<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR222984_11</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Holland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-08-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Holland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2016, 77</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies of CAP</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">CAO provincies</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. F.1, bijlage 3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>834337-834344</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>collectieve, arbeidsvoorwaarden, CAP</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging: Provinciaal blad, 2016, 77</al><al>Wijziging: Provinciaal blad 2016, 54</al><al>Technische en redactionele wijzigingen: Provinciaal blad, 2016, 18</al><al>Laatste wijziging: Provinciaal blad 2016, 14</al><al>Laatste wijziging: Provnciaal blad 2015, 100, art. 1V werkt terug tot en met 1 januari 2015</al><al>Laatste wijziging: Provinciaal blad 2015, 99: art.B.13, art. B.2 werken terug to en met 1 januari 2015 en vervallen op 1 januari 2017.</al><al>Laatste wijziging: Provinciaal blad 2015, 16; art. !! en V! werken terug tot 1 december 2014 en de overige tot 1 janari 2015.</al><al>Laatste wijzigingen: Provinciaal blad 2014, 29 werken terug tot en met 1 januari 2013</al><al>Laatste wijzigingen: Provinciaal blad 2013, 106 werken terug tot 1 mei 2013</al><al>Laatste wijzigingen: Provinciaal blad 2013, 24, zijn wel opgenomen i.v.m. de inwerkingtreding van de wijzigingen.</al><al>Laatste wijzigingen: Provinciaal blad 2012, 94, zijn wel opgenomen i.v.m. de inwerkingtreding van de wijzigingen.</al><al>Het bepaalde in artikel I, II en III van de slotbepalingen werkt terug tot en met 1 juni 2011</al><al>Het bepaalde in artikel IV van de slotbepalingen treedt op 1 september 2012 in werking.</al><al>Bij vaststelling en wijziging van de CAP is overgangsrecht vastgesteld. Gezien de omvang hiervan is dit niet opgenomen.</al><al>Toelichting bij de CAP is gezien het grote aantal wijzigingen en de omvang niet opgenomen.</al><al>Niet opgenomen stukken zijn opvraagbaar bij Personele Dienstverlening van de provincie Noord-Holland.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit van Gedeputeerde staten van Noord-Holland,</vet></al><al/><al><vet>tot afkondiging van de;</vet></al><al/><al><vet>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>A</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaar: degene die door gedeputeerde staten is aangesteld
                                        om in de openbare dienst van de provincie werkzaam te
                                        zijn;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 4 en 5 van de Wet werk en inkomen naar
                                        arbeidsvermogen (WIA) tenzij er sprake is een WAO-uitkering
                                        waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);</al></li><li nr="c."><al>arbodienst: arbodienst zoals bedoeld in artikel 1,
                                        3<sup>e</sup> lid, onderdeel j van de
                                        Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="d."><al>beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder
                                        deze moesten worden verricht en die niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="e."><al>bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen waarop
                                        ingevolge de artikelen C.11 tot en met C.15 aanspraak
                                        bestaat;</al></li><li nr="f."><al>CAP: Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies;</al></li><li nr="g."><al>dienstongeval: ongeval dat in overwegende mate zijn oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder
                                        deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="h."><al>functie: samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar is
                                        opgedragen</al></li><li nr="i."><al>IKB: individueel keuzebudget, een budget in geld, opgebouwd
                                        overeenkomstig artikel C.17;</al></li><li nr="j."><al>IPO: de vereniging het Interprovinciaal Overleg, gevestigd
                                        te ‘s-Gravenhage;</al></li><li nr="k."><al>partner: echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar dan wel
                                        de persoon met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en,
                                        met het oogmerk duurzaam samen te leven, een
                                        gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een
                                        notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
                                        wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die
                                        samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, alsmede de
                                        geregistreerde partner;</al></li><li nr="l."><al>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="m."><al>passende functie: functie die de ambtenaar redelijkerwijs in
                                        verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de
                                        voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                        opgedragen;</al></li><li nr="n."><al>pensioenreglement: pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="o."><al>reorganisatie: elke wijziging van de organisatiestructuur,
                                        van de omvang van de provinciale organisatie of van de
                                        taakinhoud van de provincie of een onderdeel daarvan -
                                        daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                                        provincie - waaraan personele consequenties zijn
                                        verbonden;</al></li><li nr="p."><al>salaris: bedrag dat met inachtneming van paragraaf 2 van
                                        hoofdstuk C en met inachtneming van bijlage 2 van deze
                                        regeling voor de ambtenaar is vastgesteld;</al></li><li nr="q."><al>salaris onderscheidenlijk bezoldiging per uur: 1/156 deel
                                        van het salaris, onderscheidenlijk de bezoldiging bij een
                                        volledige arbeidsduur;</al></li><li nr="r."><al>SPA: Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden, zijnde
                                        het overleg over arbeidsvoorwaarden en andere zaken tussen
                                        het IPO namens de provincies en de daarvoor aangewezen
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en haar uitvoeringsregelingen
                                worden niet als ambtenaar beschouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar, genoemd in artikel 227a,
                                        tweede lid, onderdelen b, c, d en e van de
                                        Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="c."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.2</nr><titel>Wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling wordt gewijzigd indien het IPO daartoe besluit op
                                grond van in het SPA be-reikte overeenstemming. Wijziging vindt
                                plaats met inachtneming van het betreffende besluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vaststelling en wijziging van besluiten van algemene strekking ter
                                uitvoering van deze regeling vindt slechts plaats in de gevallen
                                waarin deze verordening dat uitdrukkelijk bepaalt en onder de
                                daarbij aangegeven voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.3</nr><titel>Bevoegdheid besluitvorming individuele gevallen</titel></kop><al>Waar in deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten besluitvorming in
                            individuele gevallen is vereist zijn gedeputeerde staten daartoe
                            bevoegd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.4</nr><titel>Bijzondere voorziening</titel></kop><al>Indien zich gevallen voordoen waarvoor deze regeling geen voorziening
                            biedt of waarin toepassing van deze verordening naar hun oordeel
                            ernstige bezwaren zou opleveren kunnen gedeputeerde staten daarin, zo
                            nodig onder afwijking van deze verordening, ten voordele van de
                            individuele ambtenaar voorzien. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.5</nr><titel>Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</titel></kop><al>De provincie en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever
                            en een goed werknemer te gedragen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>A.6</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen zorg dat de ambtenaar kennis kan nemen van
                            alle door of vanwege het provinciebestuur vastgestelde algemene regels
                            inzake de ambtelijke rechtspositie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel A.7 Elektronische berichtgeving</label><nr/><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Berichten inzake het maandelijks in geld vastgestelde loon en de
                                jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te
                                worden verzonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen andere berichten inzake de rechtspositie
                                van de ambtenaar dan die bedoeld in het eerste lid, aanwijzen die
                                uitsluitend elektronisch behoeven te worden verzonden nadat hierover
                                overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde berichten worden niet
                                uitsluitend elektronisch verzonden:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te
                                        nemen van een elektronisch bericht;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag of overlijden van de ambtenaar</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een
                                        zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op een
                                        andere wijze.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>B</nr><titel>AANVANG, WIJZIGING EN EINDE ARBEID</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Aanvang arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.1</nr><titel>Aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt aangesteld in dienst van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd kan een aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, overeenkomstig artikel B.2, zesde
                                    lid, voorafgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.2</nr><titel>Aanstelling voor bepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege zodra
                                    die tijd is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanstelling voor bepaalde tijd na het verstrijken van
                                    die tijd voortduurt wordt de ambtenaar geacht voor dezelfde
                                    tijd, doch ten hoogste voor een jaar, op dezelfde voorwaarden
                                    als daarvoor te zijn aangesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vanaf de dag dat:</al><lijst><li nr="a."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen
                                            van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
                                            periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
                                            hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de
                                            laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                            tijd;</al></li><li nr="b."><al>meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie
                                            maanden geldt de laatste aanstelling als een aanstelling
                                            voor onbepaalde tijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het derde lid, onderdeel a, is niet van
                                    toepassing op een aanstelling voor bepaalde tijd, aangegaan voor
                                    niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een
                                    aanstelling voor 36 maanden of langer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van het derde lid worden mede in aanmerking
                                    genomen dienstverbanden bij een werkgever waarvan de provincie
                                    ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet
                                    worden de opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd op proef wordt verleend voor
                                    ten hoogste een jaar, zo nodig met ten hoogste een jaar te
                                    verlengen. Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, zich niet meer voordoet wordt een
                                    aanstelling voor onbepaalde tijd verleend, tenzij daartegen op
                                    andere gronden bezwaar bestaat.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leidinggevende maakt met de ambtenaar op diens verzoek
                                    afspraken over begeleiding van werk naar werk indien de
                                    aanstelling voor bepaalde tijd na ten minste twee jaar van
                                    rechtswege eindigt. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
                                    De begeleiding vindt plaats gedurende ten minste de laatste zes
                                    maanden vóór de afloop van het dienstverband. De noodzakelijke
                                    kosten van de begeleiding komen ten laste van de provincie. Het
                                    bepaalde in dit lid geldt niet voor ambtenaren die zijn
                                    aangesteld voor bepaalde tijd op proef.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.3</nr><titel>Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanstelling komt slechts in aanmerking degene die voldoet
                                    aan de gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter beoordeling van die bekwaamheid en geschiktheid kan de
                                    kandidaat aan een psychologisch onderzoek en, met inachtneming
                                    van artikel E.2, aan een medische keuring worden
                                    onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat de
                                    kandidaat een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                    Wet justitiële gegevens overlegt. Gedeputeerde staten kunnen,
                                    nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, een
                                    lijst van functies vaststellen waarvoor de in de eerste volzin
                                    bedoelde verklaring vereist is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene die geen Nederlander is kan slechts worden aangesteld
                                    indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en de provincie voor hem
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de
                                    Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning
                                    krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.4</nr><titel>Informatie bij indiensttreding</titel></kop><al>De ambtenaar ontvangt vóór zijn indiensttreding schriftelijk bericht
                                van zijn aanstelling. Daarin worden, in aanvulling op de gegevens,
                                bedoeld in artikel II, tweede lid, onderdelen a tot en met i, van de
                                Wet van 2 december 1993 (Staatsblad 1993, 635), in elk geval
                                vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanstelling voor bepaalde tijd geschiedt de reden
                                        van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>het organisatieonderdeel waarbij hij is geplaatst;</al></li><li nr="d."><al>de periode van benoeming in de functie;</al></li><li nr="e."><al>de salarisschaal en de toelagen die hem zijn toegekend;</al></li><li nr="f."><al>zijn deelname aan de pensioenregeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.5</nr><titel>Algemene dienst</titel></kop><al>De ambtenaar wordt steeds voor een periode van in de regel ten
                                minste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie benoemd,
                                tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Wijziging arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.6</nr><titel>Andere functie of werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht na afloop van de periode van benoeming
                                    in een functie als bedoeld in artikel B.5, een hem aangeboden
                                    andere passende functie te aanvaarden. Bij het aanbieden van een
                                    andere passende functie wordt een aanzegtermijn van ten minste
                                    twee maanden in acht genomen. De ambtenaar kan na afloop van
                                    bedoelde periode ook opnieuw in dezelfde functie worden benoemd.
