<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21674_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Marum 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">AchtDorpenNieuws 24 december en elektronisch gemeenteblad van 29 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Marum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijzigingen als gevolg van inwerkingtreding Participatiewet als opvolger van de Wet Werk en Bijstand. Vervanging langdurigheidstoeslag door individuele inkomenstoeslag</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14.12.11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Marum 2013, vastgesteld op 11 november 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Marum 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 11D</al><al/><al>De raad van de gemeente Marum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5
                        december 2014, nr. 14.12.11.;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet; </al><al/><al>gezien het advies van de Wmo-adviesraad; </al><al/><al>besluit vast te stellen de navolgende </al><al><vet>VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENS-TOESLAG GEMEENTE MARUM 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>bestuur: bestuur Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier
                                (ISD)</al></li><li nr="b"><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="c"><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt, dat wil zeggen de datum waarop een belanghebbende voor
                                het eerst gedurende een ononderbroken periode van 3 jaar heeft
                                voldaan aan de voorwaarden voor het recht op
                                langdurigheidstoeslag;</al></li><li nr="d"><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de
                                peildatum.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>Uitvoering van deze verordening berust bij het bestuur.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het bestuur vastgesteld formulier. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatie-wet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de voor deze persoon
                        toepasselijke bijstandsnorm en daarnaast de toepasselijke vermogensgrens als
                        bedoeld in artikel 34 van de Particpatiewet niet wordt overschreden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar: </al><lijst><li nr="a"><al>€ 381,00 voor een alleenstaande; </al></li><li nr="b"><al>€ 486,00 voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c"><al>€ 544,00 voor gehuwden. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al></li><li nr="3"><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend. </al></li><li nr="4"><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van de maand oktober
                                van het voorgaande jaar. De bedragen worden naar boven afgerond op
                                hele euro’s. </al></li><li nr="5"><al>De genoemde bedragen gelden per 1 januari 2014 en de indexering
                                vindt jaarlijks plaats per 1 januari.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het stellen van nadere regels</titel></kop><al>Het bestuur stelt ten aanzien van de inkomenstoeslag nadere beleidsregels.
                        In deze regels wordt in ieder geval het volgende geregeld:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer er geen sprake is van “uitzicht op
                                inkomensverbetering”;</al></li><li nr="b"><al>wat wordt verstaan onder “de krachten en bekwaamheden van een
                                persoon”,</al></li><li nr="c"><al>wat wordt verstaan onder “inspanningen die een persoon moet hebben
                                verricht om tot inkomensverbetering te komen”,</al></li><li nr="d"><al>welke “doelgroepen” eventueel worden uitgesloten van het recht op
                                een individuele inkomenstoeslag. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en
                                wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag
                                gemeente Marum 2015. </al></li><li nr="2"><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand gemeente
                                Marum 2013, vastgesteld bij raadsbesluit van 11 november 2013
                                ingetrokken en komt die te vervallen. </al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering van 17 december 2014,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, griffier.</ondertekening><ondertekening> </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><label/><nr/><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand
                        (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds
                        1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                        langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                        bijzondere bijstand. </al><al/><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen
                        gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent
                        dat het bestuur een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon
                        voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het bestuur kan in beleidsregels
                        aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele
                        inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen
                        aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending
                        van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen
                        die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen. </al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening </cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. </al><al>Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                        inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet
                        bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden.
                        Het bestuur kan in (wet interpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                        sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van
                        artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te
                        worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium
                        'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het bestuur rekening houden met
                        de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de
                        Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                        gerekend: </al><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en </al><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                        komen. </al><al/><al><cursief>Overgangsrecht </cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet
                        in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                        Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                        Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                        inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                        tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                        betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                        vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                        langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                        voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is
                        uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm </cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. </al><al> </al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label><nr/><titel/></kop><al/><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al><cursief>Inkomen </cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                        beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                        genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                        worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
                        bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een
                        eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                        gelaten bij de vaststelling van het inkomen. </al><al>Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele
                        inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst
                        effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele
                        inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de
                        referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                        verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                        verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                        januari 2015. </al><al/><al><cursief>Peildatum </cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                        persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
                        heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum
                        kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld
                        om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van
                        bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                        Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                        Participatiewet. </al><al/><al><cursief>Referteperiode </cursief></al><al>Onder referteperiode wordt verstaan: een periode van 3 jaar voorafgaand aan
                        de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 4 onder ‘langdurig’. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 3 van deze verordening dat het verzoek moet
                        worden gedaan middels een door het bestuur vastgesteld formulier. Een
                        verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1.
                        van de Awb. . De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor
                        de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                        beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling
                        verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                        individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                        Participatiewet. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                        “langdurig” en onder “laag” wordt verstaan. </al><al/><al><cursief>Langdurig </cursief></al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                        peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                        vastgesteld op 3 jaar voorafgaand aan de peildatum (zie artikel 1 van deze
                        verordening). Uit het feit dat de minimumleeftijd voor het recht op
                        langdurigheidstoeslag is bepaald op 21 jaar kan worden afgeleid dat onder
                        langdurig tenminste drie jaar moet worden begrepen. Een belanghebbende is
                        immers in beginsel vanaf 18 jaar een zelfstandig rechtssubject voor de
                        bijstand. </al><al/><al><cursief>Laag inkomen </cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm. </al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                        hoger is dan het langdurig lage inkomen van 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale
                        overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen
                        van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                        bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen
                        sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet
                        aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is
                        immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de
                        bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.</al><al/><al>Naast een laag inkomen mag er op grond van artikel 36 lid 1 van de
                        Participatiewet geen sprake zijn van een in aanmerking te nemen vermogen als
                        bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                        tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gezin. </al><al/><al><cursief>Gehuwden</cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                        inkomenstoeslag het gezin gezamenlijk toekomt. Worden de belanghebbenden op
                        de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan
                        de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet
                        één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op
                        individuele inkomenstoeslag.</al><al>In lid twee is geregeld dat indien één van de echtgenoten uitgesloten is van
                        het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet
                        voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de
                        Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor
                        een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van
                        de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden
                        geen recht hebben op bijstand. Als slechts een partner recht heeft op
                        individuele inkomenstoeslag, komt dit rechthebbende partner in aanmerking
                        voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                        alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al><al/><al><cursief>Indexering</cursief></al><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. De hoogte van de
                        landurigheidstoeslag is gebaseerd op de hoogte zoals die gold per 1 januari
                        2014. Om niet jaarlijks de verordening te hoeven</al><al>aanpassen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen
                        met het</al><al>wettelijk indexeringspercentage.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>