<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR2182_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bomenverordening gemeente Bergen 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Duinstreek, 15-01-2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bomenverordening gemeente Bergen 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Boswet, art. 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-02-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-02-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de bestaande bomen-, rooi- en kapverordeningen, van de gemeente Bergen NH van 28 juni 1994, van de gemeente Egmond van 30 maart 1998, en van de gemeente Schoorl van 12 april 1999</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bomenverordening gemeente Bergen 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 oktober
                        2002;</al><al>gelezen het advies van de commissie beheer &amp; economie van 7 november
                        2002;</al><al>overwegende dat het gewenst is voorschriften vast te stellen ter bewaring
                        van houtopstanden in het belang van de handhaving van het natuur-,
                        landschaps- of dorpsschoon of om andere redenen van milieubeheer;</al><al>gelet op artikel 15 van de Boswet en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>BOMENVERORDENING GEMEENTE BERGEN 2003;</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>houtopstand</onderstreept>: één of meer bomen,
                                        hakhout, een houtwal, een lintbegroeiing van heesters en
                                        struiken, een beplanting van bosplantsoen;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>boom</onderstreept>: een houtachtig,
                                        overblijvend gewas, dat;</al><lijst><li nr="•"><al>één of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van
                                                meerstammigheid de stammen zich bovengronds
                                                vertakken; en een dwarsdoorsnede van de stam, of bij
                                                meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste
                                                stam, van minimaal tien centimeter op 1,3 meter
                                                hoogte boven het maaiveld heeft, of</al></li><li nr="•"><al>aangewezen is na oplegging van een herplant- of
                                                instandhoudingplicht zoals bedoeld in artikel 6 van
                                                deze verordening, dan wel een voorschrift als
                                                bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze
                                                verordening;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><onderstreept>hakhout</onderstreept>: één of meer bomen of
                                        boomvormers die na te zijn afgezet, opnieuw op de stronk
                                        uitlopen;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>bebouwde kom</onderstreept>: de bebouwde kom
                                        van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde
                                        lid, van de Boswet;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Boomwaarde berekening</onderstreept>: het
                                        bedrag dat wordt gevonden door het product van de volgende
                                        factoren:</al><lijst><li nr="•"><al>de oppervlakte in cm<sup>2</sup> van de
                                                dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;</al></li><li nr="•"><al>de eenheidsprijs van € 4,97 per cm<sup>2</sup>,
                                                prijs zonodig jaarlijks aan te passen;</al></li><li nr="•"><al>de standplaatswaarde;</al></li><li nr="•"><al>voor het dorpscentrum 100%</al></li><li nr="•"><al>voor het dorpsgebied 90%</al></li><li nr="•"><al>voor het open- dorpsgebied 80%</al></li><li nr="•"><al>voor de dorpsrand 70%</al></li><li nr="•"><al>voor het landelijk gebied 60%</al></li><li nr="•"><al>de conditiewaarde; (100%, 80%, 60%, 40%, 20%);</al></li><li nr="•"><al>de waarde van de plantwijze;</al></li><li nr="•"><al>solitair 100%</al></li><li nr="•"><al>laanbomen 80%</al></li><li nr="•"><al>groep van 2-5 stuks 60% </al></li><li nr="•"><al>grotere boomgroepen 40% bosbeplanting 20%</al></li><li nr="-"><al>de boomwaarde berekening laten uitvoeren door een
                                                beëdigd boomtaxateur of een deskundige.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al><onderstreept>vellen</onderstreept>: het kappen, omhakken,
                                        rooien en verplanten, alsmede het verrichten van
                                        handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of
                                        ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten
                                        gevolge kunnen hebben;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>vergunning</onderstreept>: een vergunning als
                                        bedoeld in artikel 2;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>rechthebbende</onderstreept>: de zakelijk
                                        gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt,
                                        dan wel degene die uit andere hoofde tot het treffen van
                                        voorzieningen bevoegd is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en
                            wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige
                                    beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn
                                    geknot;</al></li><li nr="b."><al>fruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar,
                                    bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in
                                    het bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                    geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen de
                                    bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
                                    vormt en, ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are,
                                    ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale
                                    aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                    of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en
                                    wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 7 en 10
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                    reguliere onderhoud;</al></li><li nr="c."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij
                                    daarvoor geschikte bomen.</al></li><li nr="d."><al>Het periodiek vellen van houtopstand op natuurterreinen ter
                                    uitvoering van het regulieronderhoud.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd onder bijvoeging van een
                            situatieschets of foto worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de directeur Bos, Landschap, Natuur en Visserij, van het
                            ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een afschrift van de
                            ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, aan
                            burgemeester en wethouders heeft toegezonden, beschouwen burgemeester en
                            wethouders dit afschrift als een aanvraag om een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning moet aangevraagd worden door, namens of met toestemming
                            van rechthebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning weigeren, dan wel aan
                            de vergunning voorschriften of beperkingen verbinden, in het belang
                            van:</al><lijst><li nr="-"><al>natuur- en milieuwaarden,'</al></li><li nr="-"><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="-"><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="-"><al>waarden van dorpsschoon;</al></li><li nr="-"><al>beeldbepalende waarden;</al></li><li nr="-"><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij het weigeren of onder
                            voorschriften of beperkingen verlenen van een vergunning tevens het
                            resultaat van de boomwaarde berekening als motivering hanteren. Zij
                            verwijzen zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-,
                            bomen- of landschapsplannen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                            voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door
                            burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.
