<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22192_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Exploitatieverordening gemeente Vlissingen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2005, IV.04</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Exploitatieverordening gemeente Vlissingen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de ruimtelijke ordening, art. 42</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 222</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-05-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Exploitatieverordening gemeente Vlissingen 1994</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>EXPLOITATIEVERORDENING VLISSINGEN 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Medewerking verlenen aan het in exploitatie brengen van gronden:
                                    het door of met medewerking van de gemeente treffen van
                                    voorzieningen van openbaar nut, waardoor de in het
                                    exploitatiegebied gelegen onroerende zaken worden gebaat.</al></li><li nr="b."><al>Exploitatiegebied: een als zodanig aangewezen gebied, waarbinnen
                                    de onroerende zaken zijn gelegen die worden gebaat door de
                                    voorzieningen van openbaar nut die door of met medewerking van
                                    de gemeente worden getroffen.</al></li><li nr="c."><al>Exploitant: de eigenaar of rechthebbende van een in het
                                    exploitatiegebied gelegen onroerende zaak die als gevolg van het
                                    door of met medewerking van de gemeente treffen van
                                    voorzieningen van openbaar nut wordt gebaat.</al></li><li nr="d."><al>Kostenbegroting: begroting van kosten en opbrengsten op basis
                                    waarvan de door een exploitant verschuldigde exploitatiebijdrage
                                    wordt vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><al>Tot het treffen van voorzieningen van openbaar nut waardoor onroerende
                            zaken worden gebaat, worden gerekend: </al><lijst><li nr="1."><al>de aanleg binnen een exploitatiegebied van de hieronder vermelde
                                    werken en werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken
                                            met inbegrip van het egaliseren, ophogen en
                                            afgraven;</al></li><li nr="b."><al>riolering met inbegrip van bijbehorende werken;</al></li><li nr="c."><al>wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en
                                            rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, bruggen,
                                            tunnels en andere rechtstreeks met de aanleg van deze
                                            voorzieningen van openbaar nut en kunstwerken verband
                                            houdende werken;</al></li><li nr="d."><al>plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder
                                            begrepen de aanleg en de inrichting van openbare
                                            speelplaatsen en speelweiden alsmede de sierende
                                            elementen die rechtstreeks voortvloeien uit een juiste
                                            uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;</al></li><li nr="e."><al>openbare verlichting en brandkranen met de nodige
                                            aansluitingen;</al></li><li nr="f."><al>het verrichten van bodemonderzoek en -sanering,
                                            voorzover het de ondergrond van voorzieningen van
                                            openbaar nut betreft en voorzover de daarmee verband
                                            houdende kosten niet op andere wijze kunnen worden
                                            verhaald;</al></li><li nr="g."><al>het treffen van milieutechnisch noodzakelijke
                                            maatregelen en voorzieningen van openbaar nut ter
                                            uitvoering van een bestemmingsplan;</al></li><li nr="h."><al>alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor
                                            een doeltreffende aanleg van voorzieningen van openbaar
                                            nut.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de aanleg van de in het eerste lid vermelde werken en
                                    werkzaamheden buiten het exploitatiegebied, voor zover de binnen
                                    het exploitatiegebied liggende onroerende zaken hierdoor direct
                                    danwel indirect worden gebaat.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Exploitatie op initiatief van de gemeente</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitvoering van voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut worden
                                uitsluitend door de gemeente aangelegd, tenzij deze behoren tot de
                                taken van een ander publiekrechtelijk lichaam.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college
                                besluiten de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de door de
                                gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de
                                exploitant over te laten, indien vaststaat dat een goede uitvoering
                                is gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval zoals bedoeld in het tweede lid, is het bepaalde in de
                                artikelen 4 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling kostenverhaalsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat met het treffen van de in artikel 2 genoemde voorzieningen
                                van openbaar nut wordt aangevangen, wordt door de gemeenteraad een
                                kostenverhaalsbesluit vastgesteld, waarin wordt aangegeven op welke
                                wijze en tot welke omvang de aan die voorzieningen verbonden kosten
                                zullen worden verhaald. Het besluit wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde besluit bevat in ieder geval de
                                volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van de
                                        daarin gelegen en gebate onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren
                                        voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="c."><al>een kostenbegroting verband houdende met de uitvoering van
                                        de onder b. genoemde voorzieningen van openbaar nut, zoals
                                        bedoeld in artikel 5. In afwijking van het bepaalde in de
                                        vorige volzin kan in het besluit zoals bedoeld in het eerste
                                        lid, worden bepaald dat de kostenbegroting op een later
                                        tijdstip wordt vastgesteld. Het besluit tot vaststelling van
                                        de kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig
                                        artikel 139 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, wat betreft de
                                door de gemeente in eigendom verkregen in het exploitatiegebied
                                liggende onroerende zaken, het verhaal van kosten zo veel mogelijk
                                plaatsvindt via de gronduitgifte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, wat betreft de
                                niet door de gemeente in eigendom verkregen en in het
                                exploitatiegebied liggende gebate onroerende zaken, het verhaal van
                                kosten in beginsel plaatsvindt op basis van een overeenkomst zoals
                                bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Tevens wordt bepaald dat,
                                ingeval op enigerlei wijze niet kan worden gekomen tot het aangaan
                                van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 van deze
                                verordening, het kostenverhaal in daarvoor in aanmerking komende
                                gevallen kan plaatsvinden door middel van de vaststelling van een
                                baatbelasting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De kostenbegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kostenbegroting bevat in elk geval de volgende gegevens:</al><al>1. Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                                exploitatie brengen van gronden verband houdende kosten, te
                                weten:</al><al>a. de inbrengwaarde van de binnen het exploitatiegebied gelegen
                                gronden, zijnde de waarde van de grond vermeerderd met de waarde van
                                de opstallen die voor de verwezenlijking van de bestemming niet
                                gehandhaafd kunnen worden, en met de kosten van vrijmaken van
                                opstallen – met inbegrip van de zich in de grond bevindende resten,
                                zoals funderingen, leidingen en kabels – persoonlijke rechten en
                                lasten, eigendom, bezit of beperkt recht, zakelijke lasten alsmede
                                de kosten van schadevergoedingen;</al><al>b. de kosten van planontwikkeling, -voorbereiding, -beheer en
                                -toezicht. Onder deze kosten wordt ten minste verstaan: de kosten
                                verband houdende met het opstellen van structuur- en
                                bestemmingsplannen, het opstellen van planmatige uitwerkingen of
                                wijzigingen, het vervaardigen van besluiten tot het verlenen van
                                vrijstelling van een bestemmingsplan alsmede van overige
                                planologische maatregelen voor zoveel deze nodig zijn voor het in
                                exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied;</al><al>c. de kosten van de in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar
                                nut, voorzover deze verband houden met het verlenen van medewerking
                                aan het in exploitatie brengen van gronden binnen het
                                exploitatiegebied, alsmede de daarmee verband houdende kosten van
                                onderzoeken, voorbereiding en toezicht;</al><al>d. de kosten van het gemeentelijk apparaat, voorzover dit
                                rechtstreeks aan het in exploitatie brengen van gronden kan worden
                                toegerekend;</al><al>e. de rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten verminderd
                                met rente-opbrengsten;</al><al>f. overige kosten die in beginsel ten laste van de grondexploitatie
                                behoren te worden gebracht.</al><al>2. Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                                exploitatie brengen van gronden verband houdende opbrengsten,
