<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR222511_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzalen voor de gemeenten in de regio Gooi &amp; Vechtstreek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hei en wei 6-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzalen voor de gemeenten in de regio Gooi &amp; Vechtstreek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET KINDEROPVANG EN KWALITEITSEISEN PEUTERSPEELZALEN">Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, art. 1.61</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=VERORDENING RUIMTE- EN INRICHTINGSEISEN PEUTERSPEELZALEN GEMEENTE BLARICUM">Verordening Ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Blaricum</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-12-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>collegebesluit 19-11-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Dit beleid vervangt de notitie handhaving kinderopvang voor de gemeenten in de regio Gooi &amp; Vechtstreek vastgesteld op 6 oktober 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5117</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5118</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavingsbeleid Kinderopvang en Peuterspeelzalen voor de gemeenten in de regio
            Gooi &amp; Vechtstreek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Toelichting </al><al> Algemeen</al><al/><al> Het college hanteert het Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang en
                        Peuterspeelzalen bij het uitvoeren van de handhavingacties die nodig zijn
                        indien een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening
                        voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer
                        kwaliteitseisen van de Wko en alle daaruit voortvloeiende regelgeving,
                        waaronder het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (verder:
                        Besluit kwaliteit), de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
                        (verder: Regeling kwaliteit), de Beleidsregels werkwijze toezichthouder 2012
                        en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. In het
                        model zijn de algemene stappen opgenomen die het college kan hanteren bij
                        geconstateerde overtredingen van de kwaliteitseisen. </al><al/><al>Handhaving is maatwerk en zal in elke situatie apart afgewogen moeten
                        worden. Proportionaliteit is daarbij van belang. Daardoor zijn niet
                        automatisch alle genoemde stappen onverkort van toepassing op een
                        geconstateerde overtreding. Telkens zal afgewogen worden of toepassing in
                        dit specifieke geval onder meer proportioneel is.</al><al/><al>Dit Afwegingsmodel heeft als basis de model(inspectie)rapporten van GGD
                        Nederland. De voorwaarden in het rapport en het Afwegingsmodel zijn gelijk.
                        Voor de leesbaarheid van het Afwegingsmodel zijn diverse voetnoten die in
                        het modelrapport zijn opgenomen ten behoeve van de inspectie, niet
                        overgenomen in het Afwegingsmodel. Dit betekent echter niet dat de
                        toelichtingen in de voetnoten niet van overeenkomstige toepassing zijn op de
                        bepalingen van het Afwegingsmodel.</al><al/><al/><al> Start handhavingtraject</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Handhaving voorschoolse educatie</titel></kop><structuurtekst><al>Voorschoolse educatie wordt door het college slechts getoetst en
                            gehandhaafd voor zover het gesubsidieerde voorschoolse educatie betreft.