                                    Zolang er na afloop van de in de eerste volzin bedoelde periode
                                    geen passende functie beschikbaar is en de ambtenaar niet
                                    overeenkomstig het vierde lid tijdelijk is belast met andere
                                    werkzaamheden dan wel met de waarneming van een andere functie,
                                    blijft hij zijn functie vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar in een andere functie
                                    benoemd dan wel tijdelijk met ander werk belast als hij voldoet
                                    aan de daaraan gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht om in het belang van de dienst een
                                    andere passende functie te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht
                                    om, al dan niet binnen de provinciale organisatie, tijdelijk
                                    niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan
                                    wel tijdelijk een andere functie waar te nemen, mits deze
                                    tijdelijke werkzaamheden, onderscheidenlijk tijdelijke
                                    waarneming hem in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als belang van de dienst in de zin van het derde en vierde lid
                                    wordt voor de toepassing van die leden in elk geval aangemerkt
                                    de bevordering van de interne mobiliteit van het personeel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                    heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden
                                    te verrichten, tenzij dat naar het oordeel van gedeputeerde
                                    staten met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of
                                    voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel en
                                    ter uitvoering van artikel B.5 nadere regels inzake de
                                    rechtspositie vast nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.7</nr><titel>Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan worden verplicht in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de provincie in die tijden heeft of zal krijgen dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde
                                    verplicht de opleidingen te volgen en deel te nemen aan
                                    oefeningen die verband houden met zijn in dat lid bedoelde
                                    taak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.8</nr><titel>Procedure en flankerend beleid reorganisaties</titel></kop><al>Bij reorganisaties worden de procedures en de hoofdlijnen van het
                                flankerend beleid in acht genomen die zijn vastgelegd in bijlage 1
                                van deze regeling, die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde
                                staten kunnen nadere regels vaststellen omtrent de te volgen
                                procedure bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                reorganisaties. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Einde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.9</nr><titel>Ontslaggronden</titel></kop><al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>op aanvraag, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                        B.10;</al></li><li nr="b."><al>wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, met
                                        inachtneming van het bepaalde in artikel B.11;</al></li><li nr="c."><al>wegens reorganisatie, met inachtneming van het bepaalde in
                                        artikel B.13;</al></li><li nr="d."><al>indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c
                                        Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van
                                        zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan
                                        worden;</al></li><li nr="e."><al>indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van het hem krachtens artikel D.15 verleend langdurig
                                        buitengewoon verlof, niet in een passende functie herplaatst
                                        kan worden;</al></li><li nr="f."><al>wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                        E.9;</al></li><li nr="g."><al>wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling
                                        van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f;</al></li><li nr="h."><al>wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij
                                        het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                        geldt;</al></li><li nr="i."><al>wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="j."><al>wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="k."><al>wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot
                                        vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot
                                        terbeschikkingstelling;</al></li><li nr="l."><al>wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens
                                        bij of in verband met indiensttreding of keuring, zonder
                                        welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou
                                        zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat
                                        hij te goeder trouw heeft gehandeld;</al></li><li nr="m."><al>als disciplinaire straf, met inachtneming van het bepaalde
                                        in artikel G.4;</al></li><li nr="n."><al>wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te
                                        verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op
                                        grond van de WIA, met inachtneming van het bepaalde in
                                        artikel E.15;</al></li><li nr="o."><al>op andere dan de in dit artikel genoemde gronden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.10</nr><titel>Ontslag op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ontslag gaat niet eerder in dan één maand en niet later dan
                                    drie maanden na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Met de
                                    ambtenaar kan in afwijking hiervan een ander tijdstip worden
                                    afgesproken waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ontslagaanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden
                                    aangehouden indien een onderzoek is gestart voor een ontslag op
                                    grond van artikel G.4, eerste lid, onderdeel e.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.11</nr><titel>Ontslag wegens pensionering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt ontslag verleend met ingang van dag
                                    waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt op aanvraag ontslag verleend met het oog
                                    op de verkrijging van ABP-keuzepensioen/ouderdomspensioen vóór
                                    de in het eerste lid bedoelde datum op grond van artikel 7.4 van
                                    het pensioenreglement. Op aanvraag van de ambtenaar kan dit
                                    ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende
                                    arbeidsduur worden verleend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het ontslag gaat niet
                                    eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op het
                                    ABP-keuzepensioen/ouderdomspensioen ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.12</nr><titel>Reorganisatie ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag
                                    worden verleend met inachtneming van het bepaalde in artikel 2,
                                    tweede lid, van de Regeling Begeleiding Van Werk Naar Wer bij
                                    reorganisaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is
                                    benoemd in een andere functie kan alsnog het ontslag, bedoeld in
                                    het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van
                                    uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie
                                    hem is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende functie niet
                                    passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de
                                    ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie
                                    te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij ontslagverlening op grond van het eerste en tweede lid wordt
                                    een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.13</nr><titel>Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet</titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast
                                inzake voorzieningen bij werkloosheid in aanvulling op de
                                Werkloosheidswet, met inachtneming van de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>B.14</nr><titel>Overlijden ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling eindigt door het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar wordt over de
                                    periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de laatste dag
                                    van de derde maand na die waarin het overlijden plaatsvond een
                                    bedrag uitgekeerd, gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging
                                    vermeerderd met het bedrag dat in die periode aan IKB is
                                    opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De overlijdensuitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten
                                    betrekking ter zake van het overlijden van de ambtenaar toekomt
                                    krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering of zou zijn toegekomen indien
                                    daarop ten gevolge van het toedoen van de ambtenaar geen
                                    aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten
                                    betrekkingen verstaan de nabestaande partner, van wie de
                                    overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, of, bij
                                    ontbreken van deze, de minderjarige kinderen of, indien ook deze
                                    ontbreken, degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
                                    van de bezoldiging van de ambtenaar.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>C</nr><titel>BEZOLDIGING</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.1</nr><titel>Recht op bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt een bezoldiging toegekend met
                                    inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                    verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten
                                    ontvangt hij geen bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.2</nr><titel>Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                                    tegemoetkomingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten het salaris
                                    en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot en met C.15,
                                    maandelijks.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergoedingen voor overwerk, bedoeld in artikel C.23,
                                            bij de salarisbetaling binnen drie maanden na
                                            declaratie;</al></li><li nr="b."><al>de vergoedingen van kosten, bedoeld in artikel F.4, bij
                                            de salarisbetaling in de maand na declaratie;</al></li><li nr="c."><al> de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in
                                            artikel E.12, en de doorbetaling van bezoldiging bij
                                            ziekte en arbeidsongeschiktheid op grond van de
                                            voorschriften, bedoeld in artikel E.8, maandelijks bij
                                            de salarisbetaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.3</nr><titel>Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken</titel></kop><al>Wanneer het salaris en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot
                                en met C.15, moeten worden berekend over een gedeelte van een maand
                                wordt het bedrag per dag, tenzij anders is bepaald, vastgesteld door
                                het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die
                                maand. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Salaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.4</nr><titel>Inrichting salarisgebouw</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het salarisgebouw is vastgelegd in bijlage 2 van deze regeling,
                                    die er onderdeel van uit-maakt. Gedeputeerde staten vervangen
                                    deze bijlage met inachtneming van de hierover in het SPA
                                    gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het salarisgebouw bestaat uit 18 salarisschalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per salarisschaal is het minimumsalaris en het maximumsalaris
                                    bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.5</nr><titel>Bepaling salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten bepalen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    met inachtneming van de zwaarte van de functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De zwaarte van de functie wordt vastgesteld met behulp van een
                                    systeem van methodische functiewaardering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen met inachtneming van de hierover in
                                    het SPA gemaakte afspraken algemeen verbindende voorschriften
                                    vast met betrekking tot het systeem van methodische
                                    functiewaardering en de procedure van totstandkoming van de
                                    functiewaardering, alsmede een conversietabel aan de hand
                                    waarvan de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het vijfde en zesde lid bepalen
                                    gedeputeerde staten de salarisschaal van de ambtenaar op die
                                    welke ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor
                                    de functie geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    bepalen op die welke direct voorligt aan de salarisschaal die
                                    ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor de
                                    functie geldt, indien de ambtenaar bij benoeming in de functie
                                    nog niet volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau
                                    voor de functie. Na maximaal 12 maanden geldt voor de ambtenaar
                                    de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal tenzij hij blijkens een beoordeling nog niet
                                    volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau voor de
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een
                                    andere functie vervult blijft de voordien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdelijk bij wijze van proef is benoemd in
                                    een andere functie blijft de voordien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing, tenzij anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.6</nr><titel>Bepaling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij eerste aanstelling ontvangt de ambtenaar in de regel het
                                    minimumsalaris in de voor hem geldende salarisschaal. Op basis
                                    van elders opgedane relevante kennis, ervaring en vaardigheden
                                    kunnen gedeputeerde staten bij eerste aanstelling een hoger
                                    salaris in de voor hem geldende salarisschaal vaststellen dan
                                    het minimumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar ontvangt in de voor hem geldende salarisschaal ten
                                    minste een salaris dat gelijk is aan het maandbedrag van het
                                    minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet
                                    minimumloon en minimum vakantiebijslag geldt voor werknemers van
                                    dezelfde leeftijd als de ambtenaar. Voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd
                                    geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig
                                    deel van het minimumloon in een volledige functie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor dezelfde
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de regel bepaald op
                                    hetzelfde salaris als in de oude functie. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor een hogere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de voor hem geldende
                                    nieuwe salarisschaal opnieuw bepaald. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor een lagere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris bepaald op het salaris in
                                    de oude functie, doch maximaal op het maximumsalaris in de
                                    nieuwe salarisschaal. Indien het salaris in de oude functie
                                    hoger is dan het maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal wordt
                                    de ambtenaar het verschil bij wijze van toelage toegekend. Deze
                                    toelage wordt als salaris aangemerkt. Het bepaalde in de eerste
                                    en tweede volzin is niet van toepassing indien de daar bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt aansluitend op een tijdelijke benoeming in
                                    een functie waarvoor een hogere salarisschaal gold en de
                                    ambtenaar bij die tijdelijke benoeming is medegedeeld dat de
                                    salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal
                                    gelden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt met toepassing van artikel E.7, op grond
                                    van artikel G.4, eerste lid, onderdeel d, of wegens
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan door ziekte wordt het salaris bepaald op
                                    basis van de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt op aanvraag van de ambtenaar wordt het
                                    salaris bepaald op basis van de nieuwe salarisschaal. Is de
                                    ambtenaar 55 jaar of ouder en op zijn aanvraag benoemd in een
                                    andere functie waarvoor een lagere salarisschaal geldt, dan
                                    blijft de pensioenopbouw gebaseerd op het salaris in de oude
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een hogere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris doch minimaal op het
                                    minimumsalaris in de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een lagere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris, doch maximaal op het
                                    maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal. Indien het
                                    laatstelijk genoten salaris hoger is dan het maximumsalaris in
                                    de nieuwe salarisschaal wordt de ambtenaar het verschil bij
                                    wijze van toelage toegekend. Deze toelage wordt als salaris
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met
                                    toepassing van artikel C.5, vijfde lid, tweede volzin, is
                                    bepaald op de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal wordt het salaris bepaald op het minimumsalaris in
                                    de voor hem geldende nieuwe salarisschaal. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude salarisschaal
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.7</nr><titel>Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                                    functioneren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten verhogen het op grond van artikel C.6
                                    bepaalde salaris van de ambtenaar die het maximumsalaris van de
                                    voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt,
                                    met:</al><lijst><li nr="a."><al>1% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren niet
                                            geheel aan de gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="b."><al>3% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren aan de
                                            gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="c."><al>4% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in ruime mate overtreft;</al></li><li nr="d."><al>6% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in uitzonderlijke mate overtreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Is het verschil tussen het salaris van de ambtenaar en het
                                    maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal minder dan
                                    de in het eerste lid genoemde 1%, onderscheidenlijk 3%, 4% en 6%
                                    van het maximumsalaris, dan verhogen gedeputeerde staten het
                                    salaris, indien is voldaan aan de in het eerste lid genoemde
                                    voorwaarden, tot het bedrag van het maximumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing over verhoging van het salaris op grond van dit
                                    artikel nemen gedeputeerde staten telkens na een periode van in
                                    de regel 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.8</nr><titel>Salaris bij deeltijdfuncties</titel></kop><al>Het salaris van de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt
                                vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou
                                gelden bij een volledige functie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.8a</nr><titel>Salaris bij aanstelling op grond van de baneaafspraak</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel C.5, eerste en tweede lid, geldt
                                        salarisschaal A in bijlage 2 van deze regeling voor de
                                        ambtenaar die een aanstelling krijgt omdat hij onder de
                                        Participatiewet valt en door beperkingen niet zelfstandig
                                        het wettelijk minimumloon kan verdienen of omdat hij een
                                        indicatie heeft op basis van de Wet Sociale
                                        Werkvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaar geldt dat het
                                        schaalbedrag vermenigvuldigd met de loonwaarde maximaal het
                                        wettelijk minimumloon mag zijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel C.6, eerste lid, geldt voor de
                                        ambtenaar die een aanstelling krijgt omdat hij WAJONG-er is
                                        met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder
                                        dan 100% is vastgesteld, dat hij recht heeft op het door
                                        zijn loonwaarde bepaalde percentage van het salaris. </al></li><li nr="4."><al>Op het in het derde lid door loonwaarde bepaalde salaris is
                                        artikel C.6, tweede lid niet van toepassing als betrokkene
                                        in aanmerking komt voor loondispensatie.</al></li><li nr="5."><al>Voor de in dit artikel bedoelde ambtenaar geldt niet de
                                        minimumvakantieuitkering per maand genoemd in bijlage 2 van
                                        deze regeling; deze ambtenaar heeft wel recht op 8%
                                        vakantietoeslag als onderdeel van zijn IKB op grond van
                                        artikel C.17.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Variabele beloning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.9</nr><titel>Incidentele beloning van prestaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar kennen gedeputeerde staten, indien zijn
                                    werkresultaten blijkens een beoordeling de gestelde eisen in
                                    ruime, onderscheidenlijk uitzonderlijke mate overtreffen, een
                                    eenmalige uitkering toe van 3%, onderscheidenlijk 7% van het
                                    salaris over de periode waarop de beoordeelde werkresultaten
                                    betrekking hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing over toekenning van een eenmalige uitkering als
                                    bedoeld in dit artikel wordt telkens genomen na een periode van
                                    in de regel 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkresultaten
                                    verstaan resultaten met betrekking tot de werkzaamheden waarover
                                    in het in artikel F.7 bedoelde planningsgesprek afspraken zijn
                                    gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.10</nr><titel>Incidentele beloning van extra inzet</titel></kop><al>Aan de ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige
                                beloning worden toegekend bij extra inzet of voor het verrichten van
                                niet geplande activiteiten. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.11</nr><titel>Toelage waarneming andere functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk in opdracht een andere functie
                                    waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, volledig
                                    waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toelage.
                                    Geen toelage wordt toegekend bij waarneming vanwege
                                    vakantieverlof, tenzij dit avakantieverlof betreft dat krachtens
                                    een spaarregeling is gespaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts
                                    toegekend wanneer de waarneming een periode van ten minste een
                                    maand heeft geduurd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris dat voor
                                    de ambtenaar zou hebben gegolden in de bij de waargenomen
                                    functie behorende salarisschaal en een bedrag naar evenredigheid
                                    daarvan over perioden waarin niet een volle maand is
                                    waargenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een gedeeltelijke waarneming in de zin van dit artikel kan
                                    aan de ambtenaar een toelage worden toegekend die in verhouding
                                    staat tot de aard en de omvang van de waargenomen
                                    werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.12</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die, anders dan bij wijze van overwerk, in
                                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere
                                    tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18
                                    uur, wordt een toelage toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor
                                    de ambtenaar geldende salaris per uur en wel</al><lijst><li nr="a."><al>20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6
                                            en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;</al></li><li nr="b."><al>40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0
                                            en 6 uur en tussen 22 en 24 uur en voor de uren op
                                            zaterdag;</al></li><li nr="c."><al>65% voor de uren op zondag, de feestdagen, genoemd in
                                            artikel D.1, derde lid, en andere daarmee door
                                            gedeputeerde staten gelijkgestelde dagen; met dien
                                            verstande dat genoemde percentages worden berekend over
                                            ten hoogste het maximumsalaris per uur in salarisschaal
                                            6.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde morgen- en
                                    avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid
                                    is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten
                                    bepalen dat voor een groep van ambtenaren de in dat lid genoemde
                                    percentages worden berekend over een voor alle ambtenaren van
                                    deze groep gelijk salarisbedrag per uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen gedeputeerde
                                    staten voor de ambtenaar een vaste toelage vaststellen,
                                    onderscheidenlijk voor een groep van ambtenaren een voor alle
                                    ambtenaren van die groep gelijke vaste toelage vaststellen,
                                    zulks rekening houdend met het bepaalde in het tweede, derde en
                                    vierde lid, de geldende werktijdregeling en de mate waarin en de
                                    wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden
                                    afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen
                                    voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg
                                    heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.13</nr><titel>Afbouw toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten
                                    zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als
                                    bedoeld in artikel C.12 een blijvende verlaging ondergaat, welke
                                    ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de
                                    toelagen, bedoeld in de artikelen C.14 en C.15, wordt een
                                    aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage,
                                    direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde
                                    beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren
                                    zonder onderbreking van langer dan 2 maanden heeft genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is, onder gelijke voorwaarden,
                                    ook van toepassing als de in dat lid bedoelde beëindiging of
                                    vermindering het gevolg is van:</al><lijst><li nr="a."><al>een medisch advies van de arbodienst;</al></li><li nr="b."><al>vrijwillige benoeming in een andere functie op grond van
                                            de artikelen B.5 en B.6, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>vrijstelling van continudiensten in de nachturen van een
                                            ambtenaar van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aflopende toelage wordt toegekend voor een periode, gelijk
                                    aan een kwart van die waarin de ambtenaar, direct voorafgaande
                                    aan het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging
                                    of vermindering, zonder onderbreking van langer dan 2 maanden de
                                    toelage, bedoeld in artikel C.12, heeft genoten. De aldus
                                    berekende periode wordt naar boven afgerond op een maand. De
                                    aflopende toelage wordt toegekend voor een periode van maximaal
                                    3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De overeenkomstig het derde lid berekende periode wordt in drie
                                    gelijke delen gesplitst waarbij, zo nodig, in de eerste twee
                                    deelperioden afronding naar boven op een maand plaatsvindt,
                                    zonder dat hierdoor de totale periode wordt overschreden.
