<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR224545_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Rond de Linde, 27 september 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 en 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-09-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Corsanummer 2012.11570</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004)</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012
                (2004)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen c.a.;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 juli 2012;</al><al>gelet op de desbetreffende bepalingen in de Gemeentewet;</al><al>gelet op het gestelde in artikel 8 en 30 van de Wet werk en bijstand;</al><al><vet>B E S L U I T :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente
                            Nuenen c.a. 2012 (2004)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>norm alleenstaande: de norm als bedoeld in artikel 21
                                        onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="c."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                                        van de wet;</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is betrokken.</al></li><li nr="e."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                        verzorging door inwonende(n) ter voorkoming van opname in
                                        een verpleeg- of verzorgingstehuis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen van de verordening gelden alleen voor belanghebbende
                                in de leeftijd vanaf 21 tot 65 jaar. In geval van gehuwden geldt dat
                                beide echtgenoten in de leeftijd van 21 tot 65 jaar moeten
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in deze verordening genoemde percentages worden berekend over de
                                gehuwdennorm. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Belanghebbende(n) wordt(en) in deze verordening ingedeeld in de volgende
                            categorieën en aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al> alleenstaande;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet kunnen delen van
                                deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% voor de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander
                                zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande
                                of alleenstaande ouder in wiens woning uitsluitend inwonende
                                kinderen verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>20% indien geen van deze kinderen een inkomen heeft gelijk
                                        aan of hoger dan de norm van een alleenstaande.</al></li><li nr="b."><al>14%, indien tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan
                                        of hoger dan de norm van een alleenstaande.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 5%, indien de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder inwoont bij de ouder(s) of
                                verblijft in een instelling van maatschappelijke opvang.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde en
                                vierde lid niet van toepassing is:</al><lijst><li nr="a."><al>14%, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik
                                        van de woning wordt aangetoond;</al></li><li nr="b."><al>5%, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik
                                        van de woning wordt aangetoond. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>ln afwijking van het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid,
                                bedraagt de toeslag als bedoeld in het eerste lid 20% voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder die een in zijn woning
                                verblijvende hulpbehoevende verpleegt of verzorgt, dan wel die zelf
                                hulpbehoevend is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het kunnen delen van deze
                                kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>vindt niet plaats voor de gehuwden waarbij in hun woning
                                        uitsluitend inwonende kinderen verblijven en indien deze
                                        kinderen een inkomen hebben dat lager ligt dan de norm van
                                        een alleenstaande.</al></li><li nr="b."><al>bedraagt 6% voor de gehuwden in wier woning uitsluitend
                                        inwonende kinderen verblijven indien tenminste één kind een
                                        inkomen heeft gelijk aan of hoger dan de norm van een
                                        alleenstaande.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% voor de
                                gehuwden die inwonen bij de ouder(s) of verblijven in een instelling
                                van maatschappelijke opvang.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de gehuwden
                                waarop het tweede of derde lid niet van toepassing is:</al><lijst><li nr="a."><al>6%, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van
                                        de woning wordt aangetoond;</al></li><li nr="b."><al>15%, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik
                                        van de woning wordt aangetoond. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid,
                                vindt geen verlaging als bedoeld in het eerste lid plaats voor de
                                gehuwden die in hun woning verblijvende hulpbehoevende verplegen of
                                verzorgen, dan wel die zelf hulpbehoevend zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Recente beëindiging van onderwijs/opleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de bijstandsnorm
                                en/of de toeslag van een alleenstaande lager vastgesteld indien
                                belanghebbende recent niet meer deelneemt aan onderwijs of
                                beroepsopleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond
                                        van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering (WSF)
