<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21827_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hét Gemeente Nieuws; 11-07-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07RB000107</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2005 wordt ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe
                        2007</al><al/><al>Ons kenmerk: 07rb000107</al><al/><al>Nr. 9</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 23 april
                        2007;</al><al/><al>gelezen het advies van de commissie Burger van 31 mei 2007;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk
                        en bijstand;</al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels moet stellen over het
                        verlagen van de bijstand en de langdurigheidstoeslag;</al><al/><al>b e s l u i t </al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe
                            2007</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>reïntegratieverordening: Reïntegratieverordening Wet werk en
                                    bijstand Overbetuwe 2005;</al></li><li nr="c."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="e."><al>trajectplan: overeenkomst tussen college en belanghebbende
                                    inzake de vorm en de inhoud van de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onder a. van de wet, dan wel op grond van de
                                    reïntegratieverordening;</al></li><li nr="g."><al>inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17,
                                    eerste, tweede en vierde lid van de wet en de artikelen 28,
                                    tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid: het verrichten
                                    of nalaten van handelingen door belanghebbende waardoor onnodig
                                    een beroep op bijstand wordt gedaan;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte uitbetaalde
                                    bedrag aan bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies
                                    volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand
                                    verstrekt op grond van Wet op de loonbelasting 1964
                                    inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, of het
                                    door de gemeente ten onrechte bestede bedrag aan
                                    reïntegratiemiddelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Werkingssfeer van de verordening</titel></kop><al>Op personen, ten aanzien waarvan de uitvoering van de wet door het
                            college aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is gemandateerd, zijn de
                            bepalingen van deze verordening niet van toepassing, voor zover deze
                            bepalingen afwijken van het beleid van de Sociale Verzekeringsbank.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de
                                    voorziening in het bestaan of de uit de wet of de artikelen 28,
                                    tweede lid, of 29, eerste lid van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt
                                    overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op:</al><lijst><li nr="a."><al>de ernst van de gedraging door de belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                            verweten; en </al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden waarin de belanghebbende
                                            verkeert.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, als bedoeld in
                                    artikel 5, onder c, van de wet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van de belanghebbende, in
                                            relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                            langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van
                                            de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van
                                            vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende bekend is
                                    gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                    bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of
                                    de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, als het niet mogelijk is
                                    de maatregel op te leggen door middel van verlaging van de
                                    uitkering in de eerstvolgende maand(en).</al></li><li nr="4."><al>Als een maatregel niet kan worden opgelegd wegens beëindiging
                                    van het recht op uitkering, kan de van toepassing zijnde
                                    maatregel alsnog worden opgelegd, als aan belanghebbende binnen
                                    een jaar na de einddatum van de uitkering opnieuw bijstand wordt
                                    toegekend.</al></li><li nr="5."><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
                                    die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd,
                                    wordt uiterlijk na 3 maanden, nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                    heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 3, eerste lid van deze verordening, inhouden, wordt
                            voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging, waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>A.</al></entry><entry colname="col2"><al>1e categorie:</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>het niet ondertekenen van een trajectplan of het
                                                niet aan het college verstrekken van een getekend
                                                exemplaar van een trajectplan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.</al></entry><entry colname="col2"><al>2<sup>e</sup> categorie:</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>het zich niet tijdig laten registreren als
                                                werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en
                                                inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de
                                                registratie bij de Centrale organisatie werk en
                                                inkomen; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te
                                                aanvaarden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet in voldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>het langer dan de in artikel 13 van de wet genoemde
                                                duur verblijf houden buiten Nederland, tenzij
                                                tijdens die langere duur aantoonbaar voldoende
                                                getracht is algemeen geaccepteerde arbeid te
                                                verkrijgen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>C.</al></entry><entry colname="col2"><al>3<sup>e</sup> categorie:</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruiken van een
                                                door het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                                lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de
                                                wet, waaronder begrepen sociale activering, voor
                                                zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                                                vinden of tot voortijdige beëindiging van het
                                                reïntegratietraject;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet in voldoende mate nakomen van een
                                                verplichting, opgelegd op grond van artikel 55 van
                                                de wet.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>D.</al></entry><entry colname="col2"><al>4<sup>e</sup> categorie:</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet aanvaarden van een detacheringsbaan, als
                                                bedoeld in artikel 13 van de
                                                reïntegratieverordening, of algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het door eigen toedoen niet behouden van een
                                                detacheringsbaan, als bedoeld in artikel 13 van de
                                                reïntegratieverordening, of algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruiken van een
                                                door het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                                lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de
                                                wet, waaronder begrepen sociale activering, als dit
                                                heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                                voortijdige beëindiging van het
                                                reïntegratietraject.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, wordt
                                    de maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            gedraging van de 1e categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            gedraging van de 2e categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            gedraging van de 3e categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            gedraging van de 4e categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                    opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                    dezelfde of hogere categorie. Het besluit waarbij van het
                                    opleggen van een maatregel om dringende redenen wordt afgezien,
                                    wordt gelijkgesteld met het besluit tot het opleggen van een
                                    maatregel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                    van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is
                                    voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet
                                    binnen de daartoe door het college gestelde termijn te
                                    verstrekken, wordt volstaan met het geven van een schriftelijke
                                    waarschuwing. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid en onverminderd artikel 3,
                                    tweede lid van deze verordening wordt, als het niet of niet
                                    behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 17
