<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22134_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemeen delegatiebesluit Vlissingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, I.02</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemeen delegatiebesluit Vlissingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, afdeling 10.1.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-05-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>toevoegen van sub i en j bij art. 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>405354</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen is mogelijk niet compleet. Er kunnen wijzigingen ontbreken tussen het ontstaan van de regeling en de eerste opgenomen wijziging daarvan.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ALGEMEEN DELEGATIEBESLUIT VLISSINGEN</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Dit besluit verstaat onder:</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. </al></entry><entry colname="col2"><al>delegatie:</al></entry><entry colname="col3"><al>het overdragen door een bestuursorgaan van zijn
                                            bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander
                                            die deze onder eigen verantwoordelijkheid
                                            uitoefent;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>de raad:</al></entry><entry colname="col3"><al>de gemeenteraad van Vlissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. </al></entry><entry colname="col2"><al>het college:</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                            Vlissingen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Gedelegeerde bevoegdheden</titel></kop><al>De raad delegeert aan het college zijn volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitoefenen van een bij wettelijk voorschrift aan de gemeente of
                                aan één van haar organen toegekend recht tot het naar voren brengen
                                van zienswijzen of het inbrengen van bedenkingen;</al></li><li nr="b."><al>het voeren van en het nemen van alle beslissingen ter voorbereiding,
                                ter voorkoming of ter beëindiging van strafrechtelijke,
                                civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures in het instellen
                                van alle rechtsmiddelen in alle instanties, zowel eisend als
                                verwerend;</al></li><li nr="c."><al>het plaatsen of verwijderen van verkeerstekens krachtens een
                                verkeersbesluit en het verlenen van ontheffingen met inachtneming
                                van de gestelde voorwaarden en bepalingen als bedoeld in de
                                Wegenverkeerswet 1994, het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990, het Besluit administratieve bepalingen inzake
                                het wegverkeer en het Voertuigreglement;</al></li><li nr="d."><al>het aanwijzen van “het huis der gemeente“ ten behoeve van het
                                voltrekken van huwelijken en dergelijke op locatie;</al></li><li nr="e."><al>het vaststellen van het jaarlijkse
                                restauratie-uitvoeringsprogramma;</al></li><li nr="f."><al>het onderhouden van een actueel en volledig normen- en
                                toetsingskader behorende bij het Controleprotocol 2005;</al></li><li nr="g."><al>het sluiten van standaard achtervangovereenkomsten;</al></li><li nr="h."><al>het vaststellen van de Legesverordening voor Vlissingen en het
                                invoeren, wijzigen of afschaffen van leges in de bijbehorende
                                tarieventabel. </al></li><li nr="i."><al>alle projecten en plannen zoals aangegeven bij raadsbesluit van 27
                                januari 2011, nr. 8.1, behorende bijlage 1, waarvoor ten behoeve van
                                een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) toepassing wordt
                                gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo,
                                aan te wijzen als categorie, waarvoor geen verklaring van geen
                                bedenkingen tegen het verlenen van de omgevingsvergunning is
                                vereist, met inachtneming van de procedurebeschrijving onder 3 van
                                die bijlage;</al></li><li nr="j."><al>voor de onder i genoemde categorie van gevallen en voor een
                                wijzigingsplan op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de
                                Wet ruimtelijke ordening om al dan niet een exploitatieplan vast te
                                stellen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college doet een opgaaf van de besluiten als bedoeld in artikel 2 indien
                        de raad of een raadscommissie de wens daartoe te kennen geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Citeertitel en slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit besluit wordt aangehaald als “Algemeen delegatiebesluit”.</al></li><li nr="2."><al>Het treedt in werking op 1 januari 1995.</al></li><li nr="3."><al>Alsdan vervallen de delegatie- c.q. raadsbesluiten van 3 mei 1968,
                                24 september 1971, 31 augustus 1973, 26 oktober 1973 (zoals dit
                                sindsdien is aangevuld en gewijzigd) en 30 maart 1989.</al></li></lijst><al/><al/><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Vlissingen in zijn openbare
                        vergadering van 22 december 1994.</al><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>drs. J.M.A. van Nassau J.C.Th. van der Doef</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Delegatie is blijkens artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht het overdragen
                    door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een
