<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR218420_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordeningmaatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost,</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo 2015 gemeente Heiloo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362&amp;artikel">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-10416</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wmo</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening 2012 individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo wordt ingetrokken per 1 januari 2015.</al><al>Artikel 19lid 2, 3 en 4 bevat een overgangsbepalingen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van de gemeente Heiloo, </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                            <vet>2 september 2014</vet>; </al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; </al><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; </al><al>dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                        bijstaan; </al><al>dat van de gemeente verwacht mag worden dat zij burgers die zelf, dan wel
                        samen met personen in hun omgeving, onvoldoende zelfredzaam zijn of
                        onvoldoende in staat zijn tot participatie, ondersteuning biedt; </al><al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het
                        beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de
                        ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van
                        personen met een beperking of met psychische of psychosociale problemen,
                        beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid
                        van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te
                        bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                        samenleving, </al><al>besluit vast te stellen de <vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Heiloo 2015. </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Algemeen gebruikelijke voorziening</vet>: een voorziening is
                                algemeen gebruikelijk wanneer deze in de reguliere handel
                                verkrijgbaar is, niet speciaal voro personen met beperkingen is
                                bedoeld en niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product
                                met hetzelfde doel.</al></li><li nr="b."><al><vet>Bijdrage</vet>: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste
                                lid, van de wet.</al></li><li nr="c."><al><vet>Hoofdverblijf</vet>: de woning bestemd en geschikt voor
                                permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en
                                verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basis-registratie
                                personen staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel
                                het feitelijk woonadres, waar een persoon daadwerkelijk de meeste
                                nachten per jaar doorbrengt.</al></li><li nr="d."><al><vet>Ingezetene</vet>: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente
                                Heiloo.</al></li><li nr="e."><al><vet>Melding</vet>: kenbaar maken van een hulpvraag aan het college
                                als bedoeld in art 2.3.2. lid 1 van de wet.</al></li><li nr="f."><al><vet>Wet</vet>: Wet maatschappelijke odnersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5
                        van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt
                        wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                        zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking
                        komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: </al><lijst><li nr="a."><al> ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                    beperkingen naar het oordeel van het college niet kan
                                    verminderen of wegnemen </al><lijst><li nr="-"><al> op eigen kracht, </al></li><li nr="-"><al> met gebruikelijke hulp, </al></li><li nr="-"><al> met mantelzorg, </al></li><li nr="-"><al> met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk,
                                        </al></li><li nr="-"><al> met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                            voorzieningen, </al></li><li nr="-"><al> met gebruikmaking van algemene voorzieningen</al></li></lijst></li><li nr=""><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                    uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het
                                    realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk
                                    in de eigen leefomgeving kan blijven, en </al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                    samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                    problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al
                                    dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg
                                    van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar
                                    het oordeel van het college niet op eigen kracht, met
                                    gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                    personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.</al></li><li nr=""><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                    uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het
                                    voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of
                                    opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                                    in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen
                                    kracht te handhaven in de samenleving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                            zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                            maatwerkvoorziening in aanmerking komt als: </al><lijst><li nr="a."><al> de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                    niet vermijdbaar was, en </al></li><li nr="b."><al> de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                    redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben
                                    getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. </al></li><li nr="c."><al> De noodzaak tot ondersteuning langdurig is, tenzij het leveren
                                    van een kortdurende dienst leidt tot het te bereiken
                                    resultaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                            eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                            verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                            afgeschreven, </al><lijst><li nr="a."><al> tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                    gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                    rekenen; </al></li><li nr="b."><al> tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                    veroorzaakte kosten, of </al></li><li nr="c."><al> als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                    biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                    ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als de
                            goedkoopst adequaat compenserende voorziening kan worden
                            aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afwijzingscriteria maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt : </al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven
                                    geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                                    voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
                                </al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                                    met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                    netwerk de beperkingen kan wegnemen; </al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                    voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; </al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                    gebruikelijk is; </al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding
                                    en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd,
                                    tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft
                                    verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
                                </al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die
                                    aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                    wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                    afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is,
                                    tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is
                                    gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                    toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk
                                    tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; </al></li><li nr="g."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                    gericht; </al></li><li nr="h."><al>cliënt zijn/haar hoofdverblijf heeft buiten de gemeente Heiloo.
