<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21551_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Terugvordering van de Wet werk en bijstand van de gemeente Zeewolde</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zeewolde</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeewolde</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Terugvordering van de Wet werk en bijstand van de gemeente Zeewolde</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=paragraaf 6.4&amp;g=2014-06-12">Wet werk en bijstand, paragraaf 6.4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-06-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>V123</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Terugvordering van de Wet werk en bijstand van de gemeente
            Zeewolde</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde,</al><al>gelezen het voorstel van afdeling Maatschappelijke Diensten d.d. 30 mei
                        2005;</al><al>gelet op paragraaf 6.4 van de Wet werk en bijstand;</al><al/><al><vet>Besluiten</vet></al><al/><al>vast te stellen de beleidsregels Terugvordering van de Wet werk en bijstand
                        van de gemeente Zeewolde.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Algemeen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Algemeen</label></kop><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge
                                    artikel 54 lid 3 en 4 van de Wet werk en bijstand (Wwb);</al></li><li nr="b."><al>het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand zoals
                                    neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Wwb.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Herziening en intrekking</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.Herziening of intrekking van het
                                toekenningsbesluit</label></kop><al>Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als
                                    bedoeld in artikel 65 lid 1 Abw, artikel 17 lid 1 Wwb, of de
                                    artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, heeft geleid tot
                                    het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                    bijstand;</al></li><li nr="b."><al>anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                                    verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Afzien van herziening of intrekking van het
                            toekenningsbesluit</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van dringende redenen
                            besluiten af te zien van het nemen van een herzienings- of
                            intrekkingsbesluit. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Terugvordering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4. Terugvordering</label></kop><al>Bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze
                            beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Ten onrechte verleende bijstand</label></kop><al>Burgemeester en wethouders vorderen bijstand terug van de belanghebbende
                            voor zover deze bijstand:</al><lijst><li nr="a."><al>ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de
                                    geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk
                                    worden nagekomen;</al></li><li nr="c."><al>voortvloeit uit gestelde borgtocht;</al></li><li nr="d."><al>ingevolge artikel 52 Wwb bij wijze van voorschot is verleend en
                                    nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;</al></li><li nr="e."><al>anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de
                                    belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen of;</al></li><li nr="f."><al>anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen
                                    dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de belanghebbende naderhand met betrekking tot de
                                            periode waarover bijstand is verleend, over in
                                            aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf
                                            3.4 Wwb beschikt of kan beschikken;</al></li><li nr="2."><al>bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en
                                            naderhand door de belanghebbende vergoedingen of
                                            tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die
                                            bestemming.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de
                                    betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum
                                    van verzending van het besluit tot terugvordering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Terugvordering van gezinsleden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde onder beleidsregel 5 worden kosten van
                                bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle
                                gezinsleden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden
                                verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende de
                                verplichting bedoeld in artikel 17 Wwb, of de artikelen 28 lid 2 en
                                29 lid 1 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
                                kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de
                                persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4. van de Wwb
                                bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden
                                gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk
                                voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden
                                teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Terugvorderingsbesluit</label></kop><al>In het terugvorderingsbesluit delen burgemeester en wethouders aan de
                            belanghebbende mede:</al><lijst><li nr="a."><al>tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen
                                    bijstand wordt teruggevorderd;</al></li><li nr="b."><al>de reden van de terugvordering;</al></li><li nr="c."><al>het wetsartikel dan wel beleidsregel, welke ten grondslag ligt
                                    aan de terugvordering;</al></li><li nr="d."><al>de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten
                                    onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen;</al></li><li nr="e."><al>op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer
                                    zal worden gelegd (executoriale titel);</al></li><li nr="f."><al>de rente en kosten welke in rekening worden gebracht bij
                                    gebrekkige betaling;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid dat indien het netto teveel betaalde bedrag aan
                                    bijstand niet is terugbetaald op 31 december, het restantbedrag
                                    alsnog bruto moet worden terugbetaald;</al></li><li nr="h."><al>de bezwaarmogelijkheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Afzien van het nemen van een besluit tot
                                terugvordering</label></kop><al>Burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van
                            terugvordering af te zien indien daarvoor een dringende reden aanwezig
                            is. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders
                            besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de
                            teruggevorderde bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal
                                    kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
                                    betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers
                                    zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en</al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten
                                    minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen
                                    van de schuldeisers van gelijke rang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Afzien van kwijtschelding wegens
                                schuldenproblematiek</label></kop><al>Geen kwijtschelding als bedoeld in artikel 9 vindt plaats indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar
                                    gedrag van de belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of
                                    goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen
                                    verhaald kan worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van
                                terugvordering wegens schuldenproblematiek</label></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                            gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking
                            voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Intrekking kwijtscheldingsbesluit
                                schuldenproblematiek</label></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                            gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
