<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21901_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening gemeente Overbetuwe 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hét Gemeente Nieuws; 07-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Overbetuwe 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10rb000016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De marktverordening gemeente Overbetuwe 2002, zoals vastgesteld bij besluit van 26 maart 2002, wordt ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9372</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening gemeente Overbetuwe 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Ons kenmerk: 10rb000016</al><al/><al>Nr. 11E</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 11 mei
                        2010;</al><al/><al>gelezen het advies van de commissie GFZ van 15 juni 2010;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 147, eerste lid en 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Marktverordening</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkten te Elst,
                                    Zetten en Heteren;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                    gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                    standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                    artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college bepaalt bij de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste
                                            standplaats en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximum aantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen over het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                    krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing,
                                    ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning
                                    of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                    ontheffing is verleend, moet de daaraan verbonden voorschriften
                                    en beperkingen in acht nemen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen over vergunningen; strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het</al><al>college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft
                            bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond
                                            van artikel 6 van het marktreglement de vergunning wordt
                                            overgeschreven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>als voor het verkrijgen daarvan onjuiste dan wel
                                            onvolledige gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>als de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                            artikel 6 genoemde vereisten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als degene op wie een vergunning als gevolg van artikel 6 van
                                    het marktreglement is overgeschreven, al een vergunning heeft
                                    voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt
                                    laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze verordening kan het
                            college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet
                            voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier
                            achtereenvolgende marktdagen schorsen, als de vergunninghouder of een
                            persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog, of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat op
                                    grond van artikel 229 van de Gemeentewet wordt geheven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, als
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats, of</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat op
                                    grond van artikel 229 van de Gemeentewet wordt geheven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog, of</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn</al><al>belast de bij besluit van het college aangewezen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten
                            toepassing laten of daarvan afwijken, voorzover toepassing, gelet op het
                            belang van het (in stand) houden van een markt, leidt tot een
                            onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening gemeente Overbetuwe 2002, zoals vastgesteld bij
                            besluit van 26 maart 2002, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Besluiten die krachtens de Marktverordening gemeente Overbetuwe
                                    2002 zijn genomen, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                    een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening
                                    gemeente Overbetuwe 2002 is ingediend en vóór het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de
                                    aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening
                                    toegepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening gemeente
                            Overbetuwe 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 29 juni 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>E. Tuijnman.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><cursief>De totstandkoming van de modelmarktverordening 2008</cursief></al><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering
                    van het gemeentebestuur herzien en dit heeft geleid tot de modelmarktverordening
                    2003.</al><al>In 2008 is in het kader van de algehele deregulering van de modelverordeningen
                    door de VNG besloten ook de modelmarktverordening 2003 te herzien. Dit model is
                    vervangen door een nieuw model. Dit betreft allereerst deze
                    modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning), waarin bepalingen voor het
                    verkrijgen van een vergunning voor een standplaats zijn opgenomen. De regeling
                    voor onder meer de toewijzing van een vaste standplaats, dagplaats en
                    standwerkersplaats is opgenomen in het modelmarktreglement 2008. De modellen
                    zijn in overleg met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden (COM) tot stand
                    gekomen.</al><al/><al><cursief>Grondslag en belang verordening</cursief></al><al>In artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h. van de Gemeentewet). Naast de
                    bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de
                    bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h. van de Gemeentewet
                    voor het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten: Modelbesluit tot het
                    instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het afschaffen van een warenmarkt
                    en Modelbesluit tot het veranderen van een warenmarkt.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente.</al><al/><al><cursief>Inhoud</cursief></al><al>Hoofdstuk 1 van de marktverordening bevat een aantal algemene bepalingen die
                    betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een aantal
                    bepalingen dat van belang is voor de vergunningaanvraag, de vergunningverlening