                            Indien een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan
                            de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft,
                            wordt zoveel mogelijk een herplantplicht opgelegd.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt aan de vergunning een voorschrift verbonden als bedoeld in het
                            eerste lid, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en
                            binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden
                            vervangen.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                            aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende
                            flora en fauna, met name het niet uitvoeren van kapwerkzaamheden in het
                            broedseizoen in de periode van 15 maart tot 15 juni.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de vergunning wordt aangevraagd ten behoeve van de uitvoering van
                            werk of activiteit waarvoor andere vergunningen noodzakelijk zijn,
                            kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat van de vergunning eerst
                            gebruik mag worden gemaakt, wanneer deze andere vergunningen
                            onherroepelijk zijn geworden.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een gedraging in strijd met een voorschrift of beperking verbonden aan
                            een krachtens deze verordening verleende vergunning is verboden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2 van deze verordening vervalt, indien
                        binnen maximaal één jaar na afgifte, dan wel in een geval als bedoeld in
                        artikel 5, vierde lid binnen maximaal één jaar na afgifte van de andere
                        vergunningen, daarvan geen volledig gebruik is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Herplant- / instandhoudingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            verordening van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en
                            wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen
                            burgemeester en wethouders aan de rechthebbende de verplichting opleggen
                            te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen
                            een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
                            daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting
                            en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in deze
                            verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt
                            bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de rechthebbende van de
                            grond waarop zich de houtopstand bevindt, dan wel aan degene die uit
                            anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                            verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven
                            aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                            treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een beslissing als bedoeld in de vorige leden wordt schriftelijk ter
                            kennis van betrokkene gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een gedraging in strijd met een opgelegde verplichting als bedoeld in
                            het eerste en derde lid is verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Schadevergoeding</titel></kop><al>Op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17, juncto artikel
                        13, vierde lid, van de Boswet, beslist de gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Verhouding tussen rooi-, bouw- en
                            aanlegvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stemmen de procedures betreffende
                            rooivergunning en aanleg- en bouwvergunning in het ontwerpstadium op
                            elkaar af.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rooi-, bouw- en aanlegvergunningen worden zoveel mogelijk per project
                            gelijktijdig afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een rooivergunning kan worden geweigerd op de enkele grond dat de bouw-
                            of aanlegvergunning nog niet definitief zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een rooivergunning kan worden geweigerd, nadat een bouw-
                            aanlegvergunning is verleend, indien de rechthebbende aanvrager van een
                            rooivergunning niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid
                            heeft gemeld van een beeldbepalende of anderszins waardevolle
                            houtopstand aan Burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Bescherming bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om houtopstanden, die openbaar zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>te beschadigen, te bekladden of te beplakken;</al></li><li nr="-"><al>daaraan te snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren ter
                                    uitvoering van de hun opgedragen boomverzorgende taak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare
                            houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens
                            vergunning van Burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>iepziekte</onderstreept>: de aantasting van iepen
                                    door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.
                                    Ceratocystis ulmi (Buism.) O Moreau);</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>iepenspintkever</onderstreept>: het insect, in elk
                                    ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus
                                    (F.) en Scolytus multistriatus (Marsch) en Scolytus
                                    pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van bur gemeester en wethouders gevaar opleveren voor
                            verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de
                            iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                            burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                            aan schrijving vast te stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze binnen drie weken te
                                    vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad
                            te hebben of te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op geheel
                            ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                            centimeter;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het
                            derde lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een gedraging in strijd met een aanschrijving als bedoeld in het tweede
                            lid is verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr/><al>Overtreding van artikel 2, eerste lid, artikel 5, vijfde lid, artikel 7,
                            vijfde lid, en artikel 11, derde en zesde lid, wordt gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
                            categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                            gerechtelijke uitspraak. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden
                            gehouden met het resultaat van de boomwaarde berekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Opsporingsambtenaren</titel></kop><lid><lidnr/><al>De opsporing van de in artikel 12 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en
                            wethouders zijn belast met de zorg voor de naleving van het bij of
                            krachtens deze verordening gestelde, ieder voor zover het de feiten
                            betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Betreden dan wel binnentreden van gebouwen en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze
                            verordening be paalde dit vereist, wordt hierbij de last verstrekt al
                            dan niet besloten terreinen en gebouwen, niet zijnde woningen, desnoods
                            tegen de wil van de rechthebbende bewo ner of gebruiker te
                            betreden:</al><al>aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met de
                            uitvoering van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze veror dening;</al><al>aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met
                            het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening;</al><al>aan de opsporingsambtenaren, die en voor zover zij belast zijn met de
                            opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde last is te allen tijde uitvoerbaar.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van zes weken na de
                            bekendmaking.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de
                            bestaande bomen-, rooi- en kapverordeningen, van de gemeente Bergen NH
                            van 28 juni 1994, van de gemeente Egmond van 30 maart 1998, en van de
                            gemeente Schoorl van 12 april 1999.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 15,
                            tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de
                            vergunning betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening - van
                            kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of
                            totdat zij worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordeningen bedoeld
                            in artikel 15, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen
                            ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in
                            deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd,
                            is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergunningen bedoeld in het eerste lid en verplichtingen bedoeld in het
                            tweede lid, worden geacht vergunningen en verplichtingen in de zin van
                            deze verordening te zijn.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een vergunning op grond van een verordening bedoeld in
                            artikel 15, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
                            inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is
                            beslist, wordt de aanvraag afgehandeld onder toepassing van de
                            bepalingen van de verordening die van kracht was voorafgaande aan deze
                            verordening.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Aanhalingstitel</titel></kop><lid><lidnr/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Bomenverordening gemeente
                            Bergen 2003".</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Bergen 26 november 2002</al></slotformulering><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>TOELICHTING behorende bij de "Bomenverordening gemeente Bergen
                        2003"</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Deze verordening is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet. Verschillende
                    begrippen en bepalingen sluiten echter aan op de Boswet. De Boswet regelt
                    namelijk deels dezelfde materie, maar dan voor het gebied buiten de bebouwde
                    kom.</al><al>De voorschriften in deze verordening gelden voor bomen, houtwallen en hakhout
                    binnen en buiten de bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is een
                    aantal categorieën van bomen uitgezonderd, o.a. wilgen en populieren langs wegen
                    en landbouwgronden, bomen van bosbouwondernemingen, vruchtbomen, windschermen om
                    boomgaarden. De kapvoorschriften in de Boswet gelden ook niet voor struiken of
                    heesters, al is het mogelijk een lijst van te beschermen struiken op te nemen.
                    In deze verordening wordt ook een lintbegroeiing van heesters en struiken
                    beschermd.</al><al>Het doel van de voorschriften is het behoud van waardevolle bomen. Het begrip
                    waardevol is niet eenvoudig te definiëren, maar van belang is de waarde uit een
                    oogpunt van landschapsschoon, natuurschoon, dorpsschoon, en ook de waarde voor
                    recreatie en leefbaarheid.</al><al>Daarnaast kan de waarde van een boom volgens een door burgemeester en wethouders
                    vastgestelde methode, de boomwaarde berekening, worden uitgedrukt in een bedrag.
