<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR215132_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING INKOOP KINDPLEKKEN EN KWALITEITSEISEN BIJ DE ONTWIKKELING NAAR INTEGRALE KINDCENTRA​</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Deventer</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Deventer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 23-07-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Kwaliteitseisen en Inkoop Kindplekken bij de ontwikkeling naar Integrale Kindcentra</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-07-18</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INKOOP KINDPLEKKEN EN KWALITEITSEISEN BIJ DE ONTWIKKELING NAAR
            INTEGRALE KINDCENTRA</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>beroepskracht: beroepskracht als bedoeld in artikel 1.1 en
                                    artikel 2.1 van de wet;</al></li><li nr="2."><al>beroepskracht voorschoolse educatie: beroepskracht voorschoolse
                                    educatie als bedoeld in artikel 1.1 en artikel 2.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="3."><al>doelgroepkind: een kind in de leeftijd van 18 tot en met 48
                                    maanden met een taal- of ontwikkelingsachterstand waarvoor het
                                    consultatiebureau van de GGD een VVE-indicatieheeft
                                    afgegeven;</al></li><li nr="4."><al>VVE-indicatie; indicatie dat het kind in de ontwikkeling extra
                                    zorg en aandacht nodig heeft vanwege een taal- of
                                    ontwikkelingsachterstand;</al></li><li nr="5."><al>houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de
                                    Handelsregisterwet 2007 toebehoort/exploiteert en die met die
                                    onderneming binnen een integraal kindcentrum zorg draagt voor
                                    kinderopvang, als bedoeld in de Wet</al></li><li nr="6."><al>kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen,
                                    opvoeden en bijdragen aan</al><al> de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand
                                    waarop het voortgezet </al><al> onderwijs voor die kinderen begint;</al></li><li nr="7."><al>integraal kindcentrum: voorziening in de buurt voor elk kind van
                                    0 tot 13 jaar met een ontwikkelingsgericht aanbod</al></li><li nr="8."><al>gemeentelijke kindplek (regulier of VVE): het aantal uren dat
                                    het college de houder vergoedt voor de peuteropvang van een 2 of
                                    3 jarig kind.</al></li><li nr="9."><al>dagdeel: een periode van een dag waarin het kind wordt
                                    opgevangen. Een dagdeel omvat</al><al> maximaal 3,5 uur.</al></li><li nr="10."><al>voorschoolse educatie: voorschoolse educatie als bedoeld in
                                    artikel 2.1 van de wet;</al></li><li nr="11."><al>de wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                                    peuterspeelzalen;</al></li><li nr="12."><al>wederkerigheid: de maatschappelijke inzet van ouders in ruil
                                    voor de inkoop van een kindplek door het college.</al></li><li nr="13."><al>kindvolgsysteem: werkwijze voor het gericht beoordelen van het
                                    functioneren van kinderen;</al></li><li nr="14."><al>ouder: ouder als bedoeld in artikel 1.1 en artikel 2.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="15."><al>kindplek voorschoolse educatie: rekeneenheid die overeenkomt met
                                    4 dagdelen waarop voorschoolse educatie wordt aangeboden
                                    gedurende maximaal 40 weken per jaar.</al></li><li nr="16."><al>kenniscentrum VVE bundelt kennis en expertise van de
                                    CJG-partners ten behoeve van de ontwikkeling van kinderen. Op
                                    verzoek van professionals van voorschoolse voorzieningen en
                                    basisscholen kunnen peuters extra ondersteuning
                                    krijgen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doel van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening bevat:</al><lijst><li nr="1."><al>de criteria inzake de inkoop van kindplekken, waaronder het
                                    wederkerigheidsprincipe (hoofdstuk 2);</al></li><li nr="2."><al>specifieke regels rondom Voor- en Vroegschoolse Educatie
                                    (hoofdstuk 3);</al></li><li nr="3."><al>de ruimte- en inrichtings eisen waaraan de houder, dat is degene
                                    aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet
                                    2007 toebehoort en die met die onderneming binnen (of buiten)
                                    een integraal kindcentrum zorg draagt voor kinderopvang, als
                                    bedoeld in de Wet, moet voldoen. Deze inrichtingseisen van de
                                    verordening zijn ook van toepassing op peuter-speelzalen die
                                    niet in een integraal kindcentrum zijn gevestigd (hoofdstuk
                                    4);</al></li><li nr="4."><al>de uitwerking rondom toezicht op de kinderopvang (hoofdstuk
                                    5).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>INKOOP VAN KINDPLEKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Kindplekken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder kan een verzoek tot gebruik van een gemeentelijke kindplek
                                (regulier of voorschoolse educatie) aanvragen bij de houder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de kinderopvang controleert of de ouder valt onder de
                                Wet (recht heeft op een kinderopvangtoeslag).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de kinderopvang dient bij het college de aanvraag in
                                voor een gemeentelijke kindplek, als de ouder niet in aanmerking
                                komt voor een kinderopvangtoeslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verifieert de aanvraag en geeft aan de houder
                                goedkeuring tot plaatsing van het kind mits er sprake is van een
                                wederkerigheidsovereenkomst en indien de ouder geen recht heeft op
                                een kinderopvangtoeslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De periode van een kindplek duurt van plaatsing van het kind via een
                                gemeentelijke kindplek tot dat het kind naar de basisschool
                                gaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ouder regelt in eerste instantie zelf een plek voor
                                wederkerigheid en een wederkerigheids-overeenkomst;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De gemeente of het kenniscentrum VVE biedt op verzoek van de ouder
                                ondersteuning bij het indienen van de aanvraag;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het kenniscentrum VVE is belast met de uitvoering van het proces
                                betreffende de wederkerigheid en de monitoring.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van het bedrag van de kindplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het inkoopbedrag van een kindplek regulier en VVE wordt jaarlijks
                                vastgesteld door het college (alleen voor ouders die geen recht
                                hebben op kinderopvangtoeslag). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ouders die vallen onder de Wet (recht hebben op
                                kinderopvangtoeslag) worden de extra kosten van een kindplek
                                voorschoolse educatie vergoed door het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, indien zij van mening is dat er sprake is van
                                bijzondere (tijdelijke) omstandigheden, het inkoopbedrag van een
                                kindplek verhogen in de situaties dat het wenselijk is om met
                                houders afspraken te maken over extra kwaliteitseisen, danwel de
                                inkoop van kindplekken op bepaalde locaties te stimuleren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Kindplekcriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een kindplek regulier omvat maximaal 7 uur per week en 40 weken per
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder dient te voldoen aan de bepalingen rondom registratie,
                                samenwerking met basis-school, overdracht kindgegevens naar
                                basisschool, signalering en bij het houder van een peuterdossier
                                zoals omschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een kindplek voorschoolse educatie omvat maximaal 14 uur per week
                                en 40 weken per jaar. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inkoop van een kindplek voorschoolse educatie door het college
                                bij de houder van kinderopvang voorschoolse educatie vindt plaats op
                                basis van VVE-indicatie van de GGD / de arts van het
