<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR22014_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Cranendonck 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cranendonck</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-02-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cranendonck</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad de Grenskoerier, woensdag 13 juni 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Cranendonck 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Cranendonck 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>1.1 Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="-"><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten
                                        aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste
                                        lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet; </al></li><li nr="-"><al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                                        artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van
                                        de Woningwet; </al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet; </al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a , eerste
                                        lid van de Woningwet belast met het bouw- en woningtoezicht;
                                    </al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; </al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm; </al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm; </al></li><li nr="-"><al>straatpeil: </al></li><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang; </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; </al></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; </al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>1.2 Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom; </al></li><li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als
                                        bedoeld in artikel 9.9, eerste lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden
                                de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als
                                zodanig zijn aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>2 DE AANVRAAG BOUWVERGUNNING </titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>1 Gegevens en bescheiden </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen (vervallen) </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.5 Bodemonderzoek </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU,
                                            uitgave oktober 1993); </al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                            of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                            uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 A Historisch bodemonderzoek </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 40a Woningwet en het Besluit
                                indieningsvereisten, wordt bij elke aanvraag om een reguliere
                                bouwvergunning een bodemonderzoeksrapportage overgelegd, tenzij
                                sprake is van een bebouwingsoppervlakte van ten hoogste 50 m2.In het
                                geval dat sprake is van een bebouwingsoppervlakte van ten hoogste 50
                                m2 dient een historisch onderzoek met betrekking tot het gebruik van
                                de bodem te worden overgelegd.”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (vervallen) </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;
                                    </al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt; </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                        Algemene wet bestuursrecht. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>3 Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                        vereist; </al></li><li nr="1."><al>en dat de grond raakt, </al></li><li nr="2."><al>of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.3A Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="1."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="2."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit;</al></li></lijst><al/><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        </al></li><li nr="c."><al>en ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten: </al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmedee de
                                            voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                            overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7; </al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg; </al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en
                                            dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                            de weg niet in gevaar komt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.9 Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        eerste lid, onder i, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                        Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend; </al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al> gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al></li><li nr="b."><al> gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al> bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al> gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al> gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste; </al></li><li nr="b."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al> in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al> in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al> in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al> buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                        zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de
                                        zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;
                                    </al></li><li nr="c."><al> onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="d."><al> onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="e."><al> andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten: </al></li><li nr="f."><al> ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="g."><al> terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="h."><al> antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al> buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                        zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de
                                        zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;
                                    </al></li><li nr="b."><al> binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al> vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al> gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al> gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                        bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4,
                                        is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al> bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al> gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                        overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al> bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;
                                    </al></li><li nr="i."><al> ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw; </al></li><li nr="j."><al> erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;
                                    </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al> bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die: over de volle breedte van het
                                    gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het
                                    achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het
                                    verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al> het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                            betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet
                                            tot bewoning bestemd is; </al></li><li nr="b."><al> het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan: </al></li><li nr="1."><al> een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;
                                        </al></li><li nr="2."><al> het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                            tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan
                                            een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                                            spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                            terrein slechts aan één van die zijden mag worden
                                            bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot
                                            stand wordt gebracht; </al></li><li nr="3."><al> bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                            bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van
                                            het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand
                                            verbeterd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.16 Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al> indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen; </al></li><li nr="b."><al> indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al> vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al> niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al/><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                    ondergrondse hoofdtransportleidingen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van: </al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;
                                        </al></li><li nr="b."><al> het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagd de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtige bouwwerk in het valk door
                                    de voorgevel rooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al> in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom 0.75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch toch geen grotere lengte dan 15 meter. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al> in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok; </al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a."><al> 45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al> 37 graden buiten de bebouwde kom</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al> het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al> topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse; </al></li><li nr="d."><al> plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al> gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen
                                        en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten
                                        en vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al> gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat; </al></li><li nr="c."><al> gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="e."><al> het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k, van het Besluit bouwwerken, en indien: </al></li><li nr="1."><al> de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het verlenen van de
                                        ontheffing is gebaat; </al></li><li nr="2."><al> bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li><li nr="f."><al> bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al> topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard; </al></li><li nr="h."><al> plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter; </al></li><li nr="i."><al> dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="j."><al> draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al> vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al> bouwwerken op een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en
                                    van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van
                                    nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                            Bro; </al></li><li nr="b."><al> de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid
                                            van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO; </al></li><li nr="c."><al> het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met
                                            in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                                            beleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al> gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                            schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                            inbrengen; </al></li><li nr="b."><al> indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                            wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                            bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                            verdagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                                    in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al> indien de afmetingen van een gereserveerde
                                            parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die
                                            ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst
                                            - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al></li><li nr="b."><al> voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie: waarvan de hoogste vloer van een</al><lijst><li nr="a."><al> verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde boven
                                            het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al> waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan
                                            de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                            aangegeven grenswaarden; </al></li><li nr="c."><al> waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                            bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde;
                                            die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                            bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                            aangegeven, </al></li></lijst><al/><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN
                                    2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                    woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts
                                    in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor
                                    dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de
                                    betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                    voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                    ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de
                                    volgende situaties: </al><lijst><li nr="a."><al> De loopafstand tussen de toegang van een
                                            verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere
                                            richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10
                                            meter; </al></li><li nr="b."><al> Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                            waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                            alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten
                                            is groter dan 200 m2;</al></li><li nr="c."><al> Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                            betreffende ruimte bedraagt meer dan 2. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                    bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002,
                                    is uitgevoerd als: </al><lijst><li nr="a."><al> niet-automatische bewaking; of </al></li><li nr="b."><al> gedeeltelijke bewaking; of </al></li><li nr="c."><al> volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening, of </al></li><li nr="d."><al> ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                            vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                                    bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door
                                    naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                    gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                    van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                    een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma
                                    van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                    2535/A1 uitgave 2002. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in
                                    de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel
                                    een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders
                                    erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling
                                    in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als
                                    bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien
                                    van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2,
                                    tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                    verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                    2575, uitgave 2004. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                    overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                    aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                    vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk
                                    kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage
                                    12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.11 Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7
                                    van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                    aanwezig is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al> indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten
                                    aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al> indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of </al></li><li nr="b."><al> indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van
                                            de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan
                                            onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al> voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2; </al></li><li nr="b."><al> voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd; </al></li><li nr="c."><al> voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al> op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen; of </al></li><li nr="b."><al>er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al> voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="b."><al> voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al> leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort; </al></li><li nr="b."><al> leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met overstort;
                                        </al></li><li nr="c."><al> leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten
                                            zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al> leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al> zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en </al></li><li nr="b."><al> zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen: </al><lijst><li nr="a."><al> van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is; </al></li><li nr="b."><al> van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het ontstoppingspunt op de erfafscheiding moet op het eigen
                                    terrein liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>3. DE MELDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>4. PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ
                            INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al> binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;
                                </al></li><li nr="b."><al> tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al> de bouwvergunning; </al></li><li nr="b."><al> andere vergunningen en ontheffingen; </al></li><li nr="c."><al> het bouwveiligheidsplan; </al></li><li nr="d."><al> een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit
                                    tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al> het straatpeil is aangegeven; </al></li><li nr="b."><al> de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al> de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al> de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen; </al></li><li nr="c."><al> de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al> de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; </al></li><li nr="b."><al> machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                    </al></li><li nr="b."><al> de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al> het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.11 Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al> de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9); </al></li><li nr="b."><al> steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                        glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="c."><al> overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen: </al><lijst><li nr="a."><al> van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil; </al></li><li nr="b."><al> van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                    </al></li></lijst><al/><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al> het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li><li nr="b."><al> het verkrijgen van een goede binding en verharding; </al></li><li nr="c."><al> de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>4.14 Verbod tot ingebruikneming.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>5. STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, BRANDVEILIGHEIDSINSTALLATIES,
                            AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN
                            HINDERLIJK GEDIERTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.Open erven en
                                    terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                                    voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al> drassigheid; </al></li><li nr="b."><al> stank; </al></li><li nr="c."><al> verontreiniging; </al></li><li nr="d."><al> aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                            gedierte;</al></li><li nr="e."><al> aanwezigheid van begroeiing</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 50 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al> een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al> zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al> op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al> een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel
                                            4.3 van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al> een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; </al></li></lijst><al/><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al> ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li><li nr="b."><al> geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en </al></li><li nr="c."><al> ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                                    gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoor- gebouwen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    woongebouwen van bijzondere aard </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al> indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al> indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al> indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al> indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al> indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al/><al/><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al> woningen voor bejaarden; </al></li><li nr="b."><al> woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
                                    </al></li><li nr="c."><al> woningen die niet worden verhuurd; </al></li><li nr="d."><al> woningen met een aansluiting op het
                                        stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al> in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al> op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="c."><al> voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al> op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al> voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt; </al></li><li nr="b."><al> voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                        zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                        zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                        doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                        alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                        toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                        wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                        bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="c."><al> leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al> leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                    erven en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>4. Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>5.4.1. Preventie normale </titel></kop><al>onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                                bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>6. BRANDVEILIG GEBRUIK</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>1 Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al> meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis; aan meer
                                            dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                            verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; </al></li><li nr="b."><al> aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft; </al></li><li nr="c."><al> waar bij voortduring niet zelfstandige woongelegenheden
                                            wordt verschaft aan 4 of meer personen die niet behoren
                                            tot het gezin van de rechthebbende. Van een niet
                                            zelfstandige woongelegenheid is sprake wanneer de
                                            personen in overwegende mate gebruik moeten maken van
                                            gezamenlijke bad-, toilet- of kookfaciliteiten; </al></li><li nr="d."><al> bij de verlening van een bouwvergunning voor het
                                            betrokken bouwwerk het brandveiligheidsconcept
                                            “beheersbaarheid van brand” is toegepast; </al></li><li nr="e."><al> waar bij de verlening van de bouwvergunning voor het
                                            betrokken bouwwerk de regeling met betrekking tot
                                            gelijkwaardige veiligheid als bedoeld in artikel 1.5 van
                                            het Bouwbesluit 2003 is toegepast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend
                                    dan wel worden gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                    daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde
                                eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en
                                4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en
                                wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te
                                geven ontbrekende gegevens over te leggen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                    gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                    hoogste zes weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien: voor
                                    hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die
                                    vergunning nog niet hebben beslist; voor hetzelfde bouwwerk een
                                    besluit tot toepassing van bestuurdwang of opleggen van een last
                                    onder dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de
                                    Woningwet is genomen wegens strijd met de voorschriften van het
                                    Bouwbesluit, als bedoeld in artikel 1b van de Woningwet, en deze
                                    binnen de in het eerste lid vermelde termijn is verzonden, doch
                                    aan dit besluit nog niet is voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat
                                    is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder
                                    letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het
                                    besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid en
                                    burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:de in de aanvraag vermelde
                                wijze van gebruik van het bouwwerk kan in relatie tot de beoogde
                                gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn
                                en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig
                                gebruik worden bereikt; de bouwvergunning is geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                    intrekken indien: blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge</al><lijst><li nr="a."><al> van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend;
                                        </al></li><li nr="b."><al> blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                            voldaan aan een voorwaarde van de vergunning; </al></li><li nr="c."><al> van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                            weken na het onherroepelijk worden van de vergunning;
                                        </al></li><li nr="d."><al> van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                            langer geen gebruik is gemaakt; </al></li><li nr="e."><al> het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
                                            of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                            beschermen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </titel></kop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                    verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                    verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                    brandgevaarlijke stof aanwezig. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                            betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien
                                            verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de
                                            eerste zes rijen honderd kilogram of liter is, </al></li><li nr="b."><al> de betreffende stof zodanig is verpakt </al></li><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is,