                            nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt,
                                    een schuldregeling is tot stand gekomen;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                    overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of</al></li><li nr="c."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kwijtschelding </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 13. Kwijtschelding algemeen </label></kop><al>In afwijking van de artikelen 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders
                            op verzoek van de belanghebbende besluiten van terugvordering of van
                            verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
                                    heeft voldaan en indien het gemiddeld inkomen van de
                                    belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de
                                    artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering niet te boven is gegaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende drie jaar niet volledig aan zijn
                                    betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
                                    bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover
                                    verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering
                                    betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
                                    één keer aflost.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Kwijtschelding bijzonder</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders
                            besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien,
                            indien de belanghebbende: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
                                    aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                    verrichten;</al></li><li nr="b."><al>gedurende 2 jaar al dan niet betalingen heeft verricht en de nog
                                    openstaande vordering minder bedraagt dan € 113,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Kwijtschelding geldleningen</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders
                            besluiten de duur van de aflossing van bijstand, die in de vorm van een
                            geldlening is verleend op basis van artikel 51 van de Wwb, af te
                            stemmen. Zie voor verdere uitwerking bijlage 1. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16. Geen kwijtschelding </label></kop><al>Kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15 vindt in
                            principe niet plaats indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar
                                    gedrag van de belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of
                                    goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen
                                    verhaald kan worden;</al></li><li nr="c."><al>de terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening is
                                    verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen
                                    niet zijn nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>de terugvordering van bijstand zijn grondslag heeft in artikel
                                    58 lid 1 sub f onder 1 en 2 Wwb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Kwijtschelding wegens dringende redenen</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 13, 14, 15 en 16 kunnen burgemeester en
                            wethouders besluiten de vordering kwijt te schelden indien daarvoor een
                            dringende reden aanwezig is. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Invordering van teruggevorderde bijstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 18. De hoogte van het vast te stellen
                                aflossingsbedrag</label></kop><al>In principe dient de teveel betaalde bijstand ineens te worden
                            terugbetaald, maar indien dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en
                            wethouders een aflossingsbedrag vaststellen. De wijze waarop de
                            betalingsregeling tot stand komt is uitgewerkt in bijlage 2. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Het heronderzoek naar de financiële
                                omstandigheden</label></kop><al>De frequentie van het heronderzoek bij debiteuren is een keer per
                            jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Verrekening </label></kop><al>Indien de belanghebbende een Wwb-uitkering ontvangt en niet in staat is
                            om de vordering ineens te voldoen, dan wordt het terugvorderingsbesluit
                            tenuitvoergelegd door middel van verrekening met de maandelijks
                            verleende bijstand ingevolge de Wwb, op grond van artikel 6:127 van het
                            Burgerlijk Wetboek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Beslaglegging</label></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een
                            minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde
                            betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het
                            terugvorderingsbesluit tenuitvoergelegd door middel van:</al><lijst><li nr="1."><al>een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en
                                    met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="2."><al>een executoriaal beslag op onroerende zaken of onder derden
                                    overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door
                                    middel van inschakeling van een deurwaarder.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Overige bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22. Rente en kosten</label></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel
                            21, dan kan de vordering worden verhoogd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de wettelijke rente; en</al></li><li nr="b."><al>de op de invordering betrekking hebbende kosten, ten bedrage van
                                    15% van de hoofdsom van een minimum van € 45,- en tot een
                                    maximum van € 450,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23. Brutering bijstand</label></kop><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid om op grond
                            van artikel 58 lid 4 van de Wwb de bijstand bruto terug te
                            vorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24. Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2005.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde
                        op 21 juni 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de loco-burgemeester,</ondertekening><ondertekening>R.C. van Nunspeet mevrouw W.J.H. Lodders</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1.</nr></kop><al/><al><vet>Nadere uitwerking beleidsregel 15: kwijtschelding geldleningen</vet></al><al/><al>Bij een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm</al><al>Nadat de debiteur gedurende 36 maanden onafgebroken volledig aan zijn
                    aflossingsverplichting heeft voldaan (= v/a 01-01-2005 met 5% van de
                    bijstandsnorm), wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld.</al><al/><al>Bij een inkomen van &gt; 120% van de bijstandsnorm </al><al>Nadat de debiteur gedurende 36 maanden onafgebroken volledig aan zijn
                    aflossingsverplichting heeft voldaan (= v/a 01-01-2005 met 5% van de
                    bijstandsnorm), wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld. NB
                    De term "onafgebroken" dient niet rigide te worden toegepast.</al><al/><al><vet>Voorbeeld 1: </vet>als een debiteur binnen de termijn van 36 maanden,
                    gedurende twee maanden geen uitkering heeft ontvangen omdat hij inkomsten uit
                    arbeid had via een uitzendbureau en gedurende deze twee maanden geen aflossingen
                    heeft verricht, blijft wel sprake van "onafgebroken aflossen";</al><al/><al><vet>Voorbeeld 2:</vet> een debiteur heeft gedurende 32 maanden afgelost en gaat
                    daarna aan het werk. Gedurende 12 maanden verwerft hij daarmee een inkomen ver
                    boven bijstandsniveau. Na een jaar komt hij weer in de bijstand. Gedurende dit
                    jaar heeft de debiteur geen aflossingen verricht. In dit geval is er geen sprake
                    van "onafgebroken aflossen" en dient de volledige leenbijstand te worden
                    terugbetaald.Deze beleidsregel is alleen van toepassing op leenbijstand die is
                    verstrekt met toepassing van artikel 51 Wwb (art. 21 Abw). </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2.</nr></kop><al>Nadere uitwerking beleidsregel 18: vaststellen aflossingsbedragen vanaf
                    01-01-2005</al><al/><al>De aflossingsbedragen worden vastgesteld conform onderstand schema.</al><al/><al><vet>Leenbijstand (art. 52)</vet></al><al>Cliënt: 5% x bijstandsnorm(gedurende 36 maanden, daarna kwijtschelding).</al><al>Ex-cliënt: 5% x bijstandsnorm(gedurende 36 maanden, daarna kwijtschelding).</al><al/><al><vet>Fraudevordering (art. 58, lid 1 sub a ) - Teruggevorderde leenbijstand(art.