                                bestaande uit:</al><al>a. doelsubsidies;</al><al>b. verkoop van gronden;</al><al>c. bijdragen in de kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar
                                nut, hetzij via overeenkomst hetzij via baatbelasting;</al><al>d. overige bijdragen.</al><al>3. De wijze van toerekening van de totale onder sub 1. en 2. van dit
                                artikellid bedoelde kosten en opbrengsten aan de onroerende zaken in
                                het exploitatiegebied naar de mate van de baat die de onroerende
                                zaken hebben van het samenhangend geheel van voorzieningen van
                                openbaar nut zoals bedoeld in artikel 2 van deze verordening. De
                                mate van baat wordt aangeduid met inachtneming van hetgeen
                                hieromtrent in artikel 6 is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de opstelling van de kostenbegroting wordt ervan uitgegaan dat
                                het exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in exploitatie
                                zal worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Periodiek wordt nagegaan of optredende loon- en/of prijswijzigingen
                                danwel andere optredende wijzigingen met betrekking tot het in
                                exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied
                                aanleiding geven om de kostenbegroting te herzien. Het besluit tot
                                herziening van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig
                                artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid, onder 1 sub a. is niet van
                                toepassing ten aanzien van de binnen een exploitatiegebied gelegen
                                en gebate gronden die als gevolg van de voorzieningen van openbaar
                                nut niet geschikt worden voor bebouwing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Naast het bepaalde in het vierde lid wordt de raming van de in het
                                eerste lid, onder 1 sub a. bedoelde inbrengwaarde van de gronden
                                beperkt tot de gronden die zijn bestemd voor het treffen van
                                voorzieningen van openbaar nut, ingeval er sprake is van een
                                exploitatiegebied waarvoor geldt dat de voorzieningen van openbaar
                                nut niet in hoofdzaak gericht zijn op het geschikt maken voor
                                bebouwing van onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Grondslag voor toerekening baat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toerekening van de baat wordt als rekeneenheid gebruikt het
                                gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied
                                gemaakte of te maken kosten per m² grondoppervlakte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de grondoppervlakte zoals bedoeld in het eerste lid, wordt
                                verstaan de kadastrale oppervlakte van de gebate onroerende zaken,
                                waar mogelijk ingedeeld naar de in een bestemmingsplan opgenomen
                                geprojecteerde kavels (bouw)grond, vermenigvuldigd met factoren voor
                                ligging en bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin de
                                baat van de van gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar
                                nut tot uitdrukking komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de toerekening op basis van m² grondoppervlakte onvoldoende
                                uitdrukking geeft aan de in het exploitatiegebied opgenomen
                                verschillen in toerekening van baat, geschiedt de toerekening op
                                basis van een nader in de kostenbegroting zoals bedoeld in artikel
                                5, te bepalen grondslag die voorziet in de aanwezige verschillen in
                                baat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud exploitatieovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verhaal van kosten van het treffen van voorzieningen van
                                openbaar nut vindt, wat betreft de in het exploitatiegebied liggende
                                onroerende zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente, indien
                                dienaangaande tot overeenstemming kan worden gekomen met de
                                exploitant, plaats op basis van een exploitatieovereenkomst. Van de
                                exploitatieovereenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien het afstand
                                doen van gronden, zoals bedoeld in het derde lid onder d., onderdeel
                                uitmaakt van de overeenkomst, wordt hiervan een notariële akte
                                opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten tot het aangaan van een
                                exploitatieovereenkomst nadat een kostenbegroting zoals bedoeld in
                                artikel 5, is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder
                                geval bepalingen omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de omvang van de door de gemeente te treffen
                                        voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="b."><al>het tijdvak waarbinnen de onder a. genoemde voorzieningen
                                        zullen worden uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al>de ten laste van de exploitant komende bijdrage, vastgesteld
                                        volgens de artikelen 5 en 6;</al></li><li nr="d."><al>in voorkomende gevallen het afstand doen van gronden aan de
                                        gemeente, voorzover die gronden zijn bestemd voor de aanleg
                                        c.q. aanpassing van voorzieningen van openbaar nut.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval toepassing is gegeven aan artikel 3, tweede lid, kan in
                                de exploitatie-overeenkomst, onverminderd het gestelde in het derde
                                lid, worden bepaald dat:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de door exploitant uit te voeren werken een
                                        aannemingsovereenkomst wordt gesloten, waarbij de gemeente
                                        als opdrachtgever en de exploitant als aannemer wordt
                                        aangemerkt, en de directievoering en het toezicht op de door
                                        de exploitant uit te voeren werken geschieden door of
                                        vanwege de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de aanneemsom in de onder a. genoemde overeenkomst wordt
                                        vastgesteld op een pro-formabedrag van € 1,-, zulks met
                                        inachtneming van hetgeen in artikel 8, derde lid is
                                        bepaald.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vaststelling exploitatiebijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 7 genoemde exploitant betaalt als bijdrage in de
                                kosten van voorzieningen van openbaar nut het bedrag dat volgens de
                                in de artikelen 5 en 6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak
                                wordt toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van de in
                                artikel 7, derde lid, sub d. bedoelde gronden vallende en de kosten
                                van kadastrale uitmeting, verminderd met de inbrengwaarde zoals
                                bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1, onder a. van de bij de
                                exploitant in eigendom zijnde of door exploitant in eigendom te
                                verkrijgen gebate gronden, en van de gronden die zijn bestemd voor
                                het treffen van voorzieningen van openbaar nut en door exploitant
                                aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waarde van de door de exploitant ingebrachte grond, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, wordt door de gemeente in overeenstemming met de
                                exploitant op basis van taxatie vastgesteld. Bij het ontbreken van
                                overeenstemming wordt de waarde van de gronden vastgesteld door een
                                commissie van drie deskundigen, van wie een aan te wijzen door de
                                gemeente, een door de exploitant en een door de beide reeds
                                aangewezen deskundigen. Wordt over de aanwijzing van laatstgenoemde
                                deskundige geen overeenstemming verkregen, dan maken de aangewezen
                                deskundigen tezamen dit bekend aan de opdrachtgevers, waarna de
                                meest gerede partij, onder bekendmaking aan de wederpartij, de
                                kantonrechter in het kanton waartoe de gemeente behoort, kan
                                verzoeken deze deskundige te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
                                artikel wordt in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 3,
                                tweede lid, de ten laste van de exploitant komende bijdrage als
                                volgt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>de bijdrage zoals deze op grond van de in de artikelen 5 en
                                        6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak wordt
                                        toegerekend, wordt vermeerderd met de kosten op de afstand
                                        van de in artikel 7, derde lid, sub d. bedoelde gronden
                                        vallende en de kosten van kadastrale uitmeting;</al></li><li nr="b."><al>de onder a. genoemde bijdrage wordt verminderd met:</al><al>1. de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak van
                                        exploitant behorende gronden. Het bepaalde in het tweede lid
                                        van dit artikel is van overeenkomstige toepassing;</al><al>2. het in de kostenbegroting opgenomen bedrag aan kosten
                                        zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1 onder b. tot
                                        en met f., voorzover de uitvoering van de daarmee verband
                                        houdende werken en werkzaamheden voor risico en rekening
                                        komt van de exploitant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bepaalde in artikel 5, vierde en/of vijfde lid toepassing
                                heeft verkregen, wordt de ten laste van de exploitant komende
                                bijdrage bepaald op de voet van lid 1 en 3 van dit artikel, met dien
                                verstande dat de in het eerste lid en derde lid onder b, sub 1.