                    Het resultaat van de berekening kan een rol spelen bij het claimen van
                    schadevergoeding voor de beschadiging van bomen, het opleggen van een
                    herplantplicht of -voorschrift en/of voor de bepaling van de strafmaat bij
                    overtreding van het kapverbod.</al><al>De kapvoorschriften houden in dat het verboden is (waardevolle) bomen te vellen
                    zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Ter bescherming van de zoeven
                    genoemde belangen kan de vergunning worden geweigerd; weigeren is geen plicht.
                    Het behoud van waardevolle bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen,
                    zoals het belang van degene die tot velling wil overgaan.</al><al>Bij het weigeren van een vergunning wordt zoveel mogelijk verwezen naar
                    gemeentelijke plannen, zoals bijvoorbeeld het groenstructuurplan, of
                    bestemmingsplannen.</al><al>Worden bomen illegaal gekapt of gaan zij door andere oorzaken te gronde, dan kan
                    een herplantplicht worden opgelegd. Ook is het mogelijk een onderhoudsplicht op
                    te leggen, als (waardevolle) bomen ernstig in het voortbestaan worden bedreigd.
                    Ook hier moet belangenafweging plaatsvinden.</al><al>Over die afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. Bomen blijken soms wel te moeten sneuvelen
                    als er sprake is van ernstig gevaar voor omvallen of van zeer ernstige overlast,
                    bijvoorbeeld als gevolg verstopping van rioleringen. Bij verschillende
                    uitspraken wordt overwogen dat de bomen nog gezond zijn en nog jaren meekunnen,
                    zodat zij mede om die reden kunnen worden gehandhaafd.</al><al>Blijkens jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk optreden
                    nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er meer bomen of
                    zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige toestand
                    kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de vorige
                    toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien niet anders mogelijk zelfs pas
                    na verloop van tijd.</al><al>Jurisprudentie over schadeloosstelling wegens vellen van houtopstand is nog
                    schaars. De Boswet schrijft echter voor dat bepalingen terzake worden opgenomen.
                    Mocht er nieuwe jurisprudentie ontstaan, dan zal de rechter wellicht dezelfde
                    lijn trekken als bij jurisprudentie over artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening. Geen schadevergoeding wordt toegekend in gevallen waarbij door een
                    kapverbod of een weigering van een kapvergunning de (nog niet verwezenlijkte)
                    mogelijkheid werd ontnomen, om een voordeel te behalen (bijvoorbeeld het beter
                    kunnen bewerken van grond of de winst uit verkoop van hout). Ook is geen
                    schadevergoeding toegekend voor schade die voorzienbaar was of die in het kader
                    van een ruilverkaveling is verrekend.</al><al>Vooralsnog moet er van worden uitgegaan dat de kapvoorschriften wijken voor het
                    recht van de eigenaar van een buurerf om het rooien van bomen te vorderen
                    krachtens artikel 5:42 BW, als bomen binnen twee meter van de erfgrens staan
                    (voor heesters of heggen is dit een halve meter). Weliswaar biedt genoemd
                    artikel de mogelijkheid om bij verordening een kleinere afstand toe te laten.
                    Gekozen is dit vooralsnog niet te doen, daar dit naar verwachting een bron van
                    burenruzies kan zijn.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Artikel 1 - Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel a (houtopstand)</vet></al><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert. Gesproken
                    wordt van "bossen en andere houtopstanden"; ook de bossen worden dus tot de
                    houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving gegeven van
                    houtopstand en ook niet van hakhout.</al><al>In artikel 1, eerste lid, van de verordening wordt ook een houtwal als
                    houtopstand aangemerkt. In het algemeen vallen onder houtwal alle lintvormige
                    begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit bomen en/of struiken. Het
                    begrip omvat onder andere houtsingels, houtkaden. Houtwallen zijn duidelijk
                    omvangrijker dan heggen of hagen of de in het tweede lid van artikel 2 bedoelde
                    wegbeplantingen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.</al><al>Ook struiken of heesters vallen onder de voorschriften, voor zover zij bestaan
                    uit lintbegroeiing</al><al>van enige omvang. Solitaire struiken of heesters alsmede heggen en hagen zijn
                    niet onder de</al><al>voorschriften begrepen.</al><al>Als struik of heester wordt doorgaans beschouwd ieder houtachtig gewas dat zich
                    vlak boven de</al><al>grond vertakt en daardoor in tegenstelling tot een boom geen echte stam heeft.
                    In de regel heeft</al><al>een struik of heester maximaal een hoogte van een paar meter (van Dale:
                    manshoogte).</al><al>De term heg of haag heeft in het algemeen overigens betrekking op een omheining
                    van struiken</al><al>(of soms bomen) die regelmatig in de gewenste vorm wordt geschoren.</al><al><vet>Eerste lid, onderdeel b (boom)</vet></al><al>Gekozen is voor een precieze definitie van het begrip boom, zodat dit begrip
                    eenduidig kan worden gehanteerd en eenvoudig controleerbaar wordt. De minimaal
                    10 centimeter doorsnede is gekozen, omdat deze maat ook vaker gebruikt wordt bij
                    het bepalen van het al dan niet makkelijk verplaatsbaar zijn van bomen.</al><al>Vanzelfsprekend moet de minimumgrootte niet gelden voor aanplant in het kader
                    van een herplantplicht of -voorschrift. Dit geldt tevens voor aanplant in het
                    kader van een opgelegde instand-</al><al/><al>houdingsplicht. Door de 10 cm en de meerstammigheid zullen oude struiken nu
                    juridisch ook een boom kunnen zijn. Bescherming van "boomgelijke" struiken acht
                    de gemeente gewenst.</al><al><vet>Eerste lid, onderdeel c (hakhout)</vet></al><al>Onder afzetten wordt verstaan het vlak boven de grond afzagen van bomen, met de
                    bedoeling dat de stobben weer uitlopen.</al><al><vet>Eerste lid, onderdeel e (boomwaardeherekening)</vet></al><al>De boomwaarde is met name bedoeld voor het terugkrijgen van de gemeentelijke
                    investeringen in bomen, die door waardevermindering van de boom verloren zijn