                                    Gedurende bedoelde drie deelperioden bedraagt de aflopende
                                    toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de
                                    desbetreffende maand van toepassing zijnde, in het vijfde lid
                                    bepaalde berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De berekeningsbasis, bedoeld in het vierde lid, is het bedrag
                                    dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan
                                    het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging of
                                    vermindering, gemiddeld per maand aan toelage op grond van
                                    artikel C.12 heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij
                                    daarna in totaal per maand gaat genieten aan toelage op grond
                                    van artikel C.12 en aan verhoging van de bezoldiging, anders dan
                                    wegens algemene salarisverhogingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval er sprake is van een algemene salariswijziging wordt
                                    voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                    fictieve wijziging van de in het vijfde lid bedoelde bedragen,
                                    zulks tot het percentage van deze algemene
                                    salariswijziging.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aflopende toelage kan met instemming van de ambtenaar worden
                                    afgekocht door een uitkering ineens.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar van 60
                                    jaar of ouder wordt, onder gelijke voorwaarden, een blijvende
                                    toelage toegekend van 100% van de in het vijfde lid bepaalde
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De aflopende toelage die op grond van dit artikel is toegekend
                                    gaat, zodra de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt, over
                                    in een blijvende toelage als bedoeld in het achtste lid. De in
                                    de vorige volzin bedoelde blijvende toelage bedraagt, in
                                    afwijking van het bepaalde in het achtste lid, het percentage
                                    van de berekeningsbasis dat voor de berekening van de aflopende
                                    toelage ingevolge het vierde lid laatstelijk op hem van
                                    toepassing was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.14</nr><titel>Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan om redenen van
                                    werving of behoud onder nader te bepalen voorwaarden hetzij een
                                    toelage, hetzij een bindingspremie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een
                                    tevoren vastgestelde periode van maximaal 3 jaren. Deze periode
                                    kan telkens voor maximaal 3 jaren worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per maand ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris doch nooit meer dan het verschil
                                    tussen dit salaris en het maximumsalaris dat hij zou hebben
                                    genoten in de naast hogere salarisschaal. De toelage wordt in de
                                    regel maandelijks uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie wordt toegekend en
                                    uitbetaald na een tevoren vastgestelde periode van ten minste 3
                                    jaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie bedraagt ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris over de in het vierde lid bedoelde
                                    periode doch nooit meer dan het verschil tussen dit salaris en
                                    het maximumsalaris dat hij over die periode in de naast hogere
                                    salarisschaal zou hebben genoten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat aan de ambtenaar die niet
                                    heeft kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde
                                    voorwaarden door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak de
                                    toelage, onderscheidenlijk bindingspremie gedeeltelijk wordt
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                    regels stellen en bepalen de groepen van ambtenaren aan wie de
                                    in het eerste lid bedoelde toelage en bindingspremie kan worden
                                    toegekend nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg
                                    heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.15</nr><titel>Toelage op andere gronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen aan groepen van ambtenaren op andere
                                    gronden dan die, vermeld in de artikelen C.11 tot en met C.14,
                                    een toelage toekennen overeenkomstig de daartoe door hen vast te
                                    stellen algemeen verbindende voorschriften. Over deze algemeen
                                    verbindende voorschriften vindt overleg plaats met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel overeenkomstig hoofdstuk
                                    I.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar een toelage
                                    worden toegekend op andere gronden dan die, vermeld in de
                                    artikelen C.11 tot en met C.14 en artikel C.15, eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Individueel Keuzebudget (IKB)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.16</nr><titel>IKB algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar is er een IKB. Gedeputeerde staten zijn
                                    beheerder van het IKB</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het IKB omvat een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de
                                    ambtenaar naar keuze kan aanwenden voor de doelen, genoemd in
                                    artikel C.18, een en ander op de wijze en onder de voorwaarden
                                    als bepaald in deze paragraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.17 Opbouw IKB</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand als
                                    volgt opgebouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>met 8% de door de ambtenaar in die maand genoten
                                            bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag niet
                                            lager kan zijn dan de minimumvakantie-uitkering per
                                            maand, genoemd in de in artikel C.4, eerste lid,
                                            bedoelde bijlage 2, onderscheidenlijk dan een bedrag
                                            naar rato hiervan bij een niet volledige arbeidsduur of
                                            bij genot van slechts een deel van de bezoldiging; </al></li><li nr="b."><al>met 8,3% de ambtenaar in die maand genoten salaris;
                                        </al></li><li nr="c."><al>met 3,4%an het in die maand genoten salaris voor de
                                            ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt die lager is
                                            dan schaal 14 en met 2,85% ambtenaar voor wie een
                                            salarisschaal geldt die gelijk is aan of hoger dan
                                            schaal 14.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het niet pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand
                                    opgebouwd met 1,92% van het door de ambtenaar in die maand
                                    genoten salaris. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 5 van
                                    de IKAP-regeling provincies wordt maandelijks opgenomen in het
                                    pensioengevend deel van het IKB op basis van het gemiddelde
                                    aantal meer te werken uren per maand gedurende de periode dat de
                                    ambtenaar meer uren werkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvraag van de ambtenaar kunnen gedeputeerde staten vaste
                                    maandelijkse toelagen opnemen in het pensioengevend deel van het
                                    IKB. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.18</nr><titel>Aanwending IKB</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het IKB aanwenden voor één of meer van de
                                    volgende doelen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de bestemmingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                                            van de IKAP-regeling provincies, overeenkomstig het
                                            bepaalde in die regeling;</al></li><li nr="b."><al>voor bruto inkomen in de maand zelf en/of in de daarop
                                            volgende maand of maanden;</al></li><li nr="c."><al>voor extra verlof overeenkomstig het bepaalde in de
                                            IKAP-regeling provincies;</al></li><li nr="d."><al>voor het sparen in het kader van de Levensloopregeling,
                                            met in achtneming van het bepaalde in die regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Keuzes, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, kan de
                                    ambtenaar maken tot de maandelijkse sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking. Hij heeft voor deze keuzes geen toestemming
                                    nodig. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Keuzes kunnen alleen worden gemaakt voor zover het IKB
                                    toereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Keuzes mogen uitsluitend betrekking hebben op hetzelfde
                                    kalenderjaar. Er mag geen budget uit het IKB worden overgeheveld
                                    naar het volgende kalenderjaar. Het bedrag dat in december van
                                    het kalenderjaar nog in het IKB zit wordt in die maand
                                    uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het extra verlof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hoeft
                                    niet in hetzelfde kalenderjaar te worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Maakt de ambtenaar vóór de sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking geen keuze dan wordt het niet aangewende deel
                                    van het IKB dezelfde kalendermaand automatisch uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bedragen die uit uit het IKB zijn opgenomen kunnen niet meer
                                    worden teruggestort in het IKB. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.19</nr><titel>Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het dienstverband eindigt wordt het nog beschikbare
                                    budget uit het IKB bij de laatste salarisbetaling aan de
                                    ambtenaar uitbetaald</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij overlijden van de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel B.15,
                                            tweede lid, het budget uit het IKB waarover nog niet is
                                            beschikt, uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>vindt geen verrekening plaats voor zover IKB is ingezet
                                            voor de in artikel C.18, eerste lid, onderdeel a,
                                            bedoelde bestemmingen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.20</nr><titel>Fiscale en andere wet- en regelgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De provincie draagt zorg voor informatie over gevolgen van
                                    keuzes voor in ieder geval de loonheffingen, het pensioen en de
                                    sociale verzekeringen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gevolgen van gemaakte keuzes zijn voor rekening van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien achteraf blijkt dat door onjuiste of onvolledige
                                    informatie vanwege de ambtenaar ten onrechte bij de ambtenaar
                                    geen heffing van loonbelasting en premies volksverzekering heeft
                                    plaatsgevonden, wordt deze verschuldigde heffing, vermeerderd
                                    met eventuele boetes, op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
                                    verhaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien wijziging van fiscale wet- en regelgeving van invloed is
                                    op de inhoud of de werking van de regeling van het IKB zullen
                                    vervallen netto voordelen voor ambtenaren niet worden
                                    gecompenseerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Uitkering en gratificatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.21</nr><titel>Eenmalige uitkering</titel></kop><al>De ambtenaar kan op grond van afspraken in het SPA een eenmalige
                                uitkering worden toegekend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.22</nr><titel>Gratificatie ambtsjubileum</titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vast inzake het
                                recht op een gratificatie wegens ambtsjubileum. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Vergoedingen voor extra diensten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.23</nr><titel>Vergoeding voor overwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die in opdracht overwerk verricht wordt een
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de voor de ambtenaar
                                    geldende werktijden, voor zover daardoor het voor hem
                                    vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden. Arbeid als
                                    bedoeld in de eerste volzin wordt niet als overwerk aangemerkt,
                                    indien die is verricht ter voldoening aan de verplichtingen op
                                    grond van artikel B.7.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur onmiddellijk
                                    voor het begin of onmiddellijk na het einde van de voor de
                                    ambtenaar vastgestelde werktijd wordt verricht wordt geen
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergoeding voor overwerk bestaat uit</al><lijst><li nr="a."><al>verlof gedurende een periode, gelijk aan het aantal uren
                                            van het overwerk; en</al></li><li nr="b."><al>een bedrag in geld dat voor elk uur overwerk een
                                            percentage is van het voor de ambtenaar geldende salaris
                                            per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de leidinggevende het dienstbelang
                                    zich verzet tegen het toekennen van verlof wordt in plaats van
                                    verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend, gelijk aan
                                    het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het vierde lid, onderdeel b, genoemde percentage bedraagt
                                    voor overwerk, verricht op</al><lijst><li nr="a."><al>zondag, de feestdagen, genoemd in artikel D.1, derde
                                            lid, en andere daarmee door gedeputeerde staten
                                            gelijkgestelde dagen, alsmede op de dag, volgende op een
                                            van voorgaande dagen, tussen 0 en 6 uur: 100%;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 18 en 24 uur:
                                            75%;</al></li><li nr="c."><al>zaterdag tussen 6 en 18 uur: 50%;</al></li><li nr="d."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 20 en 24 uur:
                                            50%;</al></li><li nr="e."><al>dinsdag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur: 50%;</al></li><li nr="f."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 6 uur en het tijdstip,
                                            gelegen 2 uur voor het begin van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd: 50%;</al></li><li nr="g."><al>maandag tot en met vrijdag tussen het tijdstip, gelegen
                                            tussen 2 uur na het einde van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd en 20 uur: 50%;</al></li><li nr="h."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 20 uur, behoudens
                                            de uren, bedoeld in de onderdelen f en g: 25%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor de vaststelling van de duur van het overwerk gelden de uren
                                    waarop verlof is genoten als uren waarop is gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen voor werkzaamheden die ambtenaren met
                                    een verschillende bezoldiging en eventueel verschillende
                                    functies tezamen en gelijktijdig in overwerk moeten verrichten
                                    een gelijke, naar hun oordeel redelijke vergoeding
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar die regelmatig
                                    overwerk moet verrichten, een vaste vergoeding toekennen.