                                consultatiebureau.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder die VVE gecertificeerd is dient te voldoen aan alle
                                bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afstemming houder kinderopvang, GGD en Kenniscentrum VVE</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder controleert of een kind een VVE-indicatie heeft bij
                                aanmelding. Indien er sprake is van een VVE-indicatie en de houder
                                heeft geen VVE-certificaat wordt contact gelegd met het
                                Kenniscentrum VVE voor ondersteuning gericht op het wegwerken van de
                                taal- of ontwikkelingsachterstand van de peuter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de ondersteuning (afspraken houder kinderopvang en
                                kenniscentrum VVE) worden vastgelegd in een overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ondersteuning dient te voldoen aan de kwaliteitseisen
                                voorschoolse educatie zoals verwoord in deze verordening in
                                hoofdstuk 3.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het vermoeden ontstaat tijdens de plaatsing dat er sprake is
                                van een taal- of ontwikkelingsachterstand bij een kind, dient de
                                houder het Kenniscentrum in te schakelen voor ondersteuning ten
                                behoeve van de peuter. Er dient wel sprake te zijn van een
                                VVE-indicatie van de GGD. Om voor vergoeding van een VVE-kindplek in
                                aanmerking te komen dient contact opgenomen te worden met GGD voor
                                indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wederkerigheidovereenkomst naar vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als voorwaarde om een kindplek bij het kindcentrum te kunnen afnemen
                                dient de ouder te beschikken over een wederkerigheidovereenkomst.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de wederkerigheidsovereenkomst zijn de afspraken tussen gemeente
                                en ouder rondom de wederkerigheid opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omvang van de wederkerigheid is minimaal gemiddeld 8 uur per
                                week. De invulling van de wederkerigheid dient gemiddeld 8 uur per
                                week te zijn over de periode van plaatsing van het kind. Indien de
                                ouder een beroep doet op het kenniscentrum VVE kan rekening worden
                                gehouden met de mogelijkheden en capaciteiten van de ouder:
                                ‘wederkerigheid naar vermogen’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud van de overeenkomst bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>een omschrijving van de werkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>een omschrijving van de overige afspraken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ouder is primair verantwoordelijk voor de invulling van de
                                wederkerigheid en het nakomen van de afspraken wat betreft de
                                wederkerigheidsovereenkomst. Ouders kunnen de wederkerigheid regelen
                                in hun eigen omgeving (buurt, school of voorschoolse voorziening) of
                                met hulp van organisaties (voor vrijwilligers/mantelzorgers) in
                                Deventer.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de ouder extra begeleiding nodig heeft dan kan dat via het
                                kenniscentrum VVE: de houder attendeert de ouders op deze
                                mogelijkheid en geeft de gegevens aan het kenniscentrum VVE door
                                (met toestemming van de ouder).</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ouder is primair verantwoordelijk voor het nakomen van de
                                afspraken wat betreft de wederkerigheidsovereenkomst. Op het moment
                                dat naar het oordeel van de ouder de werkzaamheden in het kader van
                                wederkerigheidsovereenkomst niet naar tevredenheid verlopen dient de
                                ouder dat eerst zelf neer te leggen bij de organisatie waar de
                                werkzaamheden plaatsvinden. In tweede instantie kan de ouder terecht
                                bij het kenniscentrum VVE bij het zoeken van een nieuwe plek voor de
                                wederkerigheid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De wederkerigheidsovereenkomst wordt afgesloten voor een periode die
                                afloopt op het moment dat het kind naar de basisschool gaat.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De peuter wordt niet van de gemeentelijke kindplek gehaald op het
                                moment dat de afspraken rondom de wederkerigheid door de ouder niet
                                worden nagekomen. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Als de afspraken rond de wederkerigheid niet worden nagekomen dan
                                wordt het kindplekbedrag naar rato teruggevorderd van de ouder of
                                wordt op andere wijze om een tegenprestatie gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Mantelzorgtaken zijn een vorm van wederkerigheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichtingen van de houder m.b.t. kindplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder is verantwoordelijk voor uitvoering van de activiteiten en
                                dient te voldoen aan de door de GGD gestelde eisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder beschikt over een adequaat signalerings- en
                                doorverwijsprotocol.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder beschikt over een adequaat risico- en
                                veiligheidsprotocol.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder hanteert effectieve werkwijzen rond klanttevredenheid
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder werkt mee aan het ontwikkelen, registreren, meten en
                                leveren van informatie voor indicatoren ten behoeve van beleid en
                                verantwoording voor de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De houder heeft het convenant WET OKE en VVE ondertekend</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder heeft in het kader van het integraal kindcentrum een
                                aantoonbare samenwerking met het primair onderwijs wat betreft de
                                doorgaande leerlijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>KWALITEITSEISEN VOORSCHOOLSE EDUCATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Registratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder registreert elk kind dat deelneemt aan voorschoolse
                                educatie, informeert bij de GGD of er sprake is van een
                                VVE-indicatie en zorgt ervoor dat de gegevens van de geregistreerde
                                kinderen, tot de overgang naar het basisonderwijs, actueel
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder houdt het precieze aantal maanden, aantal dagdelen en
                                gevolgd VVE-programma en resultaten bij dat een kind aan
                                voorschoolse educatie ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Effectief programma voorschoolse educatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de voorschoolse groepen kiezen houders een bewezen effectief
                                programma of aanpak voor de taal- en ontwikkelingsstimulering van
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder werkt met een doelgerichte planning die aansluit bij de
                                doelen en ontwikkelingslijnen van het betreffende programma.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                
                Er wordt opbrengstgericht gewerkt: het aanbod klimt op
                                in moeilijkheidsgraad en er wordt gedifferentieerd naar leeftijd en
                                ontwikkelingsniveau.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Deelname voorschoolse educatie</titel></kop><al>Voorschoolse educatie omvat per week vier dagdelen per
                            doelgroepkind.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Maximaal aantal kinderen voorschoolse educatie</titel></kop><al>Een groep bestaat uit ten hoogste 15 kinderen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beroepskrachten voorschoolse educatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder is verantwoordelijk dat:</al><lijst><li nr="a."><al>De beroepskracht voorschoolse educatie beschikt voor
                                        schriftelijke taalvaardigheid niveau 3F.</al></li><li nr="b."><al>De beroepskracht voorschoolse educatie beschikt voor
                                        leesvaardigheid en mondelinge vaardigheid over taalniveau
                                        3F.</al></li><li nr="c."><al>Alle beroepskrachten moeten gecertificeerd zijn in het
                                        VVE-programma dat op de locatie van de houder wordt
                                        gebruikt, tenzij er gebruik wordt gemaakt van het
