<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22278_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Borger-Odoorn</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Borger-Odoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Borger-Odoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Week in Week uit, 1-5-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Borger-Odoorn</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artt 7, 8, 10, lid 2; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artt 34, 35, 36; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artt 34, 35, 36;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-05-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Borger-Odoorn</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="2" colnum="2" colwidth="1.85*"/><colspec colname="3" colnum="3" colwidth="6.73*"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>de wet: </al></entry><entry><al>de Wet werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>Ioaw:</al></entry><entry><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                  arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>Ioaz:</al></entry><entry><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>Awb:</al></entry><entry><al>de Algemene wet bestuursrecht;</al></entry></row><row><entry><al>e.</al></entry><entry><al>uitkeringsgerechtigde:</al></entry><entry><al>de persoon tot 65 jaar met een uitkering
                                                  ingevolge de wet, de Ioaw of de Ioaz die inwoner
                                                  is van de gemeente Borger-Odoorn;</al></entry></row><row><entry><al>f.</al></entry><entry><al>Anw-er:</al></entry><entry><al>de persoon met een uitkering ingevolgde de
                                                  Algemene nabestaandenwet die als niet-werkende
                                                  werkzoekende ingeschreven staat bij het CWI en
                                                  woonachtig is in de gemeente Borger-Odoorn;</al></entry></row><row><entry><al>g.</al></entry><entry><al>Nugger:</al></entry><entry><al>de niet-uitkeringsgerechtigde zoals omschreven
                                                  in artikel 6, onder a, van de wet en woonachtig in
                                                  de gemeente Borger-Odoorn;</al></entry></row><row><entry><al>h.</al></entry><entry><al>jongere:</al></entry><entry><al>de uitkeringsgerechtigde, Anw-er of Nugger niet
                                                  ouder dan 23 jaar;</al></entry></row><row><entry><al>i.</al></entry><entry><al>werknemer in gesubsidieerde arbeid:</al></entry><entry><al>de werknemer als bedoeld in artikel 10, tweede
                                                  lid, van de wet, werkzaam volgens de vroegere Wiw
                                                  of ID, die op de dag voorafgaande aan de invoering
                                                  van de wet in deze gesubsidieerde arbeid werkzaam
                                                  was; </al></entry></row><row><entry><al>j.</al></entry><entry><al>voorziening:</al></entry><entry><al>een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste
                                                  lid, onder a, van de wet, deze verordening of het
                                                  beleidsplan als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
                                                  Een voorziening is een instrument binnen een
                                                  re-integratietraject dat ingezet wordt om
                                                  belemmeringen bij aanvaarding van algemeen
                                                  geaccepteerd arbeid weg te nemen of om
                                                  werkzaamheden als zelfstandige te gaan
                                                  verrichten;</al></entry></row><row><entry><al>k.</al></entry><entry><al>het college: </al></entry><entry><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                                  de gemeente Borger-Odoorn;</al></entry></row><row><entry><al>l.</al></entry><entry><al>de raad:</al></entry><entry><al>de gemeenteraad van de gemeente
                                                  Borger-Odoorn;</al></entry></row><row><entry><al>m.</al></entry><entry><al>algemeen geaccepteerde arbeid:</al></entry><entry><al>iedere vorm van betaalde arbeid;</al></entry></row><row><entry><al>n.</al></entry><entry><al>beleidsplan:</al></entry><entry><al>plan als bedoeld in artikel 110 van de
                                                  Gemeentewet gericht op de uitvoering van de Wet
                                                  werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>o.</al></entry><entry><al>CWI:</al></entry><entry><al>het Centrum voor Werk en Inkomen;</al></entry></row><row><entry><al>p.</al></entry><entry><al>Trajectplan of re-integratieplan:</al></entry><entry><al>een ontwikkelgericht plan, toegesneden op de
                                                  persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van
                                                  belanghebbende waarin opgenomen zijn:
                                                  klantgegevens, klantprofiel, einddoel en eventuele
                                                  tussendoelen van het traject, in te schakelen
                                                  organisaties en aanvullende afspraken met
                                                  betrekking tot de rechten en plichten van de
                                                  cliënt.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan de uitkeringsgerechtigden tot 65 jaar, de
                                Nugger en de Anw-er alsmede de persoon als bedoeld in artikel 10,
                                tweede lid, van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en,
                                voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening
                                gericht op die arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Eveneens
                                wordt het arbeidsmarktperspectief betrokken bij de genoemde
                                afweging. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening minimaal
                                eenmaal per vier jaar een beleidsplan vast, waarin in ieder geval de
                                beleidsprioriteiten worden aangegeven:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet verslag aan de raad van de resultaten. Dit verslag
                                sluit aan bij het verslag als bedoeld in artikel 77 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende personen kunnen aanspraak maken op ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkeringsgerechtigde;</al></li><li nr="b."><al>de Anw-er;</al></li><li nr="c."><al>de Nugger;</al></li><li nr="d."><al>de werknemer in de gesubsidieerde arbeid (Wiw of ID
                                        besluit), die op de dag voorafgaande aan de invoering van de
                                        wet in deze gesubsidieerde arbeid werkzaam was. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening, het in artikel 3 genoemde beleidsplan, de
                                beleidsregels en de uitvoeringsbesluiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de
                                belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden,
                                is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet, deze verordening,
                                alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden
                                voorziening heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het college