                                bedoelde vermindering beperkt is tot de inbrengwaarde van de gronden
                                die zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut
                                en door de exploitant aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Exploitatie op verzoek van exploitant</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende kan het college verzoeken tot het verlenen van
                                medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                                gronden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te
                                        brengen onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>gegevens waaruit blijkt dat de belanghebbende de eigendom
                                        van de in exploitatie te brengen onroerende zaken heeft
                                        verkregen of kan verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>gegevens omtrent de door belanghebbende te treffen
                                        (bouw)werkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval het college een aanvraag voor een bouwvergunning zoals
                                bedoeld in de Woningwet, eventueel in combinatie met een verzoek om
                                vrijstelling ontvangt, waarbij in geval van verlening van de
                                vrijstelling en/of bouwvergunning van gemeentewege voorzieningen van
                                openbaar nut zoals bedoeld in artikel 2 van deze verordening moeten
                                worden getroffen, wordt dit vóór de beslissing op de aanvraag
                                bekendgemaakt aan de aanvrager. Daarbij maakt het college een door
                                hen vast te stellen aanduiding van het exploitatiegebied en
                                kostenbegroting aan de exploitant bekend. Het bepaalde in artikel 5,
                                met uitzondering van het bepaalde in de slotzin van het derde lid,
                                is van overeenkomstige toepassing. Tevens wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen bij het college voor
                                medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                                gronden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist binnen zes maanden na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent slechts medewerking aan het op verzoek van
                                exploitant in exploitatie brengen van gronden krachtens een
                                overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat de
                                in artikel 7 bedoelde kostenbegroting en de daarmee verband houdende
                                aanduiding van het exploitatiegebied wordt vastgesteld door het
                                college. De kostenbegroting en de aanduiding van het
                                exploitatiegebied worden bekendgemaakt aan de exploitant. Het
                                bepaalde in artikel 5, derde lid, slotzin is niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De medewerking behoeft niet te worden verleend, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een
                                        gebied waarvoor een bestemmingsplan, gericht op de
                                        voorgenomen exploitatie van gronden, geldt;</al></li><li nr="b."><al>de door exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden zouden
                                        leiden tot strijd met de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al>het treffen van de voorzieningen van openbaar nut, hoewel
                                        overeenkomstig een bestemmingsplan, anderszins zou leiden
                                        tot strijd met belangen van een doeltreffende uitbreiding
                                        van bebouwing en/of herinrichting;</al></li><li nr="d."><al>het in exploitatie brengen van grond anderszins tot grote
                                        kosten of bezwaren zou leiden, met name ten aanzien van het
                                        doeltreffend voorzien in watervoorziening, openbare
                                        verlichting, riolering, etc.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing omtrent een aanvraag kan worden aangehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>ingeval de procedure tot goedkeuring van een van toepassing
                                        zijnd bestemmingsplan of herziening daarvan nog niet is
                                        afgerond, tot vier weken na het onherroepelijk worden van
                                        het bestemmingsplan of de herziening daarvan;</al></li><li nr="b."><al>ingeval voorzienbaar is dat de in het tweede lid genoemde
                                        belemmeringen binnen afzienbare tijd zullen kunnen worden
                                        weggenomen, tot vier weken nadat deze belemmeringen zijn
                                        weggenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een aanvraag is ingekomen met betrekking tot een onroerende
                                zaak, voor welke werken in het daarbij behorende exploitatiegebied
                                reeds een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is
                                genomen, maakt het college dit aan de exploitant bekend. Naast de
                                hiervoor genoemde bekendmaking wordt aan exploitant tevens een
                                ontwerpovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, aangeboden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>IV</nr><titel>Relatie gronduitgifte en andere kostenverhaalsinstrumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Relatie baatbelasting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een gebied waarvoor een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in
                                artikel 4 is genomen, zal, indien een exploitant een overeenkomst
                                zoals bedoeld in artikel 7 aangaat, in de overeenkomst worden
                                bepaald dat met betrekking tot de uitvoering van de in deze
                                overeenkomst genoemde voorzieningen van openbaar nut geen aanvullend
                                kostenverhaal op basis van baatbelasting ten laste van de
                                desbetreffende onroerende zaak zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een exploitant, in een gebied waarvoor een
                                kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is opgenomen, niet
                                bereid is tot het aangaan van de in artikel 7 genoemde overeenkomst,
                                maakt het college aan exploitant bekend dat het kostenverhaal kan
                                plaatsvinden door middel van een baatbelasting, zulks overeenkomstig
                                de bepalingen als opgenomen in het kostenverhaalsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Relatie andere overeenkomsten</titel></kop><al>Indien van gemeentewege een overeenkomst wordt aangegaan die naast het
                            kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van het in
                            exploitatie brengen van gronden nog andere elementen bevat, dan vindt de
                            vaststelling van de via een dergelijke overeenkomst totstandgekomen
                            exploitatiebijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut
                            plaats op basis van het gestelde in deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>V</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de
                                datum van inwerkingtreding van deze verordening met het treffen van
                                voorzieningen van openbaar nut is aangevangen, deze voorzieningen
                                niet geheel zijn voltooid en waarvoor geen kostenverhaalsbesluit of
                                afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld, vinden de bepalingen
                                van deze verordening voor dat exploitatiegebied, voor zover nodig,
                                op een aan die situatie aangepaste wijze toepassing. In elk geval
                                geldt daarbij dat, indien binnen dat exploitatiegebied wordt gekomen
                                tot een exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, de
                                vaststelling van de daarin op te nemen financiële bijdrage geschiedt
                                op basis van een door de gemeenteraad vast te stellen
                                kostenbegroting zoals bedoeld in artikel 5. Het besluit tot
                                vaststelling van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de
                                datum van inwerkingtreding van deze verordening een
                                kostenverhaalsbesluit of afzonderlijke kostenbegroting is
                                vastgesteld, blijft de ‘Exploitatieverordening gemeente Vlissingen
                                1994’ van toepassing tot twee jaren nadat de ten behoeve van dat
                                exploitatiegebied getroffen en/of te treffen voorzieningen van
                                openbaar nut geheel zijn voltooid met dien verstande dat, voor zover
                                van belang in afwijking van de Exploitatieverordening gemeente
                                Vlissingen 1994, het aangaan van overeenkomsten geschiedt door het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van een voor de datum van inwerkingtreding van deze
                                verordening ontvangen aanvraag tot het verlenen van medewerking aan
                                het in exploitatie brengen van gronden, waarop voor de datum van
                                inwerkingtreding van deze verordening niet is beslist, blijft de
                                ‘Exploitatieverordening gemeente Vlissingen 1994’ van toepassing tot
                                op de aanvraag is beslist, met dien verstande dat, indien tot het
                                treffen van voorzieningen van openbaar nut wordt besloten,
                                laatstgenoemde verordening van toepassing blijft tot twee jaren
                                nadat de te treffen voorzieningen van openbaar nut geheel zijn
                                voltooid en, voor zover van belang in afwijking van de
                                Exploitatieverordening gemeente Vlissingen 1994, het aangaan van
                                overeenkomsten geschiedt door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2005. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op hetzelfde tijdstip vervalt de ‘Exploitatieverordening gemeente
                                Vlissingen 1994’ zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 22 december
                                1994, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor de
                                gevallen zoals bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Exploitatieverordening gemeente
                            Vlissingen 2005’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 28 april 2005. </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>C.M. Sturm M. Geilenkirchren (loco)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><al>Steeds meer wordt de gemeente geconfronteerd met het niet-volledig uit kunnen
                    voeren van actieve grondpolitiek. Dit houdt in dat naast de door de gemeente te
                    verwerven gronden, die vervolgens bouwrijp worden gemaakt en ten slotte worden
                    uitgegeven, steeds meer particuliere initiatieven tot grondexploitatie ontstaan.
