<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21697_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering gemeente Marum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">AchtDorpenNieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Marum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 19, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 23, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nr. 13.05.09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening Wet inburgering gemeente Marum, vastgesteld op 15 september 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering gemeente Marum</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 9</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Marum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 april 2013, nr.
                        13.05.09.;</al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening en taalkennis-voorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al/><al>overwegende dat als gevolg van de wijziging van de Wet inburgering de taken
                        van gemeenten op het terrein van inburgering op termijn beëindigd zullen
                        worden;</al><al/><al>overwegende dat gedurende een overgangsperiode gemeenten nog een aantal
                        zaken op het terrein van inburgering zullen uitoefenen;</al><al/><al>overwegende dat daarom de onder de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31
                        december 2012, opgestelde verordening op onderdelen dient te worden
                        gewijzigd.</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al/><al/><al>besluit vast te stellen de volgende: </al><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING GEMEENTE MARUM</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN INFORMATIEVERSTREKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>bestuur: het bestuur van de Intergemeentelijke Sociale
                                            Dienst Noordenkwartier;</al></li><li nr="b"><al>wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31 december
                                            2012;</al></li><li nr="c"><al>wetswijziging: de wet van 13 september 2012 tot
                                            wijziging van de Wet inburgering en enkele </al></li><li nr="d"><al>andere wetten in verband met de versterking van de eigen
                                            verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb.
                                            2012, 430);</al></li><li nr="e"><al>inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X 2e
                                            t/m 5e van de wetswijziging;</al></li><li nr="f"><al>voorziening: een inburgeringsvoorziening of
                                            taalkennisvoorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsomschrijvingen in de wet, de wetswijziging en de
                                    daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen
                                    die in deze verordening worden gebruikt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op
                                    een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over
                                    hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod
                                    van en de toegang tot de inburgeringsvoorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuur maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                    inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                    middelen: </al><lijst><li nr="a"><al>het Lokaal Loket van de gemeenten en het
                                            UWV-werkbedrijf;</al></li><li nr="b"><al>het verstrekken van voorlichtingsmateriaal bij aanvragen
                                            om uitkeringen of inburgerings-voorzieningen;</al></li><li nr="c"><al>het geven van informatie over het gemeentelijke beleid
                                            op de gemeentelijke website.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuur verstrekt inburgeringsplichtigen informatie terzake
                                    van hun belangrijkste rechten en plichten uit hoofde van de wet
                                    wanneer zij, na daartoe te zijn opgeroepen, verschijnen, doch
                                    uiterlijk op de dag waarop zij een handhavingsbeschikking of
                                    beschikking ter vaststelling van een inburgeringsvoorziening
                                    ontvangen.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>DOELGROEPEN EN SAMENSTELLING VAN DE VOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het bestuur biedt een voorziening aan de inburgeringsplichtige, te
                            weten:</al><lijst><li nr="a."><al>de houder van een verblijfsvergunnng als bedoeld in artikel 28
                                    van de Vreemdelingenwet 2000 (asielgerechtigde
                                    inburgeringsplichtige), en</al></li><li nr="b."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van
                                    de wet, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    c, van de wet, voor zover deze uiterlijk 31 december 2012
                                    inburgeringsplichtig is geworden.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening moet toeleiden naar het inburgeringsexamen en
                                    omvat het eenmaal kosteloos afleggen van het examen. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuur stemt de voorziening aan de inburgeringsplichtigen
                                    als bedoeld in artikel 3 onder a en geestelijke bedienaren, af
                                    op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke
                                    omstandigheden en de maatschappelijke positie.</al></li><li nr="3."><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a biedt
                                    het bestuur maatschappelijke begeleiding aan.</al></li><li nr="4."><al>Indien de inburgeraar een re-integratie of participatietraject
                                    wordt aangeboden draagt het bestuur er zorg voor dat het
                                    traject, afhankelijk van capaciteiten en ambitie, zich richt op
                                    deelname aan de samenleving. Dit kan variëren van het volgen van
                                    een vervolg- of vakopleiding, het toeleiden naar de arbeidsmarkt
                                    of het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten. </al></li><li nr="5."><al>Het bestuur kan een inburgeringsvoorziening aanbieden in de vorm
                                    van een persoonlijk inburgeringsbudget.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                                    vastgesteld, is een eigen bijdrage verschuldigd zoals in artikel