                    gegaan, bijvoorbeeld door vandalisme, aanrijschade of illegaal kappen. Het aldus
                    terugvorderen van vergoedingen kan ook een preventieve werking hebben.</al><al>Noodzakelijk is wel de relativering van de boomwaarde door de regels van
                    redelijkheid en billijkheid in een concreet geval. Soms - met name wanneer een
                    vergunning wordt verstrekt wegens dunning, of het voorkomen van schade of
                    overlast - zal men een particulier niet voor de volle boomwaarde kunnen
                    aanspreken en naar redelijkheid van het geval moeten matigen, tenzij sprake is
                    van het negeren van een geweigerde kapvergunning of ander bewust of opzettelijk
                    strafbaar handelen.</al><al>Bij aanrijschade zal de aansprakelijkheid afhankelijk zijn van de ontstane
                    schade. De aansprakelijkheid omvat dus niet zonder meer de volle
                    boomwaarde.</al><al>Er is niet gekozen voor het vastleggen van het begrip boomwaarde. Hiervoor
                    worden verschillende methoden gehanteerd. Meest gebruikt tot op heden is de
                    zogenaamde methode Raad. De Nederlandse Vereniging voor Beëdigd Taxateurs heeft
                    eind 1998 een nieuw alternatief ontwikkeld waarin onderscheid wordt gemaakt
                    tussen verschillende boomsoorten. Daar er nog geen landelijke eenheid in
                    financiële benadering is ontwikkeld en daar bestaande systemen werken met
                    eenheidsprijzen die jaarlijks worden vastgesteld, is ervoor gekozen de methodiek
                    van boom-waardeberekening vast te laten stellen door burgemeester en
                    wethouders.</al><al><vet>Eerste lid, onder f (vellen)</vet></al><al>Het begrip "vellen" zelf is niet omschreven. Voor de betekenis ervan kan worden
                    uitgegaan van het normale taalgebruik. Zo zal het omhakken of afzagen van een
                    boom zeker als vellen moeten worden beschouwd.</al><al>De omschrijving van "vellen" omvat ook het verrichten van handelingen die de
                    dood of ernstige beschadiging van houtopstanden ten gevolge hebben. Deze
                    omschrijving komt overeen met die van artikel 1, lid 2, van de Boswet. Om
                    misverstanden te voorkomen zijn "verplanten" en "ontsiering" toegevoegd.</al><al>Toegevoegd is "zowel boven- als ondergronds" om ook op te kunnen treden tegen
                    ernstige beschadiging bij bijvoorbeeld de aanleg van kabels en leidingen. De
                    expliciete, ondergrondse bescherming lijkt nodig gezien de achterstelling van
                    het kappen van wortels tegenover het afsnijden van takken in artikel 5:42 e.v.
                    van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>De omschrijving van "vellen" heeft alleen betrekking op (actieve) handelingen en
                    niet op het (passieve) nalaten van handelingen, bijvoorbeeld het nalaten van
                    onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde houtopstand
                    veilig te stellen, of het lijdelijk toezien dat houtopstand - al dan niet door
                    toedoen van anderen - te gronde gaat. Het lijkt te ver te gaan om ook een
                    dergelijk nalaten van handelingen onder het begrip "vellen" te brengen. Tegen
                    ernstige verwaarlozing kan echter wel worden opgetreden. In dit verband wordt
                    verwezen naar artikel 7 van deze verordening en de toelichting daarop.</al><al/><al><vet>Artikel 2 - Kapverbod</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 2 geeft de werkingssfeer van de regeling aan. De regeling geldt zowel
                    binnen als buiten de bebouwde kom.</al><al>De vraag of houtopstand binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen, is om twee
                    redenen van belang:</al><al>1.wanneer het gaat om bossen van een bosbouwondememing, bedoeld in het tweede
                    lid, onder e van artikel 2.</al><al>Ligt houtopstand van een dergelijke onderneming buiten de bebouwde kom, dan is
                    het kapverbod alleen van toepassing wanneer het gaat om "kleine" bossen;</al><al>2.voor de toepassing van de Beschikking bosbijdragen.</al><al>Deze beschikking geldt niet voor bossen of houtopstanden die zijn gelegen binnen
                    de bebouwde kom.</al><al>In de uitzonderingen genoemd in het tweede en derde lid is niet langer opgenomen
                    het "vellen van houtopstand bij wijze van dunning." Deze uitzondering is een
                    bron voor discussie over de vraag of het vellen van bomen al dan niet geschiedde
                    (het vellen is dan doorgaans al gebeurd) bij wijze van dunning, ofwel "het
                    vellen ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand." Een dergelijke
                    bepaling is vatbaar voor misbruik. 'Dunning' kan wel een motivering van de
                    aanvraag van een vergunning zijn. Het weglaten van 'dunning' als uitzondering
                    betekent ook dat de gemeente een vergunning nodig zal moeten aanvragen voor het
                    onderhoud van houtopstanden.</al><al><vet>Eerste lid (kapvergunning)</vet></al><al>Lid 1 introduceert het vergunningenstelsel.' een algemeen kapverbod, behoudens
                    daartoe verkregen vergunning.</al><al>In de Boswet wordt een meldingsplicht (kennisgeving van het voornemen tot
                    vellen) gehanteerd. Dat is te verklaren uit het andere doel van deze wet. Een
                    eventuele kap van bos heft zich op in de herplantplicht: de zaak is rond als
                    (elders) weer een boom is geplant. Het gaat niet zozeer om een bepaalde boom,
                    maar om het totaal aantal bomen.</al><al>De bomenverordening heeft voornamelijk ten doel juist een bepaalde boom of groep
                    van bomen uit oogpunt van natuurwaarde, landschappelijke waarde,
                    cultuurhistorische waarde, dorpsschoon of leefbaarheid te sparen. Met een
                    herbeplanting is men zelden gebaat. Het is dus zaak een maximale bescherming te
                    scheppen. Deze geeft het vergunningenstelsel in grotere mate dan het
                    meldingssysteem. De controle is bij het vergunningenstelsel eenvoudiger omdat de
                    eigenaar van de houtopstand een vergunning moet kunnen tonen. Daarnaast gaat er
                    een grotere preventieve werking uit van een vergunningenstelsel, dan van een
                    meldingsplicht.</al><al><vet>Tweede lid (uitzonderingen krachtens de Boswet)</vet></al><al>Lid 2 geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde verbod.
                    De onder a tot en met e vervatte uitzonderingen vloeien voort uit artikel 15,
                    lid 2, van de Boswet, waarin de categorieën bomen of houtopstanden worden
                    genoemd, ter bewaring waarvan de gemeentelijke wetgever geen regels mag stellen.