                            Voor voorschoolse educatie kan door het college gekozen worden om bij
                            tekortkomingen te handhaven via de subsidie(-voorwaarden) of op grond
                            van de Wko. Indien gekozen wordt voor de Wko is onderhavig
                            handhavingsbeleid van toepassing. Wordt gekozen voor handhaving via de
                            subsidie dan zijn de subsidieverordening en de subsidiebeschikking met
                            de subsidievoorwaarden van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Verschillende soorten sancties</titel></kop><structuurtekst><al>Binnen de handhaving kunnen twee typen sancties onderscheiden worden, te
                            weten herstellende sancties en bestraffende sancties. Doordat beide
                            sancties een verschillend doel dienen in het geval van een overtreding
                            kunnen beide handhavingtrajecten zowel gelijktijdig als afzonderlijk
                            worden gestart.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel>A. Herstellende sancties</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een herstellende sanctie
                                wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie
                                die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of
                                beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van
                                een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de
                                gevolgen van een overtreding.</al><al/><al>Hieruit volgt dat het doel van de herstellende sanctie met name
                                gelegen is in het voorkomen van voortduren van de overtreding en/of
                                herhaling in de toekomst. Bestraffing van reeds begane overtredingen
                                kan via de bestraffende sanctie (zie hieronder).</al><al/><al>Welke herstellende sancties worden er onderscheiden binnen dit
                                handhavingsbeleid?</al><al/><al><vet>Stap 1 Aanwijzing</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
                                zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een
                                gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of
                                krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2,
                                afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de
                                ‘kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de
                                houder een schriftelijke aanwijzing geven. In een aanwijzing wordt
                                met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde
                                voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook
                                wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen dienen te
                                worden.</al><al/><al> Hersteltermijn </al><al>Bij een aanwijzing wordt de houder een hersteltermijn gegeven. De
                                hersteltermijn wordt bepaald door de zwaarte van de overtreding,
                                welke zichtbaar wordt via de prioritering. De hersteltermijn in dit
                                model wordt aangegeven in een bandbreedte. De handhaver geeft per
                                concreet geval de exacte hersteltermijn aan. Na het verstrijken van
                                de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter
                                controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken
                                opvragen dan wel opdracht geven voor een herinspectie. Is de
                                overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden
                                ingezet.</al><al/><al><vet>Stap 2 Last onder dwangsom</vet></al><al>Onder last onder dwangsom wordt verstaan:</al><al> a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
                                en</al><al> b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet
                                of niet tijdig wordt uitgevoerd.</al><al/><al> De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor
                                een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder
                                dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een
                                nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel
                                een nieuw besluit. Verschil tussen een last onder dwangsom en een
                                preventieve dwangsom Van een preventieve last is sprake als de last
                                wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden.
                                Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk
                                dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid
                                grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. Het verschil met een
                                ‘gewone’ last onder dwangsom is, dat deze ‘gewone’ last opgelegd
                                wordt als herstelsanctie, nadat een overtreding heeft
                                plaatsgevonden. Dit kan diverse doelen hebben, onder meer het
                                ongedaan maken van een overtreding en het voorkomen van herhaling.
                                Als een overtreding heeft plaatsgevonden, maar inmiddels wel is
                                hersteld, kan dus een nog steeds een last onder dwangsom worden
                                opgelegd ter voorkoming van herhaling. Hiervoor geldt als criterium
                                of er gegronde vrees voor herhaling bestaat. Of eventueel Last onder
                                bestuursdwang </al><al>Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan:</al><al> a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
                                en</al><al> b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk
                                handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig
                                wordt uitgevoerd.</al><al> In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf
                                de overtreding op te lossen (op kosten van de overtreder) kan een
                                last onder bestuursdwang opgelegd worden. Door de aanvullende
                                sanctie van een exploitatieverbod binnen de handhaving kinderopvang
                                en peuterspeelzalen zijn er nog maar weinig overtredingen die zich
                                daarnaast lenen voor toepassing van bestuursdwang.</al><al><vet>Stap 3 Exploitatieverbod</vet></al><al>Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een
                                kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een
                                gastouderbureau voort te zetten dan wel verbieden de instandhouding
                                van een peuterspeelzaal voort te zetten. Dit kan het college zolang
                                de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van
                                een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.</al><al/><al> Ook kan het college de houder verbieden de locatie in exploitatie
                                te nemen, zolang niet of niet langer aan de kwaliteitseisen uit
                                hoofdstuk 1, afdeling 3, paragraaf 2 of hoofdstuk 2, afdeling 2,
                                paragraaf 2 is voldaan. </al><al/><al><vet>Stap 4 Verwijdering uit het register kinderopvang of het register
                                peuterspeelzaalwerk</vet></al><al>Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van
                                handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het
                                register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen:</al><al> • indien is gebleken dat de houder niet langer de organisatie voor
                                kinderopvang exploiteert;</al><al> • indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de
                                houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij
                                en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 of hoofdstuk
                                2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 van de Wko gegeven
                                voorschriften;</al><al> • indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de
                                organisatie voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet daadwerkelijk
                                is aangevangen.</al><al/><al>Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register,
                                is er geen sprake meer van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk in de
                                zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale
                                kinderopvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar
                                Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.