                    In dergelijke situaties, waarbij zowel gemeentelijke als particuliere
                    grondexploitatie plaatsvindt, is de gemeente verantwoordelijk voor de aanleg van
                    de benodigde infrastructurele werken zoals wegen, straten, riolering, enzovoort.
                    Door middel van de actieve grondpolitiek worden deze kosten doorberekend aan de
                    netto uitgeefbare bouwterreinen. In geval van particuliere grondexploitatie is
                    een dergelijke doorberekening niet mogelijk, simpelweg vanwege het feit dat de
                    grond niet in eigendom is van de gemeente. Toch is het uit een oogpunt van
                    gelijkheid en rechtszekerheid rechtvaardig dat ook particuliere
                    grondexploitanten een (financiële) bijdrage leveren in de kosten van de
                    eerdergenoemde voorzieningen. Deze bijdrage wordt dan bepaald op basis van de
                    baat die deze (bouw)gronden hebben bij de aanleg van genoemde werken.</al><al>In artikel 42 WRO is bepaald dat de gemeenteraad een verordening behoort vast te
                    stellen die de voorwaarden bevat waaronder de gemeente medewerking verleent aan
                    het in exploitatie brengen van gronden. Deze verordening wordt
                    “Exploitatieverordening” genoemd.</al><al>De verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>Voorafgaande aan de realisatie van een bestemmingsplan moet
                            duidelijkheid ontstaan omtrent de risico’s die zijn verbonden aan het
                            niet-volledig kunnen verwerven van de desbetreffende gronden. Aan de
                            hand van deze risico’s zal door middel van een raadsbesluit moeten
                            worden vastgesteld of, en zo ja op welke wijze kostenverhaal zal
                            plaatsvinden. Op deze wijze ontstaat vooraf duidelijkheid voor alle
                            betrokkenen. Deze werkwijze sluit aan bij de op 26 juli 1991 in werking
                            getreden wijziging van de gemeentewet-oud, i.c. de wijziging van de
                            bouwgrond- en baatbelasting (Stb. 394). In deze wet wordt het nemen van
                            een bekostigingsbesluit voordat wordt aangevangen met de voorzieningen
                            van openbaar nut, verplicht gesteld. Deze verplichting is eveneens van
                            toepassing op de baat- en bouwgrondbelasting zoals opgenomen in de
                            artikelen 221 respectievelijk 222 van de Gemeentewet zoals deze gold tot
                            1 januari 1995. Ten slotte is de vaststelling van een
                            bekostigingsbesluit ook van toepassing op de baatbelasting (nieuwe
                            stijl), die in de Gemeentewet is opgenomen ter vervanging van de
                            voorheen geldende baat- en bouwgrondbelasting (zie artikel 222 van de
                            Gemeentewet zoals dat luidt per 1 januari 1995). Het opnemen van een
                            kostenverhaalsbesluit in de exploitatieverordening verduidelijkt dan ook
                            de samenhang tussen het kostenverhaal via exploitatieovereenkomst
                            enerzijds en het verhaal op basis van een baatbelasting anderzijds.</al></li><li nr="b."><al>Op basis van het onder a. genoemde uitgangspunt wordt de wijze van
                            toerekening van baat via de methoden van exploitatieovereenkomst en
                            baatbelasting zo veel mogelijk op elkaar afgestemd. Dit betekent, dat de
                            in de exploitatieverordening opgenomen systematiek van baattoerekening
                            is aangepast en gerelateerd aan de fiscale verhaalsmethode.</al></li><li nr="c."><al>Het onder a. genoemde uitgangspunt brengt met zich mee dat de
                            exploitatieovereenkomst zowel op initiatief van de gemeente als op basis
                            van een verzoek van exploitant kan worden aangegaan. Gelet op de thans
                            opgenomen werkwijze zal een aanvraag tot het sluiten van een
                            exploitatieovereenkomst in de regel alleen nog voorkomen in situaties
                            waarbij incidentele voorzieningen moeten worden getroffen, vaak speciaal
                            ten behoeve van exploitant. In de meeste overige gevallen zal immers
                            steeds sprake zijn van de werking van een kosten-verhaalsbesluit.</al></li><li nr="d."><al>De opsomming van de verschillende voorzieningen van openbaar nut is
                            uitgebreid met die werken die als gevolg van onder meer de
                            milieuwetgeving noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een
                            bestemmingsplan.</al></li><li nr="e."><al>Tot slot wordt opgemerkt dat de verordening is aangepast aan de gevolgen
                            van de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur per 7 maart
                            2002.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting.</tussenkop><al/><tussenkop>Afdeling I: Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De exploitatieverordening is van toepassing indien medewerking wordt verleend
                    aan het in exploitatie brengen van gronden. Hieronder wordt verstaan: het van
                    gemeentewege treffen van voorzieningen van openbaar nut, waardoor een onroerende
                    zaak wordt gebaat. Met deze definitie wordt aangesloten bij de definitie van de
                    baatbelasting. Dit betekent, dat ook in gevallen waarbij voorzieningen worden
                    getroffen waardoor een reeds bebouwde onroerende zaak wordt gebaat, het sluiten
                    van een exploitatieovereenkomst mogelijk is.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Voorzieningen van openbaar nut</tussenkop><al>In de omschrijving van de voorzieningen van openbaar nut is, gelet op de
                    vigerende jurisprudentie, de aanleg van rioolwaterzuiveringsinstallaties niet
                    opgenomen. Dergelijke inrichtingen worden – vanwege het doel van deze werken –
                    niet gerekend tot die werken welke nodig zijn voor het in exploitatie brengen
                    van gronden. Als voorzieningen van openbaar nut worden verder aangemerkt het
                    uitvoeren van bodemonderzoek en -sanering, voorzover dit betrekking heeft op de
                    ondergrond van voorzieningen van openbaar nut en voorzover de daarmee verband
                    houdende kosten niet op een andere wijze kunnen worden verhaald. Hierbij moet
                    met name worden gedacht aan het verhaal van kosten bodemsanering, zoals onder
                    meer is bepaald in de Wet bodembescherming. Ingeval kostenverhaal op derden
                    echter niet (geheel) mogelijk is, is het redelijk om de ten laste van de
                    gemeente blijvende nettokosten te verhalen via een gemeentelijke en particuliere
                    grondexploitatie. Dit geldt ook voor de maatregelen die op basis van de
                    vigerende milieuwetgeving nodig zijn voor de realisatie van bestemmingsplannen.
