<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR223374_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reintegratieverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">publicatie 4 juli 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reïntegratieverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 7 WWB, artikel 8, eerste lid onder a, e en f WWB, artikel 10 en 10aWWB; artikel 34, 35 en 36IOAW, en artikel 34, 35en 36 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>actualisatie</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reintegratieverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid die
                                        maatschappelijk aanvaard is onafhankelijk van de aard van
                                        het werk, de omvang, het vereiste opleidingsniveau en de
                                        hoogte van de beloning.</al></li><li nr="b."><al>ANW’ers: personen van 18 tot 65 jaar met een uitkering
                                        volgens de Algemene nabestaandenwet en die als werkzoekende
                                        ingeschreven staan bij het UWV WERKbedrijf.</al></li><li nr="c."><al>Cliënten: personen waarvoor een voorziening of
                                        tegenprestatie wordt of is ingezet.</al></li><li nr="d."><al>De wet: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="e."><al>Het college: het college van de gemeente
                                        Midden-Drenthe.</al></li><li nr="f."><al>Nuggers: personen van 18 tot 65 jaar die geen enkele
                                        uitkering voor levensonderhoud ontvangen, en die als
                                        werkzoekende ingeschreven staan bij het UWV
                                        WERKbedrijf.</al></li><li nr="g."><al>Regulier werk: loonvormende algemeen geaccepteerde
                                        arbeid.</al></li><li nr="h."><al>Reïntegratie-instrument: voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke
                                        participatie.</al></li><li nr="i."><al>Sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijk zinvolle activiteiten, waaronder inbegrepen
                                        deelname aan cursussen en trajecten, gericht op zelfstandige
                                        maatsschappelijke participatie en/of het voorkomen van
                                        sociaal isolement.</al></li><li nr="j."><al>Tegenprestatie: door het college opgedragen onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht
                                        naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                                        leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="k."><al>Uitkeringsgerechtigden: personen van 18 tot 65 jaar met een
                                        periodieke uitkering voor levensonderhoud ingevolge de Wet
                                        werk en bijstand, de IOAW of IOAZ.</al></li><li nr="l."><al>Voorzieningen: reïntegratie-instrumenten en aanvullende
                                        faciliteiten indien die onderdeel uitmaken van een traject
                                        gericht op reïntegratie of zelfstandige maatschappelijke
                                        participatie.</al></li><li nr="m."><al>Werk: algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="n."><al>WIW: Wet inschakeling werkzoekenden (vervallen per 1 januari
                                        2004).</al></li><li nr="o."><al>WIW’ers: mensen die onder de WIW een dienstverband kregen
                                        voor onbepaalde tijd en voor wie de loonkosten thans betaald
                                        worden uit het Participatiebudget.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Iedere vier jaar stelt het college het reïntegratiebeleid vast in
                                een nota waarin wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="*"><al>welke groepen uitkeringsgerechtigden, ANW’ers en
                                        Niet-uitkeringsgerechtigden (verder: Nuggers) binnen de
                                        gemeente kunnen worden onderscheiden;</al></li><li nr="*"><al>welke doelen het college bij de diverse groepen wenst te
                                        bereiken, uitgaande van een evenwichtige aanpak;</al></li><li nr="*"><al>het soort reïntegratie-instrumenten en aanvullende
                                        voorzieningen dat het college daarbij wil inzetten;</al></li><li nr="*"><al>de wijze waarop deze instrumenten worden uit- en/of
                                        aanbesteed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Twee keer per jaar doet het college verslag aan de raad over de
                                omvang van het cliëntenbestand en het aantal in dat jaar
                                uitgestroomde cliënten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, ANW‘ers en Nuggers, hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als genoemd in
                                artikel 7, derde lid WWB.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van, naar het
                                oordeel van het college, noodzakelijk geachte,
                                reïntegratie-instrumenten of aanvullende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met
                                dringende redenen en/of specifieke omstandigheden van personen die
                                -volgens het oordeel van het college- leiden tot een individuele
                                tijdelijke (gedeeltelijke) ontheffing van de plicht tot
                                arbeidsinschakeling. Het college kan hierbij onder meer rekening
                                houden met de volgende doelgroepen:</al></lid><lid><lidnr>*</lidnr><al>Alleenstaande ouders: het college biedt de gelegenheid om een
                                evenwicht te vinden tussen de gewenste invulling van de zorgplicht
                                van alleenstaande ouders en de plicht tot arbeidsinschakeling uit de
                                wet. De gewenste invulling kan vooral zwaar wegen bij alleenstaande
                                ouders met jonge kinderen tot 5 jaar of gehandicapte kinderen tot 18
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>*</lidnr><al>Het college vult de voorziening voor de alleenstaande ouder met
                                kinderen jonger dan vijf, die niet beschikt over een
                                startkwalificatie, desgevraagd in met scholing of opleiding die de
                                toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van
                                het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of
                                bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat of onvoldoende
                                bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling van de
                                alleenstaande ouder.</al></lid><lid><lidnr>*</lidnr><al>Alleenstaande ouders met kinderen van 5 tot 12 jaar: het college
                                stimuleert hen om tenminste 20 uur per week te werken, op voorwaarde
                                dat de kinderopvang goed geregeld is. Uitgangspunt bij deze personen
                                is verder dat een zodanig scholingsniveau wordt gerealiseerd dat er
                                met een (deeltijd)baan onafhankelijkheid van de bijstand kan worden
                                verworven.</al></lid><lid><lidnr>*</lidnr><al>Personen zonder arbeidsmarktperspectief: wanneer het vinden van
                                algemeen geaccepteerde arbeid geen reëel perspectief (meer) is, kan
                                het college instemmen met sociale activering of maatschappelijke
                                participatie in de vorm van onder andere vrijwilligerswerk en/of
                                mantelzorg als alternatief voor de plicht tot
                                arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden het verrichten van een
                                tegenprestatie opleggen, als naar oordeel van het college een
                                voorziening als beschreven in H 2 voor die persoon niet of nog niet
                                aan de orde is of indien een dergelijke voorziening slechts voor een
                                beperkt aantal uren per week ingezet kan worden, en er geen
                                belemmeringen zijn om van deze persoon een extra inzet in de vorm
                                van een tegenprestatie te vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt gedurende maximaal 20 uur per week verricht
                                en wordt per keer voor maximaal 6 maanden opgelegd, waarna een
                                herbeoordeling van de situatie plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde niet zelf met een passend voorstel
                                komt voor de invulling van de tegenprestatie, dan dient deze persoon
                                zich aan te melden bij het steunpunt voor vrijwilligerswerk of een
                                andere door het college aan te wijzen organisatie met als doel om
                                alsnog zelf binnen vier weken een passend voorstel te doen aan zijn
                                of haar consulent bij Sociale Zaken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde er niet in slaagt zelf binnen vier
                                weken na het gesprek met de consulent te komen met een voorstel voor
                                een tegenprestatie, dan kan het college een voorstel doen voor een
                                tegenprestatie, danwel direct een tegenprestatie opleggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stemt alleen in met een tegenprestatie, indien door een
                                organisatie kan worden bevestigd dat de tegenprestatie ook
                                daadwerkelijk verricht wordt en hierbij de concurrentieverhoudingen
                                niet onverantwoord worden beïnvloed en er door het verrichten van
                                deze tegenprestatie geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen van cliënten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden of
                                een tegenprestatie wordt opgedragen, is verplicht hiervan gebruik te
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening of een tegenprestatie
                                verricht, is gehouden aan de verplichtingen die verbonden zijn aan
                                het ontvangen van een gemeentelijke uitkering, deze verordening,
                                alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden
                                voorziening of tegenprestatie heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening
                                of tegenprestatie, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid,
                                kan het college de uitkering verlagen conform en op grond van de
                                maatregelenverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in
                                het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening geheel
                                of gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beleidsnota als bedoeld in artikel 2, lid 1 wordt vastgelegd
                                welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden,
                                alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in de
                                wet, de IOAW, IOAZ of in deze verordening geen nadere bepalingen
                                zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet, de IOAW, IOAZ en deze verordening, aan een voorziening
                                nadere verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn of