                                Doordat een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of
                                een gastouderbureau uit het register is verwijderd, wordt ook de
                                grond voor het recht op kinderopvangtoeslag voor vraagouders
                                beëindigd.</al><al> Verloop herstellend handhavingtraject </al><al>Een herstellend handhavingtraject verloopt in beginsel volgens de
                                hierboven beschreven stappen. Er kunnen zich echter situaties
                                voordoen, waarin het naar beoordeling van het college
                                gerechtvaardigd is om, gezien de aard en/of ernst van de
                                overtreding, bepaalde stappen ‘over te slaan’ en direct over te gaan
                                tot inzet van een zwaardere sanctie. Eén van de situaties waarin dit
                                zich kan voordoen is recidive.</al><al> NB Schriftelijk bevel </al><al>Dit is een handhavingsmiddel dat in spoedeisende gevallen door de
                                GGD-inspecteur direct tijdens een inspectie ingezet kan worden. Het
                                middel wordt door de GGD-inspecteur ingezet en niet door het
                                college. Daarom wordt dit bevel in dit Afwegingsmodel niet nader
                                genoemd. Inzet van dit middel wordt door de GGD-inspecteur bepaald.
                                De GGD geeft een bevel indien hij van mening is dat de kwaliteit bij
                                een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal zodanig
                                tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen
                                uitstel kan lijden. In geval van overtredingen met een lage of
                                gemiddelde prioritering zal hier niet snel sprake van zijn.</al><al/><al/><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel>B. Bestraffende sancties</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 5:2 Awb wordt bepaald wat onder een bestraffende sanctie
                                wordt verstaan. Hieronder wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie
                                voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.</al><al>Een bestraffende sanctie bestraft een overtreding die ‘in het
                                verleden’ begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat
                                feit wordt bestraft. De vorm van een bestraffende sanctie onder de
                                Wko is de bestuurlijke boete.</al><al> Een bestuurlijke boete kan apart, maar ook gelijktijdig met een
                                herstellend handhavingtraject worden opgelegd. </al><al> Grondslag bestuurlijke boete </al><al>Bij kindercentra, voorzieningen voor
                                gastouderopvang en gastouderbureau’s </al><al>Op grond van art.1.72 Wko is het college bevoegd terzake een aantal
                                overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke
                                boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.</al><al> Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder
                                geval aangewezen in de volgende situaties:</al><al> • In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij of
                                krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.60a Wko (hoofdstuk 1
                                afdeling 3 Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor
                                gastouderopvang en gastouderbureaus);</al><al> • In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 1.65
                                WKo) niet nakomt;</al><al> • In geval de houder een kindercentrum, voorziening voor
                                gastouderopvang of GOB blijft exploiteren, terwijl op grond van
                                artikel 1.66 Wko aan hem een exploitatieverbod is opgelegd;</al><al> • In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een
                                toezichthouder (art. 5:20 Awb);</al><al> • In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet
                                op het primair onderwijs niet nakomt.</al><al> Bij voorziening voor gastouderopvang </al><al>Voorzieningen voor gastouderopvang vallen volledig onder het regime
                                van toezicht en handhaving en daarbij is ook de mogelijkheid om een
                                bestuurlijke boete op te leggen van toepassing. Een voorziening voor
                                gastouderopvang is echter toch een bijzonder object van toezicht en
                                handhaving. Derhalve is er voor gekozen niet vooraf in dit model
                                boetebedragen te noemen voor overtredingen in het hoofdstuk
                                ‘gastouderopvang’. Indien het college een overtreding van een
                                voorziening voor gastouderopvang wil sanctioneren met een
                                bestuurlijke boete, zal in dat geval het boetebedrag bepaald worden,