                    Hiertoe behoren o.a. wegbeplantingen en eenrïjige beplantingen op of langs
                    landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen. Bij wet van
                    8 december 1982, Stbl. 706, is echter voor de hier bedoelde wilgen en populieren
                    een uitzondering gemaakt, doordat aan artikel 15, tweede lid, onder a, van de
                    Boswet is toegevoegd "tenzij deze zijn geknot".</al><al>De gemeentelijke wetgever heeft daarmee de mogelijkheid gekregen regels te
                    stellen ter bewaring van knotwilgen en knotpopulieren die deel uitmaken van
                    wegbeplantingen of eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden. Het
                    kapverbod geldt wel voor wilgen en populieren, niet zijnde wegbeplantingen of
                    eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, waarbij niet van</al><al>belang is of deze wel of niet zijn geknot.</al><al>Bij de in onderdeel b opgenomen uitzondering kan nog worden vermeld, dat in de
                    Boswet het begrip "vruchtbomen" wordt gehanteerd. Het begrip "vruchtboom" is
                    niet duidelijk. Bedoeld zal wel niet zijn "vruchtdragende boom", want anders
                    zouden gemeenten en provincies voor geen enkele boom regels mogen stellen. Uit
                    de parlementaire discussie over artikel 15, lid 2, van de Boswet kan worden
                    afgeleid dat is gedacht aan bomen die uit economische motieven worden geteeld,
                    dat wil zeggen bomen zoals die staan in boomgaarden oftewel fruitbomen.
                    Inmiddels wordt in de meeste gemeentelijke verordeningen gesproken over
                    fruitbomen (zie bijvoorbeeld de model-bomenverordening van de Boomstichting, de
                    verordeningen van de gemeenten Alkmaar, Bergen en Egmond).</al><al><vet>Derde lid, onder a (uitzondering voor o.a. iepziektebestrijding)</vet></al><al>Het derde lid bevat twee extra uitzonderingen, die niet direct voortkomen uit
                    hetgeen is geregeld in de Boswet.</al><al>Onderdeel a ziet op het geval dat bomen moeten worden geveld ter bestrijding van
                    de iepziekte, of in het kader van een instandhoudingsplicht, dan wel krachtens
                    (andere) bepalingen van de APV, bijvoorbeeld in verband met de
                    verkeersveiligheid. Voorzover het de bestrijding van iepziekte betreft, wordt
                    verwezen naar de (overige) bepalingen van artikel 11. De verwijzing naar artikel
                    7 houdt in dat wanneer bomen worden geveld wegens een aanwijzing van het college
                    van burgemeester en wethouders, eveneens een herplant- of instandhoudingsplicht
                    kan worden opgelegd.</al><al>Het meer in algemene zin verwijzen naar de Plantenziektenwet is zinvol voor de
                    handhaving van het Kersenvliegbesluit, het Schildluisbesluit, het Besluit
                    bestrijding bacterievuur en eventuele toekomstige plantenziekten. De
                    vergunningprocedure staat een doelmatige bestrijding van iepziekte en andere
                    plantenziekten in de weg.</al><al><vet>Onderdeel b (uitzondering voor onderhoud hakhout)</vet></al><al>Hoewel dit hoogst zelden zal voorkomen, is deze bepaling opgenomen. Het
                    onderhoud van hakhout (zie definitie onder artikel 1, sub c.) veronderstelt het
                    rooien, c.q. vellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 - Aanvraag vergunning</vet></al><al><vet>Eerste lid (schriftelijke aanvraag)</vet></al><al>Een situatieschets of foto wordt gevraagd om te voorkomen dat de kapvergunning
                    een tweede maal voor een andere houtopstand wordt gebruikt en om te voorkomen
                    dat er (anderszins) verwarring kan ontstaan over de bedoelde bo(o)m(en).</al><al><vet>Tweede lid (combinatie melding/vergunningaanvragen)</vet></al><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de Boswet als
                    onder de Kapverordening vallen. Dit betekent dat in die gevallen een voorgenomen
                    velling moet worden gemeld aan Staatsbosbeheer en dat vergunning moet worden
                    gevraagd aan het gemeentebestuur.</al><al>Dit artikel van de verordening stelt nu dat de wettelijk voorgeschreven
                    kennisgeving aan Staatsbosbeheer mede wordt beschouwd als een
                    vergunningaanvraag. Deze efficiënte werkwijze is mogelijk geworden, doordat de
                    directeur Natuur, Bos, Landschap en Fauna (voorheen de directeur van
                    Staatsbosbeheer) van de bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving een
                    afschrift zendt aan het desbetreffende gemeentebestuur. Aangezien dit afschrift
                    alle gegevens bevat, die het gemeentebestuur voor de beoordeling van de aanvraag
                    nodig heeft, is een belangrijke vereenvoudiging verkregen die voor de
                    belanghebbende boseigenaar vele van de bezwaren van het onderworpen zijn aan
                    tweeërlei gezag wegneemt.</al><al/><al><vet>Artikel 4 - Weigering</vet><vet>sgronden</vet></al><al><vet>Eerste lid (waarden als weigeringsgrond)</vet></al><al>Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers, of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking, of schaduwwerking.</al><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. De
                    opsomming in het eerste lid worden in jurisprudentie als toetsingscriteria
                    aangetroffen.</al><al/><al> Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden
                    met:</al><al>de recreatieve waarde van een klimboom, die bij de jeugd als speelobject
                    waardering</al><al>ondervindt;</al><al>de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of planologisch
                    oogpunt</al><al>of wegens ouderdom of situering;</al><al>de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat
                    daarop</al><al>zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien, hetzij hogere planten dan
                    wel</al><al>mossen of korstmossen;</al><al>de luchtzuiverende kwaliteiten;</al><al>de invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat;</al><al>de nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.</al><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de
                    (stam)omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de
                    standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend
                    of langzaam groeiend). In de boomwaardeberekening wordt aan deze begrippen een
                    waarde gegeven, waardoor een en ander geconcretiseerd wordt.</al><al>Nadrukkelijk zij hier vermeld dat in de gemeente Bergen de leeftijd van de boom
                    (die overigens vaak zal samenhangen met de stamomvang) en de gezondheidstoestand
                    van de boom, zwaar wegen in de belangenafweging. Onder cultuurhistorische
                    waarden is begrepen de mogelijkheid dat een boom het behouden waard is om zijn
