oog hierop kan een verbod tot baden of
                    zwemmen op sommige plaatsen noodzakelijk zijn. De coördinator beheer badstrand
                    kan handhavend optreden tegen zwemmers die gevaar of hinder veroorzaken,
                    bijvoorbeeld duiken vanaf Koopmanshaven, zwemmen in vaargeul e.d. Een
                    uitgebreide aanwijzing van plaatsen waar een zwemverbod van toepassing is
                    zodoende niet noodzakelijk. De voorgestelde redactie voorkomt discussie over de
                    vraag waar nu precies de vaargeul begint en ophoudt. Voorts biedt het artikel
                    een handvat om handhavend op te treden bij het betreden, beklimmen en duiken
                    vanaf bruggen en daarbij behorende remmingswerken. Omdat bijvoorbeeld de bruggen
                    in het Kanaal door Walcheren op afstand worden bediend is het voor de
                    brugwachters niet altijd goed mogelijk te zien of zich, bij het openen en
                    sluiten van de bruggen, daarop onbevoegde personen bevinden. Ook hier kan nu
                    preventief toezicht worden gehouden en zonodig gehandhaafd. </al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water. Artikel 5:26 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee
                    reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden. Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere
                    regelingen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5:21.</al><al><onderstreept>Artikel 5:27 Overlast aan vaartuigen</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.<onderstreept>Artikel 5:28 Op afstand
                        bestuurbare voorwerpen in openbare wateren</onderstreept></al><al>Te denken valt aan het varen met model-schepen, die vanaf de oever radiografisch
                    bestuurd worden. Het gebruik van dit soort schepen kan in conflict komen met
                    bijv. het belang van vissers of hengelaars. Het derde lid biedt de mogelijkheid
                    met ieders belangen rekening te houden. Zie ook artikel 5:30
                        APV.<onderstreept>Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig
                        enz.</onderstreept></al><al>Artikel 5:29 heeft tot doel overlast, hinder en schade te voorkomen ten opzichte
                    van strandrecreanten, bijv. mensen die zonnebaden op of wandelen langs het
                    strand. Het tweede lid biedt de mogelijkheid strandtenten te bevoorraden of de
                    opbouw en afbraak van seizoenaccommodaties (bijv. strandhuisjes of kleedcabines)
                    mogelijk te maken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:30 Op afstand bestuurbare voorwerpen op of boven het
                        strand</onderstreept></al><al>Bezoekers van het strand kunnen overlast en hinder ondervinden door
                    radiografisch bestuurbare modelbouw voer- en vliegtuigjes, al dan niet voorzien
                    van een verbrandingsmotor. Deze kunnen hoge snelheden behalen, wat tot
                    gevaarlijke situaties kan leiden. Het is gewenst handhavend te kunnen optreden
                    om die situaties te vermijden. Dit artikel is het equivalent van artikel 5:28,
                    dat handelt over op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare
                        wateren.<onderstreept>Artikel 5:31 Verbod luchtbedden
                    enz.</onderstreept></al><al>Het gevaar om bij aflandige wind in zee te gaan moet niet worden onderschat.
                    Door de kracht van de wind komt iemand op een luchtbed of met een zwemband
                    binnen de kortste keren in bijv. de vaargeul terecht met alle gevolgen van dien.
                    Het spreekt vanzelf dat van dit verbod geen ontheffing mogelijk is. De
                    veiligheid van personen zou anders illusoir worden.<onderstreept>Artikel 5:32
                        Surfverbod e.d.</onderstreept></al><al>In de praktijk blijkt dat surfplanken weinig wendbaar zijn en dat surfers vaak
                    de aanwezigheid van zwemmers niet tijdig opmerken. Het hoeft geen betoog dat dit
                    voor de zwemmer een gevaarlijke dan wel bedreigende situatie oplevert. Artikel
                    5:32 beoogt dit te voorkomen. Als vanaf het strand met een jetski de zee of een
                    binnenwater wordt opgegaan, kan dat hinder opleveren voor de badgasten en gevaar
                    voor de waterrecreanten die zich dichtbij het strand in het water bevinden. Een
                    jetski is een motorvaartuig. Jetski’s steken zodanig ondiep dat zij al volledig
                    bruikbaar zijn waar langs het strand wordt gepootjebaad of gezwommen. </al><al/><al><cursief>Op 25 mei 2011 is artikel 50c van het Scheepvaartreglement
                        Westerschelde 1990 in werking getreden, dat als volgt luidt:</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die zwemt dan wel op andere wijze watersport bedrijft zonder
                            gebruik te maken van een schip houdt voldoende afstand tot een varend
                            schip of tot een schip bezig met het verrichten van werkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die waterskiet of doet waterskiën of op soortgelijke wijze
                            van het vaarwater gebruik maakt of gebruik doet maken, of vaart met een
                            waterscooter, een zeilplank of met een door een vlieger voortbewogen
                            plank, houdt voldoende afstand tot een varend schip of tot een schip
                            bezig met het verrichten van werkzaamheden.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde personen gedragen zich zodanig
                            dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van het vaarwater kan
                            worden veroorzaakt.</al></li><li nr="4."><al>Zwemmen, onderwatersport, watersport zonder gebruik te maken van een
                            schip, waterskiën of doen waterskiën of op soortgelijke wijze van het
                            vaarwater gebruik maken of gebruik doen maken, varen met een
                            waterscooter, varen met een zeilplank of varen met een door een vlieger
                            voortbewogen plank vinden niet plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>op of in de onmiddellijke nabijheid van een ankerplaats;</al></li><li nr="2."><al> in de vaargeul;</al></li><li nr="3."><al>in routes van veerponten;</al></li><li nr="4."><al>nabij de ingangen van havens;</al></li><li nr="5."><al>in de nabijheid van meergelegenheden;</al></li><li nr="6."><al>in de door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangewezen
                                    gebieden.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De Rijkshavenmeester Westerschelde kan vrijstelling of ontheffing
                            verlenen van het vierde lid. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen
                            voorschriften worden verbonden.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><lijst><li nr=""><al> De Hoge Raad heeft op 13 maart 2001, nr. 02054/00, uitgesproken dat de
                            APV van de gemeente Noordwijk niet in strijd is met de
                            Scheepvaartverkeerswet en dus verbindend is (JG 2001, 6, nr. 01.0123;
                            Gemeentestem 7147, nr. 3).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:33 Vaarverbod </onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Dit artikel beoogt de veiligheid van baders en zwemmers te beschermen. Omdat
                    deze zich in het water slechts relatief langzaam voortbewegen, kunnen zij zich
                    mogelijk niet tijdig in veiligheid stellen op het moment dat zij geconfronteerd
                    worden met vaartuigen in hun nabijheid. Vandaar dat de verantwoordelijkheid voor
                    het voorkomen van gevaar of hinder voor baders of zwemmers is gelegd bij
                    degene(n) op het vaartuig. Zie ook de toelichting bij artikel 5:32.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid kan het college gebieden aanwijzen waar zelfs de
                    aanwezigheid van vaartuigen al verboden is ongeacht of hiermee gevaar of hinder
                    wordt veroorzaakt. Met name zullen die gebieden worden aangewezen die veel
                    worden gebruikt door baders en zwemmers. Het college kan in het
                    aanwijzingsbesluit opnemen dat de betreffende gebieden duidelijk moeten worden
                    gemarkeerd.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Onder hulpdiensten worden in dit artikel in ieder geval verstaan de
                    gemeentelijke strandbewaking, de Koninklijke Nederlands Reddingsmaatschappij,
                    het Korps Landelijke Politiediensten, de Regiopolitie Zeeland, de douane, de
