<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21569_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2012, gemeente Grootegast</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grootegast</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Streekkrant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2012, gemeente Grootegast</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-12-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering 3 april 2012, agendapunt 9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-18789</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2012, gemeente Grootegast</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                            Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel,
                                            bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in
                                            dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="•"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="•"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 92, tweede
                                            lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van
                                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met
                                            het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="•"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                            functioneren;</al></li><li nr="•"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                                            in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="•"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door
                                            of namens burgemeester en wethouders is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="•"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="•"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="•"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="•"><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                            sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="•"><al>Straatpeil:</al></li><li nr="•"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                                            weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                            hoofdtoegang; </al></li><li nr="•"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct
                                            aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse
                                            van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="•"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                            gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                            behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="•"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente: </al><lijst><li nr="a"><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b"><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                                    bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>De aanvraag omgevingsvergunning</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a"><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in
                                            overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit
                                            figuur 1</al></li><li nr="b"><al>vervallen;</al></li><li nr="c"><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor
                                    een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                            verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                            voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                    verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    is vereist en </al></li><li nr="c."><al>dat de grond raakt, of waarvan het bestaande,
                                    niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al/><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan
                            het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling
                            omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                            onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede
                            lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                            saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                            zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                            stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al/><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                            verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                            bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3.A</nr><titel>Brandweeringang (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                    ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de
                                    evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                    mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                    bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van
                                    de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                    aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><lijst><li nr="1"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 15 meter uit de as van de weg; </al></li><li nr="2"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                            voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen
                            met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II
                                    bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                    bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1"><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                            rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2"><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                            grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot het
                                overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a"><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil; </al></li><li nr="b"><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c"><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden; </al></li><li nr="d"><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden; </al></li><li nr="e"><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7; </al></li><li nr="f"><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken. </al></li><li nr="g"><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr="a"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg; </al></li><li nr="b"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en
                                            dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                            de weg niet in gevaar komt. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen metoverschrijding van
                            voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                    nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                    vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht en onder sub b; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                    waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming
                                    op de weg toelaatbaar zijn.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                                Afschuining van straathoeken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a"><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend; </al></li><li nr="b"><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst; </al></li><li nr="c"><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                    behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a"><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al></li><li nr="b"><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c"><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d"><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e"><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen; </al></li><li nr="f"><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g"><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich: </al><lijst><li nr="a"><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkelbinnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste; </al></li><li nr="b"><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meerder onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c"><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d"><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e"><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken,
                            voor het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                    gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw,
                                    voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel
                                    7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1"><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                            rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2"><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17
                                    van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                    bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                    handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen
                                    dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                    bouw; </al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                    onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                    en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                    afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a"><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en </al></li><li nr="b"><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a"><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is; </al></li><li nr="b"><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="i."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig; </al></li><li nr="ii."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht; </al></li><li nr="iii."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                  bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                  van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                  toestand verbeterd. </al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al></li><li nr="3."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                    beletsel vormen; </al></li><li nr="4."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod
                                    tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a"><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b"><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van de bijlage II van het Besluit omgevingsrecht,
                                    zijn niet toegelaten. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van: </al><lijst><li nr="a"><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;
                                        </al></li><li nr="b"><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a"><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; </al></li><li nr="b"><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a"><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok; </al></li><li nr="b"><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok. </al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a"><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li><li nr="b"><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter. </al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat -daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                            derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24
                            is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                    dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                    als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                    voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                    breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                    breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product
                                    van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                    plaatse; </al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                    meter. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                            2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan
                            het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                    andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                    vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                    indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;
                                </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                    handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                    bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: </al></li><li nr="f."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                    overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking
                                    is gebaat; </al></li><li nr="g."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                    andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="i."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                    soortgelijke aard; </al></li><li nr="j."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
                                </al></li><li nr="k."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                    1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                    afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                    erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                    verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="l."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="m."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="n."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                    1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                                geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid.</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28,
                            kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met
                            overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het
                            verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                    beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                    toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                    ordening;</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                    bevat.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a"><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen; </al></li><li nr="b"><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte -voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a"><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al></li><li nr="b"><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al><al/><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake
                                            brandveiligheidinstallaties en