                    historische betekenis, plaats of verhaal. Onder waarden voor recreatie en
                    leefbaarheid vallen bijvoorbeeld ook bomen die algemeen gewaardeerd worden om
                    hun schaduw.</al><al>De (overige) gehanteerde begrippen zijn niet nauwkeuriger te omschrijven. De
                    hier gegeven opsomming is bovendien niet uitputtend. Het vorenstaande beoogt dan
                    ook het kader aan te geven, waarbinnen een kapvergunning kan worden geweigerd of
                    onder voorschriften verleend. Ook in andere regelingen kunnen vaag of niet
                    omschreven begrippen niet altijd worden vermeden.</al><al>Een kapvergunning zal in het algemeen worden verleend, wanneer.'</al><al>het gaat om het vellen van houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat deze bij
                    gedeelten periodiek worden "afgezet", dat wil zeggen, geveld om een geleidelijke
                    verjonging mogelijk te maken;</al><al>het gaat om het vellen van houtopstand rondom (agrarische) bedrijfsgebouwen,
                    wanneer deze houtopstand noodzakelijkerwijs moet wijken voor een
                    bedrijfsuitbreiding waarvoor een bouwvergunning is verleend (zo nodig kan een
                    herplantplicht worden opgelegd in die zin, dat de vervangende beplanting rond de
                    nieuwe bebouwing wordt aangebracht); een waardevolle boom een ernstig gevaar
                    vormt voor de openbare veiligheid, bijvoorbeeld wegens het risico van omwaaien
                    of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer; de bezwaren van
                    belanghebbenden zwaarder wegen dan de waarde van de houtopstand.</al><al>Het beleid op lange termijn moet eveneens niet uit het oog worden verloren. Het
                    is soms beter bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen,
                    dan op een kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden
                    geheel moeten worden "afgeschreven". Een al te starre toepassing van dit artikel
                    kan de bereidheid van de burger om uit eigen beweging aan te planten in de weg
                    staan: hij zou immers kunnen vrezen "er voor eeuwig aan vast te zitten".</al><al><vet>Tweede lid (boomwaarde als weigeringsgrond)</vet></al><al>Toegevoegd is dat bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een
                    vergunning ook de boomwaarde ("het resultaat van de boomwaardeberekening"). Ook
                    hier geldt dat de boomwaarde niet te star kan worden toegevoegd. De belangen van
                    de aanvrager en de regels van redelijkheid en billijkheid moeten hiertegen
                    worden afgewogen. Burgemeester en wethouders stellen de wijze van berekening
                    vast.</al><al>De boomwaarde, zoals in andere gemeenten gehanteerd, is een product van de
                    volgende factoren:</al><al>de oppervlakte in cm<sup>2</sup> van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het
                    maaiveld;</al><al>de geïndexeerde eenheidsprijs per cm<sup>2</sup>;</al><al>de standplaatswaarde;</al><al>de conditiewaarde;</al><al>de waarde van plantwijze.</al><al/><al><vet>Artikel 5 - Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><al><vet>Eerste en tweede lid (herplant)</vet></al><al>Artikel 4 stelt de mogelijkheid om voorschriften aan een vergunning te verbinden
                    vast. Mede gezien het feit dat het voorschrift tot herplanten ingrijpend kan
                    zijn, is het wenselijk ter zake een uitdrukkelijke bepaling op te nemen.</al><al>Deze herplantplicht heeft een andere strekking dan de herplantplicht krachtens
                    de Boswet. Daar is zij gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat
                    herplanten elders mogelijk is). Bij de gemeente geschiedt een eventuele
                    herbeplanting om redenen van milieubeheer en zal zij vaak zoveel mogelijk ter
                    plaatse moeten gebeuren.</al><al>De Boswet geeft voor herplanten een termijn van driejaar. De gemeente behoeft
                    deze termijn in de bomenverordening niet aan te houden. In de verordening is
                    geen termijn genoemd. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn vaststellen
                    naar omstandigheden.</al><al>Behalve een termijn kunnen burgemeester en wethouders ook aanwijzingen geven met
                    betrekking tot de herplantplicht. Denkbaar is dat een andere boomsoort wordt
                    voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen die beter bestand zijn tegen iepziekte).</al><al>Bij vervanging van een grote boom kan worden gedacht aan herplanting van een
                    boom van vergelijkbare grootte of aanplant van meer dan één boompje. Uiteraard
                    dient herplant bosbouwkundig verantwoord te zijn. Betreft het houtopstand buiten
                    de bebouwde kom, behorende bij een "klein" bos van een geregistreerde
                    bosbouwondememing, dan moet rekening worden gehouden met een eventueel bosbouw-
                    of bosbeheerplan in het kader van de Boswet.</al><al>Het tweede lid van artikel 5 is opgenomen met het oog op de eventueel bestaande
                    wens ter versnelling van het herstel de eventuele vervangingsverplichting
                    gelijktijdig met de herplantplicht op te leggen.</al><al>Derde lid (bescherming flora en fauna)</al><al>Dit lid is toegevoegd uit oogpunt van natuurbescherming voor bijzondere flora en
                    fauna in en rond de houtopstand. De procedure rond kapvergunningaanvragen lijkt
                    een goede mogelijkheid en een juist moment om burgers meer natuurbewust te
                    maken. Bij voorschriften die in het kader van hetderde lid worden opgelegd, kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet vellen tijdens het broedseizoen (zie
                    hiervoor mede het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de verordening). </al><al><vet>Vierde lid (samenloop met andere vergunningen)</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor gevallen waarin een kapvergunning wordt verleend
                    bijvoorbeeld in verband met de realisatie van een bouwplan of in verband met de
                    aanleg van een weg. Zo kan voorkomen worden dat een boom al is gekapt, als de
                    bouw- of aanlegvergunning na beroep of bezwaar alsnog geweigerd wordt.</al><al>Zie de uitspraak van de afdeling rechtspraak van 9 december 1980, AB 1981,169.
                    Aan een kapvergunning die was verleend in verband met de aanleg van een weg, was
                    de voorwaarden verbonden dat van de vergunning pas gebruik mocht worden gemaakt,
                    indien en zodra de Kroon met de beoogde wegaanleg zou instemmen. De afdeling
                    vond deze voorwaarden in het belang van natuur- en landschapsschoon, welke
                    belangen de bomenverordening beoogt te dienen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 - Vervaltermijn vergunning</vet></al><al>Dit artikel is nodig om misbruik van (zeer) oude kapvergunningen tegen te gaan.
