<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21789_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Notitie Minimabeleid Wet werk en bijstand (WWB)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Peelrandwijzer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Notitie Minimabeleid Wet werk en bijstand (WWB)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-04-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Notitie Minimabeleid Wet werk en bijstand (WWB)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Notitie Minimabeleid </vet></al><al/><al/><al><vet>Positie van het minimabeleid naar aanleiding van de invoering van de
                            Wet werk en bijstand (WWB)</vet></al><al/><al><vet>Gemeente Sint Anthonis</vet></al><al><vet>Afdeling Welzijn, cluster Sociale Zaken</vet></al><al><vet>November 2004</vet></al><al/><al/><al><vet>Positie van het minimabeleid naar aanleiding van de invoering van de
                            Wet werk en bijstand (WWB)</vet></al><al/><al><vet>Leeswijzer:</vet></al><al>Deze notitie gaat in op de wijzigingen in het minimabeleid ten gevolge van
                        de invoering van de Wet werk en bijstand. Een werkgroep van de vijf
                        gemeenten in het Land van Cuijk heeft deze notitie voorbereid. Verdere
                        uitwerking van de notitie heeft plaatsgevonden per gemeente. Een en ander
                        heeft geleid tot een aantal overwegingen en adviezen ten aanzien van het te
                        ontwikkelen minimabeleid.</al><al/><al>Qua opbouw ziet de notitie er als volgt uit:</al><lijst><li nr="•"><al>de notitie start met een korte inleiding (hoofdstuk 1);</al></li><li nr="•"><al>in hoofdstuk 2 wordt een korte historische ontwikkeling
                                weergegeven;</al></li><li nr="•"><al>gevolgd door een schematisch overzicht van het huidige minimabeleid
                                (hoofdstuk 3);</al></li><li nr="•"><al>In hoofdstuk 4 wordt de positie van het minimabeleid in de WWB
                                geschetst,</al></li><li nr="•"><al>Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de wijzigingen t.g.v. de invoering
                                van de WWB aangegeven;</al></li><li nr="•"><al>Hoofdstuk 6 is een verdieping op het vorige hoofdstuk t.a.v. het
                                verstrekkingenniveau,</al></li><li nr="•"><al>Hoofdstuk 7 is eveneens een verdieping op het vijfde hoofdstuk; nu
                                t.a.v. het draagkrachtbeleid;</al></li><li nr="•"><al>In het 8e hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal nieuw te
                                ontwikkelen beleidspunten ten aanzien van chronisch zieken en
                                gehandicapten en de collectief aanvullende
                                (ziektekosten)verzekering;</al></li><li nr="•"><al>Vervolgens wordt de positie van de schuldhulpverlening in hoofdstuk
                                9 verwoord, en het kwijtscheldingsbeleid van gemeentelijke
                                belastingen en heffingen in het 10e hoofdstuk;</al></li><li nr="•"><al>In het 11e hoofdstuk wordt de vereenvoudiging van een aantal
                                werkprocessen belicht;</al></li><li nr="•"><al>Waarna in het 12e hoofdstuk kort ingegaan wordt op toekomstige
                                ontwikkelingen;</al></li><li nr="•"><al>Afgesloten wordt met het 13e hoofdstuk, waarin een samenvatting van
                                de adviezen wordt weergegeven.</al><al><vet>1 Inleiding</vet></al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand ingevoerd.
                                Deze wet volgt de Algemene bijstandswet (1996) op, alsmede enkele
                                specifieke regelingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling. Met
                                de WWB ligt sterker dan voorheen de nadruk op werk en inkomen (in
                                die volgorde), hetgeen impliceert dat het armoedebeleid in de vorm
                                van het geven van vergoedingen enigszins naar de achtergrond
                                schuift. Dit gaat gepaard met bezuinigingen op de voor armoedebeleid
                                en bijzondere bijstand beschikbare middelen.</al><al>Deze notitie gaat in op de wijzigingen tengevolge van de invoering
                                van de WWB, de nieuw te ontwikkelen beleidspunten en de verregaande
                                vorm van beleidsvrijheid. </al><al/><al><vet>2 Minimabeleid in het verleden</vet></al><al/><al><vet>Individualiseringsprincipe</vet></al><al>Bijstand is een garantie voor financiële hulp aan degenen die hier
                                te lande in zodanige omstandigheden verkeren dat zij niet kunnen
                                voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit kan bestaan
                                uit het voorzien in een maandelijks inkomen op minimumniveau (de
                                algemene bijstand naar een normbedrag) of uit tegemoetkomingen voor
                                bijzondere kosten (bijzondere bijstand).</al><al/><al>Kenmerkend is de mogelijkheid van individuele afstemming binnen
                                wettelijke kaders. Dit principe is bij de bijzondere bijstand
                                belangrijker dan bij de maandelijkse algemene bijstand. Bij de
                                bijzondere bijstand wordt immers geen “uitkeringsnorm” gehanteerd. </al><al>De individualisering betreft in hoofdzaak twee aspecten:</al></li><li nr="•"><al>de situatie van de aanvrager en diens gezin</al></li><li nr="•"><al>de noodzaak en omvang van de kosten waarin vergoeding wordt
                                gevraagd</al><al/><al><vet>Vangnetprincipe</vet></al><al>Bijstand komt alleen in aanmerking als binnen het gezin geen andere
                                middelen van bestaan voorhanden zijn, waaruit de kosten kunnen
                                worden voldaan. Daaronder dient ook te worden begrepen dat er geen
                                aanspraak bestaat op andere vergoedingsmogelijkheden: “voorliggende
                                voorzieningen”. Meest bekende voorliggende voorziening bij algemene
                                bijstand is de WW – uitkering. Meest bekende voorliggende
                                voorziening bij bijzondere bijstand zijn het Ziekenfonds, de Wvg,
                                AWBZ, de Wet rechtsbijstand on- en minvermogenden.</al><al/><al>Naarmate het voorzieningenniveau in de voorliggende voorzieningen
                                verschraalt, komt het vangnet sterker in beeld.</al><al/><al><vet>Centralisering begin jaren ‘70</vet></al><al>In oorsprong bestond er voor gemeenten een grote vrijheid om het
                                niveau van zowel de algemene als bijzondere bijstand lokaal en
                                geïndividualiseerd te regelen.</al><al>Rond begin jaren ’70 heeft het Rijk de uitvoering van de
                                bijstandswet landelijk geharmoniseerd. Dit is gepaard gegaan met het
                                invoeren van landelijke normeringen ten aanzien van de omvang van de
                                in aanmerking te nemen middelen en ten aanzien van de hoogte van
                                uitkeringen en verstrekkingen.</al><al>Voor de algemene bijstand zijn die normen in eerste instantie
                                opgenomen in het Besluit landelijke normering (Bln). Dit besluit is
                                in 1996 geïncorporeerd in de Abw.</al><al>Voor de bijzondere bijstand heeft de normering een plaats gekregen
                                in het Besluit landelijke draagkrachtcriteria (Bld).</al><al/><al><vet>Decentralisering 1991</vet></al><al>Per 1 augustus 1991 is de verlening van bijzondere bijstand weer
                                gedecentraliseerd. Verdeeld op basis van vier voorafgaande
                                ervaringsjaren, zijn de middelen voor bijzondere bijstand toegevoegd
                                aan de algemene uitkering uit het gemeentefonds.</al><al>Vanaf die datum konden gemeenten – binnen de wettelijke kaders –
                                weer een eigen bijzondere bijstandsbeleid gaan voeren. De
                                belangrijkste beperking die daarbij werd aangebracht was, dat
                                categoriale inkomensondersteunende maatregelen verboden bleven. Dit
                                werd gezien als een onderdeel van de bepaling van het
                                bestaansminimum en dus van de algemene bijstand en het Besluit
                                landelijke normeringen: een zaak voor het Rijk.</al><al/><al><vet>nAbw invoering 1996</vet></al><al>In 1996 kreeg de bijstandsverlening een hechtere juridische
                                grondslag. Inhoudelijk werden er wijzigingen aangebracht door een
                                verbreding van de verplichting tot arbeidsinschakeling
                                (sollicitatieplicht). Op het vlak van het minimabeleid werden geen
                                inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd.</al><al/><al><vet>Categoriale bijstand mogelijk gemaakt</vet></al><al>In 1998 werd het voor het eerst weer mogelijk gemaakt om categoriale
                                bijzondere bijstand te gaan verstrekken. De gemeente kan kosten
                                definiëren die voor categoriale vergoeding in aanmerking komen. Met
                                deze regeling werd beoogd dat een gelijk welvaartsniveau kan worden
                                bereikt met burgers die deze kosten niet hebben.</al><al>De regeling voor categoriale bijstand had invloed op de
                                uitvoeringskosten en de toegankelijkheid van de voorzieningen.