                                </al></li><li nr="i."><al>de aanvraag betrekking heeft op kosten die cliënt voorafgaand
                                    aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft
                                    gemaakt en niet redelijkerwijs meer is na te gaan of deze
                                    voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst-adequaat aan te
                                    merken valt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang
                            van de te verstrekken maatwerkvoorzieningen en de toegang daartoe als
                            bedoeld in artikel 3 en 4 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is; </al></li><li nr="b."><al>bij te leveren diensten wat de ingangsdatum en duur van de
                                    verstrekking is; </al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt; </al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen indien van toepassing relevant zijn
                                    of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; </al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
                                </al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; </al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en </al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit
                            artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van
                            dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt
                            en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk
                            was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum
                            van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate
                            voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de wijze waarop de hoogte van een
                            pgb wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen slechts onder voorwaarden
                            betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Het
                            college stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik
                            van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een
                            maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening
                            gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb is verstrekt,
                            overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, en afhankelijk van het
                            inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot/echtgenote.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is verschuldigd;
                                </al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                    is; en </al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve
                                    van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd
                                    door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                    tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                    Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan
                                    als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                                    cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening of pgb
                                    wordt bepaald, </al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld
                                    in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet de bijdragen voor een
                                    maatwerkvoorziening of pgb voor opvang worden vastgesteld en
                                    geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door: </al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt; </al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; </al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening binnen 5
                            werkdagen aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden
                            voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of binnen 5 werkdagen uit eigen beweging mededeling van alle
                            feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                            dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als
                            bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid; </al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen; </al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten; </al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of </al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden herzien dan wel
                            ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling
                            niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                            verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit
                            artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen in overeenstemming met het
                        beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.7 van de wet, om op aanvraag aan
                        personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale
                        problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een
                        tegemoetkoming te verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                        participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren diensten, rekening met: </al><al>a. de aard en omvang van de te verrichten taken; </al><al>b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte
                            van de functie; </al><al>c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; </al><al>d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                            personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; </al><al>e. kosten voor bijscholing van het personeel </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al/><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: </al><al>a. de marktprijs van de voorziening, en </al><al>b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                            leverancier worden gevraagd, zoals: </al><al>i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; </al><al>ii. instructie over het gebruik van de voorziening; </al><al>iii. onderhoud van de voorziening, en </al><al>iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv.
                            sociaal teams). </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over en rekening houdend met
                            voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de
                            wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze
                            verordening, overeenkomstig de klachtenregeling van de gemeente
                            Heiloo.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling
                            van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan besluiten één of meerdere van de in dit artikel genoemde