                    Gedacht moet worden aan het treffen van geluidwerende voorzieningen, maar ook
                    aan het verwijderen van bedrijvigheid die stankoverlast of andersoortige hinder
                    veroorzaakt.</al><al>Ten slotte is aangegeven dat ook werken die als zogenaamde bovenwijkse
                    voorzieningen worden beschouwd, kunnen worden aangemerkt als voorzieningen van
                    openbaar nut, voor zover deze werken direct danwel indirect baat opleveren voor
                    de in het exploitatiegebied liggende onroerende zaken. De kosten van bovenwijkse
                    voorzieningen worden in de regel via een fondsopslag in de kostprijs verwerkt.
                    Het is daarbij van belang dat een dergelijke omslag van kosten steeds op een
                    juiste wijze beleidsmatig wordt onderbouwd. Dit kan bijvoorbeeld, indien de
                    gemeente beschikt over een structuurplan, reeds geschieden bij de vaststelling
                    van het structuurplan. De beleidsmatige onderbouwing kan echter zonder bezwaren
                    tevens plaatsvinden op basis van een beleidsnota, waarin de toerekening van de
                    kosten van bovenwijkse voorzieningen over de diverse toekomstige en eventuele
                    bestaande bestemmingsplannen wordt onderbouwd.</al><al/><tussenkop>Afdeling II: Exploitatie op initiatief van de
                    gemeente</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3. Uitvoering van voorzieningen van openbaar
                    nut</tussenkop><al>Hoewel het sluiten van een exploitatieovereenkomst nimmer zal kunnen en mogen
                    worden afgedwongen, wordt in dit artikel bepaald dat de eerdergenoemde
                    voorzieningen van openbaar nut alleen door of met medewerking van de gemeente
                    kunnen worden aangelegd. Het primaat met betrekking tot de aanleg van
                    voorzieningen van openbaar nut ligt dus bij de gemeente. In sommige gevallen zal
                    een particuliere exploitant in staat en bereid kunnen zijn tot het zelfstandig
                    treffen van dergelijke voorzieningen van openbaar nut op de gronden die in
                    eigendom zijn van de exploitant. Aangezien het daarbij steeds gaat om openbare
                    voorzieningen, zal deze particuliere uitvoering alleen dan mogelijk zijn, indien
                    garanties aanwezig zijn voor met name de kwaliteit van de uitvoering. De door de
                    gemeente te stellen kwaliteitseisen zullen overeen moeten komen met die eisen
                    die zij zichzelf steeds stelt bij de aanleg van dergelijke voorzieningen. Wel
                    zijn garanties nodig in de vorm van tijdige uitvoering, kwaliteitseisen,
                    garantieregeling in geval van wanprestatie, overdracht van voorzieningen van
                    openbaar nut aan gemeente, enzovoort. Dergelijke aanvullende eisen zijn
                    opgenomen in artikel 7, vierde lid van deze verordening.</al><al>De uitvoering van openbare voorzieningen door de exploitant zal niet betekenen
                    dat geen financiële bijdrage aan de gemeente is verschuldigd. Ook indien wordt
                    gekomen tot het zelf uitvoeren van bepaalde werken, is het redelijk dat alsnog
                    een financiële bijdrage wordt verleend in de kosten van onder meer
                    planvoorbereiding, ambtelijk apparaat, bovenwijkse voorzieningen alsmede in de
                    (extra) kosten van voorbereiding en toezicht. In het derde lid van dit artikel
                    alsmede in artikel 8, derde lid is hiervoor een regeling opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Vaststelling kostenverhaalsbesluit</tussenkop><al>Kostenverhaal bij bouwgrondexploitatie is in de meeste gevallen aan de orde bij
                    de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. In de meeste gevallen gaat de
                    gemeente ervan uit alle gronden in een dergelijk plan te zullen verwerven. Deze
                    gronden zullen vervolgens bouwrijp worden gemaakt en worden uitgegeven. Steeds
                    meer wordt, vaak pas lopende de realisatie van een bestemmingsplan, duidelijk
                    dat niet alle gronden in eigendom zullen kunnen worden verkregen. Ter voorkoming
                    van problemen met betrekking tot het kunnen uitvoeren van kostenverhaal
                    (bijvoorbeeld voorzieningen zijn reeds twee jaar geleden getroffen) en in het
                    belang van de rechtszekerheid is de bepaling opgenomen dat voordat met de
                    uitvoering van werken wordt begonnen, door de gemeenteraad wordt bepaald volgens
                    welke strategie de te maken kosten worden verhaald. Daarbij wordt via een
                    kostenbegroting aangegeven welke voorzieningen worden getroffen en wat de omvang
                    zal zijn van het gebied dat door deze voorzieningen zal worden gebaat. In
                    sommige gevallen kan dit baatgebied afwijken van het gebied zoals dat is bepaald
                    via de gangbare exploitatieopzet. Belangrijk bij het nemen van een
                    kostenverhaalsbesluit is de strategie die toegepast zal gaan worden bij het
                    verhaal van kosten. Uitgangspunt zal daarbij blijven dat de gemeente de voorkeur
                    uitspreekt voor het zelf aankopen en vervolgens uitgeven van deze gronden. Mocht
                    dit niet lukken, dan zullen de particuliere exploitanten in eerste instantie een
                    exploitatieovereenkomst voorgelegd krijgen, waarmee op basis van
                    wilsovereenstemming tot kostenverhaal kan worden gekomen.</al><al>Mocht men hiertoe niet bereid zijn, dan zal in het besluit worden aangegeven dat
                    aanvullend kostenverhaal via baatbelasting kan plaatsvinden. Onder baatbelasting
                    wordt in deze verordening verstaan: de baatbelasting (nieuwe stijl) die ter
                    vervanging van de tot 1 januari 1995 geldende baat- en bouwgrondbelasting in de
                    Gemeentewet is opgenomen (zie artikel 222 van de Gemeentewet zoals dat luidt na
                    de inwerkingtreding van de Invoeringswet van de wet materiële
                    belastingbepalingen Gemeentewet (Stb. 1994, 420)). Hiermee zal dan tevens zijn
                    voldaan aan de in artikel 222 Gemeentewet opgenomen verplichting tot het
                    vaststellen van een bekostigingsbesluit. Het kostenverhaalsbesluit wordt
                    bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 Gemeentewet.</al><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid, sub c. maakt de kostenbegroting
                    onderdeel uit van het kostenverhaalsbesluit. In de praktijk is het niet in alle
                    gevallen mogelijk de begrotingscijfers ten tijde van de vaststelling van het
                    kostenverhaalsbesluit geheel gereed te hebben. Om deze reden is onder c. bepaald
                    dat de kostenbegroting ook later kan worden vastgesteld. In dat geval dient de
                    kostenbegroting nog afzonderlijk te worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel
                    139 van de Gemeentewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. De kostenbegroting</tussenkop><al>In de kostenbegroting zijn opgenomen de kosten en opbrengsten verband houdende
                    met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden.
                    Benadrukt is dat er een directe relatie aanwezig dient te zijn tussen de
                    verschillende kosten- en opbrengstelementen en het exploitatiegebied. Gezien de
                    diversiteit van de werken en werkzaamheden is het niet mogelijk een limitatieve
                    opsomming van de met de medewerking verband houdende kosten te geven. Dit zal
                    van geval tot geval kunnen verschillen. De wijze van toerekening zal
                    plaatsvinden op basis van de baat die alle in het exploitatiegebied opgenomen
                    onroerende zaken zullen hebben van de te treffen voorzieningen van openbaar nut.