                                    van de wet plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                    rekenen vanaf de dag waarop eerder aan de belanghebbende een
                                    schriftelijke waarschuwing is gegeven, een maatregel opgelegd
                                    van 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand of reïntegratiemiddelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                    bijstand of inzetten van reïntegratiemiddelen, wordt de
                                    maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, wordt
                                    de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000: 10% van de
                                            bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000: 20%
                                            van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000: 40%
                                            van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of meer: 100% van
                                            de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft
                                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                    van bijstand of inzetten van reïntegratiemiddelen, bedraagt de
                                    maatregel, onverminderd artikel 3, tweede lid van deze
                                    verordening, 5% van de bijstand gedurende één maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid
                                    kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                    schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van
                                    twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                    belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verdubbeling maatregel</titel></kop><al>De duur van de maatregel, als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van
                            deze verordening, wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen
                            twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                            opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                            dezelfde of hogere categorie. Het besluit waarbij van het opleggen van
                            een maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt gelijkgesteld
                            met het besluit tot het opleggen van een maatregel.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening wordt,
                                    als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, anders
                                    dan door gedragingen als bedoeld in artikel 8 van deze
                                    verordening, heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid
                                    van de wet, de bijstand verlaagd.</al></li><li nr="2."><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op
                                    onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen
                                    van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de
                                    bijstandsverlening.</al></li><li nr="3."><al>De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm voor de duur van
                                    de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
                                    langer recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De maatregel wordt gewijzigd na 3 maanden naar 50% van de
                                    bijstandsnorm voor de resterende duur van de periode dat
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging langer recht heeft
                                    op bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden, die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als
                                    bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt,
                                    onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, een
                                    maatregel opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende
                                    zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                                    waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan
                                    een op grond van het eerste lid als verwijtbaar aan te merken
                                    gedraging. Het besluit waarbij van het opleggen van een
                                    maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt
                                    gelijkgesteld met het besluit tot het opleggen van een
                                    maatregel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten
                            toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op
                            het belang van het besef van verantwoordelijkheid en het nakomen van de
                            verplichtingen door belanghebbende, leidt tot een onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2005, zoals
                            vastgesteld bij besluit van 2 november 2004, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op
                                    gedragingen, die hebben plaatsgevonden op of na 1 augustus
                                    2007.</al></li><li nr="2."><al>Als een gedraging is aangevangen voor 1 augustus 2007 en
                                    doorloopt tot op of na 1 augustus 2007, dan is die verordening
                                    van toepassing die voor belanghebbende de laagste maatregel met
                                    zich meebrengt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening Wet werk en
                            bijstand gemeente Overbetuwe 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 26 juni 2007</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>E. Tuijnman.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de WWB is het systeem van boeten en maatregelen van
                    de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt in
                    het Maatregelenbesluit en Boetebesluit) komen te vervallen. In plaats daarvan
                    zullen gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent
                    slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie
                    voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden, is
                    geschrapt.</al><al/><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
                            28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand
                            of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al/><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke
                    verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelverordening.</al><al/><al><vet>De term ‘maatregel’</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen. </al><al>Voor de duidelijkheid spreken wij over de maatregelverordening en het opleggen
                    van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik
                    dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het
                    sanctionerende karakter ervan benadrukt. Het is van belang om te realiseren dat
                    de maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter
                    voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                    gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand
                    met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden
                    verplichtingen nakomt. </al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de afstemmingsverordening. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt voor gemeenten om maatregelen op te leggen wanneer
                    een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, noemen wij de
                    verordening een maatregelverordening. </al><al/><al><vet>Het verlagen van de bijstand</vet></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen:
                    algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd. </al><al>In deze voorbeeldverordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel
                    worden opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing
                    zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de
                    bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een
                    lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende
                    bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen
                    op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid
                    ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder.</al><al/><al>De keuze om niet in zijn algemeenheid maatregelen toe te passen op de
                    langdurigheidstoeslag houdt verband met artikel 36, eerste lid sub c. </al><al>Op grond van deze bepaling moet het college de langdurigheidstoeslag weigeren
                    als iemand gedurende 60 maanden (= vijf jaar) naar het oordeel van het college
                    onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                    aanvaarden. De verplichting om de langdurigheidstoeslag te weigeren verhoudt
                    zich niet met een eventuele verplichting deze toeslag te verlagen. Het ligt niet
                    voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen voor een
                    langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting die zij
                    kunnen schenden in verband met de langdurigheidstoeslag is het verstrekken van
                    geen of onvoldoende gegevens waardoor het college de rechtmatigheid van het
                    verlenen van deze uitkering niet kan vaststellen. De sanctie die hierop rust is
                    niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze
                    toeslag. </al><al/><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in de
                    rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bijzondere
                    bijstand een rol spelen of betrokkene zijn verplichtingen in voldoende mate is
                    nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. </al><al/><al><vet>De relatie met de reïntegratieverordening</vet></al><al>In de reïntegratieverordening wordt vastgelegd hoe de gemeente de cliënten gaat
                    ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaan met het aanbieden van
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen
                    zijn: scholing, loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeid, sociale activering,
                    premies, kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan iedere cliënt de
                    arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd.