                                            vluchtrouteaanduidingen</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen(vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3</nr><titel>De melding (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
                            (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet
                                zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van
                                bijzondere aard (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven
                                en logiesgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen van bouwwerken (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                            brand</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                hygiëne (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Vergunningsplicht nachtverblijf(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8</nr><titel>Slopen (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                            voor het slopen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                                (vervallen)</titel></kop><al/><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Stichting Libau, Welstands- en Monumentenzorg Groningen die
                                    uit haar midden personen voordraagt als lid van de
                                    welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                    welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                    welstandsnota genoemde welstandscriteria. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en
                                    twee leden, die beiden deskundig zijn op het gebied van
                                    architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                    cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste twee deskundige leden aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente
                                    anders dan bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="•"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li><li nr="•"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="•"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr="•"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="•"><al>de bijzondere projecten. </al></li><li nr="•"><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen
                                    ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in
                                    het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota
                                    in het bijzonder.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat
                                    door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
                                </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                    betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                    aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens
                                    burgemeester en wethouders daarom is verzocht. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                                    3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door of onder
                                    verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De
                                    agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt
                                    tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                                    een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                    geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders -al dan niet
                                    op verzoek van de aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare
                                    behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                    openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                    openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                    beoordelingen als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    hierom bji het indienen van de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze
                                    door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het
                                    geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van
                                    de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen spreekrecht. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                    advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid
                                    van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe
                                    aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                                    adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van
                                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al></li><li nr="2."><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                    welstandscommissie. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                    schriftelijk. </al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                    burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de vierde dag na die
                                    waarop zij is afgekondigd. </al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Bouwverordening 2010, gemeente Grootegast vastgesteld bij
                                    raadsbesluit d.d. 28 september 2010 en alle daarin aangebrachte
                                    wijzigingen; </al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                                    2012, gemeente Grootegast'. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al>Bijlagen en Toelichting</al><al/><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                                    (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                                    (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en
                                    daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
                                    (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al/><al>Artikel 1 Aanwijzing van de commissie</al><al/><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde
                                    onafhankelijke commissie die aan B &amp; W advies uitbrengt
                                    inzake de welstand conform de Woningwet 2002 </al><al>Mede op grond van haar contract met Libau wijst de gemeente de
                                    Stichting Libau, welstands- en monumentenzorg Groningen, kortweg
                                    Libau, aan als de organisatie onder wiens verantwoordelijkheid
                                    de welstandscommissie van de gemeente functioneert. </al><al/><al>Artikel 2 Taken</al><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte
                                    als niet wettelijk verplichte taken. De commissie is
                                    beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid zoals
                                    dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al/><al>Wettelijke taken:</al><al>de welstandscommissie adviseert het bevoegd gezag over de
                                    welstandsaspecten van aanvragen van een omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen;</al><al>de welstandscommissie levert de gemeenteraad jaarlijks een
                                    verslag van de door haar verrichte werkzaamheden.</al><al/><al>Niet-wettelijke taken:</al><al>adviseren over excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het
                                    uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet- deskundigen evident
                                    zijn;</al><al>het onder regie van de gemeente voeren van (voor)overleg met
                                    betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</al><al>het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                                    reclame;</al><al>het uitbrengen van adviezen over de welstandsaspecten van in
                                    voorbereiding zijnde ruimtelijke plannen en andere relevante
                                    beleidsstukken;</al><al>gevraagd en ongevraagd adviseren over stedenbouwkundige en
                                    architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                                    ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;</al><al>stimuleren en bijdragen in de ontwikkeling en vormgeving van het
                                    welstandsbeleid;</al><al>het voeren van regelmatig overleg met het gemeentebestuur en de
                                    betrokken ambtelijke afdelingen;</al><al>het bevorderen van de openbaarheid en het voorzien in
                                    voorlichting over ruimtelijke kwaliteit.</al><al/><al>Monumentenzorg.</al><al>De uitgebreide welstandscommissie adviseert B &amp; W tevens
                                    over monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet 1988 en de
                                    gemeentelijke erfgoedverordening.</al><al/><al>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</al><al/><al>De welstandscommissie heeft als basis de volgende
                                    samenstelling:</al><al>een voorzitter;</al><al>een secretaris tevens rayonarchitect van Libau;</al><al>twee architecten;</al><al>een stedenbouwkundige;</al><al>andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de
                                    commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een gemeentelijk
                                    hoofd ‘bouwen en ruimtelijke ordening’, een
                                    monumentendeskundige, een kunsthistoricus en een
                                    landschapsarchitect;</al><al>de gemeente kan ook een burgerlid in de commissie benoemen.</al><al/><al>Onder Libau ressorteert tevens de monumentencommissie, deze
                                    commissie heeft als basis de volgende samenstelling:</al><al>een voorzitter;</al><al>een secretaris;</al><al>een architect;</al><al>een monumentenarchitect;</al><al>een stedenbouwkundige;</al><al>een architectuurhistoricus;</al><al>andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de
                                    commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een gemeentelijk
                                    hoofd ‘bouwen en ruimtelijke ordening’ en een
                                    landschapsarchitect;</al><al>de gemeente kan maximaal drie vertegenwoordigers vanuit de
                                    gemeente aan de commissie toevoegen.</al><al/><al>De welstandscommissie adviseert op basis van de Woningwet 2002
                                    en de monumentencommissie die in voorkomende gevallen als
                                    integrale welstands- en monumentencommissie fungeert tevens op
                                    grond van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke
                                    monumentenverordening. </al><al/><al>Artikel 4 Profiel en Taakomschrijving commissieleden</al><al/><al>Commissieleden</al><al>Van de leden van de commissie wordt verwacht dat zij
                                    geïnteresseerd zijn in ruimtelijke kwaliteit, communicatief zijn
                                    ingesteld en in staat zijn om hun welstandsoordeel adequaat te
                                    kunnen verwoorden. Zij moeten over bouwplannen kunnen
                                    communiceren en oordelen zonder te vervallen in
                                    architectuurkritiek of preoccupaties ten aanzien van stijlen en
                                    trends.</al><al/><al>De architecten en stedenbouwkundigen in de commissie zijn voor
                                    hun vak geregistreerd en dienen kennis te hebben van de
                                    geschiedenis van de (steden)bouwkunst en de hedendaagse
                                    ontwikkelingen daarvan. Naast primaire eisen van verstandig
                                    vakmanschap is sprake van een inkleuring op diverse aspecten van
                                    het breder vakgebied, zoals stedenbouwkunde, architectuur,
                                    landschapsarchitectuur en monumentenzorg.</al><al/><al>De commissieleden zijn onafhankelijk en onpartijdig. Indien in
                                    een commissievergadering plannen aan de orde komen waarbij een
                                    commissielid is betrokken, neemt dit lid geen deel aan de
                                    vergadering.</al><al/><al>De voorzitter</al><al>De voorzitter is in eerste instantie verantwoordelijk voor het
                                    functioneren van de commissie en de algemene kwaliteit van de
                                    oordeelsvorming. Daarnaast is bestuurlijke ervaring, inzicht in
                                    lokale besluitvormingsprocessen, alsmede kennis van de
                                    ontwikkelingen op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit in de
                                    provincie Groningen van belang. De voorzitter treedt op als
                                    gastheer of - vrouw voor alle aanwezigen en bewaakt de voortgang
                                    van de agenda. De voorzitter draagt zorg voor een voor de
                                    aanwezigen heldere samenvatting en conclusie na de inhoudelijke
                                    discussie. </al><al/><al>De secretaris</al><al>De secretaris, zijnde de rayonarchitect van de gemeente, voert
                                    onder regie van de gemeente als gemandateerd commissielid
                                    vooroverleg met de planindieners, ontwerpers en andere
                                    belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de
                                    behandeling van de adviesaanvragen in de commissie voor.</al><al>Tijdens de vergadering introduceert de secretaris de bouwplannen
                                    en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid, het
                                    planologisch kader en dergelijke, voor het betreffende plan c.q.
                                    gebied. Onder verantwoordelijkheid van de secretaris wordt de
                                    beraadslaging en de conclusie over een bouwplan uitgewerkt in
                                    een schriftelijk advies.</al><al/><al>Artikel 5 Benoeming en Zittingsduur</al><al>De leden van de commissie worden op voorstel van burgemeester en
                                    wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Libau
                                    verzorgt voordracht aan het bevoegd gezag.</al><al>De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                                    van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                    herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>Ter wille van de continuïteit geschiedt de benoeming van de
                                    commissieleden volgens een alternerend stelsel. Het rooster van
                                    aftreden wordt door Libau opgesteld en bijgehouden</al><al>De nieuw benoemde commissieleden ontvangen hun benoemingsbesluit
                                    van Libau.</al><al/><al>Artikel 6 Jaarlijkse verantwoording </al><al>De commissie</al><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                    werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde
                                    komt:</al><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al><al>de werkwijze van de commissie;</al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>de bijzondere projecten.</al><al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                    aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                    algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in
                                    het bijzonder</al><al/><al>B &amp; W</al><al>B &amp; W leggen de gemeenteraad jaarlijks en verslag voor
                                    waarin zij uiteenzetten:</al><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                    commissie;</al><al>in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond
                                    van art. 13 en 13a WW zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben
                                    gelaten tussen het ofwel uitvoeren van de aanschrijving, ofwel
                                    het slopen van het bouwwerk of de standplaats en of zij bij of
                                    na de aanschrijving zijn overgegaan tot toepassing van
                                    bestuursdwang op grond van art. 15 WW.</al><al/><al>Artikel 7 Temijn van advisering</al><al>Termijn van advisering</al><al>De commissie dan wel een gemandateerd lid is bij de beoordeling
                                    van aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen gebonden
                                    aan de in de bouwverordening genoemde termijnen voor het
                                    uitbrengen van een advies.</al><al>Binnen de in de bouwverordening genoemde termijnen voor het
                                    uitbrengen van advies kan de welstandscommissie dan wel een
                                    gemandateerd lid het advies aanhouden indien meer informatie of
                                    een toelichting van de ontwerper wenselijk is.</al><al/><al>Artikel 8 Vooroverleg</al><al>Voorafgaande aan de indiening van een aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan vooroverleg plaatsvinden
                                    met de welstandscommissie of een door haar gemandateerd lid over
                                    de interpretatie van de welstandscriteria met betrekking tot het
                                    bouwinitiatief.</al><al>Het vooroverleg hoeft niet in de openbare vergadering plaats te
                                    vinden.</al><al>Van het vooroverleg wordt een schriftelijk verslag dan wel een
                                    advies opgesteld dat in het betreffende dossier wordt
                                    opgenomen.</al><al>De commissie draagt zorg voor een consistente beoordeling in de
                                    verschillende fasen van de planontwikkeling.</al><al/><al>Artikel 9 Openbaar vergaderen</al><al>Openbaarheid</al><al>De behandeling van aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen
                                    door de commissie dan wel door de haar gemandateerde leden is
                                    openbaar tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de Wet
                                    Openbaarheid van Bestuur gronden aanwezig acht om de behandeling
                                    besloten te doen plaatsvinden.</al><al/><al>Agenda</al><al>De behandeling van de bouwplannen wordt op de voor de gemeente
                                    gebruikelijke wijze bekend gemaakt.</al><al>Libau bericht zo spoedig mogelijk, uiterlijk de eerste dag van
                                    de week die volgt op het reguliere rayonbezoek, aan de gemeente
                                    welke plannen wanneer en waar en op welke wijze worden
                                    behandeld. De plannen worden in principe in Pakhuis Libau te
                                    Groningen behandeld door de zogenaamde grote of kleine
                                    commissie. Deze informatie is tevens terug te vinden op de
                                    Website van Libau.</al><al/><al>Spreekrecht</al><al>Tijdens de vergadering van de commissie wordt de mogelijkheid
                                    geboden om plannen toe te lichten door belanghebbenden als
                                    opdrachtgevers, ontwerpers en gemeentelijke
                                    vertegenwoordigers.</al><al>De voorzitter bepaalt de duur van de spreektijd, die in principe
                                    beperkt is.</al><al>De commissieleden krijgen de mogelijkheid tot het stellen van
                                    vragen aan de sprekers. Na beantwoording daarvan wordt de
                                    toelichtende fase afgesloten en begint de beraadslaging van de
                                    commissie waarna het advies wordt geformuleerd.</al><al/><al>Artikel 10 Procedure</al><al>Bouw- en woningtoezicht (BWT)</al><al>Inname van bouwplannen geschiedt door BWT. Daar worden de
                                    aanvragen geselecteerd. </al><al>Ten behoeve van de behandeling inzake welstand- en
                                    monumentenzorg wordt nagegaan of de aanvraag van de nodige
                                    gegevens en bescheiden is voorzien, conform Regeling
                                    omgevingsrecht (Mor) en Bouwverordening.</al><al/><al>De rayonarchitect van Libau bezoekt de gemeente tenminste eens
                                    per veertien dagen. Hij neemt met een vertegenwoordiger van BWT
                                    de ingekomen bouwplannen van de afgelopen periode door en
                                    handelt de plannen waarvoor hij gemandateerd is af met een
                                    positief advies. Er worden achtergronden ingewonnen met
                                    betrekking tot de adviesaanvragen eventueel door middel van
                                    overleg met de initiatiefnemers. Tijdens deze bijeenkomsten op
                                    een vast tijdstip en op een vaste plaats kunnen belanghebbenden
                                    hun plannen toelichten, overleggen over reeds behandelde
                                    bouwplannen en informatie krijgen over de interpretatie van de
                                    welstandscriteria voor een bepaalde locatie of bouwwerk. Het
                                    rayonbezoek fungeert kortom tevens als spreekuur.</al><al/><al>De rayonarchitect</al><al>Indien een bouwplan ter plaatse niet positief geadviseerd kan
                                    worden en ook na oriëntatie ter plaatse niet tot een positief
                                    advies kan worden besloten of wanneer de afhandeling van de
                                    aanvraag buiten zijn mandaat valt, neemt de rayonarchitect het
                                    bouwplan mee ter behandeling in de commissie.</al><al>De rayonarchitect bezoekt dan de betreffende locatie ten behoeve
                                    van nadere informatie. Hij maakt foto's van het object, de
                                    locatie en de omgeving ten behoeve van behandeling in de
                                    commissie en spreekt in voorkomende gevallen met de direct
                                    betrokkenen over het hoe en waarom van de aanvraag.</al><al/><al>Kleine commissie</al><al>De kleine commissie vergadert in principe eens per week. De
                                    kleine commissie bestaat uit tenminste twee rayonarchitecten van
                                    Libau, zijnde gemandateerde leden van de welstandscommissie,
                                    hier de zogenaamde grote commissie.</al><al/><al>De kleine commissie heeft als taak om:</al><al>adviesaanvragen te beoordelen waarvan de mening van de commissie
                                    op grond van eerdere ervaringen bekend verondersteld kan
                                    worden;</al><al>adviesaanvragen te beoordelen die in het kader van
                                    gebiedsgerichte criteria geen discussie oproepen;</al><al>vervolgplannen te beoordelen die eerder door de commissie zijn
                                    behandeld;</al><al>adviesaanvragen te selecteren die aan de ‘’grote’’
                                    welstandscommissie van externe deskundigen worden
                                    voorgelegd;</al><al>(voor)overleg te voeren met de aanvrager;</al><al>met in acht name van de welstandscriteria de afstemming van
                                    adviezen in de verschillende rayons te bevorderen. In geval van
                                    twijfel wordt de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen alsnog
                                    voorgelegd aan de grote commissie van externe deskundigen.</al><al/><al>Grote commissie</al><al>De grote commissie van externe deskundigen vergadert in de regel
                                    eens per veertien dagen, zoveel mogelijk gekoppeld aan de week
                                    waarin de gemeenten worden bezocht.</al><al/><al>Rooster en publicatie</al><al>Libau hanteert in principe een veertiendaagse cyclus waarbij in
                                    de eerste week alle gemeenten bezocht worden en in de tweede
                                    week de plannen worden afgehandeld. Indien de gemeente na het
                                    bezoek van de rayonarchitect ten gemeentehuize en op haar
                                    website de in de respectievelijke commissies te behandelen
                                    plannen bekend maakt, kan de planafhandeling in de eerste cyclus
                                    van veertien dagen plaatsvinden. Indien een en ander in de
                                    geëigende media wordt aangekondigd vindt afhandeling aan het
                                    eind van de tweede veertiendaagse cyclus plaats. </al><al/><al>Artikel 11Mandaat</al><al>Mandaat namens de welstandscommissie</al><al>De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                    mandateren aan één of meer daartoe aangewezen leden. Bouwplannen
                                    waarvan volgens deze leden het oordeel van de welstandscommissie
                                    als bekend mag worden erondersteld worden door de aangewezen
                                    leden geadviseerd.</al><al>In elk geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd
                                    aan de commissie.</al><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.</al><al/><al>Artikel 12 Het welstandsadvies</al><al>1. Inhoud</al><al>Conform artikel 12, lid 1 van de WW 2002 wordt in het
                                    welstandsadvies door de commissie uitgesproken of het uiterlijk
                                    en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in
                                    relatie met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                                    daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De
                                    commissie baseert zich daarbij op de criteria zoals deze zijn
                                    opgenomen in de welstandsnota.</al><al/><al>Het advies spreekt zich uit over de welstandsaspecten van het
                                    ingediende bouwplan, daarbij kunnen dus geen andere argumenten
                                    worden aangevoerd dan die welke de welstand raken.</al><al/><al>In een welstandsadvies moet een duidelijk onderscheid gemaakt
                                    worden tussen bezwaren die ondervangen dienen te worden of
                                    suggesties die de kwaliteit van het plan ten goede kunnen
                                    komen.</al><al/><al>Naar aanleiding van een bepaalde bouwaanvraag kunnen adviezen
                                    ook meer algemene beleidszaken betreffen. In adviezen zal echter
                                    steeds de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen als
                                    uitgangspunt worden genomen.</al><al/><al>Persoonlijke voorkeuren van commissieleden alsook opmerkingen
                                    die de persoon van de aanvrager of de ontwerper raken horen in
                                    een welstandsadvies niet thuis.</al><al/><al>2. Het schriftelijk advies</al><al>Het welstandsadvies wordt altijd schriftelijk uitgebracht in
                                    begrijpelijke taal. Een negatief advies is altijd voorzien van
                                    een leesbare en deugdelijke motivatie. Wanneer een positief
                                    advies aanvankelijk niet expliciet gemotiveerd is, kan daarin
                                    bijvoorbeeld op verzoek van B &amp; W in een later stadium
                                    worden voorzien.</al><al/><al>Een positief advies is altijd schriftelijk gemotiveerd indien er
                                    sprake is van afwijking van de criteria uit de nota. De
                                    commissie geeft dan aan waarom er in dit bijzondere geval reden
                                    is om van de criteria af te wijken.</al><al/><al>Het advies vormt de basis van elk overleg met betrokkenen. Uit
                                    oogpunt van rechtszekerheid van de betrokkenen kunnen in een
                                    vervolgstadium geen nieuwe opmerkingen meer worden ingebracht,
                                    die in een eerder stadium al onderkend hadden kunnen worden,
                                    tenzij wijzigingen in het bouwplan daartoe aanleiding
                                    geven.</al><al/><al>Het advies kent de volgende opzet, waarbij niet alle elementen
                                    in elk advies advies aan de orde hoeven komen:</al><al>in voorkomende gevallen: kort overzicht of verwijzingen naar
                                    eerdere fasen en adviezen in de procedure;</al><al>in voorkomende gevallen: beknopt verslag van de inbreng van de
                                    planindieners;</al><al>korte kenschets van de omgeving en de aard van de bouwactiviteit
                                    in dat verband;</al><al>verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste
                                    welstandscriteria;</al><al>het feitelijke advies waarbij achtereenvolgens de situatie, de
                                    hoofdvorm, de architectonische uitwerking en de detaillering en
                                    kleuren en materialen aan de orde kunnen komen;</al><al>in voorkomende gevallen: vrijblijvende suggesties die de
                                    ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen
                                    komen.</al><al/><al>3. Uitkomst van het advies</al><al>Het welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al/><al>Voldoet </al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van
                                    toepassing zijnde criteria niet in strijd is met redelijke eisen
                                    van welstand; er kunnen vrijblijvende suggesties worden gedaan
                                    die de ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen
                                    komen.</al><al/><al>Voldoet mits</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van
                                    toepassing zijnde criteria op een aantal punten in strijd is met
                                    redelijke eisen van welstand, tenzij de geformuleerde bezwaren
                                    worden ondervangen. In het advies wordt aangegeven of de