                                met inachtneming van de algemene bepalingen hieromtrent in dit
                                handhavingsbeleid. Daarbij kan bijvoorbeeld een relatie worden
                                gelegd met de boetebedragen zoals die zijn bepaald binnen de
                                dagopvang.</al><al> Bij peuterspeelzalen </al><al>Voor peuterspeelzalen geldt dat de mogelijkheid om een bestuurlijke
                                boete op te leggen, is bepaald in artikel 2.28 Wko. Artikel 2.27 Wko
                                bepaalt daarnaast dat een bestuurlijke boete alleen opgelegd kan
                                worden aan niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Dit betekent dat
                                het onderdeel ‘bestraffende sanctie’ in dit Afwegingsmodel alleen
                                van toepassing is op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.</al><al> Bij gesubsidieerde peuterspeelzalen kan wel via de subsidie
                                ingegrepen worden.</al><al> Op grond van artikel 2.28 Wko is het college bevoegd terzake een
                                aantal overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Een
                                bestuurlijke boete mag ten hoogste € 45.000 bedragen.</al><al> Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder
                                geval aangewezen in de volgende situaties:</al><al> • In geval van overtreding van een of meer van de bepalingen bij of
                                krachtens de artikelen 2.2 tot en met 2.13 Wko (hoofdstuk 2 afdeling
                                2 Kwaliteit peuterspeelzalen);</al><al> • In geval de houder een opgelegde aanwijzing of bevel (art 2.23
                                WKo) niet nakomt;</al><al> • In geval de houder een peuterspeelzaal in stand blijft houden
                                terwijl op grond van artikel 2.24 Wko de voortzetting van de
                                instandhouding is verboden;</al><al> • In geval de houder weigert zijn medewerking te verlenen aan een
                                toezichthouder (art. 5:20 Awb);</al><al> • In geval een houder een afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet
                                op het primair onderwijs niet nakomt.</al><al/><al> Hoogte bestuurlijke boete </al><al>De in dit handhavingsbeleid genoemde boetebedragen zijn richtlijnen.
                                Per geconstateerde overtreding zal bepaald moeten worden of het
                                genoemde boetebedrag proportioneel is. Het college stemt de
                                bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate
                                waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het college houdt
                                daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de
                                overtreding is gepleegd.</al><al> Boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden </al><al>Van boeteverhogende of –verlagende omstandigheden kan bijvoorbeeld
                                sprake zijn, in geval van:</al><al> • recidive door de houder (boeteverhogend);</al><al> • opzettelijk niet naleven van de bij of krachtens de Wko gestelde
                                voorschriften (boeteverhogend).</al><al/><al> Matiging </al><al>Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen,
                                indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst
                                van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden
                                waaronder de overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de
                                overtreder verkeert, boeteoplegging volgens dit Afwegingsmodel
                                onevenredig is. Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn, indien
                                sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling
                                van dit Afwegingsmodel niet is voorzien.</al><al/><al/><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Paragraaf 3 Gebruikte afkortingen</titel></kop><structuurtekst><al>Art: artikel</al><al> Artt: artikelen</al><al> Awb: Algemene wet bestuursrecht</al><al> Besluit kwaliteit: Besluit kwaliteit kinderopvang en
                            peuterspeelzalen</al><al> Besluit registers: Besluit registers kinderopvang en
                            peuterspeelzaalwerk</al><al> BSO: buitenschoolse opvang</al><al> GOB: gastouderbureau</al><al> Kdv: kinderdagverblijf</al><al> Psz: peuterspeelzaal</al><al> VGO: voorziening voor gastouderopvang</al><al> Regeling kwaliteit: Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
                            2012</al><al> Wkcz: Wet klachtrecht cliënten zorgsector</al><al> Wko: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>secretaris, burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> A. Hogendoorn mw. J.N. de Zwart-Bloch, burgemeester</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Blaricum/i232392.pdf">Regionaal afwegingsmodel gemeente Blaricum</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Blaricum/i232393.pdf">Regionaal handhavingsmodel</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>