                                            en </al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                            ontsnappen, en </al></li><li nr="c."><al> de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                            de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en
                                            S-zinnen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;
                                        </al></li><li nr="b."><al> de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of
                                            een ander warmteontwikkelend toestel; </al></li><li nr="c."><al> voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en
                                        </al></li><li nr="d."><al> het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                            aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof
                                            voor zover dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is
                                            toegestaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                    onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                    vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                    bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.2.3 Opslag en verwerking stoffen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al> middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand; </al></li><li nr="b."><al> middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>4 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor: </al><al/><al>a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid; </al><al>b. brandgevaar wordt veroorzaakt; </al><al>c. het vluchten wordt belemmerd.</al><al/><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>7. OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>1 Overbevolking </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.1.1 Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>2 Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al> bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li><li nr="b."><al> bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                    gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.3.1</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.3.2 Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al> overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li><li nr="b."><al> op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein; </al></li><li nr="c."><al> instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                        veroorzaakt.</al></li></lijst><al/><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.4.1 Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>5 Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.5.1 Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>6 Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8. SLOPEN</label><titel/></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>1 Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.1 Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al> de veiligheid tijdens het slopen; </al></li><li nr="b."><al> de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al> het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al> het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                            overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2,
                                            tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet
                                            reeds zijn overgelegd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden: </al><lijst><li nr="a."><al> correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;
                                        </al></li><li nr="b."><al> indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                            adres; </al></li><li nr="c."><al> naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                            belast; </al></li><li nr="d."><al> de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich
                                            het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het
                                            bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit
                                            asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                            kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                            bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                            desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                            ingevolge het negende lid is gewaarmerkt; </al></li><li nr="e."><al> een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                            waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                            niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt; </al></li><li nr="f."><al> het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                            gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd; </al></li><li nr="g."><al> mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                            aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                            bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                            te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;
                                        </al></li><li nr="h."><al> een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                            plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing: </al></li><li nr="i"><al> het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd: </al><lijst><li nr="a"><al> een afschrift van het asbestinventarisatierapport,
                                            uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt; </al></li><li nr="b"><al> een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 19 augustus
                                            1997 dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="c"><al> indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is
                                            opgesteld vóór 1 januari 2004, dient tevens een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden
                                            overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen
                                            bouwwerk hebben plaats-gevonden, waarbij asbesthoudende
                                            materialen zijn toegepast; een schriftelijk bewijsstuk
                                            dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994;
                                        </al></li><li nr="d."><al> bij woningen of naar bouwconstructie of
                                            materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                            bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                                            verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat
                                            hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds
                                            het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast; </al></li></lijst><al>e. bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                    verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen
                                    materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke
                                    verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant
                                    of leverancier afkomstig is.</al><al/><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                    overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij
                                    de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens
                                    verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende weerleggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden
                                    overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar
                                    dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan indien</al><lijst><li nr="a."><al> de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking
                                            heeft op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                            aangeduide plaatsen, of </al></li><li nr="b."><al> een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder
                                            b bij de aanvraag is gevoegd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd -
                                    worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.6 Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd; </al></li><li nr="b."><al> de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al> een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend; </al></li><li nr="d."><al> een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend; </al></li><li nr="e."><al> een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.1.7 Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens; </al></li><li nr="b."><al> binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt; </al></li><li nr="c."><al> tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.2.1 Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening
                                    van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al> geschroefde , asbesthoudende platen waarin de
                                            asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien,
                                            uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                            staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                            niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                            bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                                            dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                            asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante
                                            meter per kadastraal perceel bedraagt; </al></li><li nr="b."><al> asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                            woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                            bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt; </al></li></lijst><al/><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    sloopvergunning is vereist. Met een woning wordt gelijk gesteld