                                    commissie de gekozen aanpassingen nog wil beoordelen of dat deze
                                    door Bouw- en Woningtoezicht kan worden afgedaan. </al><al/><al>Voldoet niet</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van
                                    toepassing zijnde criteria in strijd is met redelijke eisen van
                                    welstand. Het plan behoeft een ingrijpende wijziging in
                                    uitwerking of uitgangspunten om aan redelijke eisen van welstand
                                    te kunnen voldoen.</al><al/><al>Aanhouden</al><al>De commissie kan het advies aanhouden wanneer zij meer
                                    informatie of toelichting noodzakelijk acht om tot een adequate
                                    beoordeling te kunnen komen. Een en ander in overleg met Bouw-
                                    en Woningtoezicht in verband met de beschikbare termijnen.</al><al/><al>4. Toelichting op het advies</al><al>De planindieners kunnen te allen tijde verzoeken om een
                                    toelichting op het advies. In eerste instantie is het
                                    gemeentelijk spreekuur tijdens het rayonbezoek daartoe het meest
                                    aangewezen. Wanneer dit naar het oordeel van de initiatiefnemers
                                    niet volstaat kan men uiteraard ook bij de commissie
                                    terecht.</al><al/><al>5. Second opinion</al><al>Alvorens bij derden een second opinion in te winnen biedt het
                                    bevoegd gezag eerst de commissie de mogelijkheid tot
                                    heroverweging van het eerder uitgebrachte advies, waarbij wordt
                                    aangegeven op welke punten naar de mening van het bevoegd gezag
                                    de houdbaarheid van het advies mogelijk in het geding is.</al><al/><al>Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd , wordt dit ter
                                    kennis gebracht van de commissie. Bij een second opinion wordt
                                    de adviesaanvraag voorgelegd aan een elders in Nederland
                                    functionerende welstandscommissie. </al><al/><al>Artikel 13 Uitvoering door het bevoegd gezag</al><al>Het bevoegd gezag heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het
                                    welstandsoordeel, zoals dat tot stand komt aan de hand van de in
                                    de welstandsnota opgenomen welstandscriteria.</al><al>Het bevoegd gezag volgt in principe het advies van de
                                    welstandscommissie; zij kunnen van dit advies afwijken,</al><al>op inhoudelijke gronden,</al><al>omdat zij van mening zijn dat de commissie niet juist heeft
                                    geïnterpreteerd of niet de juiste criteria heeft toegepast of
                                    omdat zij op inhoudelijke gronden tot een ander oordeel komen
                                    dan de commissie. In dat geval volgt zij de procedure als
                                    beschreven onder second opinion.</al><al>om zwaarwegende andere redenen,</al><al>omdat het plan weliswaar strijdig wordt geacht met redelijke
                                    eisen van welstand, maar dat op grond van artikel 44 lid d van
                                    de WW 2002 het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan
                                    verlenen op grond van andere zwaarwegende redenen van
                                    bijvoorbeeld economische of maatschappelijke aard.</al><al>Het bevoegd gezag kan ook afwijken van de welstandscriteria,
                                    hiervan kan sprake zijn indien bouwplannen niet voldoen aan de
                                    in de nota genoemde gebiedsgerichte of objectgerichte criteria,
                                    maar wel aan de algemene criteria en indien de architectonische
                                    en ruimtelijke kwaliteiten niettemin in bijzondere mate
                                    bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De afwijking
                                    geschiedt op grond van een daartoe strekkend gemotiveerd advies
                                    van de welstandscommissie.</al><al/><al>Bezwaren</al><al>Binnen zes weken na het besluit van het bevoegd gezag omtrent de
                                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen
                                    belanghebbenden bezwaar aantekenen tegen deze beslissing. In de
                                    bezwaarschiftenprocedure heroverwegen het bevoegd gezag het
                                    besluit na advies te hebben ingewonnen van de Commissie Bezwaar-
                                    en Beroepsschriften. Belanghebbenden worden in dat geval
                                    uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe
                                    te lichten. Binnen tien weken neemt het bevoegd gezag daarna een
                                    beslissing op het bezwaar. Belanghebbenden die het met de
                                    heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan.
                                    Wanneer de initiatiefnemers of derde belanghebbenden bezwaren
                                    hebben tegen het welstandsoordeel dient men zich tot het bevoegd
                                    gezag te richten. Zij immers oordelen over de welstandsaspecten.
                                    Dat het bevoegd gezag in het algemeen de adviezen van de
                                    welstandscommissie volgt, doet niet af aan zijn specifieke eigen
                                    verantwoordelijkheid in deze. Uiteraard kan het bevoegd gezag de
                                    eigen of een tweede welstandscommissie om een second opinion
                                    vragen. Lopende de procedure kunnen de initiatiefnemers de
                                    welstandscommissie om een toelichting vragen of overleg voeren.
                                    Hoor en wederhoor kan leiden tot een bijstelling van het
                                    welstandsadvies.</al><al/><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                                    (brandmeldinstallaties) (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                                    (ontruimingsintallatie) (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                                    (vluchtrouteaanduiding) (vervallen)</al><al/><al>Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV) </al><al/><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al/><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan
                                    burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de
                                    bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens
                                    hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel
                                    5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren
                                    aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het
                                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                                    Woningwet.</al><al/><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht
                                    (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle
                                    bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de
                                    Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook
                                    ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder
                                    omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al/><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex
                                    specialis ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders
                                    moeten ambtenaren zijn, zoals dit ook het geval is met de
                                    Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen ambtenaar
                                    zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun
                                    werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties
                                    heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve
                                    arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst
                                    (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders die
                                    aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende
                                    taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat
                                    de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen
                                    gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus
                                    en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon
                                    opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe
                                    gestelde eisen. </al><al>Zie hiervoor: <extref doc="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar">http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/</extref>buitengewoon-opsporingsambtenaar.
                                    Zie over dit onderwerp ook de <extref doc="http://www.car-uwo.nl/CARUWO/Ledenbrieven/Lbr_07_117_5april2007.pdf#_blank">VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR</extref>:
                                    (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al/><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt
                                    gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De
                                    inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de
                                    begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.</al><al/><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen
                                    gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip
                                    gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.</al><al/><al/><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al/><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In
                                    afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke
                                    Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een
                                    bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te
                                    stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote
                                    veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt
                                    een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk
                                    op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de
                                    gemeente.</al><al/><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de
                                    stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen
                                    bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een
                                    afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening.
                                    Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de
                                    bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden
                                    gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de
                                    bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een
                                    bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en
                                    in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet
                                    worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende
                                    gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV
                                    vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie
                                    hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan
                                    niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor
                                    hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van
                                    welstandstoezicht.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan
                                    niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor
                                    hoogbouw, en waarin geen gebied is vrijgesteld van
                                    welstandstoezicht.</al><al/><al>Alternatief 3</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan
                                    niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor
                                    hoogbouw, maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde
                                    categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht,
                                    bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                                    industrie.</al><al/><al>Alternatief 4</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan
                                    niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor
                                    hoogbouw, en ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde
                                    categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht,
                                    bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                                    industrie.</al><al/><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al/><al>Algemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht.</al><al/><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de
                                    Regeling omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het
                                    Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de
                                    beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens kan het
                                    bevoegd gezag verlangen op grond van art. 4.2 Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                                    (Bor).</al><al/><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde
                                    Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking
                                    getreden (Stb. 2003, 216)en nadien gewijzigd, laatstelijk in
                                    2011.</al><al>Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag
                                    wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert
                                    onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te
                                    doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke
                                    als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee
                                    het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                                    het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te
                                    weigeren.</al><al/><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief.