                    en punitieve sancties. Hoofdstuk 3 bevat de slotbepalingen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentiebundel Markten</cursief></al><al>Alle in deze modelverordening vermelde uitspraken van vóór 1998 zijn
                    gepubliceerd in de jurisprudentiebundel Markten van maart/april 1998, ISBN 90
                    322 7130 X. De jurisprudentiebundel (jbMarkten) wordt als vindplaats genoemd
                    voorzover de uitspraken niet in andere juridische tijdschriften zijn
                    gepubliceerd. Is dat het geval, dan worden de vindplaatsen in deze tijdschriften
                    vermeld.</al><al/><al><cursief>Overige regelgeving ambulante handel</cursief></al><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in de (model) Algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Artikel 2:25 van de (model) APV (oud: artikel
                    2.2.2) bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen
                    bijvoorbeeld braderieën. Verder bevatten de afdelingen 2, 3, 4 en 5 van de
                    (model) APV bepalingen over collecteren, venten, standplaatsen en
                    snuffelmarkten.</al><al/><al><cursief>Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV)</cursief></al><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend als op grond van de marktverordening vergunning
                    is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de marktverordening
                    conflicterende’ vergunning moet worden verleend op grond van een andere
                    verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen bij de
                    (losse)stand-plaatsvergunning (artikel 5:18 (model) APV (oud: artikel
                    5.2.3)).</al><al/><al><cursief>Vrijhouden van het marktterrein</cursief></al><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis).</al><al>Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren
                    van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd.</al><al>De burgemeester kan op grond van artikel 2:52 van de (model) APV (oud: artikel
                    2.4.12) het marktterrein aanwijzen als plaats waar het verboden is op de door
                    hem aangewezen uren zich met een fiets of bromfiets te bevinden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met betrekking tot
                    het autovrij maken van het marktterrein.</al><al/><al><cursief>Toepassing</cursief></al><al>In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is deze verordening
                    op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing. Uiteraard moet dan de tekst
                    van de verordening hierop worden aangepast.</al><al/><al><cursief>Instellen marktcommissie voor en door het college</cursief></al><al>De gemeente kent een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze moet het college nader
                    uitwerken. Om het draagvlak te vergroten, is er voor gekozen om commissieleden
                    te laten verkiezen door de markthandelaren.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december
                    2006]</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Ook voor gemeenten heeft dit gevolgen: zij moeten binnen 3 jaar door middel van
                    een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de bepaling
                    van de richtlijn en deze zonodig aanpassen. Bij de modelmarktverordening heeft
                    de VNG de screening gedaan.</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Jusititie. De modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning) regelt de
                    warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model
                    geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee
                    valt dit model buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet
                    verder te worden gescreend.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moet bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats vinden voordat tot
                    vergunningeverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening bij de markt moet een
                    gemeente hier rekening mee houden.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><al/><al>Onder c. is het begrip vaste standplaats opgenomen.</al><al>Onder j. is het door het gebruik van het woord ‘persoon’ in plaats van het
                    begrip ‘ambtenaar’ bij de begripsomschrijving van marktmeester mogelijk een
                    niet-ambtenaar ook tot marktmeester aan te wijzen. Bij aanwijzing (is mandaat)
                    van een niet-ondergeschikte moet deze (en zijn werkgever) in stemmen met de
                    mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling</vet></al><al>Op grond van het eerste lid, onder a. stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het
                    gaat om een gespecialiseerde markt.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder
                    c. wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de
                    markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                    verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast
                    de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor de
                    ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de
                    verkoopwagens. De onder b. genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen ook
                    een beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche
                    toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke
                    verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel
                    kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt
                    aantrekkelijker voor de consument.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="•"><al>ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M. Geertsema.
                            Het besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of
                            branche op de markt is een algemeen verbindend voorschrift (a.v.v.). Het
                            betreft hier de wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met
                            externe werking en een algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel
                            8:2, aanhef en onder a. van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg
                            staat.</al></li><li nr="•"><al>Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam - 14
                            augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet is niet
                            van toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het
                            behartigen van een algemeen (publiek) belang van niet-economische aard
                            en dat kan worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en
                            bevoegdheden van het betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit
                            terrein geen ondernemer.</al></li><li nr="•"><al>Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497.
                            Branchebesluit is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in het
                            kader van een beroep tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks in haar
                            belang betreffend besluit beoordeeld worden. Branchering is niet
                            ongebruikelijk, zodat de gevolgen in beginsel tot het normale
                            bedrijfsrisico behoren.</al></li><li nr="•"><al>ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt.