                            eisen niet of anders aan de aanbieder te stellen, indien deze niet
                            proportioneel is in relatie tot de omvang van de organisatie van de
                            aanbieder of de aard of omvang van de opdracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van
                            het voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                            medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder
                            die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle
                            voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan besluiten één of meerdere van de in dit artikel genoemde
                            eisen niet of anders aan de aanbieder te stellen, indien deze niet
                            proportioneel is in relatie tot de omvang van de organisatie van de
                            aanbieder of de aard of omvang van de opdracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van
                            het voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                            krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking
                            tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                            advies uit te brengen bij de besluitvorming over Verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. </al><al>Het college kan besluiten de geldende bedragen te indexeren met de
                        consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens van het Centraal bureau voor de
                        Statistiek. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Gevallen waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze
                        verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekking oude Verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Wmo verordening 2012 individuele voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Heiloo wordt ingetrokken per 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            de Wmo verordening 2012 individuele voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Heiloo, totdat het college een nieuw besluit
                            heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt,
                            wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Wmo verordening 2012 individuele
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo en waarop
                            nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening,
                            worden afgehandeld krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Wmo verordening
                            2012 individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Heiloo, wordt beslist met inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo 2015 gemeente
                            Heiloo</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo 2015</label></kop><al>De wetgever stimuleert burgers eigen verantwoordelijkheid te dragen voor de
                    wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven,
                    en verwacht van burgers dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wet
                    maatschappelijke ondersteuning 2015 (hier verder te benoemen als de wet) wil de
                    rechten en plichten van de burger meer met elkaar in evenwicht brengen. Burgers
                    die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende
                    zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een
                    beroep doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning.</al><al>De wet bevat een nieuwe regeling op basis waarvan de gemeente Heiloo
                    verantwoordelijk is voor de maatschappelijke ondersteuning van haar inwoners. De
                    regering geeft met de wet uitwerking aan het deel van de maatregelen die in het
                    regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ zijn opgenomen dat betrekking heeft op de
                    decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor langdurige ondersteuning naar
                    gemeenten. De wet bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo
                    sinds 2007 en breidt de verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke
                    ondersteuning daarnaast verder uit door decentralisatie van
                    verantwoordelijkheden die tot nu toe in de AWBZ waren opgenomen. De gemeenten
                    worden verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en
                    participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of
                    psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo
                    lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met
                    psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband
                    met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de
                    thuissituatie hebben verlaten, moet voor onze gemeente de gemeente Alkmaar
                    voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. De regering heeft het
                    voornemen om het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap goed
                    te keuren. De wet, waardoor gemeenten verantwoordelijk worden voor de
                    maatschappelijke ondersteuning van een grotere groep ingezetenen dan tot op dit
                    moment, is naar het oordeel van de regering een belangrijk instrument bij het
                    realiseren van de inclusieve samenleving die dit verdrag beoogt.</al><al>Een uitgangspunt van onze samenleving is dat mensen in de eerste plaats zelf
                    verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en
                    participatie. Het streven van de regering is er dan ook op gericht dat zoveel
                    mogelijk ingezetenen die verantwoordelijkheid zelf kunnen dragen, zelfredzaam
                    zijn en participeren. Dit uitgangspunt van de eigen verantwoordelijkheid en,
                    daarmee samenhangend, zo mogelijk voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op
                    beschermd wonen of opvang, is in de wet nadrukkelijker opgenomen dan in de Wmo. </al><al>In de wet is een goede balans gezocht tussen enerzijds de eigen
                    verantwoordelijkheid van ingezetenen en hun sociale netwerk voor de eigen
                    situatie en anderzijds de verantwoordelijkheid van de gemeente om ingezetenen
                    die het niet op eigen kracht en met inzet van hun sociale netwerk klaarspelen,
                    te ondersteunen bij hun zelfredzaamheid of participatie of beschermd wonen of
                    opvang te bieden, en zo een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van
                    een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                    participatie en daarmee zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. </al><al>Ingeval een betrokkene niet of niet meer volledig zelfredzaam is, onvoldoende in