                                    23, tweede lid van de wet is aangegeven.</al></li><li nr="2."><al>De eigen bijdrage wordt in ten hoogste 12 termijnen
                                    betaald.</al></li><li nr="3."><al>Het bestuur legt in de beschikking tot toekenning van een
                                    voorziening de termijnen van betaling vast. Indien het bestuur
                                    de eigen bijdrage verrekent met een periodieke uitkering op
                                    grond van de WWB, WIJ, IOAW of IOAZ, wordt dat in de beschikking
                                    vastgelegd. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Opleggen van verplichtingen bedoeld in artikel 3</titel></kop><al>Het bestuur kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het meewerken aan het inburgeringsonderzoek;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="e."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het bestuur wordt bepaald;</al></li><li nr="f."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>HET AANBOD VAN EEN VOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of
                                    tweede lid van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden
                                    naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                    basisadministratie is ingeschreven. </al></li><li nr="2."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening
                                    die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen
                                    vermeld die aan die voorziening worden verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                    binnen twee weken het bestuur schriftelijk mee of hij het aanbod
                                    al dan niet aanvaardt. </al></li><li nr="4."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                    bestuur binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling het
                                    besluit tot toekenning van de voorziening overeenkomstig het
                                    gedane aanbod. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een voorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II, moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage bedoeld
                                    in artikel 23 lid 2 van de wet.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>DE BESTUURLIJKE BOETE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Afstemming en dringende redenen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een inburgeringsplichtige in strijd met de krachtens de
                                    wet of deze verordening gestelde regels handelt, legt het
                                    bestuur met betrekking tot de overtreding aan de
                                    inburgeringsplichtige bij beschikking een bestuurlijke boete
                                    op.</al></li><li nr="2."><al>Bij het opleggen van een boete wordt deze verordening in acht
                                    genomen.</al></li><li nr="3."><al>Bij elke op te leggen boete wordt beoordeeld of gelet op de
                                    individuele omstandigheden van de betrokken
                                    inburgeringsplichtige afwijking van de hoogte van de
                                    voorgeschreven standaardboete geboden is.</al></li><li nr="4."><al>Indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt er géén
                                    boete opgelegd.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 20 % van de
                                    bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige
                                    geldt of zou gelden als hij belanghebbende in de zin van de WWB
                                    zou zijn) indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten
                                    aanzien van wie het bestuur op redelijke gronden kan vermoeden
                                    dat deze inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking
                                    verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid,
                                    van de wet. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het
                                    maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 sub a van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 40 % van de
                                    bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige
                                    geldt of zou gelden als hij belanghebbende in de zin van de WWB
                                    zou zijn) indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten
                                    aanzien van wie het bestuur op redelijke gronden kan vermoeden
                                    dat deze inburgeringsplichtige is, geen of onvoldoende
                                    medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem
                                    vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid of
                                    de krachtens artikel 23 derde lid gestelde regels van de wet of
                                    aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 7 van deze
                                    verordening. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het
                                    maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 sub b van de
                                    wet.</al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 40 % van de
                                    bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige
                                    geldt of zou gelden als hij belanghebbende in de zin van de WWB
                                    zou zijn) indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten
                                    aanzien van wie het bestuur op redelijke gronden kan vermoeden
                                    dat deze inburgeringsplichtig is, niet binnen de in artikel 7,
                                    eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het
                                    bestuur op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de
                                    wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. De
                                    bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het maximum van het
                                    bedrag genoemd in artikel 34 sub c van de wet.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuur legt géén bestuurlijke boete op indien voor dezelfde
                                    gedraging de bijstand kan worden verlaagd op grond van artikel
                                    18 tweede lid, van de Wet werk en bijstand, dan wel voor