                                    Gedurende de tijd dat de ambtenaar geen of een gedeelte van zijn
                                    bezoldiging geniet wordt de in de eerste volzin bedoelde
                                    vergoeding niet, onderscheidenlijk naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar voor wie een hogere
                                    salarisschaal geldt dan salarisschaal 10, in bijzondere gevallen
                                    voor overwerk een door hen te bepalen vergoeding toekennen,
                                    indien en naarmate dit naar hun oordeel, gelet op de aard of de
                                    omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan,
                                    redelijk is te achten.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                    regels vaststellen nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel. Zij kunnen in bijzondere gevallen een
                                    regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of
                                    daarvan afwijkt.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De vergoeding in geld voor overwerk is pensioengevend inkomen in
                                    de zin van het pensioenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>C.24</nr><titel>Vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk</titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vaststellen
                                inzake het recht op een vergoeding voor andere extra diensten dan
                                overwerk. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>D</nr><titel>ARBEIDSDUUR, WERKTIJDEN EN VERLOF</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.1</nr><titel>Arbeidsduur.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten bepalen de arbeidsduur voor de ambtenaar met
                                    inachtneming van de uitkomsten van het overleg met de
                                    organisaties van overheidspersoneel in het SPA.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een volledige
                                    functie is daarbij gelijk aan het aantal kalenderdagen per jaar,
                                    verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
                                    zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2
                                    uur per dag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder feestdagen worden verstaan de nieuwjaarsdag, de tweede
                                    paasdag, Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag, de beide
                                    kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Kkoning wordt
                                    gevierd en - eenmaal in de vijf jaar in lustrumjaren - 5
                                    mei.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt evenredig aan het deeltijdpercentage
                                    bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten, wordt de arbeidsduur van de ambtenaar op aanvraag
                                    bepaald op meer dan die in een volledige functie als bedoeld in
                                    het tweede lid. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per
                                    week. De aanspraken bij of krachtens deze regeling die zijn
                                    gerelateerd aan de arbeidsduur, worden bepaald naar
                                    evenredigheid ten opzichte van de arbeidsduur in een volledige
                                    functie als bedoeld in het tweede lid. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.2</nr><titel>Werktijdenregelingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen een algemene werktijdenregeling vast
                                    nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet
                                    op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde onderdelen van de
                                    organisatie of voor bepaalde functies een bijzondere
                                    werktijdenregeling vaststellen nadat met inachtneming van de
                                    bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden
                                    daarover overleg met de ondernemingsraad heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van de in het eerste of
                                    tweede lid vastgestelde werktijdenregeling met de ambtenaar een
                                    individuele werktijdenregeling afspreken, daaronder begrepen een
                                    werktijdenregeling voor een langere periode dan één
                                    kalenderjaar, waarbij de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur
                                    wordt berekend naar evenredigheid van de langere periode. De
                                    afgesproken individuele werktijdenregeling wordt schriftelijk
                                    vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De werktijdenregelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde
                                    lid, worden zodanig vastgesteld, dat een goede bedrijfsvoering
                                    is gewaarborgd en dat, zo mogelijk, wordt rekening gehouden met
                                    de individuele wensen en arbeidsomstandigheden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                            geldende werktijden;</al></li><li nr="b."><al>zich buiten de voor hem geldende werktijden ter
                                            beschikking te houden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.3</nr><titel>Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat met inachtneming van de Wet op
                                    de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden, elk jaar maximaal 7 werkdagen aanwijzen
                                    als collectieve roostervrije dagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is 5 mei een
                                    collectieve roostervrije dag in jaren dat deze op een werkdag
                                    valt en niet op grond van artikel D.1, derde lid, als feestdag
                                    wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.4</nr><titel>Bijzondere bepalingen ten aanzien van de werktijd van oudere
                                    ambtenaren</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar van 55 jaar of ouder
                                        geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van continudiensten in de
                                        nachturen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Vakantieverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.5</nr><titel>Aanspraak op vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft per kalenderjaar aanspraak op 144 uren
                                    vakantieverlof met behoud van de volle bezoldiging. Voor de
                                    ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt de aanspraak op
                                    vakantieverlof bepaald evenredig aan het deeltijdpercentage</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij aanvang of einde van het dienstverband in de loop van het
                                    kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantieverlof vastgesteld
                                    naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd wordt de
                                    aanspraak op vakantieverlof over het eventueel resterende deel
                                    van het kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met
                                    de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.6</nr><titel>Vermindering en verval van aanspraak op
                                    vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking
                                    van de voor hem geldende werktijdregeling geen arbeid,
                                    onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht heeft hij geen
                                    aanspraak op vakantieverlof verlof, onderscheidenlijk aanspraak
                                    op verlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd
                                    waarop de arbeid volgens de werktijdregeling is verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of
                                    gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens:</al><lijst><li nr="a."><al>genoten vakantieverlof;</al></li><li nr="b."><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
                                            artikel D.11;</al></li><li nr="c."><al>buitengewoon verlof van korte duur op grond van de
                                            artikelen D.12 en D.13 en op grond van de Wet op de
                                            ondernemingsraden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de
                                    ambtenaar over de uren waarop hij met recht op gehele of
                                    gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte geen
                                    arbeid verricht, aanspraak op vakantieverlof overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel D.5</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanspraak op akantieverlof vervalt 12 maanden na de laatste
                                    dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan, tenzij
                                    de ambtenaar tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat
                                    is geweest om dit vakantieverlof op te nemen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanspraak op vakantieverlof dat niet ingevolge het vierde lid
                                    vervalt, vervalt na verloop van 5 jaren na de laatste dag van
                                    het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.7</nr><titel>Opnemen van het vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het vakantieverlof waarop hij aanspraak heeft
                                    opnemen, tenzij hem daarvoor om redenen van dienstbelang geen
                                    toestemming is verleend. De ambtenaar meldt het voornemen om
                                    algemeen verlof op te nemen tijdig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar neemt het vakantieverlof als regel op in het
                                    kalenderjaar waarop het betrekking heeft en als regel zodanig
                                    dat hij in ieder geval 2 weken aaneengesloten vrij van dienst
                                    is. Niet opgenomen vakantieverlof wordt in het volgende
                                    kalenderjaar opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld per kalenderjaar
                                    het voor dat jaar geldende vakantieverlof op te nemen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, in de gelegenheid gesteld vakantieverlof op
                                    te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof
                                    en/of culturele achtergrond, anders dan de dagen genoemd in
                                    artikel D.1, derde lid, bij het huwelijk en geregistreerd
                                    partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede
                                    graad, bij verhuizing en bij overlijden van bloed- en
                                    aanverwanten in de derde en vierde graad van de ambtenaar of
                                    diens partner.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dat
                                    noodzakelijk maken kan de aan de ambtenaar verleende toestemming
                                    om vakantieverlof op te nemen, worden ingetrokken, zowel vóór
                                    als tijdens het vakantieverlof. Indien de ambtenaar ten gevolge
                                    van het intrekken van de toestemming om vakantieverlof op te
                                    nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.8</nr><titel>Vakantieverlof en ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk geen arbeid
                                        verricht worden bij het opnemen van vakantieverlof de uren
                                        voor de gehele arbeidsduur in mindering gebracht op het
                                        vakantieverlof.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, indien
                                        aan hem geen toestemming zou zijn verleend om vakantieverlof
                                        op te nemen, wegens ziekte op uren van het vakantieverlof
                                        verhinderd zou zijn geweest zijn arbeid te verrichten,
                                        worden die uren als niet opgenomen vakantieverlof
                                        aangemerkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.9</nr><titel>Vakantieverlof en einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor ieder uur vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen
                                    opnemen op de dag dat het dienstverband eindigt wordt hem een
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor ieder van die
                                    uren vakantieverlof gelijk aan het salaris per uur van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het dienstverband eindigt door overlijden van de
                                    ambtenaar wordt de in het eerste lid bedoelde vergoeding
                                    toegekend aan de nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel
                                    B.14, vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op de dag dat het dienstverband eindigt blijkt dat de
                                    ambtenaar, anders dan door toedoen van de provincie, teveel
                                    vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel
                                    genoten vakantieverlof een bedrag verschuldigd ten bedrage van
                                    het salaris per uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.10</nr><titel>Levensloop</titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen overeenkomstig de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken een levensloopregeling vast, met inachtneming van
                                het bepaalde ter zake bij en krachtens de Wet op de loonbelasting
                                1964, de Wet arbeid en zorg en de Wet inkomstenbelasting 2001.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Buitengewoon verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.11</nr><titel>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wet Arbeid en Zorg
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar van wie de partner tijdens het bevallingsverlof
                                    overlijdt, heeft op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht op het
                                    resterende bevallingsverlof met doorbetaling van de
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht
                                    een bedrag, gelijk aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en
                                    zorg waarop de ambtenaar gedurende het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als tijdig een
                                    aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.12</nr><titel>Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, recht op verlof van korte duur met behoud
                                    van bezoldiging bij huwelijk en geregistreerd partnerschap van
                                    de ambtenaar voor 1 dag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar behoudt het recht op bezoldiging voor een korte,
                                    naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij ten gevolge van
                                    een calamiteit verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
                                    Desgevraagd dient de ambtenaar aannemelijk te maken dat er
                                    daadwerkelijk sprake was van een calamiteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar aan wie op grond van artikel 3:2 van de Wet arbeid
                                    en zorg in verband met de adoptie van een kind of de opname van
                                    een pleegkind als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel
                                    d, van die wet, verlof is verleend behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging. Op de bezoldiging
                                    wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk
                                    aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg waarop hij
                                    gedurende de verlofperiode recht heeft of gehad zou hebben als
                                    tijdig een aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar aan wie op grond van artikel 5:1 van de Wet arbeid
                                    en zorg kortdurend zorgverlof is verleend, behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het kort betaald verzuimverlof op grond van artikel 4:1, eerste
                                    lid, juncto tweede lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg
                                    duurt bij het overlijden van</al><lijst><li nr="a."><al>de partner en bloed- en aanverwanten in de eerste graad:
                                            vier dagen;</al></li><li nr="b."><al>overige bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, bloed-
                                            en aanverwanten in de tweede graad van de zijlijn en
                                            huisgenoten, niet zijnde de partner of genoemde bloed-
                                            en aanverwanten: maximaal twee dagen, of, indien de
                                            ambtenaar is belast met de lijkbezorging, maximaal vier
                                            dagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.13</nr><titel>Buitengewoon verlof voor activiteiten van
                                    vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten worden
                                    per kalenderjaar ten hoogste 108 uren buitengewoon verlof met
                                    behoud van de volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van
                                    vergaderingen van statutaire organen van de in artikel I.1,
                                    tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel en
                                    van centrale organisaties en internationale
                                    ambtenarenorganisaties, waarbij deze vakorganisaties zijn
                                    aangesloten, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover het betreft vergaderingen van vakorganisaties
                                            van overheidspersoneel, als bestuurslid van die
                                            vakorganisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
                                            van een onderdeel daarvan;</al></li><li nr="b."><al>voor zover het betreft vergaderingen van centrale
                                            organisaties, waarbij de vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van
                                            die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het betreft vergaderingen van een
                                            internationale ambtenarenorganisatie, waarbij de
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten,
                                            als bestuurslid van deze internationale
                                            ambtenarenorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    per kalenderjaar tot ten hoogste 187,2 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar
                                    die door een van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel is aangewezen om
                                    bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                    ontplooien binnen zijn vakorganisatie dan wel binnen het
                                    provinciaal apparaat. De door de ambtenaar te verrichten
                                    activiteiten dienen de doelstellingen van zijn vakorganisatie
                                    van overheidspersoneel te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een in artikel
                                    I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    - als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat
                                    dit verlof ten hoogste 50,4 uren per 2 kalenderjaren
                                    bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verlof, verleend op grond van het eerste, tweede en derde
                                    lid, bedraagt tezamen ten hoogste 216 uren per kalenderjaar, met
                                    dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof per kalenderjaar
                                    worden verleend aan een lid van het hoofdbestuur van een in
                                    artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel of van een centrale organisatie waarbij die
                                    vakorganisatie is aangesloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het verlof,
                                    bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bepaald evenredig
                                    aan het deeltijdpercentage.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, wordt
                                    slechts verleend aan de ambtenaar die lid is van een in artikel
                                    I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    voor deelname aan het in artikel I.1 bedoelde overleg als
                                    vertegenwoordiger van de vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    en aan het daartoe noodzakelijke vooroverleg van de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.14</nr><titel>Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de
                                    bezoldiging, toeslagen, toelagen, uitkeringen en
                                    vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet
                                    aanspraak heeft op inkomsten - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat
                                    hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een
                                    inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan
                                    worden te ontvangen als inkomsten over de met het verlof
                                    overeenkomende tijd niet te boven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.15</nr><titel>Kapstokbepaling buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen
                                bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen
                                voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle
                                of gedeeltelijke bezoldiging en op door hen te bepalen wijze.