                    Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met
                    specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In
                    de reïntegratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de
                    gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele
                    beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in
                    beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                    maatregelverordening. </al><al/><al>Voorts is in de WWB de inlichtingenplicht uitgebreid naar feiten of
                    omstandigheden waarvan belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                    van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling. Het ligt in de rede om ook
                    hier de koppeling met de reïntegratieverordening te maken. In de
                    begripsbepalingen in artikel 1 van de verordening wordt het begrip
                    benadelingsbedrag dan ook vertaald naar zowel de bijstand als de inzet van
                    reïntegratiemiddelen. </al><al/><al><vet>Regelen in de verordening of in beleidsregels</vet></al><al>In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te
                    leggen. Dit betekent dat er zonodig nadere beleidsregels kunnen worden
                    vastgelegd, bijvoorbeeld welke gedragingen vallen onder de algemeen omschreven
                    aanduidingen. Het opstellen van beleidsregels kan ook aan de orde zijn bij het
                    beoordelen van de mate van verwijtbaarheid en eventuele verzachtende
                    omstandigheden. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB en in de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al>Zo wordt in de verordening het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                    wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene
                    wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><al><vet>Artikel 2 Werkingssfeer</vet></al><al>In dit artikel wordt vastgelegd dat de regels van de maatregelverordening niet
                    van toepassing zijn op het 65+-bestand, dat aan de SVB overgedragen zal
                    worden.</al><al/><al>De SVB wenst een eenduidig beleid te kunnen voeren ten aanzien van het opleggen
                    van maatregelen. Overigens geldt deze uitzondering alleen voor het schenden van
                    de inlichtingenplicht. Maatregelen wegens het niet voldoen aan de
                    arbeidsverplichtingen (wat zich alleen kan voordoen bij een jongere partner),
                    worden opgelegd overeenkomstig deze verordening. Hiervoor heeft de SVB geen
                    afwijkende regels. </al><al><vet>Hoofdstuk 2 De maatregel</vet></al><al><vet>Artikel 3 Het opleggen van een maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="•"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="•"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: </al><lijst><li nr="•"><al>het toestaan van een huisbezoek;</al></li><li nr="•"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen’. </al></li></lijst><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In de maatregelverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van
                    een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een
                    vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="2."><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="3."><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="2."><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li></lijst><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. </al><al><vet>Artikel 4 De berekeningsgrondslag</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage
                    jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen. </al><al/><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Voor de hoogte van een dergelijke maatregel worden in
                    deze verordening geen percentages vastgelegd. Het gaat hier immers om
                    incidentele situaties. (Zie ook de algemene toelichting.)</al><al><vet>Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al/><al>Het is mogelijk om in beleidsregels neer te leggen hoe het college van plan is
                    om te gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te
                    geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
                    gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in
                    welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden. </al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen maatregelen op legt voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die stond in artikel 14e
                    van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><al><vet>Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of </al><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                    maand(en). </al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te
                    vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd. </al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De hoofdregel is dat een maatregel wordt uitgevoerd naar de toekomst (lid 1). In
                    afwijking hiervan wordt in deze verordening geregeld dat in bepaalde situaties
                    een maatregel wél met terugwerkende kracht opgelegd kan worden. Het opleggen van
                    een maatregel met terugwerkende kracht ligt voor de hand als er sprake is van
                    het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het te veel betaalde bedrag aan
                    bijstand van de uitkeringsgerechtigde moet worden teruggevorderd. In dat geval
                    wordt al een uitkeringsbedrag teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat
                    met terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd. </al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien de uitkering is beëindigd en al volledig is uitbetaald, is het opleggen
                    van een maatregel alleen nog mogelijk door de uitkering alsnog met terugwerkende
                    kracht te herzien en de door die herziening teveel verstrekte uitkering terug te
                    vorderen. Hierdoor zal een vordering ontstaan van (doorgaans) geringe hoogte,
                    waarbij de kans bestaat dat deze tevens gebruteerd dient te worden indien de
                    vordering niet voor het sluiten van het boekjaar wordt terugbetaald. Dit alles
                    gebeurd, terwijl de belanghebbende er wel voor heeft gezorgd dat aan hem of haar
                    geen bijstand meer wordt verstrekt.</al><al>In dit lid wordt gekozen voor het geven van een soort incentive. Zorgt de
                    belanghebbende ervoor dat hij of zij niet binnen een jaar na beëindiging van de
                    uitkering weer bijstandsafhankelijk wordt, dan wordt de maatregel niet opgelegd.