                    ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. Delegatie geschiedt
                    niet aan ondergeschikten (ambtenaren). Delegatie geschiedt slechts indien in die
                    bevoegdheid bij wettelijk voorschrift is voorzien. De raad kan de gedelegeerde
                    bevoegdheden niet meer zelf uitoefenen, maar kan zijn delegatiebesluit te allen
                    tijde intrekken. Een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt
                    genomen vermeldt het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan. De
                    bestuursrechter ziet actief toe op de aanwezigheid van een bevoegdheid en op een
                    juiste toepassing ervan door het juiste orgaan. </al><al>De bevoegdhedenverdeling op grond van de Wet dualisering gemeentelijke
                    medebewindsbevoegdheden houdt staatsrechtelijk in dat op 8 maart 2006 een groot
                    aantal bestuursbevoegdheden is verschoven van de raad naar het college. De rol
                    van de raad concentreert zich in dit kader op de uitoefening van die
                    bestuursbevoegdheden, waarbij het belang van een sterke democratische
                    legitimatie groot is. De dualisering van de medebewindwetgeving creëert geen
                    nieuwe taken en bevoegdheden. De hoofdregel is dat de overgang van een
                    bevoegdheid geen gevolgen heeft voor de rechtskracht van reeds genomen
                    beslissingen. Het per 8 maart 2006 bevoegde bestuursorgaan (het college) heeft
                    alle bestaande rechten en verplichtingen van het voormalig bevoegde
                    bestuursorgaan (de raad) overgenomen. De nog resterende bestuursbevoegdheden
                    worden uitgevoerd binnen de in de toelichting aangegeven kaders.</al><tussenkop>Jurisprudentie:</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Delegatie van besluitbevoegdheid moet ondubbelzinnig zijn. Indien de
                            inhoud van een besluit waarin beoogd is een bevoegdheid te delegeren
                            voor meerdere uitleg vatbaar is, is uit een oogpunt van rechtszekerheid
                            de consequentie daarvan dat de bevoegdheid niet is gedelegeerd. Zo ook
                            in ABRS 2 september 2007 (JB 2007, 195). In deze zaak bevatte het
                            betreffende delegatiebesluit de woorden ‘ter afdoening’, hetgeen
                            onduidelijkheid liet bestaan over de vraag of de raad de bevoegdheid had
                            gemandateerd of gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. </al></li><li nr="·"><al>In CRvB 7 augustus 2007 (JB 2007/199; ABkort 2007, 456) kwam de Raad na
                            bestudering van de inhoud van de tekst van de gemeenschappelijke
                            regeling (GR) tot het oordeel dat geen sprake was van delegatie van
                            collegebevoegdheden aan het bestuursorgaan van de GR, maar van
                            mandaat.Daarom was niet het bestuursorgaan van de GR, maar het college
                            het bevoegde bestuursorgaan. – NTB 2008.1. </al></li><li nr="·"><al>In gelijke zin CRvB 7 augustus 2007 (JB 2007/200; ABkort 2007, 432; NJB
                            2007, 1792); CRvB 13 november 2007 (LJN BB7724); CRvB 18 september 2007
                            (ABkort 2007, 499) en CRvB 13 november 2007 (LJN BB37).</al></li><li nr="·"><al>In ABRS 27 augustus 2008 (ABkort 2008, 378) hadden burgemeester en
                            wethouders ten onrechte een vrijstellingsbesluit genomen omdat de
                            bevoegdheid daartoe – gezien het delegatiebesluit – niet bij het college
                            maar bij de gemeenteraad berustte. Gelet op de stukken en het
                            verhandelde ter zitting kan als vaststaand worden aangenomen dat het
                            college inhoudelijk geen ander besluit zal nemen dan het wegens het
                            bevoegdheidsgebrek vernietigde besluit, aldus de afdeling. Gelet hierop
                            en het feit dat partijen ter zitting hun standpunt met betrekking tot de
                            inhoud van het geschil naar voren hebben gebracht is de Afdeling van
                            oordeel dat in dit geval uit een oogpunt van proceseconomie met
                            toepassing van art. 8:72, derde lid, Awb kan worden bepaald dat de
                            rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven als de
                            inhoud van het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder c</tussenkop><tussenkop>Jurisprudentie:</tussenkop><al>·Delegatie bij medebewind. Onttrekking aan het openbaar verkeer
                    (’s-Hertogenbosch). Ingevolge artikel 9 Wegenwet kan een weg aan het openbaar
                    verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad van de gemeente waarin de
                    weg is gelegen. De raad heeft de bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wegenwet
                    aan het college gedelegeerd. De grondslag voor de delegatie van de aan de orde
                    zijnde bevoegdheid wordt geboden door artikel 156 Gemeentewet en de aard van de
                    bevoegdheid verzet zich niet tegen overdracht aan het college (ABRS 7 september
                    2007, nr. 200705763/2, Gemeentestem nr. 7304, 116).</al><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder d</tussenkop><al>De ambtenaren van de burgerlijke stand krijgen verzoeken om op locaties buiten
                    het stadhuis te mogen trouwen. Het aanwijzen van dergelijke locaties als "het
                    huis der gemeente" is een in de Wet rechten burgerlijke stand en de Gemeentewet
                    bij uw raad neergelegde bevoegdheid. Om adequaat te kunnen inspelen op
                    dergelijke verzoeken achten wij het wenselijk dat deze bevoegdheid aan ons
