<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21919_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-03-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hét Gemeente Nieuws; 03-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-12-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09rb000275</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2003, zoals vastgesteld op 26 november 2002, wordt ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9379</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Ons kenmerk: 09rb000275</al><al/><al>Nr. 13H</al><al/><al>De raad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester en de
                        leerplichtambtenaar van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 5 januari
                        2010;</al><al/><al>gelezen het advies van de commissie GFZ van 9 februari 2010;</al><al/><al>gelet op de artikel(en) 147 en 149 van de Gemeentewet en de hoofdstukken 6
                        en 7 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening behandeling bezwaarschriften</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het verwerend orgaan: het gemeentelijk bestuursorgaan dat het
                                    bestreden besluit heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de commissie: de bezwaarschriftencommissie;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad;</al></li><li nr="d."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="e."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van bezwaarschriften</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 De commissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op
                                        ingediende bezwaarschriften gericht tegen besluiten van de
                                        raad, het college, de burgemeester en de
                                        leerplichtambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bestaat uit drie kamers:</al><lijst><li nr="a."><al>Kamer I: Sociale Zaken;</al></li><li nr="b."><al>Kamer II: Ruimtelijke en Overige Zaken;</al></li><li nr="c."><al>Kamer III: Personele Zaken.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De commissie is niet bevoegd te adviseren over
                                        bezwaarschriften die zijn gericht tegen besluiten op grond
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake de gemeentelijke
                                                belastingen en heffingen;</al></li><li nr="b."><al>een wettelijk voorschrift inzake de Wet Waardering
                                                Onroerende Zaken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt een vergoeding voor de voorzitters en de
                                        leden van de commissie vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de kamers van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elke kamer van de commissie bestaat uit een voorzitter en
                                        tenminste twee leden, die worden benoemd, geschorst en
                                        ontslagen door het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college benoemt een genoegzaam aantal leden, opdat bij
                                        verhindering van een lid van een kamer in diens vervanging
                                        kan worden voorzien.</al></li><li nr="3."><al>De benoeming van de voorzitters en de leden van de kamers
                                        van de commissie is gebaseerd op deskundigheid en
                                        onafhankelijkheid van de kandidaten.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitters en de leden van de kamers van de commissie
                                        kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder
                                        verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan van de gemeente
                                        Overbetuwe.</al></li><li nr="5."><al>Elke kamer van de commissie regelt de incidentele vervanging
                                        van de voorzitter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elke kamer heeft een secretaris.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris van de kamer van de commissie is een door het
                                        college aangewezen ambtenaar.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan één of meer plaatsvervangers van de
                                        secretaris aanwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitters en de leden van de kamers van de commissie
                                        worden benoemd voor een periode van vier jaren. Herbenoeming
                                        is mogelijk.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitters en de leden van de kamers van de commissie
                                        kunnen op ieder moment ontslag nemen.</al></li><li nr="3."><al>In geval van aftreden of ontslag van de voorzitter of leden
                                        van de kamers van de commissie blijven zij hun functie
                                        vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 De procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op een ingediend bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                        vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt
                                        zo spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></li><li nr="3."><al>In het bericht van ontvangst als bedoeld in artikel 6:14 van
                                        de wet wordt vermeld dat de commissie over het bezwaar zal
                                        adviseren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Mediation</titel></kop><al>Na ontvangst van een bezwaarschrift kan een onderzoek worden
                                ingesteld naar de mogelijkheid het geschil door middel van mediation
                                op te lossen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden op grond van de volgende artikelen van de wet worden
                                voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de
                                voorzitter van de kamer van de commissie:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="91*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>- 2:1,</al></entry><entry colname="col2"><al>tweede lid: het schriftelijk machtiging
                                                  verlangen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- 6:6,</al></entry><entry colname="col2"><al>voor wat betreft het aan de indiener stellen van
                                                  een termijn waarbinnen het verzuim in de zin van
                                                  niet voldoen aan de vereisten als gesteld in
                                                  artikel 6:5 van de wet, kan worden hersteld;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- 6:17,</al></entry><entry colname="col2"><al>voor zover het betreft de verzending van stukken
                                                  aan gemachtigde tijdens de behandeling door de
                                                  kamer van de commissie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- 7:4,</al></entry><entry colname="col2"><al>tweede, zesde, zevende en achtste lid: het ter
                                                  inzage leggen van en het, in verband met
                                                  geheimhouding om gewichtige redenen, achterwege
                                                  laten van het ter inzage leggen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- 7:6,</al></entry><entry colname="col2"><al>vierde lid: het, bij afzonderlijk horen,
                                                  achterwege laten van het op de hoogte stellen van
                                                  belanghebbende van het verhandelde tijdens het
