<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR2189_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsplan armoede en participatie Sittard-Geleen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-10-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Trompetter, </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsplan armoede en participatie Sittard-Geleen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>DIS-nummer</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Tijdelijk beleidsplan voor de periode 2008-2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsplan armoede en participatie Sittard-Geleen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>0</nr><titel>Dit artikel moet nog worden gesplitst</titel></kop><al>Armoede en participatie</al><al>Visie en uitvoering</al><al>Armoedebeleidsplan Sittard-Geleen</al><al>Versie 23-10-2007</al><al>Piet Schoonbrood</al><al>Marcel Poeckling</al><al>2</al><al>Inleiding................................................................................................................. 4</al><al>Leeswijzer ............................................................................................................. 4</al><al>Leidraad voor het nieuwe armoedebeleid.............................................................. 5</al><al>Missie ................................................................................................................ 5</al><al>Ambitie van de gemeente.................................................................................. 5</al><al>Uitgangspunten ................................................................................................. 5</al><al>Extern beleid van invloed op het gemeentelijke armoedebeleid............................. 6</al><al>Visie op participatie ............................................................................................... 7</al><al>Uitvoeringsnota ......................................................................................................... 8</al><al>I.Participatie (besluiten 2 tm 10) ........................................................................... 8</al><al>Onderzoeksopdrachten ..................................................................................... 8</al><al>Vormgeving Regie: via twee stromen ................................................................ 8</al><al>Stroom 1: reïntegratie naar regulier werk........................................................... 8</al><al>Stroom 2: participatie......................................................................................... 8</al><al>Wat is nodig....................................................................................................... 9</al><al>Huis van de Participatie................................................................................... 10</al><al>De methodiek .................................................................................................. 10</al><al>Doelgroepen (ontkokering) .............................................................................. 12</al><al>Netwerken en wijkgericht werken .................................................................... 12</al><al>Ladder van participatie .................................................................................... 13</al><al>Excellente dienstverlening ............................................................................... 13</al><al>Actoren binnen een participatiehuis................................................................. 13</al><al>Regie; naar een afgebakend opdrachtnemersmodel ....................................... 14</al><al>Financiering en ontschotting............................................................................ 15</al><al>De kosten van zorg.......................................................................................... 15</al><al>De kosten van participatie ............................................................................... 15</al><al>Beoogd resultaat van het Participatiehuis........................................................ 16</al><al>Ontwikkelmodel: schema................................................................................. 16</al><al>II. Bureaucratie (besluiten 11 tm 20).................................................................... 16</al><al>Onderzoeksopdracht 5: Begeleiding cliënten met meervoudige problematiek . 17</al><al>Onderzoeksopdracht 6: Maatwerk door maatschappelijke organisaties........... 17</al><al>Onderzoeksopdracht 7: Uitvoering zorgtaken.................................................. 18</al><al>Onderzoeksopdracht 8: Permanente educatie medewerkers........................... 19</al><al>Onderzoeksopdracht 9: Deelname aan netwerken .......................................... 20</al><al>Onderzoeksopdracht 10: Digitale mogelijkheden............................................. 20</al><al>Onderzoeksopdracht 11: Van ervaring naar beleid .......................................... 21</al><al>III. Schuldhulpverlening en preventie (besluiten 21 tm 26)................................... 22</al><al>Onderzoeksopdracht 12: Vroegsignalering...................................................... 22</al><al>Onderzoeksopdracht 13: Centraal meldpunt.................................................... 22</al><al>Onderzoeksopdracht 14: Sluitende aanpak door ketensamenwerking............. 23</al><al>Onderzoeksopdracht 15: Preventie ................................................................. 23</al><al>IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik (besluiten</al><al>27 tm 48) ............................................................................................................. 24</al><al>Onderzoeksopdracht 16: Inkomensgrens bijzondere bijstand.......................... 24</al><al>Onderzoeksopdracht 17: Maatschappelijke participatie door kinderen............. 25</al><al>Onderzoeksopdracht 18: Terugdringing niet-gebruik ....................................... 26</al><al>Onderzoeksopdracht 19: Ondersteuning na uitstroom..................................... 30</al><al>Onderzoeksopdracht 20: Verstrekkingen in natura .......................................... 31</al><al>3</al><al>Beslispuntenoverzicht per Hoofdopdracht/Onderzoeksopdracht.......................... 33</al><lijst><li nr="0."><al>Uitgangspunten van beleid ........................................................................... 33</al><lijst><li nr="I."><al>Participatie.................................................................................................... 33</al></li></lijst></li></lijst><al>II. Bureaucratie ................................................................................................ 34</al><al>III. Schuldhulpverlening en preventie............................................................... 35</al><al>IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik........ 35</al><al>Financiële paragraaf............................................................................................ 37</al><al>Kosten van een Participatiecentrum: beeld van de organisatie........................ 37</al><al>4</al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>Op 15 januari 2007 besloot het College voor de ontwikkeling van het armoedebeleid</al><al>2008-2011 een interactief ontwikkelingsproces op te starten.</al><al>Vervolgens zijn in het voorjaar van 2007 twee bijeenkomsten belegd met</al><al>vertegenwoordigers van belangenorganisaties en intermediairs betreffende de</al><al>richting van een nieuw armoedebeleid. De bevindingen zijn geland in een</al><al>zogenaamde Notitie van Bevindingen (bijlage 1) die na vaststelling in het College en</al><al>daaropvolgende discussie in de raadscommissie leidend is voor de voorstellen rond</al><al>het nieuwe beleid rond armoede en participatie in Sittard-Geleen.</al><al>In de Notitie van Bevindingen worden tien uitgangspunten voor beleid genoemd. Het</al><al>betreft uitgangspunten rond klantbejegening, maatwerk en doorbreking van</al><al>bureaucratie. Verder geeft de notitie vier hoofdopdrachten die in hoofdlijnen worden</al><al>uitgewerkt in deze nota.</al><al>Per hoofdopdracht wordt een aantal onderzoeksopdrachten geformuleerd. De</al><al>uitwerking van deze opdrachten moet leiden tot een concrete invulling van de</al><al>hoofdopdracht en op rond van de uitkomsten kan het gemeentebestuur uiteindelijk</al><al>keuzes maken voor het nieuwe beleid .</al><al>De conceptnota Armoede en Participatie, visie en uitvoering, zoals die voor nu voor u</al><al>ligt is op 2 oktober jongstleden door het College behandeld. Het College stemt in met</al><al>de inhoud, uitgangspunten en beslispunten van de nota met dien verstande dat</al><al>vooruitlopend op de integrale afweging door het College met betrekking tot de</al><al>besteding van de vrije beleidsruimte, kennis wordt genomen van het voorgenomen</al><al>beslag van €85.000,=.</al><al><vet><cursief>Leeswijzer</cursief></vet></al><al>Deze nota van Visie en Uitvoering begint met een Leidraad voor het nieuwe beleid.</al><al>Daarin wordt meteen het eerste beslispunt geformuleerd.</al><al>Daarna wordt een visie op participatie geschetst die van belang is voor de uitwerking</al><al>van de eerste hoofdopdracht.</al><al>Vervolgens worden de hoofdopdrachten uitgewerkt die in de Nota van Bevindingen</al><al>zijn gepresenteerd. Er zijn 4 hoofdopdrachten:</al><al>I.Participatie</al><al>II. Bureaucratie</al><al>III. Schuldhulpverlening en preventie</al><al>IV. Inkomensondersteuning en terugdringing nietgebruik</al><al>Bij de behandeling van de eerste hoofdopdracht: Participatie wordt de eerder</al><al>geformuleerde visie op Participatie uitgewerkt. In deze uitwerking worden de</al><al>behandeling van de onderzoeksopdrachten verweven. Tot slot wordt een aantal</al><al>beslispunten gegeven.</al><al>Bij de behandeling van de overige hoofdopdrachten worden de</al><al>onderzoeksopdrachten per stuk behandeld en voorzien van beslispunten.</al><al>Tot slot van de notitie worden de beslispunten nog eens op een rij gezet en de</al><al>financiën behandeld.</al><al>5</al><al><vet><cursief>Leidraad voor het nieuwe armoedebeleid</cursief></vet></al><al>Missie Of het nu gaat om reïntegratie, participatie, zorg of diverse vormen van</al><al>armoedebestrijding we doen, waar nodig, niet anders dan het bevorderen van (de</al><al>maximaal mogelijke) zelfredzaamheid van onze burgers.</al><al>Ambitie van de gemeente o voor delen van het zogenaamde granieten bestand worden methodieken</al><al>ontwikkeld en toegepast waardoor ook voor hen een reguliere arbeidsplaats</al><al>wordt gerealiseerd</al><al>o ook degenen voor wie regulier werk niet (meer) bereikbaar is gaan actief</al><al>participeren in de samenleving en worden hiertoe zo nodig gefaciliteerd</al><al>o er wordt een methodiek ontwikkeld waarin parallel aan toeleiding naar (de</al><al>hoogst mogelijke) vormen van participatie gewerkt wordt aan de vaak</al><al>meervoudige problematiek van uitkeringsgerechtigden</al><al>o het beleid en uitvoering betreffende participatie en armoede voldoet aan de</al><al>geformuleerde uitgangspunten</al><al>Uitgangspunten De uitgangspunten van armoedebeleid zijn:</al><al>o De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden</al><al>o Maar misbruik wordt aangepakt</al><al>o Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid</al><al>o Geen betutteling</al><al>o Voorkomen is beter dan genezen</al><al>o Deregulering en laagdrempeligheid</al><al>o Prioriteit voor kinderen in armoede</al><al>o Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt van wijkgericht</al><al>werken</al><al>o Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan de gemeente</al><al>terug treden</al><al>o Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar is</al><al>Besluit 1: De uitgangspunten van armoedebeleid zijn:</al><al>o De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden</al><al>o Misbruik wordt aangepakt</al><al>o Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid</al><al>o Geen betutteling</al><al>o Voorkomen is beter dan genezen</al><al>o Deregulering en laagdrempeligheid</al><al>o Prioriteit voor kinderen in armoede</al><al>o Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt</al><al>van wijkgericht werken</al><al>o Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan</al><al>de gemeente terug treden</al><al>o Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar</al><al>is</al><al>6</al><al><vet><cursief>Extern beleid van invloed op het gemeentelijke armoedebeleid</cursief></vet></al><al>Eén van de speerpunten van het huidige regeerakkoord is participatie. Er staan nog</al><al>steeds te veel mensen langs de kant, zoals de eerder genoemde</al><al>bijstandgerechtigden die tot het granieten bestand behoren. Geringe</al><al>arbeidsproductiviteit, grote afstand tot de arbeidsmarkt en/of het persoonlijke</al><al>arbeidsverleden kunnen toetreding tot de arbeidsmarkt in de weg staan. Het kabinet</al><al>heeft daarom samen met sociale partners en gemeenten een “participatietop”</al><al>gehouden, met het doel oplossingen te vinden voor de aanpak van de problematiek</al><al>aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de begeleiding van moeilijk bemiddelbare</al><al>groepen naar de arbeidsmarkt.</al><al>Participatie is in dit regeerakkoord geen vrijblijvende optie meer voor mensen die een</al><al>uitkering “genieten”, maar wordt gezien als een verplichting die je hebt om bij te</al><al>dragen aan de samenleving. Het idee hierbij is dat iemand misschien door</al><al>omstandigheden niet kan werken, maar in ieder geval wel op een andere manier iets</al><al>kan bijdragen. Dit uitgangspunt komt ook helemaal terug in de Wet Maatschappelijke</al><al>Ondersteuning waarbij het doel is dat burgers zorg en ondersteuning in hun eigen</al><al>omgeving organiseren.</al><al>Twee belangrijke afspraken die uit het bestuursakkoord voortkomen, zijn:</al><al>o Gemeenten zorgen deze kabinetsperiode voor een reductie van de WWB met</al><al>75.000 personen ( dit is 25% van het totaal).