                    Op een (veel) later moment kan immers het inzicht over de waarde van een
                    houtopstand zijn gewijzigd (bomen groeien immers verder).</al><al>Van de vergunning moet "volledig" gebruik worden gemaakt. Wanneer een vergunning
                    voor tien bomen is afgegeven en er slechts vier binnen een jaar worden gekapt,
                    zal dus opnieuw een vergunning voor de resterende zes bomen moeten worden
                    aangevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 7 - Herplant-/instandhoudingsplicht</vet></al><al><vet>Eerste lid (zelfstandige herplantplicht)</vet></al><al>Blijkens jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk optreden
                    nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er meer bomen of
                    zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige toestand
                    kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de vorige
                    toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien niet anders mogelijk zelfs pas
                    na verloop van tijd. De boomwaarde kan een rol spelen bij de aanwijzingen rond
                    de herplantplicht.</al><al>Wanneer een herplantplicht alleen maar als een vergunningsvoorschrift zou kunnen
                    worden gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                    herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen.</al><al>De in artikel 7, eerste lid, opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke
                    gevallen een zelfstandige herplantplicht te scheppen.</al><al>In het eerste lid is toegevoegd "dan wel op andere wijze is teniet gegaan".
                    Burgemeester en wethouders kunnen dus ook een verplichting tot herplantplicht
                    opleggen, als houtopstand is teniet gegaan door verwaarlozing of door een
                    calamiteit. Oplegging van een herplantplicht in beginsel ook denkbaar, als
                    houtopstand is teniet gegaan door een velling ingevolge de Plantenziektenwet of
                    een veiling in het kader van een instandhoudingsplicht krachtens artikel 7,
                    derde lid, dan wel op grond van (andere) bepalingen van de APV, bijvoorbeeld in
                    verband met de verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het uitvoeren van de
                    herplantplicht soms ook de medewerking van andere dan de zakelijk gerechtigde
                    noodzakelijk is.</al><al>Daarom is in de definitie van rechthebbende aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet: aanschrijvingen
                    kunnen worden gericht tot de eigenaar "of tot degene die uit anderen hoofden tot
                    het treffen van voorzieningen bevoegd is". Ook in de Boswet komt een
                    herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht de eigenaar van grond,
                    waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning is geveld of op andere
                    wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Het besluit herbeplanting artikel 3
                    Boswet geeft daarvoor nadere</al><al>regels.</al><al>De herplantplicht die in artikel 7 is neergelegd, verschilt van de
                    herplantplicht van de Boswet. De in artikel 7 bedoelde herplantplicht geldt niet
                    zonder meer, maar pas wanneer burgemeester en wethouders daartoe besluiten. De
                    herplantplicht van de Boswet bestaat uit kracht van de Boswet zelf. De
                    herplantplicht heeft in de bepalingen bovendien een andere strekking dan in de
                    Boswet: in de wet is zij gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat
                    herplanten elders mogelijk is), terwijl herbeplanting krachtens de
                    kapverordening geschiedt om redenen van milieubeheer en daardoor vaak zoveel
                    mogelijk ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt dat een herplantplicht slechts
                    opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel van verloren waarden kan
                    voortkomen.</al><al><vet>Derde lid (instandhoudingsplicht)</vet></al><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal teniet
                    gaan.</al><al>De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet
                    is gegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 7 een
                    herplantplicht op te leggen.</al><al>Het kan echter voorkomen dat de strekking van de verordening beter gediend is
                    met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging daarvan. Met name valt
                    hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of slechts met grote
                    kosten te vervangen, en wat bijvoorbeeld natuur- of landschapswaarde,
                    dorpsschoon of beeldbepalende waarde, wegen zij op tegen een veelheid van jonge
                    boompjes.</al><al>Krachtens het derde lid van artikel 7 kan de rechthebbende worden verplicht tot
                    het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het
                    ongedaan maken of voorkomen, voorzover mogelijk van (dreigende) ernstige
                    beschadiging of aantasting tengevolge van weersomstandigheden, ziekten,
                    verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en
                    sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van
                    afval, enz.</al><al>Op bouwterreinen is bijvoorbeeld het volgende van belang:</al><lijst><li nr="1."><al>verkeer, machines, (bouw)keten, materiaalopslag en het verbranden van
                            afval onder de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar
                            brengen;</al></li><li nr="2."><al>een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van
                            beschadiging onder de kroon vandaan. Het hek moet ongeveer even ruim om
                            de boom staan als de kroon breed is;</al></li><li nr="3."><al>het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen;</al></li><li nr="4."><al>afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het
                            meeste voedsel en ook een groot deel van de fijne wortels;</al></li><li nr="5."><al>ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken;</al></li><li nr="6."><al>bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en
                            vocht, vooral bij gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden
                            gewerkt met de minder schadelijke "groensteen";</al></li><li nr="7."><al>een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het
                            vastspijkeren van latten geven grote wonden;</al></li><li nr="8."><al>beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting
                            wordt voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te
                            bedekken.</al></li></lijst><al>De verplichtingen tot instandhouding behoeft niet te betekenen dat van een
                    boomgroep alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met ziekten te
                    voorkomen kan zo nodig de verplichting worden opgelegd bepaalde bomen te kappen
                    en van het terrein te verwijderen. Bij een sterk verouderd bomenbestand kan het
                    aanbeveling verdienen het bestand te kappen onder het opleggen van een
                    herplantplicht.</al><al>Overigens kunnen ook verwaarloosde bomen uit een oogpunt van milieubeheer van
                    belang zijn. Zo kunnen vermolmde bomen bijvoorbeeld nestplaats bieden aan
                    vleermuizen.</al><al>De instandhoudingsplicht krachtens artikel 7 mag uiteraard niet leiden tot
                    strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bijvoorbeeld de
                    Plantenziektenwet.</al><al/><al><vet>Artikel 8 - Schadevergoeding</vet></al><al>Krachtens artikel 17 juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet wordt bij
                    weigering van een kapvergunning op verzoek van de eigenaar of gebruiker een naar
                    billijkheid te bepalen schadevergoeding uit de gemeentekas toegekend, indien
                    schade wordt geleden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste
                    behoort te blijven.</al><al>Evenwel, ook indien een regeling niet uitdrukkelijk een recht op
                    schadevergoeding geeft kan het redelijkheidsbeginsel meebrengen dat een
                    belastende beschikking niet genomen wordt zonder dat een schadevergoeding wordt
                    toegekend.</al><al>Artikel 17 van de Boswet schrijft voor dat de verordening een orgaan aanwijst,
                    dat beslist op verzoeken om vergoeding van schade die voortvloeit uit het
                    weigeren van een vergunning. In artikel 8 van de verordening wordt de
                    gemeenteraad als zodanig aangewezen. Gelet op de forse bedragen waarom het kan
                    gaan en de vereiste zorgvuldigheid is gekozen voor een relatief zware
                    procedure.</al><al>De gemeenteraad kan bij de behandeling van een verzoek om schadevergoeding
                    eventueel aansluiting zoeken bij de procedure bij de toepassing van artikel 49
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit houdt in dat de raad een neutrale
                    schadebeoordelingscommissie aanwijst en dat verzoeker in de gelegenheid wordt
                    gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten.</al><al/><al><vet>Artikel 9 - Verhouding tussen rooi-, bouw- en aanlegvergunning</vet></al><al>Dit artikel is noodzakelijk om de vergunning aanvraag beter te laten verlopen.