                    college blijft gedelegeerd. Aan een besluit tot aanwijzing gaat een
                    onderhandelingstraject met de eigenaar van de locatie vooraf waarmee de nodige
                    tijd gemoeid kan zijn. Gelet op het feit dat uw raad slechts éénmaal per maand
                    vergadert lijkt het ons, om verder tijdsverlies te voorkomen, dat ons college de
                    betreffende verzoeken kan afhandelen. Inmiddels hebben wij reeds enkele
                    aansprekende locaties in Vlissingen aangewezen waar, buiten het gemeentehuis,
                    kan worden getrouwd. Overigens zullen onze aanwijzingsbesluiten ter kennisname
                    aan uw raad worden overgelegd.</al><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder e</tussenkop><al>Op 16 juni 1997 is het 'Besluit rijkssubsidiering restauratie monumenten 1997' (
                    Brrm 1997) in werking getreden. Het gemeentelijk
                    restauratie-uitvoeringsprogramma vindt zijn grondslag in artikel 11 van het
                    bovengenoemd besluit. In artikel 11 wordt onder andere bepaald, dat de raad van
                    een budgethoudende gemeente jaarlijks een gemeentelijk
                    restauratie-uitvoeringsprogramma kan vaststellen, waarin staat aangegeven welke
                    beschermde monumenten voor welk bedrag aan subsidie in aanmerking kunnen komen.
                    Blijkens de publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Brrm 1997 (
                    Besluit van 19 september 2000, Stb. 390), bestaan er, door de vervanging van het
                    woord raad in bestuur in artikel 11 Brrm, geen bezwaren tegen vaststelling van
                    het uitvoeringsprogramma door ons college. Aangezien de tijd die gemoeid is met
                    de totstandkoming van een raadsbesluit ertoe zou kunnen dat de uiterste datum
                    van indiening van het restauratie-uitvoeringsprogramma niet wordt gehaald blijft
                    het gewenst van de mogelijkheid tot het overdragen van deze bevoegdheid gebruik
                    te maken. </al><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder f </tussenkop><al>In het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten, Stb. 2003, 362
                    (BAPG) wordt onderscheid gemaakt tussen het juridische begrip rechtmatigheid en
                    de rechtmatigheid in het kader van de accountantscontrole. In het normenkader
                    voor een rechtmatigheidscontrole is een inventarisatie gemaakt van de voor de
                    accountantscontrole relevante regelgeving van de EU, het rijk en de gemeente. De
                    inventarisatie bestaat uit de externe wetgeving en de eigen regelgeving, waarbij
                    de verordeningen en de collegebesluiten (regelingen) kunnen worden
                    onderscheiden. </al><lijst><li nr="·"><al>Om het normenkader te kunnen gebruiken voor de accountantscontrole moet
                            het worden geoperationaliseerd. Dit gebeurt via het toetsingskader.</al></li><li nr="·"><al>Bij het toetsingskader is het vooral van belang aan te geven welke
                            bepalingen van de regelgeving relevant zijn, cq aan welke bepalingen
                            financiële consequenties zitten. Daarbij dienen de volgende vragen te
                            worden beantwoord.</al><lijst><li nr="a."><al>Het normenkader moet worden geoperationaliseerd in een
                                    toetsingskader (wat houdt toetsing in en hoe komt het tot
                                    stand?)</al></li><li nr="b."><al>Welke criteria kunnen worden gehanteerd om in de praktijk tot
                                    een zekere begrenzing van de aandacht voor rechtmatigheid te
                                    komen. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder g</tussenkop><al>Op grond van artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad aan het
                    college bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich
                    daartegen verzet. In dit geval verzet de aard van de bevoegdheid tot het sluiten
                    van standaard achtervangovereenkomsten zich niet tegen delegatie. Het
                    Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) is opgericht als borgstellingsinstituut
                    voor de sociale huursector. Het stelt woningbouwcorporaties in staat toegang te
                    krijgen tot de kapitaalmarkt en leningen aan te trekken voor hun
                    volkshuisvestingstaken tegen zo laag mogelijke rente. Hiervoor staat het WSW
                    borg. </al><al>Het verlies dat de gemeente Vlissingen als achtervanger kan lijden is beperkt
                    tot de rentederving over leningen die zij bij een calamiteit aan het WSW moet
                    verstrekken. De kans dat het WSW de gemeente Vlissingen moet aanspreken is zeer
                    gering. Sinds de oprichting van het WSW in 1983 is er geen claim geweest en is
                    op de secundaire noch tertiaire zekerheid een beroep gedaan. Materieel gezien
                    loopt de gemeente Vlissingen op basis van de achtervangpositie van het WSW geen
                    risico.</al><al>Het gedelegeerde besluit geldt juridisch als een besluit van het college. Een op
                    grond van delegatie genomen besluit vermeldt welk delegatiebesluit er aan ten
                    grondslag ligt en de vindplaats van dat besluit, te weten het Gemeenteblad,
                    waarin het Algemeen delegatiebesluit is opgenomen onder nummer I.02. Delegatie
                    houdt in dat de raad deze bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen. Daarvoor is
                    nodig dat de raad de delegatie schriftelijk intrekt. Desgewenst kan de raad
                    alleen in de vorm van beleidsregels aanwijzigen aan het college geven.