                    Koninklijke Marechaussee, de Koninklijke Marine en de
                        brandweer.<onderstreept>Artikel 5:34 Vliegerverbod </onderstreept></al><al>Vliegers - en vooral stuntvliegers - kunnen door bijv. een onvoorspelbare wind
                    met hoge snelheid naar beneden komen. Personen die zich op het strand bevinden
                    kunnen daardoor schade en letsel oplopen. Dit gevaar zal zich meer voordoen in
                    het zomerseizoen dan in andere seizoenen, omdat het in de zomer drukker is op
                    het strand. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:35 Duikverbod</onderstreept></al><al>In de Westerschelde liggen op veel plaatsen wrakken van vaar- en vliegtuigen. In
                    een aantal gevallen bevatten deze mogelijk nog explosieven of stoffelijke resten
                    van slachtoffers, waarbij gedacht kan worden aan wrakken uit de Tweede
                    Wereldoorlog. Berging daarvan is niet altijd mogelijk of wenselijk. Deze wrakken
                    zijn, voor zover zich daarin nog stoffelijke resten bevinden, een zeemansgraf en
                    kunnen worden aangemerkt als oorlogsgraf. Uit een oogpunt van openbare orde en
                    veiligheid en piëteit ten opzichte van de slachtoffers is het ongewenst dat deze
                    wrakken worden verstoord door duikers.</al><al><onderstreept>Artikel 5:36 Crossterreinen</onderstreept></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al/><al><cursief>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</cursief></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers.</al><al/><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag
                    wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 1:1 van de APV. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk
                    voor het openbaar verkeer gesloten is.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de
                        weg in de zin van de WVW 1994</cursief></al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. In de toelichting op artikel 2:25. van de APV
                    inzake het houden van een feest of wedstrijd, wordt nader op het regime van de
                    WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de weg ingegaan.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op
                        andere wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet
                    1994</cursief></al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:36 van toepassing zijn. Artikel 5:36
                    ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een
                    wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend
                    voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen,
                    medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel
                    5:36 van toepassing is, is een evenementenvergunning op basis van artikel 2:16
                    niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:16.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de
                        weg</cursief></al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de APV van
                    toepassing (art. 2:16 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare
                    orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het
                    houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze
                    bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen
                    wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al/><al><cursief>2. Wet milieubeheer en APV</cursief></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:36 en
                    5:37 van de APV.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al/><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al/><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt. Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige
                    accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is
                    van een dergelijke inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing.
                    Indien elke, al dan niet beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde
                    activiteiten zich afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen
                    worden gesproken (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van
                    modelvaartuigen regelmatig met elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas
                    of waterweg).</al><al/><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2). Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de
                    motieven van de Wet milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de
                    bescherming van het milieu.</al><al/><al><cursief>APV</cursief></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met betrekking
                    tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wet
                    milieubeheer in ieder geval moeten zijn afgebakend. Bij een aanwijzingsbesluit
                    kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit
                    voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat
                    milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.
                    In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al/><al><cursief>3. Zondagswet</cursief></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan
                    als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare
                    vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al/><al><cursief>4. Wet op de ruimtelijke ordening en APV</cursief></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch gebied” of
                    “natuurgebied”. De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende
                    terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het
                    gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten
                    behoeve van het motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de
                    bestemming van dit terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al/><al><cursief>5. Privaatrechtelijk optreden</cursief></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken. Indien van gemeentewege een
                    terrein ter beschikking wordt gesteld voor het crossen, rijst de vraag naar de
                    eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gemeente voor ongevallen en
                    andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat het crossterrein niet een weg is
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is daarvan wèl sprake, dan is het -
                    behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en 148 WVW 1994 - eenvoudigweg
                    verboden aldaar te “crossen”.</al><al/><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient. In het
                    kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede lid van
                    artikel 5:37 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting van
                    aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel mogelijk
                    beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van het terrein
                    waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein gebruik mag
                    worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit
                    voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid
                    afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                    van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente gevrijwaard is
                    van aansprakelijkheid. Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid
                    waardoor de gemeente aan haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het
                    sluiten van een gebruiks- of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De
                    gemeente moet zich dan wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook
                    alleen ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van
                    die vereniging.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikelen
                            2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud) van de APV, op een crossterrein, zoals in
                            deze bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er
                            meerdere bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden
                            gemaakt tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het
                            bevoegd gezag is om een vergunning te verlenen en anderzijds de
                            motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het bevoegd gezag is.