                    In het verleden is het voorgekomen dat iemand een bouwvergunning had voor een
                    garage maar de boom voor zijn nieuw te garage niet kon openen omdat er een boom
                    voorstand, in dat geval moest de gemeente wel een kapvergunning afgeven om dit
                    mogelijk te maken. Om dit tegen te gaan moet er een verhouding zijn met een
                    rooi, bouw en aanlegvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 10 – Bescherming bomen</vet></al><al>Dit artikel is noodzakelijk om bomen beter te beschermen tegen beschadigen,
                    bekladden en het beplakken van bomen.</al><al/><al><vet>Artikel 11 - Bestrijding iepziekte</vet></al><al>Dit artikel is noodzakelijk geworden met het intrekken van het ministerieel
                    Besluit Bestrijding lepeziekte. De minister heeft de gemeenten zelf de
                    bevoegdheid gelaten om tegen deze ziekte handelend op te treden. Optreden is
                    dringend gewenst om overgebleven iepen in de gemeente in stand te houden.</al><al>De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en de takken
                    verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen de wortels en de rest van de boom
                    verstoord en krijgen de bladeren geen water en voedingsstoffen meer. De boom is
                    dan ten dode opgeschreven. Dit proces kan zich binnen enkele weken voltrekken.
                    De schimmel wordt overgebracht door de iepen-spintkever. De kevers leggen hun
                    eitjes in de schors van zieke of dode iepen. De jonge kevers vliegen naar
                    gezonde bomen in de buurt die zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels
                    zonder tussenkomst van de kever de schimmel aan elkaar over.</al><al>Verspreiding van de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood iepenhout
                    in de periode van mei tot en met augustus in één maand te vernietigen, lepenhout
                    afkomstig van najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn vernietigd. Om
                    de ziekte tegen te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel op particuliere
                    als op openbare terreinen tweemaal per groeiseizoen te controleren op de
                    ziekte.</al><al>Artikel 17 - Strafbepaling</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheden tot strafsancties, indien gehandeld wordt in
                    strijd met het bepaalde bij of krachtens deze verordening. De boete van de
                    tweede categorie, een maximale boete van € 2250,-, hangt samen met de ernst van
                    het feit en de bepaling in artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet.</al><al>In geval van recidive is een hogere boete/hechtenis mogelijk. Bij opzet en bij
                    rechtspersonen kan ook een hogere boetecategorie gelden. Verder blijken
                    meerdaderschap en/of medeplichtigheid regelmatig voor te komen.</al><al>Toegevoegd is expliciet de mogelijkheid tot openbaarmaking als extra straf, een
                    mogelijkheid die openstaat in gevolge artikel 154, lid 1 van de Gemeentewet.
                    Meestal (kunnen) niet zulke hoge boetes worden opgelegd, omdat de rechter de
                    straf oplegt in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden
                    waaronder het is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de dader, zoals
                    daarvan bij de rechtszitting is gebleken. De boomwaarde is hier genoemd als één
                    van de vele factoren die meewegen, maar wel expliciet om het financiële te laten
                    meewegen. Bij opzettelijke, illegale kap zal worden uitgegaan van de volle
                    boomwaarde.</al><al/><al><vet>Artikel 13 - Opsporingsambtenaren</vet></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om, naast de ambtenaren genoemd in artikel 141
                    van het Wetboek van Strafvordering (onder meer officieren van justitie,
                    ambtenaren van politie), andere ambtenaren te belasten met de opsporing van de
                    in de Bomenverordening strafbaar gestelde feiten. Hierbij valt te denken aan
                    gemeentelijke toezichthouders en milieu-inspecteurs.</al><al/><al><vet>Artikel 14 - Betreden dan wel binnentreden van gebouwen en terreinen</vet></al><al>Dit artikel regelt de bevoegdheden van de ambtenaren als bedoeld in artikel 16.
                    Daarbij is gedifferentieerd naar mogelijke taken van die ambtenaren.</al><al/><al><vet>Artikel 15 - Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze bepaling regelt de inwerkingtreding van de "nieuwe" Bomenverordening van de
                    gemeente Bergen 2003 en het vervallen van de bestaande kapverordeningen van
                    Bergen, Egmond en Schoorl. De bomenverordening valt onder de werking van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw). Artikel 15 geeft aan dat de verordening zes
                    weken na bekendmaking in werking treedt. Deze termijn sluit aan bij de termijnen
                    gegeven in de Trw. Wordt er een inleidend verzoek gedaan dan vervalt de termijn
                    van rechtswege en dient de raad een nieuw besluit te nemen over de
                    inwerkingtreding van de verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 16 - Overgangsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel regelt het overgangsrecht tussen de oude en nieuwe verordening. Oude
                    vergunningen blijven ongewijzigd van kracht. Oude aanvragen worden afgehandeld
                    volgens de oude verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 17 - Aanhalingstitel</vet></al><al>De officiële titel, "Verordening op het bewaren van houtopstanden 2003", kan
                    worden aangehaald als "Bomenverordening gemeente Bergen 2003".</al><al>Er is gekozen voor de titel Bomenverordening. Dit doet meer recht aan het doel
                    van deze verordening, namelijk het bewaren van houtopstanden. Dit impliceert ook
                    het onderhoud van bomen, de bestrijding van ziekten (waaronder iepziekte) en het
                    zo nodig laten herplanten van bomen. Verder doet deze aanhalingstitel meer recht
                    aan het imago van Bergen als een groene gemeente, dan de vroegere titel,
                    Kapverordening.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>