</al><al>o Daarnaast activeren zij 25.000 niet-uitkeringsgerechtigden naar werk of</al><al>maatschappelijke participatie</al><al>Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) steunt het kabinet de</al><al>gemeenten bij het realiseren van deze ambities met de volgende maatregelen:</al><al>o De budgetten voor het I- en W-deel worden meerjarig vastgezet, zodat</al><al>gemeenten op financieel gebied weten waar zij aan toe zijn en daarmee</al><al>beter in staat zijn om een meerjarig beleid te voeren;</al><al>o Er komt een participatiefonds waarin de budgetten voor reïntegratie (Wdeel),</al><al>educatie (WEB)en integratie (WI) worden opgenomen. Hierdoor vallen</al><al>de schotten tussen deze verschillende budgetten weg, waardoor een meer</al><al>samenhangens reïntegratie- en participatiebeleid kan worden gevoerd;</al><al>o Er komt meer geld (80 mln) voor armoedebeleid en schuldhulpverlening;</al><al>o Gemeenten krijgen de mogelijkheid om voor mensen met geen of een kleine</al><al>kans op uitstroom naar werk langdurige arrangementen met behulp van</al><al>uitkering (of gesubsidieerde arbeid) te ontwikkelen;</al><al>o VNG, kabinet en sociale partners bieden ondersteuning bij het gezamenlijk</al><al>tot een effectievere regionale samenwerking kunnen komen.</al><al>Opvallend in deze lijst van maatregelen is dat gesubsidieerde arbeid opnieuw als</al><al>belangrijk middel gezien wordt ter bevordering van re-integratie op de arbeidsmarkt,</al><al>of in ieder geval ter bevordering van participatie in de samenleving. Ook wordt extra</al><al>geld beschikbaar gesteld voor armoedebestrijding. Beoogd wordt hiermee dat de</al><al>mogelijkheden voor gemeenten tot het voeren van een gericht armoedebeleid</al><al>worden verruimd, waar mogelijk in samenhang met de bevordering van</al><al>arbeidsparticipatie. Aandacht wordt ook besteed aan de onderlinge samenwerking</al><al>tussen UWV, CWI en gemeenten. Via prestatieafspraken wil het kabinet gemeenten</al><al>aansporen om hun werkzaamheden beter op elkaar af te stemmen en de effectiviteit</al><al>en kwaliteit van de dienstverlening en re-integratie te verbeteren.</al><al>7</al><al><vet><cursief>Visie op participatie</cursief></vet></al><al>We streven naar een maximale zelfredzaamheid en ontplooiing van onze burgers.</al><al>We zijn van mening dat alle burgers moeten participeren in de samenleving. Ook</al><al>bijstandsgerechtigden en andere inactieven mogen niet aan de kant (blijven) staan.</al><al>Onder participatie verstaan we naast de “normale” deelname aan het</al><al>maatschappelijk verkeer het actief verrichten van maatschappelijk nuttige arbeid.</al><al>Actieve participatie voorkomt sociaal isolement en verschaft de deelnemers een</al><al>betere conditie om te komen tot meer zelfredzaamheid.</al><al>Daarnaast is er in de samenleving behoefte aan het invullen van een scala van</al><al>maatschappelijk nuttige activiteiten: van het verrichten van vrijwilligerswerk, het</al><al>invullen van projecten, het ondersteunen van maatschappelijke organisaties tot het</al><al>invullen van reguliere vacatures.</al><al>We menen deze prestaties te mogen vragen als tegenhanger van het verschaffen</al><al>van uitkeringen en andere bijdragen vanuit de overheid.</al><al>Bij het streven naar een maximale zelfredzaamheid erkennen we dat er individuen en</al><al>groepen zijn die nog niet toe zijn aan volledige zelfstandigheid. Maar we willen per</al><al>individu wel het maximaal haalbare bereiken.</al><al>We constateren dat veel mensen in de WWB maar ook anderen in het streven naar</al><al>zelfredzaamheid hierin geremd worden door de aanwezigheid van diverse vormen</al><al>van problematiek. Waar noodzakelijk dienen deze burgers dan ook te worden</al><al>gefaciliteerd. Dat kan financieel met de middelen uit het armoedebeleid en andere</al><al>regelingen; dat kan ook door parallel aan de actieve deelname te werken aan de</al><al>problematiek (bijvoorbeeld door de instellingen in de zorg). Waar sprake is van</al><al>meervoudige problematiek dient de activering en zorgverlening zodanig te worden</al><al>georganiseerd dat de burger centraal staat en dat gezamenlijk aan de doelstelling</al><al>zelfredzaamheid wordt gewerkt. Waarbij de effecten en resultaten steeds door een</al><al>hoofdverantwoordelijke (regisseur) worden bewaakt, gemonitord en waar nodig</al><al>bijgestuurd.</al><al>8</al><al><vet>Uitvoeringsnota</vet></al><al><vet><cursief>I. Participatie (besluiten 2 tm 10)</cursief></vet></al><al>OnderzoeksopdrachteOnderzoeksopdrachten 1. Onderzoek de zin en mogelijkheid van de oprichting van een “huis van de</al><al>participatie” waarin de combinatie van zorg- en participatietrajecten gestalte</al><al>krijgt en waarin gewerkt wordt conform de geformuleerde uitgangspunten;</al><al>2.Onderzoek op welke wijze hier de integraliteit (verknoping) van de</al><al>beleidsterreinen armoedebeleid, participatie, reïntegratie,WSW en WMO</al><al>vorm kan worden gegeven;</al><al>3.Onderzoek de financieringsmogelijkheden (waaronder subsidies) en kom</al><al>binnen de wettelijke mogelijkheden tot ontschotting van de diverse</al><al>geldstromen;</al><al>4.Onderzoek de wijze waarop participatie een plaats krijgt op de sociale kaart</al><al>en bij de hulpvraag van cliënten</al><al>Vormgeving Regie: via twee stromen</al><al>Om inhoud te geven aan onze missie beschikken we over een keur van instrumenten</al><al>en samenwerkingsverbanden in verschillende ketens.</al><al>Stroom 1: reïntegratie naar regulier werk</al><al>Nieuw is dat mede als gevolg van het nieuwe rijksbeleid (een aantal) gemeenten de</al><al>regierol krijgen of opeisen in het regionale arbeidsmarktbeleid. Sittard-Geleen heeft</al><al>de ambitie deze rol te in te vullen voor de Westelijke Mijnstreek. Een belangrijke</al><al>aanzet (in de vorm van een pilot) is de oprichting en doorontwikkeling van het</al><al>Mobiliteitscentrum ; in dit samenwerkingsverband met CWI en UWV staat de klant en</al><al>diens toeleiding naar regulier werk (dan wel opleiding in combinatie met werk)</al><al>centraal.</al><al>Regels en procedures zijn hieraan ondergeschikt. De werkzoekende heeft <vet>één</vet></al><al>aanspreekpunt en merkt niet uit welke organisatie de medewerker stamt. Binnen het</al><al>MC bevinden zich de instrumenten om die hoge stap op de participatieladder</al><al>(regulier werk) te bereiken. Het MC dat nu nog de vorm van een pilot heeft moet</al><al>uiteindelijk leiden tot de oprichting van een ondernemershuis. Voor het zover is zal er</al><al>tussen de diverse deelnemende kolommen het nodige moeten worden ontschot en</al><al>ontkokerd.</al><al>Stroom 2: participatie</al><al>We erkennen dat voor veel burgers de hoge trede op de ladder (reguliere arbeid) niet</al><al>of nog niet haalbaar is. We constateren bovendien dat dit meestal samenhangt met</al><al>de aanwezigheid van diverse vormen van problematiek bij burgers. Ook gebrek aan</al><al>passende werkgelegenheid en acceptatie door werkgevers speelt hier een rol.</al><al>Stijgen op de ladder van zelfredzaamheid is in het algemeen niet mogelijk als niet</al><al>tegelijkertijd wordt gewerkt aan de problemen. We hebben de ambitie de burger die</al><al>9</al><al>nog niet aan regulier werk toe is te laten participeren in de maatschappij. Omdat we</al><al>vinden dat niemand aan de kant mag blijven.</al><al>We constateren ook dat er een enorme vraag bestaat naar “maatschappelijke</al><al>arbeidskrachten”. Er is een keur van instellingen verenigingen en (semi-)</al><al>overheidsinstellingen die hier plaats aan kunnen en willen bieden. Daarnaast zijn er</al><al>tal van projecten geïnitieerd door gemeente en particulieren.</al><al>Wat is nodig</al><al>In de huidige werkwijze wordt op basis van gevraagde profielen binnen het WWBbestand</al><al>gezocht naar geschikte kandidaten. Waar sprake is van meervoudige</al><al>problematiek bij cliënten is vaak de conclusie van de casemanager of de uitvoerder</al><al>van een project dat de cliënt ongeschikt is. Dat levert een situatie op waarin de</al><al>projecten en maatschappelijke arbeidsplaatsen onvoldoende gevuld worden terwijl</al><al>grote delen van het WWB-bestand niet actief deelnemen.</al><al><vet><cursief>We willen naar een situatie met:</cursief></vet></al><lijst><li nr="-"><al>een gestructureerde en consistente toeleiding naar vormen van participatie</al></li><li nr="-"><al>waarbij meteen wordt gewerkt aan de eventuele aanwezige problematiek</al></li><li nr="-"><al>terwijl door begeleiding en/of opleiding de cliënt “geschikt wordt gemaakt”</al></li></lijst><al>voor</al><al>-projecten in de samenleving die voor ons bestand in eerste instantie</al><al>laagdrempelig zijn met</al><lijst><li nr="-"><al>maatwerk in bemiddeling, plaatsing en begeleiding en</al></li><li nr="-"><al>doorplaatsing naar een “hoger”niveau zogauw dit mogelijk is</al></li></lijst><al>Om deze situatie te bereiken zullen we de krachten en capaciteiten op gebied van</al><al>diagnose, mensontwikkeling, zorg en toeleiding naar en begeleiding in participatie</al><al>moeten bundelen. Deze bundeling zal het meest effectief zijn wanneer ze gedeeltelijk</al><al>ook fysiek vorm krijgt. Dit is ook de ervaring die opgedaan is in het Mobiliteitscentrum</al><al>Automotive: zorg dat de instrumenten en partijen met hun specifieke kennis en kunde</al><al>die nodig zijn voor de gewenste resultaten bij elkaar zitten, maak geen onderscheid</al><al>naar klanten per regeling, stel het eindresultaat voorop.</al><al>Zoals het Mobiliteitscentrum instrument en methodiek is op het terrein van reguliere</al><al>reïntegratie, zo biedt een “huis van de participatie” de mogelijkheid van een</al><al>gestructureerde aanpak op het gebied van participatie.</al><al>Vanuit een aantal wettelijke verplichtingen (WMO, WWB, WSW, Wet Collectieve</al><al>Preventie) heeft de gemeente de plicht het voortouw te nemen; maar zoals gesteld is</al><al>het ook onze ambitie. Daarmee ligt de regierol bij de gemeente.</al><al>Wanneer we het hebben over het totale takenpakket van een sociale dienst dan is</al><al>hierbij steeds inbegrepen onze dienstverlening in het Mobiliteitscentrum (reïntegratie)</al><al>en de dienstverlening in het Participatiehuis (participatie en zorg).</al><al>10</al><al>Huis van de Participatie</al><al>Een “huis van de participatie” biedt de mogelijkheid van een gestructureerde aanpak</al><al>op het gebied van participatie.</al><al>Het Participatiehuis is er vooral voor alle burgers voor wie de afstand naar werk nog</al><al>te groot is.</al><al>Het Participatiehuis en haar specifieke methode is meer dan een</al><al>mensontwikkelbedrijf of leer-werkbedrijf dat alleen gericht is op werk. Het</al><al>participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en maakt onderdeel uit</al><al>van de gestructureerde aanpak van multi-problematiek in de keten van Zorg.</al><al>Tegelijkertijd is het Huis gericht op een beweging “van binnen naar buiten”. Het</al><al>daadwerkelijk participeren gebeurt zo veel en zo snel mogelijk in de stad en de wijk.</al><al>Het participatiehuis is daarbij startpunt en uitvalsbasis .</al><al><cursief>Besluit 2: Er wordt een “huis van de participatie” opgericht voor alle burgers.</cursief></al><al><cursief>Het participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en heeft,</cursief></al><al><cursief>voor wie de afstand naar werk nog te groot, is een gestructureerde aanpak</cursief></al><al><cursief>van multi-problematiek in haar methodiek.</cursief></al><al>De methodiek</al><al>Elke klant die zich meldt of die aangemeld wordt krijgt een hiertoe ontwikkeld</al><al>competentie-onderzoek dat de individuele mogelijkheden op het terrein van</al><al>participatie onderzoekt. Onderdeel van dit onderzoek is het in kaart brengen van</al><al>eventueel aanwezige vormen van problematiek. Vervolgens krijgt de cliënt een vaste</al><al>participatie-coach die aan de hand van een persoonlijk plan van aanpak dat samen</al><al>met de cliënt wordt opgesteld, het traject richting een participatie vorm geeft; hierbij</al><al>hoort tevens het in gang zetten, bewaken en afstemmen van hulp- of zorgverlening.</al><al>Hiertoe neemt het Participatiehuis actief deel in de zogenaamde Zorgketen.</al><al><vet><cursief>De start: onderzoek en participatie-coach</cursief></vet></al><al>Elke klant die zich meldt of die aangemeld wordt krijgt een competentie-onderzoek</al><al>dat de individuele mogelijkheden op het terrein van participatie onderzoekt.</al><al>Onderdeel van dit onderzoek is het in kaart brengen van eventueel aanwezige</al><al>vormen van problematiek. Vervolgens krijgt de cliënt een begeleider (participatiecoach)</al><al>die de bevindingen van het onderzoek met hem bespreekt. Er wordt</al><al>gezamenlijk een persoonlijk plan van aanpak opgesteld waarin niet alleen het traject</al><al>richting een vorm en niveau van participatie wordt aangegeven, maar waarbij de</al><al>begeleider ook de noodzakelijke hulpverlening inschakelt en dit onderdeel van het</al><al>traject (op inhoud en op tijdigheid) bewaakt. De begeleider zorgt tevens voor de start</al><al>van het traject richting participatie. Hij bewaakt ook dit onderdeel op inhoud en</al><al>tijdigheid.</al><al>Bij meervoudige problematiek schakelt de coach de zorgketen in. In de zorgketen</al><al>wordt met betrekking tot het zorgtraject een sluitende aanpak gerealiseerd. Met de</al><al>partijen in de zorg worden hier afspraken over gemaakt hetgeen leidt tot het afsluiten</al><al>van een convenant, waarin het proces binnen de zorgketen wordt vastgelegd.</al><al><vet><cursief>Zorgtraject</cursief></vet></al><al>Binnen de zorgketen is bij meervoudige problematiek steeds één regisseur</al><al>verantwoordelijk voor het verloop van het proces.</al><al>11</al><al>Het zorgtraject kan heel divers zijn: schuldhulpverlening, maatschappelijk werk,</al><al>psychische en/of medische ondersteuning, verslavingszorg en combinaties hiervan.</al><al>Het traject is tijdelijk en kent een omschreven einddoel en eindtijdstip. Periodiek</al><al>wordt de cliënt en met inachtneming van privacy-protocollen de participatiecoach op</al><al>de hoogte gesteld van de vorderingen.</al><al><vet><cursief>Participatietraject</cursief></vet></al><al>Dit traject loopt altijd parallel aan een eventueel zorgtraject (eventueel, omdat een</al><al>zorgtraject niet altijd noodzakelijk zal blijken). Ook bij aanwezige meervoudige</al><al>problematiek is het uitgangspunt dat een bepaalde vorm en niveau van participatie</al><al>toch mogelijk is.