                                        Kenniscentrum VVE. Alle beroepskrachten van het
                                        kenniscentrum zijn gecertificeerd.</al></li><li nr="d."><al>De beroepskracht voorschoolse educatie is verplicht bij- en
                                        nascholing te volgen om het kennisniveau actueel te houden
                                        en te voldoen aan de (nieuwe) eisen van de overheid.</al></li><li nr="e."><al>Elke beroepskracht dient aan alle opleidingseisen ten
                                        aanzien van voorschoolse educatie te voldoen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Ouderbetrokkenheid en informeren ouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder van kinderopvang maakt jaarlijks een analyse van de
                                    ouderpopulatie. Op basis hiervan formuleert de houder jaarlijks
                                    per locatie specifiek ouderbeleid, waarbij hij beschrijft op
                                    welke wijze waarop hij minimaal het gestelde in de leden 2 tot
                                    en met 4 van dit artikel uitvoert.</al></li><li nr="2."><al>Ouders worden door de houder van de instelling actief betrokken
                                    bij de activiteiten van de voorschoolse educatie.</al></li><li nr="3."><al>De houder biedt concrete activiteiten aan om ouders te
                                    stimuleren thuis met hun kind activiteiten van voorschoolse
                                    educatie te doen.</al></li><li nr="4."><al>De houder zorgt ervoor dat er coördinatie plaatsvindt op het
                                    geheel aan activiteiten met als resultaat dat ouders betrokken
                                    zijn bij de voorschoolse activiteiten.</al></li><li nr="5."><al>De houder informeert de ouders voorafgaand aan de plaatsing van
                                    hun kind aantoonbaar over het beleid van eventuele voorschoolse
                                    educatie.</al></li><li nr="6."><al>
                  Bij aanmelding van het kind vindt een intakegesprek
                                    plaats, waarbij de ouder(s) wordt (en) bevraagd over kenmerken
                                    van hun kind, over het gezin en over hun wijze van
                                    opvoeden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenwerking houder kinderopvang en basisschool</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder werkt nauw samen met tenminste één basisschool binnen een
                                kindcentrum 0 – 13 waarnaar gemiddeld de meeste kinderen
                                doorstromen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De samenwerking bestaat minimaal uit gestructureerd overleg en dit
                                wordt door de houder samen met directie van de basisschool op te
                                stellen jaar(werk)plan, vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het jaarplan omvat concrete afspraken over visie, pedagogisch
                                klimaat, het versterken van de doorlopende leerlijn, ouderbeleid,
                                zorgbeleid, overdracht van kindgegevens, het gezamenlijke overleg en
                                de opleiding/nascholing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder evalueert jaarlijks gezamenlijk met de directie van de
                                basisschool de kwaliteit van de voorschoolse educatie en de
                                resultaten bij de kinderen. De uitkomsten van de evaluaties leiden
                                tot aantoonbare en planmatige verbetermaatregelen in het
                                jaar(werk)plan en het concrete aanbod (didactiek en inhoud).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overdracht kindgegevens naar basisschool</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij ieder kind van 4 jaar dat een programma van voorschoolse
                                educatie heeft doorlopen, vindt overdracht van kindgegevens plaats
                                naar de basisschool door middel van een gesprek met behulp van het
                                stedelijk overdrachtsformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder draagt er zorg voor dat de overdracht plaatsvindt na
                                goedkeuring en ondertekening door een ouder van het kind.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder bewaart van elke overdracht een kopie van het stedelijk
                                overdrachtsformulier voor een termijn van minimaal 1 jaar na de
                                datum van overdracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Signalering en aanpak bij zorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beroepskrachten volgen de ontwikkeling van alle kinderen (als
                                groep en ieder kind apart) met een kindvolgsysteem.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beroepskrachten analyseren regelmatig de ontwikkelingen van het
                                kind en de groep en bepalen welke begeleiding en zorg nodig is voor
                                de hele groep en het individuele kind.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien blijkt dat een kind extra zorg nodig heeft, wordt het kind,
                                na melding hiervan aan de ouders, door de houder bij het
                                Kenniscentrum aangemeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten aanzien van kinderen waarover de houder zich met betrekking tot
                                de ontwikkeling zorgen maakt, wordt door de houder in afstemming met
                                het Kenniscentrum een handelingsplan opgesteld en bijgehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Peuterdossier</titel></kop><al>De observatie- en eventuele toetsgegevens worden vastgelegd in een
                            peuterdossier en geven zicht op de ontwikkeling of de eventuele
                            stagnatie per kind.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>KWALITEITSEISEN KINDPLEKKEN 2 EN 3 JARIGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Ruimte en inrichtingseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Groepsspeelruimte Kinderopvang kinderen van 2 en 3
                                    jarigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto oppervlakte aan
                                    groepsspeelruimte beschikbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke groepsspeelruimte is ingericht in overeenstemming met het
                                    aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor 1- 2 jarige peuters geldt de Wet</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Buitenspeelruimte</titel></kop><al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar;</al></li><li nr="b."><al>een oppervlakte van minimaal 3 m2 bruto oppervlakte
                                        speelruimte per kind op basis van de maximale
                                        groepsgrootte;</al></li><li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van en het
                                        aantal op te vangen kinderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Groepen</titel></kop><al>De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in vaste
                                afzonderlijke ruimtes.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Overige eisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst
                                tussen de houder en ouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houder informeert schriftelijk en mondeling de ouder voorafgaand
                                aan het aangaan van de in artikel 11 bedoelde overeenkomst in ieder
                                geval over:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheden van het aanbieden van voorschoolse
                                        educatie</al></li><li nr="b."><al>de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na
                                        plaatsing van het kind;</al></li><li nr="c."><al>de vindplaats van toepasselijke regelgeving, beleidsplannen,
                                        het pedagogisch plan en met wie de houder samenwerkt;</al></li><li nr="d."><al>het signaleringsysteem;</al></li><li nr="e."><al>de overdracht van gegevens naar de basisschool door middel
                                        van stedelijk overdrachtsformulier, na toestemming van de
                                        ouders;</al></li><li nr="f."><al>de klachtenprocedure.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Het college ziet toe op de naleving van de bij deze verordening gestelde
                            regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel
                                2.2, eerste lid van de wet binnen 10 weken of de instandhouding
                                redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de
                                voorschriften uit hoofdstuk 2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt jaarlijks of de exploitatie van de
                                kinderopvang van het integraal kindcentrum plaatsvindt in
                                overeenstemming met de voorschriften uit deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                                toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van