                                de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                afstemmingsverordening en conform hetgeen hierover is bepaald in
                                artikel 20 van de Ioaw en artikel 20 van de Ioaz.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in
                                het tweede lid, dan kan het college de kosten van de voorziening dan
                                wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is verplicht tot het
                                verstrekken van inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het
                                bepalen van een geschikt traject en/of een geschikt re-integratie
                                instrument.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan een onderzoek laten doen naar de mogelijkheden van
                                de persoon algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, dan wel naar
                                de geschiktheid om gebruik te maken van een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Criteria ontheffing arbeidsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid, van de
                                wet, onderscheidenlijk artikel 37a van de Ioaw en artikel 37a van de
                                Ioaz bepalen dat aan een individueel belanghebbende tijdelijk,
                                geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel
                                5, eerste lid en tweede lid, van deze verordening genoemde
                                verplichtingen, op basis van in beleidsregels vast te leggen
                                criteria, onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van
                                        zorg en voorziening niet mogelijk is voor de alleenstaande
                                        ouder, met kinderen tot 12 jaar;</al></li><li nr="b."><al>indien een belanghebbende om medische redenen niet in staat
                                        is om te werken;</al></li><li nr="c."><al>indien een belanghebbende van 57½ jaar en ouder een
                                        onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts verleend voor een door
                                het college vast te stellen periode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een
                                ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Sluitende aanpak jongeren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke jongere krijgt in ieder geval binnen 12 maanden na inschrijving
                                bij het CWI een aanbod voor een voorziening gericht op inschakeling
                                in algemeen geaccepteerde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft
                                bepaald dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het beleidsplan als bedoeld in artikel 3 kan het college een of
                                meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Een plafond in
                                deze zin vormt eveneens een weigeringsgrond als genoemd in lid 1 van
                                dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het beleidsplan als bedoeld in artikel 3 wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden alsmede de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in ieder geval een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet
                                        niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik hoeft te worden gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een voorziening, maakt de gemeente gebruik van
                                een trajectplan. Het trajectplan is geldig na ondertekening door
                                belanghebbende en de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de
                                voorzieningen, bedoeld in de artikelen 10 tot en met 18 van deze
                                verordening, met inachtneming van hetgeen daarover in het
                                beleidsplan is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen
                                betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        -vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een werkstage
                                aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen of het behouden van
                                werkervaring dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkstage wordt verricht met behoud van uitkering. Het college
                                kan een premie verstrekken wanneer een uitkeringsgerechtigde een
                                werkstage uitvoert. De hoogte van deze premie en de voorwaarden
                                worden vastgelegd in het in artikel 3 genoemde beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan besluiten om een inleenvergoeding te vragen aan het
                                bedrijf waar de werkstage wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkstage duurt maximaal 9 maanden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De werkstage kan eenmaal met maximaal 6 maanden worden
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De werkstage kan gecombineerd worden met scholing en/ of training of
                                andere door het college in het kader van een opgesteld trajectplan
                                noodzakelijk geachte voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De werkstage wordt vastgelegd in een stage overeenkomst, waarin ten
                                minste wordt vastgelegd het doel van de werkstage, de manier waarop
                                de begeleiding plaatsvindt en nadere specifieke afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde vrijwilligerswerk
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling of, indien dat vooralsnog niet mogelijk is,
                                zelfstandige maatschappelijke participatie. Onder vrijwilligerswerk
                                wordt verstaan: onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten voor
                                minimaal 5 en in principe maximaal 24 uur per week bij organisaties
                                zonder winstoogmerk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt verricht met behoud van uitkering. Het
                                college kan een onkostenvergoeding verstrekken voor het verrichten
                                van vrijwilligerswerk. De hoogte van deze onkostenvergoeding en de
                                voorwaarden worden vastgelegd in het in artikel 3 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt vastgelegd in een vrijwilligersovereenkomst
                                waarin ten minste wordt vastgelegd wat het doel is van het
                                vrijwilligerswerk, de manier waarop de begeleiding plaatsvindt en de
                                nadere specifieke afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een
                                re-integratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het stimuleren van personen
                                die langdurig werkloos zijn om maatschappelijk actief te worden ter
                                voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling. Als
                                arbeidsinschakeling (nog) niet mogelijk is, kan de sociale
                                activering ook gericht zijn op zelfstandige maatschappelijke
                                participatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Werkstartsubsidies gericht op re-integratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een Werkstartsubsidie verstrekken aan de werkgever
                                die een arbeidsovereenkomst van 12 maanden aangaat met een
                                uitkeringsgerechtigde of met een werknemer in gesubsidieerde arbeid.