                    staat is tot participatie of behoefte heeft aan beschermd wonen of opvang, is
                    het uitgangspunt van de wet dat de betrokkene eerst kijkt in hoeverre hij zelf,
                    en zijn directe omgeving, een bijdrage kan leveren, en deze dan ook levert als
                    dat mogelijk is, aan het verbeteren van zijn situatie. De gemeente mag dit ook
                    verwachten en vragen van een ingezetene die een beroep doet op de gemeente. Het
                    is naar de mening van de regering immers heel normaal dat je je inspant om je
                    eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid
                    als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. De
                    regering stapt af van het automatisme dat de overheid per definitie deze rol
                    naar zich toetrekt, maar gaat niet zo ver om het sociaal netwerk te verplichten
                    om ondersteuning te bieden waar dat mogelijk is. </al><al>De gemeente heeft naar het oordeel van de regering wel een verantwoordelijkheid
                    om zoveel mogelijk te bevorderen dat betrokkenen, al dan niet met inzet van
                    personen uit hun sociale netwerk, hun eigen mogelijkheden en hun
                    probleemoplossend vermogen benutten en versterken en dus niet of zo min mogelijk
                    aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning. Voor het succesvol
                    aanspreken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van
                    betrokkenen is het van groot belang zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij
                    wat betrokkenen zelf kunnen en graag willen. Maatwerk en een integrale aanpak
                    zijn dus geboden. De gemeente mag aan de andere kant van de betrokkene een
                    actieve bijdrage verwachten. De regering vindt het van belang dat gemeenten
                    hieraan ruim aandacht besteden in het plan waarin de gemeenteraad inhoud geeft
                    aan het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. </al><al>De cliënt zal een aanbod van de gemeente om hem te ondersteunen bij het benutten
                    of versterken van zijn probleemoplossend vermogen of dat van zijn netwerk in het
                    algemeen met beide handen aangrijpen. Dit zal zeker het geval zijn indien de
                    gemeente daarbij aansluiting zoekt bij wat de cliënt al kan en wat hij graag
                    wil. Het is ook aan de cliënt of zijn vertegenwoordigers om daar duidelijkheid
                    over te bieden. Het is aan de gemeente om die duidelijkheid in de individuele
                    situatie te krijgen. Uiteraard mag een gemeente ook van een cliënt verwachten en
                    vragen dat hij zich maximaal inspant en eventueel ‘stappen’ zet die wellicht
                    niet zijn eerste keuze zijn. De wet bevat geen algemene normen hieromtrent; het
                    gaat bij uitstek om maatwerk. Bij de beoordeling van de mogelijkheden om mee te
                    werken neemt de gemeente vanzelfsprekend de persoonlijke situatie in ogenschouw.
                    In lijn met het voorgaande moet de betrokkene naar het oordeel van de regering
                    in het kader van zijn melding voor een maatwerkvoorziening ook de gemeente
                    actief informeren over personen die onderdeel uitmaken van zijn sociale netwerk
                    en over wat deze personen al dan niet bij de maatschappelijke ondersteuning voor
                    hem zouden kunnen betekenen. Indien de gemeente dat wenselijk vindt, moet de
                    betrokkene ook bereid zijn de gemeente in contact te brengen met personen uit
                    zijn sociale netwerk. Dit is alleen anders als de betrokkene gegronde redenen
                    heeft om dit te weigeren. </al><al>Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende
                    problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de wet maatschappelijke
                    ondersteuning en de Participatiewet draagt het College zorg voor een goede
                    afstemming van de ondersteuning. </al><al>Deze verordening is aanvullend op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
                    Dit betekent dat verplichtingen die al in de wet staan opgenomen, niet meer in
                    de verordening zijn uitgewerkt. De beide documenten staan dus samen met het
                    beleidsplan als basis voor de uitvoering. </al><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden
                    omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet
                    bestuursrecht en de Gemeentewet. </al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel zijn de belangrijkste in de wet gebruikte begrippen
                    omschreven.</al><al><vet><cursief>Algemeen gebruikelijke voorziening</cursief></vet>: Het is niet de
                    bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet
                    op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover,
                    ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie
                    o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB
                    14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). </al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen
                    gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). Bij die
                    beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een
                    rol spelen: </al><lijst><li nr="• "><al>Is de voorziening gewoon te koop? </al></li><li nr="• "><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht? </al></li><li nr="• "><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al><vet><cursief>Bijdrage</cursief></vet>: De bijdrage in de kosten voor een
                    algemene voorziening of een maatwerkvoorziening kunnen anders worden
                    vastgesteld. </al><al>Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente
                    na een lichte toets; ook mensen die zorg ontvangen als bedoeld in de Wet
                    langdurige zorg kunnen dus bijvoorbeeld gebruik maken van een algemene
                    voorziening voor vrijwilligersvervoer of mantelzorgondersteuning. Andere
                    algemene voorzieningen met een iets specifieker karakter zijn bijvoorbeeld een
                    klussendienst, een was- en strijkservice, een maaltijdvoorziening, informele
                    buurtzorg, sociaal-culturele voorzieningen, opvang voor dak- en thuislozen die
                    uitsluitend bestaat uit slapen en eten zonder verdere ondersteuning of meer
                    specifiek, winteropvang. </al><al>De gemeente kan, naast de eigen bijdragen voor maatwerkvoorzieningen, voor het
                    gebruik van een algemene voorziening een vergoeding (bijdrage) van de ingezetene
                    vragen, welke veelal moet worden betaald aan de aanbieder van die voorziening.