                                Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar ook anders dan op aanvraag
                                buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging
                                verlenen als daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.16</nr><titel>Langdurend onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan gedeputeerde staten verzoeken om onbetaald
                                    verlof te verlenen voor de volledige arbeidsduur of voor een
                                    deel daarvan. Het verlof wordt ten minste drie maanden tevoren
                                    aangevraagd. De aanvraag bevat in ieder geval de datum waarop
                                    het verlof ingaat, het aantal op te nemen uren verlof en de
                                    verdeling daarvan over de weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verlof bedraagt minimaal acht aaneengesloten weken. De
                                    maximumduur wordt in overleg tussen de ambtenaar en zijn
                                    leidinggevende vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kennen het aangevraagde verlof toe, tenzij
                                    de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de ambtenaar besluiten
                                    dat het verlof op grond van onvoorziene omstandigheden niet
                                    wordt opgenomen of niet wordt voortgezet. Zij kunnen het verzoek
                                    afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich
                                    hiertegen verzet. Aan dit verzoek hoeft niet eerder gevolg
                                    gegeven te worden dan vier weken na het verzoek. In het geval
                                    dat het verlof met toepassing van de eerste volzin na het
                                    tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het
                                    recht op het overige deel van het verlof.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verlof wordt bij samenloop voor de duur van het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie
                                    die hij bij aanvang van dat verlof vervulde.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>D.17</nr><titel>Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Over de opgenomen uren van het in artikel D.16 bedoelde
                                    onbetaald verlof heeft geen opbouw van vakantieverlof en IKB
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    D.16 behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op een tegemoetkoming
                                    in de ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde
                                    tegemoetkoming bestaat over de uren van onbetaald verlof geen
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toelagen,
                                    uitkeringen en vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De op grond van het pensioenreglement verschuldigde
                                    pensioenpremie over de periode van onbetaald verlof komt
                                    gedurende de eerste zes maanden voor rekening van de provincie
                                    en de ambtenaar overeenkomstig de standaardverdeling van de
                                    pensioenpremie tussen werkgever en werknemer en daarna volledig
                                    voor rekening van de ambtenaar. Bij onbetaald verlof, direct
                                    voorafgaand aan (a) ontslag wegens het bereiken van de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd, of (b) volledig ontslag voorafgaand
                                    aan ABP-keuzepensioen, komt de verschuldigde pensioenpremie
                                    vanaf het begin van dit verlof volledig voor rekening van de
                                    ambtenaar,</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid, eerste volzin,
                                    is van overeenkomstige toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6
                                            van de Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="b."><al>onbetaald langdurend zorgverlof als bedoeld in afdeling
                                            2 van hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>E</nr><titel>GEZONDHEID EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten sluiten een overeenkomst met een arbdienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, regels met
                                betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen inzake ziek- en
                                hersteldmelding daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.2</nr><titel>Keuring bij aanstelling of functiewijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, een lijst vast
                                met functies, waarvoor op grond van bijzondere eisen op het punt van
                                medische geschiktheid een medische keuring bij aanstelling of
                                functiewijziging is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de medische keuring, bedoeld in het eerste lid is
                                tevens van toepassing het Protocol Aanstellingskeuringen van de
                                Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der
                                Geneeskunst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.3</nr><titel>Verplichte periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige
                                onderzoeken</titel></kop><al>Een ambtenaar die is belast met een functie, vermeld op de lijst,
                            bedoeld in het eerste lid van artikel E.2, ondergaat periodiek een
                            gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.4</nr><titel>Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                                onderzoeken</titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar verplichten een
                            arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar hun oordeel gegronde redenen bestaan voor twijfel
                                    aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de
                                    volledige geschiktheid van de ambtenaar voor het verrichten van
                                    zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
                                    aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden
                                    geacht voor de vervulling van een andere functie;</al></li><li nr="c."><al>indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft
                                    gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor
                                    ingevolge de Wet publieke gezondheid een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt;</al></li><li nr="d."><al>ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het
                                    tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te
                                    verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag
                                    verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt
                                    geacht;</al></li><li nr="e."><al>om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                    het eerste lid, onderdelen a en b van artikel E.9;</al></li><li nr="f."><al>om te beoordelen of een ambtenaar die wegens ziekte volledig
                                    ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
                                    hervatten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.5</nr><titel>Medisch advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De arbodienst brengt naar aanleiding van een
                                arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3
                                en E.4 een medisch advies uit aan gedeputeerde staten. De ambtenaar
                                ontvangt zo spoedig mogelijk een afschrift van het medisch
                                advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar het niet eens is met het medisch advies kan hij </al><al>het UWV verzoeken ter zake een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, eerste lid en derde lid, onderdelen a en b, van de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.6</nr><titel>Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar op advies van de abodienst
                                buiten dienst stellen, indien na een onderzoek als bedoeld in de
                                artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de ambtenaar lichamelijk of
                                geestelijk in een zodanige toestand verkeert, dat hij zijn eigen
                                belangen, de belangen van de dienst of van derden die bij het
                                verrichten van de arbeid zijn betrokken, schaadt door zijn arbeid te
                                blijven verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid buiten dienst wordt
                                gesteld, wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het
                                verrichten van arbeid, in welk geval het bepaalde in en krachtens de
                                artikelen E.7, E.8 en E.9 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.7</nr><titel>Re-integratie van zieke ambtenaren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten bevorderen ten aanzien van de ambtenaar, die in
                                verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn
                                arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid binnen de
                                provinciale organisatie. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet
                                meer kan worden verricht en binnen de provinciale organisatie geen
                                andere passende arbeid voorhanden is, bevorderen gedeputeerde staten
                                gedurende het tijdvak waarin de ambtenaar jegens de provincie recht
                                op bezoldiging heeft op grond van de vierde afdeling van de
                                Ziektewet, artikel 71a, negende lid, van de WAO of artikel 25,
                                negende lid, van de WIA de inschakeling van de ambtenaar in voor hem
                                passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taak
                                treffen gedeputeerde staten zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen
                                en verstrekken zij zo tijdig mogelijk aanwijzingen als
                                redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te
                                verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende
                                arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taak
                                stellen gedeputeerde staten in overeenstemming met de ambtenaar een
                                plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de
                                WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak
                                wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo
                                nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in het derde
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al>passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen;</al></li><li nr="d."><al>de eigen arbeid te verrichten onder andere voorwaarden die
                                        in verband met de arbeidsongeschiktheid noodzakelijk
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.8</nr><titel>Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast met
                            betrekking tot de </al><al>aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar bij ziekte en
                            arbeidsongeschiktheid, de daarbij in acht te nemen verplichtingen en de
                            sancties bij het niet nakomen van die verplichtingen, met inachtneming
                            van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.9</nr><titel>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van
                                        twee jaar;</al></li><li nr="b."><al>herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
                                        maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar
                                        is te verwachten en</al></li><li nr="c."><al>het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om
                                        de ambtenaar binnen de organisatie van de provincie andere
                                        passende arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar
                                        geweigerd heeft andere passende arbeid te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen
                                afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de
                                zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf
                                het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het
                                bevallingsverlof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld:</al><lijst><li nr="a."><al>indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
                                        weken opvolgen; of</al></li><li nr="b."><al>indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door
                                        zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode
                                        vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van
                                        het bevallingsverlof; of</al></li><li nr="c."><al>indien een in onderdeel b bedoelde afwezigheid wordt
                                        voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van
                                        arbeidsgeschiktheid die in totaal minder dan vier weken
                                        bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                wordt verlengd met de duur van:</al><lijst><li nr="a."><al>de vertraging indien de aangifte, bedoeld in artikel 64,
                                        eerste lid, van de WIA later wordt gedaan dan in of op grond
                                        van dat artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al>het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is van
                                een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
                                betrekken gedeputeerde staten de uitslag van de claimbeoordeling op
                                grond van de WIA en een eventueel door gedeputeerde staten of de
                                ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel door het UWV.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de
                                WIA voor meer dan 65% arbeidsgeschikt is verklaard wordt na afloop
                                van de in het eerste lid bedoelde termijn geen ontslag verleend op
                                grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Ontslag
                                als bedoeld in de eerste volzin, kan niet eerder worden verleend dan
                                na één jaar na de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde periode
                                van twee jaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar die door het UWV arbeidsgeschikt is verklaard voor
                                minder dan het aantal uren waarvoor hij is aangesteld en die bij de
                                provincie zijn arbeid blijft of andere passende arbeid gaat
                                verrichten voor minder uren kan ontslag op grond van dit artikel
                                slechts worden verleend voor het aantal uren dat het verschil vormt
                                tussen de oude en de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.10</nr><titel>Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan
                                met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen
                                toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen tenzij de
                                abodienst daartoe toestemming heeft verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste mededeling te doen aan
                                de abodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege de Arbo-dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.11</nr><titel>Collectieve overeenkomst zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten sluiten met een of meer zorgverzekeraars ten
                                behoeve van de ambtenaar en zijn gezinsleden een overeenkomst als
                                bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde overeenkomst regelt in ieder geval het
                                geldelijk voordeel voor de op grond van de Zorgverzekeringswet
                                verplichte zorgverzekering en voor de aanvullende
                                zorgverzekering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan mede betrekking
                                hebben op de gewezen ambtenaar aan wie ontslag uit provinciale
                                dienst is verleend met recht</al><lijst><li nr="a."><al>op een wettelijke uitkering wegens volledige en duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid; of </al></li><li nr="b."><al>op ouderdomspensioen ten laste van het ABP dan wel op een
                                        FPU-uitkering;en op de gezinsleden van de onder a en b
                                        bedoelde gewezen ambtenaar. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.12</nr><titel>Tegemoetkoming in de ziektekosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming in
                                de ziektekosten. De tegemoetkoming bedraagt voor de ambtenaar voor
                                wie een salarisschaal geldt</al><lijst><li nr="a."><al>die lager is dan salarisschaal 7: € 25,46 per maand (bedrag
                                        per 1-4-2016);</al></li><li nr="b."><al>die gelijk is aan of hoger dan salarisschaal 7: € 16,37 per
                                        maand (bedrag per 1-4-2016).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het salaris van het provinciepersoneel een algemene wijziging
                                ondergaat worden de bedragen van de tegemoetkoming, bedoeld in het
                                eerste lid, tweede volzin, overeenkomstig gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.13</nr><titel>Ziektekosten bij dienstongeval of beroepsziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval van dienstongevallen of beroepsziekten worden de ambtenaar
                                vergoed te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van gedeputeerde
                                staten noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                                verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor vergoeding komen, tenzij gedeputeerde staten in bijzondere
                                gevallen anders bepalen, niet in aanmerking, de kosten die ten laste
                                van de ambtenaar blijven vanwege de aanvaarding van een eigen risico
                                in de op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte
                                zorgverzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.14</nr><titel>Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft wordt de
                            gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                            kolven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>E.15</nr><titel>Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten of
                                wegens het niet aanvragen van een uitkering op grond van de
                                WIA</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden
                                verleend indien hij zonder deugdelijke grond weigert of nalaat:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat
                                        te stellen de eigen of andere passende arbeid te
                                        verrichten;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA dan wel artikel 71a, tweede lid,
                                        van de WAO;</al></li><li nr="c."><al>passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alvorens een besluit tot ontslag op grond van het eerste lid te
                                nemen wordt het UWV verzocht een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan na afloop van de
                                in artikel E.9, eerste lid, bedoelde termijn ontslag worden verleend
                                indien hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd of nagelaten een
                                uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>F</nr><titel>OVERIGE RECHTEN EN PLICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.1</nr><titel>Integriteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht aan gedeputeerde staten opgave te doen van
                                de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                verrichten die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband
                                staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De gedane opgaven
                                worden door gedeputeerde staten geregistreerd. Van iedere ambtenaar
                                afzonderlijk die een functie vervult waarvoor een hogere
                                salarisschaal geldt dan salarisschaal 13 worden de ingevolge de
                                eerste volzin gemelde nevenwerkzaamheden openbaar gemaakt, met
                                vermelding van eventueel door gedeputeerde staten aan het verrichten
                                van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die in opdracht van gedeputeerde staten
                                nevenwerkzaamheden verricht die verband houden met de vervulling van
                                zijn functie, is verplicht de voor die werkzaamheden anders dan uit
                                de provinciale kas ontvangen vergoeding in de provinciale kas te
                                storten, tenzij gedeputeerde staten uitdrukkelijk anders hebben
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de provincie,
                                tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. De ambtenaar
                                is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald
                                omtrent aannemingen of leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn functie enige
                                bevoordeling te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij
                                daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Het aannemen van
                                steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden ten eigen bate of ten bate van
                                derden:</al><lijst><li nr="-"><al>diensten te laten verrichten door personen in dienst van de
                                        provincie;</al></li><li nr="-"><al>aan de provincie toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="-"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                        functie ter kennis is gekomen; tenzij daarvoor schriftelijk
                                        toestemming is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht bij zijn aanstelling de eed of belofte af
                                te leggen. Gedeputeerde staten stellen het formulier van de eed en
                                belofte vast. Indien de ambtenaar daartoe aan zijn godsdienstige
                                gezindheid de plicht ontleent, kan hij de eed afleggen op een wijze
                                die in overeenstemming is met zijn godsdienstige gezindheid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Gedeputeerde staten wijzen de ambtenaren aan die werkzaamheden
                                verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar
                                meldt gedeputeerde staten financiële belangen, alsmede het bezit van
                                en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover
                                deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.
                                Gedeputeerde staten voeren een registratie van op grond van de
                                tweede volzin gedane meldingen. De ambtenaar verstrekt nadere
                                informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen
                                of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor
                                naar het oordeel van gedeputeerde staten aanleiding bestaat op grond
                                van de melding of na de melding gebleken feiten of
                                omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
                                te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede
                                vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare
                                dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling,
                                niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, nadere regels stellen ter uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste tot en met negende lid.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De Regeling melden vermoeden van een misstand is vastgelegd in
                                Bijlage 3 van deze Regeling. Bijlage 3 is onderdeel van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.2</nr><titel>Dienstkleding en onderscheidingstekens</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de voor
                            die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding en
                            onderscheidingstekens te dragen en zich te houden aan de ter zake
                            vastgestelde voorschriften. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.3</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die bij de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden schade toebrengt aan de provincie of aan een derde
                                jegens wie de provincie tot vergoeding van schade gehouden is, is
                                hiervoor niet jegens de provincie aansprakelijk, tenzij de schade
                                een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de
                                omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de hem
                                opgedragen werkzaamheden, anders voortvloeien dan in de eerste
                                volzin is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen naar billijkheid de ambtenaar schade
                                vergoeden aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen zijnde, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                                lijdt ten gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de ambtenaar kan naar billijkheid schade worden vergoed aan een
                                hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij lijdt ten
                                gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden,
                                tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
                                        van de ambtenaar; of</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar dienstreizen met bedoeld motorrijtuig maakt
                                        over een totale afstand van 10.000 of meer kilometers
                                        gemiddeld per jaar en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                        gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                        kilometer; of</al></li><li nr="c."><al>hem geen toestemming is verleend voor het gebruik van
                                        bedoeld motorrijtuig.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.4</nr><titel>Kostenvergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van reis- en
                                verblijfkosten wegens dienstreizen met inachtneming van de hierover
                                in het SPA gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van
                                verhuiskosten en pensionkosten met inachtneming van de hierover in
                                het SPA gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, regels vaststellen inzake vergoeding van kosten voor
                                dienstkleding en onderscheidingstekens.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die in verband met zijn functievervulling andere
                                dan in het eerste, tweede en derde lid bedoelde kosten heeft moeten
                                maken, kan vergoeding in die kosten worden verleend met inachtneming
                                van door gedeputeerde staten te stellen regels waarover
                                overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden. P.M. Voorzieningen
                                woon/werk</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.5</nr><titel>Woonplaats</titel></kop><al>De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen nabij de
                            plaats van tewerkstelling, indien dit naar het oordeel van gedeputeerde
                            staten noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van de
                            functie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.6</nr><titel>Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien dit voor de goede vervulling van de functie nodig is kan de
                                ambtenaar worden verplicht te gaan wonen in de dienstwoning die hem
                                is aangewezen. De ambtenaar dient zich te gedragen naar de
                                voorschriften die ter zake van de bewoning en het gebruik zijn
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij draagt de onderhoudskosten van de dienstwoning die volgens de
                                wet en het plaatselijk gebruik normaal voor rekening van de huurder
                                zijn, tenzij met hem andere afspraken zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opzegging van de dienstwoning geschiedt ten minste drie maanden
                                tevoren. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen hiervan
                                afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.7</nr><titel>Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                                beoordeling)</titel></kop><al>Met de ambtenaar wordt periodiek een planningsgesprek, een
                            voortgangsgesprek en een evaluatie en beoordelingsgesprek gehouden.
                            Gedeputeerde staten stellen daartoe algemeen verbindende voorschriften
                            vast met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.8</nr><titel>Aanzuivering tekorten</titel></kop><al>De rekenplichtige ambtenaar is verplicht een tekort geheel of
                            gedeeltelijk aan te zuiveren, indien hem ter zake van dat tekort een
                            ernstig verwijt kan worden gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.9</nr><titel>Verplichte opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de opleidingen te volgen die gedeputeerde
                            staten voor hem noodzakelijk achten in het belang van de dienst. De
                            kosten die zijn verbonden aan het volgen van de in de eerste volzin
                            bedoelde opleidingen komen ten laste van de provincie. Voor het bijwonen
                            van de lessen en het deelnemen aan (deel)examens en tentamens in
                            werktijd wordt de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend.