                    Wordt de belanghebbende wel binnen een jaar na de einddatum van de uitkering
                    weer bijstandsafhankelijk, dan wordt de maatregel opgelegd bij de toekenning van
                    de nieuwe uitkering.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                    gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het
                    redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden
                    gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook
                    of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al><vet>Artikel 7 Samenloop van gedragingen </vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al/><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><al><vet>Hoofdstuk 3 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al><vet>Artikel 8 Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al/><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd, zijn aangevuld ten opzichte
                    van de Maatregelverordening 2005. Verplichtingen in het kader van
                    reïntegratie(trajecten) krijgen een prominentere plaats in de verordening, om
                    het belang van ‘Werk boven uitkering’ te benadrukken.</al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a betreft de verplichting om het individuele
                    activeringsplan, het trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als
                    bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand
                    meegestuurd. </al><al/><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven. Deze
                    verplichting was in de Maatregelverordening 2005 opgenomen in de eerste
                    categorie. Gezien het belang van de inschrijving bij het CWI, zoals bijvoorbeeld
                    het verkrijgen van ondersteuning bij het vinden van werk door het CWI, is ervoor
                    gekozen het niet tijdig verlengen van de inschrijving bij het CWI op te nemen in
                    de tweede categorie. </al><al>Onderdeel b betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.</al><al>Onderdeel c betreft de verplichting voor belanghebbenden om medewerking te
                    verlenen aan onderzoeken in het kader van de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling. Zonder deze medewerking is het immers niet mogelijk om een
                    goed beeld te krijgen van welke middelen het college dient in te zetten om het
                    voor de desbetreffende belanghebbende mogelijk te maken om arbeid te
                    aanvaarden.</al><al>Onderdeel d betreft de situatie waarin een belanghebbende, door langer dan de
                    gebruikelijke vakantieduur in het buitenland te verblijven, arbeidskansen heeft
                    gemist. Het enkele langere verblijf is dus niet maatregelwaardig. Een maatregel
                    wordt alleen opgelegd als door het langere verblijf arbeidskansen zijn gemist,
                    dan wel onvoldoende getracht is arbeid te verkrijgen.</al><al/><al>De derde categorie, onderdeel a, betreft gedragingen die direct een aanleiding
                    vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren
                    daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                    aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                    arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve
                    gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld
                    trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>Onderdeel b betreft de situatie waarin aan belanghebbende een voorziening,
                    gericht op arbeidsinschakeling, is aangeboden en de belanghebbende hiervan geen,
                    dan wel onvoldoende gebruik maakt. Hierbij kan men denken aan situaties waarin
                    de belanghebbende niet op komt dagen voor een afspraak, cursus etc. of hieraan
                    onvoldoende meewerkt. Onderdeel b is alleen van toepassing indien het gedrag van
                    de belanghebbende niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                    voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject (zie ook voor de vierde
                    categorie, onderdeel c).</al><al>Onderdeel c betreft het niet of in onvoldoende mate nakomen van verplichtingen,
                    die op grond van artikel 55 WWB zijn opgelegd.</al><al/><al>De vierde categorie, onderdelen a en b, betreft het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand
                    deeltijdarbeid niet behouden. Onder deze categorie valt tevens het niet
                    aanvaarden, dan wel niet behouden van een detacheringsbaan als bedoeld in de
                    reïntegratieverordening.</al><al>Onderdeel c betreft de situatie waarin aan belanghebbende een voorziening,
                    gericht op arbeidsinschakeling, is aangeboden en de belanghebbende hiervan geen,
                    dan wel onvoldoende gebruik maakt én dit heeft geleid tot het beëindiging, dan
                    wel geen doorgang vinden van het reïntegratietraject (zie ook voor de derde
                    categorie, onderdeel b).</al><al><vet>Artikel 9 De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd, zijn verhoogd ten opzichte van de
                    Maatregelverordening 2005. De percentages bedragen nu 10, 20, 50 en 100 procent
                    (was 5, 10, 20 en 100). De verhoging van de percentages heeft plaatsgevonden om
                    een grotere nadruk te leggen op de eigen verantwoordelijkheid van
                    belanghebbenden op het gebied van de arbeidsinschakeling. </al><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al><vet>Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de inlichtingenplicht</vet></al><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Artikel 9: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente.