                    De hoogte van deze vergoeding kan de gemeente zelf bepalen. Voor een algemene
                    voorziening kan een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v.
                    cliëntondersteuning), maar deze tariefbijdrage kan, anders dan die voor een
                    maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><al>Cliënten zullen voor hun ondersteuning een bijdrage moeten betalen. Deze
                    bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden
                    gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de
                    wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit
                    Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het
                    college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang
                    van de eigen bijdrage. </al><al><vet><cursief>Hoofdverblijf</cursief></vet>: Het begrip hoofdverblijf biedt
                    nogal eens problemen. Het begrip is in de Wwb omschreven naar het aantal nachten
                    dat men ergens doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per jaar de meeste
                    nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar iemand zijn
                    hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere plaatsen heeft
                    waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals personen die het jaar
                    deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in een
                    WLZ/AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz. </al><al>Ingezetene: De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking
                    komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie
                    (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen
                    en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van
                    Nederland zijn, maar niet perse van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting
                    volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het
                    college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder
                    uitgelegd. </al><al>Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt
                    dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het
                    Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. </al><al>De wet heeft, net als de Wmo, betrekking op gemeentelijke taken voor de eigen
                    ingezetenen. Daarom is er geen plaats voor een recht van personen die geen
                    ingezetenen van de gemeente zijn en daar bijvoorbeeld slechts een ‘band’ mee
                    hebben omdat zij daar werkzaam zijn. Daarin wijkt de wet, net als de Wmo, af van
                    de ziektekostenverzekeringen die op basis van Verordening 338/2004 inzake de
                    coördinatie van sociale zekerheidsstelsels ook toegankelijk moeten zijn voor
                    ingezetenen van de andere lidstaten van de EU die in Nederland werkzaam
                    zijn.</al><al><cursief><vet>Melding</vet></cursief>: Een ieder kan zich melden bij zijn
                    gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het
                    college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met
                    de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een
                    ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een
                    algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene
                    voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.</al><al><vet>Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke
                    ondersteuning</vet></al><al>Er is gekozen voor delegatie aan het college van de procedureregels voor een
                    melding en aanvraag van maatschappelijke ondersteuning. In de beleidsregels
                    geeft het college aan hoe het proces van aanmelding tot besluit op aanvraag
                    verloopt </al><al><vet>Artikel 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening</vet></al><al>In artikel 1.2.1 van de wet is in algemene zin verankerd dat ingezetenen,
                    afhankelijk van de aard van hun problematiek, in aanmerking komen voor
                    maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening </al><al><vet>1.</vet> In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat
                    de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college
                    kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting
                    uitgewerkt.</al><al><vet>b. </vet>De wetgever heeft voor opvang en beschermd wonen bepaald dat dit
                    valt onder de regeling centrumgemeenten. Voor Heiloo is dit de gemeente Alkmaar.