                            ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602 m.nt. RMvM,
                            Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB.</al></li><li nr=""><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In
                            casu geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km
                            buiten de bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316
                            m.nt. A.B. Engberts, KG 1995, 292.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:37 Beperking verkeer in
                    natuurgebieden</onderstreept></al><al><cursief>1. Inleiding</cursief></al><al>De gemeente wordt geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan
                    natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora,
                    verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker
                    door ruiters en fietsers /mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat
                    ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of
                    fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars
                    en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna. Bij de vraag, welke maatregelen
                    mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid
                    moeten maken tussen het zgn. “wilde crossen” (op wegen en paden en “off the
                    road”) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen. Op het
                    crossen op motorterreinen is artikel 5:36 van de APV van toepassing.</al><al/><al>De redactie van artikel 5:37 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:36. Op grond van het eerste lid van artikel 5:37 geldt een algeheel verbod om
                    zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te
                    bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar
                    dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al/><al><cursief>2. Maatregelen</cursief></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het
                    milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of
                    fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</al><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving. Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november
                    1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie
                    artikel 18 WVW 1994).</al><al/><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al/><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV. Hierbij moet in het
                    oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp ook een
                    provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale regeling
                    bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden, welke
                    regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde belangen, zal - althans
                    indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in een “natuurgebied” als
                    bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer van het gemeentelijk
                    voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening moeten worden
                    afgebakend.</al><al/><al><cursief>2.1 Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en
                        sluiting krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</cursief></al><al>- Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het
                    weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden.</al><al/><al>In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                    draaihekjes bij de toegangen tot de in een dergelijk gebied gelegen wegen. De
                    eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige maatregelen
                    niet kunnen ontzeggen. Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een
                    openbare weg in de zin der Wegenwet? Hiervoor zijn wij ingegaan op de
                    beperkingen in het gebruik van een openbare weg als gevolg van het beperkt
                    openbaar rechtskarakter van die weg. Openbare wegen in natuurgebieden zullen
                    veelal - op grond van de gesteldheid van de weg of op grond van het gebruik dat
                    van de weg pleegt te worden gemaakt - een zodanig beperkt openbaar
                    rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze openbare wegen zal de eigenaar
                    deze beperking feitelijk mogen realiseren door het plaatsen van klap- en
                    draaihekjes, palen e.d. bij de toegangen tot die wegen en wel zodanig dat alleen
                    voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze handelwijze kleeft een
                    aantal bezwaren.</al><al/><al>Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van openbare
                    wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het
                    bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en
                    de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Wij
                    tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor
                    gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet
                    mogelijk is (KB 26 september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk). Ook
                    is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                    onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                    voorbeeld voetgangers en fietsers (KB 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt. J.R.
                    Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit
                    worden genomen, zoals hiervoor is beschreven.</al><al/><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                    gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name
                    landbouwers. Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten van wegen door
                    middel van hekjes en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid van bos- en
                    natuurgebieden voor de brandweer en in verband met onderhoudswerkzaamheden zal
                    verslechteren. Bovendien zullen slagbomen gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten
                    slotte is het plaatsen van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare
                    aangelegenheid. Men zou - in de tweede plaats - kunnen denken aan het plaatsen
                    bij de toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de
                    toegang voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel
                    461 van het Wetboek van Strafrecht wordt verboden: “Verboden toegang voor....;
                    art. 461 Wetboek van Strafrecht”.</al><al/><al>Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen
                    in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt. W.F. Prins,
                    OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432, Verkeersrecht
                    1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek), en HR 23 december
                    1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981, 237, NG 1981, blz. S63,
                    m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al/><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S
                    145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982, Gst.
                    1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!)
                    de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar
                    van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze
                    plicht wordt verzaakt.</al><al/><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al/><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al/><al><cursief>3. Verordening stiltegebieden</cursief></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Volgens
                    Hoofdstuk 5 van de Provinciale Milieuverordening Zeeland is het onder meer
                    verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied.