                                    een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    enkelvoud worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning </titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van: </al><lijst><li nr="a."><al> geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al> verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen; </al></li><li nr="c."><al> rem- frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al> pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al> pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.4 Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                                </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><titel>4 Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>8.4.1 Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al> de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al> steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al></li><li nr="c."><al> bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="d."><al> met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="e."><al> asfalt; </al></li><li nr="f."><al> dakgrind; </al></li><li nr="g."><al> overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>9. WELSTAND</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                Welstandszorg Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch die uit haar midden
                                personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna
                                gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld
                                in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De
                                welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                                welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in
                                strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
                                wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde
                                welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="-"><al> de bijzondere projecten. </al></li></lijst><al/><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.5 Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om </al><al>a. een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste
                                lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken; </al><al>b. een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf
                                weken;</al><al>c. een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen
                                van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of
                                namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te
                                ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag
                                wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college van
                                burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die
                                belanghebbende in toelichtende zin spreekrecht is toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                                aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel> 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><al>a. op het voornemen inspraak is verleend; </al><al>b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>10. OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                            gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                            sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn
                            rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.4 Overdragen mededeling </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                                woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>11. HANDHAVING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>11.1 Stilleggen van de bouw </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>11.4 Onderzoek naar een gebrek </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><titel>12. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.1 Strafbare feiten </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                                en terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                                Brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23
                                mei 2000, geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift of beperking
                                - hoe ook genaamd - verleend krachtens de
                                Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23
                                mei 2000, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is
                                verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.5 Overgangsbepaling sloopmelding </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.5 A Overgangsbepaling met betrekking tot de aanvraag van een
                                bouwvergunning</titel></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                            toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                            wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog
                            niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening vastgesteld
                            bij raadsbesluit d.d. 18 februari 2003 van toepassing voor zover geen
                            strijdigheid is met reeds vóór dat tijdstip geldende wetgeving, tenzij
                            de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><titel>12.6 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de 8<sup>e</sup> dag na die
                                waarop zij is afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                Bouwverordening Cranendonck 2003, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                18 februari 2003 en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening
                                Cranendonck 2007”. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>1</titel></kop><al/><al><vet>GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG BOUWVERGUNNING</vet></al><al/><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al/><al><vet>Artikel 1 </vet>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2 </vet>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 3 </vet>Funderingsplan (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4 </vet>Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5 </vet>Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al/><al><vet><vet>Artikel 6 </vet></vet>Eisen ten aanzien van tekeningen
                    (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 7 </vet>Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>2</titel></kop><al><vet>GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG GEBRUIKSVERGUNNING</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al/><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                    volgende gegevens bevatten.</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="a."><al> de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de
                            aanvrager;</al></li><li nr="b."><al> indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging;</al></li><li nr="c."><al> een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; </al></li><li nr="d."><al> de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron; voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het
                            maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal
                            verblijven.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 2 </vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al> een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000; </al></li><li nr="b."><al> een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken
                            op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de
                            bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste
                            lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstellingvan de bedden
                            moet zijn aangegeven; </al></li><li nr="c."><al> voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100,
                            aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het
                            publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; </al></li><li nr="d."><al> voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen
                            worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van
                            tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te
                            houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                            vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>3</titel></kop><al><vet>GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKEN</vet></al><al/><al>Algemene toelichting bij bijlage 3</al><al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en
                    woonwagens. De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te
                    realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een
                    beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht
                    zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te
                    beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door
                    preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en
                    het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven
                    niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid. </al><al/><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al> De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere
                            bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid,
                            en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                            brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de
                            verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en
                            opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden
                            geopend.</al></li></lijst><al/><al>Toelichting bij artikel 1</al><al/><al>Lid 1</al><al>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                    publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl </al><al/><al>Lid 2</al><al>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                    openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
                        </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al> De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht.</al></li></lijst><al/><al/><al>Toelichting bij artikel 2</al><al/><al>Lid 1</al><al>Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de
                    verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                    aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook
                    Bijlage 4, artikel 2). </al><al/><al>Lid 3</al><al> wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud
                    is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van
                    noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten
                    van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De
                    publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van
                    onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al> In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                            opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn
                            opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond
                            van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie
                            of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het
                            bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht
                            aanwezig te zijn bij het gebruik van: </al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor
                            centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004;
                        </al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt
                            gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties
                            bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN
                            1078, uitgave 1999; </al></li><li nr="-"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het
                            stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave
                            1999.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="4."><al> Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of
                            dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                            ontstaan van brand. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="5."><al> Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren
                            met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening
                            voor de afvoer van rook.</al></li></lijst><al/><al>Toelichting bij artikel 3</al><al/><al>Lid 1</al><al>Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden
                    opgeslagen of opgesteld. De straling rondom een stooktoestel buiten een
                    stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het
                    gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan
                    optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen. Dit artikel ligt in
                    de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is
                    brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal
                    het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer
                    van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het
                    verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er
                    een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt
                    het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en
                    vormt hiermee een gevaar voor mensen. Werkzaamheden, waaronder die voor
                    onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede
                    werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.</al><al/><al>Lid 3</al><al>De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de
                    brandveiligheid.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Een installatie voor verwarming en kookdoeleinden in de omgeving van
                    brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen
                    getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’.</al><al/><al>Lid 5</al><al>De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn
                    vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat
                            niet doeltreffend is gereinigd. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te
                            branden.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al> Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                            indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer
                            van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van
                            personen.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="4."><al> Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                            gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</al></li></lijst><al/><al/><al>Toelichting bij artikel 4 </al><al/><al>Lid 1</al><al>Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare
                    brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van
                    het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd. Voor een afvoerkanaal
                    voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien
                    noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening
                    voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico
                    op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook
                    als gevolg van het uitbranden. </al><al/><al>Lid 3</al><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die
                    niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van
                    een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die
                    niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De
                    voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en
                    daarmee loopt de omgeving gevaar.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de
                            opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit
                            2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                            brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen
                            van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar
                            gas. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al> Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                            duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN
                            TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011, uitgave 2004.</al></li></lijst><al/><al/><al>Toelichting bij artikel 5</al><al/><al>Lid 1</al><al>Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte
                    niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij
                    zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in
                    de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift
                    ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod
                    is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                    pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                    verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer,
                    de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende
                    besluiten en maatregelen.</al><al/><al>Lid 3</al><al>In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt
                    moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende
                            pompinstallaties.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al> Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt
                            de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN
                            1594/A1, uitgave 1997.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al> De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per
                            maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                            gerepareerd. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede
                            werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</al></li></lijst><al/><al>Toelichting bij artikel 6</al><al/><al>Lid 1</al><al>De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar
                    visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De
                    resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien
                    gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een
                    installateur.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig
                    gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na
                    geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa
                    gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen
                    gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien
                    meter de druk met 100 kPa worden verhoogd. De resultaten van deze test moeten,
                    in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in het logboek.</al><al/><al>Lid 3</al><al>Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594,
                    uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan
                    gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit
                    houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de
                    brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan
                    zeventig meter dient een zelfstandige pompinst</al><al>allatie te worden geïnstalleerd. De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per
                    vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch
                    te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het
                    functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge,
                    receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de
                    publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon
                    (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten
                    van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</al><al/><al>Lid 4</al><al>De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien
                    noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. </al><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>1</titel></kop><al><vet>GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG BOUWVERGUNNING</vet></al><al/><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al/><al><vet>Artikel 1 </vet>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2 </vet>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 3 </vet>Funderingsplan (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4 </vet>Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5 </vet>Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>