                                        of hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten
                                        (WTS); dan wel;</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende op de eerste dag van het
                                        kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaats vond jonger
                                        was dan 25 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd
                                        voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door
                                        het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een
                                        scholing of beroepsopleiding als bedoeld in artikel 9 van de
                                        wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het recent niet meer deelnemen aan onderwijs of beroepsopleiding
                                als bedoeld in het eerste lid is sprake van een periode van zes
                                maanden, gerekend vanaf de eerste dag van beëindiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De periode bedoeld in het tweede lid wordt opgeschort, indien er in
                                deze zes maanden opnieuw onderwijs of een beroepsopleiding als
                                bedoeld in het eerste lid wordt begonnen. Indien deze
                                onderwijsperiode zes maanden of langer heeft geduurd, vangt een
                                nieuwe periode aan zoals bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt het verschil
                                tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief de toeslag
                                bedoeld in artikel 3, en het van toepassing zijnde bedrag voor
                                levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet bij
                                aanvang van de bijstandsverlening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging 21 en 22-jarige alleenstaande</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien artikel 5 niet van toepassing is, wordt in afwijking van
                                artikel 3:</al><lijst><li nr="a."><al>de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar niet
                                        verhoogd met een toeslag;</al></li><li nr="b."><al>de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 22 jaar verhoogd
                                        met een toeslag van 10% indien er in de woning van
                                        belanghebbende geen ander zijn hoofdverblijf heeft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de
                                belanghebbende ontheven is van alle verplichtingen gericht op
                                arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20 % van de
                            gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende
                            geen woonkosten en overige woonkosten verbonden zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd om daar waar toepassing van de verordening tot
                            onbillijke situaties leidt van de hierboven genoemde regels af te
                            wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 27 september 2012 en werkt terug
                            tot en met 1 januari 2012.</al><al>De Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 wordt
                            gelijktijdig ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: De Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004).</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare</al><al>vergadering van 20 september 2012</al><al/><al>DE RAAD VOORNOEMD,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>M.C.P. Laurenssen-vanDal, MSc</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.J. Houben MBA</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De huishoudinkomenstoets is met terugwerkende kracht, per 1 januari 2012
                    ingetrokken. Er is gekozen om de huidige systematiek van toeslagen en
                    verlagingen op grond van de Verordening toeslagen en verlagingen verordening van
                    2004 ongewijzigd voort te zetten. Een aantal verwijzingen van artikelen van de
                    Wet werk en bijstand zijn geactualiseerd. Vandaar dat gekozen is voor de titel
                    Verordening toeslagen en verlagingen gemeente Nuenen c.a. 2012 (2004) met een
                    verwijzing naar de oorspronkelijke verordening van 2004.</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Daar waar in de verordening en toelichting gesproken wordt over de wet, wordt de
                    Wet werk en bijstand bedoeld. De begrippen die in deze verordening worden
                    gebruikt hebben dan ook een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in de Wet werk en bijstand (WWB). Dit
                    voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de Awb of WWB
                    ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>2.c. gehuwdennorm</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat dit bedrag gelijk
                    is aan het netto minimumloon.</al><al/><al>2.d. belanghebbende</al><al>In het geval van gehuwden zijn beide echtgenoten belanghebbende; beiden </al><al>hebben een rechtstreeks belang bij een besluit van burgemeester en wethouders
                    inzake de verlening van bijstand. De overige leden van een gezin, die onder de
                    gezinsbijstand vallen, hebben geen afzonderlijk opeisbaar recht op bijstand. Zij
                    kunnen dan ook niet als </al><al>belanghebbende worden aangemerkt.</al><al/><al>2.e. verzorgingsbehoevende</al><al>Hulpbehoevend is degene die, op basis van een medische indicatie, afhankelijks
                    is van opname in een inrichting ter verpleging of verzorging. Echter zijn opname
                    wordt voorkomen door middel van inwoning bij en verzorging door een ander. Het
                    "zijn" van verzorgingsbehoevende wordt bij voorkeur vastgesteld door een
                    onafhankelijke arts, doch kan ook worden aangenomen op grond van een goed
                    gemotiveerd rapport van een bijstandsconsulent indien de belanghebbende de
                    hulpbehoevendheid aannemelijk heeft kunnen maken.</al><al/><al>3.Alleenstaande, alleenstaande ouder, gehuwden</al><al>De verordening is alleen van toepassing op belanghebbenden van 21 tot 65 jaar.