                                Categoriale regelingen kunnen, doordat individueel minder diepgaand
                                behoeft te worden gekeken, door de bank genomen goedkoper worden
                                verstrekt en toegankelijker worden gemaakt dan “pure” bijzondere
                                bijstand.</al><al/><al><vet>Doelgroepen</vet></al><al>Alle bijzondere bijstandsregelingen hebben gemeen, dat zij
                                gelijkelijk toegankelijk (zouden moeten) zijn voor alle burgers met
                                tekortschietende middelen: zij die “in de bijstand zitten” maar ook
                                gezinnen met andersoortige lage inkomens.</al><al/><al><vet>3 Huidig minimabeleid</vet></al><al/><al>Binnen het Land van Cuijk wordt een breed scala aan mogelijkheden
                                ten aanzien van het minimabeleid aangeboden. De meeste gemeenten
                                hanteren een minimabeleid dat in grote lijnen overeenkomt met die
                                van de overige gemeenten. Er zijn echter wel verschillen aanwezig,
                                zowel in de hoogte van de voorzieningen als in het
                                verstrekkingenpakket.</al><al>Een schematisch overzicht van het minimabeleid in het Land van Cuijk
                                wordt weergegeven in bijlage 1. In deze bijlage wordt tevens een
                                opsomming gegeven van het budget voor het minimabeleid van de
                                verschillende gemeenten, uitgesplitst in de programmakosten en de
                                uitvoeringskosten.</al><al/><al>Interessant is de vergelijking van de programmakosten voor het
                                minimabeleid met de bedragen zoals die worden weergegeven in de
                                brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties van 5 mei 2004 (bijlage 2). Hierin worden de
                                fictieve budgetten voor de bijzondere bijstand per gemeente, als
                                afgeleid onderdeel van het gemeentefonds, vermeld. Uit de brief van
                                het ministerie blijkt dat bij een aantal gemeenten de begrote
                                budgetten voor 2004 aanzienlijk minder bedragen dan het door het
                                ministerie berekende fictieve budget voor de bijzondere bijstand.
                                Hierbij moet wel vermeld worden dat de programmakosten naast de
                                bijzondere bijstand ook betrekking hebben op het Declaratiefonds en
                                de schuldhulpverlening. Desalniettemin blijft de vergelijking met de
                                door het ministerie berekende fictieve bijzondere bijstandsbudget
                                gezien de veelal toch aanzienlijke verschillen interessant.</al><al><vet>4 Positie minimabeleid in de WWB</vet></al><al/><al><vet>Mobiliteit als motor van armoedebestrijding</vet></al><al>De term “armoedebeleid” of “armoedebestrijding” komt in het
                                regeerakkoord van het huidige kabinet (mei 2003) niet voor.
                                “Armoede” wordt alleen benoemd in de samenstelling “bestrijding van
                                de armoedeval”. Het regeerakkoord lijkt vol in te zetten op
                                participatie en sociale (inkomens-) mobiliteit als bestrijder van
                                armoedeproblematiek. Ook de WWB ademt deze sfeer.</al><al/><al><vet>Eigen verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verlening van bijzondere bijstand is teruggekeerd op de situatie
                                van begin jaren ’90. Individueel kan worden geholpen. De eigen
                                verantwoordelijkheid wordt benadrukt waarbij de bijstand zoveel
                                mogelijk op het individu moet worden afgestemd. Bijstandsverlening
                                is daarom geen automatisme.</al><al/><al>Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat (in
                                het individuele geval) de uitkeringsnorm of het inkomen niet
                                volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke
                                kosten. Voor zover belanghebbende voor dergelijke kosten geen beroep
                                kan doen op een voorliggende voorziening en deze uitgaven ook niet
                                uit de eigen middelen voldaan kunnen worden, kan daarvoor bijzondere
                                bijstand worden verstrekt.</al><al/><al>Uitgaande van het maatwerkprincipe past het niet dat bijzondere
                                bijstand verleend wordt aan belanghebbenden ten aanzien waarvan
                                gesteld kan worden dat de door hen gemaakte kosten niet noodzakelijk
                                zijn. Dit is het geval als een belanghebbende, door het zich
                                onttrekken aan zijn eigen verantwoordelijkheid, in een dusdanige
                                situatie geraakt met als gevolg dat hij niet kan voorzien in
                                bepaalde noodzakelijke kosten.</al><al>Een eigen verantwoordelijkheid geldt onder andere ten aanzien
                                van:</al></li><li nr="•"><al>het proberen in de eigen kosten van levensonderhoud te
                                voorzien;</al></li><li nr="•"><al>het zich inzetten weer onafhankelijk te worden van een
                                uitkering;</al></li><li nr="•"><al>het voorkomen van een schuldsituatie; </al></li><li nr="•"><al>het niet laten verslechteren van zijn gezondheid als gevolg van zijn
                                handelen of nalaten, niet verwijtbaar onheil daargelaten;</al><al/><al>Het niet tonen van eigen verantwoordelijkheid leidt aldus niet tot
                                een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het mogelijk is om
                                bijzondere bijstand te verlenen. Het kan niet zo zijn dat kosten
                                welke voortkomen uit getoond onverantwoordelijk gedrag afgewenteld
                                worden op de WWB. Dit neemt niet weg dat gemeenten hun
                                verantwoordelijkheid nemen in dringende (levensbedreigende)
                                situaties.</al><al/><al>De gemeente moet – binnen het wettelijk kader – zelf een
                                bijstandsbeleid vormen. Categoriale vergoeding is niet meer
                                mogelijk. Wat betekent dit ? In wezen kan de gemeente via de
                                bijzondere bijstand vrijwel alleen nog incidentele zich voordoende
                                situaties oplossen. Bij iedere aanvraag dient dus afzonderlijk de
                                noodzaak van de gevraagde voorziening beoordeeld te worden. De eigen
                                verantwoordelijkheid van de klant krijgt weer een zwaarder gewicht.
                                Invulling van deze eigen verantwoordelijkheid kan ver doorgevoerd
                                worden. Als een passende en toereikende voorziening bij de
                                vervanging van duurzame gebruiksgoederen kan bijvoorbeeld het
                                gebruik van het aanbod van een kringloopwinkel aangemerkt worden. </al><al/><al>Het niet of niet in voldoende mate nakomen van deze eigen
                                verantwoordelijkheid kan leiden tot het afwijzen van de aanvraag
                                bijzondere bijstand, het (tijdelijk) verlagen van de uitkering, het
                                verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een
                                geldlening</al><al>maar ook als een passende en toereikende voorziening bij de
                                vervanging van duurzame gebruiksgoederen het aanbod van een
                                kringloopwinkel aanmerken. </al><al/><al><vet>Structurele nood lenigen ? Langdurigheidstoeslag.</vet></al><al>Categoriaal armoedebeleid is niet meer mogelijk. De maandelijkse
                                bijstandsnorm (of het andere inkomen van dezelfde hoogte) wordt
                                geacht voldoende te zijn om in de algemeen gebruikelijke
                                noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.</al><al/><al>Is deze norm voldoende ? Blijkbaar zijn daar toch vraagtekens bij te
                                stellen. De wetgever heeft immers voor de langdurige minima zonder
                                arbeidsperspectief een reparatiemaatregel in de wet opgenomen. Zij
                                komen jaarlijks voor een extra vergoeding in de orde van grootte van
                                € 400,- per huishouden in aanmerking.</al><al/><al><vet>Doelgroepen.</vet></al><al>Onder de huidige en onder de toekomstige regelingen kunnen alle
                                burgers, ongeacht de herkomst van het inkomen, aanspraak maken op
                                bijzondere bijstand als hun bestaansmiddelen tekort schieten.</al><al/><al><vet>Benutting en onderbenutting.</vet></al><al>Onderbenutting is het fenomeen dat juist brede geledingen van de
                                doelgroep geen aanspraak maken op de hun toegedachte
                                vergoedingsmogelijkheden, hetzij omdat zij de mogelijkheden niet
                                kennen, hetzij omdat de aanvraagprocedure als te ingewikkeld en/of
                                belastend wordt ervaren.In de jaren na 1998 is de categoriale
                                bijstand steeds meer een manier geworden om bijzondere bijstand
                                zodanig te standaardiseren dat zij projectmatig kon worden toegekend
                                en via voorlichting makkelijk kon worden uitgelegd. Dit heeft voor
                                klanten de aanvraagdrempels voor een belangrijk deel kunnen slechten
                                en werd zo het belangrijkste instrument ter bestrijding van
                                onderbenutting. Dit instrument valt nu weg.</al><al/><al><vet>5 Het minimabeleid in de steigers</vet></al><al/><al>De inwerkingtreding van de WWB, de landelijke bezuinigingen op het
                                budget van de bijzondere bijstand en de afschaffing van de
                                categorale bijzondere bijstand voor personen tot 65 jaar dwingen
                                gemeenten ertoe om het minimabeleid en het beleid ten aanzien van de
                                bijzondere bijstand te herzien.</al><al/><al><vet>5.1 De bijzondere bijstand</vet></al><al>Het bestaansrecht van de bijzondere bijstand is ook onder de WWB
                                gegarandeerd. Het grotendeels afschaffen van de categoriale
                                bijzondere bijstand heeft er wel toe geleid dat bijzondere bijstand
                                enkel nog voor individuele aanvragen toegekend kan worden waarbij de
                                noodzakelijkheid van de gevraagde voorziening individueel getoetst
                                is. Vergeleken bij de situatie voor 1 januari 2004 zijn de
                                mogelijkheden voor de bijzondere bijstand beperkter geworden. Men
                                kan ook zeggen: we zijn weer terug bij de essentie van de bijzondere