</al><al>Het traject kan waar noodzakelijk starten met een training en werkzaamheden in</al><al>huis. Voor sommigen (denk aan burgers met een psychiatrische aandoening) kan dit</al><al>het maximaal haalbare zijn. Doel is echter zoveel en zo snel mogelijk van binnen</al><al>naar buiten te werken; participatie in de wijk en in de stad.</al><al>Bij elke vorm van participatie is een verantwoordelijk werkbegeleider die periodiek</al><al>terugrapporteert aan de participatiecoach. Die begeleider is meestal een externe</al><al>partner maar kan ook deel uitmaken van een onderdeel van het Leer werkbedrijf</al><al>binnen het Participatiehuis; afhankelijk van de fase in het traject en de plek waar</al><al>wordt gewerkt. Ook hier zijn eindtermijn en einddoel van te voren bepaald en wordt</al><al>het eindresultaat afgezet tegen het eerder geformuleerde einddoel. De</al><al>participatiecoach bepaalt samen met cliënt of een vervolgstap hoger op de ladder</al><al>mogelijk is (en soms of een stap lager noodzakelijk is). Hiertoe wordt dan een nieuw</al><al>persoonlijk plan van aanpak opgesteld. Als geconstateerd wordt dat reguliere arbeid</al><al>weer aan de orde is en de voormalige inlener heeft geen mogelijkheid tot in dienst</al><al>name wordt het Mobiliteitscentrum ingeschakeld; de participatiecoach blijft ook dan</al><al>het traject richting werk bewaken en wordt hierover geïnformeerd. Bij reguliere</al><al>werkaanvaarding wordt in overleg met cliënt en MCB bepaald of en in welke vorm</al><al>nazorg noodzakelijk is.</al><al><vet><cursief>Meer dan Leer Werkbedrijf</cursief></vet></al><al>Het Participatiehuis is meer dan een mensontwikkelbedrijf of leer-werkbedrijf dat</al><al>alleen gericht is op werk. Het participatiehuis is ook gericht op andere vormen van</al><al>participatie en is onderdeel van een nieuwe gestructureerde aanpak van</al><al>multiproblematiek (in de Zorgketen). Ook biedt het huis ruimte voor een atmosfeer en</al><al>cultuur die breder is dan wat we aantreffen in productie-omgevingen. Deelnemers</al><al>moeten er zich “thuis”voelen; er is ruimte voor het organiseren van events die</al><al>aansluiten bij kwaliteiten van deelnemers (presentaties/ tentoonstellingen / cursussen</al><al>enz).</al><al>Tegelijkertijd is het Huis gericht op een beweging “van binnen naar buiten”. Het</al><al>daadwerkelijk participeren gebeurt zo veel en zo snel mogelijk in de stad en de wijk.</al><al>Het participatiehuis is daarbij startpunt en uitvalsbasis .</al><al><cursief>Besluit 3: Er wordt een methodiek ontwikkeld waarbij na een competentie aan</cursief></al><al><cursief>de hand van een persoonlijk plan van aanpak vorm wordt gegeven aan</cursief></al><al><cursief>actieve participatie en waar nodig gecombineerd met zorgcoaching door een</cursief></al><al><cursief>vaste participatiecoach.</cursief></al><al><cursief>Voor bijzondere doelgroepen worden specifieke methodes gehanteerd</cursief></al><al>12</al><al>Doelgroepen (ontkokering)</al><al>Het Participatiehuis is er voor alle burgers voor wie de afstand naar werk nog te groot</al><al>is; maar ook voor werkenden en werkzoekenden die naast hun reguliere werk iets</al><al>willen betekenen in de maatschappij bijvoorbeeld door het verrichten van</al><al>vrijwilligerswerk .</al><al>Bepalend is niet de regeling waaronder iemand ressorteert (WWB/ WSW/ Wajong)</al><al>maar de afstand tot de arbeidsmarkt en de mogelijkheid tot maatschappelijke</al><al>participatie. Bevorderen van zelfredzaamheid is een missie die op al deze groepen</al><al>van toepassing kan zijn. Binnen het klantenbestand valt wel een aantal bijzondere</al><al>groepen te onderscheiden: verslaafden, psychiatrische cliënten, afnemers</al><al>Voedselbank enz. Per groep kan een bijzondere aanpak noodzakelijk zijn al is het</al><al>maar in de intensiteit van begeleiding en in de toe te passen methodiek. Binnen het</al><al>participatiehuis is ruimte voor diversiteit.</al><al>In het kader van de gewenste ontkokering staat het instrument open voor</al><al>uitkeringsgerechtigden uit diverse regelingen (UWV, WWB, WSW, AWBZ, PGB’s</al><al>WMO). Niet bepalend immers is de regeling waar iemand onder valt maar de afstand</al><al>tot de arbeidsmarkt (ontkokering). Voor specifieke doelgroepen is er ruimte voor een</al><al>specialistische aanpak bijvoorbeeld:</al><al>???(ex-) psychiatrische patiënten;</al><al>???verslaafden;</al><al>???groepen die bij instellingen als Voedselbank en Bie Zefke bekend zijn;</al><al>???vluchtelingen</al><al><cursief>Besluit 4: In het kader van de gewenste ontkokering is niet bepalend de</cursief></al><al><cursief>regeling waaronder iemand valt maar de mogelijkheden en beperkingen in</cursief></al><al><cursief>relatie tot arbeidsmarkt en actieve participatie.</cursief></al><al>Netwerken en wijkgericht werken</al><al>Vanuit het Participatiehuis wordt de keten van wonen welzijn en zorg en het Platform</al><al>Ketenzorg bezocht; het slaat de brug naar de keten van sociale zekerheid en</al><al>reïntegratie; stemt af en coördineert.</al><al>Het neemt deel aan overlegvormen, zorgt voor een goede communicatie, signaleert</al><al>op gebied van dienstverlening van de eigen en andere instellingen; zorgt waar nodig</al><al>dat partijen elkaar vinden in het belang van de burger.</al><al>Een van de beleidsuitgangspunten van dit college is het zogenaamde wijkgerichte</al><al>werken. Het is van groot belang dat er tussen de projecten in wijken, dorpen en</al><al>stadsdelen en het participatiehuis een zeer hechte samenwerking plaatsvindt. Het</al><al>huis werkt in dit verband nauw samen met stadsdeelmanagers en projectleiders in de</al><al>wijken (vaak van Zo Wonen en PIW). Het regelt dat projecten ook daadwerkelijk</al><al>“gevuld”worden en ontwikkelt met stadsdeelmanagers projecten gericht op</al><al>zogenaamde probleemwijken of kansbuurten.</al><al><cursief>Besluit 5: Vanuit het Participatiehuis wordt actief met de keten van wonen</cursief></al><al><cursief>welzijn en zorg en de keten van sociale zekerheid samen gewerkt; Een zelfde</cursief></al><al><cursief>functie heeft het naar stadsdeelmanagement en projecten in de wijk</cursief></al><al><cursief>(wijkgericht werken).</cursief></al><al>13</al><al>Ladder van participatie</al><al>De opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid maximaal te vergroten en</al><al>te investeren in ontplooiïng van de deelnemer.</al><al>Op de ladder van de participatie zijn diverse treden:</al><al>???training en werk in de beschermde omgeving</al><al>???vrijwilligerswerk (en mantelzorg)</al><al>???deelname aan projecten bijv. op gebied van “schoon, heel en veilig”</al><al>veelal in de wijken</al><al>???begeleid werken met uitkering bij instellingen</al><al>???begeleid werken met loonwaardebepaling (terugverdieneffecten)</al><al>???detachering tegen inleenvergoeding</al><al>???Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de ladder kan</al><al>worden bestegen.</al><al><cursief>Besluit 6: de opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid</cursief></al><al><cursief>maximaal te vergroten en te investeren in ontplooiïng van de deelnemer.</cursief></al><al><cursief>Participeren kan op zeer diverse niveaus.</cursief></al><al><cursief>Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de “ladder van</cursief></al><al><cursief>participatie” kan worden bestegen.</cursief></al><al>Excelente dienstverlening</al><al>Aanmelding gebeurt door burgers zelf, door uitkeringsinstanties, door voorzieningen</al><al>als Voedselbank , CAD , Bie Zefke maar ook vanuit instellingen van de geestelijke</al><al>gezondheidszorg en maatschappelijk werk. En niet te vergeten het</al><al>Mobiliteitscentrum. De voorziening is laagdrempelig; de klant staat centraal. Er vindt</al><al>geen dubbele gegevensaanvraag plaats; dat wat al bij instellingen bekend is en wat</al><al>met toestemming van de cliënt kan worden geleverd wordt bij instellingen</al><al>opgevraagd.</al><al>Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening. De voorziening is</al><al>er voor de burger en niet andersom. Met inachtneming van de eigen</al><al>verantwoordelijkheid van de cliënt wordt rekening gehouden met de mogelijkheden</al><al>en beperkingen. Doorverwijzingen en overdrachten worden steeds door een</al><al>participatiecoach bewaakt en begeleid. De uitgangspunten zoals geformuleerd in het</al><al>armoedeonderzoek worden volledig gehanteerd (zie notitie van bevindingen).</al><al><cursief>Besluit 7: Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening.</cursief></al><al><cursief>De voorziening is er voor de burger en niet andersom. De 10 uitgangspunten</cursief></al><al><cursief>van beleid worden uitdrukkelijk gehanteerd.</cursief></al><al>Actoren binnen een participatiehuis</al><al>Kern wordt gevormd door een aantal participatiecoaches en werkbegeleiders .</al><al>Er zal nauwgezet worden samengewerkt met de uitvoerder van de diagnostiek en de</al><al>competentie-onderzoeken. Een onderdeel bestaat uit een leer werkbedrijf (waarin</al><al>intern en extern werkervaring kan worden opgedaan). Dit komt dicht bij de nieuwe</al><al>WSW-systematiek maar staat ook open voor niet-WSW-ers. De organisatie die de</al><al>WSW uitvoert is dus nauw betrokken bij het Huis.</al><al>14</al><al>Maar ook hier geldt dat voor bepaalde projecten andere spelers een rol spelen. Voor</al><al>vrijwilligerswerk kan gedacht worden aan PIW; voor bijzondere projecten kunnen</al><al>bijzondere opdrachtnemers worden ingeschakeld.</al><al>Deze diversiteit geeft al aan dat er niet een externe partij valt aan te wijzen die het</al><al>hele centrum “draait”.</al><al>Fysiek aanwezig zijn (op afroep of via vaste spreekuren) maatschappelijk werk ,</al><al>schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg maar ook de klussendienst, de</al><al>vrijwilligersvacaturebank en een aantal maatschappelijke instellingen die een rol in</al><al>ons armoedebeleid hebben of krijgen (Leergeld, Raad en Daad, Bie Zefke)</al><al>Fysiek buiten het huis bevinden zich natuurlijk de talrijke projecten en instellingen</al><al>waar de deelnemers in gaan participeren.</al><al><cursief>Besluit 8: Binnen het Participatiehuis wordt actief samengewerkt met actoren</cursief></al><al><cursief>in de zorg- en welzijnsketen, met partners in de sociale zekerheid en met</cursief></al><al><cursief>maatschappelijke instellingen die een rol spelen in het armoedebeleid.</cursief></al><al>Regie; naar een afgebakend egie; opdrachtnemersmodel</al><al>Zoals op het gebied van arbeidsmarktbeleid (waaronder reïntegratie) de regie steeds</al><al>meer komt te liggen bij (centrum-)gemeenten, zal de gemeente ook hier de regierol</al><al>op zich nemen. Enerzijds omdat deze opdracht in diverse wetten is opgenomen</al><al>(WMO, WWB enz) anderzijds omdat participatie onlosmakelijk verweven is met</al><al>reïntegratie (de hogere stap op de ladder) en het armoedebeleid (faciliterend). De</al><al>keuze voor een participatiehuis houdt in dat de aansturing een gemeentelijke taak is</al><al>(mogelijk in samenwerking met de andere gemeenten in de Westelijke Mijnstreek).</al><al>Uiteindelijk dient de relatie tussen gemeente en Ondernemershuis en tussen</al><al>gemeente en Participatiehuis het karakter te krijgen van een verhouding tussen</al><al>opdrachtgever en opdrachtnemer. Daarbij zijn taken enverantwoordelijkheden</al><al>duidelijk afgebakend; taakstellingen worden vooraf benoemd en vervolgens wordt op</al><al>basis van resultaat “afgerekend”.</al><al>Beide “huizen” zullen fasegewijs worden gerealiseerd waarbij de opbouw en</al><al>inrichting van het Participatiehuis voor rekening van de afdeling Werk en Inkomen</al><al>komt (geen aanbesteding maar inbesteding). Ook bij de opbouw van het</al><al>Ondernemershuis is deze afdeling in uitvoerende zin betrokken; de kern van de</al><al>uitvoeringsorganisatie wordt mede ingevuld door UWV en CWI .</al><al>Met betrekking tot de juridische vormgeving, inbesteding, de fasegewijze opbouw en</al><al>de uiteindelijke vormgeving van het opdrachtgevers- en opdrachtnemersmodel zal</al><al>een apart projectplan worden opgesteld.</al><al><cursief>Besluit 9: Gelet op de samenhang met andere beleidsterreinen waar de</cursief></al><al><cursief>gemeente een verantwoordelijkheid heeft neemt de gemeente de regie,</cursief></al><al><cursief>inrichting en aansturing van het Participatiehuis op zich.</cursief></al><al>15</al><al>Financiering en ontschoting</al><al>Het Participatiehuis kan worden opgezet als een voorziening in het kader van</al><al>reïntegratie en participatie; vanuit de gemeente kan een deel van het Werkdeel</al><al>hiervoor worden ingezet. Ook vanuit de WSW liggen hier mogelijkheden. Op</al><al>onderdelen zullen er terugverdieneffecten zijn.</al><al>Door het berekenen van een trajectprijs kunnen andere instanties en instellingen per</al><al>deelnemer mee financieren. Dit geldt voor cliënten van uitkeringsinstanties en zorginstanties</al><al>(via AWBZ en persoonsgebonden budgetten). Men wil meer cliënten uit</al><al>deze hoek in projecten midden in de samenleving in plaats van (of naast) projecten</al><al>binnen beschermde muren. Ook komt het nu al voor dat persoonsgebonden</al><al>budgetten uit de WMO worden ingezet voor vormen van sociale activering.</al><al>Niet-uitkeringsgerechtigden (Nuggers) vallen onder verantwoordelijkheid van de</al><al>gemeente (Werkdeel).</al><al>Getracht zal worden op voorhand taakstellingen (aantal aan te melden deelnemers)</al><al>af te spreken met bovengenoemde partijen (met name WSW-bedrijf, UWV en</al><al>gezondheidsinstellingen). Dan hebben we op voorhand een totaalinzicht in de</al><al>beschikbare middelen (aantal klanten maal een trajectprijs per jaar) Dit verkleint het</al><al>financiële risico. Met boven omschreven werkwijze komen we tot een eerste stap in</al><al>de ontschotting van financiële middelen .</al><al><cursief>Besluit 10: Het Participatiehuis wordt opgezet als een voorziening in het kader</cursief></al><al><cursief>van reïntegratie en participatie (Werkdeel). Voor deelnemers vanuit andere</cursief></al><al><cursief>instanties wordt een trajectprijs gehanteerd.</cursief></al><al>De kosten van zorg</al><al>Er zullen met instanties zoals PIW en Kredietbank afspraken moeten worden</al><al>gemaakt over gezamenlijke excellente en tijdige dienstverlening. We maken gebruik</al><al>van reguliere bestaande middelen. Zo gauw ervaring is opgedaan met de nieuwe</al><al>aanpak kan worden bezien of en waar financiële koppelingen met andere budgetten</al><al>kunnen worden gelegd (inclusief mogelijke efficiencyvoordelen).