                                    Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de
                                    termijn voor de behandeling van de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op
                                    (4 weken + verlenging 4 weken);artikelen 15 en 31 Wet BIBOB). </al><al/><al>Algemene wet bestuursrecht</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor
                                    het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de
                                    rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb
                                    opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van
                                    belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de
                                    gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare
                                    voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al/><al>Wet ruimtelijke ordening</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking
                                    ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al/><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al
                                    dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige
                                    voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van
                                    belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een
                                    bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen
                                    voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even
                                    effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel
                                    9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige
                                    voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De
                                    artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al/><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op
                                    grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het
                                    indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens
                                    niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van
                                    de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig
                                    zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al/><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB
                                    liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk
                                    karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van
                                    degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk
                                    bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                                    omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1Wabo). De Wabo
                                    heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn.
                                    Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een
                                    vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder
                                    de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                                    omgevingsvergunning.</al><al/><al/><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al/><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al/><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel
                                    te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.
                                    Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst
                                    waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de
                                    van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met
                                    de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling
                                    omgevingsrecht.</al><al/><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een
                                    uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de
                                    toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen
                                    in combinatie met elkaar te lezen.</al><al/><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                                    milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens
                                    NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd
                                    - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en
                                    een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst
                                    dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van
                                    het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het
                                    uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                                    specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in
                                    grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003
                                    ontwikkeld.</al><al/><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de
                                    burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het
                                    bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een
                                    interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                                    steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De
                                    gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                                    plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of
                                    een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                                    werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al/><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is
                                    nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen
                                    afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De
                                    omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen
                                    onderzoekgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4,
                                    lid 2 Bor.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen
                                    velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers
                                    gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle
                                    gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van
                                    een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                                    ontwikkelen.</al><al/><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                                    plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en
                                    eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een
                                    bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                                    gesignaleerd.</al><al/><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet
                                    altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit
                                    onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                                    ingediend.</al><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                    bodem</al><al/><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al/><al>Algemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt
                                    aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de
                                    bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van
                                    bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd
                                    artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                                    redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de
                                    bouwverordening niet is toegestaan.</al><al/><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het
                                    bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling
                                    omgevingsrecht.</al><al/><al>De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet
                                    een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden
                                    overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling
                                    omgevingsrecht.</al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en
                                    bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw
                                    behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor
                                    gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet
                                    in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in
                                    bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de
                                    Archiefwet 1995.</al><al>Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel
                                    gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de
                                    gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag
                                    verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag
                                    zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan
                                    worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                                    vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel
                                    4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                    aan te vullen.</al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan
                                    het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning
                                    bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog
                                    moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen.
                                    Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus
                                    de Regeling omgevingsrecht.</al><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het
                                    bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium.
                                    Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de
                                    Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op
                                    de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                                    bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                                    verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet
                                    bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal
                                    staat.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder
                                    van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend
                                    vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel
                                    6.2, sub c van de Wabo</al><al/><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van
                                    het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans
                                    wordt bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg
                                    voortdurend personen zullen verblijven’ kan worden
                                    geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de
                                    voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die
                                    dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de
                                    gezondheid van personen ontstaat.</al><al/><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of
                                    nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de
                                    Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de
                                    Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                    grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                                    betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd
                                    dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of
                                    onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht
                                    worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer
                                    uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan
                                    één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het
                                    gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het
                                    telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen
                                    ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes
                                    en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de
                                    Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken
                                    waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen
                                    verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens
                                    mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over
                                    het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals
                                    onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot
                                    gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van
                                    mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-
                                    1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen
                                    verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het
                                    Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of
                                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit
                                    niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al><al/><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren
                                    van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van
                                    toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige
                                    verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van
                                    een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard
                                    gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd
                                    bodemonderzoek worden geëist.</al><al/><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                                    bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag
                                    of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag
                                    worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde
                                    voorzieningen worden getroffen.</al><al/><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de
                                    gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag
                                    ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake
                                    is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet
                                    bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten
                                    aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden
                                    gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag
                                    is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25
                                    aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd
                                    Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de
                                    Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al/><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een
                                    redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een
                                    ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting
                                    en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit
                                    dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                                    neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                                    verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het
                                    bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze
                                    gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen
                                    worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting
                                    onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al/><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in
                                    de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd.
                                    Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te
                                    worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de
                                    vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                                    bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde
                                    saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al/><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het
                                    oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een
                                    onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal
                                    overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al/><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het
                                    terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan
                                    aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet
                                    worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als
                                    saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en
                                    dampremmende laag wordt aangebracht;</al><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt
                                    afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone
                                    bodemlaag;</al><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                    grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                    totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe
                                    een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn,
                                    als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem
                                    tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                                    plaatsvinden.</al><al/><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden
                                    afgedaan.</al><al/><al>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                    bereikbaarheidseisen</al><al/><al>Algemeen</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking
                                    ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De
                                    Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan
                                    niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige
                                    voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even
                                    effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel
                                    9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige
                                    voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven
                                    bestaan.</al><al/><al>De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                                    totdat het gemelde probleem is opgelost. Het parkeren regelen in
                                    een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu
                                    doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                                    onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor
                                    die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9
                                    Woningwet).</al><al/><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit
                                    betekent dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien
                                    er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het
                                    desbetreffende bestemmingsplan niet vergelijkbare voorschriften
                                    van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                                    eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan
                                    met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het
                                    desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte
                                    van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het
                                    desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt
                                    bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit
                                    onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet
                                    altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal
                                    een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een
                                    van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                                    bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                                    bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets
                                    te worden uitgevoerd:</al><al/><al>a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot
                                    een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt
                                    gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens
                                    de vraag te worden gesteld of,</al><al/><al>b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de
                                    bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het
                                    bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit.
                                    Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten
                                    slotte te worden bezien of,</al><al/><al>c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen
                                    met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                                    aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat
                                    de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel
                                    of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan
                                    dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden
                                    afgewezen.</al><al/><al>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf
                                    2.5. van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij
                                    hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten
                                    aanzien van de artikelen 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het
                                    uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting
                                    blijkt, blijft dit artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al/><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de
                                    bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                                    gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens
                                    meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                                    bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                                    hebben.</al><al/><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de
                                    zone waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat
                                    worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                                    bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30
                                    meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de
                                    voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al/><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a
                                    bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al/><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op
                                    een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                                    weg;</al><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10
                                    meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                    weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al><al/><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de
                                    lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan
                                    de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde
                                    zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is -
                                    om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het
                                    bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.</al><al/><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken
                                    kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije
                                    en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot
                                    uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de
                                    wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een
                                    vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel
                                    uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan.
                                    Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning
                                    dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op
                                    zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee
                                    de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK,
                                    1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een
                                    eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een
                                    bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen
                                    deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3,
                                    onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent
                                    betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het
                                    aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake
                                    zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke
                                    vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking
                                    van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                                    vergunningplichtig.</al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting
                                    behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                    Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden
                                    beschouwd:</al><al/><al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                    straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20
                                    m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder
                                    pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende
                                    schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                    straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50
                                    m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals
                                    kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine
                                    luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn
                                    verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal
                                    het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen
                                    repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen
                                    eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                                    bouwhoogte e.d. is opgenomen,maar ter zake de artikelen 2.5.1
                                    t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan
                                    verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te
                                    vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de
                                    voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                                    weten:'.</al><al/><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod
                                    tot overschijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent
                                    artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval,
                                    dat er geen bestemmingsplan of beheerverordening in
                                    voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd in
                                    art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al/><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te
                                    verlenen in afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op
                                    eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het
                                    Besluit omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II
                                    van het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van
                                    belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                                    zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in
                                    artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                                    sluiten.</al><al/><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan
                                    bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals
                                    kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al/><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bijvoorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                                    zolderverdiepingen e.d.</al><al/><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van
                                    toepassing voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende
                                    bijlage.</al><al/><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken
                                    tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok
                                    leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar
                                    te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig
                                    beperkt.</al><al/><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de
                                    lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan
                                    de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde
                                    zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is -
                                    om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al/><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens
                                    opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een
                                    van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter
                                    vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                                    vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het
                                    Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</al><al/><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                                    omgevingsrecht.</al><al/><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht
                                    kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het Bor met
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het
                                    niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al/><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel
                                    2.5.7.</al><al/><al/><al/><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel
                                    2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in
                                    zeer speciale gevallen.</al><al/><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het
                                    Bor. De vermelding hiervan is vooral van belang om het
                                    misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor
                                    zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al/><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken
                                    van het verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient
                                    artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van
                                    omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een
                                    bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al/><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden
                                    gekomen aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens.