                                bijstand. Voor degene die tengevolge van bijzondere omstandigheden
                                aantoonbaar extra kosten maakt waarin niet anderszins, bijvoorbeeld
                                door de aanwezigheid van een voorliggende voorziening, kan worden
                                voorzien, bestaat de mogelijkheid voor bijzondere bijstand. </al><al/><al><vet>Wat is er niet gewijzigd ?</vet></al><al>In de WWB is de begripsomschrijving van de term bijzondere bijstand
                                niet noemenswaardig gewijzigd (artikel 35 lid 1 WWB): “voor de uit
                                bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van
                                het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de
                                langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit
                                meer bedraagt dan de bijstandsnorm”. Het betreft nog steeds een
                                individuele beoordeling van de omstandigheden waaronder een
                                belanghebbende beroep doet op de bijzondere bijstand, de aanwezige
                                noodzaak van de gevraagde voorziening, de eigen middelen en de
                                aanwezigheid (of beter gezegd, de afwezigheid) van een voorliggende
                                voorziening (ziekenfondswet, AWBZ enz).</al><al>De voorziening geldt dus nog steeds voor belanghebbenden die een
                                uitkering ontvangen of die over een andere uitkering/inkomensbron
                                beschikken ter hoogte van het sociaal minimum.</al><al>In de uitvoeringspraktijk gaat het dus om medische kosten (brillen,
                                eigen bijdragen, tandartskosten etc), kosten van scholing
                                (kinderopvang, sollicitatiekosten, reiskosten etc), kosten als
                                gevolg van sociale beperkingen (personenalarmering etc).</al><al/><al><vet>Wat zijn de wijzigingen ?</vet></al><al>Op een tweetal belangrijke punten is de bijzondere bijstand
                                ingrijpend gewijzigd. Onder de hoofdstukken 6 en 7 wordt dieper op
                                de gevolgen van de wijzigingen ingegaan. In hoofdlijnen komen de
                                wijzingen hierop neer:</al><al/></li><li nr="1."><al>Uitsluitend individuele beoordeling van bijzondere bijstand bij
                                belanghebbenden die jonger zijn dan 65 jaar. </al><al>Het betreft hierbij de individuele beoordeling van de
                                omstandigheden, de kosten en de eigen middelen (= draagkracht) van
                                de belanghebbende. De oorzaak van dit accentverschil ligt bij de
                                afschaffing van de categoriale bijstand voor belanghebbenden die
                                jonger zijn dan 65 jaar. Categoriale bijstand is de verlening van
                                bijzondere bijstand aan vooraf vastgestelde en omschreven
                                doelgroepen voor vooraf vastgestelde kostensoorten zonder dat de
                                daadwerkelijke besteding van de verstrekte bijzondere bijstand
                                getoetst wordt. Dit is voor personen onder de 65 jaar per 1 januari
                                2004 niet meer mogelijk. Ter compensatie is een
                                langdurigheidstoeslag in het leven geroepen voor belanghebbenden die
                                vijf jaar of langer onafgebroken een inkomen op bijstandsniveau
                                hebben en in voldoende mate hun arbeidsverplichting na zijn gekomen.
                                De langdurigheidstoeslag bedraagt voor gehuwden </al><al>€ 454,00 per jaar, voor de alleenstaande ouder € 408,00 en voor de
                                alleenstaande € 318,00.</al><al/><al>De bijzondere bijstandsverlening aan belanghebbenden jonger dan 65
                                jaar geschiedt dus enkel nog op basis van individueel getoetste
                                beslissingen.</al><al/><al>Nu per 1 januari 2004 de categoriale bijzondere bijstand voor
                                belanghebbenden jonger dan 65 jaar is afgeschaft zal een toenemend
                                beroep worden gedaan op de bijzondere bijstand, mede tengevolge van
                                onder andere:</al></li><li nr="•"><al>Instroom vanuit de WAO: degenen die niet volledig arbeidsongeschikt
                                zijn komen uiteindelijk terecht in de WWB;</al></li><li nr="•"><al>Snellere instroom vanuit de WW als gevolg van de afschaffing van de
                                vervolguitkering;</al></li><li nr="•"><al>Aanpassingen vanuit de ziekenfondswet en de AWBZ: invoering eigen
                                bijdragen, vervallen van medische voorzieningen uit het basispakket,
                                vervallen vergoeding zelfzorggeneesmiddelen enz.;</al></li><li nr="•"><al>Verlaging van de individuele huursubsidie.</al><al/><lijst><li nr="2."><al>Volledige beleidsvrijheid bij de vaststelling van de
                                        draagkracht. </al><al>Deze beleidsvrijheid brengen voor de gemeenten een aantal
                                        belangrijke afwegingspunten met zich mee:</al></li></lijst></li><li nr="•"><al>de vermogensvrijlatingen van artikel 34 WWB zijn niet verplicht van
                                toepassing op de bijzondere bijstand. Concreet: de gemeente heeft
                                beleidsvrijheid om de draagkracht vast te stellen en kan een
                                saldotegoed op lopende rekeningen als draagkracht aanmerken, ook al
                                bedraagt het saldotegoed minder dan het vrij te laten bescheiden
                                vermogen.</al></li><li nr="•"><al>Het al dan niet in mindering brengen van de langdurigheidstoeslag op
                                de gevraagde bijzondere bijstand.</al><al/></li><li nr="•"><al>Het al dan niet vrijlaten van middelen die voor de algemene bijstand
                                vrijgelaten mogen worden maar die voor de bijzondere bijstand wel
                                als draagkracht aangemerkt kan worden (bijvoorbeeld de particuliere
                                oudedagsvoorziening, artikel 33 lid 5 WWB).</al></li><li nr="•"><al>Het al dan niet hanteren van een drempelbedrag (artikel 35 lid 2
                                WWB)</al></li><li nr="•"><al>Het al dan niet rekening houden met buitengewone lasten bij de
                                vaststelling van de draagkracht.</al></li><li nr="•"><al>De berekeningssystematiek van de draagkracht.</al><al/><al><vet>6 Overwegingen verstrekkingenniveau</vet></al><al/><al>De stelling dat de minima niet de dupe mogen worden van
                                bezuinigingen van de Rijksoverheid en dientengevolge ook van de
                                gemeentelijke overheid, ligt voor de hand. Tegelijkertijd moet
                                geconstateerd worden dat aan het instandhouden van het
                                verstrekkingenpakket een prijskaartje hangt. Gemeenten zullen zelf
                                een afweging moeten maken of het budget voldoende toereikend is om
                                de criteria voor het verstrekken van bijzondere bijstand in te
                                richten zoals in onderstaande beleidsvoorstellen wordt geadviseerd.
                                In de hier genoemde beleidsvoorstellen/-adviezen is bewust gekozen
                                om niet de minimale mogelijkheden te kiezen voor mensen die
                                bijzondere bijstand aanvragen. De voorstellen zijn redelijk en
                                bieden mensen met een minimuminkomen individueel mogelijkheden om in
                                aanmerking te komen voor bijzondere bijstand.</al><al/><al><vet>Ten aanzien van de categoriale bijzondere bijstand
                                65+ers</vet></al><al>De maandelijkse bijstand voor 65+ ers (en de corresponderende
                                AOW-norm) is al sinds enige jaren structureel hoger dan de reguliere
                                bijstandsnorm. De reden hiervan is dat ouderen een gunstigere
                                fiscale behandeling kennen. Op jaarbasis is het verschil
                                aanzienlijk.</al><al/><al><vet>Advies: Geen categoriale bijzondere bijstand voor 65+ ers
                                    introduceren. Deze doelgroep kan (net als de overige minima)
                                    gebruik blijven maken van de reguliere, individueel te toetsen,
                                    bijzondere bijstand.</vet></al><al/><al><vet>Ten aanzien van de bijzondere bijstand voor duurzame
                                    gebruikgoederen</vet></al><al>Tot op heden hadden de meeste gemeenten een zgn. witgoedregeling
                                onder de noemer van categoriale bijzondere bijstand. Per 1 januari
                                2004 is deze vorm van categoriale bijzondere bijstand voor personen
                                die jonger zijn dan 65 jaar niet meer toegestaan. Het gemeentelijk
                                minimabeleid is derhalve op dit punt toe aan een heroverweging. </al><al>Van belang is dat verlening van bijzondere bijstand voor duurzame
                                gebruiksgoederen (witgoed) mogelijk blijft op basis van een
                                reguliere, individuele toets. Voorgesteld wordt om, (zoals al gezegd
                                en) anders dan bij de categoriale verstrekking, uit te gaan van een
                                individuele toets. Daarmee wordt bewerkstelligd dat men, als
                                ontvanger van een minimuminkomen, niet na eenvoudig tijdsverloop
                                (bv. 3 of 5 jaar) sowieso recht heeft op bijstand voor duurzame
                                gebruiksgoederen. Uitgaande van het maatwerkprincipe, gekoppeld aan
                                getoonde eigen verantwoording moet het ook mogelijk zijn na een
                                kortere periode en al naar gelang de bijzondere situatie waarin een
                                belanghebbende verkeert, bijzondere bijstand te verlenen (bv. aan
                                iemand die zich zeer inspant werk te vinden).</al><al>Verder kunnen ten aanzien van de bijzondere bijstandsverlening voor
                                duurzame gebruiksgoederen de volgende twee uitgangspunten worden
                                geformuleerd: </al></li><li nr="1."><al>De klant met een inkomen op minimumniveau, wordt in principe geacht
                                voor de aanschaf, reparatie of vervanging van duurzame
                                gebruiksgoederen voldoende te reserveren. De klant die niet
                                gereserveerd heeft, wordt geacht door middel van een lening als
                                voorliggende voorziening in de financiering van deze kosten te
                                voorzien. Kan de klant geen lening afsluiten bij een leverancier,
                                bank, kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank, dan kan
                                bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening.