                                deze verordening</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vastleggen resultaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder legt zijn oordeel, naar aanleiding van een
                                onderzoek bij het onderdeel kinderopvang van een kindcentrum als
                                bedoeld in artikel 25, schriftelijk vast in een ontwerprapport.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder van het
                                onderdeel van kinderopvang van een kindcentrum de voorschriften uit
                                deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij
                                dat in het inspectierapport.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthouder stelt de desbetreffende houder in de gelegenheid
                                van het ontwerprapport kennis te nemen en voert overleg over de
                                inhoud van het rapport.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder krijgt de gelegenheid zijn zienswijze over de inhoud van
                                het ontwerprapport schriftelijk kenbaar te maken. De toezichthouder
                                vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het
                                rapport.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toezichthouder stelt het rapport vast en zendt het
                                inspectierapport onverwijld aan de houder van het onderdeel
                                kinderopvang van het integraal kindcentrum, die een afschrift
                                daarvan ter inzage legt op een voor ouders en personeel
                                toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
                                de vaststelling daarvan openbaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien bij een onderzoek, als bedoeld in het eerste lid,
                                tekortkomingen zijn geconstateerd zendt de toezichthouder een
                                afschrift van het inspectierapport aan het dagelijks bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Schriftelijke aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een houder die verantwoordelijk is voor de
                                exploitatie van kinderopvang in het integraal kindcentrum een
                                schriftelijke aanwijzing geven indien hij de voorschriften uit deze
                                verordening niet of in onvoldoende mate naleeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college
                                met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid
                                bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd,
                                alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Verbod tot exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de houder die verantwoordelijk is voor de
                                kinderopvang binnen het integraal kindcentrum verbieden de
                                exploitatie daarvan voort te zetten, zolang hij een aanwijzing als
                                bedoeld in artikel 27 niet opvolgt en het opleggen van een last
                                onder bestuursdwang niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 27 blijkt dat de
                                kinderopvang naar verwachting niet dan wel niet langer aan de
                                voorschriften uit hoofdstuk twee van deze verordening zal voldoen,
                                kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder
                                verbieden de kinderopvang in exploitatie te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze
                            verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten
                            gunste van de houder af te wijken van één of meerdere bepalingen van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 september 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Kwaliteitseisen
                            en Inkoop Kindplekken bij de ontwikkeling naar Integrale Kindcentra</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 juli 2012</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>
          de griffier,
        </ondertekening><ondertekening>
           drs. S.J. Peet
        </ondertekening><ondertekening>
          de voorzitter,
        </ondertekening><ondertekening>
           ir. A.P. Heidema
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening kwaliteitseisen en Inkoop Kindplekken bij
                        Integrale Kindcentra</titel></kop><tussenkop>Algemeen 1</tussenkop><al/><al>Op 1 augustus 2010 is de wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (wet
                    OKE) in werking getreden met als gevolg dat de Wet kinderopvang, de Wet op het
                    onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten zijn
                    gewijzigd in verband met het onderwijsachterstandenbeleid. De wijziging beoogt
                    de kwaliteitseisen die gesteld worden aan kinderopvangcentra en peuterspeelzalen
                    te harmoniseren.</al><al/><al>In de huidige Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna:de
                    Wet) zijn dan ook een aantal minimale kwaliteitseisen voor peuterspeelzalen en
                    kinderopvang vastgelegd. Hierdoor ontstaat een landelijk kwaliteitskader voor
                    zowel de peuterspeelzalen als de kindercentra. De kwaliteitseisen die worden
                    gesteld aan kinderopvang en peuterspeelzalen, die opvang bieden aan peuters van
                    2 jaar en ouder, zijn vrijwel identiek).</al><al/><al>In het kader van Vroeg- en Voorschoolse Educatie wordt een convenant afgesloten
                    tussen onderwijs, GGD en kinderopvangorganisaties waarin ook een aantal
                    kwaliteitseisen voor de houders van kinderopvangorganisaties in de integrale
                    kindcentra zijn uitgewerkt. Dit betreft onder ander het werken met een stedelijk
                    overdrachtsformulier, het inzetten van de expertise door het Kenniscentrum VVE
                    bij peuters met een taal- of ontwikkelingsachterstand. </al><al/><al>Op basis van de Visie op Kindcentra is gekozen om de peuterspeelzalen niet meer
                    te subsidiëren. Kindpleken (mits voldaan aan criteria) worden ingekocht bij
                    kinderopvangorganisaties. Gelet op de verwevenheid van de inkoop van kindplekken
                    door het college en de daaraan gekoppelde kwaliteits- is gekozen om dit in 1
                    verordening samen te brengen.</al><al/><al>De eerste levensjaren van een kind zijn belangrijk voor de ontwikkeling van de
                    cognitieve, de sociaal-emotionele en de motorische vaardigheden. De opvoeding
                    door de ouders legt daarvoor de basis, maar ook de rest van de omgeving waarin
                    het kind opgroeit is van belang.</al><al/><al>Peuters moeten veilig kunnen spelen en voldoende ruimte hebben. De Vereniging
                    van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft daarom ten aanzien van de ruimte- en
                    inrichtingseisen een modelverordening opgesteld.</al><al/><al>De VNG-modelverordening heeft als voorbeeld gediend voor de onderhavige
                    Verordening kwaliteitseisen peuterspeelzalen en voorschoolse educatie. De
                    VNG-modelverordening is gebaseerd op de eisen die worden gesteld in de Algemene
                    Maatregel van Bestuur / nr 298 / besluit van 7 juli 2010 aan voorschoolse
                    educatie.</al><al/><al>De wet OKE heeft tevens als inzet om meer en betere voorschoolse educatie te
                    bieden. De voor- en vroegschoolse educatie heeft als doel om
                    onderwijsachterstanden bij jonge kinderen te voorkomen en waar nodig effectief
                    te bestrijden. Gemeenten hebben de wettelijke verplichting om een goed
                    voorschools aanbod te doen aan jonge kinderen met een taalachterstand en een
                    inspanningsverplichting om al deze kinderen te bereiken. In de gemeente
                    Deventer, mede dankzij de extra Rijksmiddelen, is op termijn een goed
                    voorschools aanbod beschikbaar op basis waarvan het non-bereik kan worden
                    opgeheven.</al><al/><al>De kwaliteitseisen voorschoolse educatie die worden gesteld in de wet OKE worden
                    aangevuld met nadere kwaliteitseisen in de Algemene Maatregel van Bestuur
                    ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’ (AMvB).</al><al/><tussenkop>Doelgroep</tussenkop><al/><al>Tot de VVE-doelgroep behoren alle kinderen die extra zorg en aandacht nodig
                    hebben vanwege:</al><lijst><li nr="1."><al>taalachterstand omdat de Nederlandse taal niet de moedertaal van het
                            kind is en/of de ouders deze taal onvoldoende beheersen om buiten school
                            de taalverwerving van het kind in het Nederlands te versterken</al></li><li nr="2."><al>sociaal-medische problemen: fysieke problemen (o.a. motorisch) als
                            gevolg van de sociale omstandigheden waarin het kind opgroeit</al></li><li nr="3."><al>sociaal-economische problemen: problemen als gevolg van de
                            sociaal-economische omstandigheden waarin het kind opgroeit, bijv.