                                        haar verplichtingen als bedoeld in artikelen 9, 9a en 17
                                        WWB, 13 en 37 IOAW, 13 en 37 IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening als
                                        bedoeld in artikel 10a van de wet, onvoldoende bijdraagt aan
                                        het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de
                                voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 17 nadere regels
                                stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        –vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies;</al></li><li nr="e."><al>een subsidieplafond</al></li><li nr="f."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="g."><al>het opleggen van een eigen bijdrage en</al></li><li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekkenvan subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing en opleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, ANW’ers, Nuggers en
                                WIW’ers een vorm van scholing of opleiding aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan uitsluitend aan uitkeringsgerechtigden een vorm van
                                scholing of opleiding aanbieden gericht op bevordering van
                                zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een participatieplaats als bedoeld
                                in artikel 10a WWB, scholing en opleiding aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde geen gebruik kan maken van een
                                voorliggende voorziening, dan kan scholing ook bestaan uit een
                                traject gericht op het behalen van een startkwalificatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels stellen ten
                                aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing en opleiding, de
                                duur van de scholing of opleiding en de maximale kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde kan een aanbod krijgen voor een
                                voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde
                                arbeid, als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 12, waarbij gewerkt
                                wordt met behoud van uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft
                                bepaald dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Work First</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een Work First-traject
                                aanbieden bij een SW-bedrijf of een reïntegratiebedrijf in het kader
                                van een traject gericht op werk, niet zijnde een WSW plaatsing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan WSW-geïndiceerden met een WWB-uitkering een Work
                                First-traject aanbieden in afwachting van hun WSW-plaatsing, als
                                regulier werk voor de geïndiceerde niet tot de mogelijkheden
                                behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van een Work First-traject als bedoeld in het eerste lid,
                                is het opdoen en behouden van werkervaring, danwel het leren en
                                toepassen van werknemersvaardigheden, of het verrichten van algemeen
                                geaccepteerde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een Work First-traject als bedoeld in het eerste lid, duurt 3
                                maanden, en kan tweemaal met drie maanden verlengd worden tot
                                maximaal 9 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een Work First-traject als bedoeld in het tweede lid, duurt 6
                                maanden, en kan telkens met 6 maanden verlengd worden, maar eindigt
                                op het moment dat de uitkeringsgerechtigde een WSW-plaatsing krijgt
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen het college,
                                uitkeringsgerechtigde en het bedrijf worden tenminste vastgelegd het
                                doel van het Work Firsttraject, de duur van het traject, het aantal
                                uren dat per week gewerkt wordt, alsmede de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Werkervaringplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een werkervaringplek
                                aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkervaringplek is het opdoen van gerichte
                                werkervaring danwel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werkervaringplek duurt maximaal 3 maanden bij één en dezelfde
                                werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst een persoon alleen indien:</al><lijst><li nr="·"><al>er voor het college geen kosten zijn verbonden aan de
                                        werkervaringsplek;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van goede begeleiding op de werkvloer;</al></li><li nr="·"><al>door deze plaatsing de concurrentieverhoudingen niet
                                        onverantwoord worden beïnvloed en</al></li><li nr="·"><al>er door deze plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen het college, de
                                uitkeringsgerechtigde en de werkgever worden tenminste vastgelegd
                                het doel van de werkervaringplek, de duur van de werkervaringsplek,
                                het aantal te werken uren per week, alsmede de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de werkgever een uitkeringsgerechtigde die langer dan één
                                jaar werkloos is, in dienst wil nemen nadat de uitkeringsgerechtigde
                                drie maanden onafgebroken bij die werkgever werkervaring heeft
                                opgedaan, dan kan de werkervaringsplek worden beschouwd als een
                                proefplaatsing als bedoeld in artikel 12 en is onder voorwaarden een
                                loonkostensubsidie mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Snuffelstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een snuffelstage
                                aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de snuffelstage is een eerste kennismaking met een
                                bepaald soort werk, dan wel het opdoen van gerichte werkervaring in
                                een bepaalde bedrijfstak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een snuffelstage duurt maximaal 3 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst een persoon alleen indien:</al><lijst><li nr="·"><al>er voor het college geen kosten zijn verbonden aan de
                                        snuffelstage;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van goede begeleiding op de werkvloer;</al></li><li nr="·"><al>door deze plaatsing de concurrentieverhoudingen niet
                                        onverantwoord worden beïnvloed en</al></li><li nr="·"><al>er door deze plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen het college, de
                                uitkeringsgerechtigde en de werkgever worden tenminste vastgelegd
                                het doel van de snuffelstage, de duur van de stage, het aantal uren
                                per week dat stage gelopen wordt, alsmede de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden die langer dan één jaar
                                werkloos zijn een proefplaatsing aanbieden, gericht op
                                arbeidsinschakeling in een reguliere baan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is het opdoen van werkervaring,
                                danwel het leren functioneren bij een werkgever die de intentie
                                heeft om iemand na de proefplaatsing in dienst te nemen. De
                                proefplaatsing geeft de werkgever de mogelijkheid om te beoordelen
                                of de uitkeringsgerechtigde na de proefplaatsing voldoende geschikt
                                is voor de vacature en of de persoon past binnen het bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden. Er is geen verlenging
                                mogelijk.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst een persoon alleen indien de werkgever de
                                toezegging doet de uitkeringsgerechtigde zoals beschreven onder lid
                                1, na een geslaagde proefplaatsing voor minimaal 6 maanden een
                                reguliere baan aan te bieden met een zodanige omvang dat de
                                uitkeringsgerechtigde geen beroep meer hoeft te doen op een
                                gemeentelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen het college, de
                                uitkeringsgerechtigde en de werkgever worden tenminste vastgelegd
                                het doel van de proefplaatsing, de duur van de proefplaatsing, het
                                aantal te werken uren per week, alsmede de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt. Ook wordt in deze overeenkomst vastgelegd
                                dat de proefplaatsing bij gebleken geschiktheid wordt gevolgd door
                                een reguliere baan zoals beschreven in lid 4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Cursusaanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan uitkeringsgerechtigden, ANW’ers en Nuggers een
                                aanbod doen voor het volgen van een (korte) cursus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Doel van het aanbieden van een korte cursus is het vergroten van
                                kennis en vaardigheden, danwel het ontwikkelen van bepaalde
                                competenties die nodig zijn om de kans op regulier werk of
                                zelfstandige maatschappelijke participatie te vergroten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, gebruik van
                                het cursusaanbod dat in het kader van Volwasseneducatie is
                                ingekocht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Duale trajecten gericht op werk en inburgering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Asielmigranten en geestelijk bedienaren die moeten inburgeren,
                                kunnen een aanbod krijgen in de vorm van een duaal traject gericht
                                op werk en inburgering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het werken met behoud van uitkering zoals beschreven in artikel 8
                                tot en met 12 kan onderdeel uitmaken van het duale traject als het
                                gaat om asielmigranten en geestelijk bedienaren met een WWB-, IOAW-
                                of IOAZ-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Individuele trajecten voor WIW'ers met een vast contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een WIW’er met een contract voor onbepaalde tijd, krijgt alleen op
                                eigen verzoek een traject gericht op het vinden van regulier werk
                                aangeboden. Onder regulier werk valt niet een gesubsidieerde
                                werkplek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het traject vindt plaats naast of in een deel van de tijd van de
                                huidige WIW-werkplek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Maatwerktrajecten</titel></kop><al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde, een ANW’er of een Nugger, naast of in
                            plaats van de trajecten zoals beschreven in artikel 7 tot en met 15
                            extra scholing of ondersteuning nodig heeft bij het zoeken naar werk,
                            kan een individueel maatwerktraject door het college worden