                            Gedeputeerde staten regelen de faciliteiten ingeval de lessen buiten de
                            werktijd plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.10</nr><titel>Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten minste een keer per drie jaren maken de leidinggevende en de
                                ambtenaar in het planningsgesprek, bedoeld in artikel F.7, afspraken
                                over de loopbaanontwikkeling, de daartoe benodigde competenties en
                                de in dat kader te volgen opleidingen en te ondernemen andere
                                activiteiten. De afspraken worden vastgelegd in een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De afspraken in het persoonlijk ontwikkelingsplan moeten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire en andere voorwaarden van
                                het provinciaal opleidingsbeleid en het op basis daarvan voor het
                                betrokken provinciaal personeel vastgestelde algemene
                                opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedeputeerde staten vergoeden de kosten van de opleiding en andere
                                activiteiten die de ambtenaar maakt ter uitvoering van het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar afspraken vast over de voorzieningen, daaronder begrepen
                                de eventuele toekenning van verlof, die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen uitvoering te geven aan het ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar ook afspraken vast met betrekking tot in ieder geval een
                                of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut en de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li><li nr="b."><al>de studieperiode;</al></li><li nr="c."><al>de minimaal te behalen resultaten en de te maken
                                        voortgang;</al></li><li nr="d."><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie,
                                        onderscheidenlijk bij het verlaten van de provinciale dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li><li nr="e."><al>andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                        uitvoering van het ontwikkelingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.11</nr><titel>Bescherming</titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de ambtenaar die
                            activiteiten vervult waarvoor hij op grond van het bepaalde in artikel
                            D.13 als lid van één van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            buitengewoon verlof kan genieten, niet wegens zijn lidmaatschap van of
                            activiteiten voor die vakorganisaties wordt benadeeld in zijn positie in
                            de provinciale organisatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>F.12</nr><titel>Individuele keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden</titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen, met inachtneming van de hierover in het SPA
                            gemaakte afspraken, algemeen verbindende voorschriften vast waarin de
                            ambtenaar individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket
                            worden geboden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>G</nr><titel>ORDE- EN STRAFMAATREGELEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>G.1</nr><titel>Maatregelen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of op het werk zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen
                                of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>G.2</nr><titel>Schorsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan voor bepaalde tijd worden geschorst,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen
                                            hem wordt ingesteld;</al></li><li nr="b."><al>hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                            ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is
                                            opgelegd;</al></li><li nr="c."><al>tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van
                                            het Wetboek van Strafvorderingeen bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd of </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het belang van de dienst dit verlangt.</al><lijst><li nr="2."><al>Behoudens bij schorsing op grond van het eerste lid,
                                            onderdeel d, kan tijdens de schorsing de bezoldiging
                                            geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.</al></li><li nr="3."><al>Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan
                                            anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>G.3</nr><titel>Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich
                                overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan om die reden
                                disciplinair gestraft worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>G.4</nr><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd zijn</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag
                                            van zijn salaris;</al></li><li nr="c."><al>benoeming in een andere functie;</al></li><li nr="d."><al>ontslag.</al><al/><lijst><li nr="2."><al>Bij het opleggen van de straf kan worden
                                                  bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden
                                                  gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
                                                  vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan
                                                  soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de
                                                  bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander
                                                  ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij
                                                  eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>G.5</nr><titel>Tenuitvoerlegging</titel></kop><al>Het besluit tot strafoplegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd,
                            tenzij anders is bepaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>H</nr><titel>DIENSTVERBAND OP ARBEIDSOVEREENKOMST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>werknemer: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                        recht door gedeputeerde staten in dienst van de provincie is
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>oproepkracht: de werknemer die in dienst is genomen voor het
                                        bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard of
                                        omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Namens de provincie treden gedeputeerde staten op als werkgever voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk aangehaalde
                                bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.2</nr><titel>Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan slechts
                            plaatsvinden: </al><lijst><li nr="a."><al>voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een
                                    wisselende behoefte;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene blijkens de bewoordingen van de
                                    arbeidsovereenkomst hoofdzakelijk in dienst is genomen ten
                                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                    vorming;</al></li><li nr="c."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door
                                    de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                    bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde
                                    groepen van werklozen;</al></li><li nr="d."><al>voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard
                                    of omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.3</nr><titel>Vaststelling arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                            opgemaakt en door beide partijen ondertekend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.4</nr><titel>Duur arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel a, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel b, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd die
                                noodzakelijk is voor de in dat onderdeel bedoelde wetenschappelijke
                                of praktische opleiding of vorming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel c, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd dat de in dat
                                onderdeel bedoelde regeling op de werknemer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.5</nr><titel>Loon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever bepaalt volgens welke van de hierna genoemde regelingen
                                de loonbetaling zal plaatshebben:</al><lijst><li nr="a."><al>volgens de regelingen voor de ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al>volgens de loonregeling voor de groep waarvan de werknemer
                                        deel uitmaakt, die de werkgever heeft vastgesteld nadat
                                        hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden;
                                        of</al></li><li nr="c."><al>op een bedrag, voor elk geval of voor elke te verrichten
                                        dienst afzonderlijk vast te stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in en krachtens hoofdstuk C is voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing, voor zover met toepassing van het eerste
                                lid, onderdelen b en c, niet anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.6</nr><titel>Toepasselijkheid bepalingen Burgerlijk Wetboek</titel></kop><al>De bepalingen van Boek 7, Titel 10, afdelingen 1 tot en met 9, van het
                            Burgerlijk Wetboek zijn, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is
                            bepaald, van toepassing op de arbeidsovereenkomst. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.7</nr><titel>Toepasselijkheid bepalingen in en krachtens deze regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op artikel H.6 is het bepaalde ten aanzien van
                                ambtenaren in en krachtens de artikelen A.4, A.6, B.3, B.6, derde
                                tot en met zesde lid, B.7, B.14 tweede, derde en vierde lid,
                                hoofdstuk D, de artikelen E.1 tot en met E.8, E.10 tot en met E.12
                                en E.14 alsmede de hoofdstukken F - met uitzondering van artikel
                                F.3, eerste en tweede lid - en G voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de werknemer die deelnemer is in de zin van het
                                pensioenreglement is het bepaalde in en krachtens de artikelen B.13
                                en E.9 voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de
                                arbeidsovereenkomst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.8</nr><titel>Einde arbeidsovereenkomst bij verlies verblijfstitel
                                vreemdelingen</titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst van de werknemer die geen Nederlander is kan te
                            allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd indien hij niet
                            langer in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8
                            van de Vreemdelingenwet 2000 of de provincie voor hem niet langer
                            beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
                            vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens
                            laatstgenoemde wet niet is vereist. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.9</nr><titel>Oproepkrachten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever is verplicht, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De oproepkracht is in beginsel verplicht de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een oproep tot arbeid kan door de werkgever worden afgezegd en door
                                de oproepkracht worden geweigerd tot uiterlijk twaalf uur vóór de
                                aanvang van de feitelijke werkzaamheden. In geval van niet tijdige
                                afzegging door de werkgever bestaat aanspraak op loon als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>H.10</nr><titel>Doorwerking wijzigingen</titel></kop><al>Een wijziging van het bepaalde bij of krachtens deze regeling geldt,
                            voor zover het tegendeel niet is bepaald, ook voor de werknemer die bij
                            het in werking treden van die wijziging al op arbeidsovereenkomst in
                            dienst van de provincie is. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I</nr><titel>OVERLEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.1</nr><titel>Overleg met vakorganisaties van overheidspersoneel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met vakorganisaties van overheidspersoneel wordt overleg gevoerd
                                over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel I.2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoerd tussen een
                                door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en vertegenwoordigers
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>FNV;</al></li><li nr="b."><al>CNV Connectief en</al></li><li nr="c."><al>andere vakorganisaties van overheidspersoneel, indien
                                        gedeputeerde staten hen, onder meer gelet op het aantal
                                        ambtenaren dat zij in de provincie vertegenwoordigen, als
                                        representatief voor de provincie hebben aangemerkt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.2</nr><titel>Onderwerpen van overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overleg vindt plaats over:</al><lijst><li nr="a."><al>de regeling van de rechtstoestand van de ambtenaar waar dat
                                        overleg in de onderscheiden hoofdstukken is voorgeschreven
                                        en overigens, als het overleg daarover niet is voorbehouden
                                        aan het SPA, indien en voor zover dat in het SPA is
                                        overeengekomen;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van regels omtrent de te volgen procedure
                                        bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                        reorganisaties als bedoeld in artikel B.8, daaronder
                                        begrepen de vaststelling van sociale beleidskaders;</al></li><li nr="c."><al>werkgelegenheid, voor zover daarover geen overleg
                                        plaatsvindt in het SPA;</al></li><li nr="d."><al>de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken,
                                        indien dat in het SPA is overeengekomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van een reorganisatie waarbij de positie van minder dan 10
                                personen is betrokken kan overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten minste eenmaal per jaar vindt overleg plaats over de algemene
                                gang van zaken in de provincie welke van belang is voor de
                                ambtenaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.3</nr><titel>Wijze van overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overleg wordt voorgezeten door de portefeuillehouder voor
                                personeelsaangelegenheden uit het midden van gedeputeerde staten.
                                Hij wordt ondersteund door een door hem aan te wijzen
                                secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en de
                                vertegenwoordigers van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                kunnen zich in het overleg laten bijstaan door deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het overleg vindt plaats indien de door gedeputeerde staten
                                aangewezen delegatie dan wel één of meer van de in artikel I.1,
                                tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel dat
                                noodzakelijk achten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitnodiging voor het overleg gaat uit van de secretaris. Deze
                                stelt de vakorganisaties van overheidspersoneel tevoren in de
                                gelegenheid om hun wensen met betrekking tot de te bespreken
                                onderwerpen kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel nadere afspraken maken over de wijze van
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.4</nr><titel>Overeenstemmingvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de invoering, wijziging of
                                intrekking van een regeling met rechten of verplichtingen van
                                individuele ambtenaren moet hierover overeenstemming worden bereikt
                                met een meerderheid van de in dat overleg vertegenwoordigde
                                vakorganisaties van overheidspersoneel. Elk van de vertegenwoordigde
                                vakorganisaties van overheidspersoneel brengt daarbij zoveel stemmen
                                uit als deze leden heeft in de provincie, met dien verstande dat het
                                aantal stemmen van één vakorganisatie van overheidspersoneel nooit
                                meer kan zijn dan het aantal stemmen van de overige
                                vakorganisatie(s) van overheidspersoneel tezamen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overeenstemming is bereikt met niet de meerderheid van de
                                vakorganisaties van overheidspersoneel worden de voorstellen alleen
                                doorgevoerd als de voorzitter van het overleg heeft geconstateerd
                                dat hiervoor voldoende draagvlak is. Een zodanig draagvlak is in elk
                                geval niet aanwezig als het aantal uitgebrachte stemmen van de
                                vakorganisatie(s) waarmee overeenstemming is bereikt, minder is dan
                                de helft van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien en zolang de in het eerste lid bedoelde overeenstemming niet
                                wordt bereikt blijft de invoering, wijziging of intrekking van de
                                daar bedoelde regelingen achterwege. In dat geval worden ad hoc
                                nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop verder zal worden
                                gehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.5</nr><titel>Advies en arbitrage bij geschillen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        provinciebestuur en de vertegenwoordigers van de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel, genoemd in artikel
                                        I.1, tweede lid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie, ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op geschillen inzake de
                                aangelegenheden, bedoeld in artikel I.4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid,
                                schrijft de voorzitter een overlegvergadering met de vakorganisaties
                                van overheidspersoneel uit. De vergadering moet worden gehouden
                                binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. Tenzij de deelnemers
                                aan het overleg besluiten het overleg voort te zetten dan wel te
                                beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeen- stemming
                                bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                zijn en of een oplossing van het geschil zal worden gezocht door
                                middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                                ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door
                                onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                                commissie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tot het inwinnen van advies zijn – ieder voor zich – de
                                vertegenwoordiging van het provinciebestuur en een meerderheid van
                                de in het overleg vertegenwoordigde vakorganisaties van
                                overheidspersoneel bevoegd. Voor onderwerping van het geschil aan
                                arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het
                                overleg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid, wordt
                                het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
                                advies- en arbitrage- commissie. Het verzoek wordt ondertekend door
                                de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies
                                hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud
                                van het geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in het vierde
                                lid, geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het
                                overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                zijn, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het
                                onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid, wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitrage- commissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>J</nr><titel>SLOTBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>J.1</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies of CAP.Aldus vastgesteld door
                            Provinciale Staten van Noord-Holland bij besluit van 18 september 2000,
                            afgekondigd in Provinciaal Blad 2000-60, uitgegeven op 18 oktober
                            2000;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I</nr><titel/></kop><al>De salaristabel opgenomen in bijlage 2 van de Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) met ingang van 1 juni 2011
                            te vervangen door de bij dit besluit behoren de bijlage A; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>II</nr><titel/></kop><al>De bedragen in artikel E.12, eerste lid, onderdeela, onderscheidenlijk
                            onderdeel b, van de CAPkomen te luiden: € 24,18, onderscheidenlijk€
                            15,55; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>III</nr><titel/></kop><al>Enige salaris gerelateerde vergoedingsbedragen met ingang van 1 juni
                            2011 te verhogen zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage
                            B; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>IV</nr><titel/></kop><al>als werkgever 50% van de kosten van de semicollectieve aanvullende
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering te vergoeden waaraan werknemers op
                            basis van vrije keuze tegen een overeengekomen premiekorting kunnen
                            deelnemen; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>V</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Te bepalen dat dit besluit in werking treedt op de dag na de datum van
                            uitgifte van het Provinciaal blad waarin het is geplaatst en voor wat
                            betreft het bepaalde in artikel I, II en III terug werkt toten met 1
                            juni 2011 en voor wat betreft het bepaalde in artikel IV in werking
                            treedt op 1 september 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Haarlem 18 september 2000,</al><al/><al/><al>Gedeputeerde staten van Noord-Holland,</al></slotformulering><ondertekening>J.A. van Kemenade, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>C.J.N. Versteden, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>1</nr></kop><tussenkop><vet>BEDOELD IN ARTIKEL B.8 VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDEN-REGELING PROVINCIES (SPELREGELS EN FLANKEREND BELEID BIJ
                        REORGANISATIES)</vet></tussenkop><lijst><li nr="A."><al><vet>PROCEDURELE KADERS BIJ REORGANISATIES </vet></al><al/></li><li nr="1."><al>De provincie maakt met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            afspraken over de spelregels die bij reorganisaties in acht genomen
                            moeten worden. Voor zover die afspraken betrekking hebben op de rol van
                            de ondernemingsraad worden zij niet gemaakt dan nadat hierover overleg
                            met die ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al>Bij de afweging of tot reorganisatie moet worden overgegaan en bij de
                            afweging omtrent de omvang (ingrijpendheid) van de reorganisatie spelen
                            de personele aspecten een volwaardige rol naast organisatorische,
                            financiële en andere overwegingen. </al></li><li nr="3."><al>Voorafgaande aan elke reorganisatie moet helder zijn wie de
                            opdrachtgever is, wie bevoegd is (zijn) de ter zake noodzakelijke
                            besluiten te nemen en wie overigens verantwoordelijk is (zijn) voor de
                            uitvoering. </al></li><li nr="4."><al>De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de te
                            onderscheiden fasen in het reorganisatieproces en een (globale)
                            opsomming van de te ondernemen activiteiten in elk van die fasen. Het
                            aantal fasen en de daarin te onderscheiden activiteiten kunnen variëren
                            naar gelang de omvang en de consequenties van die reorganisatie. </al></li><li nr="5."><al>De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de algemene
                            personele en rechtspositionele randvoorwaarden die bij reorganisaties in
                            acht genomen moeten worden. </al></li><li nr="6."><al>De spelregels bij reorganisaties geven aan wat de (wettelijke) taken en
                            bevoegdheden van de ondernemingsraad en die van de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel zijn in de verschillende fasen van het
                            reorganisatieproces. Globaal geldt daarbij de volgende taakafbakening.