                                In bijzondere situaties kan bijzondere bijstand om niet verleend
                                worden.</al></li><li nr="2."><al>Onder duurzame gebruiksgoederen wordt met name verstaan: de koelkast
                                met vriesvak, een wasmachine, een 4-pits kookplaat (gas of
                                elektrisch) en een stofzuiger. Het bedrag aan bijzondere bijstand is
                                gelijk aan de bedragen vermeld die voor deze gebruiksgoederen
                                vermeld staan in de NIBUD-prijzengids.</al><al/><al><vet>Advies: Verstrekking van bijzondere bijstand voor duurzame
                                    gebruiksgoederen mogelijk maken op basis van een reguliere,
                                    individuele toets.</vet></al><al/><al><vet>Ten aanzien van bijzondere bijstand voor medische
                                    voorzieningen</vet></al><al>Een aanzienlijk deel van de aanvragen bijzondere bijstand heeft
                                betrekking op medische voorzieningen. In het algemeen is het zo dat
                                de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                                (AWBZ) alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met
                                medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen
                                als een aan de WWB voorliggende voorziening die passend en
                                toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in
                                beginsel uitgesloten omdat de klant geacht wordt zichzelf te
                                verzekeren via een aanvullend pakket waaronder minimaal vallen de
                                kosten van tandheelkundige zorg. De medische kosten die op grond van
                                de WWB als niet noodzakelijk worden aangemerkt zijn derhalve de
                                kosten die bewust buiten het Zfw-pakket zijn gelaten, de kosten die
                                gerekend moeten worden tot de zgn. ontwikkelingsgeneeskunde en de
                                medische behandelingen die buiten Nederland plaatsvinden.</al><al>In concreto resteert dan, net zoals onder het regiem van de oude
                                bijstandswet, nog de mogelijkheid tot het verstrekken van bijzondere
                                bijstand voor medische kosten die om budgettaire redenen niet of
                                niet volledig worden vergoed door het ziekenfonds. Schematisch ziet
                                een en ander er als volgt uit:</al><al/><al/><al/><al>Voortvloeiend uit het voorgaande is het van belang om vast te
                                stellen tot welk aanvullende ziektekostenpakket de eigen
                                verantwoordelijkheid van de klant ingevuld wordt. Met andere
                                woorden: wat is het minimale aanvullende ziektekostenpakket dat een
                                klant zelf behoort af te sluiten. </al><al>Gezien de grote diversiteit aan aanvullende verzekeringen en de
                                verschillende benamingen die de verschillende verzekeraars hanteren,
                                worden van de meest voorkomende ziektekostenverzekeraars in het Land
                                van Cuijk, naast de basis ziektekostenverzekering, de volgende
                                aanvullende ziektekostenpakketten tot de eigen verantwoordelijkheid
                                van de klant gerekend:</al><al/><al><vet>Advies: Het huidige bijzondere bijstandsbeleid ten aanzien van
                                    de medische kosten handhaven en een pakket vaststellen van
                                    ziektekosten waartegen een klant geacht wordt zich minimaal voor
                                    te verzekeren. Een en ander ter invulling van de eigen
                                    verantwoordelijkheid van de klant in relatie tot medische
                                    kosten.</vet></al><al/><al><vet>Ten aanzien van de verstrekkingen uit het
                                Declaratiefonds</vet></al><al>Naast bijzondere bijstand kennen we het Declaratiefonds voor de
                                aanmoediging van culturele, sportieve en maatschappelijke
                                activiteiten voor de minima. Het gaat dan om kosten die
                                daadwerkelijk gemaakt zijn, maar niet in de zin van de bijstandswet
                                als “noodzakelijke kosten van het bestaan” worden aangemerkt. De
                                aangemoedigde activiteiten worden door het gemeentebestuur beschouwd
                                al belangrijk voor de sociale ontwikkeling van de betrokkenen en
                                voor het maatschappelijk netwerk van de gemeente.In het
                                Declaratiefonds zijn onder andere opgenomen de deelname aan het
                                schoolkamp voor het voortgezet onderwijs, sportclubs, theaterbezoek,
                                e.d. Alleen daadwerkelijk gemaakte kosten worden (achteraf) vergoed.
                                Het Declaratiefonds is geformaliseerd in een verordening.</al><al/><al><vet>Advies: Nu aanmoediging van deelname culturele, sportieve en
                                    maatschappelijke activiteiten voor de minima op een adequate
                                    wijze plaatsvindt, is er geen wijziging van beleid
                                nodig.</vet></al><al/><al><vet>7 Overwegingen bepaling draagkrachtbeleid</vet></al><al/><al>Nu gemeenten per 1 januari 2004 de volledige beleidsvrijheid hebben
                                gekregen ten aanzien van de vaststelling van de draagkrachtcriteria
                                zijn er op een aantal beleidsonderdelen keuzemogelijkheden. In het
                                meest extreme geval: het zo hoog mogelijk vaststellen van de
                                draagkracht door het gehele vermogen in aanmerking te nemen en op
                                het inkomen geen vrijlatingen toe te passen en eventuele
                                buitengewone uitgaven buiten beschouwing te laten. Hierdoor wordt
                                verstrekking van de bijzondere bijstand sterk verminderd. Uiteraard
                                heeft het tegenovergestelde het omgekeerde effect.</al><al/><al>De keuzemogelijkheden bij de bepaling van het draagkracht beleid
                                zijn:</al><al/><al><sup>1</sup>Premie voor zowel CZ, VGZ als OHRA ongeveer € 15,00 per
                                maand per volwassene. Kinderen &lt; 18 jaar zijn gratis
                                meeverzekerd.</al><al/><al>Het in aanmerking te nemen vermogen: </al><al>Nu het college zelf kan beslissen welk deel van het vermogen zij in
                                aanmerking neemt, kan het dus ook bepalen om de middelen als bedoeld
                                in artikel 34 lid 2 WWB al dan niet in aanmerking te nemen. </al><al>Bij het toepassen van de vrijlating is op dit moment de
                                vermogensvaststelling voor de algemene bijstand gelijk aan die voor
                                de bijzondere bijstand<sup>2</sup>.Ten aanzien van de vaststelling
                                van deze grenzen valt op te merken dat bij de vaststelling van het
                                recht op algemene bijstand, het vrij te laten vermogen bedoeld is om
                                bepaalde incidentele (bijzondere) noodzakelijke kosten van het
                                bestaan te kunnen voldoen. Dit past ook binnen de doelstelling van
                                de WWB ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheid. Eerst zelf je
                                verantwoording nemen en pas daarna een beroep doen op voorzieningen.
                                Het klemt immers, indien bijvoorbeeld bijzondere bijstand
                                aangevraagd wordt voor een bril van pakweg € 250,-- en men moet
                                constateren dat op de bankrekening van betrokkene een bedrag van €
                                9.000,-- aan liquide middelen staat. Er moet dus gedacht worden aan
                                het vaststellen van een andere vermogensgrens. Voorgesteld wordt een
                                ondergrens van 1,5 maal de toepasselijke norm bij algemene
                                bijstand<sup>3</sup> als vermogensgrens te hanteren. Boven deze
                                vermogensgrens van 1,5 maal de norm wordt het aanwezige vermogen in
                                aanmerking genomen bij de bijzondere bijstandsverlening. Een
                                uitzondering kan gemaakt worden voor bijzondere bijstand voor 65+
                                ers die aannemelijk kunnen maken dat een deel van het vermogen (tot
                                aan een maximum van € 2.500 per persoon) gereserveerd is voor
                                begrafeniskosten. </al><al/><al><vet>Advies: het in aanmerking te nemen vrij te laten vermogen
                                    bescheiden vermogen bij de bijzondere bijstand vaststellen op
                                    1,5 maal de toepasselijke norm bij algemene bijstand.
                                </vet></al><al/><al>De langdurigheidstoeslag als voorliggende voorziening: </al><al>Bij de toekenning van bijzondere bijstand heeft de gemeente de
                                vrijheid om de aanspraken op de langdurigheidstoeslag (na vijf jaar
                                onafgebroken een inkomen op sociaal minimum) in mindering te brengen
                                op de toe te kennen bijzondere bijstand. Een afwegingspunt die
                                gemeenten kunnen maken is dat de langdurigheidstoeslag juist in het
                                leven is geroepen ter compensatie van de afschaffing van de
                                categorale bijstand voor personen die jonger zijn dan 65 jaar. Het
                                in mindering brengen van de langdurigheidstoeslag op de toe te
                                kennen bijzondere bijstand kan dan gerechtvaardigd worden uit het
                                oogpunt van een aanwezige voorliggende voorziening. Anderzijds
                                bestaat de mogelijkheid om het toekennen van een
                                langdurigheidstoeslag niet van invloed te laten zijn op de
                                beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.