                                                  afzonderlijk horen, in verband met geheimhouding
                                                  om gewichtige redenen;</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer van de commissie is in verband
                                        met de voorbereiding van de behandeling van het
                                        bezwaarschrift bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                        inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                        leden van de kamer van de commissie bij deskundigen advies
                                        of inlichtingen inwinnen en deze zo nodig uitnodigen daartoe
                                        in de zitting te verschijnen. Als daaraan kosten zijn
                                        verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                        vereist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer van de commissie bepaalt plaats,
                                        datum en tijdstip van de zitting waarin belanghebbende(n) en
                                        het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld zich
                                        door de kamer van de commissie te doen horen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van de artikelen
                                        7:3 en 7:8 van de wet.</al></li><li nr="3."><al>Als de voorzitter op grond van de in het tweede lid vermelde
                                        artikelen besluit van het horen af te zien doet hij daarvan
                                        mededeling aan de belanghebbende(n) en het verwerend
                                        orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de kamer van de commissie nodigt de
                                        belanghebbende(n) en het verwerend orgaan ten minste twee
                                        weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vijf dagen na de uitnodiging kunnen de
                                        belanghebbende(n) of het verwerend orgaan, onder opgaaf van
                                        redenen de voorzitter verzoeken datum en/of tijdstip van de
                                        zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing van de voorzitter op een verzoek als bedoeld
                                        in het tweede lid wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
                                        één week voor de datum en/of het tijdstip van de zitting aan
                                        de belanghebbende(n) en het verwerend orgaan
                                        meegedeeld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                        wijken of afwijking toe te staan van de termijnen als
                                        vermeld in het eerste, tweede en derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het houden van een hoorzitting is vereist dat in elk
                                        geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger, en tenminste
                                        één lid van de kamer van de commissie aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, als
                                        de kamer van de commissie heeft besloten het horen over te
                                        dragen aan alleen de voorzitter van de kamer van de
                                        commissie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de kamer van de commissie nemen niet
                                deel aan de behandeling van een bezwaarschrift, als daarbij hun
                                onpartijdigheid in het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de kamer Ruimtelijke en Overige Zaken is
                                        openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten als de voorzitter of één
                                        van de aanwezige leden van de kamer van de commissie het
                                        nodig oordeelt, of als een belanghebbende daartoe een
                                        verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Als de kamer van de commissie vervolgens beslist dat
                                        gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid
                                        van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats met
                                        gesloten deuren.</al></li><li nr="4."><al>De zittingen van de kamers Sociale Zaken en Personele Zaken
                                        zijn niet openbaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt
                                        de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over
                                        en weer is gezegd en wat verder ter zitting is
                                        voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Als de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                        plaatsvond, of als belanghebbenden respectievelijk hun
                                        gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord,
                                        maakt het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                        stukken, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                        secretaris van de kamer van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                        opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                        voorzitter van de kamer van de commissie uit eigen beweging
                                        of op verlangen van de leden van de kamer dit onderzoek
                                        houden.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                        afschrift aan de leden van de kamer van de commissie, het
                                        verwerend orgaan en de belanghebbende(n) toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de kamer van de commissie, het verwerend orgaan
                                        en de belanghebbende(n) kunnen binnen één week na verzending
                                        van de in het eerste lid bedoelde nadere informatie aan de
                                        voorzitter van de kamer van de commissie een verzoek richten
                                        tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter
                                        beslist over een dergelijk verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting, als bedoeld in het derde lid,
                                        zijn de bepalingen in deze verordening, die betrekking
                                        hebben op de hoorzitting zoveel mogelijk van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden na de hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als na het horen feiten en omstandigheden bekend worden die
                                        voor de op het bezwaarschrift te nemen beslissing van
                                        aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan
                                        belanghebbenden en, als dit daarmee nog niet bekend is, het
                                        verwerend orgaan meegedeeld en worden zij, alvorens
                                        toepassing te geven aan artikel 7:9 van de wet, in de
                                        gelegenheid gesteld daarop binnen een bepaalde termijn
                                        schriftelijk te reageren.</al></li><li nr="2."><al>Bij de oproep voor de hoorzitting als bedoeld in artikel 7:9
                                        van de wet wordt melding gemaakt van de ontvangst van