                                De duur van deze subsidie is 12 maanden, en kan eenmalig verlengd
                                worden met 12 maanden. De subsidie bestaat uit een deel begeleiding
                                en scholing, en uit een deel loonkostensubsidie om een lagere
                                arbeidsproductiviteit te compenseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beleidsaanbeveling ‘Subsidiering arbeidsplaatsen in het kader van
                                re-integratie werkzoekenden’ van het ministerie van SZW is van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling aan alle personen genoemd in artikel 1, lid e, f
                                en g, werknemers in gesubsidieerde arbeid en werknemers waarvoor een
                                werkgever een loonkostensubsidie ontvangt als bedoeld in artikel
                                13.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Scholing wordt in principe altijd gecombineerd met sociale
                                activering of een voorziening gericht op het verkrijgen van
                                werkervaring</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Work First</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een inwoner van de gemeente die een uitkering in
                                    het kader van de wet of de Ioaw/z aanvraagt, verplichten deel te
                                    nemen aan Work First.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden worden vastgesteld in het in Artikel 3 genoemde
                                    beleidsplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Bemiddeling</titel></kop><al>Het college kan personen genoemd in artikel 1, lid e, f en g, en
                            werknemers in gesubsidieerde arbeid, ondersteunen door bemiddeling bij
                            arbeidsinschakeling aan te bieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd aanvaardt waarmee een
                            inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor hem geldende
                            norm, kan in aanmerking komen voor een vrijlating van inkomsten uit
                            arbeid, indien deze arbeidsaanvaarding bijdraagt aan een volledige
                            uitstroom uit de uitkering. De hoogte van het bedrag en de voorwaarden
                            sluiten aan bij de omschrijving in artikel 31, tweede lid onder o van de
                            wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Werkaanvaardingspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt of
                                als zelfstandige werkzaam wordt, waardoor hij
                                uitkeringsonafhankelijk wordt, ontvangt eenmalig een
                                werkaanvaardingspremie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarden voor het verkrijgen van de werkaanvaardingspremie zijn
                                in elk geval:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitkeringsgerechtigde dient onmiddellijk voorafgaand aan
                                        zijn indiensttreding tenminste 12 maanden ononderbroken een
                                        uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen op grond van
                                        de wet, de Ioaw of de Ioaz.</al></li><li nr="-"><al>uit een bij aanvang van de dienstbetrekking over te leggen
                                        arbeidsovereenkomst dient te blijken dat deze voor tenminste
                                        een jaar is aangegaan.</al></li><li nr="-"><al>in de periode van 24 maanden voorafgaande aan het moment van
                                        indiensttreding is door de werknemer geen
                                        werkaanvaardingspremie ontvangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ook in aanmerking voor de werkaanvaardingspremie zoals genoemd in
                                lid 1, komen de werknemers in gesubsidieerde arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Premie voor werkgevers bij uitstroom naar regulier werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgever een premie verstrekken als hij een
                                uitkeringsgerechtigde of werknemer in gesubsidieerde arbeid regulier
                                in dienst neemt voor een periode van minimaal zes maanden. De hoogte
                                en de voorwaarden worden vastgesteld in het in Artikel 3 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie wordt alleen verstrekt indien de werknemer door de
                                werkaanvaarding uitkeringsonafhankelijk wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie wordt alleen verstrekt indien de werknemer zes maanden na
                                aanvang van de arbeidsovereenkomst nog arbeid in loondienst verricht
                                en niet is aangewezen op een uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten
                                die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Het gaat
                                hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al> reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>kosten van werkaanvaarding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen bestaat
                                indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening
                                die gezien haar aard en doel wordt geacht voor belanghebbende
                                toereikend en passend te zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de 8e dag na die van bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 januari 2007.</al><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Borger-Odoorn,
                            vastgesteld door de raad op 24 juni 2004, wordt per 1 januari 2007
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald: Re-integratieverordening Wet werk en
                            bijstand gemeente Borger-Odoorn.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>1. Inleiding</tussenkop><al-groep><al>De Wet werk en bijstand (Wwb) geeft burgemeester en wethouders de opdracht
                        om zorg te dragen voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden, Nuggers
                        en Anw-ers. De Wwb draagt aan de gemeenteraad op om een verordening vast te
                        stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                        re-integratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak van
                        burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld.</al><al>De basis voor de verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onder
                        a, en tweede lid en artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wwb.</al></al-groep><al-groep><al>Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden
                        welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden. Deze
                        zaken zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de
                                gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                                subdoelgroepen;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;</al></li><li nr="-"><al>de beschikbaarheid van financiële middelen.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>In de gemeente Borger-Odoorn wordt het beleid op een aantal niveaus
                        geregeld:</al><lijst><li nr="1."><al>In de verordening zelf. Hiermee ligt het beleid voor langere duur
                                vast. Het aanpassen van de verordening vergt langere tijd.