</al><al>De kosten van participatie</al><al>Mogelijk kan met betrekking tot de infra structuur gebruik worden gemaakt van</al><al>huisvesting e.d. van het WSW-bedrijf. Hetzelfde geldt voor de inzet van personeel</al><al>voor testen en begeleiding in het leer werk-bedrijf.</al><al>16</al><al>Beoogd resultaat van het Participatiehuis</al><al>???participatie en ontplooiing deelnemers; verhogen zelfredzaamheid</al><al>???gestructureerde invulling maatschappelijke arbeid en projecten</al><al>???ondersteuning particulier initiatief</al><al>???een methodiek waarin activering gecombineerd wordt met zorgcoaching</al><al>(aansluitend bij de nieuwe sluitende aanpak van de Zorgketen)</al><al>???invulling van een aantal beleidswensen van belendende beleidsterreinen;</al><al>bijdrage aan wijkgericht werken</al><al>???actieve deelname aan netwerk wonen, zorg en welzijn (en</al><al>ketensamenwerking)</al><al>Bovenstaand lijstje is in overeenstemming met de beleidswensen zoals geformuleerd</al><al>in de diverse gemeentelijke programma’s en op het terrein van de WMO en bij de</al><al>ketensamenwerking OGGZ. Er wordt tevens meegelift op de doorontwikkeling van de</al><al>WSW-organisatie als mensontwikkelbedrijf.</al><al>Ontwikkelmodel: schema</al><al>Diagnose</al><al>Zittend bestand</al><al>Werk &amp; Inkomen</al><al><vet>Ondernemershuis</vet></al><al>Competentieonderzoek</al><al><vet>Regie</vet></al><al>Gemeente,</al><al>UWV &amp; CWI</al><al><vet>Reïntegratietraject(en)</vet></al><al><vet>Instrumenten</vet></al><al>oa. loonsubsidie en</al><al>werken mbv. uitkering</al><al><vet>Partners</vet></al><al>KvK</al><al>Werkgeversloket</al><al>Leerwerkloket</al><al>ROC’s</al><al>Uitzendbureaus</al><al>Kenniscentra</al><al>Reïntegratiebedrijven</al><al><vet>Participatiehuis</vet></al><al>Competentieonderzoek</al><al><vet>Regie</vet></al><al>participatiecoaches</al><al>werkbegeleiders</al><al><vet>Partners</vet></al><al>leer werkbedrijf</al><al>WSW-bedrijf</al><al><vet>Participatietraject(en)</vet></al><al>ook specifieke methodes voor bijzondere</al><al>doelgroepen</al><al><vet>Hulpverleningstrajecten</vet></al><al>bij enkelvoudige problematiek</al><al><vet>Instrumenten</vet></al><al>o.a.Vrijwilligers Vacaturebank</al><al><vet>Projecten</vet></al><al>“Van binnen naar buiten”</al><al>Nieuwe</al><al>cliënt</al><al><vet>Projecten</vet></al><al>Specifieke vrijwilligersprojecten</al><al>waarvoor diverse partners ingeschakeld</al><al>kunnen worden</al><al><vet>Zorgketen</vet></al><al>Inschakeling Zorgketen bij</al><al>meervoudige problematiek.</al><al>Combinaties van hulpverlening door:</al><al>Schuldhulpverlening, maatschappelijk</al><al>werk, verslavingszorg, medische en/of</al><al>psychische hulpverleners</al><al>Stroom 1 Stroom 2</al><al>Stijging of daling</al><al>op de ladder van</al><al>de participatie</al><al>bepaalt de</al><al>plaatsing in het</al><al>ene of het andere</al><al>huis.</al><al><vet>Partners op afroep/spreekuur</vet></al><al>Maatschappelijk werk</al><al>Schuldhulpverlening</al><al>(Geestelijke) gezondheidszorg</al><al>Klussendienst</al><al>Stg.Leergeld</al><al>Raad en Daad</al><al>Bie Zefke</al><al><vet>Keten van Werk en Inkomen</vet></al><al>Vanuit de optiek dat de klant centraal</al><al>staat, dienstverlening op het gebied</al><al>van werk en inkomen.</al><al>Samenwerking om instroom te</al><al>beperken, reïntegratie te bevorderen</al><al>en te handhaven</al><al><vet>Onderwijsketen</vet></al><al>Zorgen voor voldoende gekwalificeerd</al><al>personeel. Een leven lang leren;,</al><al>EVC, Bêta en techniek, voorkomen</al><al>voortijdige uitval et cetera.</al><al>PARTICIPATIE</al><al>Arbeidsparticipatie</al><al>Maatschappelijke participatie</al><al>17</al><al><vet><cursief>II. Bureaucratie (besluiten 11 tm 20)</cursief></vet></al><al>Onderzoeksopdracht 5: Begeleiding cliënten met meervoudige problematiek <cursief>Onderzoek de wijze waarop voor cliënten die te kampen hebben met meervoudige</cursief></al><al><cursief>problematiek (maar alleen voor hen) een systeem van coaching of begeleiding vorm</cursief></al><al><cursief>kan worden gegeven.</cursief></al><al>Bureaucratie met name (maar niet alleen) bij overheidsinstellingen wordt als</al><al>bijzonder storend ervaren. Vaak raken cliënten het spoor bijster in het woud van</al><al>regels en instellingen. Met name in situaties waarin sprake is van meervoudige</al><al>problematiek heeft de klant te maken met doorverwijzingen naar andere loketten</al><al>waar weer gewacht moet worden op een volgende intake. Het probleem moet weer</al><al>helemaal opnieuw worden uitgelegd. Samenwerking tussen instellingen wordt</al><al>belemmerd door de eigen regels en procedures en de eigen wijze waarop elke</al><al>organisatie wordt afgerekend.</al><al>Met de maatschappelijke partners in de Zorgketen is afgesproken dat bij</al><al>meervoudige problematiek steeds een functionaris van een partij binnen de keten de</al><al>hoofdverantwoordelijke voor een cliënt is. Hij of zij is steeds de gene die in overleg</al><al>met de burger en de andere betrokken partijen het voortouw neemt in het traject dat</al><al>een cliënt in de zorg doorloopt.</al><al>Op deze wijze wordt recht gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid die iedere partij</al><al>op haar specifieke terrein heeft terwijl er ook steeds een partij is die verantwoordelijk</al><al>is voor het monitoren van het zorgtraject en voor het toezien op een naadloos</al><al>verloop hiervan (bewaken van tijdigheid en goede onderlinge overdracht en</al><al>afstemming).</al><al>Partijen zullen zich ook committeren aan de beleidslijn van de gemeente dat</al><al>maatschappelijke deelname steeds een belangrijk doel is (op een haalbaar niveau).</al><al>Vanuit het in te richten participatiehuis wordt deelgenomen aan het ketenoverleg in</al><al>de zorg. In veel gevallen zullen cases die besproken worden bekend zijn bij het</al><al>Participatiehuis. Zo niet kan per case bezien worden of het Huis een rol kan en dient</al><al>te spelen als het gaat om activering.</al><al><cursief>Besluit 11: Met de ketenpartners in de zorg wordt afgesproken dat steeds een</cursief></al><al><cursief>functionaris van een partij binnen de keten hoofdverantwoordelijk voor een</cursief></al><al><cursief>cliënt is; deze is aanspreekpunt en procesbewaker en intervenieert waar</cursief></al><al><cursief>nodig.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 6: Maatwerk door maatschappelijke organisaties <cursief>Onderzoek in hoeverre het mogelijk is hier de maatschappelijke organisaties</cursief></al><al><cursief>nadrukkelijker en ook in uitvoerende zin bij te betrekken</cursief>.</al><al>Met maatschappelijke organisaties wordt hier gedoeld op instellingen die niet onder</al><al>een via wet geregelde financieringsstructuur vallen (particulier initiatief). Te denken</al><al>valt aan instelling als Bie Zefke, de Voedselbank en Stichting Leergeld. Genoemde</al><al>partijen zitten uitdrukkelijk regelmatig aan tafel met de verantwoordelijken in het</al><al>“Huis van de Participatie”. Op basis van case-bespreking worden net als binnen de</al><al>18</al><al>zorgketen heldere afspraken gemaakt over een plan van aanpak per klant en over de</al><al>onderlinge taakafbakening.</al><al>Soms doen zich situaties voor waarin het wenselijk is dat de genoemde organisaties</al><al>wat meer mogelijkheden krijgen voor een intensievere begeleiding van hun cliënten</al><al>die immers in zeer specifieke omstandigheden verkeren.</al><al>Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode van een jaar</al><al>mogelijk dat zo’n maatschappelijke organisatie de taak van intensieve begeleiding op</al><al>zich neemt; steeds op basis van een plan van aanpak (met tijdpad) en een helder</al><al>geformuleerd doel (bijvoorbeeld herhuisvesting met acceptabel leefgedrag). Dit zal</al><al>zich met name voordoen als om welke reden dan ook de cliënt niet kan deelnemen in</al><al>het Participatiehuis. Het is in zo’n situatie mogelijk aan de instelling een bedrag voor</al><al>de intensieve begeleiding toe te kennen.</al><al><cursief>Besluit 12: Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode</cursief></al><al><cursief>van een jaar mogelijk dat een door particulier initiatief werkende</cursief></al><al><cursief>maatschappelijke organisatie de taak van intensieve begeleiding op zich</cursief></al><al><cursief>neemt. Het betreft met name om specifiek maatwerk voor bijzondere situaties.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 7: Uitvoering zorgtaken <cursief>Onderzoek de mogelijkheid casemanagers van de afdeling Werk &amp; Inkomen de</cursief></al><al><cursief>zorgtaak voor cliënten op te dragen; breng de gevolgen met betrekking tot breedte</cursief></al><al><cursief>van de functie en de financiële aspecten in beeld.</cursief></al><al>Bij de inrichting van de organisatie is met betrekking tot de afdeling Werk en Inkomen</al><al>gekozen voor het zogenaamde integrale casemanagement; de casemanager is</al><al>verantwoordelijk voor inkomen(smutaties), terugvordering, regie op reïntegratie en</al><al>een juiste verwijzing naar andere (o.a. hulpverlenende) instanties. Het zelf invulling</al><al>geven aan de zorgtaak valt hier dus niet onder. Bij de bepaling van de formatie (in</al><al>vergelijking tot de caseload) en ook bij werving en selectie is dus ook geen rekening</al><al>gehouden met het uitoefenen van een zorgtaak.</al><al>Een formatie-onderzoek van BMC (mei tot juli 2007) leert dat om de zorgtaak alleen</al><al>al voor de bijstandscliënten in het takenpakket in te bouwen een formatieve</al><al>uitbreiding met 6 fte bij Werk en Inkomen noodzakelijk is. Dit op basis van</al><al>kengetallen die BMC hanteert .</al><al>Een vergelijking met andere sociale diensten leert dat er weinig diensten zijn die de</al><al>coaching in zorg in de eigen uitvoering laten uitoefenen. Nemen we als uitgangspunt</al><al>gemeenten die case managers intensieve bemiddeling en begeleiding op terrein van</al><al>reïntegratie laten doen onder de veronderstelling dat het uitoefenen van zorgtaken</al><al>een vergelijkbare tijdsinvestering vergt dan zou een uitbreiding 7 of 8 fte aan de orde</al><al>zijn. Wanneer een taakuitbreiding puur om zorgtaken gaat zijn alle kosten voor de</al><al>gemeente; wanneer er een duidelijke relatie ligt met reïntegratie (waarvan participatie</al><al>de voorloper kan zijn) kan het Werkdeel worden aangewend. Het College kiest er</al><al>dan ook voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten verlopen via het</al><al>Participatiehuis (een zogenaamde voorziening in termen van het Werkdeel en</al><al>tegelijkertijd onderdeel van de ketenzorg). De invulling is omschreven in het</al><al>hoofdstuk betreffende het Participatiehuis.</al><al>19</al><al>Deze keuze betekent uitdrukkelijk niet dat er met betrekking tot zorg voor cliënten bij</al><al>de afdeling werk en Inkomen niets gebeurt. (Zie opdracht IV hieronder)</al><al><cursief>Besluit 13: Het College kiest er voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten</cursief></al><al><cursief>verlopen via het Participatiehuis.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 8: Permanente educatie medewerkers <cursief>Onderzoek de wijze waarop medewerkers van Werk &amp; Inkomen en andere</cursief></al><al><cursief>instellingen getraind en ondersteund kunnen worden in de aspecten: respectvolle</cursief></al><al><cursief>bejegening van de cliënt, doelmatig doorverwijzen en vroegtijdige signalering. Betrek</cursief></al><al><cursief>hierbij ook de werkwijze op het CWI.</cursief></al><al>In wezen is de boodschap te werken naar een andere cultuur binnen Werk &amp;</al><al>Inkomen. De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde uitgangspunten moet</al><al>tussen de oren van medewerkers en op de werkvloer worden geïmplementeerd.</al><al>Die boodschap en onze missie zal met name door de leiding binnen de afdeling</al><al>worden uitgedragen. De beoordeling van het werk van medewerkers wordt</al><al>afgestemd op missie en doelen en op de wijze waarop met de burger wordt</al><al>omgegaan. Deze aspecten worden vaste onderdelen van de agenda van de diverse</al><al>teamvergaderingen.</al><al>Daarnaast is er een systeem van permanente educatie waarin bovenstaande</al><al>aspecten vast in worden verweven. In de jaarlijkse trainings- en scholingskalender</al><al>wordt een programma opgenomen waarin alle medewerkers van Werk &amp; Inkomen</al><al>die met publiek te maken hebben worden “meegenomen”. Het programma gaat niet</al><al>alleen over de kunst van signaleren en doorverwijzen en de hulpmiddelen die we</al><al>daarbij hanteren, maar ook over onze missie en de wijze waarop we met onze</al><al>cliënten omgaan. In het programma worden bezoeken aan en gesprekken met</al><al>maatschappelijke partners en cliëntorganisaties ingebouwd.</al><al>Ook wordt gebruik gemaakt van het landelijke programma Ketenspiegel waarin de</al><al>actieve deelnemer geconfronteerd wordt met de bureaucratie in de SUWI-keten.</al><al>Richting een aantal organisaties initiëren we deelname van medewerkers en middle</al><al>management aan (een aantal van) de programma’s. De aspecten waar de afdeling</al><al>Werk en Inkomen verbeterslagen kan maken zijn immers in meerdere of mindere</al><al>mate ook aan de orde bij een aantal ketenpartners.</al><al>Onze centrale missie en de nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en</al><al>management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht. Zeker waar de</al><al>gemeente een opdrachtgevende of subsidiërende rol heeft mogen we van de</al><al>partners verwachten dat men zich van hoog tot laag committeert aan de missie en de</al><al>uitgangspunten.</al><al><cursief>Besluit 14: De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde</cursief></al><al><cursief>uitgangspunten wordt geïmplementeerd via een opleidings- en</cursief></al><al><cursief>trainingsschema. In het kader van “permanente educatie” worden missie,</cursief></al><al><cursief>doelen en klantbejegening vast onderdeel van teamoverleg en</cursief></al><al><cursief>casusbespreking.