                                        krachtens het vorige lid ingediende reacties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="91*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>De voltallige kamer van de commissie
                                                  beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren
                                                  over het door haar aan het bestuursorgaan uit te
                                                  brengen advies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>Schriftelijke beraadslaging is mogelijk. De
                                                  schriftelijke weerslag van de beraadslagingen
                                                  behoort niet tot het dossier.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>De kamer van de commissie beslist bij
                                                  meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                                                  advies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>Als bij een stemming de stemmen staken, beslist
                                                  de stem van de voorzitter.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>Van een minderheidsstandpunt wordt in het advies
                                                  melding gemaakt, als die minderheid dat
                                                  verlangt.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel
                                                  voor de te nemen beslissing op het
                                                  bezwaarschrift.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het advies wordt door de voorzitter en de
                                                  secretaris van de kamer van de commissie
                                                  ondertekend.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het advies wordt, onder meezending van het verslag als
                                        bedoeld in artikel 15 van de verordening en eventueel door
                                        de kamer van de commissie ontvangen nadere informatie,
                                        tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Als naar het oordeel van de voorzitter van de kamer van de
                                        commissie de termijn van twaalf weken, als bedoeld in
                                        artikel 7:10, eerste lid van de wet, ontoereikend is voor
                                        achtereenvolgens het uitbrengen van een advies door de
                                        commissie en het nemen van een beslissing verzoekt hij het
                                        bestuursorgaan tijdig de beslissing te verdagen als bedoeld
                                        in artikel 7:10, derde lid van de wet.</al></li><li nr="3."><al>Van het in tweede lid bedoelde verdagingsbesluit ontvangen
                                        de kamer van de commissie, de belanghebbende(n) en het
                                        verwerend orgaan, een afschrift.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks verslag uit van de werkzaamheden aan het
                            college en doet zonodig aanbevelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>De raad, het college, de burgemeester en de leerplichtambtenaar kunnen
                            één of meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing laten
                            of daarvan afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang van het
                            behandelen van bezwaarschriften, leidt tot een onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2003,
                            zoals vastgesteld op 26 november 2002, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de afhandeling van een bezwaarschrift, dat voor de
                                    inwerkingtreding van deze verordening is ingediend en waarvan de
                                    hoorzitting voor de inwerkingtreding van deze verordening heeft
                                    plaatsgevonden, is deze verordening, met uitzondering van
                                    artikel 18, tweede en derde lid van de verordening, niet van
                                    toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de afhandeling van een bezwaarschrift, dat voor de
                                    inwerkingtreding van deze verordening is ingediend en waarvan de
                                    hoorzitting niet voor de inwerkingtreding van deze verordening
                                    heeft plaatsgevonden, is deze verordening van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van
                            bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening behandeling
                            bezwaarschriften gemeente Overbetuwe 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 23 februari 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>E. Tuijnman.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>Th.M.M. Hoex</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>E. Tuijnman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE BURGEMEESTER,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>E. Tuijnman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE LEERPLICHTAMBTENAAR,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>N. Zwiers</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>In de aanhef van de verordening is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college, de burgemeester, en de leerplichtambtenaar ieder
                    voor zover het hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te
                    stellen. Duidelijk is dat de raad, het college en de burgemeester de bevoegdheid
                    hebben om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. Bij de raad
                    spreken we dan over een verordening, bij het college en de burgemeester in
                    beginsel over een regeling (uitgezonderd de noodverordening). Formeel heeft de
                    leerplichtambtenaar deze bevoegdheid niet, maar deze neemt hiermee het besluit
                    tot het instellen van de bezwaarschriftencommissie. Op deze manier is het
                    mogelijk dat de bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te
                    adviseren op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college, burgemeester en
                    de leerplichtambtenaar. De ondertekening gebeurt eveneens door de genoemde
                    bestuursorganen.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen dan wel in de Awb worden gedefinieerd. Zo ontbreekt er een definitie
                    van het begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de
                    verordening voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                    genomen, wordt in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan dus
                    de gemeenteraad betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de
                    burgemeester, de leerplichtambtenaar of een commissie waaraan via delegatie
                    bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Behandeling van bezwaarschriften</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 De commissie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 De commissie</vet></al><al>In de Algemene toelichting wordt verwoord dat met het vaststellen van deze
                    verordening de bestuursorganen het besluit tot het instellen van een
                    bezwaarschriftencommissie nemen. Deze commissie wordt via dit artikel als
                    zodanig geïntroduceerd. Verwezen wordt naar een commissie als bedoeld in artikel
                    7:13 Awb. In artikel 1:5 Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar moet
                    worden verstaan. </al><al/><al>In het tweede lid wordt beschreven dat de commissie bestaat uit drie kamers.