                            ingezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, die ondanks de inzet van
                                een traject waarbij het activeren en het versterken van de
                                arbeidsmarktpositie centraal staat, geen arbeidsmarktperspectief
                                blijken te hebben, voorzieningen aanbieden in het kader van sociale
                                activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instrumenten die in het kader van sociale activering worden
                                ingezet zijn in principe maatwerktrajecten. Voorbeelden van deze
                                trajecten worden beschreven in een beleidsnota sociale
                                activering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt een persoon alleen sociale activering aan indien
                                hierbij de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en indien door de deelname aan sociale activering geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Plan van aanpak</titel></kop><al>Het college stelt de vorm en de inhoud van het plan van aanpak vast,
                            alsmede de wijze waarop en de mate waarin de evaluatie van het plan van
                            aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de wet, plaatsvindt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financiële vergoedingen, participatieplaatsen en
                            loonkostensubsidies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Financiële vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan de deelnemer van een reïntegratie-traject een
                            vergoeding verstrekken voor bepaalde kosten die gemaakt moeten worden om
                            deelname aan het traject mogelijk te maken. Het kan hierbij gaan
                            om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor mensen met een uitkering van het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen participatiebanen als
                                bedoeld in artikel 10a WWB alleen dan inzetten, indien er sprake is
                                van een schriftelijke overeenkomst hierover tussen het college en
                                het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de in het eerste lid genoemde overeenkomst, worden tenminste
                                afspraken gemaakt over de vergoeding van het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen aan de gemeente inzake de door de gemeente
                                te maken kosten voor het realiseren van een participatiebaan, de
                                begeleiding van de deelnemer, het toetsen of de inzet van de
                                participatiebaan zijn of haar kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces heeft vergroot, de aan te bieden scholing en/of
                                opleiding, de aan de deelnemer te verstrekken premie, alsmede
                                bijkomende kosten zoals die voor de administratieve verwerking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie als bedoeld in artikel 10a, lid 6 WWB, bedraagt ten
                                hoogste € 100,- per half jaar indien de deelnemer naar behoren heeft
                                meegewerkt aan het afgesproken traject.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden jonger dan 27 jaar zijn op grond van artikel
                                7, lid 8 WWB uitgesloten van het recht op een
                                participatieplaats.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels stellen ten
                                aanzien van participatieplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                uitkeringsgerechtigde die langer dan een jaar een bijstandsuitkering
                                heeft, een arbeidsovereenkomst sluiten van minimaal 6 maanden en van
                                zodanige omvang dat de uitkeringsgerechtigde geen beroep meer hoeft
                                te doen op een gemeentelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                uitkeringsgerechtigde die langer dan een jaar een bijstandsuitkering
                                ontvangt en die niet de volledige arbeidsverplichtingen heeft, een
                                arbeidsovereenkomst sluiten voor tenminste 20 uur per week,
                                gedurende minimaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt slechts eenmaal per arbeidsovereenkomst, zoals
                                bedoeld in lid 1 en 2, verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de
                                hoogte en verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Aanvullende voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verlengde vrijlating</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alleenstaande ouders van 27 jaar of ouder waarvan de reguliere
                                inkomensvrijlating (als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n
                                van de wet) is verstreken, hebben aansluitend recht op de verlengde
                                vrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel r van de
                                wet, als zij de volledige zorg hebben van een ten laste komend kind
                                tot 12 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onderdeel r van de
                                wet, moet daar waar in het eerste lid staat “alleenstaande ouder”
                                ook gelezen worden de “ alleenstaande ouder met één of meer
                                meerderjarige kinderen”.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Voorzieningen uit het Armoedebeleid</titel></kop><al>Het college wijst cliënten op de beschikbare voorzieningen uit het
                            geldende Armoedebeleid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Het college spant zich in om bij de inzet van voorzieningen te zorgen
                            voor passende kinderopvang, tussentijdse en naschoolse opvang of voor
                            afstemming met de schooltijden voor ouders met kinderen tot 12
                            jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Schuldhulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan uitkeringsgerechtigden, ANW’ers en Nuggers naast of
                                voorafgaand aan de inzet van de voorzieningen zoals bedoeld in
                                artikel 7 tot en met 17 een schuldhulpverleningstraject
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het college regels stellen ten aanzien
                                van de duur, de kosten en de verplichtingen die aan de inzet van
                                schuldhulpverlening worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Medische en arbeidsdeskundige adviezen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor de beoordeling van de lichamelijke en
                                psychische belastbaarheid van cliënten een deskundig advies vragen
                                van een bedrijfsarts, psycholoog en/of arbeidsdeskundige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de cliënt en de consulent beiden van mening zijn dat er
                                gegronde redenen zijn om de cliënt voor maximaal 3 maanden te
                                ontheffen van de arbeidsverplichtingen, dan is daarvoor geen medisch
                                advies nodig, maar volgt herbeoordeling van de situatie na afloop
                                van de afgesproken periode. Indien de situatie onveranderd is, wordt
                                alsnog een medisch advies aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de cliënt en de consulent van mening verschillen ten aanzien
                                van de mogelijke ontheffing van de arbeidsverplichting, of als één
                                van beiden van mening is dat er sprake is van een langer dan 3
                                maanden durende situatie, dan wordt zo spoedig mogelijk een medisch
                                of arbeidsdeskundig advies gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de beschikking inzake een gehele of gedeeltelijke ontheffing van
                                de arbeidsverplichtingen wordt de bepaling opgenomen dat na afloop
                                van de periode van ontheffing de voorheen vastgestelde
                                arbeidsverplichtingen gelden, zonder dat daarvoor een herkeuring
                                nodig is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de beschikking inzake een gehele of gedeeltelijke ontheffing van
                                de arbeidsverplichtingen, wordt tevens de bepaling opgenomen dat de
                                cliënt na afloop van de periode waarover ontheffing is verleend,
                                terstond contact opneemt met de consulent als de cliënt van mening
                                is dat de voorheen vastgestelde arbeidsverplichtingen nog niet
                                kunnen worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien cliënt verzoekt om verlenging van de ontheffingsperiode als
                                bedoeld in het vijfde lid, wordt een herkeuring aangevraagd en wordt
                                het gestelde in het vierde en vijfde lid opgenomen in de
                                beschikking, als uit het medische advies volgt dat wederom gehele of
                                gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen opgelegd wordt
                                voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De periode waarover medisch advies wordt gevraagd, dan wel waarover
                                gehele of gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsvoorwaarden
                                verleend wordt, beslaat maximaal een jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan ex-uitkeringsgerechtigden of werkgevers bij wie
                                een persoon reguliere arbeid boven bijstandsniveau heeft aanvaard,
                                een voorziening bieden gericht op nazorg om terugval in de uitkering
                                te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde een
                                contract van een half jaar of langer aanbiedt waardoor deze persoon
                                uitstroomt uit de bijstand, tegemoetkomen in de kosten van
                                ziekteverzuim van deze ex-bijstandsgerechtigde, door het aanbieden
                                van een “nieuwe start zonder risico-verzekering”.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening 2012
                            – gemeente Midden-Drenthe”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                            2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 28 juni 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>C.J. Onderwater</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Broertjes</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting Reïntegratieverordening 2012</al><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al>De Reïntegratieverordening uit 2010 is gewijzigd in verband met wijzigingen in
                    de WWB en samenvoeging van de WWB met de Wet Investeren in jongeren per 1
                    januari 2012 en komt te vervallen op de dag dat deze verordening in werking
                    treedt. </al><al>De basis voor deze verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder a, e
                    en f WWB, artikel 10 WWB; artikel 35, lid 1 IOAW, en artikel 35, lid 1
                    IOAZ.</al><al>Met de invoering van de WWB heeft de gemeente de verantwoordelijkheid gekregen
                    voor de ondersteuning van bijstandsgerechtigden, IOAW’ers, IOAZ’ers, ANW’ers en
                    Nuggers bij het zoeken naar werk. In de beleidsnota’s “Aan de Slag!