                        58, lid 1 sub b) - Borgtocht (art. 58, lid 1 sub c) - Middelen waarover
                        later kan worden beschikt (art. 58, lid 1, sub f, 1 en 2) - Voorschot (art.
                        58 lid 1 sub d)</vet></al><al>Cliënt: 36 maanden volgens beslagbepalingen, daarna 5% x bijstandsnorm.</al><al>Overigen: 10% x bijstandsnorm plus 50% x surplus.</al><al/><al><vet>Abusievelijk verleende bijstand (art. 58 lid 1 sub e)</vet></al><al>Cliënt: 10% x bijstandsnorm.</al><al>Ex-cliënt: 10% x norm plus 50% x surplus.</al><al/><al>Toelichting op schema aflossongsbedragen</al><al>- indien een ex-cliënt of andere debiteur een inkomen heeft tot 120% x
                    bijstandsnorm, dan wordt hij voor het vaststellen van de aflossing gelijkgesteld
                    met een "cliënt";</al><al>- aflossingsbedragen worden afgerond op € 1,00 naar beneden.</al><al/><al>Toelichting op aflossing leenbijstand</al><al>- eenmaal vastgesteld aflossingsbedrag blijft gedurende de gehele looptijd
                    ongewijzigd, wordt dus niet aangepast aan normwijzigingen;</al><al>- aflossingsverplichting gaat in op de 1<sup>e</sup> dag van de maand volgende
                    op de verstrekkingsdatum;- bij beëindiging van de uitkering inhouden t/m de
                    laatste dag van de uitkering;- tegoed vakantiegeld niet verrekenen met saldo
                    leenbijstand. </al><al/><al><vet><vet>Berekening aflossingscapaciteit</vet></vet></al><al/><al>Schulden</al><al>Bij de berekening van de aflossingscapaciteit wordt in beginsel rekening
                    gehouden met schulden die reeds waren aangegaan voordat de debiteur op de hoogte
                    was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van onze vordering. In beginsel
                    wordt dus geen rekening gehouden met schulden/verplichtingen die zijn aangegaan
                    na het bekend worden van de vordering van de gemeente.Op individuele gronden kan
                    van het bovenstaande uiteraard worden afgeweken, mits dit in de rapportage
                    gedegen wordt gemotiveerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
                    aflossing op huur- of energieschulden. Het kan nodig zijn om wel rekening te
                    houden met deze aflossingsverplichtingen ter voorkoming van huisuitzetting of
                    afsluiting van energie.Ook de ontstaansgrond van de vordering is een factor
                    waarmee rekening kan worden gehouden. Bij fraudevorderingen zal minder
                    soepelheid worden betracht dan bij andersoortige vorderingen.</al><al/><al><vet>Berekening aflossingscapaciteit ex-cliënten</vet></al><al/><al>Netto inkomen plus 5% vakantietoeslag</al><al>Af: bijstandsnorm incl. vakantie-uitkering</al><al>Af: Extra woonlasten</al><al>Af: extra ziektekosten</al><al>Af: andere aflossingsverplichtingen</al><al>-------------------------------------------------</al><al>Surplus</al><al>Af: x % (surplus</al><al>--------------------------------------------------</al><al>y% surplus</al><al>Bij: 10% (bijstandsnorm incl. vt)</al><al>---------------------------------------------------</al><al>Aflossingscapaciteit</al><al/><al>N.B.</al><al><vet>extra woonlasten</vet> = woonkosten voor zover deze hoger zijn dan de in de
                    bijstand begrepen woonkostencomponent na aftrek van eventuele huursubsidie.</al><al><vet>extra ziektekosten</vet> = premies ziektekostenverzekering (m.u.v. nominale
                    premies), voor zover deze uit de netto inkomsten moeten worden voldaan.</al><al/><al>Afzien van berekening aflossingscapaciteit</al><al>Als de debiteur bereid en in staat is om de vordering in uiterlijk 6
                    maande­lijkse termijnen volledig terug te betalen kan worden afgezien van het
                    berekenen van de aflossingscapaciteit. Dit betekent dat de debiteur dan ook geen
                    inzicht hoeft te geven in zijn financiële situatie.</al><al/><al>Volgorde van aflossing bij meerdere vorderingen</al><al>Uitgangspunt is dat aflossing op de oudste vordering voorrang heeft. De aard van
                    de vordering is hierbij niet relevant. Als wegens aflossing leenbijstand 5% van
                    de norm op de uitkering van de cliënt wordt ingehouden en er ontstaat een nieuwe
                    vordering, dan heeft aflossing van deze nieuwe vordering voorrang. Het aflossen
                    op een verstrekte leenbijstand, zonder dat er sprake is van een beschikking ex
                    artikel 58, lid 1 sub b, valt namelijk niet onder de terugvorderingsparagraaf.