                    Dit geldt derhalve zowel voor de gronden die bestemd zijn voor gemeentelijke
                    gronduitgifte, als de gronden die bestemd zijn voor particuliere exploitatie. De
                    mate van baat kan daarbij onderling variëren als gevolg van verschillen in
                    ligging, bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid van de desbetreffende
                    onroerende zaak. Het uitgangspunt bij de opstelling van de kostenbegroting zal
                    steeds zijn dat het totale gebied door de gemeente in exploitatie zal worden
                    gebracht. Hiermee wordt de afstemming bereikt met de uitgangspunten die zijn
                    neergelegd in de gemeentelijke exploitatieopzet.</al><al>Opgemerkt wordt dat de in artikel 5 opgenomen eisen gelden voor zowel een
                    kostenbegroting behorende bij een kostenverhaalsbesluit, als een begroting die
                    naar aanleiding van een aanvraag om medewerking (gebaseerd op afdeling III van
                    de Exploitatieverordening) wordt vastgesteld.</al><al>Uitgangspunt voor de opstelling van de kostenbegroting is dat de inbrengwaarde
                    van alle gebate onroerende zaken en de gronden bestemd voor de aanleg van
                    voorzieningen van openbaar nut, in de kostenbegroting wordt opgenomen. Deze
                    inbrengwaarde kan daarmee ook betrekking hebben op onroerende zaken die wel door
                    de voorzieningen gebaat worden maar niet als gevolg van die voorzieningen
                    geschikt worden voor bebouwing. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    bestaande te handhaven bebouwing binnen een exploitatiegebied. Op grond van het
                    gestelde in het vierde lid wordt bereikt dat de inbrengwaarde van deze gronden
                    niet in de kostenbegroting behoeft te worden opgenomen. De aanduiding “geschikt
                    worden voor bebouwing” is afkomstig van de tot 1 januari 1995 geldende
                    bouwgrondbelasting en maakte onderdeel uit van de drie voor deze belastingen
                    bestaande rechtsgronden (nl. het geschikt worden voor bebouwing, het beter
                    geschikt worden voor bebouwing alsmede het in een voordeligere positie komen te
                    verkeren van onroerende zaken als gevolg van de te treffen voorzieningen).</al><al>Naast de toepassing in de grondexploitatie is de Exploitatieverordening eveneens
                    van toepassing op het verhaal van kosten van baatopleverende voorzieningen die
                    geen onderdeel uitmaken van de grondexploitatie. Hierbij kan het bijvoorbeeld
                    gaan om de herinrichting van centrumgebieden of de aanleg van riolering in het
                    buitengebied. In het vijfde lid is bepaald dat de inbrengwaarde van de gebate
                    objecten niet in de kostenbegroting behoeft te worden opgenomen, indien de te
                    treffen voorzieningen in hoofdzaak niet gericht zijn op het geschikt maken voor
                    bebouwing van onroerende zaken. Wel is het mogelijk de inbrengwaarde van de tot
                    voorzieningen van openbaar nut bestemde gronden in de begroting op te
                    nemen.</al><al>De toepassing van het vierde en vijfde lid kan met zich meebrengen dat de in de
                    beide artikelleden beschreven situaties zich gelijktijdig kunnen voordoen. Dit
                    zal het geval zijn, indien er sprake is van bijvoorbeeld de aanleg van niet tot
                    de grondexploitatie behorende voorzieningen voor onder meer bestaande
                    bebouwing.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Grondslag voor toerekening baat</tussenkop><al>Om de aansluiting te verkrijgen met de systematiek van vaststelling van de
                    kostprijs bij gronduitgifte is gekozen voor de rekeneenheid van de vierkante
                    meter grondoppervlakte van de gebate onroerende zaken (zowel bebouwd als
                    onbebouwd). Met toepassing van liggings-, bestemmings- en gebruiksfactoren is
                    het mogelijk in nagenoeg alle gevallen te komen tot een verantwoorde baatomslag
                    ter bepaling van de omvang van de exploitatiebijdrage. Ingeval de
                    grondoppervlaktemethode in bepaalde gevallen niet tegemoetkomt aan de aanwezige
                    baatverschillen, biedt de verordening de mogelijkheid tot vaststelling van een
                    afwijkende grondslag. Omdat de omslagmethode onderdeel uitmaakt van de
                    kostenbegroting, dient ook een afwijkende grondslag in de begroting te worden
                    vermeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Inhoud exploitatieovereenkomst</tussenkop><al>In dit artikel wordt ervan uitgegaan dat, in navolging van het reeds genomen
                    kostenverhaalsbesluit, het sluiten van een exploitatieovereenkomst als eerste en
                    centrale methode van kostenverhaal is aan te merken. Benadruk wordt dat het
                    sluiten van een exploitatieovereenkomst – evenals iedere andere overeenkomst –
                    is gebaseerd op wilsovereenstemming. Dit betekent, dat een exploitant niet kan
                    worden verplicht tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst. De bevoegdheid
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst ligt, ingevolge artikel 160,
                    eerste lid onder e van de Gemeentewet, bij het college. In dit kader wordt
                    voorts verwezen naar artikel 169, vierde lid van de Gemeentewet: burgemeester en
                    wethouders dienen de raad vooraf in te lichten over de uitoefening van de
                    bevoegdheid tot het aangaan van een overeenkomst, in het geval de raad daarom
                    verzoekt of indien het aangaan van die overeenkomst ingrijpende gevolgen kan
                    hebben voor de gemeente. In dit laatste geval neemt het college geen besluit dan
                    nadat de raad zijn wensen en bedenkingen terzake aan het college ter kennis
                    heeft kunnen brengen.</al><al>Hoewel de kostenbegroting later kan worden vastgesteld, dient in alle gevallen
                    de in een overeenkomst opgenomen exploitatiebijdrage te worden vastgesteld op
                    basis van de kostenbegroting. Om deze reden is in artikel 7, tweede lid bepaald
                    dat het college pas kan besluiten tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst, nadat de desbetreffende kostenbegroting is vastgesteld.