                    Reïntegratiebeleid gemeente Midden-Drenthe 2007-2011”, de nota Sociale
                    Activering 2010-2014 - Maatwerk in meedoen en deze ”Reïntegratieverordening WWB
                    2012 gemeente Midden-Drenthe” is het beleid van de gemeente ten aanzien van de
                    ondersteuning bij het zoeken naar werk vastgelegd. Tevens is hierin de aanspraak
                    van burgers op ondersteuning bij reïntegratie geregeld.</al><al><vet>Reïntegratiebeleid</vet></al><al>Het reïntegratiebeleid van de gemeente Midden-Drenthe is vastgelegd in een
                    beleidsnota die eens per vier jaar door de raad wordt vastgesteld of in
                    uitvoeringsbesluiten van het college. Het huidige reïntegratiebeleid is
                    vastgelegd in de nota: “Aan de slag! – Reïntegratiebeleid gemeente
                    Midden-Drenthe 2007-2011 en in de nota “Beleid Sociale Activering 2010-2014 -
                    Maatwerk in meedoen”, waarin het beleid ten aanzien van de inzet van sociale
                    activering voor mensen die niet zelfredzaam zijn, is vastgelegd.</al><al>Indien nieuwe wetgeving of nieuw beleid daar aanleiding toe geeft, zal deze
                    verordening worden aangepast. In de verordening zijn algemene artikelen over
                    beleid, de aanspraak op voorzieningen, de rechten en plichten van cliënten en de
                    inzet van voorzieningen voor meerdere jaren vastgelegd.</al><al><vet>Relatie met andere verordeningen</vet></al><al>In de Reïntegratieverordening wordt verwezen naar de Maatregelenverordening en
                    de Verordening Cliëntenparticipatie.</al><al><vet>Maatregelenverordening</vet></al><al>In de Maatregelenverordening is het samenstel van de rechten en plichten van de
                    cliënt geregeld. De Reïntegratieverordening en de Maatregelenverordening zijn
                    nauw met elkaar verbonden omdat aan de plicht tot meewerken aan een traject
                    sancties zijn verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de
                    uitkering.</al><al><vet>Verordening Cliëntenparticipatie</vet></al><al>In de Verordening Cliëntenparticipatie staat vermeld op welke wijze
                    vertegenwoordigers van cliënten van de afdeling Samenlevingszaken worden
                    betrokken bij de uitvoering van de wet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>In de artikelen 1 tot en met 6 staan de algemene bepalingen voor de invulling
                    van de WWB in Midden-Drenthe opgenomen.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                        werk en bijstand. Daar waar nodig zijn eigen accenten gelegd.</al><al>In het tweede lid onder a wordt aangegeven wat wordt verstaan onder algemeen
                        geaccepteerde arbeid. Dit betekent dat aan de aard van het werk, de omvang
                        en de hoogte van de beloning van regulier werk geen eisen gesteld kunnen
                        worden. Zo speelt opleidingsniveau of beroepsverleden geen rol meer. Over
                        het algemeen zal gelden dat aan gewetensbezwaren slechts betekenis zal
                        worden gehecht voor zover deze zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk
                        conflict opleveren met het te verrichten werk.</al><al>In het tweede lid onder b en h wordt aangegeven dat ANW’ers en Nuggers die
                        gebruik willen maken van een voorziening ingeschreven moeten staan als
                        werkzoekenden bij het UWV WERKbedrijf. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>De WWB stelt dat het reïntegratiebeleid in een verordening moet worden
                        vastgelegd. Midden-Drenthe heeft ervoor gekozen om niet alles in een
                        verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en
                        uitvoeringsbesluiten.</al><al>In het eerste lid staat vermeld welke onderdelen van het reïntegratiebeleid
                        door het college worden vastgelegd in een beleidsnota.</al><al>Het tweede lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid en
                        beschrijft de wijze waarop het college verslag doet aan de raad over de
                        uitvoering van het reïntegratiebeleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Om de aanspraak op voorzieningen vast te leggen is in het eerste lid een
                        algemene bepaling over de aanspraak opgenomen.</al><al>In het tweede lid staat vermeld dat het college bij het aanbieden van
                        ondersteuning rekening houdt met dringende redenen of specifieke
                        omstandigheden van individuen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><al>Onder een tegenprestatie wordt in art. 9, lid 1 onder c,WWB en art. 37, lid
                        1, onder f IOAW en IOAZ, verstaan: “door het college opgedragen onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in
                        aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt”. Hierbij kan gedacht worden aan vrijwilligerswerk op een
                        school, bij een vereniging of organisatie. </al><al>Het verrichten van een tegenprestatie mag niet verward worden met sociale
                        activering. Een sociaal activeringstraject wordt aangemerkt als een
                        voorziening en niet als tegenprestatie. Sociale activering kan worden
                        ingezet om mensen uit een sociaal isolement te halen en weer maatschappelijk
                        actief te maken. Een lichte vorm van vrijwilligerswerk kan daarbij helpen. </al><al>Bij het verrichten van een tegenprestatie wordt er daarentegen van uit
                        gegaan dat er geen belemmeringen zijn om daadwerkelijk een prestatie te
                        kunnen leveren. Deze mensen moeten dus in staat zijn om bijvoorbeeld onder
                        leiding bepaalde taken te verrichten en om samen te werken met anderen,
                        indien de aard van dat werk dat vereist. Er is dus een groot verschil met
                        voorzieningen gericht op het aanleren van sociale vaardigheden,
                        werknemersvaardigheden enz. </al><al>De essentie van de tegenprestatie is dat iemand die daar toe geschikt
                        bevonden wordt, niet thuis zit met een uitkering als er nuttige
                        werkzaamheden verricht kunnen worden die ten goede komen aan de
                        maatschappij. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven dat een tegenprestatie alleen kan worden
                        opgelegd aan uitkeringsgerechtigden. Een tegenprestatie kan worden opgelegd
                        naast of in plaats van een voorziening als bedoeld in het tweede hoofdstuk
                        van deze verordening, tenzij er belemmeringen zijn om van de
                        uitkeringsgerechtigde een extra inzet te vragen in de vorm van een
                        tegenprestatie. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als iemand mantelzorg
                        verleent naast een voorziening gericht op het vinden van werk. Ook is het
                        mogelijk dat helemaal geen inspanning van iemand gevraagd kan worden,
                        bijvoorbeeld door ziekte of zorgtaken. In dat geval is er ook geen
                        tegenprestatie mogelijk.</al><al>Een tegenprestatie kan ook worden opgelegd als een voorziening niet of nog
                        niet aan de orde is, bijvoorbeeld omdat men enige tijd moet wachten voordat
                        een cursus of opleiding start. Een tegenprestatie kan ook worden opgelegd
                        aan personen die op dat moment geen voorziening krijgen aangeboden, omdat ze
                        geacht worden zelf reguliere arbeid te kunnen vinden of indien ze minder
                        uren werken dan nodig is om uit de uitkering te komen. In het laatste geval
                        kan het aantal uren dat men een tegenprestatie moet verrichten afgestemd
                        worden op het aantal uren dat men werkt en mag zoeken naar aanvullende
                        arbeid waardoor men uit de uitkering kan stromen.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat een tegenprestatie beperkt is in
                        duur, nl voor maximaal 6 maanden en in tijd, namelijk maximaal 20 uur per
                        week. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de voorwaarden dat het om
                        tijdelijke prestaties moet gaan die beperkt zijn voor wat betreft het aantal
                        uren per week. Direct na het verstrijken van de afgesproken periode van
                        maximaal 6 maanden, vindt een herbeoordeling plaats. Indien de
                        uitkeringsgerechtigde nog steeds voldoet aan de voorwaarden van het eerste
                        lid, worden afspraken gemaakt over een volgende tegenprestatie.</al><al>In het derde lid wordt benadrukt dat de uitkeringsgerechtigde een eigen
                        inbreng heeft in het soort tegenprestatie dat wordt verricht. Hiermee wordt
                        bewerkstelligd dat deze persoon gemotiveerd is om een bepaalde
                        tegenprestatie te leveren en zelf invloed heeft op de aard van de
                        werkzaamheden en de tijden waarop de tegenprestatie geleverd wordt. Voor de
                        een kan dat een aaneengesloten periode van een of meerdere dagen per week
                        zijn, voor een ander kan de tegenprestatie over meerdere dagen per week
                        verspreid worden. Ook kan door deze eigen inbreng maximaal bereikt worden
                        dat de tijden waarop gewerkt wordt gecombineerd kan worden met
                        verplichtingen voortvloeiend uit een voorziening, zorgtaken voor kinderen,
                        mantelzorg, het bezoeken van hulpverleners, activiteiten op het gebied van
                        sport of educatie. </al><al>In het derde lid wordt rekening gehouden met het feit dat niet alle
                        uitkeringsgerechtigden uit eigener beweging een tegenprestatie kunnen