                    De aflossing op de leenbijstand wordt dan onderbroken, hetgeen gevolgen kan
                    hebben voor het voldoen aan de voorwaarde voor kwijtschelding na 36.</al><al/><al>Aflossing op twee vorderingen tegelijk</al><al>Soms kan het nodig zijn om de aflossingsruimte aan te wenden voor gelijktijdige
                    aflossing op twee verschillende vorderingen. Dit is bijvoorbeeld het geval in de
                    volgende situatie:Debiteur lost af op vordering A conform het aflossingsschema
                    en deze aflossing is lager dan op grond van de beslagbepalingen mogelijk is.
                    Vervolgens ontstaat er een nieuwe vordering (B). Dan blijft de aflossing op
                    vordering A ongewijzigd en wordt het restant van de aflossingsruimte aangewend
                    ter aflossing op vordering B.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al>1. Algemeen</al><al>In de Wet werk en bijstand, welke per 1 januari 2004 in werking is getreden, is
                    het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand een algemene bevoegdheid
                    geworden van burgemeester en wethouders. Dit houdt in dat het wettelijke kader
                    op zichzelf geen sluitende basis meer vormt voor de gemeentelijke
                    terugvorderingspraktijk. Met deze Beleidsregels Terugvordering Wet werk en
                    bijstand wordt een nieuwe "wettelijke" basis gecreëerd om het bestaande
                    terugvorderingsbeleid te kunnen continueren. Burgemeester en wethouders maken
                    gebruik van de hierboven bedoelde bevoegdheid in de gevallen en op grond van de
                    bepalingen in deze beleidsregels. Op grond van de invoeringswet is ter
                    voorkoming van elke onduidelijkheid over de toepasselijkheid van oude of nieuwe
                    terugvorderingsartikelen bepaald dat in voorkomende gevallen de artikelen in de
                    Wwb en dus ook deze beleidsregels betrekking hebben op zowel terugvordering van
                    bijstand ingevolge de Abw als de Wwb.De Wwb is, evenals de Abw, een minimum
                    bestaansvoorziening, welke aanvullend is op de eigen bestaansmiddelen. Gelet op
                    de gewijzigde financiële verantwoordelijkheid voor de kosten van de bijstand
                    achten burgemeester en wethouders het van groot belang dat de bijstand alleen
                    terechtkomt bij die burgers die hieraan de meeste behoefte hebben. Bovendien
                    hebben de ontvangsten voortvloeiend uit de terugvordering een gunstig effect op
                    het beschikbare budget binnen het Inkomensdeel van de Wwb. Een eventueel
                    overschot op dit budget kan vervolgens worden ingezet voor extra
                    reïntegratietrajecten ten behoeve van werkzoekenden. Daarnaast is een belangrijk
                    beleidsuitgangspunt dat het plegen van bijstandsfraude onder geen enkele
                    voorwaarden mag worden beloond door de ten onrechte verleende bijstand niet
                    terug te vorderen. </al><al/><al>2. Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</al><al>Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende kracht gewijzigd
                    vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of
                    intrekkingsbesluit een algemene bevoegdheid geworden van burgemeester en
                    wethouders. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maken
                    burgemeester en wethouders in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is
                    het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze
                    bevoegdheid.De bepalingen onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van
                    artikel 69 lid 3 Abw en 54 lid 3 Wwb, doch zijn met een dwingend karakter
                    geformuleerd.</al><al/><al>a. indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de
                    belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het
                    bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het
                    kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel de
                    gemeente als naar het CWI.</al><al/><al>b. In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct
                    toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de
                    belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking
                    van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.Dit zal zich vooral voordoen in
                    gevallen waarin door burgemeester en wethouders onjuiste besluitvorming heeft
                    plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het
                    rechtszekerheids­beginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder
                    meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of
                    belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie.
                    De belanghebbende zal daarom "op zijn klompen" hebben kunnen aanvoelen dat er
                    iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaan burgemeester
                    en wethouders niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het
                    uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de
                    onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan
                    tijdig op de hoogte wordt gebracht.Een andere overweging is of burgemeester en
                    wethouders als gevolg van een grove fout een foutief besluit hebben genomen.