                                De reden daarvan is dat hiermee een gelijke behandeling wordt
                                bereikt tussen belanghebbenden beneden en boven de 65 jaar.</al><al/><al><vet>Advies: Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand
                                    een verstrekte langdurigheidstoeslag niet als voorliggende
                                    voorziening aanmerken.</vet></al><al/><al><cursief>Het in aanmerking nemen van een drempelbedrag:
                                </cursief></al><al>Naast de draagkracht wordt de hoogte van de te verlenen bijzondere
                                bijstand mede bepaald door de toepassing van het drempelbedrag. Het
                                in aanmerking nemen van een drempelbedrag betekent dat voordat er
                                sprake kan zijn van verlening van bijzondere bijstand de betreffende
                                kosten eerst door de belanghebbende zelf moeten worden voldaan tot
                                het drempelbedrag. Op grond van artikel 35 lid 2 van de WWB mag het
                                college van B&amp;W maximaal een drempelbedrag opleggen van €107, -
                                over een tijdvak van 12 maanden. Op dit moment is er geen sprake van
                                het toepassen van een drempelbedrag.</al><al/><al><sup>2</sup>Huidige vrijlating bij algemene en bijzondere bijstand
                                is voor een echtpaar € 10.130, voor een alleenstaande ouder € 10.130
                                en voor een alleenstaande € 5.065.</al><al><sup>3 </sup>De nieuwe vrijlating voor de bijzondere bijstand is dan
                                voor een echtpaar € 1.727, voor een alleenstaande ouder € 1.554 en
                                voor een alleenstaande € 1.209.</al><al/><al>Er zijn ook geen redenen aanwezig een dergelijke drempel in te
                                voeren. Dat kan niet gezegd worden van de administratieve drempel. </al><al>De administratieve drempel houdt in dat een aanvraag voor bijzondere
                                bijstand pas in behandeling wordt genomen nadat een besteding van €
                                50,- heeft plaatsgevonden. Hiermee worden aanvragen voor kleinere
                                bedragen (en dus van relatief hoge uitvoeringskosten) voorkomen en
                                “opgespaard” totdat de besteding van minimaal € 50,- gerealiseerd
                                is. Gedurende een afgebakende periode aan het begin van het
                                kalenderjaar kan voor bestedingen die minder bedragen dan € 50,-
                                alsnog bijzondere bijstand worden aangevraagd.</al><al/><al><vet>Advies: Geen drempelbedrag invoeren, wel een beperkte
                                    administratieve drempel van € 50,- introduceren.</vet></al><al/><al>Het in aanmerking nemen van buitengewone lasten:</al><al>Voor de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te
                                nemen inkomen kan het college ook rekening houden met buitengewone
                                uitgaven die ten laste van de be</al><al>langhebbende komen. Deze kunnen op het inkomen in mindering worden
                                gebracht. Denk in dit verband aan:</al><al/></li><li nr="•"><al>De premie van een particuliere ziektekostenverzekering minus de
                                nominale ziekenfondspremie. Het gaat hier dus om het geval dat de
                                betrokkene niet verplicht bij het ziekenfonds verzekerd is
                                (bijvoorbeeld bepaalde zelfstandigen). </al></li><li nr="•"><al>De woonkosten voor zover deze meer bedragen dan maximale huur
                                waarbij nog recht op huursubsidie bestaat. </al></li><li nr="•"><al>De kosten van alimentatieverplichtingen.</al></li><li nr="•"><al>De ten laste van de belanghebbende blijvende kosten in verband met
                                studie en opleiding van zijn kinderen, tot ten hoogste het bedrag
                                dat voor de betreffende studie of opleiding in het kader van de WSF
                                2000 of Wtos door het rijk is vastgesteld, verminderd met de
                                kinderbijslag die boven de enkelvoudige kinderbijslag wordt genoten.
                                Ontvangt het kind WSF 2000 of Wtos dan blijven deze kosten buiten
                                beschouwing bij de bepaling van de buitengewone uitgaven.</al></li><li nr="•"><al>De procentuele ziekenfondspremie voor zover die niet reeds is
                                ingehouden door de werkgever of uitkeringsinstantie (dit komt wel
                                eens voor bij AOW-ers).</al></li><li nr="•"><al>De premie van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                (alleen bij zelfstandigen). </al></li><li nr="•"><al>Kosten die kunnen worden voldaan uit de algemene bijstand of een
                                daarmee vergelijkbaar inkomen (bijvoorbeeld de premie voor de
                                algemeen aanvullende verzekering op het ziekenfonds).</al></li><li nr="•"><al>Belastingaanslagen en boetes.</al></li><li nr="•"><al>Rente en aflossingen in verband met leningen. </al><al/><al><vet>Advies: Bij de vaststelling van het voor de draagkracht in
                                    aanmerking te nemen inkomen wordt geen rekening gehouden met
                                    buitengewone uitgaven. </vet></al><al/><al>De berekeningssystematiek van de draagkracht: </al><al>Draagkracht is dat deel van het in aanmerking te nemen inkomen en
                                het in aanmerking te nemen vermogen dat de belanghebbende zelf dient
                                te betalen voor de te maken bijzondere kosten.</al><al>De hoogte van de draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van
                                het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen. Er wordt in dit
                                verband gesproken van draagkrachtpercentage.</al><al>In het kader van de WWB mag het college van B&amp;W zelf bepalen met
                                welk(e) draagkrachtpercentage(s) rekening wordt gehouden met
                                draagkracht in het inkomen en in het vermogen.</al><al/><al><vet>Advies: De volgende draagkrachtpercentages
                                vaststellen:</vet></al><al><vet>Bij een inkomen tot 115% van de bijstandsnorm: geen
                                    draagkracht;</vet></al><al><vet>Bij een inkomen vanaf 115 % van de bijstandsnorm: een
                                    draagkracht van 100%.</vet></al><al/><al>Definiëring van het begrip inkomen: </al><al>Gelet op voorgaande punt is het zinvol om vast te leggen hoe het
                                inkomen van belanghebbende moet worden vastgesteld. Daarbij kan
                                onderscheid gemaakt worden tussen een regelmatig binnenkomend
                                inkomen en onregelmatig inkomen.</al><al>Verder is van belang om te bepalen over welke periode het inkomen
                                wordt vastgesteld; wordt naar een historisch inkomen gekeken of
                                wordt rekening gehouden met een (verwacht) toekomstig inkomen?</al><al/><al><vet>Advies: Om reden van doelmatigheid en billijkheid uitgaan van
                                    het actuele inkomen. Dit inkomen wordt omgerekend naar een
                                    jaarinkomen voor het bepalen van de draagkracht. Alleen bij
                                    bijzondere omstandigheden hiervan afwijken.</vet></al><al/><al><vet>8 Nieuwe aspecten t.g.v. de invoering van de WWB</vet></al><al/><al>De invoering van de WWB heeft, met name tijdens de parlementaire
                                behandeling, op een aantal terreinen tot nieuwe inzichten geleid.
                                Deze nieuwe inzichten zijn voor een deel tot stand gekomen als
                                gevolg van bezuinigingen in de voorliggende voorzieningen.</al><al/><al><vet>8.1 Bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en
                                    ouderen</vet></al><al/><al>Ten aanzien van deze groep is er per 1 januari 2004 nogal wat
                                gewijzigd. Men heeft te maken gekregen met bezuinigingen op een
                                aantal voorliggende voorzieningen. Het gaat vooral om beperkingen in
                                de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Ziekenfondswet
                                (Zfw). Schematisch zien de wijzigingen deze voorliggende
                                voorzieningen er als volgt uit:</al><al/><al/><al>Voor een deel worden bovengenoemde bezuinigingen “gerepareerd” door
                                een verruiming van de fiscale buitengewone uitgavenaftrek (BU) voor
                                mensen met een laag inkomen en de invoering van een nieuwe
                                belastingregeling, het Tijdelijk Besluit Tegemoetkoming buitengewone
                                uitgaven (TBU). De BU regelt de fiscale aftrek voor buitengewone
                                uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling (genees, heel- en
                                verloskundige uitgaven, extra gezinshulp, dieetkosten, bovenmatige
                                bewassingskosten, en reiskosten elders verpleegd wordend familielid)
                                door de invoering van vermenigvuldigingsfactoren en verschillende
                                forfaits waaronder die voor chronisch zieken en gehandicapten,
                                arbeidsongeschiktheid en ouderdom. Realisatie van de BU geschiedt
                                vooraf door middel van een voorlopige teruggave.</al><al/><al>Het TBU regelt een (fiscale) tegemoetkoming voor burgers die langs
                                fiscale weg door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de
                                totale hoogte van de aftrekposten en heffingskortingen niet de
                                volledige waarde van hun aftrek van buitengewone uitgaven kunnen
                                effectueren. Deze regeling treedt in de loop van 2004 in werking en
                                wordt achteraf gerealiseerd na afgifte van de definitieve aanslag
                                inkomstenbelasting.In beginsel is het mogelijk dat voor feitelijke
                                kosten in verband met een chronische ziekte en handicap zowel een
                                beroep op de bijzondere bijstand als ook op de BU en BTU wordt
                                gedaan. De BU en BTU dienen dan verrekend te worden met de
                                verstrekte bijstand op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel f van de
                                WWB. De belanghebbende heeft echter geen financieel belang bij de
                                verrekening maar wordt wel geconfronteerd met twee loketten en de
                                bijbehorende bureaucratie. Dit wordt door de rijksoverheid als
                                ongewenst geacht. Daarom is door de Rijksoverheid besloten dat er
                                geen beroep kan worden gedaan op de BU en TBU als voor de
                                betreffende kosten feitelijk bijzondere bijstand is verleend.</al><al>Gemeenten dienen dus beleid te ontwikkelen ten aanzien van de
                                verlening van bijzondere bijstand voor chronisch zieken en
                                gehandicapten en wel voor die groep belanghebbenden die niet
                                (kunnen) kiezen voor het fiscale traject. Hiervoor zijn door de
                                wetgever een aantal mogelijkheden gecreëerd.</al></li><li nr="1."><al>De mogelijkheid tot het individueel aanvragen van bijzondere
                                bijstand,</al></li><li nr="2."><al>De nadrukkelijke mogelijkheid voor gemeenten om categoriale
                                bijzondere bijstand te verstrekken voor chronisch zieken en
                                gehandicapten (ook voor personen die jonger zijn dan 65 jaar).</al><al/><al>De punten die hierbij nadrukkelijke aandacht behoeven zijn:</al><al/><al>De keuze om gebruik te maken van categoriale bijzondere bijstand: </al><al>Door te stellen dat een bepaalde categorie van personen geacht wordt
                                in bijzondere omstandigheden te verkeren (waarvan het aannemelijk is
                                dat zij bepaalde kosten hebben waarin de algemene bijstand niet
                                voorziet) wordt een onderzoek naar de individuele omstandigheden
                                voorkomen. Verder is het bij de verlening van categoriale bijzondere
                                bijstand niet nodig de daadwerkelijke bestedingsplicht aan te laten
                                tonen door de belanghebbende. Aan de andere kant kan niet ontkend
                                worden dat het scheppen van de mogelijkheid van categoriale
                                bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen
                                enigszins vreemd afsteekt tegenover de afschaffing van de
                                categoriale bijzondere bijstand voor personen jonger dan 65
                                jaar.</al><al/><al>Een duidelijke omschrijving van de doelgroep (indien gekozen wordt
                                voor categoriale bijzondere bijstand):</al><al>Gezien de (medische)complexiteit van de verschillende aandoeningen
                                is het zaak een zorgvuldige omschrijving op te stellen van de
                                doelgroep. Hierbij dient tot uitdrukking te komen dat de aandoening
                                ook moet leiden tot extra kosten. Immers, niet iedere chronische
                                aandoening leidt tot extra kosten (b.v. hooikoorts). Een
                                omschrijving kan zijn de opsomming van een limitatieve lijst van
                                chronische ziekten en aandoeningen in relatie tot de extra kosten.