                            armoede</al></li><li nr="4."><al>sociaal-culturele problemen: problemen als gevolg van culturele
                            kenmerken van de omgeving waarin het kind opgroeit, bijv.
                            aanpassingsproblemen, maatschappelijk isolement van ouders, te grote
                            afstand tussen thuis- en schoolmilieu ed.</al></li><li nr="5."><al>sociaal-emotionele problemen: gedragsproblemen van de kinderen waar de
                            school extra aandacht aan moet besteden om een (ook emotioneel) veilige
                            school te kunnen creëren</al><al/></li></lijst><tussenkop>Algemeen 2</tussenkop><al/><al>Eén van de uitgangspunten van de Visie op Kindcentra is dat peuterspeelzalen
                    zich moet laten registreren als Kinderopvangorganisatie, zodat de kosten van de
                    opvang voor de ouders die voldoen aan de criteria van de Wet Kinderopvang via
                    het Rijk door middel van een toeslag kunnen worden vergoed. Dit geeft het
                    college de financiële ruimte om voor ouders die geen recht hebben op
                    kinderopvangtoeslag kindplekken in te kopen bij kinderopvangorganisaties (die
                    participeren in Integrale Kindcentra) en voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals
                    geformuleerd in de Visie op Kindcentra.</al><al/><al>Een belangrijk element van de Visie op Kindcentra is dat de gemeente Deventer
                    alle ouders de kans biedt om hun kind naar een integraal kindcentrum te laten
                    gaan vanaf de peuterleeftijd. Dit ongeacht de inkomenssituatie van de ouders.
                    Ouders die beiden werken, hebben recht op een financiële tegemoet-koming van het
                    rijk. Deventer koopt voor de ouders die geen recht hebben op de
                    kinderopvangtoeslag een kindplek in.</al><al/><al>Door het peuterspeelzaalwerk (peuterarrangement) onder de Wet Kinderopvang te
                    plaatsen wordt het wettelijk kader geharmoniseerd. Het financiële kader wordt
                    geharmoniseerd door bij de financiering van een gemeentelijke kindplek uit te
                    gaan van dezelfde financieringssystematiek als in de kinderopvang, namelijk
                    vraagfinanciering. Hierbij is de keuze van ouders bepalend voor de
                    financieringsstromen. </al><al/><al>In de kinderopvang zien de financieringsstromen er als volgt uit: ouders betalen
                    de volledige kosten van de kindplaats zelf.De belastingdienst verstrekt ouders
                    een inkomensafhankelijke bijdrage. </al><al/><al>Financieringsmodel bij een gemeentelijke kindplek. Er wordt aangesloten bij de
                    werkwijze van de kinderopvang. De gemeente Deventer gaat een financiële
                    betrekking aan met partijen die voldoen aan de eisen en voorwaarden die gesteld
                    worden aan het aanbieden van een gemeentelijke kindplek. Deze partijen ontvangen
                    van de gemeente per kind de opvangkosten. Daarbij is het uitgangspunt het
                    uurtarief dat de belastingdienst hanteert voor de Kinderopvangtoeslag. Er wordt
                    geen ouderbijdrage van de ouders gevraagd (wel in natura).</al><al/><al>Er is hier sprake van een indirecte finaciering aan ouders die gebruik maken van
                    een gemeentelijke kindplek en niet vallen onder de Wet Kinderopvang. De gemeente
                    vergoedt de vraag van de ouder via de houder van de kinderopvang. In plaats van
                    de ouder een directe tegemoetkoming te verstrekken wordt de tegemoetkoming aan
                    de houder van de kinderopvang verstrekt.</al><al/><al>Er is voor gekozen om geen (financiële) ouderbijdrage te vragen vanwege de
                    wederkerigheidseis die wordt gekoppeld aan het gebruik kunnen maken van een
                    gemeentelijke kindplek. In de Visie op Kindcentra wordt uitgegaan van het feit
                    dat ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag tijd hebben om zich
                    maatschappelijk in te zetten. En tijd hebben in het algemeen om iets voor de
                    samenleving te kunnen doen om zodoende een kindplek vergoed te krijgen in een
                    integraal kindcentrum. Een andere reden om geen ouderbijdrage meer te heffen is
                    dat het financiële rendement van de inning van de ouderbijdrage niet groot is. </al><al/><al>De gemeente koopt kindplekken bij een kinderopvangorganisatie in op basis van de
                    verwachte behoefte aan kindplekken. Door middel van nacalculatie op basis van
                    feitelijk gebruik door de peuters vindt verrekening plaats.</al><al/><al>De gemeente kijkt bij de beoordeling naar de behoefte in de buurt op basis van
                    CBS en GGD-cijfers.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop/><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al/><al>Het juist hanteren van begrippen uit de Visie op Kindcentra en de Wet
                    Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen luistert zeer nauwkeurig. In de
                    Deventer Visie op Kindcentra wordt gesproken over kindcentra;. De landelijke
                    term, zoals het bedoeld wordt in de visie, is veelal Integraal Kindcentrum. De
                    term Kindercentrum uit de wet betreft de kinderopvang van 0 – 4 jaren. </al><al/><al>Daarom is gekozen om het begrip houder als volgt te omschrijven:</al><al>Houder is degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet
                    2007 toebehoort/exploiteert en die met die onderneming binnen een integraal
                    kindcentrum zorg draagt voor kinderopvang, als bedoeld in de Wet Kinderopvang en
                    Kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</al><al/><al>In Deventer wonen op dit moment ongeveer 2500 peuters van 2 en 3 jaar. Met de
                    meeste van de peuters gaat het prima. Van ongeveer 435 peuters heeft de GGD
                    vastgesteld dat er sprake is van een taal- of ontwikkelingsachterstand. Deze
                    behoren tot de doelgroep van de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Naast
                    deze kinderen hebben 125 kinderen speciale zorg nodig van buiten de VVE. Deze
                    peuters ontvangen speciale zorg van daarvoor specifieke toegeruste instellingen.