</cursief></al><al><cursief>Missie en nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en</cursief></al><al><cursief>management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht.</cursief></al><al>20</al><al>Onderzoeksopdracht 9: Deelname aan netwerken <cursief>Onderzoek de mogelijkheden en gevolgen van een betere ketensamenwerking</cursief></al><al><cursief>waaronder het actief deelnemen in netwerken en het ter beschikking stellen van</cursief></al><al><cursief>contactpersonen.</cursief></al><al>Er is voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken gebeurt vanuit het</al><al>Participatiehuis (namens Werk &amp; Inkomen). Tot de inrichting van het Participatiehuis</al><al>zal door Werk &amp; Inkomen wel aan netwerken worden deelgenomen wanneer dit</al><al>zinnig is.</al><al>Er zijn inmiddels vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling.</al><al><cursief>Besluit 15: Er wordt voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken</cursief></al><al><cursief>gebeurt vanuit het Participatiehuis (namens Werk &amp; Inkomen).</cursief></al><al><cursief>Er worden vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling Werk &amp;</cursief></al><al><cursief>Inkomen.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 10: Digitale mogelijkheden <cursief>Onderzoek de mogelijkheid en gevolgen van een optimaler gebruik van de huidige</cursief></al><al><cursief>digitale mogelijkheden waarbij een aantal deelaspecten wordt meegenomen: digitale</cursief></al><al><cursief>sociale kaart, dossier, bestandskoppelingen en gebruik internet.</cursief></al><al>Met betrekking tot bestandskoppeling en gebruik van internet is inmiddels een extern</al><al>bureau gestart. De bestandskoppelingen zullen meer en betere gegevens opleveren</al><al>betreffende onze doelgroepen; het adressenbestand van de ons bekende minima zal</al><al>hiermee tevens worden uitgebreid.</al><al>Met betrekking tot de digitale sociale kaart zal vooralsnog worden gestart met</al><al>gebruikmaking van de internet site van de gemeente.</al><al>In de keten van de sociale zekerheid (Gemeentelijke basisadministratie, UWV, CWI,</al><al>RDW en sociale diensten)) wordt het digitaal klantdossier (DKD) voorbereid. Het</al><al>wordt de uitvoeringsorganisaties verboden de klant meer dan een maal dezelfde</al><al>informatie op te vragen. De gegevens van de diverse instellingen leiden samen tot</al><al>een virtueel opgebouwd klantdossier dat voor instellingen en klant inzichtelijk is.</al><al>Cliënten hoeven minder in te vullen en alle informatie is binnen seconden</al><al>voorhanden. Dat scheelt tijd papier en rompslomp (voor de bijstand is 60% minder</al><al>aan bewijsdocumenten nodig). En er wordt geen werk meer dubbel gedaan.</al><al>In de toekomst gaan alle overheidsinstanties met dit dossier werken. Tevens komt er</al><al>voor elke burger een persoonlijke Internet Pagina waarmee hij veel zaken met de</al><al>overheid kan regelen.</al><al>Landelijk komt er een Contact Centrum Overheid (CCO) als knooppunt tussen</al><al>burger, overheid en bedrijfsleven. In het kader van de zorg en overdrachtsproblemen</al><al>zullen we op deze ontwikkeling in haken. Het DKD voor de sociale zekerheid moet in</al><al>2008 operationeel zijn. De uitbreiding naar de hele overheid zal naar verwachting in</al><al>2009 plaats vinden.</al><al><cursief>Besluit 16 Bestandskoppeling en maximaal gebruik van internet: dit wordt op</cursief></al><al><cursief>Zuid Limburgse schaal opgepakt via een specialistisch bureau.</cursief></al><al><cursief>Besluit 17 Een digitale sociale kaart wordt vormgegeven met gebruikmaking</cursief></al><al><cursief>van de internet site van de gemeente</cursief></al><al><cursief>Besluit 18 Er wordt ingehaakt op de ontwikkeling van het landelijke DKD</cursief></al><al>21</al><al>Onderzoeksopdracht 11: Van ervaring naar beleid <cursief>Onderzoek de mogelijkheden om de ervaringsdeskundigheid van uitvoerders en</cursief></al><al><cursief>cliënten te gebruiken bij beleidsontwikkeling en de vertaling hiervan naar de</cursief></al><al><cursief>uitvoering.</cursief></al><al>Zowel de beleidsontwikkeling als de vertaling naar uitvoering dient interactief plaats</al><al>te vinden. In het verleden werden bij de beleidsontwikkeling vooral cliënten of</al><al>cliëntorganisaties betrokken; de vertaling er van werd vooral als uitvoeringsprobleem</al><al>gezien. De wijze van uitvoering van een regeling is echter ook een manier waarop de</al><al>burger wordt bejegend. Hij heeft immers baat bij een vriendelijke, respectvolle,</al><al>eenvoudige, transparante en efficiënte werkwijze. En als de cliënt gevraagd wordt</al><al>om informatie te leveren of een formulier in te vullen heeft hij er recht op te weten</al><al>waarom en of het onvermijdelijk is. Door kritisch naar deze zaken te laten kijken</al><al>kunnen we aardig wat paarse krokodillen afschaffen. En het heeft meerwaarde om</al><al>meteen en tegelijkertijd uitvoerders hierbij te betrekken.</al><al>We organiseren in samenspraak met het Sociaal Overleg een cliëntenpanel waarin</al><al>een aantal ervaringsdeskundigen (vrijwilligers) samen met uitvoerders naar de</al><al>procedures kijken met de bedoeling , waar mogelijk, tot vereenvoudiging en</al><al>klantvriendelijkheid te komen.</al><al>Bij beleidsontwikkeling wordt het Sociaal Overleg (raadpleging en advies) en</al><al>afhankelijk van het onderwerp de meest betrokken organisaties geraadpleegd.</al><al><cursief>Besluit 19 Beleidsontwikkeling vindt interactief plaats met sociaal overleg en</cursief></al><al><cursief>meest betrokken organisaties.</cursief></al><al><cursief>Besluit 20 Samen met Sociaal Overleg wordt een cliëntenpanel opgericht dat</cursief></al><al><cursief>betrokken wordt bij uitvoering.</cursief></al><al>22</al><al><vet><cursief>III. Schuldhulpverlening en preventie (besluiten</cursief></vet></al><al><vet><cursief>21 tm 26)</cursief></vet></al><al>Onderzoeksopdracht 12: Vroegsignalering <cursief>Onderzoek hoe de alertheid van uitvoerenden van instellingen en organisaties op het</cursief></al><al><cursief>terrein van vroegtijdige signalering van schulden kan worden verhoogd.</cursief></al><al>Medewerkers in de uitvoering moeten zich bewust worden van de schrijnende</al><al>situaties die problematische schulden uiteindelijk kunnen creëren. Daarnaast tast het</al><al>de stabiele basis aan die nodig is voor het welslagen van een traject. Het is daarom</al><al>van belang dat uitvoerenden kunnen inschatten of schuld problematisch kan worden</al><al>of zich binnen de aflossingsmogelijkheden van de betreffende cliënt bevindt.</al><al>Om de uitvoerenden van de organisaties en instellingen die een rol kunnen spelen in</al><al>het vroegtijdig signaleren van problematische schulden deze vaardigheden bij te</al><al>brengen en ook het besef te geven van het belang deze schulden te melden of op te</al><al>pakken wordt samenwerking gezocht met de Kredietbank Limburg voor een</al><al>voorlichtingsronde aan de organisaties en instanties die een rol kunnen spelen in de</al><al>vroegsignalering.</al><al><cursief>Besluit 21 Er wordt een voorlichtingsprogramma ontwikkeld voor de</cursief></al><al><cursief>uitvoerenden van de relevante instellingen en organisaties ter vergroting van</cursief></al><al><cursief>de alertheid op de aanwezigheid van schulden of risico’s op het ontstaan van</cursief></al><al><cursief>schulden</cursief><cursief>.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 13: Centraal meldpunt <cursief>Onderzoek de meerwaarde en mogelijkheid van een centraal meldpunt.</cursief></al><al>In het conceptbeleidsplan WMO “Niet alleen balen maar zelf meebepalen” wordt</al><al>gepleit voor de realisatie van een Platform Ketenzorg. Hierin participeren alle</al><al>instanties die voor een sluitende aanpak van de doelgroepen (in wezen alle burgers)</al><al>van de WMO kunnen zorgen. Belangrijk is ook dat de eerste lijn in dit overleg wordt</al><al>betrokken hetgeen een praktische insteek gericht op directe uitvoering garandeert.</al><al>Dit platform wordt naast de diverse instanties op OGGZ-vlak ook gevormd door de</al><al>samenwerkende woningcorporaties, en de Kredietbank Limburg waar de</al><al>energiebedrijven zich reeds melden wanneer er betalingsachterstanden zijn.</al><al>Bovendien zal vanuit het Participatiehuis een contactpersoon deelnemen aan dit</al><al>platform (zie opdr.5 “Bureaucratie).</al><al>Gezien het feit dat alle relevante organisaties deelnemen aan het Platform Ketenzorg</al><al>is het logisch om de signalen ook daar te behandelen. De meerwaarde is duidelijk,</al><al>gezien het operationele karakter van het Platform: er kan ter plekke een plan van</al><al>aanpak worden opgesteld.</al><al>Inmiddels zijn er met betrekking tot het voorkomen van huisuitzetting en energieafsluiting</al><al>afspraken met de betreffende partners gemaakt.</al><al><cursief>Besluit 22 Het Platform Ketenzorg te realiseren en uit te nodigen als centraal</cursief></al><al><cursief>meldpunt voor schuldenproblematiek te functioneren.</cursief></al><al>23</al><al>Onderzoeksopdracht 14: Sluitende aanpak door ketensamenwerking <cursief>Onderzoek hoe een sluitende aanpak door verbeterde ketensamenwerking bij</cursief></al><al><cursief>meervoudige problematiek vorm kan worden gegeven. Betrek hierbij de wijze waarop</cursief></al><al><cursief>de ketensamenwerking rond OGGZ gestalte krijgt.</cursief></al><al>In het beleidsplan WMO wordt met betrekking tot de WMO-taakvelden 7,8 en 9,</al><al>waarin zich de “moeilijke” gevallen bevinden met meervoudige problematiek, wordt</al><al>gesteld dat het voor maatschappelijk herstel essentieel is dat er een inkomen is en</al><al>dat schulden worden opgelost en voorkomen. Daarnaast wordt gesteld dat de OGGZ</al><al>doelgroep een activeringsprogramma krijgt aangeboden om de stap naar</al><al>zelfstandigheid en zelfredzaamheid mogelijk te maken.</al><al>Gezien het feit dat de afdeling Werk en Inkomen als partner genoemd wordt is</al><al>deelname aan het Platform een logische optie. Vanuit het Participatiehuis wordt dit</al><al>vorm gegeven.</al><al><cursief>Besluit 23 Er wordt van uit het Participatiehuis namens Werk en Inkomen</cursief></al><al><cursief>actief deelgenomen aan het Platform Ketenzorg om met de daar aanwezige</cursief></al><al><cursief>ketenpartners te komen tot een sluitende aanpak in gevallen van</cursief></al><al><cursief>meervoudige problematiek (onder andere door te werken met vaste</cursief></al><al><cursief>contactpersonen per cliënt.)</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 15: Preventie Onderzoek de wijze waarop preventie het beste gestalte kan krijgen. Betrek hierbij</al><al>aspecten als voorlichting en inzet van cursussen aan doelgroepen (waaronder</al><al>jongeren en gezinnen met kinderen) en combinaties met trajecten.</al><al>Preventie moet zich richten op de groepen die naar verhouding het meest te maken</al><al>kunnen krijgen met problematische schulden. Deze doelgroepen zijn:</al><al>???Jongeren;</al><al>???Gezinnen met een minimuminkomen;</al><al>???Mensen (die instromen) in de WWB;</al><al>???Asielmigranten.</al><al><cursief>Besluit 24 In samenwerking met scholen en de Kredietbank Limburg en Nibud</cursief></al><al><cursief>wordt voorlichting op scholen georganiseerd.</cursief></al><al><cursief>Besluit 25 (nieuwe) Bijstandsgerechtigden wordt zo gauw hier aanleiding toe</cursief></al><al><cursief>is een budgetteringscursus aangeboden als onderdeel van het reïntegratie- of</cursief></al><al><cursief>participatietraject.</cursief></al><al><cursief>Besluit 26 Asielmigranten die door de gemeente een Inburgeringstraject</cursief></al><al><cursief>krijgen aangeboden wordt waar gewenst een budgetteringscursus</cursief></al><al><cursief>aangeboden.</cursief></al><al>24</al><al><vet><cursief>IV. Inkomensondersteunende maatregelen en</cursief></vet></al><al><vet><cursief>terugdringing niet gebruik (besluiten 27 tm 48)</cursief></vet></al><al>Onderzoeksopdracht 16: Inkomensgrens bijzondere bijstand <cursief>Onderzoek de (financiële) gevolgen van het verhogen van de inkomensgrens voor de</cursief></al><al><cursief>bijzondere bijstand van 105 naar 110%. Tevens worden de gevolgen onderzocht van</cursief></al><al><cursief>de verlaging van het eigen bijdragepercentage.</cursief></al><al>Voor financiële gevolgen zie de financiële paragraaf.</al><al>Bijzondere bijstand</al><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten die niet gedragen kunnen worden</al><al>door het inkomen. Bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand wordt gekeken</al><al>naar het vermogen en het inkomen. Als de aanvrager van bijzondere bijstand een</al><al>inkomen heeft tot 105% van het voor de aanvrager geldende bijstandsnorm is er</al><al>volgens het huidige beleid geen draagkracht. Er wordt geen eigen bijdrage van de</al><al>aanvrager verlangd.</al><al>Als er een inkomen is dat hoger is dan de genoemde 105% dan wordt verwacht dat</al><al>de aanvrager een deel van de bijzondere kosten zelf betaald. Deze eigen bijdrage</al><al>wordt vastgesteld middels een draagkrachtberekening en bedraagt 35% van het</al><al>beschikbare inkomen boven de 105% (van het voor de aanvrager geldende</al><al>bijstandsnorm). Dit is het beleid t/m 2007.</al><al>Mapar</al><al>Ook de “tegemoetkoming kosten Maatschappelijke Participatie en aanvulende</al><al>schoolkosten (Mapar)” kent een draagkrachtberekening. De draagkrachtberekening</al><al>verschilt van de berekening van de “normale” bijzondere bijstand. Er wordt ook</al><al>gewerkt met de drempel van 105%. Van het inkomen boven de 105% wordt echter</al><al>alles in aanmerking genomen voor de draagkracht. Dit betekent dat er al snel zoveel</al><al>(berekende) draagkracht is dat er geen bijdrage meer wordt verstrekt.</al><al>Het is wenselijk dat de draagkrachtberekening voor de Mapar-regeling op de zelfde</al><al>wijze wordt uitgevoerd als bij de “normale” bijzondere bijstandbeoordeling.</al><al>Reden verruiming</al><al>Door de verhoging van de inkomensgrens naar 110% wordt het bedrag dat de</al><al>gemeente aan bijzondere bijstand of Mapar verstrekt hoger. Door het eigen</al><al>bijdragepercentage te verlagen van 35% naar 25% (en voor de Mapar-regeling van</al><al>100% naar 25%) wordt de eigen bijdrage van de aanvrager kleiner. Deze beide</al><al>wijzigingen hebben tot gevolg dat aanvragers met een minimaal inkomen een hogere</al><al>bijdrage krijgen aan bijzondere bijstand of Mapar.