                    Ten aanzien van gehuwden geldt het leeftijdscriterium voor beide partners.</al><al/><al>4.In deze verordening worden herhaaldelijk percentages genoemd die de hoogte van
                    de toeslag of verlaging aanduiden. Teneinde de leesbaarheid van de verordening
                    te bevorderen wordt niet telkens vermeld waarover deze percentages berekend
                    moeten worden. Alle genoemde percentages worden berekend over de gehuwdennorm ex
                    artikel 21 onderdeel c van de wet.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Artikel 30 van de wet schrijft voor dat uit de verordening moet blijken voor
                    welke categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling is
                    gebaseerd op de wet.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>1.Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat de alleenstaande en
                    de alleenstaande ouder de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien
                    dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. Volgens de
                    toelichting op de wet moeten voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle
                    extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden genomen die de
                    alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met
                    zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. Het gaat hierbij niet alleen om
                    woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven
                    waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van huisvesting
                    en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de relatief hogere kosten waarmee
                    alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name gedacht worden aan
                    duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur,
                    maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten.</al><al/><al>Bij de beoordeling of belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is
                    in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een
                    ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan uit te
                    gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
                    hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste
                    gebruikersruimte van bijstandsmiddelen ontstaan als de hoogte van de toeslag
                    ervan afhankelijk is of de medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat
                    is, ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. Hiertoe wordt gesproken
                    van het "kunnen delen" van de kosten.</al><al>Met deze omschrijving beoogt de wetgever uitdrukkelijk niet aan te geven dat van
                    de belanghebbende kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie
                    aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan.</al><al/><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaald de hoogte van de
                    toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 5% en maximaal 20% van het netto
                    minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet
                    aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en
                    dat er daarom terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt
                    een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens
                    het recht moeten aantonen.</al><al>Voor het bepalen van de toeslag is bezien in hoeverre de kosten van bestaan
                    gedeeld kunnen worden. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen woonkosten, overige
                    woonkosten en kosten die niet direct zijn verbonden aan de woonvorm.</al><al><onderstreept>Woonkosten</onderstreept></al><al>In de gehuwdenuitkering is voor de woonkosten een bedrag opgenomen ter hoogte
                    van 18% van het netto minimumloon. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting
                    gezocht bij de ondergrens om voor een huurtoeslag in aanmerking te komen.</al><al/><al>De basisnorm voor een alleenstaande (ouder) bevat daarom een bedrag ter hoogte
                    van 9% van het netto minimumloon voor de dekking van woonkosten. Een
                    alleenstaande die de woonkosten niet kan delen, ontvangt bovenop de basisnorm
                    een toeslag van 9% van het netto minimumloon.</al><al/><al>Hieronder volgt een nadere omschrijving van het begrip woonkosten:</al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de geldende huurprijs als bedoeld
                            in de Wet op de huur toeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                            omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                            verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
                            van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke
                            lasten worden verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de
                            onroerende zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en