                    Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de
                    belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat
                    het hier een fout betreft.</al><al/><al>3. Afzien van herziening of intrekking van het toekenningsbesluitDeze bepaling
                    geeft Burgemeester en wethouders de bevoegdheid op grond van dringende redenen
                    af te zien van een herzienings- of intrekkingsbesluit.</al><al/><al>4. TerugvorderingDeze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke
                    terugvorderings­beleid. Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt
                    teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd. </al><al/><al>5. Ten onrechte verleende bijstandDe hier omschreven situaties waarin bijstand
                    wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 Wwb. Om
                    echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden
                    teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van
                    artikel 58 Wwb, dwingend geformuleerd.</al><al/><al>a. bijstand is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf
                    komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager
                    bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op
                    grond van artikel 54 lid 3 Wwb (of artikel 69 lid 3 Abw) en beleidsregel nummer
                    2 van de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand eerst een
                    herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen. </al><al/><al>b. aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle
                    gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting
                    moet altijd in het toekenningsbesluit worden vastgelegd en ook tot uiting komen
                    in de akte van geldlening . Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen
                    wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een
                    terugvorderingsbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten aanzien van het
                    resterende deel van de lening een executoriale titel.</al><al/><al>c. Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het
                    toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend
                    in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling
                    (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het
                    terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment
                    van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van
                    artikel 58 lid 1 sub c Wwb en de gemeente­lijke beleidsregels kan worden
                    teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een
                    geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.</al><al/><al>d. Een voorschot wordt op grond van artikel 52 Wwb van rechtswege (automatisch
                    op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat
                    belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3 Wwb regelt dat
                    het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering over
                    de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit
                    voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen
                    toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de toegekende uitkering niet
                    toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het
                    openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd
                    op grond van artikel 58 lid 1 sub d Wwb. Wanneer deze omstandigheid zich
                    voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien
                    van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende
                    bijstand.</al><al/><al>e. Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een admini­stratieve
                    vergissing dient op grond van deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als
                    beperking geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende
                    redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier
                    bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar (
                    bepaald onder g).er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere
                    redenen zijn waarin de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het
                    gaat hierbij vooral om situaties waarin er geen reden is om te komen tot
                    herziening of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer
                    bijstand is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen
                    (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor
                    kosten waarvoor in een eerder stadium ook al (bijzondere) bijstand is ontvangen. </al><al/><al>6. Terugvordering van gezinsledenOp grond van artikel 59 lid 2 Wwb kan bijstand
                    die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand
                    is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens
                    worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden
                    gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand die aan een alleenstaande of
                    alleenstaande ouder is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding
                    blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden
                    teruggevorderd.</al><al>Duidelijk moet zijn dat:</al><al>- de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze
                    partner heeft verzwegen;</al><al>- de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.</al><al/><al>Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden terug­gevorderd
                    zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de
                    praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In
                    gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige)
                    bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele
                    (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die
                    hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar
                    te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.</al><al/><al>7. Terugvorderingsbesluit</al><al>In deze regels is conform artikel 60 van de Wwb geregeld welke aspecten in ieder
                    geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit. Hierbij kan nog worden
                    opgemerkt dat het indienen van een bezwaarschrift geen opschortende werking
                    heeft voor het innen van de vordering. Zeker als na de bezwaarschriftenprocedure
                    door de belanghebbende wordt besloten in beroep te gaan dan wel in hoger beroep
                    wordt het niet efficiënt en effectief geacht de inning op te schorten.</al><al/><al>8. Afzien van het terugvorderingsbesluit</al><al>In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van
                    terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te
                    nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden
                    afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel
                    kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in beleidsregel 9 en verder. Opgemerkt
                    wordt hierbij nog dat op grond van het overgangsrecht van de Wwb de
                    beleidsregels van zowel terugvordering als kwijtschelding ook betrekking hebben
                    op vorderingen die betrekking hebben op een periode voor 1 januari 2004. In
                    voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen
                    terugvorderingsbesluit te nemen. Er kunnen in de individuele situatie dringende
                    redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden
                    afgezien. De vraag wat dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien,
                    kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. De redactie van dit artikel
                    is identiek aan het oude artikel 78 lid 3 van de Abw en laat ruimte voor zowel
                    financiële als niet financiële omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat steeds van
                    geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van
                    belanghebbende moet worden beoordeeld. Deze beleidsregel strekt er niet toe om
                    een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om geheel of gedeeltelijk van
                    terugvordering af te zien. Wel kunnen enige voorbeelden worden aangehaald die