                    Aanwijzigen in een concreet geval zijn niet mogelijk omdat dit strijdig is met
                    de essentie van delegatie. Voor het college geldt op verzoek van de raad een
                    inlichtingenplicht.</al><al>(toegevoegd Rdb. 28 augustus 2008, nr. 8.7</al><tussenkop>Artikel 2, aanhef en onder h</tussenkop><al>De Legesverordening bevat ruim tweehonderd tarieven en bepalingen die, zo wijst
                    de praktijk uit, nogal eens wijzigingen ondergaan. Dit kan voortkomen uit
                    gewijzigde wetgeving, maar ook uit voortschrijdend inzicht of andere lokale
                    behoeften. Gezien de wenselijkheid en soms noodzakelijkheid dat de wijzigingen
                    snel kunnen worden doorgevoerd is het wenselijk dat de bevoegdheid tot het
                    wijzigingen van de legesverordening wordt gedelegeerd aan het college. Omdat het
                    college verantwoording verschuldigd blijft aan de raad, zich conformeert aan het
                    gestelde in de nota lokale heffingen 2009-2012 en alle wijzigingen ter
                    kennisgeving aan zal bieden aan de commissie financiën en algemene zaken, blijft
                    de mate van toezicht door de raad voldoende gewaarborgd. Delegatie is mogelijk
                    op grond van artikel 156 van de Gemeentewet. Het beoogde resultaat is te komen
                    tot een efficiëntere wijze van de verwerking van noodzakelijke en wenselijke
                    wijzigingen van de Legesverordening.</al><al>(toegevoegd Rdb. 24 september 2009, nr. 8.6)</al><tussenkop>Artikel 3. Inlichtingen</tussenkop><al>De inlichtingenbevoegdheid ligt wettelijk vast in artikel 10:16, tweede lid Awb.
                    De bevoegdheid is o.m. noodzakelijk om de raad de gelegenheid te bieden zich een
                    oordeel te vormen omtrent de wenselijkheid van het laten voortbestaan van de
                    delegatie. Vanuit deze gedachte levert een verzoek om inlichtingen van de raad
                    voor het college dan ook de verplichting op om deze inlichtingen te verstrekken.
                    Indien de raad om inlichtingen verzoekt, dient het college deze zonder meer te
                    verstrekken. Het bestaan van deze bijzondere inlichtingenverplichting laat
                    onverlet dat er ook andere inlichtingenverplichtingen kunnen bestaan die de
                    verhouding tussen raad en college bepalen, te denken valt aan artikel 169
                    Gemeentewet. In vergelijking met artikel 10:16, tweede lid Awb regelt de
                    Gemeentewet een inlichtingenplicht die op twee punten ruimer is. In de eerste
                    plaats schept artikel 169 Gemeentewet een inlichtingenverplichting voor het
                    college als geheel en de individuele leden van het college afzonderlijk. In de
                    tweede plaats regelt deze bepaling dat niet alleen de raad als geheel, maar ook
                    individuele raadsleden afzonderlijk om inlichtingen kunnen vragen. Gezien de
                    redactie van artikel 10:16, tweede lid, Awb moet worden aangenomen dat op
                    grondslag daarvan alleen het bestuursorgaan ( = de raad) om inlichtingen kan
                    vragen. Aan het verzoek om inlichtingen zal een meerderheidsbesluit ten
                    grondslag moeten liggen omdat de raad een meerhoofdig bestuursorgaan is.</al><tussenkop>Jurisprudentie:</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>ABRS 12 september 2007, nr. 200700214/1 (LJN BB3431 en JB 2007, 195):
                            bevoegdheidsgebreken delegatie; gebrek bekendmaking; aanvraag,
                            onvoldoende gegevens; aanvraag, verstrekken gegevens bij.</al></li><li nr="·"><al>CRvB 7 augustus 2007, nrs. 05/5590 WWB, 06/524 WWB; (LJN BB1469k; JB
                            2007, 199 en JB 2007, 200): Delegatie, gebrek, ambtshalve toetsen.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>