</al><al><cursief>Besluit 27 De inkomensgrens bijzondere bijstand en regeling</cursief></al><al><cursief>maatschappelijke participatie wordt vastgesteld op 110%.</cursief></al><al><cursief>Besluit 28 Het eigen bijdrage percentage wordt vastgesteld op 25%</cursief></al><al>25</al><al>Onderzoeksopdracht 17: Maatschappelijke participatie door kinderen <cursief>Onderzoek de wijze waarop beter vorm kan worden gegeven aan de</cursief></al><al><cursief>maatschappelijke participatie door kinderen die in armoedesituaties leven (zonder</cursief></al><al><cursief>dat dit tot stigmatisering leidt)</cursief></al><al>Algemeen</al><al>De regeling maatschappelijke participatie (Mapar) is vormgegeven om de</al><al>maatschappelijke participatie te bevorderen van kinderen die in een gezin leven dat</al><al>van een minimum inkomen moet rondkomen. Hiertoe wordt voor de volgende kosten</al><al>een tegemoetkoming verstrekt:</al><al>lidmaatschap sportvereniging,</al><al>sportkleding</al><al>abonnement kindertijdschrift</al><al>bezoek theater of muziekoptreden</al><al>schoolbijdrage (extra leermiddelen of schoolreisje)</al><al>Voor kinderen in het basisonderwijs bedraagt de bijdrage max. €91,=.</al><al>Voor kinderen in het voortgezet onderwijs bedraagt de bijdrage max. €160,=</al><al>Van deze regeling is in 2006 door 428 gezinnen gebruik gemaakt. De Mapar wordt</al><al>per kind verstrekt. Binnen een gezin kunnen dus meerdere bedragen worden</al><al>toegekend. In totaal is €116.732, = uitgekeerd.</al><al>Uitbreiding en aanvulling</al><al>De regeling is duidelijk en de genoemde kosten waarvoor een vergoeding kan</al><al>worden aangevraagd komen de doelgroep ten goede. Gezien het aantal gezinnen</al><al>dat is ondersteund kan worden vastgesteld dat niet iedereen die recht heeft op deze</al><al>voorziening hiervan gebruik maakt. In het WWB bestand alleen al bevinden zich 590</al><al>alleenstaande ouders en een onbekend aantal gezinnen met kinderen. Daarnaast</al><al>zijn er nog de gezinnen met kinderen die geen uitkering ontvangen maar ook een</al><al>minimuminkomen hebben. Veel aandacht zal dus moeten gaan naar het bereiken</al><al>van de doelgroep.</al><al>Verhogen van de efficiency bij de uitvoering van deze regeling</al><al>Om het gebruik van deze regeling te bevorderen moet het mogelijk zijn de doelgroep</al><al>actief te benaderen door bestandsanalyse. Hierdoor is het mogelijk om het gebruik</al><al>van deze regeling door cliënten van de afdeling Werk en Inkomen te verhogen.</al><al>Ambtshalve vervolgtoekenning kan ook ingevoerd worden: wanneer een persoon</al><al>reeds Mapar heeft ontvangen en er geen wijzigingen in de omstandigheden zijn zou</al><al>dit van toepassing moeten zijn.</al><al>Samenwerking Stichting Leergeld WM</al><al>Deze stichting verstrekt een bijdrage voor de zelfde kosten als waarvoor de Mapar is</al><al>bedoeld. Het verschil is dat Stichting Leergeld ook een bijdrage verstrekt aan</al><al>mensen die niet (geheel) aan de voorwaarden van de Mapar voldoen, maar waar</al><al>toch sprake is van een schrijnend geval of een noodsituatie. Doordat met een groep</al><al>vrijwilligers wordt gewerkt die zich alleen met deze taak bezig houden is deze</al><al>verregaande individualisering mogelijk. Mapar blijft echter een voorliggende</al><al>voorziening waar de stichting naar verwijst indien van toepassing. Stichting Leergeld</al><al>wordt door de gemeente ondersteund (in 2006 met €17.000). Ieder jaar vindt overleg</al><al>plaats met de stichting over de ondersteuning (binnen het financiële kader van het</al><al>armoedebeleid).</al><al>Uit overleg met de Stichting is verder naar voren gekomen dat de afstemming met de</al><al>gemeente verbeterd kan worden door aanwijzing van een vast contactpersoon die</al><al>26</al><al>signalen vanuit de stichting kan oppakken en zorg kan dragen voor een doeltreffende</al><al>afhandeling.</al><al><cursief>Besluit 29: Actievere benadering van de doelgroep wordt mogelijk gemaakt</cursief></al><al><cursief>door de bestandsanalyse.</cursief></al><al><cursief>Besluit 30 Er wordt een systeem van ambtshalve vervolgtoekenning</cursief></al><al><cursief>ingevoerd.</cursief></al><al><cursief>Besluit 31 Er wordt een vast contactpersoon bij afdeling Werk en Inkomen</cursief></al><al><cursief>voor de stichting Leergeld (en andere partners).</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 18: Terugdringing niet-gebruik <cursief>Onderzoek de mogelijkheden tot terugdringen van het niet-gebruik; betrek hierbij in</cursief></al><al><cursief>elk geval de aspecten:</cursief></al><al>???<cursief>categoriale toekenning;</cursief></al><al>???<cursief>training en ondersteuning medewerkers;</cursief></al><al>???<cursief>bestandskoppeling;</cursief></al><al>???<cursief>productencatalogus voor medewerkers en intermediairs;</cursief></al><al>???<cursief>verstrekkingen via intermediairs.</cursief></al><al><vet><cursief>Categoriale toekenning van (bijzondere) bijstand</cursief></vet></al><al>De gemeente toegepast verstrekt daar waar de wet dat expliciet toestaat op</al><al>categoriale basis bijzondere bijstand. Het gaat dan om de groepen ouderen en</al><al>chronisch zieken en gehandicapten. Voor het overige mag er slechts bijzondere</al><al>bijstand worden verstrekt op individuele basis. Dat betekent dat iedere aanvraag</al><al>apart dient te worden beoordeeld en dat de kosten waarvoor bijstand wordt</al><al>aangevraagd aantoonbaar zijn.</al><al>De verstrekking op individuele basis heeft het voordeel dat het geld dat toegekend</al><al>direct terug te voeren is op werkelijk gemaakte kosten en dus terecht is uitgekeerd.</al><al>Het nadeel echter is dat het zeer arbeidsintensief is terwijl er gevallen voor te stellen</al><al>zijn waarin de vaststelling van de noodzaak en het recht op bijzondere bijstand</al><al>eenvoudiger vast te stellen is.</al><al>Deze eenvoudige wijze gebeurt op basis van groepskenmerken. Dit houdt in dat een</al><al>bepaalde groep wordt geacht om bepaalde kosten te hebben. Wanneer iemand</al><al>voldoet aan de groepskenmerken dan wordt ook aangenomen dat hij de daaraan</al><al>verbonden kosten heeft gemaakt of zal maken.</al><al>De eerdergenoemde Mapar-regeling lijkt op de verstrekking van categoriale</al><al>bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken. Het gaat namelijk om ouders met</al><al>kinderen waarvan aangenomen wordt dat ze extra kosten hebben die te maken</al><al>hebben met de school of (sport)activiteiten van de kinderen. Het enige waarin de</al><al>Mapar verschilt van categoriale bijzondere bijstand is dat er betaald wordt op basis</al><al>van offertes en facturen.</al><al>Gezien het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” van het</al><al>armoedebeleid voor 2008 is het wenselijk om de Mapar alle kenmerken te geven van</al><al>een categoriale bijzondere bijstandsverstrekking op basis van groepskenmerken. Dit</al><al>houdt in dat mensen in de bijstand die schoolgaande kinderen hebben automatisch</al><al>de Mapar-uitkering krijgen. Dit leidt tot 100% gebruik door de doelgroep binnen het</al><al>WWB-bestand, het vermindert de bureaucratische belasting zowel bij de aanvrager</al><al>als casemanager, geeft invulling aan het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en</al><al>armoede” en is mogelijk op grond van de wet.</al><al>27</al><al>Ook gezinnen met kinderen die geen WWB ontvangen maar wel een inkomen op</al><al>bijstandsniveau hebben profiteren hiervan. Ook voor hun zal de aanvraagprocedure</al><al>vereenvoudigen door het wegvallen van de verplichting om bonnetjes en offertes te</al><al>overleggen.</al><al>Dit wordt ondersteund door de uitkomst van de armoedebijeenkomsten waarin de</al><al>Mapar-regeling wordt genoemd als een goede regeling om de doelgroep te bereiken,</al><al>mede ook omdat deze regeling relatief grote bekendheid in de doelgroep geniet. Wel</al><al>werd aangegeven dat de Mapar-bedragen in geen verhouding staan tot de werkelijke</al><al>kosten die schoolgaande kinderen met zich meebrengen.</al><al>Het is dus het meest efficiënt om de bestaande Mapar-regeling om te bouwen tot een</al><al>categoriale bijzondere bijstandsregeling en af te zien van het invoeren van een</al><al>nieuwe regeling. Het is daarmee wel gerechtvaardigd om de maximaal uit te keren</al><al>bedragen te verhogen. Een verhoging naar €150,= voor kinderen in het</al><al>basisonderwijs en €265,= voor kinderen in het voortgezet onderwijs is op zijn plaats.</al><al><cursief>Besluit 32 Gelet op het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede”</cursief></al><al><cursief>van het armoedebeleid voor 2008 wordt de regeling Mapar uitgevoerd in de</cursief></al><al><cursief>vorm van een categoriale bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken</cursief></al><al><cursief>Besluit 33 De bedragen op basis van de Mapar-regeling worden verhoogd</cursief></al><al><cursief>van €91,= naar 150,= voor kinderen in het basisonderwijs en van €160,= naar</cursief></al><al><cursief>€265,= voor kinderen in het voortgezet onderwijs.</cursief></al><al><vet><cursief>Productencatalogus voor cliënten, medewerkers en intermediairs</cursief></vet></al><al>“Onbekend maakt ongebruikt”, is in het kader van deze onderzoeksopdracht een</al><al>toepasselijke variant op het bekende spreekwoord. Uit onderzoek blijkt dat er altijd</al><al>een hoeveelheid burgers blijft die niet op de hoogte is van de</al><al>inkomensondersteunende maatregelen die er zijn (binnen een gemeente). Het kost</al><al>veel inspanning om iedereen te bereiken die mogelijk tot de doelgroep van deze</al><al>regelingen behoort. Wat echter verbazing wekt is dat er ook maatschappelijke</al><al>instellingen zijn die niet op de hoogte zijn van het arsenaal van regelingen en</al><al>voorzieningen. Het idee is dat een productencatalogus waar alle gemeentelijke</al><al>regelingen, maar ook landelijke mogelijkheden tot inkomensondersteuning een</al><al>effectief instrument kan zijn in het bekend maken van de mogelijkheden bij zowel de</al><al>burger als de maatschappelijke organisaties en de intermediars die op hun beurt</al><al>contacten hebben in de samenleving.</al><al>Bij de hier voorgestelde productencatalogus wordt gedacht aan een internetpagina</al><al>die wordt toegevoegd aan de gemeentelijke internetsite en die geheel wordt gewijd</al><al>aan armoedebestrijding en inkomensondersteunende regelingen. Hierbij beperken</al><al>we ons niet tot gemeentelijke regelingen maar nemen we ook voorliggende of</al><al>aanvullende landelijke regelingen op of verwijzen daarnaar (mét een duidelijke uitleg</al><al>of gebruiksaanwijzing). Ook kunnen we informatie geven over intermediairs waar de</al><al>gemeente mee samenwerkt.</al><al>Ook zal deelgenomen aan de internetsite www.berekenuwrecht.nl. Op deze site kan</al><al>de burger berekenen welke financiële ondersteuning hij kan krijgen van landelijke en</al><al>gemeentelijke organisaties.</al><al>Op dit moment verspreidt de afdeling Werk en Inkomen een cliëntinformatiebrief</al><al>onder WWB-ontvangers, intermediairs en via openbare instellingen zoals</al><al>bibliotheken en gemeenteloketten. Deze cliëntinformatiebrief wordt integraal</al><al>opgenomen op de internetpagina maar de papieren versie blijft bestaan naast de</al><al>28</al><al>internetpagina. Deze twee informatie-instrument kunnen naar elkaar verwijzen en</al><al>elkaars effect versterken.</al><al>Door middel van links op de gemeentelijke internetpagina kan ook worden verwezen</al><al>naar de sites van maatschappelijke organisaties. De doelgroep die we voor de</al><al>informatie die we op de pagina verstrekken voor ogen hebben zijn de burgers, maar</al><al>duidelijk ook alle intermediairs die daardoor op hun beurt geïnformeerd en</al><al>“bijgeschoold” worden voor een optimale dienstverlening naar hun doelgroepen. De</al><al>pagina zal de mogelijkheid bieden om aanvraagformulieren te downloaden. Ook</al><al>zullen er duidelijke aanwijzingen voor het invullen ervan. Ook zal het mogelijk worden</al><al>gemaakt via deze internetpagina aanvragen te doen.</al><al>Naast aandacht voor informatie op inkomensondersteunend vlak is het ook mogelijk</al><al>op dit medium uit te breiden met informatie over reïntegratie of participatie. Daarbij</al><al>valt te denken aan vacatures op het gebied van werkervaringsplaatsen, werk met</al><al>behoud van uitkering of vrijwilligerswerk.</al><al><cursief>Besluit 34 Aan de gemeentelijke internetsite wordt een pagina toegevoegd</cursief></al><al><cursief>die gewijd is aan participatie, armoedebestrijding cq. Inkomensondersteuning;</cursief></al><al><cursief>een productencatalogus voor cliënten, intermediairs en medewerkers.</cursief></al><al><cursief>Ook zal gebruik worden gemaakt van de internetsite www.berekenuwrecht.nl</cursief></al><al><vet><cursief>Zorgintake</cursief></vet></al><al>Bij de aanvraag van een WWB-uitkering wordt er veel aandacht besteed aan het feit</al><al>of de aanvrager recht heeft op de uitkering. De aanvrager moet bewijsstukken</al><al>overhandigen ter beoordeling van dit recht. Daarnaast wordt ook aandacht besteed</al><al>aan de mogelijkheid van reïntegratie. Hiertoe worden diagnostische instrumenten</al><al>ingezet zoals Work First bij Vixia (nu via het Transferium, straks via het</al><al>Participatiehuis dan wel het Mobiliteitscentrum). Wij stellen voor om naast de</al><al>aandacht die besteed wordt aan inkomens- en reïntegratieaspecten ook een aan de</al><al>zorgbehoefte te bepalen. Deze zorg”intake”, die geen aparte intake is maar een</al><al>integraal onderdeel van de aanvraagbehandeling, moet een beeld geven van de</al><al>behoefte aan ondersteuning van de aanvrager. Dit kan financieel zijn, met</al><al>bijvoorbeeld verstrekking van bijzondere bijstand of het kan een doorverwijzing zijn</al><al>naar de Kredietbank. Daarnaast kan het ook zijn dat door de verandering van werk</al><al>naar uitkering de fiscale situatie gewijzigd is en toeslagen dienen te worden</al><al>aangevraagd of stopgezet. De casemanager kan de cliënt vervolgens gericht</al><al>verwijzen en de uitkomst daarvan monitoren. Wanneer de cliënt ook een traject gaat</al><al>volgen in het participatiehuis zal de zorgmanager de vervolgacties coördineren.