                    Elke kamer adviseert over bezwaarschriften binnen een bepaald vakgebied. Daarbij
                    wordt opgemerkt dat kamer II, naast de Ruimtelijke Zaken, ook adviseert over de
                    Overige Zaken, dat wil zeggen zaken die geen betrekking hebben op Sociale Zaken
                    of Personele Zaken.</al><al/><al>In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor bezwaarschriften die
                    betrekking hebben op zaken in het kader van de gemeentelijke belastingen en
                    heffingen en zaken in het kader van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ).
                    Het gaat in deze gevallen om een zo specifieke materie dan wel om onderwerpen
                    waarover zulke grote aantallen bezwaarschriften te verwachten zijn dat het
                    wenselijk werd geacht daarvoor een andere methodiek van horen en adviseren te
                    hanteren. Opgemerkt wordt dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ
                    afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en
                    de geheimhouding. In verband hiermee is dan ook gekozen om de genoemde zaken in
                    elk geval uit te zonderen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de kamers van de commissie</vet></al><al>In artikel 3 wordt de samenstelling van de kamers van de commissie geregeld. </al><al>Door de bepaling in het eerste lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. In het tweede lid wordt geregeld dat er zoveel
                    mogelijk genoeg leden voor een hoorzitting kunnen worden ingezet. In de praktijk
                    betekent dit, dat het college per kamer een drietal leden zal benoemen. In het
                    derde en vierde lid worden voorwaarden genoemd die gelden voor de te benoemen
                    voorzitters en leden. Voorop staat de deskundigheid en de onafhankelijkheid. In
                    kamer III (Personele Zaken) wordt bij de benoeming van in ieder geval één van de
                    leden overleg gevoerd met de Ondernemingsraad en/of de vakbonden.</al><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31 mei 1999, JG
                    1999/179).</al><al/><al><vet>Artikel 4 Secretaris</vet></al><al>Ter ondersteuning van de werkzaamheden wordt per kamer een secretaris aangewezen
                    door het college. De functie van secretaris wordt overigens niet genoemd in de
                    Awb. De secretaris verzorgt onder meer de (planning van) hoorzittingen, en stelt
                    na afloop het advies van de commissie op. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Zittingsduur</vet></al><al>In principe worden voorzitters en leden voor een periode van vier jaar benoemd,
                    waarna herbenoeming kan volgen. Er is geen maximumtermijn. De voorzitters en
                    leden kunnen bij ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. De bepaling
                    van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend(e) voorzitter of lid kan
                    overigens niet gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven
                    vervullen.</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 2 De procedure</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. Toegevoegd wordt nog dat het aanbeveling verdient
                    dat de envelop waarin het bezwaarschrift wordt ontvangen wordt bewaard.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Mediation</vet></al><al>Mediation zal, is de verwachting, steeds vaker ingezet gaan worden in het
                    beslechten van geschillen. Of mediation daadwerkelijk ingezet wordt is echter
                    afhankelijk van een aantal factoren. Op grond van dit artikel wordt nadrukkelijk
                    de mogelijkheid van mediation geboden.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Uitoefening bevoegdheden</vet></al><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikelen 7:4, zesde lid en 7:5, tweede lid Awb. Dit uitdrukkelijke
                    voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of
                    een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde
                    bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al/><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt:</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:1, tweede lid</onderstreept></al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al/><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:6</onderstreept></al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al/><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>De termijn waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, wordt vastgesteld door
                    de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor
                    op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen
                    aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er
                    sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een
                    termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd moet worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 Awb is geformuleerd voor het gevolg van
                    het in verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden
                    verklaard. De uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor –
                    op grond van artikel 7:3 Awb – van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 Awb waarin voorschriften zijn
                    opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift moet worden
                    beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de dag waarop
                    de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:17</onderstreept></al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al/><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7:4, tweede, zesde, zevende en achtste
                    lid</onderstreept></al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al/><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte terinzagelegging.</al><al/><al>Stukken toesturen hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van terinzagelegging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al/><al>In voorkomende gevallen kan de voorzitter besluiten om het ter inzage leggen van
                    de stukken achterwege te laten in verband met geheimhouding om gewichtige
                    redenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 7:6, vierde lid</onderstreept></al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al><cursief>Het derde lid van dit artikel luidt: </cursief></al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al/><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Als er sprake is van meer dan één belanghebbende dan verdient het in het