                        regelen. Voor hen is hulp mogelijk bij een steunpunt voor vrijwilligers of
                        een andere door het college aan te wijzen organisatie. Hiervoor krijgt men
                        vier weken de tijd en vindt opnieuw een gesprek met de consulent plaats. De
                        consulent beoordeelt of het door de klant gedane voorstel passend is in de
                        zin van artikel 9 van de wet, rekening houdend met de mogelijkheden,
                        competenties en belemmeringen van de klant.</al><al>In het vierde lid wordt benadrukt dat een tegenprestatie ook opgelegd kan
                        worden door de consulent indien een klant niet tijdig zelf met een passend
                        voorstel komt. Hierdoor wordt voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde die
                        wel een tegenprestatie kan en moet verrichten te lang aan het zoeken blijft. </al><al>In het vijfde lid wordt aangegeven dat de tegenprestatie controleerbaar
                        verricht moet worden en niet mag leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen van cliënten</titel></kop><al>In de WWB staat uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het
                        recht op een uitkering. </al><al>In het eerste en tweede lid zijn deze verplichtingen conform de wet
                        opgenomen. </al><al>Het derde lid legt de relatie met de Maatregelenverordening waarin de
                        maatregelen zijn opgenomen die aan een uitkeringsgerechtigde worden opgelegd
                        indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al>In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen dat het college (een deel
                        van) de kosten voor ondersteuning kan terugvorderen van personen die geen
                        uitkering hebben (Nuggers, ANW’ers en WIW’ers). Immers van deze personen kan
                        het college de uitkering niet verlagen als maatregel.</al><al>In de artikelen 6 tot en met 17 wordt ingegaan op de voorzieningen die de
                        gemeente Midden-Drenthe aan de verschillende cliënten biedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>In dit artikel worden enkele zaken geregeld die te maken hebben met alle
                        voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in de verordening
                        zijn opgenomen. </al><al>Het eerste lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende
                        opsomming van voorzieningen bevat.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening
                        nadere verplichtingen van diverse aard te verbinden.</al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                        welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan
                        het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. In het derde lid wordt
                        onder b aangegeven dat het aanvaarden van werk niet automatisch het
                        stopzetten van een voorziening inhoudt. Het kan zinvol zijn om een
                        opleiding, cursus of een voorziening als schuldhulpverlening te continueren
                        en af te maken ook als iemand door werkaanvaarding geen recht meer heeft op
                        een uitkering. In het derde lid onder d wordt de mogelijkheid geboden een
                        voorziening te beëindigen indien blijkt dat een cliënt met een veel korter
                        traject hetzelfde resultaat kan bereiken.</al><al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                        voorzieningen nadere regels te stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing en opleiding</titel></kop><al>In het eerste lid is aangegeven dat het aanbieden van scholing of opleiding
                        aan uitkeringsgerechtigden, ANW’ers, Nuggers en WIW’ers als een voorziening
                        niet op zich staat; het is altijd gericht op inschakeling in algemeen
                        geaccepteerde arbeid. In beginsel wordt scholing of opleiding daarom altijd
                        gevolgd door of gecombineerd met werken met behoud van uitkering
                        bijvoorbeeld in een werkervaringsplek of Work First. In individuele gevallen
                        kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer het gaat om alleenstaande
                        ouders met kleine kinderen die de opleiding combineren met zorgtaken.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat het aanbieden van scholing en
                        opleiding met als primair doel het voorkomen van sociaal isolement, alleen
                        voorbehouden is aan uitkeringsgerechtigden. Dit impliceert dat Nuggers en
                        ANW’ers geen beroep kunnen doen op scholing of opleiding als het niet
                        bijdraagt aan het vergroten van hun kans op reïntegratie op de reguliere
                        arbeidsmarkt.</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat scholing en opleiding ook kan worden
                        aangeboden aan mensen met een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a
                        WWB.</al><al>In het vierde lid wordt gesteld dat onder scholing ook kan worden verstaan
                        het behalen van een startkwalificatie indien er geen sprake is van een
                        voorliggende voorziening.</al><al>In het vijfde lid wordt gesteld dat het college bij uitvoeringsbesluit
                        nadere regels kan stellen ten aanzien van scholing en opleiding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze wordt voorkomen dat mensen
                        langdurig afhankelijk zijn van een uitkering of wennen aan een
                        werkloosheidssituatie. De geboden voorziening dient als beperking van de
                        instroom in een uitkering (onderzoek wijst uit dat het aanbieden van een
                        werkervaringsplek sommigen doet afzien van het aanvragen van een
                        bijstandsuitkering) en als instrument voor het behouden of verkrijgen van
                        werkervaring.</al><al>In dit artikel wordt in het eerste lid gesproken over
                        uitkeringsgerechtigden, om aan te geven dat werken met behoud van uitkering
                        voorbehouden is aan mensen met een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat er geen voorziening wordt aangeboden
                        aan mensen met een volledige ontheffing van de arbeidsverplichtingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Work First</titel></kop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om een SW-bedrijf of een
                        reïntegratiebedrijf (dus niet reguliere werkgevers) in te zetten voor een
                        traject waarbij het werken met behoud van uitkering centraal staat. In
                        beginsel kan een Work First traject ingaan op de eerste dag dat iemand recht
                        op uitkering zou krijgen.</al><al>Bij Work First staat niet in eerste instantie de arbeidswens van de
                        uitkeringsgerechtigde centraal, maar het feit dat er gewerkt wordt en dat
                        ook mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, de kans krijgen
                        werkervaring op te doen. In principe gaat het om een baan voor 36 uur per
                        week, tenzij op individuele gronden is besloten hiervan af te wijken,
                        bijvoorbeeld omdat iemand gedeeltelijk ontheven is van de
                        arbeidsverplichtingen.</al><al>In het eerste en tweede lid wordt een onderscheid gemaakt tussen Work First
                        voor mensen met en zonder WSW-indicatie.</al><al>In het eerste lid gaat het om Work First in het kader van een traject
                        gericht op regulier werk.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat mensen met een WSW-indicatie een Work
                        Firsttraject aangeboden kunnen krijgen in afwachting van een SW
                        plaatsing.</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat het doel van Work First drieledig kan
                        zijn. Het kan gaan om het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, om
                        het opdoen of behouden van werkervaring of het leren en toepassen van
                        werknemersvaardigheden. Bij dit laatste doel kan Work First bijdragen aan
                        het verkrijgen van inzicht in de manier waarop iemand het opgedragen werk
                        uitvoert, waardoor het ook een diagnostisch instrument kan zijn om te zien
                        welke competenties goed ontwikkeld zijn en welke verbetering behoeven.</al><al>Om te voorkomen dat Work First het karakter krijgt van een gesubsidieerde
                        arbeidsplek; wordt in het vierde lid bepaald dat Work First voor niet
                        WSW-geïndiceerden, maximaal 9 maanden duurt. Omdat een Work Firsttraject van
                        6 maanden soms net te kort duurt voor het beoogde doel, maakt lid vier het
                        mogelijk om niet één, maar twee keer te verlengen met drie maanden.</al><al>In het vijfde lid wordt aangegeven dat een Work First traject in ieder geval
                        stopt zodra een WSW-geïndiceerde een SW plaatsing krijgt.</al><al>In het zesde lid staat dat schriftelijke afspraken worden gemaakt over het
                        doel, de duur van het traject, het aantal uren dat per week gewerkt wordt en
                        over de begeleiding die men krijgt. Hierbij kan verschil zijn tussen mensen
                        met en zonder WSW-indicatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Werkervaringsplek</titel></kop><al>Het college vindt het belangrijk om het arbeidsritme van
                        uitkeringsgerechtigden vast te houden als die een traject hebben doorlopen
                        maar niet zijn uitgestroomd naar werk. Ook in andere gevallen kan het kort
                        opdoen van werkervaring de kansen op werk vergroten.</al><al>In het eerste lid wordt beschreven dat de ondersteuning door middel van een
                        werkervaringsplek alleen geldt voor uitkeringsgerechtigden. Reden hiervoor