                            het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten;</al></li><li nr="3."><al>indien een woonwagen in huur danwel eigendom wordt bewoond, de tot een
                            bedrag per maand herleide op 1 juli geldende woonkosten als omschreven
                            in de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="4."><al>indien een woonruimte wordt bewoond die niet voldoet aan de definitie
                            van het begrip woning als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, de
                            aantoonbaar verschuldigde huurprijs per maand.</al></li></lijst><al><onderstreept>overige woonkosten</onderstreept></al><al>Het gaat hier om overige kosten verbonden aan het bewonen van een woning die
                    niet onder het begrip woonkosten vallen. Het bedrag dat voor deze kosten in de
                    gehuwdenuitkering zit is vastgesteld op 12% van het netto minimumloon (dit
                    percentage is afgeleid uit het Nibud-handboek en omvat een aantal gemiddelde
                    bestedingen per maand van een echtpaar met een minimuminkomen inzake heffingen,
                    telefoonkosten, verzekeringen, contributies, lidmaatschappen en
                    kabelaansluiting). Een alleenstaande die de overige woonkosten geheel niet kan
                    delen ontvangt een toeslag van 6% van het netto minimumloon.</al><al/><al>Het gaat onder meer om:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van vaste lasten, bestaande uit onder meer het vastrecht van
                            de nutsbedrijven en de kosten van een kabelaansluiting;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van contributies en abonnementen zoals een
                            telefoonabonnement;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van duurzame gebruiksgoederen, bestaande uit onder meer de
                            kosten van wasmachine, fornuis en andere huishoudelijke apparatuur.</al></li></lijst><al><onderstreept>kosten die niet zijn gebonden aan de woonvorm</onderstreept></al><al>De hier genoemde toeslagen tellen op tot 15% van het netto minimumloon. Een
                    toeslag voor een echte alleenstaande (ouder) bedraagt echter 20% van het netto
                    minimumloon. Deze extra 5% wordt gegeven omdat partners een optimaal voordeel
                    behalen omdat zij veelal alles gezamenlijk doen zoals bijvoorbeeld het eten van
                    maaltijden, gezamenlijk op vakantie gaan, gezamenlijke sociale verplichtingen
                    hebben, economischer gebruik maken van nutsvoorzieningen etc. Dit voordeel
                    bedraagt in procenten uitgedrukt de resterende 5% van het netto
                    minimumloon.</al><al/><al>De toeslag wordt trapsgewijs opgebouwd. Indien men niet als een gezamenlijke
                    huishouding wordt aangemerkt, bestaat er recht op een toeslag van 5% van het
                    netto minimumloon. Zodra er daarnaast een voorziening is die men niet met een
                    ander kan delen, wordt de toeslag opgehoogd met het daarbij behorende percentage
                    van het netto minimumloon.</al><al/><al>3.In dit lid is de toeslag vastgelegd voor alleenstaande en alleenstaande ouders
                    die hun woning delen met uitsluitend inwonende kinderen.</al><al/><al>Uitgangspunt is dat de hoogte van het inkomen van de kinderen bepaalt in
                    hoeverre de kosten van bestaan met de ouder gedeeld kunnen worden. Op basis van
                    artikel 31 van de wet wordt met de inkomsten uit arbeid, werkloosheids- en
                    arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van ten laste komende kinderen geen rekening
                    gehouden.</al><al>Als inkomensgrens die bepaalt in hoeverre de kosten kunnen worden gedeeld, wordt
                    de alleenstaandennorm ex artikel 21 onderdeel a gehanteerd.</al><al>Hebben een of meerdere kinderen een inkomen dat gelijk aan of hoger is dan de
                    alleenstaandennorm, dan worden zij geacht uit dit inkomen een bijdrage te kunnen
                    leveren voor woonkosten en overige woonkosten. Omdat in de regel in het kader
                    van de huurtoeslag c.q. woonkostentoeslag al rekening wordt gehouden met
                    inwonende verdienende kinderen (men ontvangt dan minder huurtoeslag), wordt het
                    niet gewenst geacht om met de woonkostencomponent nogmaals rekening te houden.
                    Omdat geen sprake is van optimaal schaalvoordeel als bij gehuwden krijgt de
                    ouder te allen tijde de 5% toeslag.</al><al>Een alleenstaande (ouder) met uitsluitend inwonende kinderen krijgt daarom een
                    volledige toeslag indien alle inwonende kinderen minder inkomen hebben dan de
                    alleenstaandennorm ex art 21 onderdeel a. Zij worden geacht geen bijdrage te
                    kunnen leveren aan de woonkosten en overige woonkosten.</al><al>Heeft een of meer kinderen een inkomen gelijk aan of hoger dan deze norm, dan
                    zit in deze norm een bijdragemogelijkheid voor woonkosten en overige woonkosten.