                    golden onder de Abw-terugvorderingspraktijk en die ook onder de Wwb kunnen
                    gelden.Van een dringende reden kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan
                    buiten toedoen van de belanghebbende, en hem hiervan geen enkel verwijt kan
                    worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de
                    belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving. Andere
                    dringende redenen zijn dat terugvordering zou betekenen een doorkruising van een
                    proces om tot schuldhulpverlening te komen of als er sprake is van een zeer
                    ernstige (levensbedreigende) ziekte van de belanghebbende en/of gezinsleden. Ook
                    een dringende reden is indien het aannemelijk kan worden gemaakt dat een persoon
                    gedwongen is tot het verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige gegevens (
                    bijvoorbeeld door fysiek geweld). Ook kan als dringende reden worden aangemerkt
                    als de gemeente zelf blaam treft. De algemene rechtsbeginselen (zorgvuldigheid,
                    rechtszekerheid, vertrouwen) spelen zeker hierbij een rol. Een voorbeeld hiervan
                    is het onnodig laten oplopen van een vordering door de gemeente, maar om wat
                    voor reden dan ook de actie tot terugvordering en het besluit op zich een
                    geruime tijd daarna pas wordt genomen. Terugvordering over een periode die meer
                    dan 6 maanden geleden ligt na de verkregen informatie is in het algemeen -
                    behoudens bij onjuiste informatie- niet meer acceptabel. Enige alertheid van de
                    gemeente mag zeker worden verwacht. In gevallen waarin eerst een herzienings- of
                    intrekkingsbesluit aan de orde is kan van een dergelijk besluit al worden
                    afgezien wegens en dringende reden (zie beleidsregel 3). In dat geval is ook
                    geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit. Anderzijds kan bij de
                    totstandkoming van de vordering op voorhand al duidelijk zijn dat al er van
                    inning van de vordering de komende jaren op geen enkele manier geen sprake zal
                    zijn. Bewust is hier niet een drempel­bedrag opgevoerd, daar juist kleine
                    bedragen veelal op eenvoudige wijze te innen zijn. Bovendien kan er dan sprake
                    zijn van rechtsongelijkheid door op voorhand niet alle bedragen terug te
                    vorderen en zeker in die situatie als er sprake is van verwijtbaar gedrag. Wel
                    kan dit als dringende reden worden aangemerkt. Uit oogpunt van efficiëntie wordt
                    bij bedragen lager dan € 113,- afgezien van invorderingsacties.</al><al/><al>9. tot en met 12. </al><al>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiekWanneer een bijstandsvordering door
                    middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later
                    stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.In deze
                    beleidsregels is artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen. Dit is
                    noodzakelijk om het gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid met ingang van 1 juli
                    2005 te continueren. Een dergelijke bepaling komt in de nieuwe Wwb niet meer
                    voor.Alleen als er sprake is van een problematische schuldensituatie die
                    bijdraagt aan een structurele oplossing kan de gemeente op individuele basis
                    besluiten gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Er moet in ieder geval
                    sprake zijn van een evenredige betaling van de vordering in vergelijking met de
                    andere schuldeisers. Tevens moet er sprake zijn van toepassing van de
                    "Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. Ook
                    zal er zeker inzicht moeten zijn in de problematische schuldensituatie en wie de
                    andere schuldeisers zijn.</al><al/><al>13. Kwijtschelding algemeen</al><al>In principe dienen alle vorderingen te worden terugbetaald. Het is dan ook niet
                    de bedoeling dat in deze beleidsregels beschreven situaties in alle gevallen
                    automatisch leiden tot verder afzien van terugvordering ook wel kwijtschelding
                    genaamd. Bij elk individueel geval zal moeten worden bezien of er een gegronde
                    reden is om af te zien van terugvordering. Toch wordt het wenselijk geacht
                    vanuit de praktijk en voor de burger enkele situaties wel te beschrijven. In het
                    algemeen wordt aangesloten bij de wetgeving van de Abw omtrent kwijtschelding.
                    In deze beleidsregel kan evenals in de Abw mogelijk was een restant van de nog
                    openstaande vordering worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende
                    een periode van 3 jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en er geen
                    sprake is van verwijtbaar gedrag. Bovendien moet er gedurende 3 jaar sprake zijn
                    van een inkomen op bijstandniveau en een aflossing conform het beleid, nl. 10%
                    van de geldende norm. Zie ook beleidsregel 18. In principe is het uitgangspunt
                    dat alleen op verzoek van de belanghebbende zelf eventueel het restant worden
                    kwijt­gescholden, daar het eigenlijk vanzelfsprekend is dat de vordering geheel
                    wordt voldaan. Uit een oogpunt vanuit het gelijkheidsbeginsel kan ook de
                    gemeente zelf na 3 jaar bezien tijdens een (her)onderzoek of is voldaan aan deze
                    kwijtscheldingsvoorwaarden. Enkele bepalingen van artikel 78c Abw zijn in deze
                    beleidsregels grotendeels ongewijzigd overgenomen aangezien in de Wwb een
                    dergelijke bepaling niet meer voorkomt. Het nader uitwerken van dit
                    kwijtscheldingsbeleid in een handboek kan noodzakelijk zijn omdat in deze
                    beleidsregel, evenals in de oude Abw-bepaling, sprake is van een "kan-bepaling".
                    Daar waar in beleidsregels opnieuw gemeentelijke beleidsvrijheid wordt
                    gecreëerd, dient deze vrijheid nader te worden ingevuld voor zover niet reeds
                    vastgelegd in deze beleidsregels.Overigens wordt met de onder 13. sub c.
                    genoemde mogelijkheid tot afkoop van 50% van de restsom tegen finale kwijting
                    van het restant zeer terughoudend omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen
                    gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere
                    wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het
                    restant kan worden geïncasseerd. Bovendien moet bezien worden welk bedrag
                    belanghebbende had dienen te betalen indien hij gedurende 3 jaar aan zijn
                    betalingsverplichting had voldaan.</al><al/><al>14. Kwijtschelding bijzonder</al><al>In deze beleidsregel zijn de bepalingen van artikel 78b en 78c lid 1 sub c Abw
                    overgenomen. Bij deze beleidsregel ligt het initiatief bij burgemeester en
                    wethouders om de vordering kwijt te schelden.Als de belanghebbende gedurende 5
                    jaar geen betalingen heeft verricht en het is de gemeente niet gelukt om de
                    debiteur tot betaling te bewegen wordt het mogelijk om de vordering niet verder
                    te innen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een persoon van wie de
                    verblijfplaats onbekend blijft, in het buitenland vertoeft of al 5 jaar geen
                    aflossingscapaciteit heeft. Bovendien blijkt uit onderzoek van de gemeente dat
                    het niet aannemelijk is dat belanghebbende dit in de toekomst wel zal doen. De
                    genoemde periode van 5 jaar kan direct aanvangen na het terugvorderingsbesluit
                    maar ook op enig moment daarna.Ook kunnen burgemeester en wethouders van verdere
                    terugvordering afzien als het (restant) bedrag van de vordering minder bedraagt
                    dan 113 euro. Deze beleidsregel sluit aan bij de oude Regeling terugvordering
                    geringe bedragen, welke was gebaseerd op artikel 78b Abw.</al><al/><al>15. Kwijtschelding geldleningen</al><al>In de huidige praktijk wordt het aanvaardbaar geacht indien de belanghebbende op
                    bijstandsniveau leeft om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen (met
                    name de 1<sup>e</sup> inrichtingskosten) na 3 jaar aflossing kwijt te schelden.