                        is de beperkte beschikbaarheid van dergelijke werkervaringsplekken.</al><al>In het tweede lid wordt het doel van de werkervaringsplek beschreven.</al><al>In het derde lid wordt de maximale duur van de werkervaringsplek
                        beschreven.</al><al>Het vierde lid bepaalt de voorwaarden die zijn verbonden aan deze
                        werkervaringsplek. Zo mogen er voor de gemeente geen kosten verbonden zijn
                        aan de werkervaringsplek en moet er goede begeleiding aanwezig zijn op de
                        werkplek. Bovendien geldt de voorwaarde dat bij plaatsing geen verdringing
                        plaatsvindt en dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig mogen worden
                        beïnvloed. Het college dient zich er daarom van te vergewissen dat het werk
                        dat verricht gaat worden niet productief is, en dat er niet recent een
                        ontslag heeft plaatsgevonden.</al><al>In het vijfde lid staat dat schriftelijke afspraken worden gemaakt over het
                        doel, de duur van de werkervaringsplek, het aantal uren dat per week gewerkt
                        wordt en over de begeleiding die men krijgt. Door deze schriftelijke
                        overeenkomst kan worden gewaarborgd dat het bij een werkervaringsplek niet
                        gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>In het zesde lid wordt aangegeven dat een werkervaringsplek gelijk gesteld
                        kan worden aan een proefplaatsing als het gaat om een uitkeringsgerechtigde
                        die langer dan één jaar werkloos is en deze persoon een contract van
                        minimaal 6 maanden krijgt aangeboden waardoor deze persoon uit de uitkering
                        is, nadat die persoon drie maanden aaneengesloten werkervaring bij die
                        werkgever heeft opgedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Snuffelstage</titel></kop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat het moet gaan om
                        uitkeringsgerechtigden en wel omdat snuffelstages schaars zijn. In het
                        eerste lid wordt voorts aangegeven dat snuffelstages gericht moeten zijn op
                        werk.</al><al>In het tweede lid wordt het doel hiervan aangegeven.</al><al>Om te benadrukken dat het hierbij vooral om een eerste kennismaking met het
                        werk in een bepaalde bedrijfstak betreft, is in het derde lid aangegeven dat
                        een snuffelstage maximaal 3 maanden duurt.</al><al>Het vierde lid bepaalt de voorwaarden die zijn verbonden aan deze
                        werkervaringsplek. Zo mogen er voor de gemeente geen kosten aan de stageplek
                        verbonden zijn omdat het hier een stage van maximaal 3 maanden betreft en
                        het vooral gaat om een kennismaking met een bepaald soort werk. Ook moet er
                        goede begeleiding aanwezig zijn op de werkplek. Bovendien geldt de
                        voorwaarde dat bij plaatsing geen verdringing plaatsvindt en dat de
                        concurrentieverhoudingen niet nadelig mogen worden beïnvloed. Het college
                        dient zich er daarom van te vergewissen dat het werk dat verricht gaat
                        worden niet productief is, en dat er niet recent een ontslag heeft
                        plaatsgevonden.</al><al>In het vijfde lid staat dat schriftelijke afspraken worden gemaakt over het
                        doel, de duur van de stage, het aantal uren dat per week gewerkt wordt en
                        over de begeleiding die men krijgt.</al><al>Door deze schriftelijke stageovereenkomst kan worden gewaarborgd dat het bij
                        een snuffelstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>Het college vindt het belangrijk om personen die langer dan één jaar van een
                        uitkering afhankelijk zijn, een steuntje in de rug te kunnen bieden om een
                        reguliere baan te verkrijgen.</al><al>Door de proefplaatsing in combinatie met een loonkostensubsidie zoals
                        beschreven in artikel 21wil het college werkgevers motiveren om deze groep
                        een reguliere baan van minimaal 6 maanden aan te bieden.</al><al>In het eerste lid wordt beschreven dat de ondersteuning door middel van een
                        proefplaatsing alleen geldt voor uitkeringsgerechtigden. Reden hiervoor is
                        de beperkte beschikbaarheid van dergelijke plaatsingen.</al><al>Het tweede lid beschrijft het doel van de proefplaatsing en geeft aan dat de
                        werkgever tijdens de proefplaatsing niet alleen bekijkt of de
                        uitkeringsgerechtigde voldoende geschikt is voor de baan, maar ook of deze
                        persoon past binnen het bedrijf.</al><al>In het derde lid wordt de maximale duur van de plaatsing beschreven.</al><al>Het vierde lid beschrijft de voorwaarde dat een proefplaatsing alleen kan
                        worden ingezet als de werkgever de uitkeringsgerechtigde na een geslaagde
                        proefplaatsing een betaalde baan van minimaal 6 maanden aanbiedt, waardoor
                        de uitkeringsgerechtigde geen beroep meer hoeft te doen op een gemeentelijke
                        uitkering. Een proefplaatsing is geslaagd als de persoon in kwestie
                        voldoende geschikt is voor de vacature en er van de kant van de werkgever
                        geen bezwaar is om deze persoon aan te nemen.</al><al>In het vijfde lid staat dat schriftelijke afspraken worden gemaakt over het
                        doel, de duur van de proefplaatsing, het aantal uren dat per week gewerkt
                        wordt en over de begeleiding die men krijgt. In de schriftelijke
                        overeenkomst wordt bevestigd dat de proefplaatsing bij goed functioneren
                        wordt gevolgd door een reguliere baan zoals beschreven in lid 4.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Cursusaanbod</titel></kop><al>Het college heeft de mogelijkheid om in het kader van Volwasseneducatie tal
                        van cursussen aan te bieden aan haar burgers. Mensen met een
                        bijstandsuitkering of minima behoren bij uitstek tot de doelgroep van het
                        Volwasseneducatiebeleid. Het college wil optimaal gebruik maken van de
                        middelen die vanuit het Participatiebudget beschikbaar zijn. In eerste
                        instantie staat het reguliere cursusaanbod open voor mensen met een
                        gemeentelijke uitkering. Daarnaast is ook maatwerk mogelijk.</al><al>In het eerste lid is aangegeven welke mensen gebruik kunnen maken van het
                        cursusaanbod.</al><al>In het tweede lid is het doel aangegeven.</al><al>In het derde lid wordt bepaald dat waar mogelijk gebruik gemaakt wordt van
                        het cursusaanbod dat is ingekocht in het kader van Volwasseneducatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Duale trajecten gericht op werk en inburgering</titel></kop><al>In het eerste lid is opgenomen dat het college asielmigranten en geestelijke
                        bedienaren een duaal traject kan aanbieden dat is gericht op werk en
                        inburgering.</al><al>In het tweede lid wordt benoemd dat bij asielmigranten en geestelijk
                        bedienaren met een gemeentelijke uitkering het werkdeel van het duale
                        traject, ook kan bestaan uit werken met behoud van uitkering. Voor vormen
                        van het werken met behoud van uitkering wordt verwezen naar de artikelen 8
                        tot en met 112</al><al>Het derde lid geeft de mogelijkheid om in specifieke individuele gevallen af
                        te wijken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Individuele trajecten voor WIW’ers met een vast contract</titel></kop><al>Per 1 januari 2012 waren er nog 5mensen (samen 4,74 fte) met een contract
                        voor onbepaalde tijd dat vanuit de Wet Inschakeling Werkzoekenden is
                        aangegaan. In het verleden is getracht deze WIW'ers door de inzet van
                        reïntegratievoorzieningen aan een reguliere baan te helpen. Dit heeft bij
                        deze vijf mensen niet het beoogde resultaat opgeleverd. In onze gemeente is
                        na evaluatie van de inspanningen ten aanzien van deze groep besloten dat er
                        geen actief uitstroombeleid voor deze mensen wordt ingezet In 2011 is
                        overleg geweest met alle inleners. Geen van hen had de middelen om de
                        werknemer regulier in dienst te nemen. Naar verwachting zullen twee WIW’ers
                        in 2013 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.</al><al>In het eerste lid wordt de gedane toezegging aan deze mensen verwoord,
                        namelijk dat zij alleen nog op eigen verzoek een traject gericht op het
                        vinden van regulier werk krijgen aangeboden.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat een eventueel traject zowel naast als
                        gedeeltelijk in de tijd van de huidige WIW werkplek kan worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Maatwerktrajecten</titel></kop><al>Het college hecht eraan om uitkeringsgerechtigden maatwerk te kunnen
                        leveren. Naast de voorzieningen zoals beschreven in artikel 7 tot en met 15
                        wil het college indien nodig extra ondersteuning of scholing kunnen bieden.
                        Het is moeilijk om vooraf in de verordening algemene richtlijnen op te geven
                        over maatwerkinstrumenten. In dit artikel worden echter wel een aantal
                        randvoorwaarden geformuleerd waaraan dergelijke instrumenten dienen te
                        voldoen.</al><al>Dit artikel geeft aan dat een maatwerktraject zowel in combinatie als los
                        van trajecten zoals beschreven in artikel 7 tot en met 15kan worden ingezet.