                                    Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of
                                    overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet
                                    beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.</al><al/><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met
                                    de 'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het
                                    ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het
                                    Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling
                                    wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                                    aangebracht.</al><al/><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is
                                    tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b.
                                    Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de
                                    erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor
                                    patiowoningen.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en
                                    er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet
                                    bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende
                                    'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de
                                    voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering
                                    van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot
                                    geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts
                                    aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van
                                    onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                                    gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal
                                    een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het
                                    erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder
                                    aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf als
                                    onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid
                                    van het pand door de brandweer.</al><al/><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het
                                    voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk
                                    Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een
                                    maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de
                                    erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                                    aangebracht.</al><al/><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet
                                    onder meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw
                                    van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te
                                    worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een
                                    bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een
                                    bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich
                                    voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het
                                    eerste lid, dan in het andere geval.</al><al/><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle
                                    ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende
                                    terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door
                                    vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                                    tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het
                                    bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                    van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte
                                    voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld
                                    gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het
                                    gebouw.</al><al/><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere
                                    terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard
                                    moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke
                                    voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen
                                    echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                                    erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op
                                    grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin
                                    vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen
                                    in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve
                                    preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                                    bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                                    bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van
                                    het tweede lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning
                                    verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in het eerste
                                    lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                                    een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat
                                    geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al/><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het
                                    vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of
                                    gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare
                                    veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel
                                    dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische
                                    producten e.d.</al><al/><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen
                                    in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke
                                    voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                                    eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen
                                    in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de
                                    gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen
                                    in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van
                                    de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al/><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient
                                    het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                                    hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding.</al><al/><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder
                                    een recht van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3,
                                    sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit
                                    een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar
                                    niet mag worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde
                                    bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop
                                    het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van
                                    opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de
                                    daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                                    bestemmingsplan geen betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden
                                    zones vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al>Besluit externe veiligheid buisleidingen</al><al>Het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title%3DBESLUIT%20EXTERNE%20VEILIGHEID%20BUISLEIDINGEN">Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)</extref> en
                                    de bijbehorende <extref doc="http://www.infomil.nl/publish/pages/71036/2011-01-01_regeling_externe_veiligheid_buisleidingen.pdf">Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb)</extref>
                                    zijn op 1 januari 2011 <extref doc="http://www.infomil.nl/publish/pages/71036/2011-01-01_inwerkingtredingsbesluit_-_stb-2010-863_1.pdf">in werking getreden</extref>. Het Bevb regelt onder andere
                                    welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond
                                    buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in
                                    lijn met het <extref doc="http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/bevi-revi/">Besluit externe veiligheid inrichtingen</extref>(Bevi). De
                                    besluiten gaan voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al/><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor
                                    draagt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van
                                    het Bevb een bestemmingsplan in overeenstemming is met dit
                                    besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in
                                    bestemmingsplannen zijn opgenomen, vervalt de werking van deze
                                    stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening. Voor niet in
                                    een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft deze bepaling
                                    uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf
                                    5.</al><al/><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al><extref doc="http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen">www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</extref></al><al/><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel
                                    van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in
                                    relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor
                                    de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor
                                    vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                                    ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor
                                    licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het
                                    gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                                    de achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                                    straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                                    aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten
                                    beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten
                                    praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels
                                    beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                                    definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het
                                    beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                                    bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                    ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                    enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden)
                                    en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden).
                                    Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                    bijlage.</al><al/><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij
                                    voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs
                                    de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te
                                    ver weg liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van
                                    het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking
                                    van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                                    uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al/><al>Alternatief 2</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel
                                    van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in
                                    relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor
                                    de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor
                                    vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                                    ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor
                                    licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het
                                    gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                                    de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel
                                    de onderste meter boven straatpeil van eventuele
                                    raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                                    gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen
                                    lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de
                                    gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in
                                    een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                                    bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                    ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                    enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden)
                                    en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden).
                                    Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                    bijlage.</al><al/><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de
                                    onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van
                                    vooral globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting
                                    is in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien,
                                    zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60
                                    graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie figuur
                                    14.</al><al/><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale
                                    vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                    achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17
                                    nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in
                                    rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het
                                    komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te
                                    ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al/><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in
                                    de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen
                                    achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd
                                    gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling
                                    van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                                    achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding
                                    van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in
                                    verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel
                                    2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het
                                    straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                    genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale
                                    vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                    achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17
                                    nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in
                                    rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het
                                    komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te
                                    ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al/><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in
                                    de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen
                                    achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd
                                    gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling
                                    van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                                    achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding
                                    van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in
                                    verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel
                                    2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het
                                    straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                    genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                                    achtergevelrooilijn</al><al/><al>Zie figuur 19.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel
                                    tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan
                                    voor de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar
                                    is dan kan het in overigens verlichtingstechnisch gunstige
                                    omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken van de in het
                                    eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel
                                    2.5.22.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel
                                    2.5.22.</al><al/><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de
                                    woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5
                                    bouwlaag.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de
                                    belemmeringhoek van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de
                                    hoogte-diepteverhouding van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20
                                    en 2.5.21.</al><al/><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de
                                    woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5
                                    bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij
                                    een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen
                                    met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of
                                    een van rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn
                                    normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                                    wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al/><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken
                                    op binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al/><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die
                                    elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar
                                    beide naar beneden lopen tot hun goot.</al><al/><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al/><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal
                                    gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                                    aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van
                                    de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van
                                    de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                                    logisch om het verbod tot overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al/><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te
                                    vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou
                                    namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de
                                    vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24
                                    onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge
                                    artikel 2.5.28, onder e.</al><al/><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2,
                                    onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand,
                                    dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die
                                    als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit
                                    omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al/><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit
                                    dit lid dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het
                                    bepaalde in de artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook
                                    welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al/><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat
                                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere
                                    voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de
                                    afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een gaaf
                                    straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                                    bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                                    beleid</al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige
                                    stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken
                                    met de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan
                                    opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                                    Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan
                                    vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels
                                    inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling
                                    voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de
                                    stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit
                                    een bestemmingsplan.</al><al/><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze
                                    bepaling alleen van toepassing is indien er geen
                                    bestemmingsplan, beheersverordening of projectbesluit van kracht
                                    is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere
                                    procedure van 3.9 Wabo van toepassing is.</al><al/><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal
                                    gevallen worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald
                                    wanneer daarvan sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer
                                    er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er voor de dag
                                    van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd
                                    of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                                    dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen
                                    uit de MBV, waaronder deze.</al><al/><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor
                                    alle besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46
                                    Awb). Deze motivering zal in het onderhavige geval in ieder
                                    geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch
                                    beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het
                                    bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in
                                    voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al/><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een
                                    mogelijkheid om de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld
                                    aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota,
                                    beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een
                                    sectorale nota.</al><al/><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet
                                    de situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld
                                    een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een
                                    vastgesteld voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een
                                    bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al/><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke
                                    ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit
                                    wordt gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de
                                    Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden met milieu,
                                    cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en
                                    landschappelijke waarden. </al><al/><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte
                                    van hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De
                                    relevante afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven
                                    en milieuzonering'.</al><al/><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een
                                    goede ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de
                                    terminologie uit de Wabo.</al><al/><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden
                                    bij of in gebouwen</al><al/><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het
                                    onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe)
                                    bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17
                                    van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van
                                    de Woningwet vervalt. In verband met wetstechnische problemen is
                                    besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                                    werking te doen treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is
                                    niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het ‘parkeerartikel’
                                    uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet
                                    is voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen
                                    van de bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde
                                    best ontsloten locatie(s).</al><al/><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel.