                    Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de
                    openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te
                    verlaten. Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in
                    artikel 24 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al/><al><cursief>4. Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot
                        artikel 1 van de Grondwet</cursief></al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod “... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten.”</al><al/><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                    voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                    belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier van
                    justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van motorrijders
                    en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan noodzakelijk voor
                    het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt.</al><al/><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied,
                            waarbinnen gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling
                            bedoeld, is het verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling
                            noodzakelijk is voor personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een
                            motorvoertuig gebruik maken van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken
                            van een overgangsregeling trof de Voorzitter van de ARRS een voorlopige
                            voorziening, waarbij aan belanghebbende alsnog een tijdelijke ontheffing
                            werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432 m.nt. PCEvW, Gst. 1991,
                            6929, 7 m.nt. JT.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5:38 Verbod vuur te stoken</onderstreept></al><al>Benadrukt moet dat het nieuwe regiem voor het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen in de Wet milieubeheer er niet beter, maar juist onduidelijker op
                    is geworden. Voorheen hoefde er op grond van artikel 5.5.1 APV slechts één
                    ontheffing te worden verleend, waarin zowel de bescherming van het milieu als
                    van de openbare orde en veiligheid werden geregeld. Artikel 10.63, tweede lid,
                    Wet milieubeheer beperkt zich nu echter alleen tot de bescherming van het
                    milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op
                    grond van de APV noodzakelijk.</al><al/><al><cursief>De aanvullende werking van artikel 5:38</cursief></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al/><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5:38 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al/><al>Voor artikel 5:38 APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:38, tweede
                    lid, APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van de Wet
                    milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde
                    en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de
                    APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid
                    geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de
                    openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden
                    genoemd in derde lid.</al><al/><al><cursief>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:39, tweede lid, APV
                        worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</cursief></al><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                    wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                    Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in
                    hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien
                    bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee
                    impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de
                    strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op
                    de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:38 strafbaar
                    wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.</al><al/><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit
                    ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet
                    weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het
                    blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><al/><al><cursief>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond
                        van artikel 5:38 APV?</cursief></al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:38 APV. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van
                    artikel 5:38 APV kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd
                    met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:38 APV hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag
                    hiervoor is artikel 4:5 Awb.</al><al/><al><cursief>Uitzonderingen artikel 5:38 APV</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het
                    tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</al><al/><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid
                    regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al><cursief>Inrichtingen</cursief></al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de APV helder,
                    indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daar
                    waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of voorschriften in een
                    onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de APV. Het Besluit
                    melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit Akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer, zogenaamde 8.40 AMvB’s, vormen hierop een uitzondering. In deze
                    besluiten wordt namelijk voor het onderwerp verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen uitdrukkelijk verwezen naar een gemeentelijke verordening.</al><al/><lijst><li nr=""><al><cursief>Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer</cursief><cursief>
                                Voorschrift 4.1: </cursief>Afvalstoffen mogen niet binnen de
                            inrichting worden verbrand, behoudens voor zover ingevolge een
                            gemeentelijke verordening verbranden van uit de inrichting afkomstige
                            afvalstoffen is toegestaan.</al></li><li nr=""><al><cursief>Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer
                                </cursief><cursief>Voorschrift 8.1: </cursief>Afvalstoffen mogen
                            niet binnen de inrichting worden verbrand, behoudens voor zover
                            ingevolge een gemeentelijke verordening verbranden van uit de inrichting
                            afkomstige afvalstoffen is toegestaan. </al></li></lijst><al>De artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, tweede lid Wet milieubeheer en ook
                    artikel 5:38 APV zijn hier niet van toepassing, omdat deze bepalingen
                    uitdrukkelijk het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen reguleren. Het
                    gaat in deze besluiten immers om het verbranden binnen
                    inrichtingen.</al><al/><al><cursief>Is een verbod van verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in
                        APV nodig?</cursief></al><al>Indien een bepaling over het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in
                    de APV ontbreekt, kan worden gesteld dat het per definitie verboden is om
                    afvalstoffen binnen inrichtingen te verbranden. Immers, op grond van
                    voorschriften van de genoemde Besluiten melkrundveehouderijen en
                    akkerbouwbedrijven milieubeheer geldt een verbod, tenzij een gemeentelijke
                    verordening dit toestaat. Uit het ontbreken van een regeling in de APV, kan
                    impliciet worden afgeleid dat de gemeentelijke verordening het verbranden van
                    afvalstoffen binnen inrichtingen dus niet toestaat. Met andere woorden, indien
                    in een gemeentelijke verordening het verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen niet expliciet wordt toegestaan, is het verbranden van afvalstoffen
                    binnen inrichtingen verboden op grond van voorschrift 4.1. van het Besluit
                    melkrundveehouderijen milieubeheer of voorschrift 8.1 Besluit akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer. Indien de gemeente het verbranden van afvalstoffen binnen een
                    inrichting in de gemeentelijke verordening wil toestaan, dan dient dit te worden
                    vastgelegd in de APV.</al><al/><al><cursief>Binnen of buiten inrichting?</cursief></al><al>Ten slotte nog de discussie of er nu sprake is van binnen of buiten een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Artikel 1, eerste lid, onder a,
                    Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer spreekt over een inrichting die deel
                    uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het
                    verbouwen van akkerbouw- of tuinbouwproducten op of in de open grond. In de
                    toelichting op dit besluit wordt aangegeven dat akkerland en de grond alwaar de
                    volle grondstuinbouw plaatsvindt in het algemeen niet tot de inrichting wordt
                    gerekend. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een
                            uitspraak van 16 januari 1997 (E03.94.0230, Tiel) de uitspraak gedaan
                            dat dit voor fruitteeltbedrijven tevens inhoudt dat de boomgaarden niet
                            tot de inrichting dienen te worden gerekend.</al></li><li nr=""><al>Eerder sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich
                            uit over de vraag of een weiland wel of geen inrichting is. Een weiland
                            is geen inrichting, zolang het niet intensief gebruikt wordt (1 december
                            1995, E03.94.0495, AB 1996, 128).</al></li></lijst><al/><al>Indien het verbranden van afvalstoffen op een weiland of akkerland plaatsvindt,
                    kan worden verdedigd dat er sprake is van het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen en zijn de artikelen 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer en artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 5:38 van de APV om deze reden van
                    toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 5:39 Begripsomschrijving verstrooiing van
                        as</onderstreept></al><al>In de Wet op de lijkbezorging is de mogelijkheid van het permanente terrein
                    opgenomen als een algemene vorm van asbestemming waarbij het nabestaanden niet
                    zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als wel om het gegeven dat er
                    verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder
                    van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen plaatsvinden op
                    het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard blijft ook de
                    mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie verder voor
                    een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 van de VNG omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al><onderstreept>Artikel 5:40 Verboden plaatsen</onderstreept></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke kan leveren voor derden en
                    de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk
                    dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de
                    as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking
                    opleveren voor nabestaanden. Als het college een vergunning heeft verleend voor
                    een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel
                    altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. </al><al/><al>Voor de gemeentelijke begraafplaatsen is de mogelijkheid voor asverstrooiing
                    geregeld in de 'Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen'. De regeling
                    daarin maakt deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het
                    openstellen van de begraafplaats voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken. De begraafplaatsen zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder 'volgende
                    plaatsen' kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan. Het is mogelijk dat het op bepaalde
                    terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk
                    onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor
                    het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die
                    bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te
                    verstrooien.</al><al><onderstreept>Artikel 5:41 Hinder of overlast</onderstreept></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten. Een typerend voorbeeld is het
                    verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige
                    bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie
                    op. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek. Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van
                    de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
                    handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
                    asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek
                    geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing. </al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><onderstreept>Algemene toelichting hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                        slotbepalingen</onderstreept></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften is hier
                    een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk toezicht,
                    bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. </al><al/><al><cursief>Handhaving algemeen</cursief></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort: Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in
                    steeds grotere mate het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de
                    achteruitgang van de kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De
                    rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers dienen te worden
                    gewaarborgd. Dit kan door een goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van
                    rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De
                    geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het
                    ambtelijk en maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al/><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><al/><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb.