                    Daar in de meeste gevallen met de woonkostencomponent in het kader van de
                    huurtoeslag al rekening is gehouden, kan het kind redelijkerwijs bijdragen in de
                    overige woonkosten en komt de toeslag voor de ouder uit op 9% + 5% = 14%.</al><al/><al>4.In dit lid gaat het om situaties waarbij de alleenstaande (ouder): inwoont bij
                    de ouder(s), of verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang.</al><al>Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de CRvB van 2 maart 1999,
                    nr.98/6295 ABW is het uitgangspunt van de wetgever geweest dat in beginsel
                    slechts bij degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert, kan
                    worden aangenomen dat alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                    worden gedeeld (optimaal schaalvoordeel). Naar het oordeel van de Raad kan in
                    het geval dat een kind bij zijn ouder(s) inwoont het hebben van schaalvoordeel
                    niet worden uitgesloten, doch in zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat
                    met betrekking tot het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten
                    sprake is van een situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van
                    gehuwden. Omdat in elk geval wel de woonkosten en de overige woonkosten kunnen
                    worden gedeeld, wordt de toeslag beperkt tot 5%.</al><al/><al>Omdat een soortgelijke situatie zich voordoet bij de alleenstaande (ouder) die
                    verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang, is de toeslag van 5%
                    ook op deze personen van toepassing.</al><al>Onder een instelling voor maatschappelijk opvang wordt verstaan de instellingen
                    waar mensen ('s nachts) worden opgevangen indien zij om sociale of
                    maatschappelijke redenen geen onderdak meer hebben. In Eindhoven gaat het in het
                    bijzonder om het Ritahuis (niet de verpleegafdeling), het Labrehuis, huize
                    Odulpha, het Nemo-huis en het Blijf-van-mijn-lijf huis. Instellingen die volgens
                    de wet als “inrichting” worden aangemerkt vallen niet onder de werking van deze
                    verordening. Personen die in een inrichting verblijven krijgen een wettelijk
                    vastgestelde norm waarop geen toeslagen en/of verlagingen worden toegepast.</al><al>Personen zonder vaste woon of verblijfplaats (adreslozen) moeten zich wenden
                    voor verlening van bijstand naar een aangewezen gemeente (zijnde de gemeente
                    Eindhoven). </al><al/><al>5.In dit lid wordt de toeslag bepaald voor situaties die nog niet in de
                    voorafgaande leden zijn behandeld. In de praktijk zijn dit situaties waarbij de
                    woning met 'derden' niet zijnde de eigen kinderen, wordt gedeeld
                    (onder(ver)huur, kostganger(gever)schap). De hoogte van de toeslag wordt bepaald
                    door de mate waarin een zakelijke overeenkomst betreffende het gebruik van de
                    woning aangetoond kan worden.</al><al/><al>Een onderverhuurder/kostgever wordt geacht een zodanige huurprijs te bedingen
                    dat de woonkosten en overige woonkosten gedeeld kunnen worden. Het hebben van
                    een onderhuurder/kostganger kan echter ook weer invloed hebben op het recht op
                    en de hoogte van de huurtoeslag.</al><al>Indien met het hebben van de onderhuurder/kostganger met de hoogte van de
                    huurtoeslag rekening wordt gehouden, is het ongewenst om het bedrag dat de
                    onderhuurder/kostganger bijdraagt aan de woonkosten ook in het kader van de
                    toeslagverlening in aanmerking te nemen. Indien de onderverhuurder/kostgever
                    daarom het verlies van de huurtoeslag aantoont, wordt hij geacht de zakelijke
                    overeenkomst aangetoond te hebben en kan worden uitgegaan van het gegeven dat
                    alleen de overige woonkosten gedeeld kunnen worden. Dit betekent een toeslag van
                    14%.</al><al/><al>Kan het verlies van de huurtoeslag niet aangetoond worden, dan wordt geacht dat
                    met de bedongen huurprijs tevens wordt bijgedragen in het kunnen delen van de
                    woonkosten en resteert een toeslag van 5%.</al><al/><al>Een onderhuurder/kostganger toont een zakelijke overeenkomst redelijkerwijs aan
                    door het betalen van een commerciële huurprijs op basis van een zakelijke
                    overeenkomst. De onderhuurder/kostganger die op basis van een zakelijke
                    overeenkomst aantoont in ieder geval 9% van de gehuwdennorm (de wooncomponent in
                    de norm) te betalen, ontvangt een toeslag van 14%. Hij wordt geacht in ieder
                    geval de overige woonkosten te kunnen delen. Kan een dergelijke zakelijke
                    overeenkomst niet aangetoond worden dan wordt de onderhuurder/kostganger geacht
                    zowel de woonkosten als de overige woonkosten te kunnen delen en ontvangt hij
                    een toeslag van 5%. (Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 12 mei 1998,
                    nr. 97/2730 ABW, 1 april 1997, nr.96/3580 ABW en 6 mei 1997, nr.97/868
                    ABW-VV).</al><al/><al>6.De alleenstaande of de alleenstaande ouder die verzorgingsbehoevende is en
                    door een huisgenoot wordt verzorgd, komt in aanmerking voor de maximale toeslag
                    indien deze zou zijn aangewezen op opname in een inrichting ter verpleging of
                    verzorging zonder de aanwezigheid van deze huisgenoot. Indien de alleenstaande
                    of de alleenstaande ouder de verzorgende huisgenoot is, heeft dit eveneens recht
                    op de maximale toeslag.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                        toeslag</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>1. Gehuwden kunnen schaalvoordelen genieten omdat zij de kosten van het bestaan
                    kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Hebben
                    gehuwden schaalvoordelen als gevolg van het feit dat de kosten gedeeld kunnen
                    worden met een ander, dan kan dit leiden tot een verlaging van de
                    uitkering.</al><al/><al>2. Het tweede lid ziet op de situatie waarbij sprake is van gehuwden met
                    uitsluitend inwonende kinderen. De hoogte van de verlaging wordt bepaald door de
                    mate waarin de inwonende kinderen kunnen bijdragen aan de noodzakelijke kosten.