                                Uitgangspunt is een verordening vast te stellen waarin de
                                hoofdlijnen geregeld zijn, die een aantal jaren meekan.</al></li><li nr="2."><al>In beleidsregels. Deze geven aan burgemeester en wethouders de
                                mogelijkheid in individuele gevallen af te wijken.</al></li><li nr="3."><al>In het beleidsplan, dat ook door de raad vastgesteld wordt. </al><al>In het beleidsplan zijn o.a. opgenomen premies, subsidies en
                                voorwaarden voor de in deze verordening genoemde voorzieningen.</al></li><li nr="4."><al>In delegatie aan het college (uitvoeringsbesluiten).</al></li></lijst></al-groep><al>In deze verordening wordt dan ook vastgelegd: de verhouding tussen raad en
                    college en daarnaast enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college,
                    de aanspraak op voorzieningen, de inzet van voorzieningen en de rechten en
                    plichten van de cliënt. Al het overige wordt vastgelegd in een beleidsplan,
                    beleidsregels of in uitvoeringsbesluiten van het college.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel worden definities gegeven van begrippen die in de verordening
                    voorkomen en waarvan het van belang is dat er steeds hetzelfde onder wordt
                    verstaan. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepaling uit
                    de Wwb.</al><tussenkop>Artikel 2 Opdracht college</tussenkop><al>De Wwb geeft aan burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid voor het
                    bieden van ondersteuning. Hoewel cliënten aanspraak kunnen maken op
                    ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals
                    de cliënt dat mogelijk het liefst zou zien. Het is aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij
                    zij te maken hebben met beperkte financiële middelen. De vraag naar
                    ondersteuning zal afhankelijk zijn van een veelheid aan sociaal-economische
                    factoren. De huidige en verwachte situatie op de lokale en regionale
                    arbeidsmarkt wordt meegewogen in het traject dat wordt aangeboden.</al><tussenkop>Artikel 3 Beleidsplan</tussenkop><al-groep><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, geeft de Wwb aan de raad de
                        opdracht om het re-integratiebeleid vast te leggen in een verordening. In
                        Borger-Odoorn wordt gekozen voor een systematiek om de verordening meer
                        procedureel te houden en voor verdere uitwerking gebruik te maken van
                        beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten. Het eerste lid geeft daarom aan dat
                        de raad minimaal éénmaal per vier jaar een beleidsplan vaststelt. In dit
                        beleidsplan komen in elk geval aan de orde:</al><lijst><li nr="-"><al>een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende
                                doelgroepen, waarbij de in de wet geformuleerde evenwichtige aanpak
                                als uitgangspunt wordt genomen,</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de aanbesteding inzake de inkoop van de
                                voorzieningen wordt vormgegeven en</al></li><li nr="-"><al>de inzet en de verdeling van de beschikbare financiële
                                middelen.</al></li></lijst></al-groep><al>Het tweede lid is de basis voor verantwoording van het gevoerde beleid. De Wwb
                    geeft aan dat het college elk jaar een voorlopig en een definitief verslag over
                    de uitvoering naar het rijk zendt. Het definitief verslag dient gepaard te gaan
                    met een verklaring van de raad. Daarom is ervoor gekozen expliciet op te nemen
                    dat er een beleidsverslag aan de raad moet worden gezonden. Bij de vormgeving
                    van dit verslag zal worden aangesloten bij de inhoud van het verslag over de
                    uitvoering aan het rijk.</al><tussenkop>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing
                    naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet
                    het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Re-integratie
                    moet de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen
                    de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de
                    (financiële) inspanningen die het kost omdat doel te bereiken.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij
                    burgemeester en wethouders, die immers ook verantwoordelijk zijn voor de
                    effectieve en doelmatige inzet van de middelen. Binnen de grenzen van die
                    verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de cliënt. Voor
                    het slagen van het traject is de motivatie van de cliënt belangrijk. Voordat tot
                    het inzetten van het traject wordt besloten, wordt de inhoud hiervan met cliënt
                    besproken, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend wordt.</al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin de criteria
                    worden verwoord.</al><al>De in het derde lid genoemde voorliggende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld
                    zijn: de bemiddeling richting arbeidsmarkt door het Centrum voor Werk en Inkomen
                    of re-integratie activiteiten die door het Uitvoeringsorgaan
                    Werknemersverzekeringen (UWV) worden aangeboden.</al><tussenkop>Artikel 5 Verplichtingen van de cliënt</tussenkop><al>In de Wwb is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste
                    en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al-groep><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn
                        reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen
                        gehouden. </al><al>Voor diegene zonder uitkering worden voorwaarden aan het
                        re-integratietraject gekoppeld./ ==</al><al>Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject
                        af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand
                        niet mee wil werken aan een onderzoek. Ook kunnen gemaakte kosten van
                        belanghebbende worden teruggevorderd, als door verwijtbaar handelen een
                        traject niet tot het gewenste resultaat leidt. Om die mogelijkheid te kunnen
                        effectueren is het wenselijk dat de belangrijkste voorwaarden voor het
                        behalen van succes als verplichting zijn opgenomen.</al><al>Natuurlijk heeft de cliënt ook rechten. Deze rechten zijn elders in wet- of
                        regelgeving ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze verordening
                        staat bezwaar en beroep open op grond van de Awb. Het recht op inzage in
                        gegevens en zonodig correctie daarvan is geregeld in de Wet bescherming
                        persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Het derde lid verbindt deze re-integratieverordening met de
                        afstemmingsverordening. Deze verordening regelt het opleggen van een
                        maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen
                        voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een
                        bepaald bedrag. Echter, voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen
                        in gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als
                        maatregel. Daarom is in het vierde lid de mogelijkheid opgenomen dat de
                        gemeenten in die gevallen (een deel van) de kosten van het traject kan
                        terugvorderen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6 Criteria ontheffing arbeidsverplichting</tussenkop><al>De in het eerste lid onder a opgenomen situatie dient aan te sluiten bij hetgeen
                    in artikel 9 vierde lid van de Wwb is opgenomen. Hierin is bepaald dat de
                    verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor de
                    alleenstaande ouder met kinderen tot twaalf jaar slechts geldt nadat het college
                    zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende
                    kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
                    cliënt. De belastbaarheid wordt in principe beoordeeld door de consulent werk en
                    inkomen. Bij vergaand verschil van mening over de mate van belastbaarheid dient
                    gekozen te worden voor een advies van een onafhankelijke externe deskundige. De
                    toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van cliënt dient naar
                    individuele omstandigheden te worden bepaald.</al><al>De onder b genoemde situatie wordt, met name bij medische redenen, ondersteund
                    door een extern onafhankelijk deskundig advies. Onder deze omschrijving valt
                    overigens ook psychische problematiek.</al><al>In de wet is bepaald dat een ontheffing slechts tijdelijk wordt verleend. Het
                    tweede lid van dit artikel sluit hierbij aan. </al><al>In het derde lid is bepaald dat het college deze periode kan verlengen nadat een
                    herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Dit is aan de orde als na afloop van de
                    ontheffingsperiode de omstandigheden ongewijzigd zijn of er nieuwe zwaarwegende
                    factoren voor een nieuwe ontheffing aanwezig zijn.</al><tussenkop>Artikel 7 Sluitende aanpak jongeren</tussenkop><al>Doel sluitende aanpak: periode van niet participeren in het arbeidsproces,
                    speciaal voor deze groep zo kort mogelijk te doen zijn. In de praktijk
                    (Work-first) gaat het over dagen of hoogstens weken; niet over maanden.</al><al>De in het eerste lid genoemde voorzieningen behelzen de voorzieningen zoals
                    beschreven in deze verordening. Inzet is om de genoemde termijn van twaalf
                    maanden korter te doen zijn en daarbij aan te sluiten bij het landelijke
                    ingezette beleid van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid.</al><al>De volledige ontheffing van de arbeidsverplichting slaat terug op artikel 6 van
                    deze verordening.</al><al>Van de sluitende aanpak voor jongeren kan slechts worden afgeweken in
                    uitzonderlijke gevallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een baangarantie of