                    Deze groep behoort niet tot de VVE-doelgroep.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Doel van de verordening</tussenkop><al/><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2 INKOOP VAN KINDPLEKKEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3 Kindplekken </tussenkop><al/><al>Een kindplek = 7 uur per week: organisaties mogen zelf besluiten of ze er 2 x
                    3,5 uur van maken of een ander ritme, maar in ieder geval verdeeld over 2
                    dagen;</al><al>Ritme van halen en brengen van scholen en kinderopvang is verschillend, kindplek
                    uren kunnen hierop worden afgestemd.</al><al>Organisaties die minimaal 4 uur per dagdeel (totaal: 8 uur dus) hanteren, kunnen
                    de kosten van 1 uur bij de ouders neerleggen; Organisaties die kiezen voor een
                    ritme van meer dan 7 uur per week, kunnen de kosten van de extra uren (boven de
                    7 uur voor een kindplek) neerleggen bij de ouders.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Hoogte van het bedrag van een gemeentelijke
                    kindplek</tussenkop><al/><al>Voor een nadere toelichting zie de bijbehorende B&amp;W-nota. In de verordening
                    is in het kader van flexibiliteit opgenomen dat de prijzen voor kindplekken
                    jaarlijks worden vastgesteld door B&amp;W, op basis van het door de raad
                    vastgestelde budget, en rekening houdend met jaarlijkse evaluatie van kostprijs
                    en aantal kinderen. Het streven is om in het voorjaar een evaluatie aan het
                    college / de raad voor te leggen op basis waarvan de prijzen voor kindplekken
                    per 1 september van hetzelfde jaar worden vastgesteld.</al><al/><al>Bovendien is de mogelijkheid in artikel 4 lid 3 opgenomen om aanvullende
                    afspraken te maken op basis van extra dienstverlening en kwaliteit. Dus het
                    (basis)tarief op te plussen indien het college dat wenselijk vindt. Hierbij kan
                    worden gedacht aan het stimuleren van VVE-aanbod op bepaalde locaties of het
                    kunnen aanbieden van extra VVE-kwaliteit.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Financiële criteria kindplek </tussenkop><al/><al>Voor een nadere toelichting zie de bijbehorende B&amp;W-nota. De tarieven voor (
                    VVE-) kindplekken worden jaarlijks door het college vastgesteld op basis van een
                    evaluatie van daadwerkelijke kostprijs en het aantal kinderen met VVE indicatie;
                    het college besluit (en evaluatie) gaan ter informatie naar de raad.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Samenwerking houder kinderopvang en GGD / Consultatiebureau /
                    wijkverpleegkundige</tussenkop><al/><al>Het consultatiebureau heeft een belangrijke taak in de toeleiding en de
                    VVE-indicatie. Er is ook een grote verantwoordelijkheid voor de houder van de
                    kinderopvang, namelijk de signaleringsfunctie. Op het moment dat er een
                    vermoeden is van een taal- of ontwikkelingsachterstand bij een peuter dient
                    actie te worden ondernomen richting GGD en vervolgens naar het Kenniscentrum (
                    op het moment dat men geen VVE in eigen huis heeft) en de GGD geeft een
                    VVE-indicatie af als het vermoeden juist blijkt te zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Wederkerigheidovereenkomst</tussenkop><al/><al>De verantwoordelijkheid van de uitvoering van de wederkerigheid ligt niet bij de
                    leidsters / kindcentra; wel wordt gevraagd om gegevens bij te houden rondom
                    peuter en ouder(s).</al><al/><al>Inhoudelijke criteria zullen na een proefperiode van een jaar op papier worden
                    gezet op basis van de opgedane ervaringen. Hierbij zullen bestaande organisaties
                    zoals de VCD, Steunpunt Mantelzorg, Raster/ Buurtwerk, maar ook voorschoolse
                    voorzieningen en scholen worden betrokken.</al><al/><al>Indien het niet loopt dient gemeente actie te ondernemen. De organisatie waar de
                    wederkerigheid plaatsvindt, dient te registeren of betrokken persoon aanwezig is
                    en voor de begeleiding te zorgen. De informatie over de invulling van de
                    wederkerigheid (overeenkomst ouder – gemeente) komt terecht bij de gemeente (met
                    als opdrachtnemer: kenniscentrum VVE). </al><al/><al>De wederkerigheid geldt voor alle ouders waarvoor de gemeente een kindplek heeft
                    ingekocht (VVE en niet VVE). De wederkerigheid geldt niet voor de ouders die het
                    volledige bedrag voor een kindplek zelf betalen.</al><al/><al>Bij de ouders die niet (naar rato) kunnen terugbetalen, bij het niet nakomen van
                    afspraken, wordt het kindplekbedrag teruggevorderd of op andere wijze om een
                    tegenprestatie gevraagd. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Verplichtingen van de houder met betrekking tot
                    kindplek</tussenkop><al/><al>De houder dient te voldoen aan de verplichtingen zoals geformuleerd in deze
                    verordening. Voor wat betreft de inkoop van gemeentelijke kindplekken dient het
                    VVE-convenant te zijn ondertekend.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3 KWALITEITSEISEN VOORSCHOOLSE EDUCATIE</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9 Registratie</tussenkop><al/><al>De houder waar een kind is ingeschreven dat deelneemt aan voorschoolse educatie,
                    registreert de inschrijving. De houder is vanaf dat moment tot de overgang van
                    het kind naar het basisonderwijs bij 4 jaar verantwoordelijk voor het up-to-date
                    houden van de gegevens. De gegevens dienen maandelijks te worden
                    bijgehouden.</al><al/><al>Nadere uitwerking vindt hiervan plaats</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Effectief programma voorschool</tussenkop><al/><al>Instellingen werken met een bewezen effectiever VVE programma. VVE programma’s
                    dienen te voldoen aan het bij de Wet vastgestelde Besluit basisvoorwaarden
                    kwaliteit voorschoolse educatie (artikel 5).</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Effectief programma voorschoolse educatie</tussenkop><al/><al>Geen nadere toelichting</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Maximaal aantal kinderen</tussenkop><al/><al>Het bij de Wet vastgestelde Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse
                    educatie (artikel 3) bepaalt dat een groep kinderen waaraan voorschoolse
                    educatie wordt aangeboden uit ten hoogste 16 kinderen bestaat. Het college
                    hanteert voor de voorschoolse educatie in een strengere norm, namelijk ten