                    De mate waarin dit mogelijk is, is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van
                    de kinderen. Hierbij gelden dezelfde uitgangspunten als het bepaalde in artikel
                    3, derde lid. Waar in artikel 3, derde lid sprake is van een verhoging door
                    middel van een toeslag wordt bij gehuwden de basisnorm omgekeerd evenredig
                    verlaagd. Bijvoorbeeld een toeslag van 14% in de alleenstaande situatie, leidt
                    in dezelfde situatie bij gehuwden tot een verlaging van 6%.</al><al/><al>3. Het derde lid ziet op de situatie waarbij gehuwden inwonen bij de ouder(s).
                    Ook hier gelden dezelfde uitgangspunten als bij de toeslagverlening ex artikel
                    3, vierde lid. Waar in artikel 3, vierde lid sprake is van een verhoging door
                    middel van een toeslag wordt bij gehuwden de basisnorm omgekeerd evenredig
                    verlaagd.</al><al/><al>4. Het vierde lid ziet op de situatie waarbij anders dan in het tweede en derde
                    lid sprake is van het kunnen delen van de noodzakelijke kosten maar waar geen
                    sprake is van een gezinssituatie. In de praktijk zijn dit situaties waarbij de
                    woning met 'derden' niet zijnde de eigen kinderen wordt gedeeld. Voor de
                    bepaling van de verlaging gelden dezelfde uitgangspunten als bij de
                    toeslagverlening ex artikel 3, vijfde lid. Daar waar in artikel 3, vijfde lid
                    sprake is van een verhoging door middel van een toeslag wordt bij gehuwden de
                    basisnorm omgekeerd evenredig verlaagd.</al><al/><al>5. In overeenstemming met de motivering bij artikel 3, zesde lid, wordt op de
                    gehuwdennorm geen verlaging toegepast indien de gehuwde een
                    verzorgingsbehoevende verzorgt. Ook op de gehuwdennorm van de gehuwde die zelf
                    verzorgingsbehoevende is, wordt geen verlaging toegepast.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>1.Op basis van de bevoegdheid van de wet, ontvangt een alleenstaande die
                    recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond
                    waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering o.g.v. de WSF of WTOS, dan wel
                    voor tenminste 19 uur per week gedurende de voor werkzaamheden beschikbare tijd
                    onderwijs of een beroepsopleiding volgde, een lagere uitkering.</al><al>Met de aanduiding 'aanspraak op' wordt bedoeld dat de studie/opleiding op zich
                    recht geeft op de bedoelde studiefinanciering ongeacht of de belanghebbende daar
                    feitelijk gebruik van heeft gemaakt.</al><al>Reden van de verlaging is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die
                    recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een
                    zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden, dat voor hen
                    de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld
                    zoals dat binnen de WSF wordt gegarandeerd. De bevoegdheid tot verlagen wordt
                    beperkt tot de alleenstaande.</al><al/><al>2. De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden vanaf de eerste
                    dag van de maand waarin geen aanspraak meer bestaat / zou hebben bestaan op
                    studiefinanciering, dan wel de eerste dag volgend op de maand waarin het
                    onderwijs of de beroepsopleiding daadwerkelijk is beëindigd.</al><al/><al>3. Als de belanghebbende in de periode waarop de verlaging van de uitkering
                    wordt toegepast opnieuw onderwijs of een beroepsopleiding gaat volgen of start
                    met een studie die tenminste 19 uur per week in beslag neemt, wordt de verlaging
                    opgeschort. Er vangt een nieuwe verlagingstermijn aan als de onderwijsperiode
                    zes maanden of langer heeft geduurd. Binnen deze periode wordt nog een relatie
                    verondersteld met de eerdere studiebeëindiging.</al><al/><al>4. De norm dan wel de toeslag wordt verlaagd tot het niveau van het bedrag voor
                    levensonderhoud zoals dat in de WSF-normen is begrepen en is vastgelegd in de
                    WWB. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een thuis- en een uitwonende.