                    Door het opnemen van deze beleidsregel wordt deze praktijk gecontinueerd.
                    Artikel 51 Wwb geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om hier op beleid
                    te maken. Zie voor verdere uitwerking bijlage 1. </al><al/><al>16. Geen kwijtschelding</al><al>Burgemeester en wethouders zijn van oordeel dat indien de terugvordering van
                    bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag (fraude) in principe niet voor
                    kwijtschelding in aanmerking komt. Fraude mag niet worden beloond en daarom
                    dient deze bijstand geheel te worden terugbetaald. Anders zou dit in strijd zijn
                    met het principe van hoogwaardig handhaven. Immers het innen van de teveel
                    betaalde bijstand is het sluitstuk van hoogwaardig handhaven. Alleen indien er
                    sprake is van zeer bijzondere omstandigheden is op individuele basis afwijking
                    van dit principe mogelijk. Bij de afweging hiervan spelen volgens burgemeester
                    en wethouders in ieder geval een rol: de financiële omstandigheden in het
                    verleden( is er afgelost conform het beleid) en in de toekomst ( kan er worden
                    afgelost conform het beleid); het restantbedrag moet in een redelijke verhouding
                    staan tot het oorspronkelijke bedrag; er moet sprake zijn van regelmatige
                    betalingen; de belanghebbende moet perspectief hebben en houden op werk; er mag
                    geen sprake zijn van recidive, daar voorkomen moet worden dat belanghebbende de
                    mogelijkheid tot kwijtschelding kan beschouwen als een makkelijke wijze om zich
                    te ontdoen van schulden; relevante vermogensdelen dienen eerst te worden
                    aangewend om de vordering terug te betalen.Ook als er zekerheid is voor de
                    inning van de vordering door dekking middels pand of hypotheek is kwijtschelding
                    niet aan de orde. Ook in de Abw was dit niet mogelijk. Kwijtschelding van
                    leningen waarvan de belanghebbende zijn betalings-verplichting niet nakomt
                    worden in principe ook niet kwijtgescholden. Immers het niet nakomen van
                    verplichtingen mag niet worden beloond.</al><al/><al>17. Kwijtschelding wegens dringende redenen</al><al>In afwijking van de beleidsregels 13 tot en met 16 geeft deze bepaling de
                    mogelijkheid te besluiten de vordering kwijt te schelden wegens dringende
                    redenen. Kortheidshalve wordt hierbij ook verwezen naar de toelichting op
                    beleidsregel 8, die ook hier geldt. In beleidsregel 8 gaat het om situaties
                    waarbij bij het ontstaan van de vordering wordt beoordeeld of wordt overgegaan
                    tot terugvordering terwijl hier sprake is van kwijtschelding van het restant. Er
                    kunnen immers altijd individuele omstandigheden een rol spelen om toch over te
                    gaan tot kwijtschelding. Zie ook de toelichting bij de beleidsregels 13 en 15. </al><al/><al>18. Hoogte van de betalingsverplichting</al><al>In principe moet de vordering ineens worden terugbetaald. Het bescheiden vrij te
                    laten vermogen (zie art. 34 lid 3 Wwb) wordt hierbij niet buiten beschouwing
                    gelaten. De hoogte van de aflossing is afhankelijk van de soort vordering en is
                    nader uitgewerkt in bijlage 2.</al><al/><al>20 en 21. Verrekening en beslaglegging</al><al>De bepalingen omtrent verrekening en pseudo-verrekening komen in de Wwb niet
                    meer terug. Wel heeft het terugvorderingsbesluit op grond van artikel 60 lid 3
                    Wwb direct een executoriale titel. De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering
                    door middel van verrekening (wanneer aan de debiteur tevens bijstand wordt
                    verleend), of door middel van het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag.