                    De regelgeving van de gemeente Alkmaar is hierin voorliggend. Dit betekent dat
                    ook de eigen bijdragen voor opvang en beschermd wonen volgens de verordening van
                    de gemeente Alkmaar wordt toegepast </al><al><vet>2.</vet> Het begrip vermijdbaar is van toepassing op cliënten die een
                    Wmo-voorziening aanvragen. Een oudere die een aantal jaren ingeschreven staat
                    voor een appartement of serviceflat en op het moment van verhuizing een
                    verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo aanvraagt, had deze verhuizing
                    kunnen zien aankomen en daarvoor kunnen reserveren. Mogelijk geldt het criterium
                    ook voor de aanvragen voor huishoudelijke hulp en bepaalde woningaanpassingen.
                    Bij het ouder worden mag van mensen gevraagd worden dat zij anticiperen op
                    beperkingen die te maken hebben met ouderdom en daarvoor reserveren. Ook
                    cliënten die bijvoorbeeld kunnen voorzien dat zij op afzienbare termijn niet
                    meer kunnen traplopen, kunnen hiermee rekening houden bij een verhuizing.</al><al><vet>3. </vet>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan
                    worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid
                    van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare
                    keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de
                    te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering
                    gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende
                    verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden
                    gedaan. </al><al><vet>4.</vet> In lid 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan
                    met de goedkoopst adequate compenserende voorziening. Voorzieningen die in het
                    kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven
                    gemeten zowel compenserend als de meest goedkope adequate voorziening te zijn. </al><al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt:
                    volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend
                    werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe
                    niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                    bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele
                    aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is
                    dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is.
                    Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het
                    duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient
                    te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende
                    voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate
                    compenserende voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen
                    middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequate compenserend geeft het
                    college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al><vet>Artikel 4. Afwijzingscriteria maatwerkvoorziening</vet></al><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in
                    de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8‐11‐2013,
                    nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te
                    zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime
                    afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te
                    bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de
                    verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is
                    aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in
                    aanmerking kan komen.</al><al><vet>a-f.</vet> De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in
                    artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke
                    afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de
                    verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die
                    in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                    voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen
                    maatwerkvoorziening toegekend. </al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 09‐11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011,
                    nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk
                    moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een
                    voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien
                    vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr.
                    09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan
                    niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.</al><al><vet>g. </vet>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het
                    past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene
                    maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. </al><al>Doordat het treffen van algemene voorzieningen gericht op maatschappelijke
                    ondersteuning onderdeel moet uitmaken van het periodiek door de gemeenteraad
                    vast te stellen plan, wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de
                    daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor
                    een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt
                    de gemeente indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan dat deze
                    maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. </al><al>Een collectieve voorziening valt onder de maatwerkvoorzieningen. Het is een
                    voorziening waarvoor een individuele indicatie wordt gesteld, maar waar meerdere
                    mensen tegelijk gebruik van kunnen maken. </al><al><vet>i. </vet>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening
                    aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat
                    het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het
                    vastgestelde beleid te beoordelen en te verstrekken, noch anderszins invloed
                    heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening
                    worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar
                    vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het
                    college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.</al><al><vet>Artikel 5. Inhoud beschikking</vet></al><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor
                    is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit
                    artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking
                    moeten worden opgenomen.</al><al><vet>Eerste lid onder a en tweede lid onder a. </vet>Het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. In de nota naar aanleiding
                    van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) staat "de
                    ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest,
                    ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende
                    maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn
                    zelfredzaamheid of participatie. In de wet staat het bereiken van dit resultaat
                    centraal". </al><al><vet>Eerste lid onder b.</vet> Wat de duur van een voorziening is, is
                    afhankelijk van het gebruik en de technische specificaties. Een besluit kan voor
                    bepaalde tijd worden afgegeven om de situatie van de cliënt te blijven monitoren </al><al><vet>Eerste lid onder c.</vet> Hier wordt bedoeld of de voorziening in natura of
                    Pgb wordt verstrekt. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een
                    maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat
                    echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget </al><al><vet>Eerste lid onder d. </vet>Indien met voorliggende voorzieningen het
                    resultaat zelfredzaamheid en participatie kan worden behaald en daardoor een
                    maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is, zal dit in het gesprek zijn besproken.