                                Als chronisch zieken kunnen dan worden aangemerkt: cara, diabetes,
                                migraine, nierziekten, hartafwijkingen, hemofilie, cystic fibrosis,
                                chronische </al><al>artritis en kanker<sup>4</sup> . Aan de omschrijving van deze
                                doelgroep zit een nadeel: hoe stel je vast dat een aanvrager tot
                                deze doelgroep behoort, zonder dat een beroep wordt gedaan op een
                                vorm van indicatiestelling via (bijvoorbeeld) het RIO. Gedacht zou
                                kunnen worden aan een medische verklaring van de eigen huisarts,
                                welke aangeleverd dient te worden </al><al/><al>door de aanvrager. Deze handelswijze past op zich binnen de
                                doelstelling van de WWB, waarin een nadrukkelijk beroep wordt gedaan
                                op de eigen verantwoordelijkheid. Voor de omschrijving van de
                                doelgroep gehandicapten zou aansluiting gezocht kunnen worden bij
                                het gebruik van Wvg (voorzieningen), parkeerkaart gehandicapten,
                                gebruik van langdu</al><al>rige thuiszorg en het arbeidsongeschikheidspercentage van 80-100% op
                                grond van de WAO.</al><al>Het mag duidelijk zijn dat aan een duidelijke omschrijving van de
                                doelgroep ten aanzien van de chronisch zieken en de
                                indicatiestelling nogal wat haken en ogen zitten. </al><al/><al>De in aanmerking te nemen kosten: </al><al>Hierbij gaat het om de kosten die verband houden met de chronische
                                ziekte of aandoening en die niet of slechts gedeeltelijk vergoed
                                worden door andere (voorliggende) regelingen. Dit kunnen
                                rechtstreeks herleidbare kosten, maar ook bijkomende en “verborgen”
                                kosten zijn.</al><al/><al>De rechtstreeks herleidbare en bijkomende kosten zijn:</al></li><li nr="•"><al>(opeengestapelde) eigen bijdragen van inkomensafhankelijke
                                voorzieningen;</al></li><li nr="•"><al>extra woonlasten i.v.m. een noodzakelijke ruimere woning;</al></li><li nr="•"><al>kosten van ziekenvervoer (i.v.m. beperking zittend
                                ziekenvervoer);</al></li><li nr="•"><al>dieetkosten, kosten extra energieverbruik;</al></li><li nr="•"><al>extra bewassingskosten;</al></li><li nr="•"><al>kosten bovenmatige kledingslijtage;</al></li><li nr="•"><al>kosten zelfzorggeneesmiddelen;</al></li><li nr="•"><al>tandartskosten;</al></li><li nr="•"><al>kosten fysiotherapie;</al></li><li nr="•"><al>kosten psychotherapie.</al><al>Bovengenoemde kosten zijn herleidbaar en vloeien voort uit de
                                chronische aandoening dan wel handicap en zijn, net als onder het
                                oude bijstandsregiem, vatbaar voor individuele bijzondere
                                bijstand.</al><al/><al>De zogenaamde ”verborgen” kosten die voortvloeien uit de chronische
                                aandoening of handicap zijn moeilijk te definiëren en aantoonbaar te
                                maken. Voor deze kosten kan het verstrekken van categoriale
                                bijzondere bijstand een bruikbaar instrument zijn. Het gaat hierbij
                                om kosten in verband met:</al></li><li nr="•"><al>hogere telefoon- en portikosten i.v.m. aangelegenheden rondom de
                                beperking of ziekte;</al></li><li nr="•"><al>lidmaatschapskosten van belangenverenigingen of
                                patiëntenorganisaties;</al></li><li nr="•"><al>extra kosten i.v.m. voedingsmiddelen (niet zijnde
                                dieetpreparaten);</al></li><li nr="•"><al>bijkomende kosten mantelzorg;</al></li><li nr="•"><al>kosten in verband met werkzaamheden in en rondom huis (die t.g.v. de
                                aandoening niet zelf verricht kunnen worden).</al><al/><al><sup>4</sup>Bron: Handreiking Ministerie SZW: Bijzondere bijstand
                                chronisch zieken en gehandicapten</al><al/><al>De hoogte van de categoriale bijzondere bijstand:</al><al>Er kan gekozen worden voor een categoriale tegemoetkoming die
                                aansluit bij het forfait voor chronisch zieken en gehandicapten via
                                de fiscale uitgavenaftrek BU en TBU. Er valt dan te denken aan een
                                bedrag tussen de € 150,- en € 250,- op jaarbasis. Hierbij zitten ook
                                kosten inbegrepen waarvoor tot op heden individuele bijzondere
                                bijstand werd/wordt verstrekt zoals extra telefoonkosten, extra
                                kosten voeding, extra kosten energieverbruik. </al><al/><al><onderstreept>Resumé</onderstreept></al><al>Het creëren van de mogelijkheid tot het verstrekken van categoriale
                                bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen
                                is een merkwaardige aanbeveling van het Ministerie. Enerzijds wordt
                                de aanwezigheid van een voorliggende voorziening door middel van een
                                fiscale voorlopige teruggave erkend, anderzijds wordt de
                                bureaucratische rompslomp als gevolg van de aanwezigheid van twee
                                loketten (gemeentelijke sociale dienst d.m.v. de bijzondere bijstand
                                en de Belastingdienst d.m.v. fiscale aftrekposten) als niet
                                wenselijk ervaren en wordt de verantwoordelijkheid uiteindelijk dan
                                maar bij de gemeente neergelegd. Voeg hierbij het gegeven dat de
                                financiële rijksvergoeding voor de categoriale bijzondere bijstand
                                door middel van een eenmalige toevoeging aan het Gemeentefonds van €
                                111 miljoen<sup>5</sup> bedraagt en de feitelijke onmogelijkheid om
                                een goede definiëring te geven van de doelgroep (waarbij een
                                gebureaucratiseerde indicatiestelling voorkomen moet worden), dan is
                                er veel voor te zeggen om geen gebruik te maken van de mogelijkheid
                                om categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken,
                                gehandicapten en ouderen in te voeren. Niet vergeten moet worden dat
                                een ieder die meent extra kosten te maken tengevolge van een
                                chronische aandoening ziekte, handicap of leeftijd, beroep kan
                                blijven doen op de reguliere en individueel te beoordelen bijzondere
                                bijstand.</al><al/><al><vet>Advies: Geen gebruik maken van de mogelijkheid tot het invoeren
                                    van categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken,
                                    gehandicapten en ouderen. De reguliere, individueel te
                                    beoordelen bijzondere bijstand biedt een afdoende vangnet voor
                                    kosten die verband houden met de chronische aandoening of
                                    handicap.</vet></al><al/><al><vet>8.2 Collectieve aanvullende verzekering (CAV)</vet></al><al/><al>Tengevolge van allerlei rijksbezuinigingen op de AWBZ en de SF en de
                                toezegging van de minister van SZW om de collectieve aanvullende
                                verzekering bij gemeenten opnieuw onder de aandacht te brengen wordt
                                het wellicht interessant om het fenomeen van de collectieve
                                aanvullende ziektekostenverzekering op de agenda te plaatsen.De WWB
                                staat gemeenten toe om bestaande collectieve aanvullende
                                verzekeringen voort te zetten en nieuwe collectieve aanvullende
                                ziektekosten verzekeringen af te sluiten. De CAV wordt ook in de WWB
                                toegestaan uit oogpunt van doelmatigheid, efficiency en om het
                                niet-gebruik van noodzakelijke voorzieningen terug te dringen. Door
                                de beperkingen in het ziekenfondspakket hebben verzekeraars hun
                                aanvullende verzekering uitgebreid. Door het afsluiten van de CAV
                                kunnen gemeenten de toegankelijkheid van de verzekering voor minima