                        Tevens wordt in dit artikel bepaald dat alleen het college een
                        maatwerkinstrument kan aanbieden. Dit betekent dat andere organisaties, als
                        bijvoorbeeld reïntegratiebureaus, altijd afhankelijk zijn van het oordeel en
                        de toestemming van het college over de noodzaak van de inzet van extra
                        ondersteuning of scholing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de WWB (artikel 6, lid 1 onder c) kan sociale activering gericht
                        zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde personen kan arbeidsinschakeling
                        echter (nog) een te hoog gegrepen doel zijn. Voor deze personen staat dan
                        ook niet reïntegratie naar arbeid, maar zelfstandige maatschappelijke
                        participatie voorop. In het eerste lid is hiervoor een algemene bepaling
                        opgenomen.</al><al>In het tweede lid is opgenomen dat sociale activeringstrajecten in principe
                        maatwerktrajecten zijn. Dit impliceert dat ook indien het gaat om trajecten
                        gericht op het voorkomen van sociaal isolement, maatwerk moet worden
                        geleverd. De gekozen formulering sluit aan bij het reïntegratiebeleid en bij
                        beleid sociale activering.</al><al>Om verdringing van regulier werk en beïnvloeding van
                        concurrentieverhoudingen tegen te gaan is lid 3 opgenomen. Hierbij wordt
                        verwezen naar de toelichting bij artikel 10, lid 4.</al><al>In de artikelen 19 en 21 wordt beschreven in welke specifieke omstandigheden
                        een beroep kan worden gedaan op onkostenvergoedingen of loonkostensubsidies
                        om het succes van de reïntegratie-instrumenten te vergroten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Plan van Aanpak</titel></kop><al>Per 1 januari 2012 is in de WWB opgenomen dat er voor uitkeringsgerechtigden
                        tot 27 jaar een plan van aanpak moet worden gemaakt. Dit plan van aanpak
                        moet meegestuurd worden bij een toekenningsbeschikking van algemene
                        bijstand. Het plan van aanpak moet voldoen aan de eisen die in artikel 44a
                        WWB vermeld staan. In de wet wordt niet geregeld wie dit plan vaststelt. Bij
                        verordening wordt nu geregeld dat dit een taak is van het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Financiële vergoedingen</titel></kop><al>Om te voorkomen dat de te maken reiskosten of kinderopvangkosten een
                        belemmering vormen om mee te werken aan een reïntegratievoorziening, kan het
                        college de kosten die hiervoor gemaakt moeten worden, geheel of gedeeltelijk
                        vergoeden. Met name bij de kosten voor kinderopvang, zal altijd bezien
                        worden of er nog andere partijen zijn die (een deel van) de kosten voor hun
                        rekening kunnen cq. moeten nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><al>De raad heeft met het vaststellen van de re-integratienota “Aan de slag”
                        bepaald dat er geen gebruik wordt gemaakt van trajecten waarbij mensen
                        jarenlang additioneel werk verrichten met behoud van uitkering. Tevens heeft
                        de raad met het vaststellen van genoemde nota, besloten het beleid te
                        continueren dat er in onze gemeente geen premie wordt verstrekt aan mensen
                        met een uitkering die een traject volgen. Zij doen immers wat zij moeten
                        doen conform de wet. Bovendien worden mensen met de arbeidsverplichting dan
                        niet bevoordeeld boven mensen die ziek zijn of anderszins belemmerd worden
                        om deel te nemen aan trajecten.</al><al>De invoering van de wet Stimulering Arbeidsparticipatie met ingang van 1
                        januari 2009, heeft geleid tot aanpassingen in diverse wetten, waaronder de
                        WWB. Met ingang van 1 april 2009 zijn artikel 10a WWB (participatieplaatsen)
                        en artikel 8 WWB (opdracht gemeenteraad) ingrijpend gewijzigd. In artikel
                        10a wordt geregeld dat voortaan ook mensen met een UWV-uitkering in
                        aanmerking <cursief>kunnen</cursief> komen voor een participatiebaan bij de
                        gemeente.</al><al>Op grond van artikel 8, tweede lid, onder c WWB is de raad genoodzaakt om in
                        een verordening het beleid inzake de hoogte van de premie voor mensen met
                        een UWV-uitkering die minimaal 6 maanden werkzaam zijn op een
                        participatieplaats, alsook het beleid met betrekking tot opleiding of
                        scholing van deze mensen vast te leggen.</al><al>In het eerste lid wordt vastgelegd dat het college alleen
                        participatieplaatsen zoals bedoeld in artikel 10a WWB kan inzetten voor
                        mensen met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen, indien er sprake is van een overeenkomst met
                        genoemd instituut over deze participatieplaatsen.</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven wat minimaal aan afspraken moet worden
                        geregeld in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.</al><al>In het derde lid wordt bepaald dat een eventueel toe te kennen premie aan
                        mensen met een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a WWB,
                        gemaximeerd wordt op € 100,- per half jaar. De motivatie hiervoor is
                        drieledig: ten eerste wordt hierdoor de armoedeval beperkt indien mensen
                        vanuit een participatieplaats uitstromen naar reguliere arbeid. Ten tweede
                        wordt hierdoor benadrukt dat het bij een participatiebaan niet gaat om het
                        vergroten van het inkomen, maar om het vergroten van de kansen op uitstroom
                        naar reguliere arbeid. Tot slot kan worden gesteld dat een lage premie een
                        compromis is tussen het gemeentelijke beleid om helemaal geen premies toe te
                        passen voor het volgen van een traject, en de wettelijk verplichting om in
                        een verordening de hoogte van een premie vast te stellen als het college wel
                        zou besluiten om participatiebanen in te zetten.</al><al>Nadrukkelijk dient hier te worden vermeld dat WWB-gerechtigden met een Work
                        Firsttraject in afwachting van hun WSW-plaatsing, niet behoren tot de
                        doelgroep van artikel 10a en derhalve ook geen recht hebben op een premie na
                        het verstrijken van periodes van een half jaar. Gelet op het bepaalde in
                        artikel 6, lid 1 onder b, juncto artikel 6, lid 2 WWB vallen zij namelijk
                        niet onder artikel 10a WWB.</al><al>In het vierde lid wordt bepaald dat het college bij uitvoeringsbesluit
                        nadere regels kan stellen ten aanzien van participatieplaatsen. Hierbij kan
                        o.a. gedacht worden aan regels met betrekking tot doel van deze voorziening,
                        het minimum aantal te werken uren per week, het aanbieden van scholing en
                        opleiding en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><al>Voor het verstrekken van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist
                        (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen
                        dat deze grondslag biedt.</al><al>Voor het creëren van werkgelegenheid voor uitkeringsgerechtigden die langer
                        dan één jaar werkloos zijn, wil de gemeente Midden-Drenthe een groter beroep
                        kunnen doen op werkgevers. Om werkgevers te stimuleren, is gekozen voor de
                        mogelijkheid om een proefplaatsing zoals genoemd in artikel 12 te combineren
                        met een eenmalige verstrekking van een loonkostensubsidie aan de werkgever.
                        Een proefplaatsing is een mogelijk, maar geen noodzakelijk voortraject. De
                        hoogte en verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden, worden
                        vastgelegd in een uitvoeringsbesluit.</al><al>Voor de verstrekking van een dergelijk loonkostensubsidie is de gemeente
                        gebonden aan de EG-regelgeving rond staatsteun (Verordening
                        Werkgelegenheidssteun en de Verordening de minimissteun). Doordat in dit
                        artikel wordt uitgegaan van een generieke regeling die toepasselijk is voor
                        alle sectoren, en waarin geen regels worden gesteld ten aanzien van de
                        plaats waar de arbeid wordt verricht, is hier geen sprake van staatsteun.
                        Een generieke regeling betekent dat bepaalde bedrijven, groepen van
                        bedrijven of sectoren niet expliciet op voorhand worden uitgesloten van
                        subsidiëring.</al><al>Naast inhoudelijke regels, vragen de EG-verordeningen om uitgebreide
                        informatiestromen richting Europese Commissie. Door afspraken van het
                        ministerie van SZW met de Europese Unie (die zijn vastgelegd in het document
                        “Subsidiering arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie werkzoekenden,
                        beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de gemeentelijk
                        reïntegratieverordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand”) kan de
                        informatieverplichting worden beperkt door verwijzing naar deze
                        beleidsaanbeveling. In deze verordening is de verwijzing opgenomen in de
                        aanhef van het raadsbesluit behorend bij deze verordening.</al><al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie waarbij expliciet
                        wordt aangegeven dat het gaat om een voorziening voor uitkeringsgerechtigden
                        die langer dan één jaar werkloos zijn. Het beschrijft tevens dat het moet
                        gaan om een arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden. Deze
                        arbeidsovereenkomst dient zodanig te zijn dat de uitkeringsgerechtigde in
                        deze periode geen beroep meer hoeft te doen op een gemeentelijke
                        uitkering.</al><al>Het tweede lid is om twee redenen toegevoegd:</al><lijst><li nr="1."><al>Om werkgevers te kunnen belonen als zij bijstandsgerechtigden
                                tenminste een halfjaarcontract voor minimaal 20 uur per week bieden
                                in plaats van een nul-urencontract</al></li><li nr="2."><al>Mensen die werk en zorg combineren, hebben vaak de verplichting om
                                20 uur per week beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Als zij
                                erin slagen om iedere week 20 uur werkervaring op te doen, dan is de
                                stap naar uitstroom makkelijker dan wanneer zij minder uren per week
                                werken.</al></li></lijst><al>Het derde lid geeft aan dat per arbeidsovereenkomst slechts één maal een
                        loonkostensubsidie wordt verstrekt. Dit houdt in dat verlenging van de
                        arbeidsovereenkomst niet tot gevolg heeft dat er nogmaals een premie
                        verstrekt wordt. Er is dan immers geen sprake meer van het in dienst nemen
                        van een uitkeringsgerechtigde. Indien een werkgever op basis van het tweede
                        lid een loonkostensubsidie toegekend heeft gekregen, dan geldt onverkort het
                        bepaalde in het eerste lid. Indien deze werkgever dezelfde werknemer na
                        minimaal 6 maanden een nieuw contract aanbiedt, waardoor deze persoon voor
                        minimaal een half jaar volledig uit de uitkering kan stromen, dan houdt deze
                        werkgever recht op de uitstroompremie als bedoeld in het eerste lid.</al><al>In het vierde lid wordt aangegeven dat het college bij uitvoeringsbesluit
                        nadere regels stelt ten aanzien van de hoogte en de verplichtingen die aan
                        de loonkostensubsidie worden verbonden.</al><al>Voor het vijfde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel10, lid
                        4.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verlengde vrijlating</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2012 is aan de WWB een artikel toegevoegd waarin
                        wordt geregeld dat het college –onder bepaalde voorwaarden en voor een
                        beperkte doelgroep- een verlengde vrijlating van een deel van de inkomsten
                        uit arbeid kan regelen. </al><al>In dit artikel (art. 31, lid 2, onder r van de wet) maakt de wetgever een
                        onderscheid tussen “alleenstaande ouders” en “alleenstaande ouders met één
                        of meer meerderjarige kinderen”. Dit is een opmerkelijk onderscheid omdat op
                        basis van art. 4, onderdeel c van de wet, een alleenstaande of alleenstaande
                        ouder met één of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning hun
                        hoofdverblijf hebben “gezin” genoemd wordt. </al><al>Geconcludeerd moet worden dat de wetgever er aan hecht om voor de groep
                        alleenstaande ouders van 27 jaar of ouder met de volledige zorg voor een tot
                        zijn last komend kind tot 12 jaar én thuiswonende kinderen van 18 jaar of
                        ouder, een uitzondering te maken, waardoor zij recht hebben op een
                        “verlengde vrijlating”. </al><al>Door in deze verordening aan te sluiten bij de wettekst wordt bewerkstelligd
                        dat deze verlengde vrijlating geldt voor allen die voldoen aan de
                        voorwaarden en dat er geen extra eisen worden gesteld op basis waarvan het
                        college groepen kan uitsluiten, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer het
                        werk geacht wordt bij te dragen aan arbeidsinschakeling. Er wordt in deze
                        verordening geen nadere invulling gegeven aan het begrip “bijdragen aan
                        arbeidsinschakeling”. Dit om aan te geven dat voor deze specifieke doelgroep
                        alle arbeid bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. </al><al>Omdat te benadrukken dat er twee groepen alleenstaande ouders van 27 jaar of
                        ouder zijn op wie de verlengde vrijlating van toepassing kan zijn, en in
                        verband met de leesbaarheid van de verordening, is er voor gekozen beide
                        doelgroepen in een apart lid te benoemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Voorzieningen uit het Armoedebeleid</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Schuldhulpverlening</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Medische en arbeidsdeskundige adviezen</titel></kop><al>Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat er geen overbodige keuringen of
                        deskundige adviezen worden aangevraagd. Indien evident is dat een periode
                        van ontheffing maar van korte duur (maximaal 3 maanden) hoeft te zijn,
                        bijvoorbeeld door ziekenhuisopname, dan is geen medische keuring vereist.