                                    dezelfde gedraging een boete of maatregel kan of moet worden
                                    opgelegd op grond van de bij de AMVB aangewezen sociale
                                    zekerheidswetten. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het percentage van de bestuurlijke boete voor overtredingen,
                                    bedoeld in artikel 10, eerste lid of tweede lid wordt verhoogd,
                                    indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van
                                    wie het bestuur op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                    inburgeringsplichtig is, zich binnen twaalf maanden na de vorige
                                    als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt
                                    aan dezelfde overtreding. De bestuurlijke boete kan nooit hoger
                                    zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 sub a
                                    en sub b van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Het percentage van de bestuurlijke boete voor overtredingen,
                                    bedoeld in artikel 9, derde lid wordt verhoogd indien de
                                    inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het
                                    bestuur op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                    inburgeringsplichtig is, niet binnen de door het bestuur op
                                    grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                    inburgeringsexamen heeft behaald. De bestuurlijke boete kan
                                    nooit hoger zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in
                                    artikel 34 sub d van de wet.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Marum.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Vastgesteld in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering van 24 april 2013,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier. </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label/><nr/></kop><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering (Wi) gewijzigd.</al><al>In de wet zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een
                            aantal belangrijke taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervallen de
                            taken van de gemeenten. Wel blijven de gemeenten op grond van het
                            overgangsrecht met name de eerste jaren na inwerkingtreding van de
                            wetswijziging een aantal taken uitoefenen. Dit betreft met name
                            inburgeraars die al met een traject gestart zijn in staat te stellen dit
                            af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude inburgeraars
                            handhaven. </al><al/><al>De voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen zijn: </al><lijst><li nr="•"><al>De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de
                                    inburgeringsplichtige gelegd. Dit betekent dat het tot de eigen
                                    verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige behoort om te
                                    bepalen hoe hij aan zijn inburgeringsplicht voldoet en dat hij
                                    daarvoor zelf de kosten draagt. Daarmee vervalt de plicht van
                                    gemeenten om voor inburgeringsvoorzieningen en
                                    taalkennis-voorzieningen te zorgen. De taken die de gemeente
                                    heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                                    inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake)
                                    vervallen daarmee eveneens. </al></li><li nr="•"><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die op of na de
                                    inwerkingtreding van dit wetsvoorstel rechtmatig verblijf
                                    verkrijgen voor verblijf in Nederland en (direct of in een later
                                    stadium) een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor
                                    een niet-tijdelijk doel (asiel of gezinsvorming/hereniging) of
                                    als geestelijke bedienaar. </al></li><li nr="•"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars
                                    (EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de
                                    Wet inburgering een inburgeringsvoorziening aan te bieden
                                    vervalt. Vrijwillige inburgeraars kunnen net als iedere andere
                                    burger via het reguliere onderwijs de noodzakelijke
                                    (taal)vaardigheid en kennis verwerven om volledig deel te kunnen
                                    nemen aan de samenleving. </al></li><li nr="•"><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en
                                    het verschuiven van de resterende bevoegdheden van gemeenten
                                    naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                                    (BZK). </al></li><li nr="•"><al>Een overgangsregeling, die erin voorziet: </al><lijst><li nr="•"><al>dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en
                                            zich momenteel voorbereiden op het inburgeringsexamen in
                                            staat stellen dit voort te zetten en het examen af te
                                            leggen; </al></li><li nr="•"><al>dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1
                                            januari 2013 inburgerings- plichtig zijn geworden aan
                                            hun inburgeringsplicht voldoen; </al></li><li nr="•"><al>dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en
                                            geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013
                                            inburgeringsplichtig zijn geworden maar nog geen aanbod
                                            hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft ongewijzigd
                                            dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook
                                            uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid
                                            van de wet) bestaat. </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per
                                            nieuwe inburgeringsplichtige asielgerechtigde van de
                                            regering een eenmalige bijdrage ontvangen van € 1000.