                    algemeen aanbeveling dat zij in elkaars aanwezigheid worden gehoord. Dat is
                    doelmatig en het komt de kwaliteit van de besluitvorming ten goede. Maar het
                    moet mogelijk zijn op dat uitgangspunt inbreuk te maken. In artikel 7:6, tweede
                    lid Awb wordt aangegeven wanneer dat mag gebeuren. Wel moet er dan gewaarborgd
                    worden dat de belanghebbenden in beginsel ook aan de weet komen wat er buiten
                    hun aanwezigheid is verhandeld. Dat wordt geregeld in het derde lid. Als er
                    sprake is van gewichtige redenen waarom geheimhouding geboden is, dan kan de
                    voorzitter besluiten om toepassing van het derde lid achterwege te laten. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Vooronderzoek</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er voor moet zorgen dat
                    al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het bezwaarschrift
                    genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de gemeente – hij krijgt
                    de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen – als extern. Zo moet het
                    mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden om nadere informatie in
                    te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging
                    te geven het bezwaarschrift in te trekken.</al><al/><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat.</al><al/><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast.</al><al/><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al/><al>Uit de hier gebruikte formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen als gegevens worden achtergehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Hoorzitting</vet></al><al>Het eerste lid behoeft geen toelichting. </al><al/><al>Bij het tweede lid: artikel 7:3 Awb geeft aan in welke gevallen van het horen
                    van belanghebbenden kan worden afgezien. Bij een ingediend bezwaarschrift is dat
                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad d.</cursief></al><al>Het ligt voor de hand dat als het verwerend orgaan aan het bezwaar volledig
                    tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de voorzitter van de commissie
                    contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb.
                    In artikel 6:18 Awb gaat het over het tijdens het aanhangig zijn van bezwaar
                    intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In artikel 6:19 Awb is bepaald
                    dat als een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen,
                    het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij
                    dat besluit geheel tegemoetkomt aan het bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid Awb, waarin onder andere
                    is bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3 Awb.</al><al/><al>In artikel 7:8 Awb wordt geregeld dat op verzoek van belanghebbbende door hem
                    meegebrachte getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord. De voorzitter kan
                    hiertoe beslissen.</al><al/><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, als van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke
                    grond dat is geschied.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Uitnodiging hoorzitting</vet></al><al>Op grond van het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarde, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verhaal op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al/><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al/><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene moet wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel krijgen. Een
                    verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd
                    verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar moet dan wel worden beperkt tot
                    een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een te
                    grote vertraging kan ondervinden.</al><al/><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in de artikelen 7:4 en 7:8 Awb. Het verdient aanbeveling om van
                    de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting mededeling te
                    doen.</al><al/><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij de artikelen 8 en
                    10):</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7:4</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                            betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten
                            minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                            toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voorzover
                            geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van
                            deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voorzover
                            ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een
                            verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.</al></li></lijst><al/><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de Wob
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de Wob, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7:8</onderstreept></al><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                    deskundigen worden gehoord.</al><al/><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al/><al><vet>Artikel 12 Quorum</vet></al><al>Dit artikel spreekt grotendeels voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarschriftprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie,
                    terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2
                    maart 2000, GS 2000/ 7119, 3).</al><al>De commissie kan besluiten het horen over te laten aan alleen de voorzitter. Er
                    is dan sprake van een “enkelvoudige kamer”. Advisering vindt (altijd) plaats
                    door de voltallige commissie (zie ook artikel 18).</al><al/><al><vet>Artikel 13 Niet deelneming aan de behandeling</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb. Ook al is de
                    voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat
                    automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb.
                    Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><al><vet>Artikel 14 Openbaarheid zitting</vet></al><al>Op grond van artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al/><al>In deze bepaling van de verordeing is vastgelegd dat de hoorzittingen van kamer
                    II (Ruimtelijke en Overige Zaken) in beginsel in het openbaar plaatsvindt.