                            In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan in
                            dat geval het recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de
                            gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het verzuim
                            te herstellen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10 en 11: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                            inlichtingen aan de gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is
                            verstrekt of een te hoog bedrag aan bijstand is verstrekt. In deze
                            situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de
                            inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Het opzettelijk verzwijgen van
                            relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)
                            uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de
                            informatieplicht van artikel 17. </al></li></lijst><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente
                    worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de
                    uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen
                    van een maatregel is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk
                    zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de
                    orde. </al><al><vet>Artikel 10 Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien een belanghebbende niet voldoet aan een door het college gestelde termijn
                    om inlichtingen te verstrekken, wordt de uitkering op grond van artikel 54,
                    eerste lid WWB opgeschort en wordt aan de belanghebbende een hersteltermijn
                    geboden. Voldoet de belanghebbende niet binnen de hersteltermijn aan de
                    opgelegde verplichting, dan wordt de uitkering ingetrokken (artikel 54, vierde
                    lid WWB).</al><al>Voldoet de belanghebbende wel binnen de hersteltermijn aan het verzoek van het
                    college, dan dient het opleggen van een maatregel overwogen te worden. Als
                    uitgangpunt in artikel 10 wordt genomen dat in dergelijke gevallen volstaan
                    wordt met het geven van een waarschuwing. Indien er echter ten aanzien van de
                    belanghebbende in de daaraan voorafgaande twee jaar al een waarschuwing is
                    gegeven, dan wordt op grond van het tweede lid wel een maatregel opgelegd.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de situatie waarin op grond van het eerste lid geen waarschuwing
                    meer kan worden gegeven. De hoogte van de op te leggen maatregel bedraagt 10%. </al><al><vet>Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten
                    vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                    bijstand, dan wel het door de gemeente ten onrechte betaalde bedrag aan
                    reïntegratiemiddelen.</al><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand of inzet van reïntegratiemiddelen dat
                    als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de
                    belanghebbende is betaald. </al><al/><al>De maatregel wordt in principe toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering
                    van de belanghebbende, tenzij er redenen zijn om het anders te doen. Zie ook
                    artikel 7 en toelichting. </al><al/><al><vet><cursief>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</cursief></vet></al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                    proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                    indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,-
                    (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze
                    taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB de
                    bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen
                    van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. In de
                    handhavingsverordening wordt geregeld de aangifte bij het OM geregeld.</al><al/><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                    maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM
                    bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is opgelegd door het
                    bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘Anrechnung’. Anderzijds ligt het niet
                    voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM
                    inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van
                    sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                    overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep
                    heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele
                    bestraffing’. </al><al><vet>Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand of de inzet van reïntegratiemiddelen. Voorbeelden
                    van nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                    vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. </al><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie.</al><al><vet>Artikel 13 Verdubbeling maatregel</vet></al><al>Dit is een recidivebepaling, die betrekking heeft op de artikelen 9, 10 en
                    11.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</vet></al><al><vet>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. </al><al/><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><lijst><li nr="a."><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="b."><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li></lijst><al/><al>In het derde en vierde lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de
                    maatregel en de periode die belanghebbende door zijn gedraging langer een beroep
                    op bijstand moet doen. In het derde lid wordt de maatregel bepaald op 100 % van
                    de bijstand. Met nadruk wordt hier niet gesproken over bijstandsnorm, maar over
                    bijstand. Immers een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is een thema
                    dat ook bij de verlening van bijzondere bijstand nog wel eens wil voorkomen. </al><al><vet>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. </al><al/><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB. </al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel
                    op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al/><al>Wij kennen een veiligheidsprotocol, waar in geregeld wordt hoe te handelen bij
                    dergelijke calamiteiten.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat de slot- en overgangsbepalingen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>