                    In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen worden aangebracht op de in de
                    algemene regels gegeven bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de
                    Wet wapens en munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al/><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al/><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken over
                    de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak medewerking
                    benodigd van de onder toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid, van de Awb
                    is de verplichting van eenieder opgenomen om aan een toezichthouder alle
                    medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening
                    van zijn bevoegdheden. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de
                    medewerkingsplicht. In het tweede lid van artikel 5:20 is opgenomen dat
                    geheimhouders, zoals de arts en de advocaat, niet hoeven mee te werken. Maar ook
                    de verdachte hoeft niet mee te werken. Volgens de regering geldt de plicht
                    namelijk niet na het moment waarop de overheid jegens de betrokkene een
                    handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft
                    kunnen verbinden dat tegen hem strafvervolging wordt ingesteld. “Vanaf dat
                    moment is er sprake van “criminal charge” in de zin van artikel 6 Europees
                    Verdrag van de Rechten van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het
                    zwijgrecht.”</al><al/><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor dat er
                    toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die onder toezicht staat
                    moet dus goed weten welke “pet” de ambtenaar opheeft. In het geval van toezicht
                    moet een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van opsporing, kan er een
                    beroep op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om
                    aan zijn eigen veroordeling mee te werken.</al><al/><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel 100
                    Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als toezichthouders
                    op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten zij niet alleen
                    toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook
                    op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                    bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                    bouwvergunning.</al><al/><al><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al/><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al/><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al/><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al/><al><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</cursief></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang. In artikel 5:21 van de Awb
                    is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door feitelijk handelen door of
                    vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens
                    enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden
                    of nagelaten. Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen,
                    ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of het treffen van
                    maatregelen om verdere nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen. Het
                    uitoefenen van bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in
                    overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een
                    onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom
                    “reparatoire sanctie”. Onder overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan
                    het niet nakomen van voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals
                    bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning. </al><al/><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te leggen. Het
                    opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van
                    een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna
                    vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is om aan
                    de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom niet mag worden opgelegd
                    zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is
                    ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last
                    dwangsom is niet mogelijk.</al><al/><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk
                    dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien.
                    Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al/><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet
                    . Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden
                    worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid
                    aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving
                    van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van
                    regels.</al><al/><al><cursief>Kabinetsstandpunt “Naar een veilige samenleving”</cursief></al><al>In oktober 2002 is door de ministers van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties en Justitie het programma “Naar een veilige samenleving”
                    naar de Tweede Kamer gezonden [Kamerstukken II, 2002-2003, 28 684, nr 1.]. In
                    dit programma wordt aangegeven welke concrete doelstellingen op het gebied van
                    de veiligheid van het publieke domein het kabinet voor 2006 nastreeft en hoe het
                    kabinet die doelstellingen wil bereiken.</al><al/><al>In het programma wordt door het kabinet een lans gebroken voor versterking van
                    de bestuurlijke handhaving met betrekking tot de kleine ergernissen in het
                    publieke domein. “Naar een veilige samenleving” stelt dat gemeenten een
                    “bijzondere verantwoordelijkheid en een zelfstandige rol” hebben “bij het
                    verbeteren van de veiligheidssituatie die gestalte krijgt op lokaal en
                    wijkniveau, in de woon en leefomgeving van de burgers”. Gemeenten zijn
                    verantwoordelijk voor en worden aangesproken op het organiseren van integraal
                    veiligheidsbeleid, maar beschikken over onvoldoende bestuursrechtelijke
                    instrumenten om dat beleid integraal te handhaven. Vooral de gemeente (en niet
                    zozeer de politie) wordt door de burger aangesproken op overlast en verloedering
                    van het straatbeeld (kleine ergernissen). Verloedering scoort hoog als oorzaak
                    van gevoelens van onveiligheid bij burgers. Het kabinet wil hier iets aan doen
                    door het bestuurlijke toezicht en de handhaving in het publieke domein te
                    versterken middels de invoering van de bestuurlijke boete voor kleine
                    ergernissen.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving reeds een aantal
                    bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke
                    instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een scheiding in sancties die
                    erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen
                    (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te
                    treden (punitieve sancties). Bij de herstelsancties gaat het om bestuursdwang
                    [is voor gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet]en dwangsom
                    [gemeentelijke bevoegdheid op grond van artikel 136 Gemeentewet.]. Deze sancties
                    kunnen alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk
                    is, zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het
                    intrekken van een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie)
                    [Onderscheid kan worden gemaakt tussen het intrekken van een begunstigend
                    besluit als sanctie en anderszins, bijvoorbeeld wegens gewijzigde