                    hoogst 15 kinderen. De houder mag vanzelfsprekend kleinere groepen
                    formeren.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Beroepskrachten voorschoolse educatie</tussenkop><al/><al>Beroepskrachten dienen te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de AmvB. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Ouderbetrokkenheid en informeren ouders</tussenkop><al/><al>Ouderbetrokkenheid vormt een structureel onderdeel van de voorschoolse
                    voorziening. Elke voorschoolse voorziening formuleert jaarlijks specifiek
                    ouderbeleid dat past bij de behoeften en mogelijkheden van de ouders op de
                    betreffende locatie gebaseerd op een analyse van de ouderpopulatie. Ouders
                    worden door de locatie actief betrokken bij de voorschoolactiviteiten. De houder
                    biedt concrete activiteiten aan om ouders te stimuleren in het thuis uitvoeren
                    van voorschoolactiviteiten met hun kind.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Samenwerking houder van de kinderopvang en
                    basisschool</tussenkop><al/><al>Dit artikel bepaalt dat houders van de kinderopvang die voorschoolse educatie
                    aanbieden, nauw moeten samenwerken met één basisschool waarnaar (gemiddeld) de
                    meeste kinderen doorstromen. Aan de ouders dient nadrukkelijk te worden
                    gecommuniceerd dat zij vrij zijn in de keuze van kinderopvang. Uitgangspunt is
                    wel dat ze gebruik moeten maken van het aanbod van VVE / kindplekken in de buurt
                    / wijk waar ze wonen. </al><al/><al>De samenwerking bestaat minimaal uit:</al><lijst><li nr="a."><al>gestructureerd overleg tussen het management van de voorschoolse
                            voorziening en de schooldirectie;</al></li><li nr="b."><al>een gezamenlijk jaar(werk)plan, waarin concrete afspraken zijn opgenomen
                            over</al><lijst><li nr="1."><al>visie op VVE en pedagogisch klimaat;</al></li><li nr="2."><al>versterken doorlopende leerlijn;</al></li><li nr="3."><al>ouderbeleid;</al></li><li nr="4."><al>zorgbeleid;</al></li><li nr="5."><al>overdracht kindgegevens/ stedelijk overdrachtsformulier;</al></li><li nr="6."><al>gezamenlijk overleg;</al></li><li nr="7."><al>opleiding/nascholing;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorschoolse voorziening en de basisschool evalueren jaarlijks
                            gezamenlijk de kwaliteit van de VVE en de resultaten bij de
                            kinderen;</al></li><li nr="d."><al>evaluaties leiden tot aantoonbare en planmatige verbetermaatregelen in
                            1) het gezamenlijke jaar(werk)plan; 2) het concrete aanbod (didactiek en
                            inhoud).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 16 Warme overdracht </tussenkop><al/><al>Bij ieder kind van 4 jaar dat een programma voor voorschoolse educatie aan een
                    instelling heeft doorlopen, vindt overdracht van kindgegevens plaats met behulp
                    van het Deventer Stedelijke overdrachtsformulier</al><al>De overdracht mag alleen plaats vinden na goedkeuring en ondertekening van het
                    complete ingevulde dossier door minimaal één van de ouders.</al><al>De houder bewaart van elke overdracht een kopie van het stedelijk
                    overdrachtsformulier van minimaal één jaar ten behoeve van inspecties door GGD
                    en Inspectie van het Onderwijs en tevens voor het geval dat formulieren verloren
                    zouden kunnen gaan.</al><al/><al>De Inspectie van het Onderwijs stelt als norm voor peuterspeelzalen met
                    voorschool dat warme overdracht plaatsvindt. Het college Deventer beveelt dit
                    aan voor alle voorschoolse voorzieningen die op eenzelfde locatie zitten met de
                    basisschool.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Signalering en aanpak bij zorg</tussenkop><al/><al>Voor kinderen waarover de houder van de kinderopvang en/of de ouders zich zorgen
                    maken, wordt door de houder een handelingsplan opgesteld in samenwerking met de
                    ouder en het Kenniscentrum VVE en bijgehouden.</al><al>De beroepskrachten vermelden in het peuterdossier welke (extra) begeleiding
                    en/of externe zorg wordt ingezet. Vervolgens wordt ook het verloop van de
                    (extra) begeleiding of externe zorg bijgehouden.</al><al>Daarnaast geven zij aan hoe de ouders worden geïnformeerd en worden betrokken
                    bij de zorg.</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Peuterdossier</tussenkop><al/><al>In het peuterdossier worden de volgende gegevens opgenomen en bijgehouden:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>observatiegegevens</al></li><li nr="-"><al>eventuele toetsgegevens</al></li><li nr="-"><al>eventuele (extra) begeleiding (via het Kenniscentrum VVE) en/of externe
                            zorg en het verloop daarvan</al></li><li nr="-"><al>eventuele handelingsplannen</al></li><li nr="-"><al>hoe de ouders worden geïnformeerd en worden betrokken bij de zorg</al></li><li nr="-"><al>het aantal uren / dagdelen dat het kind op de opvang heeft
                            doorgebracht</al><al/></li></lijst><tussenkop>Resultaten</tussenkop><al/><al>De resultaten van VVE worden in de voorschoolse periode gemeten met de
                    peutertoets 1 en Cito Peutertoets in de vroegschoolse educatie met de
                    Cito-toetsen woordenschat.</al><al/><al>Op stedelijk niveau wordt een monitor VVE uitgevoerd. De monitor VVE bevat
                    resultaten over aanbod, bereik, kwaliteit en opbrengsten bij kinderen.</al><al/><al>De exacte invulling van de stedelijke monitor wordt in 2012 nader
                    uitgewerkt.</al><al>GGD, en voorschoolse voorzieningen en de schoolbesturen leveren de voor de
                    monitor benodigde gegevens aan.</al><al/><al>De resultaten van de monitor worden jaarlijks besproken en ingezet voor de
                    verdere ontwikkeling van de kwaliteit van het VVE-beleid. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN KINDPLEKKEN 2 EN 3 JARIGEN</tussenkop><al/><al>Dit hoofdstuk is beperkt tot de kinderopvang van 2 en 3 jarigen. Voor deze
                    catogorie peuters gaat de gemeente kindplekken inkopen.</al><al/><al>Wat betreft de kinderopvang van 0 en 1 jarigen volstaan de wettelijke eisen in
                    Deventer en zijn daarom niet opgenomen in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Ruimte en inrichtingseisen</tussenkop><al/><al>De kwaliteitseisen die per 1 januari 2013 aan peuterspeelzalen gesteld worden
                    zijn vrijwel identiek aan de eisen die worden gesteld aan
                    kinderopvangorganisaties voor wat betreft de opvang van 2 en 3 jarige peuters.