                    ander bron van inkomsten op zeer korte termijn.</al><tussenkop>Artikel 8 Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de
                    middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het in artikel drie
                    genoemde beleidsplan gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter
                    nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel
                    mogelijk te maken kan de gemeente in het beleidsplan subsidie en budgetplafonds
                    instellen.</al><al>De Wwb stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wel kan per voorziening een plafond
                    worden ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open naar andere instrumenten uit te
                    wijken.</al><tussenkop>Artikel 9 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle
                    voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn
                    opgenomen. Het eerste lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende
                    opsomming van voorzieningen bevat. Zo zou bijvoorbeeld een traject richting
                    schuldhulpverlening ingezet kunnen worden als onderdeel van een traject naar
                    arbeidsinschakeling.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bijvoorbeeld worden bepaald dat een cliënt gedurende het traject op gezette
                    tijden met de consulent werk en inkomen de voortgang bespreekt.</al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dit kan doen. Onder beëindigingen wordt hierbij ook verstaan
                    het stopzetten van de subsidie aan de werkgever.</al><al>Het doel van re-integratietrajecten is om belanghebbenden zo snel mogelijk te
                    laten uitstromen naar reguliere arbeid. Als dat in het belang is van het
                    traject, kunnen voorzieningen worden ingezet. Het vierde lid geeft aan dat het
                    re-integratietraject wordt vastgelegd in een trajectplan. In dit plan komen de
                    stappen te staan van het re-integratietraject. Daarnaast worden aanvullende
                    rechten en plichten van de belanghebbende opgenomen.</al><al>Het vijfde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Deze regels worden opgenomen in het beleidsplan.</al><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage in lid f heeft betrekking op
                    de doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij
                    op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage kan op zijn
                    plaats zijn.</al><tussenkop>Artikel 10 Werkstages</tussenkop><al>Werkstages zijn een instrument voor gemeenten om langdurig werklozen te
                    re-integreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat
                    om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken
                    staat centraal. De werkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van
                    vaardigheden in een vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk
                    wordt gemaakt. De werkstage is bedoeld voor leden van de doelgroep die op korte
                    of middellange termijn perspectief op betaald werk hebben.</al><al>Het eerste lid geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van een werkstage. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenoemde
                    ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al>Het derde lid geeft aan dat de werkstage met behoud van uitkering wordt
                    verricht. Het college kan besluiten om een premie te verstrekken als een
                    uitkeringsgerechtigde een werkstage gaat verrichten. Het doel van deze premie is
                    om de uitkeringsgerechtigde extra te stimuleren om mee te werken aan het
                    re-integratietraject. De hoogte van de premie en de voorwaarden worden bepaald
                    in het beleidsplan. Deze premie zal in elk geval, volgens de wettelijke bepaling
                    in artikel 31, lid j, eenmaal per kalenderjaar verstrekt worden.</al><al>Het vierde lid geeft aan dat het college een inleenvergoeding kan gaan vragen.
                    Deze inleenvergoeding zal alleen gevraagd worden als de uitkeringsgerechtigde
                    een zodanige productie kan leveren dat het vragen van een vergoeding hiervoor
                    gerechtvaardigd is.</al><al>Het vijfde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Gezien het doel van
                    de werkstage: het opdoen van specifieke werkervaring of het ‘leren werken’,
                    wordt een periode van maximaal negen maanden voldoende geacht. Dit laatste ook
                    om verdringingseffecten te voorkomen.</al><al>In het zesde lid wordt bepaald dat de werkstage eenmalig met maximaal zes
                    maanden verlengd kan worden. Dit kan echter alleen als daarvoor overtuigende,
                    zwaarwegende argumenten zijn.</al><al>Het zevende lid bepaalt dat indien het college het nodig acht, andere
                    voorzieningen zullen worden ingezet ter ondersteuning van het traject richting
                    arbeidsmarkt.</al><al>In het achtste lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stageovereenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, en de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Artikel 11 Vrijwilligerswerk</tussenkop><al>Vrijwilligerswerk kan gedaan worden in het kader van sociale activering. In