                    beleidsinzichten of veranderende omstandigheden.] is een voorbeeld van de tweede
                    categorie. De meeste normen die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens
                    van burgers moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of
                    bestuursdwang. Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan
                    geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren
                    problemen op (denk aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig
                    plaatsen van vuilniszakken op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten
                    worden).</al><al/><al>In mei 2004 heeft de VNG het concept wetsvoorstel bestuurlijke boete kleine
                    ergernissen ontvangen van de ministers van BZK en Justitie met het verzoek
                    hierop te reageren. In het concept wetsvoorstel wordt een stelsel voorgesteld
                    waarin het mogelijk wordt gemaakt dat het gemeentebestuur desgewenst bevoegd
                    wordt tot het opleggen van een bestuurlijke boete in reactie op overtreding van
                    specifieke bij of krachtens formele wet als beboetbare feiten aangewezen
                    APV-normen. Er is dus sprake van een keuze tussen invoering en geen invoering
                    van de bestuurlijke boete.</al><al/><al>Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen tijde
                    besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van de raad tot
                    intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete treedt echter
                    niet eerder in werking dan na negen maanden na de bekendmaking van het
                    intrekkingsbesluit. Bij het opstellen van de feitenlijst die onder de reikwijdte
                    van de bestuurlijke boete worden gebracht is vooralsnog de APV van de VNG als
                    uitgangspunt genomen. Verkeersdelicten, met uitzondering van fout-parkeren,
                    zullen volgens dit voorstel niet onder de bestuurlijke handhaving worden
                    gebracht. Zoals gezegd wordt de lijst met beboetbare feiten door de formele
                    wetgever vastgesteld (bij algemene maatregel van bestuur). Gemeenten kunnen de
                    lijst dus niet aanpassen aan de lokale situatie.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend
                    door het college. Deze bevoegdheid wordt evenwel uitgeoefend door de
                    burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van
                    regels welke hij uitvoert.</al><al/><al>Tegen de boete-oplegging staat de rechtsgang van de Algemene wet bestuursrecht
                    open. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in dienst van de
                    gemeente, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, te worden opgelegd.
                    Mandateren van deze bevoegdheid aan particuliere toezichthouders is niet
                    toegestaan. De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten
                    zijn zelf verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde
                    boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen, zoals bijvoorbeeld het Centraal
                    Justitieel Incassobureau, inschakelen).</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt inzicht gegeven
                    in de financiële implicaties van de introductie van het handhavingsinstrument.
                    De cijfers die hierin worden genoemd geven aan dat tegenover iedere euro aan
                    opbrengsten er € 2,50 aan investeringen staat. De VNG heeft in haar reactie op
                    het wetsvoorstel aangegeven dat dit naar haar mening niet acceptabel is. Om de
                    verhouding tussen investering en opbrengst rechter te trekken heeft zij er voor
                    gepleit om ook bepaalde verkeersdelicten (waaronder snelheidsovertredingen)
                    onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete te brengen.</al><al/><al>Voor wat betreft de verkeershandhaving is er een wetsvoorstel in voorbereiding
                    voor het introduceren van de bestuurlijke boete voor fout parkeren en stilstaan.
                    Hierin wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend om een bestuurlijke boete op
                    te leggen voor “fout parkeren” en “stilstaan”. Deze twee overtredingen, die
                    thans in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
                    (Wahv), oftewel de Wet Mulder, zijn opgenomen, kunnen worden gekenschetst als
                    zogenaamde neutrale ordeningsfeiten. Voor de lokale overheden betekent de
                    bevoegdheid bij deze feiten in punitieve zin op te treden evenwel een belangrijk
                    instrument voor de handhaving van het eigen parkeerbeleid. Dit sluit aan bij de
                    brief die op 15 november 2001 door de ministers van BZK, Justitie en V&amp;W aan
                    de Tweede Kamer is gezonden. Hierin is geconcludeerd dat een bestuurlijke boete
                    voor verkeersovertredingen die wordt opgelegd door het lokale bestuur, beperkt
                    dient te blijven tot normatief neutrale ordeningsfeiten. Ernstige verkeersfeiten
                    (waaronder snelheidsovertredingen) dienen daarom te worden uitgesloten. Deze
                    conclusie komt overeen met het standpunt Handhaven op Niveau [Kamerstukken II
                    1999/2000, 26800 VI, nr. 67.], waarin het kabinet heeft aangegeven dat invoering
                    van de bestuurlijke boete aan de rand van de harde kern van het strafrecht onder
                    omstandigheden een gewenste aanvulling kan zijn op de handhavingbevoegdheden. Op
                    basis hiervan heeft het kabinet geconcludeerd dat de invoering van een door het
                    lokale bestuur op te leggen bestuurlijke boete gewenst is voor een tweetal
                    verkeersovertredingen te weten: “fout parkeren” en “stilstaan”.</al><al/><al>Ten aanzien van de overige verkeersfeiten wijst de regering er op dat hiervoor
                    reeds een uiterst effectief functionerend systeem van bestuurlijke handhaving is
                    neergelegd in de Wet Mulder. In tegenstelling tot parkeren, dat vaak al door
                    gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren wordt gehandhaafd, verwacht het
                    kabinet geen verbetering van de handhaving van de overige verkeersfeiten als die
                    worden overgebracht naar het lokale niveau. Uitgangspunt van dit systeem is dat
                    de verkeershandhaving eenduidig herkenbaar is voor de weggebruikers. Indien per
                    gemeente verschillende prioriteiten worden gehanteerd, vermindert de
                    effectiviteit van de handhavende overheid. Politie en OM kunnen de benodigde
                    eenduidigheid bevorderen. Versnippering van de handhaving over de
                    gemeentebesturen betekent dat deskundigheid verloren gaat en duur moet worden
                    binnengehaald. Het risico is groot dat dit ten koste gaat van de handhaving van
                    de lastig handhaafbare normen. Politie en Justitie zullen hun invloed op de
                    prioritering van de te handhaven normen moeten inleveren. Bovendien zullen
                    gemeenten bij de verwerking van de boeten geen gebruik kunnen maken van de
                    schaalvoordelen die gelden indien deze verkeersfeiten landelijk uniform worden
                    afgedaan. De doelmatigheid van de verkeershandhaving zal dan verloren gaan. De
                    politie moet actief blijven op de weg, zowel met het oog op verkeersveiligheid
                    als met het oog op andere politietaken. Voor effectieve en efficiënte handhaving
                    rond ernstige verkeersmisdrijven als grove snelheidsovertredingen en agressief
                    rijgedrag is een speciaal toegeruste en niet aan een bepaald gemeentelijk
                    territoir gevonden handhavingorganisatie onontbeerlijk.</al><al/><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het
                    primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie
                    hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke
                    beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine
                    ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke
                    toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen. Veel
                    overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door daders van wie de
                    identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen voor deze zogenaamde
                    “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting bij het wetsvoorstel
                    Wet op de uitgebreide identificatieplicht: toezichthouders in het publiek domein
                    krijgen de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis
                    dat de toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert
                    het geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet
                    voldaan worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in
                    het identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al><onderstreept>Artikel 6:1 Strafbepaling</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 225,- en
                    van de tweede categorie € 2.250,-. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 2,-
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al/><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Zie hierover
                    de toelichting onder het kopje Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en
                    de eerste geldboetecategorie. Het is niet mogelijk om van deindeling in
                    boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door een maximumboete van € 1.000,-
                    te stellen.</al><al/><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4.500,-
                    ).</al><al/><al><cursief>Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste
                        geldboetecategorie</cursief></al><al>Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een
                    overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een boete
                    van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De opvatting
                    van de gemeenteraad over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor
                    maatgevend. Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden genoemd:</al><al>a. De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met
                    de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als
                    algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede
                    categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig
                    acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld. Overigens dient er
                    bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden gehouden met het feit
                    dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige omstandigheden kunnen worden
                    gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing verdienen. Het komt nog wel eens
                    voor dat de rechter er behoefte aan heeft, voor bijvoorbeeld bepaalde
                    baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen een zware straf niet past - met
                    het oog op de algemene preventie, een zwaardere straf op te leggen. Desondanks
                    blijft het gewenst om na te gaan welke overtredingen in de eigen gemeentelijke
                    verordeningen in aanmerking komen voor onderbrenging in de eerste
                    categorie.</al><al>b. Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door rechtspersonen
                    kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie
                    gesteld.</al><al>c. Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale
                    verordeningen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de gemeenteraad kiest
                    voor een geldboete van de eerste categorie indien de provinciale regelgever daar
                    ook voor heeft gekozen.</al><al>d. Een voorbeeld. In een provinciale landschapsverordening is het verboden om
                    zonder vergunning buiten de bebouwde kom op of aan onroerend goed commerciële
                    reclames aan te brengen of te hebben. In een APV is, uit hoofde van hetzelfde
                    motief, eenzelfde verbod opgenomen voor het gebied binnen de bebouwde kom. Zou
                    nu overtreding van het provinciale voorschrift worden bedreigd met een geldboete
                    volgens de eerste categorie, terwijl op overtreding van het gemeentelijk
                    voorschrift een geldboete is gesteld volgens de tweede categorie, dan zouden
                    voor identieke gedragingen verschillende maximumstraffen gelden (euro € 225
                    buiten de bebouwde kom; € 2250 binnen de bebouwde kom). Overigens staat het de
                    gemeenteraad vrij om in dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede
                    categorie.</al><al>e. Indien de gemeenteraad aanvullend optreedt ten opzichte van een
                    rijksregeling, kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen dat
                    het Rijk wordt gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in elke APV
                    wel bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen waar Boek III
                    WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft veelal artikelen die
                    beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan. De volgende APV-bepalingen kunnen
                    worden aangemerkt als een dergelijke aanvulling.</al><al>1. De artikelen 2:48 tot en met 2:52, voorschriften die baldadigheid en overlast
                    beogen tegen te gaan. Dit zijn aanvullingen op de artikelen 424 WvSr
                    (baldadigheid op of aan de weg) en 426 bis WvSr (belemmering van een ander in
                    zijn vrijheid van beweging op de weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk
                    volgen).</al><al>2. Artikel 4:6 is een aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht
                    waardoor de nachtrust kan worden verstoord).</al><al>3. Artikel 2:62 is een aanvulling op de artikelen 458 en 459 WvSr (het laten
                    lopen van niet-uitvliegend pluimvee in andermans tuin en dergelijke) en
                    artikelen 460 en 461 WvSr (lopen over bezaaide grond en verboden grond).</al><al/><al><cursief>Medebewindsvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. </al><al/><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf. Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel
                    genoemde - in de eerste geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter
                    geen hechtenis gesteld, omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al/><al/><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1:4 van de APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning
                    of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1:4,
                    tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens
                    de APV een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan
                    verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:6) en voor
                    het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding van de
                    Wabo onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en onder g van de
                    Wabo. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:5) kan neerkomen
                    op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j en k van de
                    Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke opslag van puin of
                    bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wabo en
                    wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt
                    het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond
                    van artikel 2:5, 2:6 of 4:11 van de APV. Via artikel 5.4 van de Invoeringswet
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de Wet economische delicten van
                    toepassing op handelen zonder of in strijd met deze drie vergunningen. De
                    strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van toepassing. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art.