                    Dat wat het college vraagt aan peuterspeelzalen past in de toekomstige
                    wetgeving, namelijk de eis dat peuterspeelzalen aan strengere criteria moeten
                    voldoen om zich te kunnen laten registreren.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 Groepsspeelruimte</tussenkop><al/><al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5 m² bruto oppervlakte
                    speelruimte aanwezig moet zijn.</al><al>Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en rusten. Bij de
                    inrichting van de binnenruimte dient rekening te worden gehouden met zowel het
                    aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt als de leeftijd van de
                    kinderen. Het gaat om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar is in
                    de groepsruimten. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de ruimtes
                    waar de kinderen spelen. Ruimte die niet gebruikt wordt als speelruimte, zoals
                    keuken, toiletten, verkeersruimte en kantoorruimte, wordt wel in mindering
                    gebracht bij het berekenen van de beschikbare speelruimte.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Buitenspeelruimte</tussenkop><al/><al>Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt en ingericht te
                    zijn in overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de kinderen. Ook
                    voor de buitenspeelruimte geldt dat bij de inrichting rekening dient te worden
                    gehouden met het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen die gebruik
                    maken van de ruimte. De speelruimte bestaat minimaal uit 3 m² bruto oppervlakte
                    per kind op basis van de maximale groepsgrootte.</al><al/><tussenkop>Artikel 21 Groepen en groepsgrootte</tussenkop><al/><al>De term “vaste groepen” betekent dat de kinderopvang zo wordt georganiseerd, dat
                    in een peutergroep tijdens een bepaald dagdeel een vaste groep peuters aanwezig
                    is. Te veel wisselingen in de aanwezigheid is voor de peuters verwarrend,
                    terwijl juist in dit opzicht structuur van belang is.</al><al>De term sluit niet uit de samenstelling van de groep qua peuters pluriform kan
                    zijn: ouders die wel of geen recht hebben op kinderopvangtoeslag of peuters met
                    of zonder een taalachterstand.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Overeenkomst tussen houder en ouder /
                    wederkerigheid</tussenkop><al/><al>Voor houders en ouders is het van belang om in een overeenkomst te
                    expliciteren</al><al>wat wederzijds de rechten en verplichtingen zijn. Vandaar dat in dit artikel
                    wordt bepaald dat het gebruik van een kindplek plaatsvindt op basis van een
                    schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Informatieplicht aan de ouders</tussenkop><al/><al>De houders zijn verplicht ouders voor dat ze een contract tekenen te informeren
                    over een aantal essentiële onderwerpen. Deze informatie biedt ouders de
                    mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over de kwaliteit en eventueel op
                    basis van een onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde kinderopvang
                    te maken.</al><al>Indien er een vermoeden / constatering is van taal- of ontwikkelingsachterstand
                    dan zal dat met toestem-ming van de ouders contact worden opgenomen met het
                    Kenniscentrum VVE.</al><tussenkop/><tussenkop>HOOFDSTUK 5 TOEZICHT</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 24 Toezicht</tussenkop><al/><al>Dit artikel maakt dat het college Deventer verantwoordelijk is voor de naleving
                    van deze verordening.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als
                    toezichthouder.</al><al>Dit is in overeenstemming met het systeem van de wet. De directeur van de GGD
                    oefent aldus het toezicht uit onder het gezag van het college, maar in opdracht
                    van het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 25 Onderzoek door de toezichthouder</tussenkop><al/><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                    plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                    exploitatie of aan de voorschriften uit hoofdstuk 4 van deze verordening zal
                    worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks regulier onderzoek
                    uit. Voorts beschikt de toezichthouder op grond van lid 3 over de mogelijkheid
                    om incidenteel onderzoek te verrichten naar de naleving van de voorschriften uit
                    deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 26 Vastleggen onderzoeksresultaten</tussenkop><al/><al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 25 worden door de toezichthouder
                    schriftelijk vastgelegd in een inspectierapport. De toezichthouder zendt het
                    ontwerpinspectierapport aan de houder van de peuterspeelzaal. De houder wordt
                    hiermee in de mogelijkheid gesteld om een reactie te geven op de inhoud van het
                    rapport. De toezichthouder dient de reactie van de houder als bijlage bij het
                    rapport te voegen. De houder zorgt er voor dat zowel ouders van kinderen in de
                    voorschoolse voorziening als het personeel inzage hebben in het inspectierapport
                    van de toezichthouder. Uiterlijk 3 weken na ontvangst maakt de toezichthouder
                    het vastgestelde inspectierapport openbaar. Het ligt voor de hand dat de
                    toezichthouder voor de openbaarmaking een breed toegankelijk medium kiest.
                    Gedacht kan worden aan de mogelijkheden die het internet biedt. Van deze
                    vaststelling wordt HET COLLEGE door de houder op de hoogte gebracht. In de
                    praktijk zal het veelal betekenen dat de toezichthouder het inspectierapport
                    naar het college toezendt.</al><al/><tussenkop>Artikel 27 Schriftelijke aanwijzing</tussenkop><al/><al>Dit artikel stemt grotendeels overeen met de eerste twee leden van de artikelen
                    1.65 en 2.23 van de wet. Op grond van dit artikel kan opgetreden worden als de
                    voorschriften uit deze verordening niet of in onvoldoende mate worden nageleefd.
                    Het biedt de mogelijkheid om door middel van het geven van een schriftelijke
                    aanwijzing de houder te bewegen de geconstateerde overtreding teniet te
                    doen.</al><al/><tussenkop>Artikel 28 Verbod tot exploitatie</tussenkop><al/><al>Dit artikel stemt grotendeels overeen met de artikelen 1.66 en 2.24 van de wet.
                    Het biedt de mogelijkheid de exploitatie van kinderopvang te verbieden zolang
                    niet aan de aanwijzing als bedoeld in artikel 27 wordt voldaan. Daarnaast biedt
                    het artikel de mogelijkheid de exploitatie van een kinderopvang te verbieden als
                    uit een aanvraag blijkt dat niet of in onvoldoende mate zal worden voldaan aan
                    de voorschriften uit deze verordening.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 6 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 29 Hardheidsclausule</tussenkop><al/><al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid
                    voor de gemeente om, in gevallen waarin toepassing van een bepaling van de
                    verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, één of meerdere
                    bepalingen van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te
                    wijken. Het afwijkende besluit van de gemeente moet altijd binnen de
                    doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule
                    moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is
                    slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 30 Inwerkingtreding en intrekking voorgaande
                    verordeningen</tussenkop><al/><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 31 Citeertitel</tussenkop><al/><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>