                                vergroten en de tegemoetkoming in medische kosten verbeteren. Een
                                CAV kan leiden tot terugdringen van het aantal aanvragen voor
                                bijzondere bijstand en daarmee tot verlaging van de
                                uitvoeringskosten. Tot zover de voordelen van een CAV. Er zitten ook
                                nadelen aan een CAV, te weten: de administratieve rompslomp ten
                                aanzien van de inning van premies voor de verzekeraar, de nawerking
                                van een CAV bij beëindiging van de uitkering en het behouden van
                                aanvragen bijzondere bijstand medische kosten voor klanten die niet
                                aangesloten zijn bij de CAV. Enkele jaren geleden is ook al eens een
                                regionaal onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden van invoering
                                van een CAV. </al><al/><al><sup>5</sup>Deze toevoeging van € 111 miljoen volgt op beperkingen
                                van de bijzondere bijstand en het gemeentelijk minimabeleid, die
                                werden doorgevoerd na de regeeraccoorden van 2002 en 2003. Wat dat
                                betreft is de toevoeging voor een deel “een sigaar uit eigen
                                doos”.</al><al>Toen werd geconcludeerd dat de diversiteit in het
                                verzekeringsbestand te groot was om een effectieve CAV af te sluiten
                                in relatie tot de te maken kosten, de administratieve rompslomp en
                                de te behalen efficiencywinst ten gevolg van het aantal verminderde
                                aanvragen bijzondere bijstand. De aantrekkelijkheid van een CAV ligt
                                met name bij de terugdringing van het aantal aanvragen bijzondere
                                bijstand voor medische voorzieningen. Voor verzekeraars zit de grote
                                aantrekkingskracht in de min of meer gegarandeerde inning van de
                                premies. In ruil daarvoor bieden de verzekeraars gereduceerde
                                tarieven aan en zijn extra pakketmogelijkheden mogelijk. Het
                                afwegingspunt voor de gemeente ligt bij de hoogte van de
                                uitvoeringskosten als gevolg van de (omvangrijke) administratieve
                                rompslomp en de nawerking van de CAV bij de beëindiging van de
                                uitkering. Binnen afzienbare tijd wordt regionaal onderzocht wat op
                                dit moment de mogelijkheden zijn voor het afsluiten van een CAV. </al><al/><al><vet>Advies: Een nader onderzoek instellen naar een regionale
                                    invoering van een collectieve aanvullende
                                    (ziektekosten)verzekering.</vet></al><al/><al><vet>8.3 Bijzondere bijstand in relatie tot kosten in verband met
                                    werkaanvaarding</vet></al><al/><al>Met de invoering van de WWB is de nadruk nog meer komen te liggen op
                                het verkrijgen van werk. Tot 1 januari 2004 konden kosten voor de
                                klant die verband hielden met het verkrijgen dan wel behouden van
                                arbeid vergoed worden op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden
                                (Wiw). Nu deze wet per 1 januari 2004 is ingetrokken bestaat er
                                behoefte om op dit werkveld nader beleid te ontwikkelen. Men dient
                                zich te realiseren dat bijzondere bijstand voor kosten in verband
                                met werkaanvaarding direct en indirect voortvloeien uit het
                                reintegratiebeleid. In zekere zin kunnen de kosten van
                                werkaanvaarding immers betrekking hebben op directe kosten
                                (reiskosten woon-werkverkeer, kosten werkkleding) en indirecte
                                kosten (kosten scholing/opleiding plus reiskosten) die verband
                                houden met een noodzakelijke opleiding met als doel werkaanvaarding.
                                De gemeente draagt een algemene zorg voor de reïntegratie van
                                bijstandgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden en personen met
                                een Anw-uitkering. Het is aan de gemeente om te beoordelen, mede met
                                behulp van het advies van de CWI, of betrokkene op eigen kracht in
                                staat is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of dat
                                betrokkene ondersteuning nodig heeft richting arbeidsinschakeling.
                                In dat laatste geval is de gemeente vervolgens verantwoordelijk voor
                                het leveren van deze ondersteuning in de vorm van voorzieningen.
                                Deze kan bestaan uit onder meer een reiskostenvergoeding. Het is de
                                bedoeling dat gemeenten daarbij zoveel mogelijk gebruik proberen te
                                maken van voorliggende voorzieningen. Mochten deze voorliggende
                                voorziening niet in voldoende mate kunnen bijdragen aan de
                                reïntegratie van betrokkene dan kan een gemeente besluiten middelen
                                uit het reïntegratiebudget in te zetten, voor zover zij daarbij
                                blijven binnen het wettelijke kader van de WWB. Uit het voorgaande
                                moet geconcludeerd worden dat, indien het college het werk
                                (bijvoorbeeld een werkervaringsplaats) noodzakelijk acht voor de
                                (verdere) arbeidsinschakeling van belanghebbende, op andere wijze
                                kan worden voorzien in deze kosten. Verlening van bijzondere
                                bijstand voor betreffende kosten is daarmee niet meer aan de
                                orde.</al><al/><al><vet>Advies: Directe en indirecte kosten in verband met
                                    werkaanvaarding dienen gefinancierd te worden uit het
                                    reintegatiebudget (werkdeel) en niet via de bijzondere
                                    bijstand.</vet></al><al/><al><vet>9 Schuldhulpverlening</vet></al><al/><al>Schuldhulpverlening maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het
                                minimabeleid. Steeds meer belanghebbenden komen in financiële
                                problemen en komen er naar verloop van tijd niet zelf meer uit. In
                                veel gevallen zijn schulden een belemmering voor de uitstroom naar
                                werk. Het is vooral een taak van gemeenten om burgers vrijwillige
                                schuldhulpverlening aan te bieden. De meeste gemeenten schakelen
                                hiervoor erkende organisaties in zoals gemeentelijke kredietbanken,
                                gespecialiseerde schuldhulpverleningsbedrijven of maatschappelijk
                                werk. De gemeenten in Het land van Cuijk hebben hun
                                schuldhulpverlening uitbesteedt aan de GKB Nijmegen.</al><al/><al>In die gevallen waarbij sprake is van en problematische
                                schuldsituatie zal in eerste aanleg door de GKB getracht worden om
                                te komen tot een minnelijke regeling met de verschillende
                                schuldeisers . Zijn alle pogingen om tot een vrijwillige
                                overeenkomst te komen mislukt, dan kan via de Wet schuldsanering
                                natuurlijke personen (WSNP) alsnog gewerkt aan een schuldenvrije
                                toekomst. Deze wet behelst de opname van een regeling in de
                                Faillissementswet waardoor voorkomen kan worden, dat een natuurlijk
                                persoon die in een problematische schuldsituatie is terechtgekomen,
                                tot in lengte van dagen met zijn schulden kan worden achtervolgd.
                                Daarbij geldt als uitgangspunt, dat betaling van schuldeisers geen
                                voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke
                                personen om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen.