                            De ondernemingsraad overlegt en adviseert, met inachtneming van het in
                            artikel 46d, onderdeel b, van de WOR geformuleerde politiek primaat,
                            over reorganisaties als zodanig op basis van met name artikel 25, eerste
                            lid, onderdelen c, d, e en m, van de WOR. Met de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel worden afspraken gemaakt over de personele, in het
                            bijzonder de rechtspositionele randvoorwaarden die bij de reorganisatie
                            in acht genomen worden. </al></li><li nr="7."><al>De ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel zullen
                            om hun taken goed te kunnen vervullen steeds tijdig en adequaat worden
                            geïnformeerd. Voor de ondernemingsraad zijn daarbij in het bijzonder de
                            artikelen 31 en 31a van de WOR van belang. Het voornemen tot
                            reorganisatie wordt de ondernemingsraad en de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel tijdig gemeld. </al></li><li nr="8."><al>In de spelregels bij reorganisaties wordt vastgelegd op welke wijze het
                            personeel wordt betrokken bij de reorganisatie en wie daarvoor
                            verantwoordelijk is. Daarbij gaat het in elk geval om: </al></li><li nr="-"><al>tijdige en adequate informatie over de reorganisatie en de personele
                            gevolgen daarvan;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheden om te participeren in het reorganisatieproces.</al></li></lijst><tussenkop><vet>B. GEMEENSCHAPPELIJK KADER FLANKEREND BELEID PROVINCIES
                    </vet></tussenkop><al/><lijst><li nr="1."><al>Hoofddoel van het flankerend beleid is onvrijwillige werkloosheid te
                            voorkomen. Hoge prioriteit ligt hier bij werknemers met een kwetsbare
                            positie op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Daartoe leveren de provincie en de werknemers wier functie wordt
                            bedreigd een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing. Als
                            provinciale taken aan een andere of nieuwe werkgever worden uitbesteed
                            of overgedragen worden daartoe afspraken gemaakt over overname van
                            werknemers en over de condities van overgang van deze werknemers. Bij
                            herplaatsing geldt het beginsel dat de werknemer, waar mogelijk, zijn
                            taak volgt.</al></li><li nr="3."><al>Waar nodig treft de provincie aanvullende voorzieningen die de
                            herplaatsingsmogelijkheden vergroten of belemmeringen wegnemen.</al></li><li nr="4."><al>De werknemer is verplicht ander passend werk te aanvaarden en zijn
                            medewerking te verlenen aan maatregelen ter bevordering van zijn
                            herplaatsingsmogelijkheden. Het begrip "passend” moet in het licht van
                            de inspanning onvrijwillige werkloosheid te voorkomen ruim gedefinieerd
                            worden.</al></li><li nr="5."><al>De provincie spant zich in om werknemers die niet kunnen worden
                            herplaatst elders in de omgeving aan het werk te krijgen.</al></li><li nr="6."><al>Een goed sociaal vangnet voor hen die onvrijwillig werkloos worden is
                            van groot belang. Daartoe zijn in het SPA afspraken gemaakt in de vorm
                            van een voor alle provincies gelijke bovenwettelijke
                            werkloosheidsregeling.</al></li><li nr="7."><al>Waar onvrijwillige werkloosheid onvermijdelijk is bepaalt de provincie
                            in overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel de
                            ontslagvolgorde. Zij houdt daarbij rekening met de arbeidsmarktpositie
                            van betrokkenen en de voor hen geldende wettelijke en bovenwettelijke
                            werkloosheidsvoorzieningen. Anderzijds moeten de ontslagen ook een
                            zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. De geschiktheid
                            van ambtenaren kan aanleiding zijn in een concrete situatie af te wijken
                            van de ontslagvolgorde. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin de
                            ambtenaar op grond van bijzondere kennis of bekwaamheden bezwaarlijk kan
                            worden gemist of om ambtenaren in sleutelfuncties die van zodanig belang
                            zijn voor de provinciale organisatie dat voor de vervulling van die
                            functies de kwaliteit van de ambtenaar een zwaarwegende rol moet
                            spelen.</al></li><li nr="8."><al>De provincie bevordert in geval van gedwongen ontslagen een spoedige
                            re-integratie in het arbeidsproces. Zij treft voorzieningen die de
                            arbeidsmobiliteit bevorderen en belemmeringen wegnemen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>C. INSTRUMENTEN FLANKEREND BELEID </vet></tussenkop><al/><al>Hieronder is een opsomming gegeven van instrumenten van een flankerend beleid,
                    gericht op behoud of herstel van werk. </al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Instrumenten t.b.v. interne herplaatsing </cursief></al></li><li nr="a."><al>Gerichte, individuele loopbaanbegeleiding op basis van bekwaamheden,
                            belangstelling en aanbod van functies in de toekomst. </al></li><li nr="b."><al>Toepassen van beloningsdifferentiatie bij positieve horizontale of
                            neerwaartse herplaatsing. </al></li><li nr="c."><al>Om-, her- en bijscholing. </al></li><li nr="d."><al>Wegnemen c.q. vermindering van financiële belemmeringen voor
                            herplaatsing, zoals garanties t.a.v. salaris(schaal), afbouw van
                            wegvallende of teruglopende (secundaire) emolumenten en tegemoetkomingen
                            in extra kosten (bijv. verhuiskosten, extra reiskosten woon/werk). </al></li><li nr="e."><al>Stimulering van interne mobiliteit via bijv. mobiliteitspremies,
                            detacheringen, proefplaatsingen en/of spijtoptantenregelingen. </al></li><li nr="f."><al>Verlening van een voorkeurspositie bij interne vacaturevervulling. </al></li><li nr="g."><al>Tijdelijke plaatsing boven de formatie (in het concrete vooruitzicht van
                            een definitieve herplaatsing). </al></li><li nr="h."><al>Sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat tijdens de
                            werkloosheidsuitkering. </al></li><li nr="2."><al><cursief>Instrumenten ter bevordering van de (externe) arbeidsmobiliteit
                            </cursief></al></li><li nr="a."><al>Tijdelijke arbeidsbemiddeling (bijv. via outplacement) </al></li><li nr="b."><al>Begeleiding en ondersteuning bij sollicitaties (sollicitatiecursus,
                            beroepskeuzetests, voorlichting over vacatures e.d.). </al></li><li nr="c."><al>Afspraken met overheden en relevante instellingen in de omgeving en
                            buurprovincies over bijv. vacature-uitwisseling,
                            sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat, detacheringen en andere
                            vormen van collegiale doorlening. </al></li><li nr="d."><al>Vertrekpremies en/of loonsuppletieregelingen ter bevordering van de
                            arbeidsmobiliteit. </al></li><li nr="e."><al>Faciliteiten bij de opbouw van een eigen bedrijf (bijv. via afkoop van
                            de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, tijdelijke non-activiteit met
                            terugkeermogelijkheid). </al></li><li nr="f."><al>Om-, her- en bijscholing.</al></li><li nr="g."><al>Wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit (sollicitatieverlof,
                            flexibele opzegtermijn, ontheffing terugbetalingsplicht studie- en
                            verhuiskosten, verhuiskostenvergoeding e.d.).</al></li></lijst></bijlage><bijlage><al><cursief><vet>BIJLAGE 2, BEDOELD IN ARTIKEL C.4, EERSTE LID, VAN DE COLLECTIEVE
                            ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES</vet></cursief></al><al><cursief><cursief>(salarisgebouw provincies en minimumvakantie-uitkering per 1
                            april 2016)</cursief></cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Schaal A</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>120% van het Wettelijk Minimum Loon</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>100% van het Wettelijk Minimum Loon</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 1 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 1.854,18 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.558,14 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 2 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 1.978,46</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.573,73 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 3 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 2.159,33 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.589,30 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 4 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 2.276,54 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.604,89</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 5 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.393,90</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.675,72 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 6 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 2.507,93</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.755,54</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 7</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 2.766,82</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.936,77 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 8</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 3.133,50</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 2.193,46 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 9</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 3.545,81</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 2.482,07</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 10 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 3.887,77</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 2.721,43 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 11 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 4.545,42 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 3.181,77 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 12</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 5.180,53 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 3.626,37 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 13</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 5.625,58 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 3.937,91 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 14 </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 6.374,32 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 4.462,02 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 15</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 7.010,75 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 4.907,51 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 16</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 7.711,74 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 5.398,22 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 17 </vet></al></entry><entry><al>/ </al></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 8.482,10 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 5.937,47 </al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 18</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum </al></entry><entry><al>€ 9.329,98 </al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 6.530,97 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Alle salarisbedragen zijn uitgedrukt in euro’s. Het zijn maandbedragen die
                    gelden bij een 36-urige werkweek. Bij een formele arbeidsduur van minder (of
                    meer) uren per week worden de bedragen naar evenredigheid bepaald. </al><al/><al>De minimumvakantie-uitkering per maand bedraagt bij een volledige functie per 1
                    april 2016: € 155,01.</al><al/><al>Het Wettelijk Minimumloon in schaal A is het Wettelijk minimumloon zoals
                    vastgesteld op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Op schaal
                    A zijn de cao loonstijgingen in de sector provincies niet van toepassing.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>BEDOELD IN ARTIKEL F.1, ELFDE LID, VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES (Regeling melden vermoeden van een
                        misstand)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze Regeling melden vermoeden van een misstand wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>werknemer</vet>: de persoon die werkt of heeft gewerkt voor
                                    de provincie zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel h van de Wet
                                    Huis voor Klokkenluiders; </al></li><li nr="b."><al><vet>werkgever</vet>: Gedeputeerde Staten die handelen zoals
                                    bedoeld in artikel 1 onderdeel g van de Wet Huis voor
                                    Klokkenluiders;</al></li><li nr="c."><al><vet>vermoeden van een misstand</vet>: het vermoeden van een
                                    werknemer, dat binnen de organisatie waarin hij werkt of heeft
                                    gewerkt of bij een andere organisatie indien hij door zijn werk
                                    met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een
                                    misstand voor zover:</al><lijst><li nr="1e."><al> vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die
                                            voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn
                                            werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis
                                            die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden
                                            bij een ander bedrijf of een andere organisatie, en</al></li></lijst><lijst><li nr="2e."><al>het maatschappelijk belang in het geding is bij:</al><lijst><li nr="i."><al>de (dreigende) schending van een wettelijk
                                                  voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar
                                                  feit,</al></li><li nr="ii"><al>een (dreigend) gevaar voor de
                                                  volksgezondheid,</al></li><li nr="iii."><al>een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van
                                                  personen,</al></li><li nr="iv."><al>een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het
                                                  milieu,</al></li><li nr="v."><al>een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren
                                                  van de organisatie als gevolg van een
                                                  onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten;</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="d."><al><vet>vermoeden van een onregelmatigheid</vet>: een op redelijke
                                    gronden gebaseerd vermoeden van een onvolkomenheid of
                                    ongerechtigheid van algemene, operationele of financiële aard
                                    die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de organisatie en
                                    zodanig ernstig is dat deze buiten de reguliere werkprocessen
                                    valt en de verantwoordelijkheid van de direct leidinggevende
                                    overstijgt;</al></li><li nr="e."><al>a<vet>dviseur</vet>: een persoon die door zijn functie een
                                    geheimhoudingsplicht heeft en die door een werknemer in
                                    vertrouwen wordt geraadpleegd over een vermoeden van een
                                    misstand of onregelmatigheid;</al></li><li nr="f."><al><vet>vertrouwenspersoon</vet>: de persoon die is aangewezen om
                                    als vertrouwenspersoon integriteit voor de provincie te
                                    fungeren; </al></li><li nr="g."><al><vet>afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders</vet>: de
                                    afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders, bedoeld in
                                    artikel 3a, tweede lid, Wet Huis voor Klokkenluiders;</al></li><li nr="h."><al><vet>melding</vet>: de melding van een vermoeden van een
                                    misstand of onregelmatigheid op grond van deze regeling;</al></li><li nr="i."><al><vet>melder</vet>: de werknemer die een vermoeden van een
                                    misstand of onregelmatigheid heeft gemeld op grond van deze
                                    regeling;</al></li><li nr="j."><al><vet>contactpersoon</vet>: de persoon die door de
                                    provinciesecretaris na ontvangst van de melding, in overleg met
                                    de melder, is aangewezen als contactpersoon met het oog op het
                                    tegengaan van benadeling;</al></li><li nr="k."><al><vet>onderzoekers:</vet> de personen aan wie de
                                    provinciesecretaris het onderzoek naar de misstand
                                    opdraagt;</al></li><li nr="l."><al><vet>externe instantie: </vet>de instantie die naar het redelijk
                                    oordeel van de melder het meest in aanmerking komt om de externe
                                    melding van het vermoeden van een misstand bij te doen;</al></li><li nr="m."><al><vet>externe derde</vet>: iedere organisatie of
                                    vertegenwoordiger van een organisatie die naar het redelijk
                                    oordeel van de melder in staat mag worden geacht (in)direct de
                                    vermoede misstand te kunnen (doen) oplossen;</al></li><li nr="n."><al><vet>afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders</vet>:
                                    de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders, bedoeld
                                    in artikel 3a, derde lid, Wet Huis voor Klokkenluiders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel><vet>Informatie, advies en ondersteuning voor de
                            werknemer</vet></titel></kop><al>Een werknemer kan over een vermoeden van een misstand of
                        onregelmatigheid:</al><al>een adviseur in vertrouwen raadplegen; </al><al>de vertrouwenspersoon als adviseur in vertrouwen raadplegen;</al><al>de afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders in vertrouwen
                                raadplegen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel><vet>Interne melding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werknemer met een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid
                            binnen de organisatie van zijn werkgever kan daarvan melding doen:</al><lijst><li nr="a."><al>bij iedere leidinggevende die binnen de organisatie hiërarchisch
                                    een hogere positie bekleedt dan hij; </al></li><li nr="b."><al>via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon stuurt de
                                    melding, in overleg met de werknemer, door naar een
                                    leidinggevende of Gedeputeerde Staten als de werknemer een
                                    redelijk vermoeden heeft dat de provinciesecretaris bij de
                                    vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een werknemer van een andere organisatie die door zijn werkzaamheden met
                            de organisatie van de werkgever in aanraking is gekomen, en een
                            vermoeden heeft van een misstand of onregelmatigheid binnen de
                            organisatie van de werkgever kan ook een interne melding doen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de werknemer een redelijk vermoeden heeft dat de provinciesecretaris
                            bij de vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is, moet in deze
                            regeling voor “provinciesecretaris” “Gedeputeerde Staten” worden
                            gelezen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte
                            van een strafbaar feit onverlet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel><vet>Bescherming van de melder tegen benadeling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werknemer die te goeder trouw en naar behoren een vermoeden van een
                            misstand of onregelmatigheid meldt, zal in verband daarmee geen nadelige
                            gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na de
                            behandeling van deze melding bij de werkgever, een andere organisatie,
                            een externe instantie of een externe derde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder nadelige gevolgen wordt in ieder geval verstaan het nemen van een
                            benadelende maatregel, zoals:</al><lijst><li nr="a."><al>het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek; </al></li><li nr="b."><al>het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een
                                    aanstelling voor bepaalde tijd; </al></li><li nr="c."><al>het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een
                                    aanstelling voor onbepaalde tijd; </al></li><li nr="d."><al>het treffen van een disciplinaire maatregel; </al></li><li nr="e."><al>de opgelegde benoeming in een andere functie; </al></li><li nr="f."><al>het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of
                                    toekenning van vergoedingen; </al></li><li nr="g."><al>het onthouden van promotiekansen; </al></li><li nr="h."><al>het afwijzen van een verlofaanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkgever zorgt ervoor dat de melder ook op geen andere manier bij
                            zijn werk nadelige gevolgen ondervindt van de melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de werkgever na het doen van een melding een benadelende maatregel
                            neemt, motiveert de werkgever waarom hij deze maatregel nodig acht en
                            dat deze maatregel geen verband houdt met het te goeder trouw en naar
                            behoren melden van een vermoeden van een misstand of
                            onregelmatigheid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkgever spreekt werknemers die zich schuldig maken aan benadeling
                            van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing of een
                            disciplinaire maatregel opleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel><vet>Het tegengaan van benadeling van de melder</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De contactpersoon bespreekt samen met de melder, welke risico’s op
                            benadeling aanwezig zijn, op welke wijze die risico’s kunnen worden
                            verminderd en wat de werknemer kan doen als hij van mening is dat sprake
                            is van benadeling. De contactpersoon maakt een verslag van deze
                            bespreking en stuurt dit naar de melder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de melder vindt dat er daadwerkelijk sprake is van benadeling, kan
                            hij dat bespreken met de contactpersoon. De contactpersoon en de melder
                            bespreken welke maatregelen genomen kunnen worden om benadeling tegen te
                            gaan. De contactpersoon maakt een verslag van deze bespreking en stuurt
                            dit na goedkeuring door de melder naar de provinciesecretaris. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De provinciesecretaris zorgt ervoor dat maatregelen die nodig zijn om
                            benadeling tegen te gaan worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel><vet>Bescherming van andere betrokkenen tegen
                            benadeling</vet></titel></kop><lid><lidnr/><al>De werkgever zal:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de adviseur in dienst van de werkgever niet benadelen vanwege het
                            fungeren als adviseur van de melder;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vertrouwenspersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in
                            deze regeling beschreven taken;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de contactpersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in deze
                            regeling beschreven taken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de onderzoekers die in dienst zijn van de werkgever niet benadelen
                            vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven taken;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een werknemer die wordt gehoord door, documenten verstrekt aan of
                            anderszins medewerking verleend aan de onderzoekers niet benadelen in
                            verband met het te goeder trouw afleggen van een verklaring.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel><vet>Intern en extern onderzoek naar benadeling van de
                            melder</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De melder die meent dat er sprake is van benadeling in verband met het
                            doen van een melding van een vermoeden van een misstand of
                            onregelmatigheid, kan de provinciesecretaris vragen om onderzoek te doen
                            naar hoe er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ook de personen bedoeld in artikel 6 kunnen de provinciesecretaris
                            vragen om onderzoek te doen naar hoe er binnen de organisatie met hen
                            wordt omgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders
                            vragen om een onderzoek in te stellen over hoe de werkgever zich
                            richting hem heeft gedragen naar aanleiding van de melding van een
                            vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel><vet> Vertrouwelijke </vet><vet>omgang met de melding en de
                                identiteit van de melder</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever zorgt ervoor dat de informatie over de melding zo wordt
                            bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is voor de
                            personen die bij de behandeling van de melding betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De personen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn maken
                            de identiteit van de melder niet bekend zonder uitdrukkelijke
                            schriftelijke instemming van de melder en gaan met de informatie over de
                            melding vertrouwelijk om.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid is gemeld via de
                            vertrouwenspersoon en de melder geen toestemming heeft gegeven zijn
                            identiteit bekend te maken, wordt alle correspondentie over de melding
                            verstuurd aan de vertrouwenspersoon en stuurt de vertrouwenspersoon dit
                            zonder uitstel door aan de melder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De personen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn maken
                            de identiteit van de adviseur niet bekend zonder uitdrukkelijke
                            schriftelijke instemming van de melder en de adviseur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel><vet>Vastlegging, doorsturen en ontvangstbevestiging van de interne
                                melding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leidinggevende of de vertrouwenspersoon die de melding ontvangt,
                            stuurt de melding zonder uitstel door aan de provinciesecretaris. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een mondelinge melding of mondelinge toelichting wordt schriftelijk
                            vastgelegd en ter goedkeuring voorgelegd aan de melder.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De provinciesecretaris stuurt de melder zonder uitstel een
                            ontvangstbevestiging van de melding. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ontvangstbevestiging bevat minimaal een zakelijke beschrijving van de
                            melding, de datum waarop deze is ontvangen en een kopie van de
                            melding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontvangstbevestiging bevat minimaal een zakelijke beschrijving van de
                            melding, de datum waarop deze is ontvangen en een kopie van de
                            melding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel><vet>Behandeling van de interne melding door de
                            werkgever</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De provinciesecretaris stelt een onderzoek in naar het gemelde vermoeden
                            van een misstand of onregelmatigheid, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden, of</al></li><li nr="b."><al>op voorhand duidelijk is dat het gemelde geen betrekking heeft
                                    op een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de provinciesecretaris besluit geen onderzoek in te stellen,
                            informeert hij de melder schriftelijk binnen twee weken na de interne
                            melding. Daarbij wordt aangegeven waarom de provinciesecretaris geen
                            onderzoek instelt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De provinciesecretaris beoordeelt of een externe instantie van de
                            interne melding van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid
                            op de hoogte moet worden gebracht. Indien de werkgever een externe
                            instantie op de hoogte stelt, stuurt de provinciesecretaris de melder
                            hiervan een kopie tenzij het onderzoeksbelang of het handhavingsbelang
                            daardoor kan worden geschaad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De provinciesecretaris draagt het onderzoek op aan onderzoekers die
                            onafhankelijk en onpartijdig zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de provinciesecretaris een externe instantie op de hoogte gesteld
                            heeft van de interne melding, kan hij voor het onderzoek aansluiten bij
                            het onderzoek dat deze externe instantie laat verrichten. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Personen die mogelijk betrokken zijn (geweest) bij de vermoede misstand
                            of onregelmatigheid voeren het onderzoek niet uit. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De provinciesecretaris informeert zonder uitstel de melder schriftelijk
                            dat een onderzoek is ingesteld en door wie het onderzoek wordt
                            uitgevoerd. De provinciesecretaris stuurt de melder daarbij een kopie
                            van de onderzoeksopdracht tenzij het onderzoeksbelang of het
                            handhavingsbelang daardoor kunnen worden geschaad.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De provinciesecretaris informeert de personen op wie een melding
                            betrekking heeft over de melding, tenzij het onderzoeksbelang of het
                            handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel><vet>De uitvoering van het onderzoek</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekers stellen de melder in de gelegenheid te worden gehoord.
                            De onderzoekers zorgen voor een verslag, en leggen dit verslag ter
                            goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt het
                            vastgestelde verslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekers kunnen ook anderen horen. De onderzoekers zorgen voor
                            een verslag, en leggen dit verslag ter goedkeuring en ondertekening voor
                            aan de persoon die gehoord is. De persoon die gehoord is ontvangt het
                            vastgestelde verslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekers kunnen binnen de organisatie van de werkgever alle
                            documenten inzien en opvragen die zij voor het onderzoek redelijkerwijs
                            nodig achten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Werknemers mogen de onderzoekers alle documenten verstrekken waarvan zij
                            het redelijkerwijs nodig achten dat de onderzoekers daar in het kader
                            van het onderzoek kennis van nemen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekers stellen een concept onderzoeksrapport op en stellen de
                            melder in de gelegenheid daar opmerkingen bij te maken, tenzij hiertegen
                            ernstige bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekers stellen vervolgens het onderzoeksrapport vast. Zij
                            sturen de melder hiervan een kopie, tenzij hiertegen ernstige bezwaren
                            bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel><vet>Standpunt van de werkgever</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De provinciesecretaris informeert de melder binnen acht weken na de
                            melding schriftelijk over het standpunt met betrekking tot het gemelde
                            vermoeden van een missstand of onregelmatigheid. Daarbij wordt tevens
                            aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als duidelijk is dat het standpunt niet binnen acht weken kan worden
                            gegeven, dan informeert de provinciesecretaris de melder daarover
                            schriftelijk. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn de melder
                            het standpunt tegemoet kan zien. Als de totale termijn daardoor meer dan
                            twaalf weken is, wordt dit gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afronding van het onderzoek beoordeelt de provinciesecretaris of een
                            externe instantie van de interne melding van een vermoeden van een
                            misstand of onregelmatigheid van het onderzoeksrapport en het standpunt
                            van de werkgever op de hoogte moet worden gebracht. Indien de werkgever
                            een externe instantie op de hoogte stelt, stuurt hij de melder hiervan
                            een kopie, tenzij het onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoor
                            kan worden geschaad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De personen op wie de melding betrekking heeft, worden op dezelfde
                            manier geïnformeerd als de melder, tenzij het onderzoeksbelang of het
                            handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel><vet>Hoor en wederhoor ten aanzien van onderzoeksrapport en standpunt
                                werkgever</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever stelt de melder in de gelegenheid op het onderzoeksrapport
                            en het standpunt van de werkgever te reageren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de melder in reactie op het onderzoeksrapport of het standpunt van
                            de werkgever onderbouwd aangeeft dat het vermoeden van een misstand of
                            onregelmatigheid niet daadwerkelijk of niet deugdelijk is onderzocht of
                            dat in het onderzoeksrapport of het standpunt van de werkgever sprake is
                            van wezenlijke onjuistheden, reageert de werkgever hier inhoudelijk op
                            en stelt hij zo nodig een nieuw of aanvullend onderzoek in. Voor dit
                            nieuwe of aanvullende onderzoek gelden dezelfde regels als voor het
                            eerste onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de werkgever een externe instantie op de hoogte brengt of heeft
                            gebracht, stuurt hij ook de hiervoor bedoelde reactie van de melder op
                            het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever aan die externe
                            instantie toe. De melder ontvangt hiervan een kopie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel><vet>Externe melding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het doen van een interne melding van een vermoeden van een misstand
                            of onregelmatigheid, kan de melder een externe melding doen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de melder het niet eens is met het standpunt van de werkgever of
                                    van oordeel is dat het vermoeden ten onrechte terzijde is
                                    gelegd;</al></li><li nr="b."><al>de melder niet tijdig een standpunt heeft ontvangen over zijn
                                    interne melding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melder kan direct een externe melding doen van een vermoeden van een
                            misstand of onregelmatigheid als het eerst doen van een interne melding
                            in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in ieder geval
                            aan de orde indien dit uit enig wettelijk voorschrift voortvloeit of
                            sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend
                                    maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding
                                    noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="b."><al>een redelijk vermoeden dat de werkgever bij de vermoede misstand
                                    betrokken is; </al></li><li nr="c."><al>een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen voor
                                    tegenmaatregelen in verband met het doen van een interne
                                    melding;</al></li><li nr="d."><al>een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of
                                    vernietiging van bewijsmateriaal;</al></li><li nr="e."><al>een eerdere melding volgens de procedure van dezelfde misstand,
                                    die de misstand niet heeft weggenomen;</al></li><li nr="f."><al>een plicht tot directe externe melding. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie die
                            daarvoor naar het redelijk oordeel van de melder het meest in aanmerking
                            komt. Een externe instantie is in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een instantie die is belast met de opsporing van strafbare
                                    feiten;</al></li><li nr="b."><al>een instantie die is belast met het toezicht op de naleving van
                                    het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift;</al></li><li nr="c."><al>een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden van een
                                    misstand of onregelmatigheid kan worden gemeld, waaronder de
                                    afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als naar het redelijk oordeel van de melder het maatschappelijk belang
                            zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij geheimhouding, kan de
                            melder de externe melding ook doen bij een externe derde die naar zijn
                            redelijk oordeel in staat mag worden geacht (in)direct de vermoede
                            misstand of onregelmatigheid te kunnen (doen) opheffen. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel><vet>Rapportage en evaluatie</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De provinciesecretaris maakt jaarlijks een rapportage over de uitvoering
                            van deze regeling. Deze rapportage bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie over het aantal meldingen en een indicatie van de
                                    aard van de meldingen, de uitkomsten van de onderzoeken en de
                                    standpunten van de werkgever;</al></li><li nr="b."><al>algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan van
                                    benadeling van de melder;</al></li><li nr="c."><al>informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar
                                    benadeling in verband met het doen van een melding van een
                                    vermoeden van een misstand of onregelmatigheid en een indicatie
                                    van de uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de
                                    werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De provinciesecretaris stuurt de rapportage voor bespreking aan de
                            Ondernemingsraad.</al><al/></lid></artikel></bijlage></regeling></body></cvdr>