                    Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld als bijzonder
                    persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard of andere zaken
                    met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.</al><al/><al>De zitting moet worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die
                    op grond van artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsvindt.</al><al/><al>In het vierde lid is opgenomen dat de hoorzittingen van kamer I (Sociale Zaken)
                    en kamer III (Personele Zaken) achter gesloten deuren plaatsvinden. In deze
                    kamers zijn de zaken immers altijd van sociale, financiële of medische aard en
                    hebben ze als gevolg daarvan een vertrouwelijk karakter.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Schriftelijke verslaglegging</vet></al><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet
                    door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al/><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al/><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren als het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al/><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie,
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><al/><al><vet>Artikel 16 Nader onderzoek</vet></al><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat als het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale
                    ombudsman, 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat
                    het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden
                    zonder dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun
                    standpunt daarover ook kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><al><vet>Artikel 17 Nieuwe feiten en omstandigheden na de hoorzitting</vet></al><al>Dit artikel moeten gelezen worden tegen de achtergrond van de plicht voor het
                    bestuursorgaan om ex nunc op het bezwaarschrift te beslissen. In het geval dat
                    er, bijvoorbeeld na onderzoek, nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden dan
                    moeten beide partijen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. Het
                    moet daarbij wel gaan om feiten en omstandigheden van aanmerkelijk belang.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Raadkamer en advies</vet></al><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al/><al>Beraadslagen achteraf door middel van schriftelijke uitwisseling van standpunten
                    behoort tot de mogelijkheden. Dit zal voornamelijk aan de orde zijn wanneer
                    direct na de hoorzitting nog geen definitief standpunt kan worden ingenomen,
                    omdat het verwerend orgaan of bezwaarde bijvoorbeeld nog nadere informatie moet
                    verschaffen. Juist vanwege de huidige communicatiemiddelen (met name e-mail) is
                    het mogelijk om schriftelijke beraadslagingen te voeren. Bij onduidelijkheden of
                    complexe zaken kan gekozen worden om de beraadslagingen alsnog tijdens een
                    volgende vergadering mondeling te voeren.</al><al/><al>De beraadslaging vindt plaats achter gesloten. Hetgeen tijdens de
                    beraadslagingen aan de orde komt wordt niet schriftelijk vastgelegd. Dat
                    betekent dat ook dat de weerslag van de schriftelijke beraadslagingen als
                    hiervoor bedoeld niet behoren tot het bezwaardossier. </al><al/><al>Het tweede lid, onder b., is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al/><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie artikel 12);
                    het adviseren moet plaatsvinden door een commissie die voldoet aan de eisen van
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a. Awb. Hoe het advies tot stand komt, is niet
                    voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB
                    2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en
                    00/8621).</al><al/><al>Het adviseren door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd
                    met artikel 7:13, eerste lid, onder a. Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19 oktober 1998, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit
                    artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de
                    voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid. Advisering na het horen door
                    alleen de voorzitter vindt plaats door de voltallige commissie. Het advies wordt
                    formeel vastgesteld in een volgende vergadering. </al><al/><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, 6
                    januari 1997).</al><al/><al><vet>Artikel 19 Uitbrengen advies</vet></al><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt op grond van artikel 7:10 Awb 12 weken, behoudens in
                    het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging.</al><al/><al>Deze bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie dat als hij voorziet
                    dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het
                    bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.</al><al/><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 20 Jaarverslag</vet></al><al>Jaarlijks doet de commissie verslag van de werkzaamheden. Het verslag wordt
                    aangeboden aan het college en daarnaast ter kennisneming aangeboden aan de
                    raadscommissie en de leerplichtambtenaar. </al><al/><al><vet>Artikel 21 Hardheidsclausule</vet></al><al>Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een
                    uitzondering en niet als een regel. De raad, het college, de burgemeester en de
                    leerplichtambtenaar moeten in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie, die ook ten tijde van het vaststellen
                    van deze verordening niet was voorzien, van de verordening wordt afgeweken.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Intrekking oude regeling</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Overgangsrecht</vet></al><al>In dit artikel wordt geregeld hoe omgegaan moet worden met bezwaarschriften die
                    zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, maar die op het
                    moment van inwerkingtreding nog niet zijn afgehandeld. Bepalend daarbij is het
                    moment van de hoorzitting. In het eerste lid wordt een uitzondering gemaakt op
                    artikel 18, tweede en derde lid van de verordening. Deze bepalingen zijn
                    gebaseerd op de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen per 1 oktober 2009 en gelden in alle gevallen.</al><al/><al><vet>Artikel 24 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i143400.pdf">verordening behandeling bezwaarschriften 2010 10 02 23.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>