                            426 WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de
                            weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke
                            voorschriften (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26
                            februari 1957, NJ 1957, 253, APV Eindhoven).</al></li><li nr=""><al>Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven
                            tot het tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een
                            toegestane aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht
                            waardoor de nachtrust kan worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ
                            1954, 779 (APV Amsterdam).</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2 Toezichthouders</onderstreept></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Aangezien buitengewone
                    opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen
                    is een nadere regeling in de APV niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder in
                    de APV is de grondslag voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. Zie verder de
                    toelichting onder het kopje Opsporingsambtenaren.</al><al/><al><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al/><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al/><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al/><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al/><al><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering
                    maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit
                    voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van
                    gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming
                    van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                    artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het
                    gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften
                    die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                    van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 van de APV wordt
                    deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden
                    van een woning in acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3
                    van de APV zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever. Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder
                    de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een
                    ieder ook verplicht deze inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal
                    uitzonderingen dat terug te voeren is op het beroepsgeheim. In de artikelen 5:17
                    tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de bevoegdheden verleend om
                    inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en om zaken en
                    vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al/><al><cursief>Bijzondere wetten</cursief></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt. Zo
                    heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                    bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt. Ook in artikel
                    100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid toegekend om een
                    woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners. In bijzondere wetten
                    kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo hebben toezichthouders in
                    het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op grond van artikel 69 van deze
                    wet slechts toegang tot terreinen tussen zonsopgang en zonsondergang.
                    “Terreinen” is daarbij een beperkter begrip dan “plaatsen” van artikel 5:15 Awb.
                    Zo vallen alle gebouwen - dus ook bedrijfsgebouwen - hier buiten.</al><al/><al><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het toepassen
                    van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en strafrechtelijk.
                    Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de model APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al/><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al/><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al/><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><lijst><li nr=""><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr=""><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in
                            het WvSv.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al/><al>Op basis van artikel 142, eerste lid, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de
                    APV relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr=""><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr=""><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voor zover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd.</al></li></lijst><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al/><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><al>1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                    betrouwbaarheid;</al><al>2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal (volgens
                    artikel 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6:3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al/><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                    medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen
                    437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De in de artikelen 551
                    en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen reeds
                    toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien
                    de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al/><al><cursief>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</cursief></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (artikel
                    6.2, eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid).
                    Indien namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al><onderstreept>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6:1 is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners.</al><al/><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie
                    elementen:</al><al>1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet
                    te worden aangewezen;</al><al>3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                    personen die belast zijn met een opsporings- of toezichthoudende taak in het
                    kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor
                    de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van
                    bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de
                    volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al/><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al/><al>Voor artikel 2:3 APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van
                    de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Artikel 2:3
                    inzake betogingen steunt op artikel 4 van de Wet openbare manifestaties (WOM).
                    In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    en andere plaatsen geregeld.</al><al/><al><cursief>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</cursief></al><al/><al><cursief>a. Vormvoorschriften</cursief></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><lijst><li nr=""><al>zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al></li><li nr=""><al>mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1
                            Awbi);</al></li><li nr=""><al>te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al></li><li nr=""><al>verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al></li></lijst><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al/><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te
                    beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning
                    binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een
                    machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal
                    drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De minister van
                    Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de
                    circulaire van het Ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294). In
                    artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij
                    woningontruimingen).</al><al/><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in
                    de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil
                    uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven. Van het
                    binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10 Awbi).
                    Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van
                    Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><al/><al><cursief>b. Bevoegdheden</cursief></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voor zover dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden. Dat anderen de
                    binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het belang van de
                    veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige werkzaamheden door
                    mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden uitgevoerd. Artikel 9 van
                    de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang kan verschaffen
                    indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit geldt ook indien
                    de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil verlenen. Hierbij kan
                    degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.</al><al/><al><cursief>c. Het begrip “woning”</cursief></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd. Of een ruimte een woning is, wordt
                    niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken zoals de bouw en de
                    aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk
                    gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim begrip, ook een woonboot,
                    stacaravan, tent en keet kunnen hieronder worden verstaan. Zelfs een hotelkamer
                    kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde ruimte kan ook uit meer
                    woningen bestaan. De verschillende kamers in een woongroep gelden bijvoorbeeld
                    als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen een woning gelegen kamer van
                    een kamerbewoner.</al><al/><al><cursief>d. Spoedeisende situaties</cursief></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming &#x8e;n zonder machtiging
                    gerechtvaardigd. Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de
                    bewoner, blijft ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van
                    toepassing. Het spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk
                    van invloed op het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid
                    slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd
                    zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al/><al><cursief>e. Mandaat is niet geoorloofd</cursief></al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                    gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                    toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de grondwettelijke
                    vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb is
                    mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald
                    of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gezien de zwaarte van deze
                    inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen
                    mandaatverlening verzet (zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al/><al><cursief>f. De strafrechtelijke sanctie</cursief></al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr=""><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie
                            of opname in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het
                            karakter van woning verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al></li><li nr=""><al>Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning
                            zijn bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden
                            betreden - bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet
                            de bescherming van het huisrecht. de bescherming van de woning vallen
                            voorts niet de trappen en portalen die tot een woning en andere
                            lokaliteiten toegang geven (HR 16 december 1907, W 8633), dus ook - zo
                            mag worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke trappen en portalen
                            in een flatgebouw.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4 Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen. Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval:</al><al><cursief>“Deze verordening treedt in werking op een door het college nader te
                        bepalen tijdstip.”</cursief></al><al/><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet. In verband met artikel 1 van het
                    Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een
                    strafverordening terugwerkende kracht te verlenen.</al><al><onderstreept>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. De overgangsbepaling zoals deze nu luidt,
                    is een verregaande vereenvoudiging van de oude regeling. Het betreft in dit
                    artikel besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                    eerste lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om gaat zijn
                    vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en beperkingen
                    (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude tweede lid), nadere
                    regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten (het oude zevende lid). </al><al/><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc). </al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (Verbod van reformatio in peius.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:6 Citeertitel</onderstreept>Deze bepaling is
                    geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde lid, van de Adr. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>