                                    Hieronder wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om
                                    in te spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment
                                    van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan tot de
                                    verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare
                                    weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken
                                    gebouw.</al><al/><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het
                                    eerste lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal
                                    parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te
                                    verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van
                                    het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te
                                    overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De
                                    daarom ook in dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    te bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte
                                    van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten
                                    aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                                    aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het
                                    tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting
                                    wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals
                                    dat is neergelegd in het lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al/><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                    minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                    voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                    Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                    (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op
                                    CDrom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum
                                    voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Wateren Wegenbouw en
                                    de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00
                                    of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm
                                    alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    worden bepaald.</al><al/><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals
                                    gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een
                                    verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van
                                    het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                                    een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld
                                    een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op
                                    locaties die dat niet zijn.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                    voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van
                                    een correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in
                                    die leden om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein
                                    (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk
                                    kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het
                                    grootste type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992
                                    sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1,
                                    over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit
                                    2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor
                                    het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                                    wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                                    parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al/><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw
                                    winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                                    respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en
                                    losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al/><al>Lid 6</al><al/><al>Ad a</al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in
                                    afwijking van de eis in het eerste en in het tweede lid om een
                                    beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen
                                    dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat in de
                                    nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                                    aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te
                                    verlenen in afwijking van de eis in het derde lid om een
                                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein (of
                                    onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                                    omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in
                                    binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                                    voorwaarden vergunning worden verleend.</al><al/><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden
                                    verbonden. Aan een daarmee samenhangende planologische
                                    ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder meer het bekende
                                    artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30
                                    MBV.</al><al/><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                                    ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld
                                    in de omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30
                                    gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft kort
                                    samengevat:</al><al/><al>1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld
                                    voor een parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR
                                    1999/223 ABRS 4 augustus 1998</al><al/><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al/><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op
                                    eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien een
                                    financiële voorwaarde mag worden verbonden. Art. 2.5.30
                                    Bouwverordening:</al><al/><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet
                                    worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de
                                    mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een
                                    financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een
                                    tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                                    mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door
                                    voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt
                                    geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop
                                    de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de verlening
                                    van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het
                                    heffen van een geldbedrag noopt.</al><al>Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van
                                    rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om
                                    een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband
                                    wordt verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985,
                                    p. 911.</al><al/><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van
                                    een financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de
                                    parkeernorm op grond van art. 2.5.30 MBV.</al><al/><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële
                                    voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al/><al>a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan
                                    de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning
                                    berust;</al><al>b. de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het
                                    opleggen van een geldbedrag;</al><al>c. de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te
                                    leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde
                                    van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is
                                    om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</al><al/><al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor
                                    het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig
                                    al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder
                                    het treffen van voorzieningen de omgeving overlast /
                                    parkeerhinder zal ondervinden.</al><al/><al>2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te
                                    vinden op www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij
                                    de ontheffing van de parkeernorm, wordt een directere relatie
                                    tussen het geld en de te realiseren voorziening geëist. Citaat
                                    uit deze uitspraak:</al><al/><al>' dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage
                                    die door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden
                                    om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge
                                    van het bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling heeft het
                                    college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied
                                    in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet
                                    vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage
                                    daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort
                                    aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat
                                    de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m
                                    acceptabel is voor het parkeren van bezoekers, kan ( ¿) niet
                                    afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf
                                    parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage
                                    zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De
                                    rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve
                                    evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met
                                    artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                                    bouwverordening is verleend.</al><al/><al>ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder
                                    a, van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft
                                    miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestelde
                                    vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien
                                    op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.</al><al/><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van
                                    twee van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de
                                    parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering
                                    van het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de
                                    Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd
                                    op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen
                                    inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten
                                    aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk
                                    gemaakt dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster]
                                    is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als bedoeld in
                                    artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden
                                    om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge
                                    van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van
                                    voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.</al><al/><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie
                                    parkeerplaatsen geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin
                                    zal worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in
                                    zoverre slaagt.'</al><al/><al>Ad b</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning
                                    door gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het
                                    tweede aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer
                                    winkels, schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen,
                                    sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken,
                                    indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op de
                                    openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een
                                    blijvend openbare parkeergarage.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al/><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet
                                    te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De
                                    daarom per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen
                                    normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw,
                                    de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers,
                                    c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van
                                    openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                                    de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid
                                    van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd
                                    het lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al/><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                    minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                    voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                    Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                    (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en
                                    Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel.
                                    0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                                    parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen worden bepaald.</al><al/><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals
                                    gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een
                                    verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van
                                    het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                                    overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                                    een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld
                                    een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op
                                    locaties die dat niet zijn.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                    voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van
                                    een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om
                                    voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou
                                    immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen
                                    parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto
                                    te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                                    werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van
                                    voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van
                                    het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                                    afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                                    rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al/><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw
                                    winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                                    respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en
                                    losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al/><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in
                                    afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid
                                    van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige
                                    verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen
                                    daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al/><al>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                    terreinen</al><al/><al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al/><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de
                                    mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel
                                    a, genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan indien
                                    afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening
                                    vaststellen.</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al/><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als
                                    inhoudelijke artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht
                                    opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet
                                    bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling,
                                    inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al/><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet
                                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling.
                                    Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten
                                    aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt met een
                                    provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook
                                    door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                                    welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te
                                    nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze
                                    keuze te onderschrijven.</al><al/><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden
                                    op de lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale
                                    welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze
                                    verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement
                                    niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient
                                    wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                                    bouwverordening.</al><al/><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is
                                    aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                                    kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen
                                    op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover
                                    adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen is vereist, moeten aan minimale welstandseisen
                                    voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                                    burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in
                                    ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                                    aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota
                                    met criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te
                                    worden op de in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van
                                    de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria 'zo veel mogelijk
                                    zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
                                    dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per
                                    samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                                    als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van
                                    de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of
                                    beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in
                                    het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                                    architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen
                                    voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                                    voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander
                                    gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het
                                    ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan
                                    een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander
                                    gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al/><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als
                                    er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels
                                    voor het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits
                                    telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al/><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere
                                    gevallen buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb
                                    (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet
                                    geval deugdelijk door het bevoegd gezag te worden
                                    gemotiveerd.</al><al/><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de
                                    voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de
                                    welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden
                                    die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al/><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen
                                    artikel 44 van de Woningwet) omschreven als zelfstandige
                                    toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De
                                    jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die
                                    voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579,
                                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                                    Gst.2000, 7119). In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang
                                    van het bestemmingsplan op de welstandseisen geregeld in artikel
                                    12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook
                                    de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven
                                    de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de
                                    Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                                    welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                                    advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk
                                    instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg,
                                    aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende
                                    bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit
                                    betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen
                                    die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende
                                    bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren
                                    (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer).