                    principe moet het verrichten van vrijwilligerswerk altijd in het kader van een
                    traject zijn. Vrijwilligerswerk kan verschillende doelen hebben: werkervaring,
                    beroepsoriëntatie, dagbesteding, om iemand uit een sociaal element te halen,
                    etc. Lid één bepaalt dat het college deze voorziening aan een
                    uitkeringsgerechtigde aan kan bieden.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat vrijwilligerswerk in het kader van een
                    re-integratietraject minimaal vijf uren en in principe maximaal 24 uren per week
                    dient te worden verricht. Vrijwilligerswerk wordt alleen bij organisaties
                    verricht zonder winstoogmerk. Bovendien moet het gaan om maatschappelijk nuttige
                    activiteiten. Er is vanaf gezien om in deze verordening een maximale duur vast
                    te stellen. Hierdoor kan dit instrument blijvend ingezet worden voor degenen
                    voor wie uitstroom naar betaald werk (nog) niet mogelijk is, en voor wie het
                    vrijwilligerswerk zelfstandige maatschappelijke participatie als doel heeft. Als
                    vrijwilligerswerk een onderdeel van een traject naar betaald werk is, is de duur
                    uiteraard beperkt: in principe niet langer dan twaalf maanden.</al><al>Het derde lid bepaalt dat het college een onkostenvergoeding kan verstrekken
                    voor het verrichten van vrijwilligerswerk. In artikel 31, tweede lid, onderdeel
                    k wordt de maximale onkostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk
                    bepaald. Deze vergoeding is onbelast en werkt niet door bij inkomensafhankelijke
                    regelingen. De hoogte van de vergoeding wordt vastgelegd in het
                    beleidsplan.</al><al>Het vierde lid bepaalt dat er een vrijwilligerswerkovereenkomst wordt afgesloten
                    waarin het doel van het vrijwilligerswerk, afspraken rond de begeleiding en
                    overige afspraken worden vastgelegd. Deze overeenkomst wordt getekend door de
                    gemeente, de cliënt en de organisatie waarbij het vrijwilligerswerk wordt
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 12 Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Wwb dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                    arbeidsinschakeling. Bij het beleid rond de aanbesteding van re-integratie en
                    sociale activeringstrajecten is door de gemeente Borger-Odoorn duidelijk gekozen
                    voor sociale activering als opstap richting arbeidsmarkt. Het doel van sociale
                    activering is het wegnemen van belemmeringen zodat de cliënt een stap verder
                    komt in zijn traject richting de arbeidsmarkt. In de intake en het daaruit
                    volgende trajectplan dient duidelijk gemaakt te worden wat de belemmeringen van
                    de cliënt zijn. In het trajectplan dient concreet en meetbaar het doel van het
                    traject te worden omschreven: wat zijn de belemmeringen en hoe worden deze
                    weggenomen.</al><al>De termijn voor een sociaal activeringstraject met als doel de opstap naar een
                    re-integratietraject is in principe twaalf maanden.</al><tussenkop>Artikel 13 Werkstartsubsidies gericht op re-integratie</tussenkop><al>De Werkstartsubsidie bestaat uit een gedeelte loonkostensubsidie en een gedeelte
                    kosten</al><al>voor begeleiding. Loonkostensubsidies zijn bekend van bijvoorbeeld de
                    werkervaringsplaatsen uit de Wet inschakeling werkzoekenden, echter, onder de
                    Wwb zijn deze geheel vormvrij geworden. Het doel van de subsidie is om extra
                    werkgelegenheid te bevorderen voor speciale groepen van werklozen die anders
                    geen werk kunnen vinden. De reden hiervoor kan zijn dat deze werklozen door de
                    grotere afstand tot de arbeidsmarkt minder productief zijn, of dat werkgevers
                    door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn om iemand in dienst te nemen
                    vanwege de extra financiële risico’s die hieraan verbonden zijn.</al><al>De Werkstartsubsidie is meer dan alleen een loonkostensubsidie ter compensatie
                    van verminderde arbeidsproductiviteit. Ook de begeleidingskosten zijn opgenomen
                    en maken 50% uit van de Werkstartsubsidie.</al><al>Het beleid van de gemeente komt tot uitdrukking in de hoogte van de
                    Werkstartsubsidie (eventueel gekoppeld aan de mate van productiviteit), de
                    termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing
                    en begeleiding). In het beleidsplan worden deze bepalingen verder
                    uitgewerkt.</al><al>Het eerste lid geeft de basis voor de Werkstartsubsidie, waarbij expliciet wordt
                    aangegeven dat het primair gaat om een re-integratievoorziening. Tevens is hier
                    bepaald dat alleen de doelgroep uitkeringsgerechtigden voor deze subsidie in
                    aanmerking komt. Dit is bepaald om deze vorm van uitstroom beschikbaar te
                    stellen voor de groep waarvoor de gemeente ook financieel verantwoordelijk is.