                                            Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar </al><al>€ 2000 (de bijdrage is alleen voor inburgeringsplichtige
                                            asielgerechtigden en inburgeringsplichtige nareizende
                                            gezinsleden die gedurende 2013 hun verblijfsvergunning
                                            krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1000). </al><al/><al>Na 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen
                                            aan asielgerechtigden en geestelijk bedienaren, die
                                            uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn
                                            geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden
                                            gekregen. Aan anderen kunnen gemeenten nog wel
                                            voorzieningen aanbieden maar niet meer op grond van de
                                            Wet inburgering. </al><al/><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de
                                            inburgeringsplichtigen in de gemeente die onder het
                                            overgangsrecht vallen goed te informeren over de rechten
                                            en plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van
                                            inburgeringsplichtigen handhaven die onder het
                                            overgangsrecht vallen. Dit betreft
                                            inburgeringsplichtigen die voor 1 januari 2013 hun
                                            inburgerings-plicht opgelegd hebben gekregen en voor die
                                            datum een gemeentelijk aanbod hebben gekregen. </al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen
                                            voordoen tussen gemeenten en degenen die op grond van de
                                            wet zoals die gold tot en met 31 december 2012
                                            inburgeringsplichtig zijn werken deze
                                            handhavingsbepalingen ook door na 1 januari 2013. </al><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging
                                            gemeenten op om bij verordening regels te stellen over
                                            de volgende onderwerpen:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang
                                    tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen of taalkennis-voorziening en over de
                                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, van de
                                    wet).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voorde verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 van de wet).</al><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><label/><nr/><titel>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
                                en vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al>Artikel 8 en 24f Wi bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatie-verstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het gaat dan om
                            informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de wet Wi en
                            informatie over het aanbod van inburgerings-voorzieningen en de toegang
                            tot die voorzieningen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label/><nr/><titel>Het aanbieden van voorzieningen aan
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. </al><al>Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden
                            van een inburgerings-voorziening of taalkennisvoorziening. Onder het
                            overgangsrecht zijn gemeenten verplicht een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                            inburgeringsplichtigen en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke
                            bedienaren (artikel 19, tweede lid van de wet) die voor 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben
                            aangeboden gekregen. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen. De
                            inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te
                            betalen. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid
                            van de wet). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet). </al><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per
                            inburgeringsplichtige asielgerechtigde van de regering een eenmalige
                            bijdrage ontvangen van € 1000. Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar €
                            2000 (alleen voor inburgeringsplichtige asielgerechtigden en
                            inburgeringsplichtige nareizende gezinsleden die gedurende 2013 hun
                            verblijfsvergunning krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1000). </al><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                            taalkennisvoorziening. In de wet is ook vastgelegd over welke
                            onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><al/><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                            van de wet). </al><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de wet). </al><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening of taalkennis-voorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en de samenstelling van die voorziening (artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel b van de wet). </al><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze
                            regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen
                            bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                            (artikel 23, derde lid, van de wet). </al><al/></divisie><divisie><kop><label/><nr/><titel>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van
                            de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>ARTIKELSGEWIJZE</label><nr/><titel>TOELICHTING</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. In de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgerings-plichtigen, evenals het aanbod van en de
                            toegang tot inburgeringsvoorzieningen. De raad stelt in dit artikel de
                            kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                            inburgeringsplichtigen. Het bestuur is belast met de organisatie van de
                            informatieverstrekking en legt daarover verantwoording af aan de raad. </al><al/><al>In het tweede lid geeft de raad het bestuur de opdracht om in ieder
                            geval een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen vorm te geven. Deze middelen worden met name
                            genoemd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennis-voorziening aan te bieden aan
                            asielgerechtigden en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke
                            bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn
                            geworden.</al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><al>In dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het bestuur de
                            opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in
                            aanmerking komt, een op de persoon toegesneden inburgerings-voorziening
                            samen te stellen. In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het
                            bestuur een passende inburgeringsvoorziening moet vaststellen. </al><al/><al>Het eerste lid regelt de bijkomende faciliteiten die het bestuur als
                            onderdeel van de inburgerings-voorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                            aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een inburgerings-voorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen. </al><al/><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat het bestuur de voorziening
                            afstemt op het startniveau, de vaardigheden, persoonlijke omstandigheden
                            en de maatschappelijke positie van de inburgerings-plichtige
                            inburgeraar. Voor het bepalen van het startniveau en vaardigheden kan
                            gedacht worden aan kennis van de Nederlandse samenleving en
                            leercapaciteit. Bij persoonlijke omstandigheden aan bijvoorbeeld
                            eventuele zorgtaken en bij de maatschappelijke positie het verrichten
                            van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen. De samenstelling van
                            de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren wordt geregeld
                            bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben niet de mogelijkheid om de
                            inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden
                            naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al/><al>Het derde lid regelt dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen
                            maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel van de
                            inburgeringsvoorziening is.</al><al/><al>Het vierde lid van artikel 4 van de verordening draagt het bestuur op om
                            er voor te zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                            re-integratievoorziening. Aangezien deze voor-zieningen in het kader van
                            de uitkeringsverstrekking op grond van sociale zekerheidswetten of
                            regelingen ook door andere partijen dan het bestuur (kunnen) worden
                            verstrekt, zal het bestuur afspraken moeten maken met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van de sociale zekerheidswet of </al><al>regeling: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), eigen
                            risicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 Wi). </al><al/><al>Het vijfde lid biedt de basis voor het aanbieden van de
                            inburgeringsvoorziening of taalkennis-voorziening in de vorm van een
                            persoonlijk inburgeringsbudget.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt €
                            270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
                            In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                            inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                            termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, Wi maakt het bij
                            inburgeringsplichtigen die algemene bijstand, WIJ, IOAW of IOAZ
                            ontvangen mogelijk dat het bestuur de eigen bijdrage verrekent met deze
                            uitkering. Als het bestuur wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                            vastgelegd in de beschikking tot toekenning van de
                            inburgeringsvoorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                            bestuur het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                            houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, Wi). In dit
                            geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze
                            wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente,
                            en wordt dus niet in deze verordening geregeld. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, Wi dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de
                            bevoegdheid aan het bestuur om de verplichtingen die in het artikel
                            worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                            inburgeringsvoorziening op te leggen. Het bestuur legt in de beschikking
                            tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen
                            vast. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het bestuur het
                            aanbod van een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op
                            schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het
                            adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op
                            deze wijze kan er geen onduidelijkheid ontstaan over het feit dat het
                            bestuur een aanbod heeft gedaan. Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde
                            strekking moeten hebben als de uiteindelijke beschikking (het tweede
                            lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat
                            als instemming met de beschikking tot de toekenning van de
                            inburgeringsvoorziening. </al><al/><al>In het derde lid wordt geregeld dat als de inburgeringsplichtige het
                            aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                            meedeelt. In het vierde lid wordt geregeld dat de beschikking dezelfde
                            inhoud moet hebben als het aanbod. Een inburgeringsplichtige hoeft een
                            aanbod niet te accepteren. Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod,
                            dan zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het
                            inburgeringsexamen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de
                            beschikking moeten worden neergelegd. In de beschikking zal de
                            toegekende voorziening en de daaraan verbonden rechten en plichten van
                            de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a
                            en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te
                            verlenen aan de uitvoering van de voorziening. Handhaving hiervan is
                            alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige
                            duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7 Wi). In de
                            beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden
                            gemaakt (onderdeel c). Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet
                            worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden
                            betaald en op welke wijze de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis
                            van verrekening met de bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5
                            van de verordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Afstemming en dringende redenen</titel></kop><al>Deze verordening bevat de standaardhoogte van de boete. (art. 10). Het
                            dagelijks bestuur zal echter bij elke op te leggen boete moeten nagaan
                            of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            inburgeringsplichtige afwijking van de hoogte van de voorgeschreven
                            standaardboete geboden is. Afwijking van de standaardboete kan zowel een
                            verzwaring als een matiging inhouden.</al><al>Bij het beoordelen of een boete moet worden opgelegd, en zo ja, hoe hoog
                            die boete moet zijn zal de gemeente dus de volgende vier stappen moeten
                            doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van het niet-nakomen van een
                            verplichting door de inburgerings-plichtige</al><al>Stap 2: vaststellen van de omstandigheden van de inburgeringsplichtige </al><al>Stap 3: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid</al><al>Stap 4: vaststellen of er dringende redenen zijn om af te zien van het
                            opleggen van de boete</al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat de hierboven genoemde uitgangspunten
                            onverkort van kracht blijven bij toepassing van deze verordening. Het
                            maakt het mogelijk maatwerk te leveren en af te wijken van de
                            standaardboete als de bijzondere omstandigheden van het geval daar
                            aanleiding toe geven. In het vierde lid is, om ieder mogelijk
                            misverstand daarover uit te sluiten aangegeven dat geen boete wordt
                            opgelegd als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 Wi draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 Wi zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. </al><al>Het bestuur zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten
                            afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                            overtreder kan worden verweten. Het bestuur moet bij elke op te leggen
                            bestuurlijke boete nagaan welke boete passend is, gelet op de
                            individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al/><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde re-integratie-
                            en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand of het
                            opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere
                            socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 Wi bevat een regeling
                            voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het bestuur in dat
                            geval géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al>Bij de overige gevallen waarin geen sprake is van samenloop heeft het
                            bestuur gekozen voor het zoveel mogelijk afstemmen van de hoogte van de
                            boete op de maatregelenverordening WWB.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het bestuur de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 10
                            mogelijk is. De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de
                            overtreding mogen niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel
                            34 Wi worden genoemd. </al><al/><al>De artikelen 10 en 11 bieden voor het bestuur het kader bij het
                            vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele
                            gevallen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>