                    Cliënt kan alsnog een aanvraag indienen om een maatwerkvoorziening. In de
                    beschikking die volgt op de aanvraag zullen in ieder geval de relevante
                    voorzieningen worden opgenomen. Ook in een beschikking met een positief besluit
                    voor een maatwerkvoorziening is het mogelijk dat een (gedeelte van) het
                    resultaat door andere voorziening kan worden behaald. Dit zal ook in de
                    beschikking worden opgenomen </al><al>Het <vet>3e lid</vet> dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het
                    college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op.
                    Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep
                    daartegen. Zie artikel 7 en artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet, waarin is
                    bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld
                    en voor de gemeente geïnd door het CAK. </al><al>Artikel 6. Regels voor PGB</al><al><vet>1. </vet>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb
                    verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs
                    van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb
                    alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel
                    2.3.6, tweede lid, onder b, van de wet). Met behoud van de motivatie-eis wordt
                    geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een
                    pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken
                    II 2013/14, 33 841, nr. 103)</al><al><vet>2. </vet>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om
                    achteraf kosten te declareren.</al><al><vet>3. </vet>Het derde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de
                    wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke
                    wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte
                    toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33
                    841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het
                    pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente
                    verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura.</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen.</al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in
                    natura.</al><al><vet>4. </vet>Gemeenten hebben de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen
                    in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor
                    verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. De gemeente kan bij het vaststellen van tarieven in de
                    verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                    geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de
                    kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten,
                    zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</al><al><vet>5.</vet> Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar
                    aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering
                    heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen.
                    Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk
                    geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al><vet>Artikel 7. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                        algemene voorzieningen</vet></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</al><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota
                    naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.
                    95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de
                    mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een
                    cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                    beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal
                    sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. </al><al><vet>2. </vet>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn
                    gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel
                    2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Heiloo worden regels vastgesteld met betrekking tot deze
                    bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de
                    verordening moeten passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit
                    maatschappelijke ondersteuning 2015 stelt.</al><al>Deze regels zullen in de beleidsregels en het Besluit maatschappelijke
                    odnersteuning gemeente Heiloo verder worden uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 8. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen. </al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>Het college neemt in de contracten of subsidieafspraken met aanbieders op aan
                    welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij
                    sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de
                    kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branchegelden. </al><al>Als en voor zover geen kwaliteits- en deskundigheidseisen gedefinieerd en
                    vastgesteld zijn stelt het college in aanvulling of afwijking daarvan nadere
                    eisen vast met betrekking tot de kwaliteit van de maatschappelijke
                    ondersteuning. Hierbij neemt het college minimaal de bovenstaande eisen mee. </al><al>Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht
                    op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. </al><al><vet>Artikel 9. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</vet></al><al>Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht die in het
                    oorspronkelijke wetsvoorstel in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, was
                    opgenomen en waarin werd bepaald dat in de verordening in ieder geval bepaald
                    diende te worden welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld
                    bij de verstrekking van een voorziening. Bij amendement (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 83) is deze bepaling (kennelijk onbedoeld) geschrapt.
                    Regeling is echter onverminderd van belang. </al><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet binnen 5 werkdagen
                    melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening
                    heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In
                    artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn
                    belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens de wet. </al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. </al><al><vet>Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                        terugvordering</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet. </al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet. </al><al>Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft.