                    Verrekening met de bijstand wordt gebaseerd op artikel 6:127 van het Burgerlijk
                    Wetboek.Voor deze vorm van verrekenen moet aan de navolgende vereisten worden
                    voldaan:er moet een wederkerig schuldenaarschap bestaan. Het gaat hier om het
                    over en weer voldoen van een schuld. De door de belanghebbende te ontvangen
                    bijstand, en de ten onrechte verleende bijstand die moet worden terugbetaald,
                    worden beschouwd als de hier bedoelde wederkerige schuld;er moet
                    gelijksoortigheid van schuld en prestatie zijn. Hieruit vloeit voort dat
                    bijstand alleen met bijstand kan worden verrekend. Dit betekent dat een ten
                    onrechte verleende bijstand niet met bijvoorbeeld een Wvg-vergoeding kan worden
                    verrekend;er moet een bevoegdheid zijn om betaling van de vordering af te
                    dwingen. Verrekening is een vorm van tenuitvoerlegging. Dit kan niet zonder
                    executoriale titel. Het tenuitvoerleggen van deze titel gebeurt pas als debiteur
                    niet aan de (al dan niet minnelijk) vastgestelde betalings- verplichting
                    voldoet. Indien de belanghebbende nog een Wwb-uitkering ontvangt en betaling van
                    de vordering ineens niet mogelijk is, wordt geen betalingsregeling getroffen,
                    maar wordt direct overgegaan tot verrekening;bij verrekening is de gemeente
                    gehouden aan de beslagvrije voet;verrekening kan alleen voor zover de uitkering
                    voor beslag vatbaar is (dus bijvoorbeeld niet met bijzondere bijstand voor
                    specifieke kosten).</al><al>Tenuitvoerlegging door middel van beslag kan geschieden conform de regels van
                    het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft, evenals onder de
                    Abw, de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering. De
                    procedure is als volgt:</al><al>- de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het
                    terugvorderingsbesluit naar degene van wie debiteur een periodieke uitkering
                    ontvangt;</al><al>- hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven;</al><al>- de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien terugzenden
                    aan de gemeente;</al><al>- door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt hiermee
                    verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de gemeente;</al><al>- de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving een
                    afschrift van die kennisgeving toezenden aan de debiteur. Als de debiteur het
                    niet eens is met de beslaglegging kan hij de President van de Rechtbank vragen
                    het beslag op te heffen middels een kort geding dan wel verzet vragen. Dit moet
                    de debiteur binnen een redelijke termijn doen.</al><al/><al>22. Rente en kostenInvorderingskosten dienen, evenals in het reguliere
                    betalingsverkeer voor rekening van de onwillige debiteur te komen. Het is
                    evident dat een onwillige debiteur extra werkzaamheden veroorzaakt voor de
                    gemeente en daarmee extra kosten in de uitvoering. Het is de uitdrukkelijke wens
                    van de gemeente dat de onwillige debiteur wordt geconfronteerd met de gevolgen
                    van zijn gedrag. In de incassopraktijk wordt gewerkt met een forfaitair
                    percentage van meestal 15% van de hoofdsom. Voorgesteld wordt om bij dit systeem
                    aan te sluiten. Het is voor de gemeente redelijk om de kosten van invordering te
                    bepalen op 15% van de (resterende) vordering (exclusief rente), met een minimum
                    van 45 euro en een maximum van 450 euro per geval. Indien de debiteur meerdere
                    vorderingen onbetaald laat kunnen op elk der afzonderlijke vorderingen de kosten
                    van de invordering in rekening worden gebracht. De debiteur moet niet onnodig
                    worden geconfronteerd met de extra kosten. Enige inpassing van de schuldeiser om
                    de vordering betaald te krijgen kan normaal worden geacht. Daarom worden pas
                    invorderingskosten in rekening gebracht op het moment dat de debiteur dusdanig
                    onwillig is gebleken dat er over moet worden gegaan tot beslaglegging of het
                    inschakelen van een deurwaarder.Om individuele redenen kan van de
                    invorderingskosten worden afgezien. Wat betreft de wettelijke rente kan worden
                    opgemerkt dat deze rente in principe wel moet worden betaald, maar pas
                    daadwerkelijk zal worden geïnd op het moment dat de software hieraan is
                    aangepast.</al><al/><al>23. Brutering bijstand</al><al>Verwijzend naar het oude terugvorderingsartikel 90 van de Abw en artikel 58 lid
                    4 van de Wwb zijn burgemeester en wethouders van oordeel dat ook de
                    loonbelasting, premies volksverzekeringen en de ziekenfondspremie worden
                    teruggevorderd voor zover deze niet te verrekenen zijn met de belastingdienst en
                    het UVW. </al><al/><al>24. Inwerkingtreding</al><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2005. Deze
                    beleidsregels gelden uitdrukkelijk ook voor terugvordering- en
                    kwijtscheldingsbesluiten die op basis van de ABW of nAbw zijn genomen en dus
                    betrekking hebben op een periode voor 1 juli 2005. De Wwb en dus ook deze
                    beleidsregels zijn ook van toepassing op nieuwe terugvordering- en
                    kwijtscheldingbesluiten na 1 juli 2005, maar die betrekking hebben op een
                    terugvorderingsperiode die ligt voor 1 juli 2005. De invoeringswet is hier
                    duidelijk in. De bepalingen met betrekking tot de vaststelling van de
                    aflossingsbedragen treden ingaande 1juli 2005 in werking.</al><al/><al>Nadere invulling van beleid</al><al>In sommige beleidsregels is gekozen voor het (opnieuw) creëren van
                    beleidsruimte. In principe zijn de beleidsregels dwingendrechtelijk
                    geformuleerd. Zij dienen immers ter invulling van wettelijk gecreëerde
                    beleidsruimte. Daar waar beleidsregels, bijvoorbeeld ten aanzien van
                    kwijtschelding, lokaal zeer sterk van elkaar verschillen, is gekozen voor een
                    kanbepaling in de beleidsregels. Dit heeft wel als consequentie dat deze
                    beleidsruimte eventueel nader zal moeten worden ingevuld in een notitie of
                    handboek.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>