                        Tevens wordt bewerkstelligd dat de arbeidsverplichtingen - zoals die
                        voorheen golden - weer opgelegd worden als de afgesproken periode verstreken
                        is.</al><al>Er wordt in dit artikel gesproken over lichamelijke en psychische
                        belastbaarheid omdat het niet alleen gaat om een beoordeling van de mate
                        waarin iemand geschikt is voor arbeidsinschakeling, maar ook een beoordeling
                        van de mate waarin iemand belast kan worden met een traject dat gericht is
                        op zelfstandige maatschappelijke participatie. Hierbij kan gedacht worden
                        aan de inzet als vrijwilliger, maar ook een beoordeling of iemand
                        lichamelijk en psychisch in staat wordt geacht om deel te nemen aan
                        inburgering, een budgetcursus etc.</al><al>De raad is van mening dat –zeker bij intensief cliëntcontact – de cliënt
                        zelf kan en moet kunnen aangeven als de cliënt vindt dat een periode van
                        ontheffing langer dan in eerste instantie afgesproken werd, noodzakelijk is.
                        In dat geval volgt een herbeoordeling van de situatie en wordt zo nodig een
                        deskundig advies ingewonnen. Door de verantwoordelijkheid bij de cliënt te
                        leggen, wordt tevens bewerkstelligd dat er geen tijd verloren gaat bij
                        arbeidsgeschiktheid; de cliënt krijgt direct de arbeidsverplichtingen als
                        voorheen opgelegd na afloop van de in de beschikking beschreven periode van
                        ontheffing. Uitgangspunt is dat cliënten in principe niet vaker dan één keer
                        per jaar gekeurd worden in het kader van arbeidsgeschiktheid.</al><al>In het eerste lid staat dat voor de beoordeling van de lichamelijke en
                        psychische belastbaarheid van cliënten een deskundig advies kan worden
                        ingewonnen. In uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld bij terminaal zieken)
                        kan worden afgezien van het inwinnen van een deskundig advies om de cliënt
                        niet onnodig te belasten.</al><al>In het tweede lid is opgenomen dat er geen advies van een arts, psycholoog
                        of arbeidsdeskundige hoeft te worden ingewonnen als evident is dat de cliënt
                        gedurende korte tijd, maximaal drie maanden, niet kan voldoen aan de
                        arbeidsverplichtingen, bijvoorbeeld door ziekenhuisopname. In dit lid is
                        tevens opgenomen dat na afloop van de kortdurende ontheffing een
                        herbeoordeling van de situatie nodig is. Dit impliceert dat de cliënt door
                        de consulent gezien of gesproken dient te worden.</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat altijd een deskundig advies wordt
                        ingewonnen als er sprake is van een verschil van mening hierover tussen
                        cliënt en consulent of als het gaat om ontheffing over een periode van
                        langer dan 3 maanden.</al><al>In het vierde lid wordt aangegeven dat er geen (her)keuring nodig is, als de
                        cliënt na de periode van ontheffing weer kan voldoen aan de
                        arbeidsverplichtingen zoals die voorheen waren vastgesteld.</al><al>In het vijfde lid wordt gesteld dat de arbeidsverplichtingen zoals die
                        voorheen golden, weer gelden na afloop van de ontheffingsperiode en dat het
                        initiatief bij de cliënt ligt om contact te zoeken met de consulent van de
                        afdeling Samenlevingszaken als de arbeidsverplichtingen volgens de cliënt
                        nog niet mogelijk zijn.</al><al>In het zesde lid wordt aangegeven dat ook bij verlenging van de periode van
                        ontheffing, de cliënt het initiatief moet nemen om aan te geven dat men na
                        afloop van die periode nog niet in staat is om te voldoen aan de
                        arbeidsverplichtingen zoals die voorheen golden.</al><al>Het zevende lid is toegevoegd om aan te geven dat de periode waarover advies
                        wordt gevraagd, dan wel gehele of gedeeltelijke ontheffing wordt verleend,
                        begrensd is tot een jaar. Dit doet recht aan het beleid om uit te gaan van
                        kansen, competenties en mogelijkheden van een klant, ongeacht de
                        belemmeringen. Tevens wordt door de begrenzing aangegeven dat het niet de
                        bedoeling is om over een irreëel lange periode te oordelen. In een jaar kan
                        immers al veel veranderen in positieve, dan wel negatieve zin. </al><al>Uitgangspunt is dat na een jaar beoordeeld wordt of de omstandigheden
                        zodanig gewijzigd zijn dat een nieuw sociaal medisch onderzoek nodig is om
                        vast te stellen of iemand de arbeidsverplichtingen weer kan worden opgelegd.
                        Indien de omstandigheden niet in positieve zin gewijzigd zijn, dan hoeft
                        geen medisch onderzoek plaats te vinden om wederom voor een periode gehele
                        of gedeeltelijke ontheffing te verlenen.</al><al>Met dit lid wordt tevens beoogd de uitvoerders van deze verordening een
                        richtlijn aan te geven in geval een cliënt een ontheffing vraagt over een
                        veel langere periode of zelfs onbepaalde tijd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven dat het college een voorziening gericht op
                        nazorg kan bieden aan de werkgever van iemand die door het aanvaarden van
                        regulier werk uit de bijstandsuitkering stroomt. Nazorg kan bestaan uit één
                        of een meerdere gesprekken met de werkgever en/of de ex-bijstandsgerechtigde
                        met het doel terugval in de uitkering te voorkomen.</al><al>Nazorg kan ook bestaan uit het mogen afmaken van een opleiding of cursus die
                        bijdraagt aan duurzame uitstroom.</al><al>In het tweede lid wordt gesteld dat het college ook de mogelijkheid heeft om
                        een werkgever een verzekering aan te bieden waardoor vrijwel alle kosten die
                        voortkomen uit ziekteverzuim van de ex-bijstandsgerechtigde, gedurende het
                        eerste half jaar, voor rekening van de verzekeraar komen.</al><al>Normaal gesproken moet een werkgever twee jaar lang het loon doorbetalen bij
                        ziekte van een werknemer. Hierdoor kan een werkgever besluiten om niet het
                        risico te willen nemen om een uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen als
                        er ook een geschikte andere kandidaat is. Het college kan dit risico
                        grotendeels afdekken door deze verzekering aan te bieden. Het college
                        betaalt een half jaar lang de premie van deze “nieuwe start zonder
                        risico-verzekering”. De werkgever heeft dan een eigen risico van het
                        doorbetalen bij ziekte van één weekloon gedurende de eerste zes maanden dat
                        een ex-uitkeringsgerechtigde in dienst is bij de betreffende werkgever.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>