                    Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen
                    voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing
                    geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een
                    verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op
                    maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt'.</al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><al><vet>Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente. </al><al>Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten
                    in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon
                    die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of
                    door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. </al><al>Uit de consultatie voorafgaande aan het schrijven van deze verordening blijkt
                    dat men graag ziet dat de blijk van waardering bijdraagt aan ontlasting van de
                    mantelzorger, ontmoeting tussen mantelzorgers bevordert en er keuzevrijheid is
                    in een klein persoonsgebonden compliment. </al><al>Als blijk van waardering kan gedacht worden aan een naturavoorziening,
                    bijvoorbeeld cadeaubon / bos bloemen, een geldelijke voorziening( een bedrag),
                    of een uitnodiging voor een evenement, bijvoorbeeld een uitnodiging voor de dag
                    van de mantelzorger, gezamenlijke koffie/borrel/uitstapje. De mogelijkheden
                    zullen in de beleidsregels verder worden uitgewerkt. </al><al><vet>Artikel 12. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                        chronische problemen</vet></al><al>Door een aanpassing in de huidige Wmo krijgen gemeenten (met terugwerkende
                    kracht) per 1 januari 2014 de mogelijkheid om een tegemoetkoming te verstrekken
                    aan personen met een chronische ziekte of een beperking voor daarmee verband
                    houdende, aannemelijke meerkosten. De gemeente is vrij om te bepalen hoe en aan
                    wie de tegemoetkoming wordt verstrekt. De gemeente kan hierbij inkomensgrenzen
                    en draagkrachtregels hanteren die afwijken van die van de bijzondere bijstand.
                    Wanneer gemeenten gebruik willen maken van deze bevoegdheid binnen de Wmo moet
                    in het Wmo beleidsplan en de Wmo verordening worden vastgelegd op welke wijze
                    zij hieraan invulling geven. Als een gemeente besluit de bevoegdheid niet te
                    gebruiken omdat zij de voorkeur geeft aan andere gemeentelijke instrumenten,
                    moet zij dit in het Wmo beleidsplan motiveren. Onvoldoende financiële middelen
                    is geen valide argument. </al><al><vet>Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                        derden</vet></al><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden. </al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. </al><al><vet>Artikel 14. Klachtregeling</vet></al><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). </al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open. </al><al><vet>Artikel 15. Medezeggenschap</vet></al><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). </al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd. </al><al><vet>Artikel 16. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</vet></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het <cursief>eerste lid</cursief> is verwezen naar de krachtens artikel 150
                    van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                    gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op
                    andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk
                    de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken
                    op ondersteuning. </al><al>Met het <cursief>vierde lid </cursief>wordt het aan het college overgelaten om
                    de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. </al><al><vet>Artikel 17. Evaluatie</vet></al><al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie
                    artikel 7.10 van de wet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde
                    gegevens benutten. </al><al>Door in de verordening deze bepaling op te nemen heeft het college in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Heiloo een juridische basis om
                    de bedragen te indexeren met de consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens van
                    het Centraal bureau voor de Statistiek (http://www.cbs.nl/). </al><al><vet>Artikel 18. Gevallen waarin deze verordening niet voorziet</vet></al><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
                    Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. </al><al><vet>Artikel 19. Intrekking oude Verordening en overgangsrecht</vet></al><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet. </al><al>Een beleidswijziging zal (op termijn) gevolgen kunnen hebben voor de voorziening
                    van cliënten die van de gemeente maatschappelijke ondersteuning ontvangen.
                    Indien dit gepaard gaat met aanpassing van de voorziening zal de gemeente in het
                    algemeen in overgangsrecht moeten voorzien. </al><al>Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet
                    bestuursrecht (zorgvuldigheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en
                    evenredigheidsbeginsel), moeten gemeenten cliënten een redelijke
                    overgangstermijn bieden voordat hun voorziening wordt beëindigd, veranderd of
                    versoberd. </al><al>Voorts zal de gemeente de te kiezen aanpak moeten toetsen aan artikel 1 van het
                    Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de
                    Mens (EVRM) en artikel 17 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese
                    Unie (EU-Handvest) ( ter bescherming van het recht van eigendom). </al><al>De lengte van de overgangstermijn hangt mede af van de duur van de beschikking.
                    De VNG schat in dat een overgangstermijn van een half jaar voldoende is. Een
                    kortere termijn kan ook redelijk zijn, als de burger tijdig van de mogelijke
                    komende wijzigingen op de hoogte is gesteld of er goede alternatieven geboden
                    kunnen worden. </al><al><vet>Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al><al/><al/><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>