                    De vaststelling van de kostenbegroting geschiedt, als onderdeel van het
                    kostenverhaalsbesluit, door de gemeenteraad.</al><al>Gezien het bepaalde in artikel 10, eerste lid van de Exploitatieverordening
                    geldt deze voorwaarde ook ingeval de overeenkomst totstandkomt op basis van een
                    aanvraag, met dien verstande dat ingeval er sprake is van een aanvraag, de
                    kostenbegroting dan wordt vastgesteld door het college.</al><al>Indien wordt overgegaan tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst, bevat
                    artikel 7 een aantal voorwaarden waaraan deze overeenkomst in alle gevallen moet
                    voldoen. Naast de vaststelling van een financiële bijdrage is in voorkomende
                    gevallen de bepaling opgenomen dat gronden die bestemd zijn als ondergrond voor
                    voorzieningen van openbaar nut, via deze overeenkomst worden afgestaan aan de
                    gemeente. In de situatie dat er sprake is van een overdracht van gronden, is in
                    het eerste lid de bepaling opgenomen dat van de overeenkomst een notariële akte
                    wordt opgemaakt.</al><al>In het vierde lid zijn aanvullende bepalingen opgenomen, die kunnen worden
                    toegepast indien de werken geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd door de
                    particuliere exploitant.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Vaststelling exploitatiebijdrage</tussenkop><al>Essentieel bij de vaststelling van de financiële bijdrage is het feit dat
                    overeenkomstig artikel 5, tweede lid de kostentoerekening is opgesteld, met het
                    uitgangspunt dat het totale exploitatiegebied door de gemeente in zijn geheel in
                    exploitatie zal worden gebracht. Dit betekent, dat in de kostenbegroting
                    gerekend wordt met een gemiddelde prijs van de inbrengwaarde van alle gronden
                    (ook die van de particuliere eigenaren). Op deze wijze komt een gemiddelde
                    kostprijs tot stand, die daarna – waar nodig – zal worden gecorrigeerd voor
                    verschillen in ligging, enzovoort. Het zal duidelijk zijn dat de particuliere
                    exploitant op deze prijs de waarde van de hem toebehorende gronden (zowel ten
                    behoeve van de exploitatie als ten behoeve van de aanleg van voorzieningen van
                    openbaar nut) in mindering zal mogen brengen. Omdat deze vermindering kan
                    afwijken van de eerdergenoemde gemiddelde grondinbrengprijs, is een regeling
                    nodig voor bindende vaststelling van deze inbrengwaarde. In het derde lid is
                    bepaald op welke wijze de financiële bijdrage wordt vastgesteld, indien de
                    exploitant overgaat tot het geheel of gedeeltelijk zelf uitvoeren van
                    voorzieningen van openbaar nut. In een dergelijke situatie blijft de financiële
                    bijdrage in de regel beperkt tot de kosten die de gemeente maakt of zal maken in
                    verband met de planuitvoering, -voorbereiding, -beheer en -toezicht, maar ook
                    met betrekking tot voorzieningen die voor het totale plan gelden danwel een
                    bovenwijks karakter hebben. De omslag van deze voor rekening van de gemeente
                    blijvende kosten vindt plaats overeenkomstig de in artikel 5 en 6 beschreven
                    methode, onder verrekening van de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak
                    van exploitant behorende gronden. Daarnaast vindt een vermindering plaats van de
                    daarin opgenomen kosten voor voorzieningen, voor zover deze voorzieningen door
                    de exploitant worden gerealiseerd.</al><al>Als gevolg van de het bepaalde in artikel 5, vierde en vijfde lid dient de wijze
                    van berekening van de exploitatiebijdrage in die situaties dienovereenkomstig te
                    worden aangepast. Aan artikel 8 is een vierde lid toegevoegd, waarin is bepaald
                    dat, indien de in artikel 5, vierde en/of vijfde lid beschreven situatie
                    toepassing heeft verkregen, de wijze van berekening van de bijdrage wordt
                    gehandhaafd, met dien verstande dat de correctie van de inbrengwaarde is beperkt
                    tot de gronden die zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen en door de
                    exploitant aan de gemeente in eigendom worden afgestaan.</al><al/><tussenkop>Afdeling III: Exploitatie op verzoek van
                    exploitant</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9. De aanvraag</tussenkop><al>Naast het door de gemeente zelf treffen van voorzieningen van openbaar nut kan
                    het voorkomen dat een particuliere exploitant de gemeente verzoekt tot het
                    treffen van voorzieningen. Vaak zullen dit dan incidentele op zichzelf staande
                    voorzieningen zijn, die specifiek betrekking hebben op de onroerende zaak van
                    een of enkele exploitanten.</al><al>Gedacht moet hierbij bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin een bedrijf de
                    gemeente verzoekt op basis van artikel 19 WRO mee te werken aan de uitbreiding
                    van de winkelruimte door middel van een wijziging van een bestemmingsplan. In
                    dergelijke gevallen kan het voorkomen dat van gemeentewege wordt gewezen op de
                    noodzaak van uitbreiding van parkeergelegenheid en bijvoorbeeld de aanleg van
                    een in- en uitvoegstrook vanaf de openbare weg. Dergelijke voorzieningen kunnen
                    onder de werking van afdeling III van deze verordening worden gebracht. Als
                    gevolg van de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111)
                    berust de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij het college. Om die
                    reden is dan ook bepaald dat aanvragen om medewerking dienen te worden gericht
                    aan het college, alsmede dat het college op de aanvraag beslist.</al><al>In het derde lid van dit artikel is de bepaling opgenomen dat, indien een
                    aanvraag voor een bouwvergunning (eventueel gecombineerd met een verzoek om
                    vrijstelling ex artikel 19 WRO) wordt ingediend waarbij in geval van verlenen
                    van een vrijstelling c.q. bouwvergunning van gemeentewege voorzieningen van
                    openbaar nut moeten worden uitgevoerd, dit voordat over de bouwaanvraag wordt
                    beslist, aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. De exploitant (aanvrager) zal
                    daarbij tevens een afschrift ontvangen van de door het college vast te stellen
                    kostenbegroting en de daarmee verband houdende aanduiding van het
                    exploitatiegebied. De bekendmakingseis zoals opgenomen in artikel 139
                    Gemeentewet is in dit kader, nu er geen sprake is van een kostenverhaalsbesluit,
                    niet van toepassing.</al><al>Aan de hand van deze gegevens is aanvrager in staat voorafgaand aan de
                    beslissing over de bouwaanvraag een financiële afweging te maken van de aan deze
                    exploitatie verbonden kosten. De aanvrager wordt op dat moment in staat gesteld
                    alsnog een aanvraag in te dienen tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Beslissing op de aanvraag</tussenkop><al>Aangegeven is dat de medewerking tot het treffen van voorzieningen alleen kan
                    worden verleend door middel van het sluiten van een overeenkomst op basis van
                    artikel 7 van de verordening. Als gevolg van de invoering van de Wet dualisering
                    gemeentebestuur berust de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij het
                    college. In het eerste lid is bepaald dat een overeenkomst eerst kan worden
                    aangegaan, nadat het college een kostenbegroting en de aanduiding van het
                    exploitatiegebied heeft vastgesteld. De vastgestelde kostenbegroting en
                    aanduiding van het exploitatiegebied worden aan de exploitant bekendgemaakt.