                            H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D. Een besluit tot vaststelling van het
                            aantal standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is
                            als algemeen verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
                            Het betreft hier niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of
                            object de toepasselijkheid van in de verordening reeds besloten liggende
                            normen worden bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige
                            normen.</al></li><li nr="•"><al>ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de wijziging
                            van het aantal standplaatsen per branche. De regels ten behoeve van een
                            brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De
                            brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend
                            voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen
                            uitgesloten.</al></li><li nr="•"><al>Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake
                            het weren van een markavan;</al></li><li nr="•"><al>ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt. Om de
                            orde op de markt te waarborgen, moet de mogelijkheid worden gecreëerd
                            dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van
                            het marktterrein kunnen worden aangewezen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Nadere regels</vet></al><al>De raad stelt een marktverordening op hoofdlijnen vast en laat daarbij meerdere
                    zaken door het college regelen. Op grond van artikel 3 is het college bevoegd
                    nadere regels te stellen.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag en belang verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    11 is eveneens van toepassing.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Bepalingen over vergunningen; strafbepaling</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5 Standplaatsvergunning</vet></al><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt moet uitsluitend geschieden door degenen aan
                    wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze van
                    verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9)</al><al/><al><vet>Artikel 6 Vereisten</vet></al><al>In deze bepaling is het vereiste van een handelingsbekwaam natuurlijk persoon
                    opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee is dwingend
                    vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten en
                    wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen
                    innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt
                    een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktstandplaatsen (in Nederland)
                    bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een
                    onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de
                    natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is
                    echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                    persoon/rechtspersoon.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Intrekking vaste standplaatsvergunning</vet></al><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                    intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan (imperatief). Als de in
                    het tweede lid genoemde gronden zich voordoen, kan tot intrekking van de vaste
                    standplaatsvergunning worden overgegaan ( ‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil
                    zeggen is niet verplicht).</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor
                    de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Bij
                    dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden overgegaan tot
                    bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel 10.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van standplaatsvergunning,
                    mag het college deze vergunning intrekken wegens een administratieve fout, mits
                    hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. In
                    casu was de intrekking niet in strijd met deze beginselen. (ABRS 12 december
                    2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.)</al><al/><al><vet>Artikel 8 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</vet></al><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd
                    het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel
                    7 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te
                    stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst
                    dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c. wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                    Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt
                    naar voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het model op te
                    nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de Verordening op de
                    straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een vaste standplaats
                    kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan verplichtingen die voor de
                    vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt geldende
                    heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten tijde van
                    het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan
                    zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen
                    had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente
                    Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op basis van
                    publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook mogelijk
                    is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen (huur of
                    pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><al/><al>Jurisprudenti<cursief>e</cursief></al><lijst><li nr="•"><al>ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                            schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement
                            warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen
                            gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar.
                            Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met art. 156
                            Gemeentewet.</al></li><li nr="•"><al>Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing
                            van de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een
                            medewerker van de Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek
                            gebruikte bedreiging kan niet worden gezegd dat het belang van de
                            openbare orde van de markt in het geding was. In casu staat de schorsing
                            niet in redelijke verhouding tot de gedane uitlatingen.</al></li><li nr="•"><al>ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                            standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week
                            is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn
                            evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat
                            de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot
                            het oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen
                            van een maatregel mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet
                            zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De Afdeling neemt voor
                            dat oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak
                            heeft bij het handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden
                            gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het
                            wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet
                            in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de
                            handhaving van de verordening illusoir.</al></li><li nr="•"><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                            schorsen, moet het daarbij letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de
                            Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994, JB
                            (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al></li><li nr="•"><al>Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing kan
                            als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee dat
                            ten aanzien van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten
                            grondslag liggen hoge eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk
                            sanctiebeleid.</al></li><li nr="•"><al>ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1. Waarschuwingen
                            al dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift gesteld en bekend
                            gemaakt sanctiesysteem, worden aangemerkt als besluiten in de zin van de
                            Awb.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 9 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</vet></al><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de beschikking tot
                    uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en
                    om welke concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d. genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 8, onderdeel c.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Onmiddellijke verwijdering</vet></al><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming over en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf moet dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier worden gesteld. Van deze bevoegdheid moet
                    uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik worden gemaakt. Overigens
                    is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over bestuursdwang niet
                    van toepassing zijn als wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de
                    openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb moeten belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 10 in beginsel in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c. is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het
                    COM de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                    pakken.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Strafbepaling</vet></al><al>Bij de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van overtreding alleen
                    sprake kan zijn als de verordening een ge- of verbodsnorm (een verplichtende
                    norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening opgenomen
                    bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op enigerlei wijze
                    kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een administratieve
                    afhandeling de voorkeur.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Toezichthouders</vet></al><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In
                    dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                    beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van
                    een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht.</al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                    toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                    opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c. van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die <cursief>bij</cursief>
                    verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander
                    voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien
                    buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van
                    Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling niet nodig. De aanwijzing als
                    toezichthouder op grond van artikel 12 is de grondslag voor de aanwijzing als
                    buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. Zij moeten op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan
                    eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid voldoen en zijn beëdigd door de
                    procureur-generaal.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13 Hardheidsclausule</vet></al><al>Doen zich situaties voor waarin ten tijde van de vaststelling van deze
                    verordening niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing van de gestelde
                    bepalingen onverhoopt tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, dan kan
                    het college één of meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing
                    laten of daarvan afwijken.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Intrekking oude regeling</vet></al><al>De datum waarop de verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude
                    regeling vervalt (wordt ingetrokken).</al><al/><al><vet>Artikel 15 Overgangsrecht</vet></al><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, is noodzakelijk voor de
                    rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                    eerbiedigen.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Inwerkingtreding</vet></al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                    waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                    bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Hierbij is van
                    belang dat dit besluit wordt meegedeeld aan het parket van het arrondissement
                    waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                    aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge art. 8:2,
                    aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar
                    openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.)</al><al/><al><vet>Artikel 17 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i143375.pdf">marktverordening 2010 10 06 29.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>