</al><al>De zorgaspecten worden op dit moment niet in beschouwing genomen bij een</al><al>uitkeringsaanvraag. Het is echter belangrijk dat we een goed beeld krijgen van deze</al><al>aspecten omdat ze een belemmerende factor kunnen vormen in traject naar</al><al>uitstroom.</al><al>De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt toegevoegd aan de</al><al>behandeling van de WWB-aanvraag.</al><al><cursief>Besluit 35 De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt (stelselmatig)</cursief></al><al><cursief>toegevoegd aan de behandeling van de WWB-aanvraag.</cursief></al><al>29</al><al><vet><cursief>Gecombineerde aanvraagformulieren</cursief></vet></al><al>Wanneer een persoon een aanvraag bijzondere bijstand doet zijn er wellicht ook</al><al>andere voorzieningen waarvoor hij in aanmerking komt. Een gecombineerd</al><al>aanvraagformulier vestigt de aandacht op de overige inkomensondersteunende</al><al>maatregelen die de gemeente te bieden heeft. In het combinatieformulier worden ook</al><al>andere regelingen opgenomen zoals <cursief>kwijtschelding gemeentelijke belastingen</cursief>. Om</al><al>een indruk van de vormgeving te geven: De belastingdienst heeft formulieren die via</al><al>een stroomschema aangeeft voor welke toeslagen je in aanmerking komt.</al><al>Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee meerdere</al><al>voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke regelingen die niet</al><al>door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd worden daarin opgenomen.</al><al><cursief>Besluit 36 Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee</cursief></al><al><cursief>meerdere voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke</cursief></al><al><cursief>regelingen die niet door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd</cursief></al><al><cursief>worden daarin opgenomen.</cursief></al><al><vet><cursief>Eén aanspreekpunt voor de intermediairs</cursief></vet></al><al>Vanuit de intermediairs wordt regelmatig de klacht geuit dat ze niet weten bij welke</al><al>casemanager ze terecht kunnen voor vragen of problemen. Hierdoor ontstaat een</al><al>drempel die de samenwerking niet ten goede komt en per definitie niet goed is voor</al><al>de dienst- of hulpverlening aan de burger. Eerder is al geadviseerd om de stichting</al><al>Leergeld een vaste contactpersoon binnen de gemeente te geven. Dit advies is van</al><al>toepassing zijn voor alle intermediairs. De contactpersoon fungeert als eerste</al><al>aanspreekpunt en kan indien van toepassing het contact leggen met een</al><al>casemanager van de afdeling Werk en Inkomen als het een cliënt betreft.</al><al><cursief>Besluit 37 Alle intermediairs van partners krijgen een vast contactpersoon</cursief></al><al><cursief>binnen de afdeling Werk en Inkomen.</cursief></al><al><vet><cursief>Verstrekking via intermediairs</cursief></vet></al><al>In het verlengde van het vorige punt is het wenselijk om de gemeentelijke</al><al>contactpersoon een snelfonds of spoedbudget ter beschikking te stellen. Hieruit kan</al><al>geput worden wanneer er actuele hulpvragen zijn waar de intermediair mee komt.</al><al>Een paar voorbeelden: Geld voor een legitimatiebewijs om een aanvraag mogelijk te</al><al>maken, geld voor een set “nette kleren” voor een sollicitatie, of voor een</al><al>tandartsbehandeling voor hetzelfde doel, borg voor de huur van een kamer, geld</al><al>voor een (tweedehands) fiets om naar het werk/opleiding/reïntegratietraject te</al><al>kunnen gaan.</al><al>Het gaat hier om zaken waar misschien ook bijzonder bijstand kan worden</al><al>aangevraagd maar waarvoor de procedure te lang duurt waarmee de verstrekking te</al><al>laat komt. De gemeentelijke contactpersoon zal aan de hand van voorschriften</al><al>werken en altijd de afweging moeten maken tussen noodzaak, spoedeisendheid en</al><al>de mogelijkheid “regulier” bijzondere bijstand aan te vragen. Uitgangspunt is dat met</al><al>het snelfonds/spoedbudget pragmatisch, doeltreffend en dus vooral snel gewerkt</al><al>wordt en daarmee probleemdoorbrekend is.</al><al><cursief>Besluit 38 Aan de gemeentelijke contactpersoon voor intermediairs wordt een</cursief></al><al><cursief>budget ter beschikking gesteld waaruit in spoedgevallen geld verstrekt kan</cursief></al><al><cursief>worden op aanwijzing van de intermediairs.</cursief></al><al>30</al><al><vet><cursief>Onderzoek</cursief></vet></al><al><cursief>Besluit 39 Aan een onderzoeks- en adviesbureau wordt de opdracht gegeven</cursief></al><al><cursief>een doelgroepenonderzoek uit te voeren; de doelgroep wordt aangeschreven</cursief></al><al><cursief>en gewezen op hun rechten.</cursief></al><al><vet><cursief>Ontbureaucratisering</cursief></vet></al><al>Er is bij de hiervoor besproken onderwerpen al aandacht aan besteed: acties die de</al><al>procedures eenvoudiger maken. Onder de kop “Ontbureaucratisering” willen we deze</al><al>acties nog eens op een rij zetten en aanvullen.</al><al>???vereenvoudiging van formulieren;</al><al>???meervoudige uitvraag voorkomen (niet telkens weer de zelfde gegevens</al><al>moeten tonen);</al><al>???ambtshalve vervolgtoekenning verstrekken bij ongewijzigde situatie;</al><al>???gebruik maken van bestandsanalyses waardoor actieve benadering van</al><al>de doelgroep mogelijk is;</al><al>???bestanden koppelen waardoor het gebruik van de ene voorziening leidt</al><al>tot de verstrekking van de andere voorziening die van toepassing is.</al><al><cursief>Besluit 40 aanvraagformulieren worden vereenvoudigd</cursief></al><al><cursief>Besluit 41 meervoudige uitvraag wordt voorkomen (niet telkens weer de</cursief></al><al><cursief>zelfde gegevens hoeven te worden getoond)</cursief></al><al><cursief>Besluit 42 ambtshalve vervolgtoekenning wordt toegepast bij ongewijzigde</cursief></al><al><cursief>situatie</cursief></al><al><cursief>Besluit 43 er wordt gebruik gemaakt van bestandsanalyses waardoor actieve</cursief></al><al><cursief>benadering van de doelgroep mogelijk is</cursief></al><al><cursief>Besluit 44 bestanden worden gekoppeld waardoor gebruik van een</cursief></al><al><cursief>voorziening kan leiden tot ingang naar een andere voorziening.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 19: Ondersteuning na uitstroom <cursief>Onderzoek een wijze waarop cliënten die uitstromen uit de uitkering waar</cursief></al><al><cursief>noodzakelijk nog ondersteuning kunnen krijgen.</cursief></al><al>Voor mensen met een uitkering op minimumniveau is het vaak balanceren om rond</al><al>te komen. Mensen met een WWB uitkering kunnen zich voor hulp daarbij nog</al><al>wenden tot hun casemanager die kennis heeft van inkomensondersteunende</al><al>regelingen en kan assisteren bij het aanvragen daarvan. Mensen die uitstromen uit</al><al>de uitkering krijgen te maken met een wijziging die invloed heeft op deze delicate</al><al>financiële balans. Wanneer je werk krijgt wijzigen er namelijk veel dingen en een</al><al>groot deel daarvan ligt op het financiële vlak. Natuurlijk wordt er meer verdient</al><al>(hoewel dit in de categorie banen waar bijstandsgerechtigden naar uitstromen vaak</al><al>tegenvalt), maar er zijn ook vergoedingen die verminderen of zelfs weg kunnen</al><al>vallen. Denk daarbij aan huurtoeslag, zorgtoeslag en andere inkomensafhankelijke</al><al>vergoedingen. Ook zijn er financiële toeslagen die aangevraagd moeten worden.</al><al>Wanneer er kinderen zijn moet kinderopvang geregeld worden en vergoedingen in</al><al>het kader van de Wet Kinderopvang (WKO) geregeld worden. Verder “kost” werken</al><al>ook geld: er worden eisen gesteld aan kleding en presentatie en er zijn reiskosten.</al><al>31</al><al>Kortom: genoeg wijzigingen die de balans kunnen verstoren. Dit is extra bedreigend</al><al>omdat de doelgroep (over het algemeen) niet over een reserve beschikt om</al><al>financiële tegenslagen op te vangen. Daarnaast ontbreken vaak de kennis en</al><al>vaardigheden om aanspraak te maken op de financiële voorzieningen voor</al><al>werkenden of om bureaucratische hindernissen te nemen. Daarom is het wenselijk</al><al>om voor de uitstromers een contactpersoon aan te wijzen die bij bovengenoemde</al><al>zaken ondersteuning kan bieden indien gevraagd of ook zelf actief informeert naar</al><al>de stand van zaken. Deze contactpersoon kan zijn taak in ieder geval beginnen met</al><al>een exitgesprek waarin de uitstromer op de hoogte wordt gesteld van alle (financiële)</al><al>gevolgen en (fiscale) mogelijkheden van de nieuwe situatie. Hiervoor zal een</al><al>werkinstructie worden ontwikkeld en mogelijk een brochure.</al><al>De contactpersoon kan iemand van de gemeente zijn maar kan ook in het kader van</al><al>nazorg door het reïntegratiebureau worden verzorgd wanneer de uitstromer na het</al><al>volgen van een traject een baan heeft gevonden.</al><al>Effectieve nazorg voorkomt financiële problemen door de gewijzigde</al><al>inkomenssituatie en vergroot de kans op een succesvolle reïntegratie.</al><al>Goede nazorg hoort deel uit te maken van een goed reïntegratiebeleid.</al><al><cursief>Besluit 45 Aan uitstromers uit bijstand wordt nazorg geboden door bij</cursief></al><al><cursief>reïntegratie een contactpersoon aan te wijzen die ondersteuning biedt in de</cursief></al><al><cursief>gewijzigde inkomenssituatie.</cursief></al><al>Onderzoeksopdracht 20: Verstrekkingen in natura <cursief>Onderzoek de mogelijkheden van verstrekkingen in natura.</cursief></al><al>Wanneer momenteel iemand met een minimuminkomen of minimumuitkering een</al><al>aanvraag doet voor bijzondere bijstand voor bijvoorbeeld een wasmachine of</al><al>woninginrichting wordt de Kredietbank Zuid Limburg als voorliggende voorziening</al><al>gezien. De aanvrager wordt daar naartoe verwezen om een lening aan te vragen</al><al>voor de aanschaf van de benodigde spullen, al dan niet met een borgstelling van de</al><al>afdeling Werk en Inkomen.</al><al>We willen de cliënt echter ook een alternatief bieden waardoor er geen lening hoeft</al><al>te worden afgesloten. Hiervoor schakelen we het kringloopcentrum BIS-BIS in. Het</al><al>kringloopcentrum kan een belangrijke rol spelen in het verstrekken van goederen in</al><al>natura zonder dat het de betrokkene geld kost. Te denken valt aan witgoed of</al><al>woninginrichting.</al><al>Een andere vorm van verstrekking in natura waar het kringloopcentrum een rol kan</al><al>spelen is een computerproject. BIS-BIS kan actief bedrijven benaderen met het</al><al>verzoek om overtollige computers, of computers die vervangen worden bij hun in te</al><al>leveren. Deze computers kunnen vervolgens aan de “doelgroepen” worden verstrekt.</al><al>Dit project komt bijvoorbeeld kinderen in een armoedesituatie ten goede.</al><al>Uitgangspunt is om deze regeling zonder kosten voor de gemeente of de cliënt uit te</al><al>voeren. Om dit te bewerkstelligen zal met BIS-BIS gekeken worden of er afspraken</al><al>gemaakt kunnen worden over de inzet van maatschappelijke arbeid waaraan voor</al><al>BIS-BIS geen kosten verbonden zijn.</al><al>Verstrekking in natura hoeft niet materieel te zijn. Het kunnen ook diensten zijn. Een</al><al>project dat onder andere in het kader van de arbeidstoeleiding door PIW, Zo Wonen,</al><al>CBB en de gemeente is opgezet is de klussendienst “Wel Zo Handig. Deze</al><al>32</al><al>klussendienst heeft als doel dienstverlening te beiden aan ouderen, (chronisch)</al><al>zieken en gehandicapten waardoor deze langer zelfstandig kunnen blijven wonen.</al><al>Deze doelgroep kan uitgebreid worden met mensen met een minimuminkomen. De</al><al>bedoeling is dat hiertoe dienstencheques worden uitgegeven onder de doelgroepen.</al><al>Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van verstrekking in</al><al>natura voor minima te laten ontwikkelen; bovendien wordt Kringloopcentrum BIS-BIS</al><al>gevraagd een computerproject te laten opzetten;</al><al>Daarnaast wordt PIW verzocht een systeem van diensten voor minima van</al><al>klussendienst Wel Zo Handig te laten ontwikkelen.</al><al><cursief>Besluit 46 Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van</cursief></al><al><cursief>verstrekking in natura voor minima te laten ontwikkelen als keuze optie voor</cursief></al><al><cursief>het aangaan van leningen voor duurzame goederen.</cursief></al><al><cursief>Besluit 47 Kringloopcentrum BIS-BIS uit te nodigen een computerproject voor</cursief></al><al><cursief>minima te laten opzetten.</cursief></al><al><cursief>Besluit 48 PIW uit te nodigen een systeem van diensten voor minima van</cursief></al><al><cursief>klussendienst Wel Zo Handig te laten ontwikkelen.</cursief></al><al>33</al><al><vet><cursief>Beslispuntenoverzicht per</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Hoofdopdracht/Onderzoeksopdracht</cursief></vet></al><lijst><li nr="0."><al>Uitgangspunten van beleid Beslispunt</al></li><li nr="1."><al>De uitgangspunten van armoedebeleid zijn:</al></li></lijst><al>???De burger wordt met respect en vertrouwen tegemoet getreden</al><al>???Misbruik wordt aangepakt</al><al>???Maatwerk moet leiden tot zelfredzaamheid</al><al>???Geen betutteling</al><al>???Voorkomen is beter dan genezen</al><al>???Deregulering en laagdrempeligheid</al><al>???Prioriteit voor kinderen in armoede</al><al>???Integraliteit met andere beleidsvelden en met het uitgangspunt van</al><al>wijkgericht werken</al><al>???Rijksbeleid: waar het rijk weer verantwoordelijkheid op pakt kan de</al><al>gemeente terug treden</al><al>???Werk en participatie: participatie als regulier werk niet haalbaar is.</al><lijst><li nr="I."><al>Participatie Beslispunten</al><lijst><li nr="2."><al>Er wordt een “huis van de participatie” opgericht voor alle burgers voor wie</al></li></lijst></li></lijst><al>de afstand naar werk nog te groot is.</al><al>Het participatiehuis is gericht op diverse vormen van participatie en heeft een</al><al>gestructureerde aanpak van multi-problematiek in haar methodiek.</al><al>3.Er wordt een methodiek ontwikkeld waarbij na een competentie aan de hand</al><al>van een persoonlijk plan van aanpak vorm wordt gegeven aan actieve</al><al>participatie gecombineerd met zorgcoaching door een vaste participatiecoach.