                                    De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het
                                    bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende
                                    bestemming te realiseren.</al><al/><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde
                                    lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie
                                    toekomstig bestemmingsplan en welstand.</al><al/><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een
                                    welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen verplicht indien een welstandsnota is
                                    vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie
                                    adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al/><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een
                                    welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat
                                    geval dient de bouwverordening voorschriften te bevatten over de
                                    rol en de functie van de stadsbouwmeester.</al><al/><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met
                                    lokale dan wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad
                                    kan er voor kiezen om voor de welstandsadvisering gebruik te
                                    maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het
                                    resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de
                                    gemeenteraad de leden van de welstandscommissie eveneens
                                    nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering
                                    gebruikgemaakt van de diensten van een provinciale
                                    welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een
                                    gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                                    welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of
                                    stichting draagt uit haar midden personen voor aan b&amp;w om
                                    door de gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie
                                    adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale
                                    welstandscommissie, die adviseert over alle vergunningplichtige
                                    bouwwerken.</al><al/><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al/><al>Onafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan
                                    indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het
                                    gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de
                                    leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk
                                    tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college
                                    van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat
                                    besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente
                                    of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt,
                                    is in dit verband uitgesloten.</al><al/><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen'
                                    zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door
                                    ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de
                                    welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden
                                    verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk
                                    kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de
                                    plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins
                                    beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken
                                    zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie
                                    kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming
                                    van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al/><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al/><al>Alternatief 1</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De
                                    secretaris is geen lid van de welstandscommissie.</al><al/><al>Alternatief 2</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook
                                    'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering
                                    is opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is de
                                    keuze voor dit alternatief denkbaar, maar minder werkbaar dat
                                    uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen. </al><al/><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                                    welstandscommissie.</al><al/><al>Alternatief 3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al/><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien
                                    gebruik wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie
                                    is dit veelal de rayonarchitect.</al><al/><al>Alternatief 4</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook
                                    'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering
                                    is opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is het
                                    denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die
                                    gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al/><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien
                                    een provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als
                                    commissie, is dit veelal de rayonarchitect.</al><al/><al>Alternatief 5</al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de
                                    mogelijkheid om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit
                                    alternatief is niet uitgewerkt in de MBV.</al><al/><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al/><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                                    welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen
                                    bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                                    verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van
                                    het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van
                                    de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid
                                    van de Woningwet.</al><al/><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor
                                    bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing
                                    van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol
                                    te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór
                                    de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande
                                    dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober
                                    wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie
                                    kunnen lopen van juni tot juni.</al><al/><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening
                                    van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van
                                    de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan
                                    burgemeester en wethouders ingevolge artikel 12c van de
                                    Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de
                                    gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde
                                    dienen te komen:</al><al/><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                                    welstandsadviezen;</al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben
                                    genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                    last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met
                                    redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de
                                    Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                                    overgegaan.</al><al/><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen
                                    jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al/><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt
                                    hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt
                                    en het publieke debat bevorderd.</al><al/><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor
                                    burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke
                                    ordening en bouwregelgeving.</al><al/><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging
                                    van een omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo.
                                    Deze termijnen zijn beduidend korter dan voorheen in de
                                    Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de welstandsadvisering een
                                    korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van
                                    de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo
                                    de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een
                                    informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas
                                    aanvangen bij de ontvangst van verzoek om vergunning. Indien een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is
                                    het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging
                                    van de beslistermijn.</al><al/><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                    toelichting</al><al>Openbaar vergaderen</al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het
                                    openbaar bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is
                                    vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken
                                    van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid.
                                    Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
                                    als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                                    aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                                    welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die
                                    betrekking hebben op de geagendeerde aanvragen voor een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij de
                                    agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt
                                    mede een rol van betekenis de algemene wens voor het
                                    transparanter maken van de advisering op het terrein van de
                                    ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis
                                    over het welstandstoezicht van de zijde van de
                                    burger/bouwer.</al><al/><al>Belanghebbenden</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen
                                    dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor
                                    enerzijds de aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds
                                    andere belanghebbenden.</al><al/><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de
                                    mogelijkheid tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van
                                    de welstandscommissie dient te worden geboden aan de aanvrager
                                    van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om
                                    zijn aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid
                                    van de aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot
                                    alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden
                                    verkleind.</al><al/><al>Spreekrecht</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering
                                    spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het
                                    zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot
                                    belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt
                                    voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de
                                    welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                                    eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen
                                    belanghebbenden zijn.</al><al/><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip
                                    waarop de vergadering van de welstandscommissie wordt
                                    aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat
                                    eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de
                                    vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                                    dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                                    voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                                    vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt
                                    vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg
                                    over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door
                                    een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                                    uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van
                                    vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan
                                    remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt
                                    van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                                    verdient.</al><al/><al>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                                    welstandscommissie</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen waarbij onder verantwoordelijkheid van de
                                    welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7 MBV), vraagt voor de
                                    openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende
                                    omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als
                                    deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling
                                    zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het
                                    verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf
                                    minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te
                                    gaan.</al><al/><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte
                                    bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de
                                    welstandscommissie afdoen van het welstandsadvies.</al><al/><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid
                                    afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij
                                    plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend
                                    mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor
                                    afdoening onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde
                                    categorieën bouwwerken </al><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al/><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet
                                    (oud) de aanvraag welstandsadvies van het college aan de
                                    welstandscommissie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de
                                    reguliere bouwvergunning en de lichte bouwvergunning. In het
                                    eerste geval was het vragen van welstandsadvies verplicht, in
                                    het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                                    bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de welstandscommissie
                                    (..) voorleggen).</al><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en
                                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid
                                    om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. </al><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten
                                    gebruikt om de beoordeling van aanvragen voor een licht-
                                    vergunningplichtig bouwwerk over te laten aan een niet tot de
                                    welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al/><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit
                                    heeft gevolgen gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde
                                    onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders
                                    advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de
                                    plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke
                                    eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag
                                    om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden
                                    geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk
                                    waarop de aanvraag betrekking heeft om strijd is met de
                                    redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals
                                    vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid,
                                    onder a van de Woningwet.</al><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter
                                    advisering voor te leggen aan de welstandscommissie of de
                                    stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2
                                    Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk
                                    geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad
                                    op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen
                                    redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij
                                    voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een
                                    andere grond moet worden geweigerd.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en
                                    het Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                                    omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een
                                    tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                                    aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het
                                    college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden
                                    voorgelegd. </al><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan
                                    mandateren om te toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al/><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid
                                    voor de welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om
                                    welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie over
                                    te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die
                                    commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen
                                    alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                    oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                    verondersteld.</al><al/><al>Geen mandatering</al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van
                                    de Awb. Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de
                                    bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te
                                    nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan. Bovendien
                                    neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert
                                    de commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen
                                    wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de eerstvolgende
                                    wijziging aan. </al><al/><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen
                                    mogelijk als:</al><al>- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden
                                    of,</al><al>- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig
                                    is, en</al><al>- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende
                                    bouwplan als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al/><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen
                                    bestuursrechtelijk uitgangspunt vast, namelijk het
                                    motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                                    ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een
                                    expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste
                                    jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al/><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                    bouwwerken</al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten
                                    van welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of
                                    alternatief 4 van artikel 1.3 van de MBV vast. Het
                                    desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als
                                    bedoeld in dit artikel. </al><al/><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al/><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                    andere voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het
                                    Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen
                                    (NEN's), voornormen (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al/><al>Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al/><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                                    de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor
                                    bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met
                                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de
                                    tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het
                                    Bouwbesluit 2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b
                                    Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek vorm
                                    in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                                    bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het
                                    generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet
                                    en de Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van
                                    een gebouw of ander bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende
                                    voorschriften van het Bouwbesluit 2012, dat het gebruik ervan of
                                    de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk
                                    van een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                                    vastgelegd in de welstandsnota.</al><al/><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel
                                    4:8 van de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar
                                    verwachting bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen
                                    handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit
                                    dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke
                                    voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen of de staat
                                    van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke
                                    voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander
                                    bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan
                                    worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn
                                    maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de toepassing van
                                    bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel
                                    overeenkomstig artikel 5:32b, van de Awb het verbeuren van een
                                    dwangsom voorkomen.</al><al/><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen
                                    open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State
                                    biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de
                                    mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al/><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de
                                    mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op
                                    grond van artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom,
                                    handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze
                                    werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking
                                    van een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op
                                    zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het
                                    direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of
                                    sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de
                                    illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor
                                    burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni
                                    2003 (BR 2003, 893).</al><al/><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al/><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf
                                    is gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel
                                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten. </al><al/></nota-toelichting><bijlage><al>Bijlagen</al><al/><al>Bijlage 1</al><al>Toelichting verordening</al><al><extref doc="/cvdr/images/Grootegast/i91094.pdf">tekeningenBijlages.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>