                    Maatstaf daarbij is de woonsituatie op het moment van de aanvang van de
                    bijstandsverlening.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Om een duidelijke afstand te creëren tussen de hoogte van de bijstand en het
                    minimumloon, wordt de toeslag voor 21- en 22-jarige alleenstaanden zodanig
                    verlaagd dat een prikkel tot het aanvaarden van werk blijft bestaan.</al><al/><al>1.Met de aanhef dat deze verlaging niet wordt toegepast indien de verlaging
                    volgens artikel 5 al is toegepast, wordt uitdrukking gegeven aan het wettelijke
                    vereiste dat niet gelijktijdig gebruik gemaakt kan worden van deze
                    verlagingsgronden.</al><al>In onderdeel a wordt aangegeven dat een 21-jarige alleenstaande, in
                    tegenstelling tot wat is bepaald in artikel 3, nooit voor een toeslag in
                    aanmerking komt.</al><al>In onderdeel b wordt bepaald dat een 22-jarige, in tegenstelling tot wat is
                    bepaald in artikel 3, een toeslag van 10% ontvangt behalve: indien men inwoont
                    bij de ouders, verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang, dakloos
                    is of onderhuurder/onderverhuurder danwel kostganger/kostgever is terwijl geen
                    zakelijke overeenkomst wordt aangetoond. In de voornoemde situaties blijft
                    artikel 3 onverkort van toepassing en krijgt de 22 jarige 5% toeslag.</al><al/><al>2.De verlaging voor de 21 en 22-jarige alleenstaande mag volgens de wet alleen
                    toegepast worden indien een (hogere) toeslag een belemmering vormt voor de
                    aanvaarding van arbeid. Indien vaststaat dat belanghebbende ontheven is van alle
                    arbeidsverplichtingen is er wettelijk gezien geen mogelijkheid tot het verlagen
                    van de uitkering. Indien sprake is van een ontheffing van een gedeelte van de
                    arbeidsverplichtingen zal individueel bezien moeten worden of de verlaging
                    toegepast kan worden.</al><al><vet>Artikel 7 Verlaging woonsituatie</vet></al><al>Belanghebbenden kunnen een woning bewonen waaraan geen huur/hypotheeklasten of
                    andere woonkosten aan verbonden zijn. Te denken valt aan bijvoorbeeld het
                    bewonen van een kraakpand. Op grond van artikel 27 van de wet is het mogelijk om
                    de gehuwdennorm te verlagen met 20 %.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Er kunnen schrijnende situaties bij belanghebbende(n) voordoen waarbij het
                    toepassen van de verordening tot onbillijke situaties leidt. Het college kan aan
                    de hand van moverende redenen afwijken van de bepalingen van deze verordening. </al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>In verband met de publicatie van de verordening in weekblad ‘Rond de Linde’
                    treedt de verordening op 27 september 2012 in werking. In verband met de
                    intrekking van de huishoudinkomenstoets per 1 januari 2012 werkt de verordening
                    terug tot 1 januari 2012.</al><al>De Verordening toeslagen en verlagingen 2012 wordt per 27 september 2012
                    ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>