</al><al>Voor bijzondere doelgroepen worden specifieke methodes gehanteerd</al><al>4.In het kader van de gewenste ontkokering is niet bepalend de regeling</al><al>waaronder iemand valt maar de mogelijkheden en beperkingen in relatie tot</al><al>arbeidsmarkt en actieve participatie.</al><al>5.Vanuit het Participatiehuis wordt actief met de keten van wonen welzijn en</al><al>zorg en de keten van sociale zekerheid samen gewerkt; Een zelfde functie</al><al>heeft het naar stadsdeelmanagement en projecten in de wijk (wijkgericht</al><al>werken).</al><al>6.de opdracht aan het Participatiehuis is de zelfredzaamheid maximaal te</al><al>vergroten en te investeren in ontplooiïng van de deelnemer.</al><al>Participeren kan op zeer diverse niveaus.</al><al>Steeds opnieuw wordt bezien of een volgende trede op de “ladder van</al><al>participatie” kan worden bestegen.</al><al>34</al><al>7.Er wordt gestreefd naar een excellente vorm van dienstverlening. De</al><al>voorziening is er voor de burger en niet andersom. De 10 uitgangspunten van</al><al>beleid worden uitdrukkelijk gehanteerd.</al><al>8.Binnen het Participatiehuis wordt actief samengewerkt met actoren in de</al><al>zorg- en welzijnsketen, met partners in de sociale zekerheid en met</al><al>maatschappelijke instellingen die een rol spelen in het armoedebeleid.</al><al>9.Gelet op de samenhang met andere beleidsterreinen waar de gemeente een</al><al>verantwoordelijkheid heeft neemt de gemeente de regie, inrichting en</al><al>aansturing van het Participatiehuis op zich.</al><al>10. Het Participatiehuis wordt opgezet als een voorziening in het kader van</al><al>reïntegratie en participatie (Werkdeel). Voor deelnemers vanuit andere</al><al>instanties wordt een trajectprijs gehanteerd.</al><al>I.Bureaucratie Beslispunten</al><al>11. Met de ketenpartners in de zorg wordt afgesproken dat steeds een</al><al>functionaris van een partij binnen de keten hoofdverantwoordelijk voor een</al><al>cliënt is; deze is aanspreekpunt en procesbewaker en intervenieert waar</al><al>nodig.</al><al>12. Bij wijze van experiment is het vooralsnog gedurende een periode van een</al><al>jaar mogelijk dat een door particulier initiatief werkende maatschappelijke</al><al>organisatie de taak van intensieve begeleiding op zich neemt; specifiek</al><al>maatwerk voor bijzondere situaties.</al><al>13. Het College kiest er voor de gewenste inzet op zorgtaken te laten verlopen</al><al>via het Participatiehuis.</al><al>14. De boodschap die besloten ligt in de geformuleerde uitgangspunten wordt</al><al>geïmplementeerd via een opleidings- en trainingsschema. In het kader van</al><al>“permanente educatie” worden missie, doelen en klantbejegening vast</al><al>onderdeel van teamoverleg en casusbespreking.</al><al>Missie en nieuwe uitgangspunten worden ook bij medewerkers en</al><al>management van de andere instellingen onder de aandacht gebracht.</al><al>15. Er wordt voor gekozen dat actieve deelname aan de netwerken gebeurt</al><al>vanuit het Participatiehuis (namens Werk &amp; Inkomen).</al><al>Er worden vaste contactpersonen benoemd binnen de afdeling Werk &amp;</al><al>Inkomen.</al><al>16. Bestandskoppeling en maximaal gebruik van internet: dit wordt op Zuid</al><al>Limburgse schaal opgepakt via een specialistisch bureau.</al><al>17. Een digitale sociale kaart wordt vormgegeven met gebruikmaking van de</al><al>internet site van de gemeente.</al><al>18. Er wordt ingehaakt op de ontwikkeling van het landelijke Digitale Klant</al><al>Dossier.</al><al>35</al><al>19. Beleidsontwikkeling vindt interactief plaats met sociaal overleg en meest</al><al>betrokken organisaties.</al><al>20. Samen met Sociaal Overleg wordt een cliëntenpanel opgericht dat betrokken</al><al>wordt bij uitvoering.</al><al>I.Schuldhulpverlening en preventie Beslispunten</al><al>21. Er wordt een voorlichtingsprogramma ontwikkeld voor de uitvoerenden van</al><al>de relevante instellingen en organisaties ter vergroting van de alertheid op de</al><al>aanwezigheid van schulden of risico’s op het ontstaan van schulden</al><al>22. Het Platform Ketenzorg te realiseren en uit te nodigen als centraal meldpunt</al><al>voor schuldenproblematiek te functioneren.</al><al>23. Er wordt van uit het Participatiehuis namens Werk en Inkomen actief</al><al>deelgenomen aan het Platform Ketenzorg om met de daar aanwezige</al><al>ketenpartners te komen tot een sluitende aanpak in gevallen van</al><al>meervoudige problematiek (onder andere door te werken met vaste</al><al>contactpersonen per cliënt.)</al><al>24. In samenwerking met scholen en de Kredietbank Limburg en Nibud wordt</al><al>voorlichting op scholen georganiseerd.</al><al>25. (nieuwe) Bijstandsgerechtigden wordt zo gauw hier aanleiding toe is een</al><al>budgetteringscursus aangeboden als onderdeel van het reïntegratie- of</al><al>participatietraject.</al><al>26. Asielmigranten die door de gemeente een Inburgeringstraject krijgen</al><al>aangeboden wordt waar gewenst een budgetteringscursus aangeboden.</al><al>IV. Inkomensondersteunende maatregelen en terugdringing niet gebruik Beslispunten</al><al>27. De inkomensgrens bijzondere bijstand en regeling maatschappelijke</al><al>participatie wordt vastgesteld op 110%.</al><al>28. Het eigen bijdrage percentage wordt vastgesteld op 25%</al><al>29. Actievere benadering van de doelgroep wordt mogelijk gemaakt door de</al><al>bestandsanalyse.</al><al>30. Er wordt een systeem van ambtshalve vervolgtoekenning ingevoerd.</al><al>31. Er wordt een vast contactpersoon bij afdeling Werk en Inkomen voor de</al><al>stichting Leergeld (en andere partners).</al><al>32. Gelet op het uitgangspunt “Aandacht voor kinderen en armoede” van het</al><al>armoedebeleid voor 2008 wordt de regeling Mapar uitgevoerd in de vorm van</al><al>een categoriale bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken</al><al>36</al><al>33. De bedragen op basis van de Mapar-regeling worden verhoogd van €91,=</al><al>naar 150,= voor kinderen in het basisonderwijs en van €160,= naar €265,=</al><al>voor kinderen in het voortgezet onderwijs.</al><al>34. Aan de gemeentelijke internetsite wordt een pagina toegevoegd die gewijd is</al><al>aan participatie, armoedebestrijding cq. Inkomensondersteuning; een</al><al>productencatalogus voor cliënten, intermediairs en medewerkers. Ook zal</al><al>gebruik worden gemaakt van de internetsite www.berekenuwrecht.nl</al><al>35. De inventarisatie van de zorgbehoefte wordt (stelselmatig) toegevoegd aan</al><al>de behandeling van de WWB-aanvraag.</al><al>36. Er wordt een aanvraagformulier in gebruik genomen waarmee meerdere</al><al>voorzieningen kunnen worden aangevraagd. Ook gemeentelijke regelingen</al><al>die niet door de afdeling Werk en Inkomen worden uitgevoerd worden daarin</al><al>opgenomen.</al><al>37. Alle intermediairs van partners krijgen een vast contactpersoon binnen de</al><al>afdeling Werk en Inkomen.</al><al>38. Aan de gemeentelijke contactpersoon voor intermediairs wordt een budget ter</al><al>beschikking gesteld waaruit in spoedgevallen geld verstrekt kan worden op</al><al>aanwijzing van de intermediairs.</al><al>39. Aan een onderzoeks- en adviesbureau wordt de opdracht gegeven een</al><al>doelgroepenonderzoek uit te voeren; de doelgroep wordt aangeschreven en</al><al>gewezen op hun rechten</al><al>40. Aanvraagformulieren worden vereenvoudigd.</al><al>41. Meervoudige uitvraag wordt voorkomen (niet telkens weer de zelfde</al><al>gegevens hoeven te worden getoond).</al><al>42. Ambtshalve vervolgtoekenning wordt toegepast bij ongewijzigde situatie;</al><al>43. Er wordt gebruik gemaakt van bestandsanalyses waardoor actieve</al><al>benadering van de doelgroep mogelijk is.</al><al>44. Bestanden worden gekoppeld waardoor gebruik van een voorziening kan</al><al>leiden tot ingang naar een andere voorziening.</al><al>45. Aan uitstromers uit bijstand wordt nazorg geboden door bij reïntegratie een</al><al>contactpersoon aan te wijzen die ondersteuning biedt in de gewijzigde</al><al>inkomenssituatie.</al><al>46. Kringloopcentrum BIS-BIS wordt uitgenodigd een systeem van verstrekking in</al><al>natura voor minima te laten ontwikkelen als keuze optie voor het aangaan</al><al>van leningen voor duurzame goederen.</al><al>47. Kringloopcentrum BIS-BIS uit te nodigen een computerproject voor minima te</al><al>laten opzetten.</al><al>48. PIW uit te nodigen een systeem van diensten voor minima van klussendienst</al><al>Wel Zo Handig te laten ontwikkelen.</al><al>37</al><al><vet><cursief>Financiële paragraaf</cursief></vet></al><al>Kosten van een Participatiecentrum: beeld van de organisatie</al><al><vet><cursief>Kern van de organisatie:</cursief></vet></al><al>Coördinator</al><al>Receptie/secretariaat</al><al>Administratieve kracht</al><al>Participatiecoaches : -spil en hoofdverantwoordelijke;</al><lijst><li nr="-"><al>het ene aanspreekpunt van de klant;</al></li><li nr="-"><al>Netwerkmakelaar zorg,wonen en welzijn</al></li><li nr="-"><al>Projectmedewerker wijken</al></li></lijst><al>Competentietesters</al><al>Werkbegeleiders en trainers Mensontwikkelbedrijf / Leer werk bedrijf</al><al><vet><cursief>Zorgverleners in huis (fysiek, op afroep of op spreekuur)</cursief></vet></al><al>Schuldhulpverlening (Kredietbank)</al><al>Maatschappelijk werk (PIW)</al><al>Riagg (PCC)</al><al><vet><cursief>Voorzieningen in huis</cursief></vet></al><al>Klussendienst (door deelnemers)</al><al>Raad en Daad</al><al>Kantine (door deelnemers)</al><al>Naturaverstrekkingen i.s.m. Kringloop en Leergeld</al><al>Vrijwilligerscentrale (PIW)</al><al>Vacaturebank van alle projecten, gesubsidieerde banen enz (VIXIA?)</al><al>Opleidingen (Vixia en ROC)</al><al>Uitgangspunt in onderstaande financiële indicatie is dat de deelnemende WSW-ers</al><al>volledig worden betaald uit de WSW-budgetten en loonwaarde die in het bedrijf of</al><al>daarbuiten wordt gerealiseerd. Deelname uit AWBZ-sfeer en van andere</al><al>uitkeringsinstanties wordt betaald via het berekenen van een trajectprijs. Indien</al><al>mogelijk worden hierover taakstellingen afgesproken hetgeen financieel zekerheid</al><al>biedt.</al><al>Onderstaande berekening (indicatie) is sec gebaseerd op deelname en doorstroom</al><al>van 300 WWB-ers per jaar (te bekostigen uit het Werkdeel)</al><al><vet><cursief>Per jaar (indicatie)</cursief></vet></al><al><cursief>Coördinator (inclusief overhead en huisvesting) € 90.000</cursief></al><al><cursief>Participatiecoaches bij 300 deelnemers is incl deelname</cursief></al><al><cursief>netwerken en overhead 9 x €90.000 € 810.000</cursief></al><al><cursief>Competentietesters 1,5 fte</cursief></al><al><cursief>(300 per jaar &gt;1 dag per deelnemer) € 105.000</cursief></al><al><cursief>Administratie en secretariaat 5 fte (subsidiebaan + overhead) € 130.000</cursief></al><al><cursief>Werkbegeleiders / trainers /projecten 7 fte € 570.000</cursief></al><al><cursief>Frictiebudget € 100.000</cursief></al><al><cursief>Materialen € 50.000</cursief></al><al><cursief>Totaal per jaar uit Werkdeel €1.855.000</cursief></al><al>38</al><al><cursief>Gemiddelde trajectprijs per deelnemer per jaar €6.200</cursief></al><al>De intensieve aanpak in combinatie met het onderdeel coaching op zorg</al><al>rechtvaardigt de inzet van middelen uit het Werkdeel.</al><al>Realisatie zal stapsgewijs gebeuren; in 2008 is voorzien dat ongeveer de helft van de</al><al>geraamde kosten worden gemaakt.</al><al>Binnen de huidige aanbesteding maar ook in die van andere gemeenten liggen de</al><al>trajectprijzen voor intensieve begeleiding tussen €5.000 en €12.000.</al><al>Het vervangt grotendeels de trajecten voor nog niet bemiddelbare WWB-ers bij</al><al>particuliere reïntegratie-bedrijven (ongeveer €500.000) .</al><al>Daarnaast wordt het Transferium (work first methode) omgebouwd naar een</al><al>verfijnder instrument voor de doelgroep. Kosten van het Participatiehuis komen</al><al>grotendeels in de plaats van de kosten van het Transferium (ongeveer €400.000)</al><al>Daarnaast zijn er inverdien effecten zoals: inleenvergoedingen na loonwaardebepalingen</al><al>(voorzichtige raming 15 uitkeringsjaren per jaar is €180.000) en</al><al>vervanging van huidige diagnostische instrumenten (€50.000). Dit alles in</al><al>aanmerking genomen zijn de extra kosten die gemaakt worden voor het</al><al>Participatiehuis ten opzichte van het huidige beleid rond de €500.000. Dit is met</al><al>name terug te voeren tot de kosten van de methodiek participatiecoaches; dit is</al><al>immers de vernieuwingsslag in beleidsmatige zin (naast een eenduidige methodiek</al><al>en structuur).</al><al><cursief>Zouden we in de huidige opzet (beleid tot en met 2007) per jaar 300 sociale</cursief></al><al><cursief>activeringstrajecten wegzetten bij particuliere Reïntegratiebedrijven dan zou dit</cursief></al><al><cursief>afhankelijk van de intensiteit tussen €1.5 en €2.8 miljoen kosten</cursief></al><al><vet><cursief>Kosten van de aanpak bureaucratie</cursief></vet></al><al>Hierbij wordt gebruik gemaakt van de “normale” begrote budgetten. Extra inzet zit</al><al>vooral in verbetering afstemming.</al><al>Waar het gaat om opleiding en training wordt een beroep gedaan op reguliere</al><al>opleidingsbudgetten.</al><al><vet><cursief>Schuldhulpverlening</cursief></vet></al><al>Extra kosten op het gebied van preventie:</al><al>Voorlichtingsbijeenkomsten 20 x € 600 € 12.000</al><al>Spreekuur op lokatie 30 x € 300 € 9.000</al><al><vet><cursief>Inkomensondersteunende voorzieningen</cursief></vet></al><al>Extra kosten tengevolge van nieuw beleid:</al><al>???uitbreiding doelgroep en groter bereik doelgroep externen</al><al>20% van €160.000= € 32.000</al><al>???wijziging draagkrachtregel 10% externen € 16.000</al><al>???maatschappelijke participatie stijging bedragen</al><al>60% van €95.000 € 57.000</al><al>???mapar externen €16.000 + 60% + 20%</al><al>(uitbreiding doelgroep) € 12.800</al><al>???effect nieuwe werkwijze (vervolgtoekenningen;</al><al>dereguleringsmaatregelen) + 2% totaal budget € 20.000</al><al>???budget tbv intermediairen € 10.000</al><al>totaal toename <vet>€170.000</vet></al><al>39</al><al>In 2008 is de verwachting dat in verband met het implementatietraject hiervan</al><al>€ 85.000 wordt gerealiseerd. Voor 2009 en verder verwachten we dat ten gevolge</al><al>van de daling van het bijstandsvolume de uitgaven voor bijzondere bijstand op het</al><al>niveau van 2008 zullen blijven.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>