                                Dit doel wordt onder andere bereikt door het voorkomen van
                                faillissementen van natuurlijke personen.In afwijking van de
                                hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet mogelijk is,
                                kan het college op grond van artikel 49 a WWB bijzondere bijstand
                                verlenen in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de
                                belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen
                                vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de
                                borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te
                                doen vinden.Het verzoek van belanghebbende tot verlening van een
                                saneringskrediet moet zijn afgewezen door:</al></li><li nr="a."><al>een gemeentelijke kredietbank of, indien de gemeente daarbij niet is
                                aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>een kredietinstelling die is ingeschreven in het register als
                                bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992 en die is ingeschreven
                                in het register bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet
                                toezicht kredietwezen 1992.</al><al>Het voorgaande impliceert dat de WWB geen uitgebreide rol kan spelen
                                in het kader van schuldsanering. Schuldsanering is een taak die
                                vooral door gemeentelijke kredietbanken wordt vervuld. In de
                                praktijk komt het voor dat zo'n kredietbank niet tot het verstrekken
                                van een saneringskrediet overgaat, aangezien het inkomen van
                                betrokkene te weinig zekerheid biedt dat deze aan de aflossing kan
                                voldoen. Wanneer om die reden de kredietbank tot een afwijzing van
                                de aanvraag voor een saneringskrediet heeft besloten, kan het
                                wenselijk zijn, indien schuldsanering noodzakelijk en urgent is
                                doordat het voortbestaan van de schuld betrokkene in zijn bestaan
                                bedreigt, dat borgstelling op grond van de WWB plaatsvindt, zodat de
                                kredietbank alsnog tot de verstrekking van een saneringskrediet kan
                                besluiten. Artikel 49 a WWB biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al/><al>Advies: vaststellen dat de invoering van de WWB geen gevolgen heeft
                                voor de schuldhulpverlening als onderdeel van het minimabeleid.</al><al/><al><vet>10 Kwijtscheldingsbeleid belastingen/heffingen</vet></al><al/><al>Midden jaren negentig heeft het Ministerie van SZW de zogenaamde
                                Armoedenota gepresenteerd. Doel van het kabinetsbeleid was om een
                                evenwichtige inkomensontwikkeling tot stand te brengen waarbij
                                rekening werd gehouden met draagkrachtverschillen. Een algemene
                                verhoging van het sociaal minimum was niet aan de orde, omdat dit
                                het aanvaarden van werk zou kunnen belemmeren. Zodoende is door het
                                kabinet gekozen voor het verlichten van de financiële problemen voor
                                bepaalde groepen mensen. Dit heeft zich geuit in het aanreiken van
                                suggesties ter bevordering van deelname aan het arbeidsproces
                                (arbeidsparticipatie), het beperken van de vaste lasten,
                                kwijtschelding, schuldenproblematiek (bevordering rondkomen
                                inkomen), terugdringen van het niet-gebruik van voorzieningen en het
                                bieden van inkomensondersteuning (uitbreiding van de mogelijkheden
                                tot verstrekken van individuele en categoriale bijzondere bijstand). </al><al/><al>De gemeenten in het Land van Cuijk hebben deze suggesties destijds
                                aangegrepen om het beleid op het terrein van sociale zekerheid onder
                                de loep te nemen en nieuw beleid te ontwikkelen. Dit heeft er onder
                                andere toe geleid dat door de raden in de diverse gemeenten is
                                besloten om een ruimer kwijtscheldingsbeleid voor gemeentelijke </al><al/><al>belastingen en heffingen in te voeren. De kwijtscheldingsnorm werd
                                verhoogd van 95% naar 100%. Dit alles had o.a. betrekking op de
                                onroerendezaakbelasting, rioolrechten en afvalstoffenheffing.</al><al/><al>Of de belanghebbende voor kwijtschelding in aanmerking komt, wordt
                                beoordeeld aan de hand van het aanwezige vermogen en inkomen.
                                Uitgangspunt voor het inkomen vormt de hoogte van de
                                bijstandsuitkering. Een hoger inkomen betekent dat men meestal niet </al><al>in aanmerking komt voor kwijtschelding of slechts een gedeelte
                                daarvan. Wie vermogen heeft komt niet in aanmerking voor
                                kwijtschelding. Dit is geregeld in de Invorderingswet. </al><al>Niet alleen zijn belanghebbenden gewezen op de mogelijkheden om
                                kwijtschelding aan te vragen van de gemeentelijke
                                belastingen/heffingen maar ook van heffingen van het waterschap.
                                Samenwerken met het waterschap was al langere tijd gewenst, maar
                                niet mogelijk vanwege het verschil in de kwijtscheldingsnorm
                                (gemeenten 100% en waterschap 95%).</al><al/><al>In het kader van het maatschappelijk belang van het vergroten van de
                                klantgerichtheid richting burger, alsmede uit het oogpunt van
                                kostenbesparing is door het waterschap besloten om de norm met
                                ingang van 1 januari 2000 te verhogen naar 100%. Hierdoor werd het
                                mogelijk om de samenwerking tussen gemeenten en waterschap vorm te
                                geven in die zin dat het waterschap aan alle belastingschuldigen
                                kwijtschelding verleent die ook bij de gemeente voor kwijtschelding
                                in aanmerking komen. Dit alles is vastgelegd in een
                                samenwerkingsovereenkomst tussen de partijen welke door de raden
                                zijn vastgesteld. </al><al/><al><vet>Advies: Vaststellen dat de invoering van de Wet werk en
                                    bijstand geen gevolgen heeft voor de kwijtschelding van
                                    (gemeentelijke) belastingen/heffingen als onderdeel van het
                                    gemeentelijk minimabeleid.</vet></al><al/><al><vet>11 Vereenvoudiging werkprocessen</vet></al><al/><al>De uitvoeringkosten van de bijzondere bijstand kunnen hoger gaan
                                uitvallen omdat er meer aanvragen bijzondere bijstand ingediend
                                zullen worden. Doordat de wetgever een individuele
                                beoordelingsplicht eist van de gemeente geldt er dus een zwaardere
                                aantoonplicht van de noodzaak door de belanghebbende. Met het maken
                                van goede en efficiënte uitvoeringsregels kan een deel van de pijn
                                worden verzacht. Hierbij valt te denken aan een heldere normering
                                van de toekenning van veel voorkomende aanvragen bijzondere bijstand
                                en vereenvoudiging van procedures. Het gaat dan om het afwerken van
                                de aanvraag door middel van een sterk vereenvoudigd
                                aanvraagformulier en standaard rapportage. </al><al/><al><vet>Advies: De werkprocessen zoveel mogelijk vereenvoudigen door
                                    het gebruik van vereenvoudigde aanvraagformulieren en standaard
                                    rapportages.</vet></al><al/><al><vet>12 Toekomstige ontwikkelingen</vet></al><al/><al>Zoals de plannen van het kabinet er nu uitzien zullen als gevolg van
                                ingrepen in de WW vele duizenden werklozen in de WW versneld een
                                beroep op de bijstand moeten doen. De maatregelen van het kabinet
                                bekorten namelijk de periode waarin er recht is op WW. Verder is de
                                vervolg-WW geschrapt en is de leeftijd waarop men recht heeft op
                                IOAW, een uitkering voor oudere werklozen, verhoogd van 50 naar 55
                                jaar. Ook de toegang tot de WW is bemoeilijkt. Zo moet iemand
                                minstens 39 van de laatste 52 weken hebben gewerkt, (was 26 uit 39)
                                en vier van de laatste vijf jaar. Wie wel aan die eis voldoet krijgt
                                geen kortdurende WW-uitkering meer, want die wordt afgeschaft. Dat
                                treft vooral uitzendkrachten en seizoenswerkers. Ook zij zullen in
                                de bijstand komen. Een andere ontwikkeling is dat mensen die eerst
                                een ontslagvergoeding krijgen, deze moeten verrekenen met hun
                                WW-uitkering. In veel gevallen zal men daardoor geen WW meer
                                krijgen, maar zal na “opsouperen” van de ontslagvergoeding de
                                bijstand resteren. Het zal duidelijk zijn dat indien mensen eerder
                                te maken krijgen met een (substantiële) inkomensterugval, men
                                sneller een beroep zal doen op bijzondere bijstand. Een andere
                                ontwikkeling die parallel loopt aan bovenstaande is het verder
                                terugvoeren van het voorzieningenniveau dat op dit moment geboden
                                wordt in de AWBZ en de Zfw. Dat wat aan voorzieningen overblijft zal
                                grotendeels geïncorporeerd worden in de nieuwe Wet Maatschappelijke
                                Ondersteuning (WMO), waarvan de inwerkingtreding is voorzien per 1
                                januari 2006. In deze wet wordt een sterk accent gelegd op het op
                                het bevordering van zelfredzaamheid van de burgers, waarbij het
                                leveren van individueel geïndiceerde voorzieningen van
                                maatschappelijke zorg alleen dan aan de orde is als mensen daar
                                werkelijk op aangewezen zijn. Het is nog ongewis hoe groot de
                                invloed van bovenstaande zal zijn op het gemeentelijke minimabeleid.
                                Het is echter evident dat het beroep op de bijzondere bijstand zal
                                toenemen, reden waarom het zinvol is voorzichtig om te gaan met de
                                beschikbare budgetten. </al><al/><al><vet>13 Samenvatting adviezen</vet></al><al/><al>In de voorgaande hoofdstukken zijn op het terrein van het
                                minimabeleid de verschillende beleidsonderdelen bezien in het licht
                                van de Wet werk en bijstand en de daaruit voortvloeiende
                                wijzigingen. Een en ander heeft geleid tot een aantal adviezen die
                                hier samengevat weergegeven worden.</al><al/><al/><al><vet>Bijlage 1:</vet></al><al><vet>Schematisch overzicht huidig minimabeleid in het Land van
                                    Cuijk:</vet></al><al/><al/><al/><al>P.h.p.j. = per huishouden per jaar ; p.p.p.j. = per persoon per jaar
                                ; p.k.p.j. = per kind per jaar</al><al>Programmakosten= bijzondere bijstand, declaratiefonds en
                                schuldhulpverlening.</al><al><vet>Bijlage 2.</vet></al><al/><al><vet>Fictieve budgetten 2004</vet></al><al/><al/><al><vet>Uitgaven minimabeleid</vet></al><al/><al>Aantal aanvragen minimabeleid</al><al/><al/><al/><al/><al><sup>6 </sup>Tot en met juni 2004: € 34.371</al><al><sup>7 </sup>Tot en met juni 2004: € 1.648</al><al><sup>8 </sup>Samengevoegd met schuldhulpverlening</al><al><sup>9 </sup>Tot en met juni 2004: € 8.631</al><al><sup>10 </sup>Tot en met juni 2004: 69 aanvragen</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst/><bijlage/></regeling></body></cvdr>