                    De loonkostensubsidie wordt twaalf maanden verstrekt, en kan eenmalig verlengd
                    worden met twaalf maanden. Ook is hier bepaald dat de Werkstartsubsidie voor 50%
                    uit begeleidingskosten bestaat en voor 50% als loonkostensubsidie gezien kan
                    worden.</al><al>Het derde lid verwijst expliciet naar de beleidsaanbeveling ‘Subsidiëring
                    arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekenden’ van het ministerie
                    van SZW en de Verordening Werkgelegenheidssteun van de EU. Reden hiervan is dat
                    de gemeente zo ontlast wordt van diverse administratieve verplichtingen richting
                    de Europese Gemeenschap. De bepalingen in de Verordening Werkgelegenheidssteun
                    van de EU zijn toegepast in deze Re-integratieverordening.</al><tussenkop>Artikel 14 Scholing</tussenkop><al>In het kader van de trajecten richting arbeidsmarkt kan scholing noodzakelijk
                    zijn. Omdat het aanbod van scholing bijzonder divers is en daarbij ook de duur
                    en kosten erg variabel zijn, is het noodzakelijk om voor het aanbod hiervan
                    nadere randvoorwaarden vast te stellen.</al><al>Het eerste lid bepaalt welke doelgroepen in aanmerking kunnen komen voor een
                    scholingstraject.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het aanbieden van scholing niet op zichzelf staat. In
                    beginsel wordt scholing altijd gecombineerd met sociale activering,
                    vrijwilligerswerk, werkstage, directe bemiddeling en/ of werkzaamheden in het
                    kader van gesubsidieerde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 15 Work First</tussenkop><al>Een ieder die een uitkering aanvraagt, kan verplicht worden tot het verrichten
                    van werkzaamheden in het kader van Work First. Dit heeft meerdere doelen: het
                    actief maken of houden van mensen, voorkomen van sociaal isolement, het opdoen
                    van werkritme.</al><tussenkop>Artikel 16 Bemiddeling</tussenkop><al>Bemiddeling naar reguliere arbeid kan ingezet worden als zelfstandige
                    voorziening, of in combinatie met een van de andere voorzieningen uit deze
                    verordening. De bemiddeling bij arbeidsinschakeling kan door de gemeente zelf
                    gebeuren of door inschakeling van derden.</al><tussenkop>Artikel 17 Inkomstenvrijlating</tussenkop><al>In de wet is opgenomen dat gemeenten de mogelijkheid hebben om in individuele
                    gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten gedurende maximaal een half
                    jaar niet worden verrekend met de bijstand. Doel hiervan is om mensen met een
                    uitkering te stimuleren een gehele of een gedeeltelijke baan te accepteren.</al><tussenkop>Artikel 18 Werkaanvaardingspremie</tussenkop><al>In de wet wordt in artikel 31 bepaald dat er jaarlijks een premie verstrekt kan
                    worden, in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De
                    hoogte van deze premie wordt vastgelegd in het beleidsplan.</al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat wanneer een uitkeringsgerechtigde inkomsten
                    uit arbeid of werkzaamheden als zelfstandige verkrijgt waardoor hij
                    uitkeringsonafhankelijk wordt, hij in aanmerking komt voor een
                    werkaanvaardingspremie. </al><al>In het tweede lid wordt een aantal voorwaarden genoemd. Aanvullende voorwaarden
                    kunnen worden opgenomen in het beleidsplan. </al><al>In het derde lid wordt bepaald dat werknemers met een Wiw of ID dienstverband
                    ook in aanmerking kunnen komen voor de werkaanvaardingspremie.</al><tussenkop>Artikel 19 Premie voor werkgevers bij uitstroom naar regulier
                    werk</tussenkop><al>Werkgevers die een uitkeringsgerechtigde of een werknemer in gesubsidieerde
                    arbeid regulier in dienst nemen, kunnen in aanmerking komen voor een premie. De
                    uitstroom naar werk moet wel duurzaam van aard zijn. Het moet gaan om een
                    dienstverband van minstens zes maanden. </al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de werkgever alleen in aanmerking komt voor
                    de premie als de uitkeringsgerechtigde of de werknemer in gesubsidieerde arbeid
                    hierdoor uitkeringsonafhankelijk wordt. </al><al>In het derde lid wordt bovendien bepaald dat de werknemer zes maanden na aanvang
                    nog aan het werk moet zijn. Het recht op deze premie ontstaat daardoor pas na
                    zes maanden nadat de reguliere arbeidsovereenkomst is in gegaan. </al><tussenkop>Artikel 20 Overige vergoedingen</tussenkop><al>De gemeente kan ter stimulering van de arbeidsinschakeling besluiten diverse
                    kosten te vergoeden voor activiteiten die daartoe bijdragen. In dit artikel zijn
                    als voorbeelden genoemd reiskosten, en kosten voor kinderopvang. Dit is echter
                    geen limitatieve opsomming. Wel dienen de kosten altijd beoordeeld te worden op
                    noodzaak en redelijkheid en op de mogelijkheden voor voorliggende voorzieningen.
                    Te denken valt hierbij aan vergoedingen door de werkgever of fiscale
                    regelingen.</al><tussenkop>Artikel 22 Nadere regels</tussenkop><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><tussenkop>Artikel 23 Uitvoering</tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de Wwb ligt de uitvoering van deze verordening bij het
                    college.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>