                    Omdat er geen sprake is van een kostenverhaalsbesluit, is de bekendmakingseis
                    zoals opgenomen in artikel 139 Gemeentewet, niet van toepassing.</al><al>De kostenbegroting kan derhalve onderdeel uitmaken van een
                    kostenverhaalsbesluit, in welk geval de vaststelling van die begroting geschiedt
                    door de gemeenteraad. Indien er sprake is van een aanvraag (in welke situatie
                    dus geen kostenverhaalsbesluit is genomen), geschiedt de vaststelling van de
                    kostenbegroting en de aanduiding van het exploitatiegebied door het
                    college.</al><al>Daarnaast is een viertal facultatieve gronden opgenomen, waaronder de
                    medewerking kan worden geweigerd. Tevens is een mogelijkheid tot aanhouding van
                    de aanvraag opgenomen in gevallen waarin de procedure van de
                    vaststelling/goedkeuring van een onderliggend bestemmingsplan nog niet is
                    afgerond.</al><al>Ten slotte is de bepaling opgenomen dat, ingeval een aanvraag is ontvangen voor
                    een gebied waarvoor reeds een kostenverhaalsbesluit is genomen door de
                    gemeenteraad, laatstgenoemd besluit aan de exploitant bekend wordt gemaakt. Deze
                    bekendmaking zal mede inhouden, dat de gemeenteraad reeds eerder heeft
                    aangegeven dat de onderhavige onroerende zaak wordt gebaat door het treffen van
                    voorzieningen van openbaar nut en het om die reden gerechtvaardigd is
                    dienaangaande kostenverhaal toe te passen. Derhalve zou ook zonder het insturen
                    van een aanvraag de gemeente reeds op eigen initiatief zijn gekomen met een
                    exploitatieovereenkomst. Een en ander betekent, dat de reeds voorgenomen
                    aanbieding van een ontwerp-exploitatie-overeenkomst direct kan plaatsvinden,
                    gebaseerd op de kostenbegroting behorende bij het vastgestelde
                    kostenverhaalsbesluit.</al><al/><tussenkop>Afdeling IV: Relatie gronduitgifte en andere
                    kostenverhaalsinstrumenten</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11. Relatie baatbelasting</tussenkop><al>In het eerste lid wordt uit een oogpunt van rechtszekerheid aangegeven, dat in
                    een te sluiten exploitatieovereenkomst de bepaling wordt opgenomen dat met
                    betrekking tot de uitvoering van die werken geen aanvullend fiscaal verhaal zal
                    plaatsvinden. Een dergelijke bepaling is niet in strijd met de Grondwet (i.c.
                    privilegeverbod bij belastingen), omdat de wijze van toerekening via
                    exploitatieovereenkomst overeenstemt met de wijze van toerekening bij een
                    eventueel toe te passen fiscaal verhaal. Aan de andere kant is het uit een
                    oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat, indien een exploitant niet bereid is
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst, hem wordt meegedeeld dat
                    overeenkomstig het eerder genomen kostenverhaalsbesluit de gemeenteraad kan
                    overgaan tot het instellen van een baatbelasting.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Relatie andere overeenkomsten</tussenkop><al>Steeds meer komt het voor dat door de gemeente overeenkomsten worden gesloten
                    met meerdere marktpartijen tot samenwerking in een bepaald project. We spreken
                    dan van een publiek-private samenwerking (PPS). Dergelijke overeenkomsten
                    omvatten naast elementen van kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut
                    vaak nog totaal andere elementen. Ter voorkoming van onnodig complexe contracten
                    worden deze elementen vaak alle tezamen in één overeenkomst opgenomen. In dit
                    artikel is bepaald dat het sluiten van dergelijke overeenkomsten geen bezwaar
                    behoeft op te leveren, mits de vaststelling van de door exploitant verschuldigde
                    exploitatiebijdrage maar geschiedt op basis van het gestelde in deze
                    exploitatieverordening.</al><al/><tussenkop>Afdeling V: Overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13. Overgangsbepalingen</tussenkop><al>De overgangsbepaling in het eerste lid is bedoeld voor die situaties waarbij op
                    het moment van inwerkingtreding van de exploitatieverordening reeds een aanvang
                    is gemaakt met de uitvoering van voorzieningen van openbaar nut. Artikel 4 gaat
                    ervan uit dat het nemen van een kostenverhaalsbesluit moet plaatsvinden voordat
                    met de aanleg van voorzieningen van openbaar nut wordt aangevangen. Bepaald is
                    dat de verordening ook van toepassing is in exploitatiegebieden waarin op de
                    datum van inwerkingtreding de te treffen voorzieningen van openbaar nut niet
                    zijn voltooid, en voor welke gebieden geen kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld
                    in artikel 4 is genomen. Hetzelfde geldt voor exploitatiegebieden waarvoor geen
                    kostenverhaalsbesluit maar, indien de voorheen geldende exploitatieverordening
                    daarin voorzag, een afzonderlijke kostenbegroting (op grond van het in de
                    voorheen geldende verordening opgenomen overgangsrecht) is vastgesteld. De
                    toepassing van de bepaling in het eerste lid zal bijvoorbeeld aan de orde zijn
                    in exploitatiegebieden waarvoor vóór de datum van inwerkingtreding van de
                    verordening een bekostigingsbesluit (zoals bedoeld in artikel 222 van de
                    Gemeentewet) ten behoeve van een mogelijk in te stellen baatbelasting is
                    vastgesteld. Daarnaast voorziet de bepaling in het eerste lid erin dat de
                    verordening ook kan worden toegepast voor in uitvoering zijnde
                    exploitatiegebieden waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van de
                    verordening niet reeds een bekostigingsbesluit was vastgesteld. Om in dergelijke
                    situaties (bij het ontbreken van een kostenverhaalsbesluit of afzonderlijke
                    kostenbegroting) toch te kunnen komen tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst, is bepaald dat de regels van deze verordening op een zo
                    veel mogelijk aan deze afwijking aangepaste wijze van toepassing zijn. Hierbij
                    geldt in ieder geval, dat de hoogte van de in de overeenkomst op te nemen
                    bijdrage wordt bepaald op basis van een door de gemeenteraad vast te stellen
                    kostenbegroting die voldoet aan de in artikel 5 gestelde eisen. In navolging op
                    het gestelde in artikel 4, eerste lid dient ook de vast te stellen
                    kostenbegroting bekend te worden gemaakt overeenkomstig artikel 139
                    Gemeentewet.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat de exploitatieverordening zoals deze gold voor
                    de inwerkingtreding van de onderhavige verordening, van toepassing blijft voor
                    exploitatiegebieden waarvoor eerder een kostenverhaalsbesluit of, voor zover
                    (het overgangsrecht van) de voorheen geldende verordening daarin voorzag, een
                    afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat op basis
                    van dergelijke kostenverhaalbesluiten of afzonderlijke kostenbegrotingen te
                    sluiten overeenkomsten worden gebaseerd op de bepalingen zoals opgenomen in de
                    voorheen geldende exploitatieverordening. De duur van de toepassing is bepaald
                    tot twee jaren nadat de getroffen en/of te treffen voorzieningen van openbaar
                    nut geheel zijn voltooid. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen
                    uiterlijk tot een baatbelasting zoals bedoeld in artikel 222 van de Gemeentewet,
                    dient te worden besloten.</al><al>Ten aanzien van voor de datum van inwerkingtreding van de onderhavige
                    exploitatieverordening ontvangen aanvragen tot het verlenen van medewerking aan
                    het in exploitatie brengen van gronden waarop niet voor de inwerkingtreding is
                    beslist, is voor de behandeling van de aanvraag de exploitatieverordening zoals
                    deze gold voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening, van
                    toepassing. De duur van de toepassing is bepaald totdat op de aanvraag is
                    beslist. In het geval de beslissing leidt tot het treffen van voorzieningen, is
                    de duur van de toepassing bepaald tot twee jaren nadat de te treffen
                    voorzieningen geheel zijn voltooid. Ook in dat geval geldt dat een op basis van
                    een zodanige aanvraag te sluiten overeenkomst wordt gebaseerd op de bepalingen
                    zoals opgenomen in de voorheen geldende exploitatieverordening.</al><al>Als gevolg van de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur berust de
                    bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij het college. In het tweede en
                    derde lid is dienaangaande bepaald dat, voor zover van belang in afwijking van
                    de voorheen geldende exploitatieverordening, het aangaan van overeenkomsten in
                    alle gevallen is voorbehouden aan het college.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>